Verordening op de heffing en de invordering van Afvalstoffenheffing en Reinigingsrechten (reinigingsheffingen) 2016

Geldend van 01-01-2016 t/m 01-01-2017

Intitulé

Verordening op de heffing en de invordering van Afvalstoffenheffing en Reinigingsrechten (reinigingsheffingen) 2016

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Inleidende bepaling

Krachtens deze verordening worden geheven:

  • a.

    een afvalstoffenheffing;

  • b.

    reinigingsrechten.

Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    “gebruik maken” als bedoeld in hoofdstuk II van deze verordening: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

  • b.

    grof bedrijfsafval: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven of instellingen, welke door aard, omvang of hoeveelheid niet periodiek worden ingezameld.

HOOFDSTUK II

AFVALSTOFFENHEFFING

Artikel 3

Aard van de heffing en belastbaar feit

  • 1.

    Onder de naam “afvalstoffenheffing” wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

  • 2.

    De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4

Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 5

Maatstaf van heffing en tarieven

1.De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in

hoofdstuk 1 van de bij deze verordening opgenomen tarieventabel.

2.Voor een berekening van de belasting wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

Artikel 6

Belastingjaar

Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7

Wijze van heffing

  • 1.

    De belasting bedoeld in de onderdelen 1.2. en 1.3. van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag.

  • 2.

    De belasting bedoeld in de onderdelen 1.4. en 1.5. van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving.

Artikel 8

Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting bedoeld in de onderdelen 1.2. en 1.3. van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in de onderdelen 1.2. en 1.3. van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat voor de belasting bedoeld in de onderdelen 1.2. en 1.3. van de tarieventabel aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Het tweede en het derde lid zijn bij een gelijkblijvende maatstaf niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en een ander perceel in gebruik neemt.

  • 5.

    De belasting genoemd in de onderdelen 1.4. en 1.5. van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.

Artikel 9

Termijnen van betaling

  • 1.

    De aanslagen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, moeten worden betaald binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens één maand later.

  • 3.

    De belasting moet worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 7, tweede lid:

    • a.

      mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 14 dagen na dagtekening van de kennisgeving.

  • 4.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijn of de gestelde termijnen.

HOOFDSTUK III

REINIGINGSRECHTEN

Artikel 10

Belastbaar feit

Onder de naam "reinigingsrechten" worden rechten geheven zowel voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.

Artikel 11

Belastingplicht

De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen werken of inrichtingen gebruik maakt.

Artikel 12

Maatstaf van heffing en belastingtarief

  • 1.

    De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstukken 2 en 3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

  • 2.

    Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

    • Artikel 13

Belastingjaar

Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 14

Wijze van heffing

  • 1.

    De rechten bedoeld in de onderdelen 2.4. tot en met 2.8. van de tarieventabel worden geheven bij wege van aanslag met dien verstande dat per belastbaar feit een afzonderlijke aanslag kan worden opgelegd.

  • 2.

    De rechten bedoeld in onderdeel 2.9. en in hoofdstuk 3 van de tarieventabel worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving.

Artikel 15

Ontstaan van de belastingschuld en de heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De rechten bedoeld in de onderdelen 2.4. tot en met 2.8. van de tarieventabel zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, zijn de rechten bedoeld in de onderdelen 2.4. tot en met 2.8. van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat voor de rechten bedoeld in de onderdelen 2.4. tot en met 2.8. van de tarieventabel aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Het tweede en het derde lid zijn bij een gelijkblijvende maatstaf niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en een ander perceel in gebruik neemt.

Artikel 16

Ontstaan van de belastingschuld van de overige rechten

De rechten bedoeld in onderdeel 2.9. en in hoofdstuk 3 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.

Artikel 17

Termijnen van betaling

  • 1.

    De aanslagen bedoeld in artikel 14, eerste lid, moeten worden betaald binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens één maand later.

  • 3.

    De in onderdeel 2.9. en in hoofdstuk 3 bedoelde rechten moeten worden betaald ingeval de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid:

    • a.

      mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 14 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

  • 4.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijn of de gestelde termijnen.

HOOFDSTUK IV

AANVULLENDE BEPALINGEN

Artikel 18

Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de reinigingsheffingen.

Artikel 19

Overgangsrecht

De “Verordening reinigingsheffingen 2015” van 17 december 2014, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 20, tweede lid, van deze verordening genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 20

Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016, of zo dit later is, met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.

Artikel 21

Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening reinigingsheffingen 2016”.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering,

op 25 november 2015.

de griffier, de voorzitter,

Tarieventabel, behorende bij de “Verordening reinigingsheffingen 2016

Hoofdstuk I Maatstaven en tarieven van de afvalstoffenheffing

(huishoudelijk afval)

Inleidende bepaling

  • 1.1.

    Als maatstaf van de volgens dit hoofdstuk geheven belasting geldt de omvang van de volume-inhoud, ongeacht de aard van het soort afval dat in enig met de door de gemeente in bruikleen verstrekt inzamelmiddel kan of mag worden inge- zameld, behoudens wat overigens in dit hoofdstuk is bepaald.

    Het periodiek inzamelen van huishoudelijk afvalbij percelen met eigen inzamelmiddelen

  • 1.2.

    De belasting bedraagt per perceel, per belastingjaar:

  • 1.2.1.

    indien de volume-inhoud van de containers bij een perceel bestaat uit ten hoogste 140 liter voor groente-, fruit- en tuinafval alsmede ten hoogste 140 liter voor restafval € 221,52

  • 1.2.2.

    indien de in onderdeel 1.2.1. bedoelde volume-inhoud hoger is € 221,52

te vermeerderen voor elke:

  • 1.2.2.1.

    120 liter volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid van 280 liter € 55,44

  • 1.2.2.2.

    140 liter volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid van 280 liter € 64,44

  • 1.2.2.3.

    240 liter volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid van 280 liter € 110,88

De in dit onderdeel bedoelde belasting is niet verschuldigd voor de volume-inhoud die bestemd is voor de inzameling van papierafval.

  • 1.2.3.

    indien in afwijking van de onderdelen 1.2.1. en 1.2.2. bij een perceel uitsluitend containers aanwezig zijn bestemd voor restafval dan wel voor groente-, fruit- en tuinafval en de volume-inhoud daarvan meer bedraagt dan 140 liter € 221,52

    te vermeerderen voor elke: 1.2.3.1. 120 liter volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid van 140 liter € 55,44

  • 1.2.3.2.

    140 liter volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid van 140 liter € 64,44

  • 1.2.3.3.

    240 liter volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid van 140 liter € 110,88

Het periodiek inzamelen van huishoudelijk afval bij percelen zonder eigen inzamelmiddelen

  • 1.3.

    In afwijking van het in het vorige onderdeel bepaalde, bedraagt de belasting in de gevallen waarbij overeenkomstig het bepaal- de in artikel 10, derde lid, van de “Afvalstoffenverordening Baarn 2010” het groente-, fruit- en tuinafval niet afzonderlijk wordt ingezameld of door de gebruiker van een perceel gebruik moet worden gemaakt van de door de gemeente aangewezen collectieve inzamelmiddelen, ongeacht de aard van de inzamelvoorziening dan wel de frequentie van de inzameling, per perceel, per belastingjaar € 221,52

    Het op aanvraag inzamelen van grof huishoudelijk afval

  • 1.4.

    Onverminderd het bepaalde in onderdeel 1.1. bedraagt de belasting voor het op aanvraag inzamelen van grof huis- houdelijk afval, per aanvraag:

  • 1.4.1.

    tot en met 1 kubieke meter € 82,--

  • 1.4.2.

    meer dan 1 kubieke meter € 82,-- te vermeerderen met € 45,55 voor elke volgende kubieke meter, of een gedeelte daar- van, boven de 1 m².

Het op aanvraag omwisselen van ter beschikking gesteldeinzamelmiddelen

1.5.Onverminderd het bepaalde in de onderdeel 1.1. bedraagt de belasting voor het op aanvraag omwisselen van één of meerdere containers, per keer € 19,70.

De in dit onderdeel bedoelde belasting is niet verschuldigd indien de aanvraag plaatsheeft binnen één maand na de vestiging van de belastingplichtige in een door hem nieuw in gebruik genomen perceel.

Hoofdstuk 2 Maatstaven en tarieven van de reinigingsrechten (bedrijfsafval)

Inleidende bepalingen

  • 2.1.

    Als maatstaf van de volgens dit hoofdstuk geheven rechten geldt de omvang van de volume-inhoud, ongeacht de aard van het soort afval dat in enig met de door de gemeente in bruikleen verstrekt inzamelmiddel kan of mag worden ingezameld, behoudens wat overigens in dit hoofdstuk is bepaald.

  • 2.2.

    De in de onderdelen 2.4. en 2.5. genoemde rechten zijn niet van toepassing indien voor meerdere soorten bedrijfsafval die bij een perceel worden ingezameld verschillende ophaalfre-

    quenties van toepassing zijn, in welk geval de rechten volgens de onderdelen 2.6. tot en met 2.8. worden geheven.

  • 2.3.

    De rechten in dit hoofdstuk zijn exclusief omzetbelasting.

    Tweewekelijks ophalen van periodiek bedrijfsafval

  • 2.4.

    De rechten bedragen voor het éénmaal per twee weken ledigen van containers, per perceel, per belastingjaar:

  • 2.4.1.

    indien de volume-inhoud niet meer dan 280 liter bedraagt € 221,52

  • 2.4.2.

    indien de volume-inhoud meer dan 280 liter bedraagt € 221,52

te vermeerderen voor elke:

  • 2.4.2.1.

    120 liter extra volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid van 280 liter € 55,44

  • 2.4.2.2.

    140 liter extra volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid van 280 liter € 64,44

  • 2.4.2.3.

    240 liter extra volume-inhoud, of een gedeelte daarvan,

    boven de hoeveelheid van 280 liter € 110,88

Wekelijks ophalen van periodiek bedrijfsafval

  • 2.5.

    De rechten bedragen voor het éénmaal per week ledigen van containers, per perceel, per belastingjaar:

  • 2.5.1.

    indien de volume-inhoud niet meer dan 280 liter bedraagt € 443,04

  • 2.5.2.

    indien de volume-inhoud meer dan 280 liter bedraagt € 443,04

te vermeerderen voor elke:

  • 2.5.2.1.

    120 liter extra volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid van 280 liter € 110,88

  • 2.5.2.2.

    140 liter extra volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid van 280 liter € 128,88

  • 2.5.2.3.

    240 liter extra volume-inhoud, of een gedeelte daarvan,

    boven de hoeveelheid van 280 liter € 221,52

Het ophalen van bedrijfsafval bij één perceel metverschillende ophaalfrequenties

  • 2.6.

    In afwijking van de onderdelen 2.4. en 2.5. bedraagt het recht voor ledigen van containers waarbij verschillende ophaalfrequenties van toepassing zijn, per perceel, per belastingjaar:

  • 2.6.1.

    indien de volume-inhoud die wekelijks wordt ingezameld, niet meer dan 280 liter bedraagt € 443,04

  • 2.6.2.

    indien de volume-inhoud die wekelijks wordt ingezameld, meer dan 280 liter bedraagt € 443,04 te vermeerderen voor elke:

  • 2.6.2.1.

    120 liter extra volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid van 280 liter € 110,88

  • 2.6.2.2.

    140 liter extra volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid van 280 liter € 128,88

  • 2.6.2.3.

    240 liter extra volume-inhoud, of een gedeelte daarvan,

    boven de hoeveelheid van 280 liter € 221,52

  • 2.7.

    Het recht als bedoeld in onderdeel 2.6. wordt verhoogd met het tarief genoemd in onderdeel 2.8. van deze tarieven- tabel, voor de volume-inhoud die niet met dezelfde ophaal- frequentie wordt ingezameld als de volume-inhoud waar- het recht volgens onderdeel 2.6. van toepassing is.

  • 2.8.

    Het tarief als bedoeld in onderdeel 2.7. bedraagt voor elke:

  • 2.8.1.

    120 liter extra volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid waarvoor het recht volgens onderdeel 2.6. van toepassing is € 55,44

  • 2.8.2.

    140 liter extra volume-inhoud, of een gedeelte daarvan, boven de hoeveelheid waarvoor het recht volgens onderdeel 2.6. van toepassing is € 64,44

  • 2.8.3.

    240 liter extra volume-inhoud, of een gedeelte daarvan,

    boven de hoeveelheid waarvoor het recht volgens onderdeel 2.6. van toepassing is € 110,88

Het op aanvraag omwisselen vanterbeschikking gestelde inzamelmiddelen

2.9.Onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.1. bedragen de rechten voor het op aanvraag omwisselen van één of meer- dere containers, per keer € 19,70.

De in dit onderdeel bedoelde rechten zijn niet verschuldigd indien de aanvraag plaatsheeft binnen één maand na de vestiging van de belastingplichtige in een door hem in gebruik genomen perceel.

Hoofdstuk 3 Maatstaven en tarieven voor de inzameling van fecale stoffen

Fecaliën- en zinkputten

3.1.De rechten bedragen voor het ledigen van fecaliën- en

zinkputten, alsmede voor het weghalen van de aldus

verzamelde afvalstoffen:

  • 3.1.1.

    voor elke 3 m³ geledigde inhoud, of een gedeelte daarvan € 143,35

  • 3.1.2.

    indien een put meer dan 18 m³ afvalstoffen bevat, bedraagt het recht € 143,35 te vermeerderen met € 91,40 voor elke geledigde inhoud van 3 m³, boven de hoeveel- heid van 18 m³.

Rioolschepputjes

3.2.De rechten bedragen voor het éénmaal per maand

ledigen van rioolschepputjes en het weghalen van de

aldus verzamelde afvalstoffen, per belastingjaar, voor:

  • 3.2.1.

    het eerste putje € 93,05

  • 3.2.2.

    elk volgend putje op hetzelfde perceel of terrein € 44,90

  • 3.3.

    Indien de in het vorige onderdeel genoemde dienstverlening op verzoek van de aanvrager in de loop van het belastingjaar wordt beëindigd, bestaat geen aanspraak op ontheffing van de voor dat jaar betaalde rechten.

    Vetputten

  • 3.4.

    De rechten bedragen voor het ledigen van vetputten en het weghalen van de aldus verzamelde afvalstoffen, per dienstverlening € 157,95

Behoort bij raadsbesluit van 25 november 2015, nummer 15RV000083.

de griffier, de voorzitter,