Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland houdende regels voor ruimte Regels Ruimte voor Gelderland 2016

Geldend van 01-09-2018 t/m 05-09-2018

Intitulé

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland houdende regels voor ruimte Regels Ruimte voor Gelderland 2016

GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND

Gelet op artikel 3, zesde lid, van de Algemene subsidieverordening Gelderland 2016;

BESLUITEN

Vast te stellen de volgende gewijzigde regeling: Regels Ruimte voor Gelderland 2016

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Paragraaf 1.1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1 Algemene begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 (PbEU van de Europese Commissie van 17 juni 2014;

  • b.

    AsG: Algemene subsidieverordening Gelderland 2016;

  • c.

    controleprotocol: instructie aan de subsidieontvanger voor het geven van aanwijzingen voor de reikwijdte en de intensiteit van de accountantscontrole;

  • d.

    directe arbeidskosten: een vergoeding voor de inzet van gewerkte uren van personeel niet in loondienst, niet zijnde kosten van derden;

  • e.

    directe loonkosten: het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten (werkgeversdeel pensioenpremie, WW-premie, WIA/WAO-premie en bijdrage Zorgverzekeringswet) en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen;

  • f.

    indirecte kosten: het totaal van indirecte loonkosten en kosten voor overhead;

  • g.

    indirecte loonkosten: het totaal van de kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden en de kosten van emolumenten;

  • h.

      kerntaken: kerntaken als bedoeld in het Coalitieakkoord Gelderland 2015-2019 “Ruimte voor Gelderland” d.d. 20 april 2015;

  • i.

    kosten van apparatuur:

    • i.

      gebruikskosten van bestaande apparatuur of van apparatuur die niet speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit;

    • ii.

      kosten van apparatuur die speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit;

  • j.

    kosten van derden: de kosten voor uitbesteding van diensten en het inlenen van personeel;

  • k.

    kosten van materialen: de kosten voor verbruiksgoederen;

  • l.

    Landbouw groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de EuropeseCommissie van 25 juni 2014 (Pb EU L 193);

  • m.

    onafhankelijk taxateur: erkend taxateur die op onafhankelijke wijze de marktwaarde van een onroerend goed vaststelt op grond van algemeen aanvaarde waarderingsmethoden;

  • n.

    publiekrechtelijke rechtspersoon: rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • o.

    rechtspersoon met een wettelijke taak: rechtspersoon voor zover die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitoefenen en daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen.

Artikel 1.1.2 Toepassingsbereik

Hoofdstuk 1 is ook van toepassing op andere besluiten omtrent subsidie voor het nemen waarvan Gedeputeerde Staten bevoegd zijn dan de besluiten die worden genomen met toepassing van de hoofdstukken 2 tot en met 8.

Paragraaf 1.2 De aanvraag

Artikel 1.2.1 Tijdvak voor aanvragen

Gedeputeerde Staten kunnen een tijdvak vaststellen waarbinnen aanvragen om subsidie kunnen worden ingediend.

Artikel 1.2.2 Indieningstermijn bij verdeelplan

Voor subsidie die wordt verleend op basis van een krachtens wettelijk voorschrift vastgesteld verdeelplan waarin tenminste de subsidieontvangers en de te ontvangen subsidiebedragen worden genoemd, wordt de aanvraag om subsidie in afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG uiterlijk zes maanden nadat het verdeelplan is vastgesteld ingediend.

Artikel 1.2.3 Inhoud van aanvraag om subsidie

  • 1 Bij de aanvraag om subsidie worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee beoogde doelstellingen;

    • b.

      een begroting van de opbrengsten en kosten voor de activiteiten, voorzien van een toelichting;

    • c.

      indien de activiteiten een tijdvak van meer dan 12 maanden beslaan: een planning van de uitvoering van de activiteiten in de eerste 12 maanden en de daaraan verbonden kosten, alsmede een planning voor het resterende deel van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd;

    • d.

      indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is: zijn statuten; en

    • e.

      indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is: de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel de balans en de staat van opbrengsten en kosten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van indiening van de aanvraag.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdelen d en e.

  • 3 Gedeputeerde Staten kunnen een schriftelijke verklaring vragen van een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omtrent de getrouwheid van de in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde bescheiden dan wel een mededeling dat van onjuistheden niet is gebleken.

  • 4 Indien voor dezelfde activiteiten tevens subsidie is aangevraagd bij een ander bestuursorgaan, doet de aanvrager daarvan mededeling in de aanvraag.

Artikel 1.2.4 Boekjaarsubsidies

  • 1 De aanvraag om een subsidie voor een boekjaar wordt ingediend voor 1 april van het jaar dat voorafgaat aan het boekjaar.

  • 2 Indien voor het jaar voorafgaand aan het boekjaar reeds subsidie werd verkregen, kan de aanvraag tot en met 30 september worden ingediend.

  • 3 Gedeputeerde Staten beslissen uiterlijk binnen 13 weken na ontvangst van de aanvang.

Artikel 1.2.5 Ontvangstbevestiging

Gedeputeerde Staten zenden de aanvrager zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging, waarin de ontvangstdatum is vermeld.

Paragraaf 1.3 Beslissing op de aanvraag

Artikel 1.3.1 Directe vaststelling bij subsidies tot € 25.000

  • 1 Bij een subsidie tot € 25.000 wordt geen verleningsbesluit genomen.

  • 2 Indien sprake is van subsidieverstrekking onder opschortende voorwaarde als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de AsG wordt in het verleningsbesluit aangegeven binnen welke termijn de activiteit wordt uitgevoerd.

  • 3 Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid bevat het verleningsbesluit tevens de datum waarop de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld.

Artikel 1.3.2 Wijze van verdeling

  • 1 Bij het verlenen van subsidie wordt de volgorde in acht genomen waarin de aanvragen om subsidie zijn ingediend. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen indien zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld.

  • 2 Indien als gevolg van het verlenen van subsidie op grond van een aanvraag die is ingediend op een dag waarop meerdere aanvragen zijn ingediend het subsidieplafond zou worden bereikt, wordt de volgorde als bedoeld in het eerste lid bepaald door loting.

  • 3 Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst.

  • 4 Op aanvragen die voor een bepaalde datum moeten worden ingediend en die op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst, wordt in afwijking van het eerste lid beslist op volgorde van die rangorde.

  • 5 Bij de toepassing van het derde en vierde lid wordt onder aanvraag verstaan een aanvraag die voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld.

  • 6 Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het vierde lid weigeren indien die niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Artikel 1.3.3 Communautair toetsingskader

  • 1. Indien de verstrekking van subsidie als een steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VwEU moet worden aangemerkt en er geen andere staatssteunoplossing voor handen is, wordt de subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun (PbEU L 352).

  • 2. Geen subsidie wordt verstrekt indien tegen een subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.

  • 3. Geen subsidie wordt verstrekt onder toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de Landbouw groepsvrijstellingsverordening aan ondernemingen in moeilijkheden als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01).

Artikel 1.3.4 Sluitende begroting

Een subsidie wordt uitsluitend verstrekt als de begroting van de activiteit sluitend is.

Artikel 1.3.5 Niet-subsidiabele kosten

  • 1 Geen subsidie wordt verstrekt in verband met:

    • a.

      kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag;

    • b.

      kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen;

    • c.

      kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd;

    • d.

      verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten;

    • e.

      kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, provinciale leges, boetes en sancties;

    • f.

      legeskosten indien de aanvraag wordt gedaan door een bestuursorgaan;

    • g.

      kosten van activiteiten die redelijkerwijs kunnen worden gedekt uit de opbrengsten die met de activiteiten verband houden;

    • h.

      kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen;

    • i.

      kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager;

    • j.

      kosten gemaakt na beëindiging van activiteiten met uitzondering van accountantskosten zoals bedoeld in artikel 27, derde lid, van de AsG;

    • k.

      kosten van in natura geleverde diensten en goederen;

    • l.

      kosten van personen of organisaties die organisatorisch, economisch of financieel zijn verbonden welke onderling in rekening worden gebracht;

    • m.

      fooien, geschenken, gratificaties en bonussen;

    • n.

      kosten voor representatie, personeelsactiviteiten, overboekingen, annuleringen en outplacementtrajecten;

    • o.

      niet noodzakelijke of bovenmatige kosten.

Artikel 1.3.6 Methoden voor berekening van kosten

  • 1 De aanvrager kiest voor het berekenen van de kosten een van de volgende methoden:

    • a.

      de vaste uurtariefsystematiek;

    • b.

      de loonkosten plus vaste opslagsystematiek;

    • c.

      de integrale kostensystematiek.

  • 2 De aanvraag bevat een opgave van de gekozen systematiek.

  • 3 Op verzoek van de aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van het eerste lid een andere methode vaststellen.

  • 4 Onverminderd het derde lid worden de subsidiabele kosten berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast.

  • 5 In afwijking van het eerste lid wordt voor publiekrechtelijke rechtspersonen en rechtspersonen met een wettelijke taak de vaste uurtariefsystematiek toegepast, ongeacht of de subsidiabele activiteit tot de wettelijke taak van de rechtspersoon wordt gerekend.

  • 6 Gedeputeerde Staten kunnen voor rechtspersonen als bedoeld in het vijfde lid een andere methode toestaan. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.3.7 Vaste uurtariefsystematiek

  • 1 De kosten bij de vaste uurtariefsystematiek zijn:

    • a.

      een vast uurtarief als vergoeding voor de directe loon- en arbeidskosten en de indirecte kosten;

    • b.

      kosten van apparatuur;

    • c.

      kosten van materialen;

    • d.

      kosten van derden.

  • 2 Het vaste uurtarief bedraagt ten hoogste € 35.

  • 3 Het aantal gewerkte uren moet in de administratie per betrokken medewerker worden vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.600.

  • 4 Het derde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG van toepassing is.

Artikel 1.3.8 Loonkosten plus vaste opslagsystematiek

  • 1 De kosten bij de loonkosten plus vaste opslagsystematiek zijn:

    • a.

      een uurtarief voor directe loonkosten;

    • b.

      een opslag over de directe loonkosten als vergoeding voor de indirecte kosten;

    • c.

      een vast uurtarief als vergoeding voor de directe arbeidskosten;

    • d.

      kosten van apparatuur;

    • e.

      kosten van materialen;

    • f.

      kosten van derden.

  • 2 Het uurtarief voor de directe loonkosten word bepaald door de directe loonkosten per betrokken medewerker te delen door 1.600 en bedraagt ten hoogste € 91.

  • 3 Het vaste uurtarief voor directe arbeidskosten bedraagt ten hoogste € 35.

  • 4 De opslag voor de indirecte kosten bedraagt ten hoogste 20%.

  • 5 Het aantal gewerkte uren van de betrokken medewerker moet in de administratie met bijhorende loonkosten worden vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.600.

  • 6 Het vijfde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG van toepassing is.

Artikel 1.3.9 Berekeningswijzen kosten

  • 1 Bij de toepassing van de artikelen 1.3.7 en 1.3.8 worden de kosten van apparatuur, materialen, loon- en arbeidskosten en kosten van derden, alsmede vergoedingen voor vrijwilligers berekend aan de hand van het tweede tot en met achtste lid.

  • 2 De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder i, onderdeel i, worden berekend door het werkelijke gebruik van het apparaat te vermenigvuldigen met het machine-uurtarief.

  • 3 Het machine-uurtarief als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de normale bezetting van het apparaat en de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn.

  • 4 Het werkelijke gebruik van het apparaat wordt vastgelegd in een controleerbare gebruiksadministratie.

  • 5 De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder i, onderdeel ii, worden berekend door middel van lineaire afschrijving van het apparaat.

  • 6 De lineaire afschrijving als bedoeld in het vijfde lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn.

  • 7 De kosten van materialen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.

  • 8 De kosten van vergoedingen voor vrijwilligers zijn subsidiabel voor zover:

    • a.

      deze aan de vrijwilliger zijn uitbetaald;

    • b.

      het aantal gewerkte uren in de administratie met bijhorende vergoeding per vrijwilliger zijn vastgelegd;

    • c.

      de hoogte van de vergoeding bedraagt maximaal € 4,50 per uur, met een maximum van € 150 per maand en € 1.500 per jaar.

Artikel 1.3.10 Integrale kostensystematiek

  • 1 De kosten bij de integrale kostensystematiek zijn:

    • a.

      een tarief voor de directe en indirecte kosten van de voor de uitvoering van de activiteiten ingezette kostendragers;

    • b.

      kosten van derden.

  • 2 De kosten per kostendrager als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden berekend in een tarief per eenheid van deze kostendrager.

  • 3 Het tarief als bedoeld in het tweede lid wordt gebaseerd op een positief besluit dat op de datum waarop de aanvraag wordt ingediend niet ouder is dan twee jaar van het Tarieventeam van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten aanzien van de Eigen verklaring integrale kostensystematiek.

  • 4 De kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van dat tarief.

Paragraaf 1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 1.4.1 Uitvoering van de activiteiten

  • 1 De subsidieontvanger is verplicht om binnen 13 weken na de subsidieverlening dan wel, ingeval van subsidie die zonder voorafgaande subsidieverlening direct wordt vastgesteld, binnen 13 weken na de subsidievaststelling te beginnen met de uitvoering van de activiteiten.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid.

  • 3 De subsidieontvanger is verplicht alle op de activiteit betrekking hebbende bewijsstukken gedurende ten minste vijf jaren na afronding van de activiteit te bewaren.

Artikel 1.4.2 Administratie bij subsidies vanaf € 125.000

  • 1 De subsidieontvanger is verplicht bij subsidieverstrekking vanaf € 125.000 een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden kosten en inkomsten.

  • 2 Het voeren van een administratie als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle ontvangsten en kosten in de administratie zijn vastgelegd met onderliggende bewijsstukken;

    • b.

      bewijsstukken, als onderdeel van de administratie, aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en dat daaruit de aard en hoeveelheid van de geleverde goederen en diensten blijkt, en

    • c.

      uit de urenregistratie blijkt dat de gedeclareerde mensuren daadwerkelijk zijn gemaakt en rechtstreeks toe te rekenen zijn aan het project waarvoor de subsidie is verleend.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG is voorgeschreven.

Artikel 1.4.3 Voortgangsrapportage

Als een subsidie boven € 25.000 niet binnen een jaar na de subsidieverlening wordt vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger, zolang de subsidie niet is vastgesteld, eenmaal per jaar verplichten om een voortgangsrapportage over te leggen.

Artikel 1.4.4 Meldingsplicht en aanleveren van bewijsstukken

  • 1 De subsidieontvanger is verplicht om de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen dat de inkomsten of de uitgaven afwijken van de begroting, dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig, niet geheel of gewijzigd zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

  • 2 De subsidieontvanger is verplicht om op eerste verzoek van Gedeputeerde Staten door het overleggen van bewijsstukken aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 1.4.5 Vervreemding van goederen en rechten

  • 1 De subsidieontvanger is gehouden, indien met subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na de subsidievaststelling worden vervreemd of anderszins aan derden ter beschikking worden gesteld, Gedeputeerde Staten hiervan in kennis te stellen en de verstrekte subsidie terug te betalen, tenzij anders bepaald.

  • 2 Gedeputeerde Staten stellen het bedrag van de terug te betalen subsidie vast binnen dertien weken nadat zij kennis hebben gekregen van de omstandigheid bedoeld in het vorige lid.

  • 3 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting de subsidie terug te betalen.

Artikel 1.4.6 Vermogensvorming

  • 1 De hoogte van de vergoeding voor vermogensvorming als bedoeld in artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale opbrengsten dat gedurende de laatste tien jaar door de subsidie is gevormd.

  • 2 Bij de bepaling van de waarde van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen.

  • 3 De waarde van onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, die van de roerende goederen op basis van hun boekwaarde. De geldmiddelen, waaronder begrepen banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde.

  • 4 De waarde van onroerende goederen wordt voor rekening van de provincie vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen die daartoe door Gedeputeerde Staten in overeenstemming met de subsidieontvanger worden aangewezen.

  • 5 Indien minder dan tien achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt, wordt de vergoeding berekend op basis van het aantal jaren gedurende welke subsidie is verstrekt.

  • 6 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van subsidieontvanger beslissen dat geen vergoeding verschuldigd is indien:

    • a.

      de activiteiten door een ander worden overgenomen;

    • b.

      de realisatie van de doelstelling niet in gevaar komt; en

    • c.

      de activa en passiva tegen boekwaarde, bepaald op grond van historische kostprijs, worden overgenomen door de rechtsopvolger.

Artikel 1.4.7 In stand houden resultaten

  • 1 De subsidieontvanger houdt gedurende ten minste vijf jaren na de uitvoering van de activiteiten ten behoeve waarvan de subsidie is verleend, of zolang als in de beschikking tot verlening van de subsidie is bepaald, de resultaten van de activiteiten in stand, tenzij de aard van de activiteiten zich daartegen verzet.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op subsidies als bedoeld in artikel 1.3.1.

Artikel 1.4.8. Medewerking aan evaluatie

  • 1. De subsidieontvanger werkt mee aan een door of namens Gedeputeerde Staten ingesteld onderzoek, erop gericht de doeltreffendheid en de effecten van de subsidieverstrekking krachtens deze regels te evalueren.

  • 2. Voor zover deze niet bij deze regels zijn gesteld, kunnen Gedeputeerde Staten aan het besluit tot subsidieverlening of, als zodanig besluit niet is gegeven, aan het besluit tot subsidievaststelling voorschriften verbinden over de inlichtingen, gegevens en bescheiden die door de subsidieontvanger moeten worden verstrekt.

Paragraaf 1.5 Vaststelling

Artikel 1.5.1 Vaststelling van subsidies tussen € 25.000 tot € 125.000

De subsidieontvanger geeft in de verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG aan:

  • a.

    of de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting;

  • b.

    of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;

  • c.

    wat het totaal van de subsidiabele kosten is;

  • d.

    in voorkomend geval wat de stand van de egalisatiereserve is;

  • e.

    wat het totaal van de opbrengsten is, inclusief bijdragen van derden is; en

  • f.

    wat het totaal van de eigen bijdragen is.

Artikel 1.5.2 Vaststelling door middel van jaarrekening bij subsidies boven € 125.000

  • 1 Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 27, tweede lid, van de AsG gaat de aanvraag om vaststelling van de subsidie, onverminderd artikel 27, eerste, derde en vierde lid van de AsG, vergezeld van:

    • a.

      de jaarrekening waarin de subsidie separaat wordt verantwoord;

    • b.

      het jaarverslag; en

    • c.

      de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen die in ieder geval strekken tot de verantwoording van onderdeel a.

  • 2 Uit accountantsverklaring moet blijken dat het controleprotocol is toegepast.

  • 3 De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk vier weken na het verschijnen van de jaarrekening van het jaar waarin de activiteiten zijn geëindigd.

Artikel 1.5.3 Vaststelling van subsidies bij bijzonder programma

  • 1 In afwijking van artikel 1.5.2 wordt de eindverantwoording van een subsidie op grond van artikel 12 van de AsG voorzien van een accountantsverklaring, waaruit blijkt dat het controleprotocol is toegepast.

  • 2 In afwijking van artikel 1.5.2 kunnen gemeenten, waterschappen en rechtspersonen die zijn ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen de eindverantwoording als bijlage bij de jaarrekening opnemen onder de voorwaarden dat:

    • a.

      de verklaring van de accountant mede strekt tot de verantwoording in de bijlage;

    • b.

      de gehele jaarrekening en het jaarverslag worden meegezonden;

    • c.

      het verslag van bevindingen wordt bijgevoegd, waarin de accountant een verwijzing opgenomen heeft dat de controle is uitgevoerd met inachtneming van het controleprotocol; of

    • d.

      indien een dergelijk verslag niet door de accountant is afgegeven een mededeling van de accountant dat gecontroleerd is met inachtneming van het controleprotocol.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing op subsidies tot € 125.000.

  • 4 De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk 12 maanden nadat de activiteiten zijn uitgevoerd.

Paragraaf 1.6 Overige bepalingen

Artikel 1.6.1 Waarderingssubsidies

In afwijking van artikel 5, tweede lid, van de AsG kan waarderingssubsidie worden verstrekt aan natuurlijke personen.

Artikel 1.6.2 Cofinanciering EFRO

Indien subsidie wordt verstrekt als provinciale cofinanciering bij een subsidie op grond van de Uitvoeringswet EFRO, is in afwijking van artikelen 5, eerste lid, 7, 8, 9, eerste lid, 14, 17, tweede lid, 20, derde lid, 21, 29, 31 en paragraaf 7 van de AsG het bepaalde bij of krachtens de Uitvoeringswet EFRO van toepassing.

Hoofdstuk 2 Duurzame ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheer

Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    Beleef de Waal: het deelproject van het Uitvoeringsprogramma WaalWeelde 2013-2017 zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 5 maart 2013;

  • b.

    collectief: een groep natuurlijke personen die zich verenigd hebben in een rechtspersoon die beoogt hun belangen in een CPO-woningbouwproject te behartigen;

  • c.

    CPO: Collectief Particulier Opdrachtgeverschap;

  • d.

    CPO-woningbouwproject: de realisatie door een collectief van minimaal 3 woningen waarin de leden van het collectief gaan wonen;

  • e.

    waterliniefort: een van de navolgende objecten:

    • i.

      Complex Fort bij Asperen;

    • ii.

      Complex Fort aan de Nieuwe Steeg;

    • iii.

      Complex Fort bij Vuren;

    • iv.

      Complex Werk op de Spoorweg bij de Diefdijk;

    • v.

      Complex Batterij onder Poederoijen;

    • vi.

      Complex Batterij onder Brakel;

    • vii.

      Complex Fort Everdingen;

  • f.

    knooppunt in de recreatieve infrastructuur: een plaats bij een veerverbinding over de Boven-Rijn, het Bijlandsch Kanaal of de Waal waar wandel- en fietsroutes en struinpaden samenkomen en die bereikbaar is met de auto;

  • g.

    samenwerking “Rondje Pontje”: een samenwerkingsverband van ondernemers en initiatiefnemers rond twee pontjes en de routes daartussen op de beide oevers van de Waal;

  • h.

    vertierplek: plek aan de Waal die met minimale aanpassingen zodanig is ingericht dat er toegang is tot de oever en gelegenheid om aan het water te recreëren;

  • i.

    WaalWeeldegebied: het gebied omvattende het grondgebied van de gemeenten Beuningen, Druten, Lingewaal, Lingewaard, Maasdriel, Millingen a/d Rijn, Neerijnen, Neder- Betuwe, Nijmegen, Overbetuwe, Rijnwaarden, Tiel, Ubbergen, West Maas en Waal en Zaltbommel.

Paragraaf 2.2 Ontwikkeling forten

Artikel 2.2.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de restauratie of voorbereiding van de restauratie van een waterliniefort;

  • b.

    de modernisering of fysieke verbetering dan wel de voorbereiding van de modernisering of fysieke verbetering van de infrastructuur behorend bij een waterliniefort.

Artikel 2.2.2 Criteria

  • 1 Subsidie als bedoeld in artikel 3.2.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de wijze van uitvoering van de werkzaamheden voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden; en

    • b.

      de werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een leerlingbouwplaats of opleidingsplaats voor leerlingen in de restauratiebouw.

  • 2 Subsidie als bedoeld in artikel 3.2.1, onder b, wordt slechts verstrekt indien jaarlijks ten minste 80% van de tijd- of ruimtecapaciteit van de infrastructuur behorend bij een waterliniefort voor culturele doeleinden wordt gebruikt.

Artikel 2.2.3 Aanvrager

  • 1 Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van een waterliniefort.

  • 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 2.2.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste:

  • a.

    80% van de kosten met een maximum van € 1.000.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1 ten behoeve van de waterlinieforten genoemd in artikel 2.1.1, onder d, onderdelen i tot en met vi;

  • b.

    50% van de kosten met een maximum van € 1.000.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1 ten behoeve van het waterliniefort genoemd in artikel 2.1.1, onder d, onderdeel vii, met uitzondering van monumentnummers 531684, 531664 en 531666.

Artikel 2.2.5 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.2.1 slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 53 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening

Paragraaf 2.3 Gebiedsontwikkeling

Artikel 2.3.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de voorbereiding of uitvoering van werkzaamheden waarmee:

  • a.

    een cultuurhistorisch object wordt gerestaureerd;

  • b.

    bewegwijzering of straatmeubilair wordt aangeschaft en geplaatst;

  • c.

    informatiepanelen worden aangeschaft en geplaatst;

  • d.

    straatverlichting wordt aangeschaft en geplaatst;

  • e.

    wandel- of rolstoelpaden worden aangelegd of aangepast;

  • f.

    aanleg of aanpassingen worden gerealiseerd van parkeerplaatsen;

  • g.

    landschappelijke of bouwkundige aanpassingen worden gerealiseerd ten gunste van het overwinteren, het zwermen of migreren van vleermuizen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Artikel 2.3.2 Criteria

  • 1 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de wijze van uitvoering van de werkzaamheden voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden; en

    • b.

      de werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een leerlingbouwplaats of opleidingsplaats voor leerlingen in de restauratiebouw.

  • 2 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder b, wordt slechts verstrekt indien:

  • 3 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder c, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de informatiepanelen worden geplaatst op openbaar terrein in de Nieuwe Hollandse Waterlinie;

    • b.

      de informatiepanelen worden geproduceerd in de vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie; en

    • c.

      de informatiepanelen bevatten informatie over het historische, militaire systeem de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

  • 4 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder d, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de straatverlichting wordt geplaatst op openbaar terrein aan de Diefdijk in de gemeenten Vianen en Leerdam, de Meerdijk, de Nieuwe Zuiderlingedijk of de Zuiderlingedijk in de gemeente Lingewaal; en

    • b.

      de straatverlichting wordt geproduceerd in de vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie.

  • 5 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder e, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de wandel- of rolstoelpaden openbaar toegankelijk zijn; en

    • b.

      de wandel- of rolstoelpaden leiden naar een cultuurhistorisch object of vormen een aaneengesloten route om een cultuurhistorisch object.

  • 6 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder f, wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de parkeerplaatsen openbaar toegankelijk zijn; en

    • b.

      de ingang van de parkeerplaatsen is gelegen op een afstand van minder dan 200 meter van objecten die zijn aangewezen als Rijksmonumenten en die een functie hadden in de militaire werking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Artikel 2.3.3 Aanvrager

  • 1 Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.1, onder a en g, wordt verstrekt aan de eigenaar van het cultuurhistorisch object.

  • 2 Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.1, onder b tot en met f, wordt verstrekt aan de eigenaar van het terrein waarop de werkzaamheden plaatsvinden of de materialen worden geplaatst.

  • 3 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 2.3.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de kosten met een maximum van € 200.000.

Artikel 2.3.5 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder a, e en f, slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 53 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 2.4 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap

Artikel 2.4.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het opstellen van een projectplan voor de realisatie van een CPO-woningbouwproject, waarin een conclusie over de haalbaarheid is opgenomen en waar in ieder geval uit blijkt dat het collectief een vrije keuze heeft in de opdrachtverlening aan externe partijen in het bouwproces en een doorslaggevende stem heeft in het ontwerp- en bouwproces van een CPO-woningbouwproject, met inbegrip van de procesbegeleiding; of

  • b.

    het opstellen van een programma van eisen, een voorlopig ontwerp, een definitief ontwerp en een bestek, voor het realiseren van een CPO-woningbouwproject, met inbegrip van de procesbegeleiding.

Artikel 2.4.2 Criteria

  • 1. Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente verklaard heeft geen bezwaar te hebben tegen de realisering van het CPO-woningbouwproject op de betreffende locatie; en

    • b.

      de procesbegeleiding wordt uitgevoerd door een onafhankelijke begeleider met ervaring in procesbegeleiding.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder a, slechts verstrekt indien de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het CPO-woningbouwproject wordt gerealiseerd, de intentie heeft deze respectievelijk dit aan de leden van het collectief te verkopen of te verhuren.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder b, slechts verstrekt indien:

    • a.

      er een projectplan is waarin een conclusie over de haalbaarheid van het CPO-woningbouwproject is opgenomen en waar in ieder geval uit blijkt dat het collectief een vrije keuze heeft in de opdrachtverlening aan externe partijen in het bouwproces en een doorslaggevende stem heeft in het ontwerp- en bouwproces van een CPO-woningbouwproject;

    • b.

      voor de individuele leden van het collectief een financieringstoets door een bank is uitgevoerd waaruit blijkt dat zij over voldoende financiële middelen beschikken voor de realisering van het CPO-woningbouwproject;

    • c.

      de gemiddelde stichtingskosten van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject, indien sprake is van nieuwbouw, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie ligt;

    • d.

      de gemiddelde stichtingskosten van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject, indien sprake is van bestaande bouw of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie vermeerderd met €30.000 ligt; en

    • e.

      de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het CPO-woningbouwproject wordt gerealiseerd de intentie heeft deze respectievelijk dit aan de leden van het collectief te verkopen.

Artikel 2.4.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een collectief.

Artikel 2.4.4 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een verklaring van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente dat het geen bezwaar heeft tegen de realisering van het CPO-woningbouwproject op de betreffende locatie;

    • b.

      een verklaring van de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het CPO-woningbouwproject wordt gerealiseerd, waaruit blijkt dat hij de intentie heeft de grond of het gebouw te verkopen of te verhuren aan de leden van het collectief; en

    • c.

      een lijst van deelnemers aan het collectief.

  • 2. Onverminderd artikel 1.2.3 en het eerste lid worden bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder b, de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een projectplan waaruit de haalbaarheid van het CPO-woningbouwproject blijkt;

    • b.

      een opgave van het aantal te realiseren woningen;

    • c.

      een overzicht waaruit blijkt dat de gemiddelde stichtingskosten van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject, indien het nieuwbouw betreft, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie ligt;

    • d.

      een overzicht waaruit blijkt dat de gemiddelde stichtingskosten van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject, indien sprake is van bestaande bouw of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie vermeerderd met €30.000 ligt;

    • e.

      een verklaring van het collectief dat iedere deelnemer een toets heeft ingeleverd waaruit blijkt dat zij over voldoende financiële middelen beschikken voor de realisering van het CPO-woningbouwproject; en

    • f.

      een beschrijving van de wijze waarop de lening afgelost gaat worden.

Artikel 2.4.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder a, bedraagt maximaal 50% van de kosten en ten hoogste:

    • a.

      €1.000 per woning tot een maximum van €10.000 per CPO-woningbouwproject indien het nieuwbouw betreft;

    • b.

      €1.250 per woning tot een maximum van €12.500 per CPO-woningbouwproject indien het bestaande bouw betreft of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder b, wordt verstrekt in de vorm van een renteloze lening, met een looptijd van maximaal twee jaar, voor een bedrag van maximaal 65% van de kosten en ten hoogste:

    • a.

      €7.500 per woning tot een maximum van €150.000 per CPO-woningbouwproject indien het nieuwbouw betreft;

    • b.

      €10.000 per woning tot een maximum van €200.000 per CPO-woningbouwproject indien het bestaande bouw betreft of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw.

Artikel 2.4.6 Verplichtingen

  • 1. Het projectplan als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder a, dient binnen één jaar na het verlenen van de subsidie te zijn voltooid en na voltooiing binnen een maand aan de provincie te worden overlegd.

  • 2. Met betrekking tot de subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder b, is de ontvanger verplicht:

    • a.

      binnen twee jaar na het verlenen van de subsidie, te starten met de bouw van het CPO-woningbouwproject en dit zo snel mogelijk te melden aan de provincie;

    • b.

      de lening af te lossen op het moment dat wordt gestart met de bouw van het CPO-woningbouwproject dan wel, indien niet tijdig wordt gestart met de bouw, uiterlijk twee jaar na het verlenen van de subsidie;

    • c.

      binnen drie jaar na het verlenen van de subsidie het CPO-woningbouwproject te hebben voltooid.

  • 3. Gedeputerde Staten kunnen op aanvraag de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen verlengen.

Artikel 2.4.7 Weigeringsgronden

De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder b, wordt geweigerd indien niet is gebleken dat de realisering van het CPO-woningbouwproject haalbaar is.

Artikel 2.4.8 Vaststelling

Na afloop van de in artikel 2.4.6, tweede lid, aanhef en onderdeel b, genoemde termijnen wordt de subsidie ambtshalve op nihil vastgesteld.

Paragraaf 2.5 Beleef de Waal [vervallen]

Paragraaf 2.6 Waalpleisterplaatsen [vervallen]

Paragraaf 2.7 Steengoed Benutten - Tijdelijke Stimulering Sociale woningmarkt

[vervallen]

Paragraaf 2.8 Steengoed benutten – Uitvoeringsgereed en realiseren

Artikel 2.8.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    project: gecombineerde aanpak en uitvoering van maatregelen, waarbij een fysieke herontwikkeling van een concreet gebied wordt bereikt;

  • b.

    bebouwde kom: bestaand stedenbouwkundig geconcentreerd samenhangende structuur van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Bij interpretatieverschillen geldt als bebouwde kom, de bebouwingscontour van VROM uit 2005;

  • c.

    buitengebied: gebied buiten de bebouwde kom;

  • d.

    exploitatiegebied: op kaart aangegeven gebied waarbinnen het project wordt gerealiseerd;

  • e.

    herbestemmen: geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw of gebied die juridisch wordt vastgelegd in een bestemmings- of inpassingsplan;

  • f.

    herontwikkelen: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte;

  • g.

    gebouw: onder gebouw wordt tevens verstaan aaneengesloten gebouwen;

  • h.

    transformatie gebouw: ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen of verlaging van de milieucategorie in het kader van het wegnemen van milieuhinder voor de woonomgeving;

  • i.

    sloop: afbreken, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik;

  • j.

    j.aanloopstraten: straten met een groot aandeel in de routing naar een kernwinkelgebied;

  • k.

    kernwinkelgebied: een aaneengesloten gebied in de binnenstad of centrum, met een hoge concentratie aan winkels, horecazaken, culturele voorzieningen en commerciële dienstverlening;

  • l.

    transformatie gebied: door herontwikkeling gerealiseerde functiewijziging van grond, gebouwen en openbare ruimte binnen de bebouwde kom met als resultaat een andere functie;

  • m.

    bodemsanering: bodemsanering waarbij sprake is van een ernstige verontreiniging op basis waarvan een goedgekeurd functiegericht saneringsplan is opgesteld;

  • n.

    nominale waarde: waarden in een exploitatie op basis van prijspeil heden, waarbij geen rekening wordt gehouden met toekomstige kosten- of opbrengstenstijging en toekomstige rentewinsten of renteverliezen;

  • o.

    monument: een gebouw dat om zijn cultuurhistorische waarde door de Rijksoverheid of gemeente is of binnen 1 jaar na subsidieverlening wordt aangewezen als beschermd monument;

  • p.

    beeldbepalend gebouw:een gebouw, geen monument zijnde, dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, een belangrijke bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld, dan wel van het buitengebied;

  • q.

    beeldverstorend verpauperd gebouw: een gebouw dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, en zo mogelijk ook door de slechte staat van onderhoud als gevolg van leegstand, een negatieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads-of dorpsbeeld, dan wel van het buitengebied;

  • r.

    complex: kazerne- of fabriekscomplex, bestaande uit een of meerdere monumenten;

  • s.

    exploitatietekort: negatief saldo van kosten en opbrengsten op basis van nominale waarden direct verband houdende met en noodzakelijk voor de ontwikkeling en realisatie van het project.

Artikel 2.8.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    een integrale gebiedsgerichte aanpak binnen de bebouwde kom, waarbij het gaat om herbestemming, transformatie of sloop van leegstaande of leegkomende gebouwen die deel uitmaken van een concrete gebiedsontwikkeling, gecombineerd met een aanpak van de openbare ruimte of het oplossen van milieuhinder voor de woon- en leefomgeving en bodemsanering;

  • b.

    het herbestemmen, transformeren en herontwikkelen van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen binnen de bebouwde kom, met een grote invloed op de omgeving;

  • c.

    het herbestemmen en transformeren van monumenten met een grote invloed op de omgeving binnen de bebouwde kom;

  • d.

    het reduceren van de bestaande woningvoorraad binnen de bebouwde kom in het kader van programmering van woningbouw;

  • e.

    het verplaatsen van niet aan het buitengebied verbonden functies in het buitengebied naar de bebouwde kom;

  • f.

    het herbestemmen, transformeren en herontwikkelen van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen in het buitengebied, met een grote invloed op de omgeving en waarbij de nieuwe bestemming leidt tot het vergroten van de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland;

  • g.

    herbestemmen en transformeren van monumenten in het buitengebied, met een grote invloed op de omgeving en waarbij de nieuwe bestemming leidt tot het vergroten van de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland.

Artikel 2.8.3 Criteria

  • 1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      er sprake is van een exploitatietekort;

    • b.

      de activiteiten leiden tot een ruimtelijke kwaliteitsimpuls van de bebouwde omgeving, met maatschappelijke meerwaarde ten bate van duurzame leefbaarheid;

    • c.

      de activiteiten passen binnen de regionale programmering wonen, werken (bedrijventerreinen, kantoren) en detailhandel;

    • d.

      sprake is van een functiegericht programma met een duurzaam karakter, waarvoor marktvraag is, tenzij sprake is van sloop zonder ’terugbouw’;

    • e.

      de activiteiten bijdragen aan het voorkomen of het beperken van nieuwe structurele binnenstedelijke leegstand of ruimtelijk kwalitatieve problemen; en

    • f.

      er sprake is van een gebiedsgerichte aanpak en onderbouwd met een visie op aanpak van leegstand.

  • 2 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder b, slechts verstrekt indien het gaat om een gebouw, liggend in een kernwinkelgebied of aanloopstraten, dat minimaal 5 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 1000 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 25 meter.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder c, slechts verstrekt indien het gaat om een monument dat minimaal 3 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 500 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 15 meter. Indien een monumentonderdeel uitmaakt van een complex, dan wordt slechts subsidie verstrekt voor maximaal twee monumenten die deel uitmaken van dit complex.

  • 4 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder d, slechts verstrekt indien er geen sprake is van een grondtransactie met derden, met uitzondering van grondtransacties ten behoeve van de aanleg van openbare ruimte of maatschappelijke doeleinden en de reductie van de woningen binnen het betreffende project minimaal 5 woningen betreft.

  • 5 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder e, slechts verstrekt indien na verplaatsing van de functie sprake is van verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.

  • 6 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder f, slechts verstrekt indien het gaat om een gebouw dat minimaal 5 jaar leeg staat en een footprint heeft van minimaal 2000 m2 en waarbij de aanpak gericht is op het wegnemen van een ruimtelijk kwalitatief probleem, milieu- of geluidshinder of van een onveilige situatie.

  • 7 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder g, slechts verstrekt indien het gaat om een monument dat minimaal 3 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 500 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 15 meter.

  • 8 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in het tweede, derde, vierde, zesde en zevende lid opgenomen afmetingen, aantallen woningen en perioden van leegstand.

Artikel 2.8.4 Aanvrager

  • 1 Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

  • 2 Per exploitatiegebied wordt slechts één keer subsidie verstrekt.

Artikel 2.8.5 Vooroverleg

  • 1 Voordat een aanvraag kan worden ingediend, vindt er een vooroverleg plaats aan de hand van het door de provincie beschikbaar gestelde vooroverlegformulier.

  • 2 Het vooroverleg wordt gepland binnen 8 weken na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde formulier en vindt plaats binnen 12 weken.

  • 3 Tijdens het vooroverleg wordt de haalbaarheid van de subsidiëring van het project verkend en wordt aangegeven welke informatie bij de aanvraag moet worden ingediend.

Artikel 2.8.6 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag:

  • a.

    een schriftelijke toelichting waarin de aanvrager aangeeft op welke wijze met het project structurele leegstand zal worden voorkomen dan wel aangepakt;

  • b.

    een opgave van de financiële bijdragen van de aan het project deelnemende partijen;

  • c.

    een onderbouwing van de manier waarop leegstand op vrijkomende locaties wordt voorkomen;

  • d.

    een realistische planning die aantoont dat de uitvoering van het project kan starten en binnen 3 jaar in een aaneengesloten bouwstroom kan worden gerealiseerd en opgeleverd;

  • e.

    een kaart waarop het exploitatiegebied is aangegeven;

  • f.

    grond- en opstalexploitaties, waarbij uitgegaan wordt van nominale waarden, inclusief verwachte en verleende subsidies, behorende bij het exploitatiegebied;

  • g.

    door onafhankelijke taxateurs opgestelde taxatierapporten van de gronden en opstallen die verband houden met de realisering van het project;

  • h.

    documenten waaruit de afspraken tussen de aan het project deelnemende partijen blijken ten aanzien van planning, uitvoering, financiën en regionale programmeringsafspraken;

  • i.

    informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden; en

  • j.

    informatie die bij het vooroverleg is verzocht overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.8.5.

Artikel 2.8.7 Hoogte van de subsidie

  • 1 De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van het exploitatietekort.

  • 2 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder a, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 500.000 per project.

  • 3 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder b, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 200.000 per project.

  • 4 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder c, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 250.000 per project.

  • 5 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder d, bedraagt 100% van de sloopkosten van het aantal woningen dat niet wordt herbouwd, met een maximum van € 200.000 per project.

  • 6 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder e, bedraagt ten hoogste 50% van de sloopkosten, inclusief saneringskosten, en ten hoogste 50% van de kosten van herinvulling onbebouwd met een maximum van € 200.000 per project.

  • 7 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder f, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 200.000 per project.

  • 8 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder g, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 250.000 per project.

  • 9 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid onder b, mogen bij de berekening van het exploitatietekort kosten van voor de datum waarop de aanvraag is ingediend worden meegenomen.

Artikel 2.8.8 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien verlening ervan zou leiden tot lagere dan de actuele marktconforme prijzen van de grond en gebouwen in de omgeving van het project.

Artikel 2.8.9 Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3.5 wordt geen subsidie verstrekt voor:

  • a.

    kosten die worden gemaakt voor planvorming;

  • b.

    kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen;

  • c.

    kosten voor kwalitatieve ingrepen in de openbare ruimte die uitstijgen boven hetgeen in de gemeente gangbaar is;

  • d.

    waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren;

  • e.

    verwervingen of inbrengwaarde van onroerende zaken die in de exploitatie van het project zijn opgenomen en waarvan de waarde hoger is getaxeerd dan de actuele marktwaarde op basis van het huidige gebruik of leegstand;

  • f.

    rendementen en risicovoorzieningen hoger dan 5%;

  • g.

    kosten van planschade; en

  • h.

    kosten van bovenwijkse voorzieningen.

Artikel 2.8.10 Verplichtingen

  • 1 Het project moet binnen drie jaar na de datum van de verleningsbeschikking zijn gerealiseerd, tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn is opgenomen.

  • 2 Indien sprake is van monumentale gebouwen, dient voldaan te worden aan de provinciale Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden.

  • 3 Indien sprake is van monumentale gebouwen, dienen eventuele werkzaamheden aan deze gebouwen te worden uitgevoerd door een gecertificeerd aannemer in de restauratiebouw of een aannemer die zijn restauratiedeskundigheid in de praktijk bewezen heeft.

Artikel 2.8.11 Vaststelling

In afwijking van artikel 26 van de AsG is artikel 27 van de AsG van toepassing op de vaststelling van de subsidie, met dien verstande dat voor subsidie tot € 125.000 in plaats van een accountantsverklaring kan worden volstaan met een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG.

Paragraaf 2.9 Gelderse Gebiedsopgaven

Artikel 2.9.1 Algemene bepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    deelnemer: rechtspersoon, niet zijnde de aanvrager, die bij de subsidiabele activiteit samenwerkt met de aanvrager anders dan in een opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie;

  • b.

    doelen: de doelen per gebied als bedoeld in de Uitvoeringsstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384) en daarop door Provinciale Staten aangebrachte aanvullingen;

  • c.

    financiële bijdrage: al hetgeen een deelnemer op eigen titel en voor eigen rekening en risicovoornemens is uit te voeren;

  • d.

    Gebied: de Achterhoek, de Veluwe, het Stedelijk Netwerk Arnhem/Nijmegen, het Stedelijk Netwerk Ede-Wageningen: Food Valley, het Stedelijk netwerk Stedendriehoek: Cleantech en de Gelderse Corridor, zoals beschreven in de Uitvoeringstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384);

  • e.

    gebiedsbreed overleg: een gebiedsbreed maatschappelijk samenwerkingsverband dat actief is in het kader van de Gelderse Gebiedsopgaven;

  • f.

    uitgangspunten van de gebiedsopgaven: de 15 uitgangspunten als bedoeld in de Uitvoeringsstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384);

  • g.

    uitvoeringsagenda: een document van het gebiedsbreed overleg dat op gebiedsniveau invulling geeft aan de doelen.

Artikel 2.9.2 Voorstel van gebiedsbreed overleg

  • 1 Een gebiedsbreed overleg verstrekt periodiek aan Gedeputeerde Staten een schriftelijk voorstel met initiatieven afkomstig uit het gebied die kunnen bijdragen aan het bereiken van de doelen.

  • 2 Het voorstel bevat ten aanzien van elk aangemeld initiatief:

    • a.

      een omschrijving van het initiatief en door de initiatiefnemer aan het gebiedsbrede overleg overgelegde informatie;

    • b.

      de datum van aanmelding van het initiatief;

    • c.

      gegevens van de initiatiefnemer;

    • d.

      een beschrijving van de wijze waarop het gebiedsbrede overleg het initiatief heeft besproken, inclusief de daarbij behorende verslagen;

    • e.

      een gemotiveerde beoordeling van het initiatief;

    • f.

      een gemotiveerde beoordeling van de uitvoerbaarheid van het initiatief, inclusief de planning voor de uitvoering daarvan,

  • 3 Het gebiedsbrede overleg zorgt ervoor dat initiatieven gedurende het gehele jaar kunnen worden aangemeld.

Artikel 2.9.3 Lijst met initiatieven

  • 1. Gedeputeerde staten stellen naar aanleiding van het voorstel als bedoeld in artikel 2.9.2, eerste lid, periodiek en voor ieder gebied een lijst van met initiatieven vast die:

    • a.

      in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de gebiedsopgaven, passen binnen de kerntaken ende uitvoeringsagenda; en

    • b.

      in aanmerking kunnen komen voor subsidie.

  • 2. Ter uitvoering van artikel 4 van de AsG bevat de lijst ten aanzien van elke activiteit het maximale bedrag waarvoor subsidie kan worden verstrekt.

  • 3. De lijst met initiatieven wordt bekend gemaakt in het Provinciaal Blad.

Artikel 2.9.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor het uitvoeren van activiteiten die zijn opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 2.9.3.

Artikel 2.9.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000.

Artikel 2.9.6 Verplichting

De subsidieontvanger is verplicht om zijn kennis en bevindingen te delen op de in de aanvraag beschreven wijze, of in overeenstemming met de beschikking tot subsidieverlening indien Gedeputeerde Staten daarin een andere wijze van delen van kennis en bevindingen hebben bepaald of daarover aanvullende verplichtingen hebben opgelegd.

Artikel 2.9.7 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag, indien deze betrekking heeft op het verrichten van subsidiabele activiteiten, waaraan door deelnemers een financiële bijdrage wordt geleverd, een document ingediend dat is ondertekend door de aanvrager en de deelnemers waaruit ten minste blijkt:

  • a.

    de voorgenomen aanpak voor het verrichten van de activiteiten en de bijdragen hieraan door de deelnemers;

  • b.

    overeenkomstig de in artikel 2.9.6 opgenomen verplichting op welke wijze en onder welke voorwaarden aanvrager en de deelnemers hun kennis en bevindingen delen.

Artikel 2.9.8 Werking van het plafond

Indien voor activiteiten die zijn opgenomen in de lijst, het maximumbedrag waarvoor, op grond van enig artikel in deze Regels, subsidie kan worden verleend, niet van toepassing is verklaard, wordt het bedrag waarmee dit maximumbedrag wordt overschreden buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling of het plafond voor deze activiteiten wordt overschreden.

Paragraaf 2.10 Ondersteuning bewonersinitiatieven op het gebied van sociale samenhang

Artikel 2.10.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten van bewoners van wijken, dorpen of gemeenten die zich richten op een versterking van de samenhang binnen een bevolkingsgroep of tussen bevolkingsgroepen met inbegrip van de evaluatie daarvan.

Artikel 2.10.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    het gemeentebestuur geen bezwaar heeft tegen de activiteiten;

  • b.

    de activiteiten aansluiten bij de kerntaken en de onderliggende plandoelen van de provincie;

  • c.

    de activiteiten niet al zijn of worden uitgevoerd op het moment waarop de aanvraag wordt ingediend;

  • d.

    uit de aanvraag blijkt op welke wijze de activiteiten worden geëvalueerd;

  • e.

    de activiteiten geen winstoogmerk hebben; en

  • f.

    de activiteiten met regelmaat worden georganiseerd.

Artikel 2.10.3 Aanvrager

  • 1. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

  • 2. Subsidie wordt verstrekt aan rechtspersonen die blijkens hun doelstelling een bijdrage leveren aan de sociale samenhang of een samenwerkingsverband van ten minste vijf natuurlijke personen.

Artikel 2.10.4 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag:

  • a.

    indien deze wordt ingediend door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen: een schriftelijk document waarin de samenwerking is beschreven en waarin in ieder geval de afspraken zijn vastgelegd over financiën, planning en verantwoordelijkheden;

  • b.

    een schriftelijke verklaring van het gemeentebestuur waaruit blijkt dat het gemeentebestuur geen bezwaar heeft tegen het initiatief.

  • c.

    een beschrijving waaruit blijkt wat het doel van de activiteiten is, wie de doelgroepen zijn en met welke frequentie die activiteiten worden georganiseerd.

Artikel 2.10.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de kosten met een minimum van € 10.000 en een maximum van € 24.999.

Artikel 2.10.6 Niet-subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.3.5 zijn komen niet voor subsidie in aanmerking kosten voor:

  • a.

    Het beheer en onderhoud van onroerende goederen;

  • b.

    Aanpassingen die niet noodzakelijk zijn voor het realiseren van de activiteiten.

Artikel 2.10.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het aannemelijk is dat het initiatief zal leiden tot toekomstige lasten voor onderhoud of instandhouding waarvoor ten tijde van de subsidieverstrekking geen dekking bestaat;

  • b.

    het initiatief geheel of grotendeels gericht is op het organiseren van een dorps- of buurtfeest, optocht, braderie of barbecue of andere eenmalige of incidentele activiteiten;

  • c.

    het initiatief gericht is op individuele hulpverlening of de behartiging van een persoonlijk belang;

  • e.

    het initiatief zich in een onderzoeksfase bevindt; of

  • f.

    voor het initiatief subsidie is of kan worden verstrekt op grond van de paragrafen 4.2 of 4.12.

Artikel 2.10.8 Verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht het initiatief te vermelden op de initiatievenkaart van de provincie via http://leefbaarheid.gelderland.nl en publiciteit te verzorgen over het initiatief op sociale media, waaronder in elk geval de website of de facebookpagina van de subsidieontvanger en de provincie.

  • 2. De uitvoering van het initiatief moet binnen twee jaar na de vaststelling van de subsidie zijn afgerond.

Paragraaf 2.11 Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden

Artikel 2.11.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    bestuursovereenkomst: de Bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016 – 2021 regio Oost, zoals gepubliceerd in de Staatscourant op 16 december 2015;

  • b.

    initiatiefnemer: de partij die maatregelen uit het werkprogramma uitvoert;

  • c.

    investeringsvolume: het aan Zoetwater toe te rekenen investeringsvolume van het Regionale Bod “Aanbod Hoge Zandgronden” van 7 februari 2014, zoals bedoeld in de bestuursovereenkomst;

  • d.

    RBO: Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-Oost;

  • e.

    Rijksbijdrage: de decentrale uitkering Deltafondsmiddelen voor Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden, zoals overeengekomen in de bestuursovereenkomst;

  • f.

    werkprogramma: het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016 – 2021, “Wel goed water geven!”.

Artikel 2.11.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het uitvoeren van maatregelen conform bijlage 1 van het werkprogramma.

Artikel 2.11.3 Verplichting

De activiteit wordt uitgevoerd in de periode 2016-2021.

Artikel 2.11.4 Voorwaarde

  • 1. De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat de Rijksbijdrage ter beschikking wordt gesteld.

  • 2. [vervallen]

Artikel 2.11.5 Niet-subsidiabele kosten

  • 1. In aanvulling op artikel 1.3.5 wordt geen subsidie verstrekt voor personeelskosten van de aanvrager.

  • 2. In afwijking van artikel 1.3.5, onderdelen b en f, kan subsidie worden verstrekt voor:

    • a.

      kosten die zijn gemaakt vanaf 1 januari 2016 en voordat de aanvraag is ontvangen;

    • b.

      legeskosten.

Artikel 2.11.6 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.

    Waterschap Rijn en IJssel;

  • b.

    Waterschap Vallei en Veluwe;

  • c.

    Gemeente Aalten;

  • d.

    Gemeente Apeldoorn;

  • e.

    Gemeente Barneveld;

  • f.

    Gemeente Bronckhorst;

  • g.

    Gemeente Doetinchem;

  • h.

    Gemeente Ede;

  • i.

    Gemeente Elburg;

  • j.

    Gemeente Harderwijk;

  • k.

    Gemeente Montferland;

  • l.

    Gemeente Nunspeet;

  • m.

    Gemeente Putten;

  • n.

    Gemeente Renswoude;

  • o.

    Gemeente Rhenen;

  • p.

    Gemeente Soest;

  • q.

    Gemeente Voorst;

  • r.

    Gemeente Winterswijk;

  • s.

    Gemeente Zutphen.

Artikel 2.11.7 Aanvraag

  • 1. Een aanvraag om subsidie kan worden ingediend tot 1 juli 2021.

  • 2. In afwijking van artikel 1.2.3 kunnen de bij de aanvraag verstrekte gegevens bestaan uit een verwijzing naar het werkprogramma.

  • 3. Er kunnen meerdere aanvragen om subsidie worden ingediend tot het maximum van de beschikbare subsidie voor die subsidieontvanger, mits per aanvraag de verhouding tussen subsidie en investeringsvolume, zoals bedoeld in artikel 2.11.8, eerste lid, niet wijzigt.

Artikel 2.11.8 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt per subsidieontvanger ten hoogste:

    • a.

      Waterschap Rijn en IJssel €2.220.000, bij een investeringsvolume van €7.300.000;

    • b.

      Waterschap Vallei en Veluwe €880.000, bij een investeringsvolume van €2.900.000;

    • c.

      Gemeente Aalten €5.114, bij een investeringsvolume van €19.400;

    • d.

      Gemeente Apeldoorn €287.055, bij een investeringsvolume van €1.100.000;

    • e.

      Gemeente Barneveld €26.677, bij een investeringsvolume van €102.000;

    • f.

      Gemeente Bronckhorst €15.682, bij een investeringsvolume van €60.000;

    • g.

      Gemeente Doetinchem €94.776, bij een investeringsvolume van €363.000;

    • h.

      Gemeente Ede €89.406, bij een investeringsvolume van €342.500;

    • i.

      Gemeente Elburg €62.644, bij een investeringsvolume van €240.000;

    • j.

      Gemeente Harderwijk €52.246, bij een investeringsvolume van €200.000;

    • k.

      Gemeente Montferland €65.542, bij een investeringsvolume van €250.924;

    • l.

      Gemeente Nunspeet €26.080, bij een investeringsvolume van €100.000;

    • m.

      Gemeente Putten €104.407, bij een investeringsvolume van €400.000;

    • n.

      Gemeente Renswoude €9.461, bij een investeringsvolume van €40.000;

    • o.

      Gemeente Rhenen €25.313, bij een investeringsvolume van €96.800;

    • p.

      Gemeente Soest €15.682, bij een investeringsvolume van €60.000;

    • q.

      Gemeente Voorst €46.962, bij een investeringsvolume van €180.000;

    • r.

      Gemeente Winterswijk €87.446, bij een investeringsvolume van €335.000;

    • s.

      Gemeente Zutphen €29.404, bij een investeringsvolume van €112.500.

  • 2. De subsidie wordt jaarlijks conform de kasreeks voor de Rijksbijdrage bevoorschot.

  • 3. Indien de verdeling van de Rijksbijdrage in de bestuursovereenkomst of in het werkprogramma wordt aangepast, wordt de subsidie overeenkomstig aangepast.

Artikel 2.11.9 Verplichtingen

Artikel 1.4.1, eerste lid, is niet van toepassing.

Artikel 2.11.10 Vaststelling

  • 1. De subsidieontvanger dient tussen 1 januari en 1 april 2022 een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

  • 2. In afwijking van de artikelen 25 en 26 van de AsG is artikel 27 van de AsG van toepassing op de vaststelling van alle subsidies, met dien verstande dat voor subsidies tot €125.000 in plaats van een accountantsverklaring kan worden volstaan met een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG.

  • 3. Gedeputeerde Staten gaan niet eerder over tot een lagere vaststelling van de subsidie dan na advies van het RBO.

Paragraaf 2.12 Aanpassingen Gemeenschapsvoorziening

Artikel 2.12.1 Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    Gemeenschapsvoorziening: een bestaand gebouw of gedeelte van een bestaand gebouw dat voldoet aan de volgende criteria:

    • 1.

      er zijn tenminste drie van de volgende functies aanwezig: welzijn, cultuur, educatie, sport, zorg, maatschappelijke dienstverlening of zakelijke dienstverlening;

    • 2.

      het gebouw is bestemd voor brede en meerdere doelgroepen;

    • 3.

      inwoners zijn als vrijwilliger actief betrokken bij activiteiten in de gemeenschapsvoorziening;

    • 4.

      de gebruikers die structureel gebruikmaken van de gemeenschapsvoorziening zijn in meerderheid non-profitorganisaties, en

    • 5.

      het gebouw staat zeven dagen per week, inclusief de avonden, ter beschikking van de gebruikers;

  • b.

    gekwalificeerde adviseur: een adviseur in het bezit van een geldig Fedec-, EPA-U-, BREEAM- of GPR-certificaat, dan wel een daarmee vergelijkbaar certificaat.

Artikel 2.12.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het verbeteren van de toegankelijkheid van een gemeenschapsvoorziening voor mensen met een handicap of een chronische ziekte;

  • b.

    het realiseren van maatregelen die een energiebesparend of –opwekkend effect hebben, of

  • c.

    het aanpassen van een gemeenschapsvoorziening, indien die aanpassing noodzakelijk is voor het kunnen uitvoeren van nieuwe activiteiten.

Artikel 2.12.3 Criteria

Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder b, wordt slechts verstrekt indien er een energiescan is uitgevoerd.

Artikel 2.12.4 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een privaatrechtelijke rechtspersoon die blijkens zijn statuten of akte van oprichting of blijkens zijn feitelijke werkzaamheden tot taak heeft om een gemeenschapsvoorziening te beheren en om ondersteuning te bieden bij de programmatische invulling van de activiteiten binnen een gemeenschapsvoorziening.

Artikel 2.12.5 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    voor subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder a:

    • i

      een overzicht van de bouwkundige en technische maatregelen die genomen kunnen worden om toegankelijkheid voor mensen met een handicap of chronische ziekte  te bewerkstelligen;

    • ii

      de kosten van het uitvoeren van deze maatregelen.

  • b.

    voor subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder b, een energiescan bestaande uit:

    • i.

      een overzicht van de bouwkundige en technische maatregelen die genomen kunnen worden om energiebesparing of -opwekking te bewerkstelligen;

    • ii.

      een schatting van de kosten van de maatregelen;

    • iii.

      een verklaring dat de energiescan is uitgevoerd door een gekwalificeerde adviseur; en

    • iv.

      het effect van de uit te voeren maatregelen als bedoeld op de energierekening van de aanvrager.

  • c.

    voor subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder c:

    • i.

      een verklaring van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente waaruit blijkt dat het geen bezwaar heeft tegen de voorgenomen aanpassingen, en

    • ii.

      indien er sprake is van uitbreiding van de gemeenschapsvoorziening: een verklaring, opgesteld door de eigenaar van het pand van waaruit de nieuwe activiteiten worden verplaatst naar de gemeenschapsvoorziening, die inzicht biedt in het resterende gebruik.

Artikel 2.12.6 Hoogte van de subsidie

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, aanhef en onder a, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 10.000 en een maximum van € 50.000.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, aanhef en onder b, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 10.000 en een maximum van € 50.000.

  • 3. Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, aanhef en onder c, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 100.000.

Artikel 2.12.7 Subsidiabele kosten

  • 1. In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder h, zijn de kosten voor het verbeteren van de toegankelijkheid als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap en chronische zieken subsidiabel.

  • 2. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder c, zijn niet subsidiabel de kosten voor:

    • a.

      advies over en aanschaf van goederen ten behoeve van de inrichting en stoffering; of

    • b.

      regulier beheer en onderhoud van de gemeenschapsvoorziening.

Artikel 2.12.8 Weigeringsgronden

Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder c, wordt geweigerd indien voor de activiteit subsidie is of kan worden verstrekt op grond van de paragraaf 6.26.

Artikel 2.12.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht de subsidiabele activiteit binnen 12 maanden na de subsidieverlening uit te voeren en geheel af te ronden.

  • 2. De subsidieontvanger is verplicht na de realisatie van de subsidiabele activiteit een actuele lijst van doelgroepen en het activiteitenprogramma voor het eerstvolgende kalenderjaar te zenden aan Gedeputeerde Staten. Indien de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling moet indienen, maken de actuele lijst en het activiteitenprogramma daarvan onderdeel uit.

Paragraaf 2.13 Steengoed benutten – Procesondersteuning

Artikel 2.13.1 Algemene bepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    herbestemming: het geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw of een gebied die wordt vastgelegd in een bestemmingplan;

  • b.

    transformatie gebouw: ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen;

  • c.

    transformatie gebied: functiewijziging van grond, gebouwen en openbare ruimte;

  • d.

    herontwikkeling: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte.

Artikel 2.13.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het uitvoeren van haalbaarheidsonderzoek naar de ruimtelijke en financiële haalbaarheid van een herbestemming, transformatie of herontwikkeling van een gebouw of een gebied;

  • b.

    het opstellen van een plan van aanpak voor de realisatie van een herbestemming, transformatie of herontwikkeling van een gebouw of een gebied, of;

  • c.

    de procesbegeleiding of advisering in het kader van een herbestemming, transformatie of herontwikkeling van een gebouw of een gebied.

Artikel 2.13.3 Criteria

  • 1. Subsidie wordt slechts verstrekt indien de gemeente en de betrokken vastgoedeigenaren de intentie hebben om hun medewerking te verlenen aan de voorgenomen subsidiabele activiteiten.

  • 2. Subsidie wordt slechts verstrekt indien leegstand in een gebouw of een gebied wordt verkleind of voorkomen.

Artikel 2.13.4 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.

    gemeenten;

  • b.

    openbare lichamen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • c.

    stichtingen, niet zijnde een collectief, als bedoeld in onderdeel b van artikel 2.1.1, of;

  • d.

    verenigingen, niet zijnde een collectief, als bedoeld in onderdeel b van artikel 2.1.1.

Artikel 2.13.5 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag om subsidie in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    een beschrijving van de herbestemming of de transformatie in het kader waarvan de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd;

  • b.

    een onderbouwing op welke wijze en in welke mate de herbestemming of de transformatie leegstand verkleint of voorkomt;

  • c.

    indien de aanvrager niet een gemeente is, een schriftelijke verklaring van het gemeentebestuur dat de gemeente medewerking verleent aan de voorgenomen subsidiabele activiteit;

  • d.

    indien de aanvrager niet de eigenaar is van het onder de herbestemming of de transformatie vallende vastgoed, een schriftelijke verklaring van de eigenaar waaruit blijkt dat hij medewerking verleent aan voorgenomen subsidiabele activiteit;

  • e.

    offertes van de voor de subsidiabele activiteiten in te schakelen derden.

Artikel 2.13.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 50.000.

Artikel 2.13.7 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de inhuur van externe deskundigen.

Artikel 2.13.8 Verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht:

    • a.

      de activiteiten als bedoeld in artikel 2.13.2, aanhef en onder a en b, binnen zes maanden na het verlenen van de subsidie te hebben voltooid, welke termijn op verzoek door Gedeputeerde Staten met maximaal zes maanden kan worden verlengd;

    • b.

      de activiteiten als bedoeld in artikel 2.13.2, aanhef en onder c, binnen 12 maanden na het verlenen van de subsidie te hebben voltooid, welke termijn op verzoek door Gedeputeerde Staten met maximaal twaalf maanden kan worden verlengd.

  • 2. De subsidieontvanger is verplicht de conclusies van het haalbaarheidsonderzoek, het plan van aanpak en een omschrijving van de procesbegeleiding of advisering en de resultaten daarvan binnen een maand na afloop van de subsidiabele activiteit aan de provincie te overleggen.

  • 3. De subsidieontvanger werkt mee, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, aan onderzoek dat erop is gericht de doeltreffendheid en de effecten van de subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf te evalueren.

  • 4. De subsidieontvanger is verplicht om de kennis en de ervaring die met de gesubsidieerde activiteit is opgedaan tot één jaar na afloop van de subsidiabele activiteit te delen via het Gelders Forum: http://forum.gelderland.nl/.

Hoofdstuk 3 Milieu, energie & klimaat

Paragraaf 3.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    eigenaar-bewoner: een persoon die op grond van artikel 1 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek eigenaar is van een koopwoning en zelf deze koopwoning bewoont;

  • b.

    bodem en ondergrond: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen en antropogene resten van eertijdse bewoning en grondgebruik, inclusief het grondwater;

  • c.

    bodem- en ondergrondaspecten: informatie over de karakteristieken van de bodem en ondergrond, de gebruiksmogelijkheden en de effecten van het mogelijke gebruik op andere functies van de bodem en ondergrond en de effecten van bovengronds ruimtegebruik op ondergrondse functies en omgekeerd;

  • d.

    bodemverontreinigingsgegevens: gegevens afkomstig uit een bodemonderzoeksrapport dat is opgesteld door een erkende persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 9 van het Besluit Bodemkwaliteit;

  • e.

    energielabelsprong: een verbetering van het energielabel als bedoeld in het Besluit Energieprestatie Gebouwen

  • f.

    hernieuwbare energie: niet-fossiele energie zoals windenergie, zonne-energie, geothermische energie, golfenergie, getijdenenergie, waterkrachtinstallaties, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;

  • g.

    lokaal duurzaam energiebedrijf: een onderneming die hernieuwbare energie produceert waarbij de afnemers zijn gevestigd binnen een straal van 30 kilometer ten opzichte van een productielocatie van de onderneming;

  • h.

    NOM-ready: de situatie waarin een woning direct verbeterd wordt en verantwoord voorbereid is op een NOM-renovatie door middel van latere ingrepen;

  • i.

    NOM-renovatie: een renovatie van een woning die als rechtstreeks gevolg heeft dat de ingaande en uitgaande energiestromen voor gebouw gebonden energie (ruimteverwarming, comfort-koeling, ventilatie, monitoring, regelingen en hulpenergie voor deze installaties) bij een normaal leefpatroon op jaarbasis gelijk zijn aan of lager zijn dan nul;

  • j.

    scan: onderzoek waar uit moet blijken of NOM-renovatie of een NOM-Ready aanpak voor een VvE een realistische optie is dan wel, indien op basis van de scan komt vast te staan dat dit niet het geval is, een advies over welke maatregelen en welke energielabelsprong haalbaar zijn en op welke wijze dit kan worden aangepakt;

  • k.

    terugverdientijd: de subsidiabele kosten gedeeld door de verwachte jaarlijkse besparing;

  • l.

    rd-waarde: het warmte-isolerend vermogen van een materiaallaag;

  • m.

    VvE: vereniging van eigenaars als bedoeld in artikel 5:124 van het Burgerlijk Wetboek.

Paragraaf 3.2 Energieloketten [vervallen]

Paragraaf 3.3 Lokale hernieuwbare energieprojecten en participatie door natuurlijke personen, rechtspersonen zonder winstoogmerk en VvE’s

Artikel 3.3.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de uitvoering van lokale hernieuwbare energieprojecten.

Artikel 3.3.2 Criteria

  • 1. Subsidie aan lokale duurzame energiebedrijven en rechtspersonen zonder winstoogmerk wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      minimaal 50 natuurlijke personen wonend op 50 verschillende adressen deelnemen door middel van een financiële bijdrage;

    • b.

      de financiële deelname van voornoemde personen gezamenlijk ten minste 25% van de kosten bedraagt;

    • c.

      de bijdrage per natuurlijk persoon minimaal €50 bedraagt; en

    • d.

      het lokale hernieuwbare energieproject een terugverdientijd heeft van minimaal vijf jaar.

  • 2. Subsidie aan VvE’s wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de VvE bestaat uit ten minste 50 natuurlijke personen wonend op 50 verschillende adressen;

    • b.

      de financiële deelname van de VvE ten minste 25% van de kosten bedraagt;

    • c.

      het lokale hernieuwbare energieproject een terugverdientijd heeft van minimaal vijf jaar; en

    • d.

      het lokale hernieuwbare energieproject onderdeel vormt van (aard en nagelvast is verbonden met) het gebouw of groep van gebouwen van de VvE.

Artikel 3.3.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan lokale duurzame energiebedrijven, rechtspersonen zonder winstoogmerk en VvE’s.

Artikel 3.3.4 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag door een lokaal duurzaam energiebedrijf of een rechtspersoon zonder winstoogmerk een document verstrekt met een overzicht van NAW-gegevens van de deelnemende natuurlijke personen, de hoogte van het ingezette bedrag per natuurlijke persoon en een opgave van het project of de projecten waaraan de ingezette bedragen worden of zijn besteed.

  • 2. Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag door een VvE verstrekt:

    • a.

      een document met een overzicht van NAW-gegevens van haar leden en van de hoogte van het gezamenlijk via de VvE ingezette bedrag;

    • b.

      een besluit van de VvE tot financiële deelname met een bedrag dat ten minste 25% van de kosten van het lokale duurzame energieproject bedraagt.

Artikel 3.3.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 20% van de kosten, met een minimum van €3.500 en een maximum van €100.000.

Artikel 3.3.6 Verplichtingen

  • 1. Het lokale duurzame energiebedrijf of de rechtspersoon zonder winstoogmerk is verplicht om ervoor zorg te dragen dat de bijdragen van natuurlijke personen ten minste 5 jaar beschikbaar blijven voor de subsidiabele activiteit.

  • 2. De VvE is verplicht om ervoor zorg te dragen dat haar bijdrage ten minste 5 jaar beschikbaar blijft voor de subsidiabele activiteit.

Paragraaf 3.4 Scan VvE

Artikel 3.4.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het laten uitvoeren van een scan.

Artikel 3.4.2 Criteria

De scan dient ten minste inzicht te geven in:

  • a.

    de financiële positie van de VvE;

  • b.

    de bouwkundige staat van het gebouw;

  • c.

    het organiserend vermogen van de VvE;

  • d.

    de bouwkundige en technische maatregelen die genomen kunnen worden om een energielabelsprong te bewerkstelligen;

  • e.

    de bouwkundige en technische maatregelen die nodig zijn voor NOM-renovatie;

  • f.

    een indicatie van de kosten van de maatregelen als bedoeld onder d en e;

  • g.

    een beschrijving van de haalbaarheid van NOM in één keer of in stappen, waarbij de organisatorische en juridische bevindingen op basis van de splitsingsakte worden meegenomen;

  • h.

    een beschrijving van het proces dat nodig is om de maatregelen onder e toe te passen of te implementeren;

  • i.

    de energetische effecten door het uitvoeren van de maatregelen als bedoeld onder d en e;

  • j.

    het effect van de maatregelen als bedoeld onder d en e op de financiële positie van de VvE.

Artikel 3.4.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een VvE.

Artikel 3.4.4 Weigeringsgronden

  • 1. Subsidie wordt alleen verstrekt aan indien de VvE ten minste 10 wooneenheden omvat.

  • 2. Subsidie wordt alleen verstrekt indien het gebouw waarvoor de scan wordt gemaakt is gebouwd en opgeleverd voor 1990.

  • 3. Subsidie wordt alleen verstrekt indien de VvE is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

Artikel 3.4.5 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    een bewijs van inschrijving van de VvE bij de Kamer van Koophandel;

  • b.

    een afschrift van het besluit van ledenvergadering van de VvE op grond waarvan de aanvraag kan worden ingediend;

  • c.

    documenten waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de criteria als bedoeld in artikel 3.4.2;

  • d.

    het aantal wooneenheden dat de VvE omvat; en

  • e.

    een bewijs dat het gebouw is opgeleverd vóór 1990.

Artikel 3.4.6 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van de inhuur van de deskundige die de scan uitvoert.

Artikel 3.4.7 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste €4.000.

Paragraaf 3.5 Stimulering energiebesparing bij bedrijven en instellingen

Artikel 3.5.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder bedrijfscollectief: een samenwerkingsverband van bedrijven of instellingen dat rechtspersoonlijkheid bezit en waarvan de doelgroep in ieder geval de aangesloten bedrijven en instellingen betreft.

Artikel 3.5.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het uitvoeren van een plan van aanpak voor het werven voor, het coördineren en het evalueren van en het communiceren over energiescans bij bedrijven en instellingen, en

  • b.

    het begeleiden van bedrijven of instellingen bij het inventariseren van maatregelen met behulp van een energiescan met als minimale basis de erkende maatregelen als bedoeld in bijlage 10 bij de Activiteitenregeling milieubeheer, voor zover die zijn vastgesteld voor de betreffende branche, waarbij de inventarisatie inzicht moet bieden in de kosten en de terugverdientijd van de wettelijk verplichte maatregelen, alsmede een termijn voor realisatie van die maatregelen.

Artikel 3.5.3 Criteria

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2, onder a, wordt slechts verstrekt indien de Omgevingsdienst een positieve verklaring over het plan van aanpak heeft afgegeven.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2, onder b, wordt slechts verstrekt indien de Omgevingsdienst een positieve verklaring over de begeleiding heeft afgegeven en er afstemming met de Omgevingsdienst heeft plaatsgevonden over de voorgenomen activiteiten in relatie tot eventuele toezichts- en handhavingsactiviteiten.

  • 3. Indien de activiteiten zich richten op het gebied van meerdere Omgevingsdiensten, kan volstaan worden met een verklaring van één van de Omgevingsdiensten

Artikel 3.5.4 Weigeringsgrond

Geen subsidie wordt verstrekt voor uitsluitend de activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, onder a.

Artikel 3.5.5 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de inhuur van externe deskundigheid.

  • 2. Geen subsidie wordt verstrekt voor de ontwikkeling en aanschaf van energiebesparende maatregelen.

Artikel 3.5.6 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een bedrijfscollectief.

Artikel 3.5.7 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt:

  • a.

    ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 24.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, onder a;

  • b.

    ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten per bedrijf of instelling met een maximum van € 1.000 en een totaal maximum van € 100.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, onder b.

Artikel 3.5.8 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2, onder a, in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een plan van aanpak met daarin een communicatiestrategie, een rolverdeling van bij de subsidiabele activiteit betrokken partijen, een omschrijving van de doelgroep en een borging van de realisatie van minimaal de wettelijk vereiste maatregelen binnen een termijn van maximaal drie jaar;

    • b.

      een positieve verklaring van de de gemeente of de Omgevingsdienst over het plan van aanpak als bedoeld onder a.

  • 2. Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2, onder b, in elk geval een verklaring van de Omgevingsdienst verstrekt waaruit blijkt dat er afstemming heeft plaatsgevonden tussen de aanvrager en de Omgevingsdienst over de begeleiding in relatie tot artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 3.5.9 Vaststelling

  • 1. In de toelichting als bedoeld in artikel 1.5.1, onder a, wordt opgave gedaan van:

    • a.

      het aantal bedrijven en instellingen waar voorlichting aan is gegeven als bedoeld in artikel 3.5.2, onder a, het aantal bedrijven en instellingen waar een energiescan is uitgevoerd als bedoeld in artikel 3.5.2, onder b, en de wijze waarop die voorlichting heeft plaatsgevonden;

    • b.

      het aantal bedrijven en instellingen dat zich bereid heeft verklaard om binnen drie jaar na de energiescan de energiebesparende maatregelen uit te voeren met een terugverdientijd van maximaal vijf jaar en binnen een half jaar na de energiescan een plan van aanpak hebben opgesteld voor realisatie van deze maatregelen.

  • 2. De aanvraag om vaststelling bevat afschriften van de registratie of verklaringen van de bedrijven en instellingen als bedoeld in het eerste lid, onder b.

Paragraaf 3.6 Bodemverontreinigingsgegevens op orde

Artikel 3.6.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het selecteren van bodemverontreinigingsgegevens en het invoeren daarvan in een digitaal bodeminformatiesysteem;

  • b.

    het uitwisselen van bodemverontreinigingsgegevens tussen het digitale bodeminformatiesysteem van de aanvrager en dat van de provincie.

Artikel 3.6.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien bij het invoeren van de bodemverontreinigingsgegevens gebruik wordt gemaakt van het uitwisselingsformat SIKB0101 of een daarvoor in de plaats tredend uitwisselingsformat.

Artikel 3.6.3 Aanvrager

Subsidie kan worden verstrekt aan:

  • a.

    gemeenten;

  • b.

    openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 3.6.4 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie als bedoeld in artikel 3.6.1, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000 en een maximum van € 7.500.

  • 2 De subsidie als bedoeld in artikel 3.6.1, onder b, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000 en maximum van € 7.500.

  • 3 Een aanvrager kan tot en met het jaar 2019 maximaal € 15.000 subsidie ontvangen.

Artikel 3.6.5 Verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht de subsidiabele activiteit binnen 12 maanden na de subsidieverlening uit te voeren en geheel af te ronden.

Paragraaf 3.7 Ondergrond in beeld ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling

Artikel 3.7.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1 Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

    • a.

      het opstellen van een rapport over bodem- en ondergrondaspecten in een gebied;

    • b.

      het organiseren van bijeenkomsten om de inhoud van het onder a bedoelde rapport te verspreiden.

  • 2 Subsidie als bedoeld in artikel het eerste lid, onderdeel b, wordt uitsluitend verstrekt indien ook subsidie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a is verstrekt.

Artikel 3.7.2 Verplichtingen

De ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, is verplicht het rapport openbaar te maken via internet.

Artikel 3.7.3 Subsidiabele kosten

  • 1 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, komen in aanmerking de kosten voor:

    • a.

      externe adviseurs;

    • b.

      externe procesbegeleiding;

    • c.

      onderzoek naar bodem- en ondergrondaspecten in een bepaald gebied;

    • d.

      het analyseren en verwerken van onderzoeksgegevens en bestaande informatie.

  • 2 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel b, komen in aanmerking de kosten voor:

    • a.

      zaalhuur en catering;

    • b.

      externe adviseurs;

    • c.

      externe procesbegeleiding.

  • 3 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, komen niet in aanmerking de kosten van bodemonderzoek in het kader van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 3.7.4 Aanvrager

Subsidie kan worden verstrekt aan:

  • a.

    gemeenten;

  • b.

    openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 3.7.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000 en een maximum van € 25.000 per aanvraag.

Paragraaf 3.8 Omgevingsveiligheid

Artikel 3.8.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten die voortvloeien uit het Gelders Uitvoeringsprogramma Omgevingsveiligheid 2018.

Artikel 3.8.2 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan openbare lichamen die zijn ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en die fungeren als omgevingsdiensten.

Artikel 3.8.3 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt:

  • a.

    Omgevingsdienst Achterhoek, ten hoogste € 140.980;

  • b.

    Omgevingsdienst Noord Veluwe, ten hoogste € 63.774;

  • c.

    Omgevingsdienst Veluwe IJssel, ten hoogste € 73.882;

  • d.

    Omgevingsdienst Regio Arnhem, ten hoogste € 128.877;

  • e.

    Omgevingsdienst De Vallei, ten hoogste € 74.347;

  • f.

    Omgevingsdienst Regio Nijmegen, ten hoogste € 79.335;

  • g.

    Omgevingsdienst Rivierenland, ten hoogste € 103.873.

Artikel 3.8.4

In afwijking van de artikel 1.3.6 bedraagt de subsidie voor de directe loonkosten en de indirecte kosten maximaal een bedrag per uur dat overeenkomt met het door de Omgevingsdiensten bestuurlijk vastgestelde uurtarief.

Artikel 3.8.5

Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag een opgave van het bestuurlijk vastgestelde uurtarief als bedoeld in artikel 3.8.4.

Paragraaf 3.9 Ondersteuning van gemeenten ten behoeve van toezicht op energiebesparing

Artikel 3.9.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    energieverbruikers: bedrijven die vallen onder de reikwijdte van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • b.

    Gelderse aanpak: een aanpak gericht op communicatie, stimulering van bedrijven via collectieve projecten en handhaving;

  • c.

    toezicht: toezicht op de naleving van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 3.9.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de uitoefening van toezicht in 2018.

Artikel 3.9.3 Criteria

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de aanvrager de Gelderse aanpak volgt;

    • b.

      de aanvrager een overeenkomst heeft met de Omgevingsdienst over toezicht.

  • 2.

    Subsidie wordt voorts slechts verstrekt indien de aanvrager in 2018 bij ten minste 7% van het aantal energieverbruikers in de gemeente toezicht uitoefent.

  • 3.

    Het aantal energieverbruikers in een gemeente wordt bepaald aan de hand van gegevens van de Gelderse omgevingsdiensten.

Artikel 3.9.4 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

Artikel 3.9.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt € 400 per energieverbruiker waar in 2018 toezicht wordt uitgeoefend.

Artikel 3.9.6 Aanvraag

  • 1.

    Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een plan voor 2018, 2019 en 2020 waarin wordt beschreven op welke wijze bij minimaal 20% van de energieverbruikers in de gemeente toezicht wordt uitgeoefend;

    • b.

      een beschrijving van de wijze waarop in 2018 toezicht wordt uitgeoefend;

    • c.

      de overeenkomst als bedoeld in artikel 3.9.3, eerste lid, aanhef en onder b;

    • d.

      een opgave van het aantal energieverbruikers.

  • 2.

    Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 1 september 2017.

Artikel 3.9.7 Verplichtingen

Onverminderd artikel 1.4.3 is de aanvrager verplicht om uiterlijk in februari 2019 een rapportage te overleggen waaruit blijkt bij hoeveel bedrijven toezicht in 2018 is uitgeoefend.

Paragraaf 3.10 Energieloketten 2018

Artikel 3.10.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    actieve marktbenadering: een door de aanvrager geregisseerde planmatige aanpak waarin particuliere woningeigenaren in een wijk of een buurt, of bepaalde doelgroepen in een wijk, een buurt of in de gemeente, worden benaderd om energiebesparende maatregelen aan hun woningen te treffen of hernieuwbare energie op te wekken;

  • b.

    conversie: het aantal mensen dat na een benadering daadwerkelijk tot het treffen van energiebesparingsmaatregelen of het opwekken van hernieuwbare energie overgaat;

  • c.

    digitaal: via e-mail en via een website;

  • d.

    energieloket: een informatiepunt gericht op het informeren van particuliere woningeigenaren over energiebesparende maatregelen aan en hernieuwbare opwekking van energie bij bestaande woningen en mogelijkheden om die maatregelen te financieren;

  • e.

    particuliere woningeigenaar: een natuurlijke persoon die eigenaar is van de woning en er daadwerkelijk zelf in woont;

  • f.

    professionalisering: activiteiten gericht op het vergroten van de bekendheid, zichtbaarheid, toegankelijkheid en bereikbaarheid van het energieloket, het doorontwikkelen van een klantvolgsysteem en een monitoringsysteem en het opzetten of uitwerken van een businessmodel voor het energieloket;

  • g.

    social marketing: de toepassing van marketingconcepten en -technieken om positieve maatschappelijke of sociale veranderingen te bewerkstelligen;

  • h.

    wijken en buurten: wijken en buurten als bedoeld in de publicatie Kerncijfers wijken en buurten van het CBS.

Artikel 3.10.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het financieren van energieloketten

Artikel 3.10.3 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    het energieloket gedurende geheel 2018 operationeel is;

  • b.

    het energieloket fysiek, digitaal en telefonisch bereikbaar is voor het verstrekken van informatie;

  • c.

    het energieloket gebruik maakt van van een klantvolgsysteem en een monitoringssysteem;

  • d.

    de aanvrager met het energieloket afspraken heeft gemaakt over het uitvoeren van een actieve marktbenadering, en

  • e.

    professionalisering wordt doorgevoerd.

Artikel 3.10.4 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

Artikel 3.10.5 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt ten hoogste 33% van de kosten van het energieloket met een maximum van het inwoneraantal op 1 januari 2017 vermenigvuldigd met een bedrag van € 0,26.

  • 2.

    Het inwoneraantal wordt bepaald aan de hand van CBS-gegevens.

Artikel 3.10.6 Aanvraag

  • 1.

    Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de wijze waarop het energieloket fysiek, digitaal en telefonisch bereikbaar is;

    • b.

      een beschrijving van de wijze waarop de actieve marktbenadering wordt uitgevoerd, uitgesplitst per wijk, buurt of doelgroep en met een opgave van de te verwachten activiteiten, waarbij de inzet van social marketing afzonderlijk wordt beschreven indien deze wordt ingezet, alsmede een beschrijving van de wijze waarop relevante marktpartijen bij de aanpak worden betrokken;

    • c.

      een beschrijving van de wijze waarop binnen een periode van 3 jaar alle eigenaren van koopwoningen in de gemeente bereikt zullen worden;

    • d.

      een beschrijving van de wijze waarop een conversie van 10% bereikt kan worden binnen de gemeente;

    • e.

      een beschrijving van de wijze waarop de professionalisering van het energieloket wordt doorgevoerd;

    • f.

      een beschrijving van de inspanningen die de aanvrager in 2017 heeft verricht en in 2018 zal verrichten om het voortbestaan van het energieloket na 2018 te garanderen, en

    • g.

      het inwoneraantal op 1 januari 2017 aan de hand van CBS-gegevens.

  • 2.

    Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 1 november 2017.

Artikel 3.10.7 Verplichtingen

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht om in januari 2019 een rapportage te overleggen waarin een beschrijving wordt gegeven van:

    • a.

      de activiteiten van het energieloket in 2018;

    • b.

      de daarbij behaalde resultaten, en

    • c.

      de bijdrage die dit levert aan het energiezuinig maken van 100.000 woningen.

  • 2.

    Bij de beschrijving van de resultaten als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt gebruik gemaakt van de data uit het klantvolgsysteem en monitoringsysteem.

Paragraaf 3.11 Voorfinanciering ontwikkelkosten

Artikel 3.11.1 Begripsbepalingen

  • 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    • a.

      duurzaam energiebedrijf: een onderneming voor de productie van hernieuwbare energie;

    • b.

      hernieuwbare energie: windenergie en zonne-energie;

    • c.

      windpark: een of meerdere windmolens die organisatorisch en ruimtelijk met elkaar samenhangen en die een totaal gezamenlijk vermogen hebben van ten minste 5 MW;

    • d.

      zonnepark: grondgebonden zonnepanelen die organisatorisch en ruimtelijk met elkaar samenhangen met een totaal vermogen van ten minste 1 MW.

  • 2. Artikel 3.1.1, aanhef en onder g, is niet van toepassing.

Artikel 3.11.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de inhuur van externe deskundigen ten behoeve van:

  • a.

    de ruimtelijke voorbereiding van een windpark of een zonnepark;

  • b.

    projectleiding;

  • c.

    marketing en communicatie, of

  • d.

    de technische voorbereiding van een windpark of een zonnepark.

Artikel 3.11.3 Criteria

  • 1. Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de realisatie van het windpark of het zonnepark niet in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid;

    • b.

      de realisatie van het windpark of het zonnepark naar verwachting gefinancierd kan worden;

    • c.

      het eigen vermogen van de aanvrager ten tijde van de aanvraag en in de fase van de exploitatie voor ten minste 50% opgebracht zal worden door natuurlijke personen of door rechtspersonen waaraan voor ten minste 50% van het eigen vermogen en ten minste 50% van de zeggenschap wordt deelgenomen door natuurlijke personen door lidmaatschap, aandelen of op andere wijze, waarbij één natuurlijke persoon ten hoogste 10% van het eigen vermogen opbrengt;

    • d.

      de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder c ten minste voor 50% zeggenschap zullen krijgen over de exploitatie;

    • e.

      de exploitatie van het windpark of het zonnepark naar verwachting een positief bedrijfseconomisch resultaat zal behalen binnen een termijn van drie jaren na het in gebruik nemen ervan;

    • f.

      de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder c ten minste voor 50% zullen delen in de winst;

    • g.

      de aanvrager in staat is om voldoende gekwalificeerde personen aan te trekken of in te zetten om de realisatie en de exploitatie van het windpark of het zonnepark te verzekeren;

    • h.

      de externe deskundigen geen bestuurder zijn van de aanvrager;

    • i.

      de externe deskundigen op basis van objectieve criteria zijn geselecteerd uit ten minste drie offertes, en

    • j.

      de externe deskundigen aantoonbaar ervaring hebben op het terrein waarop zij worden ingeschakeld.

  • 2. Over de criteria als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met g en j, wordt voorafgaand aan een beslissing op een aanvraag advies gevraagd aan Oost NL, tenzij de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten of de aanvraag moet worden afgewezen omdat niet wordt voldaan aan enig ander criterium voor het verstrekken van subsidie.

Artikel 3.11.4 Weigeringsgrond

Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onder d, wordt geweigerd indien de ruimtelijke inpassing van het windpark of het zonnepark niet mogelijk is.

Artikel 3.11.5 Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt verstrekt aan duurzame energiebedrijven waarbij ten minste 50 natuurlijke personen zijn aangesloten door middel van lidmaatschap, aandelen of op andere wijze en die wonen op afzonderlijke adressen.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan subsidie worden verstrekt aan een onderneming die voor ten minste 50% in eigendom is van een duurzaam energiebedrijf als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.11.6 Subsidiabele kosten

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onderdeel a, wordt verstrekt voor de kosten van externen ten behoeve van:

    • a.

      het opstellen van aanvragen voor ruimtelijke planvorming;

    • b.

      het opstellen van een milieueffectrapport, en

    • c.

      het uitvoeren van onderzoeken die noodzakelijk zijn voor het aanvragen van een omgevingsvergunning

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onderdeel b, wordt verstrekt voor de kosten van externen ten behoeve van projectleiding.

  • 3. Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onderdeel c, wordt verstrekt voor de en kosten voor het opstellen en uitvoeren van een marketing- of communicatieplan gericht op het vergroten van het draagvlak voor en de deelname van particulieren aan het duurzame energiebedrijf.

  • 4. Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onderdeel d, wordt verstrekt voor de kosten van externen ten behoeve van:

    • a.

      het uitvoeren van onderzoek ten behoeve van de financiering van de realisatie van het zonnepark of het windpark. Hieronder worden in ieder geval begrepen een financieringsplan voor de bank, een windonderzoek en een aanvraag om SDE+-subsidie;

    • b.

      het opstellen en beoordelen van contracten voor de levering van turbines en panelen;

    • c.

      het voorbereiden en regelen van de netaanpassing, en

    • d.

      juridisch en financieel advies.

Artikel 3.11.7 Hoogte van de subsidie

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onder a, bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 150.000.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onder b, bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 75.000.

  • 3. Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onder c, bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000.

  • 4. Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onder d, bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 75.000.

  • 5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid bedraagt de subsidie maximaal het bedrag dat wordt berekend naar rato van het aandeel dat de natuurlijke personen gezamenlijk hebben in het vermogen van de aanvrager.

  • 6. De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een geldlening met een looptijd van maximaal vijf jaar en een rente van 5%.

Artikel 3.11.8 Aanvraag

  • 1. Voor de onderdelen a en d van artikel 3.11.2 worden afzonderlijke aanvragen ingediend. De onderdelen b en c kunnen met een aanvraag voor onderdeel a of onderdeel d gecombineerd worden.

  • 2. Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een document waaruit blijkt dat de realisatie van het windpark of het zonnepark niet in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid;

    • b.

      een document waaruit blijkt dat de realisatie van het windpark of het zonnepark naar verwachting gefinancierd kan worden;

    • c.

      een document waarin is aangegeven hoe het eigen vermogen van de aanvrager is opgebouwd en in de fase van de exploitatie zal worden opgebouwd;

    • d.

      een document waaruit blijkt dat de natuurlijke personen als bedoeld in artikel 3.11.3, eerste lid onder c, ten minste voor 50% zeggenschap zullen hebben over de exploitatie;

    • e.

      een onderbouwde prognose van het bedrijfseconomische resultaat in de vijf jaren na het in gebruik nemen van het windpark of het zonnepark;

    • f.

      een document waaruit blijkt dat ten minste 50% van de winst van de aanvrager zal worden uitgekeerd aan natuurlijke personen of aan de rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.11.3, eerste lid onder c;

    • g.

      een document waaruit blijkt dat de aanvrager in staat is om voldoende gekwalificeerde personen aan te trekken of in te zetten om de realisatie en de exploitatie van het windpark of het zonnepark te verzekeren;

    • h.

      een beschrijving van de wijze waarop de aanvrager vergroting van het draagvlak bij en participatie door natuurlijke personen realiseert;

    • i.

      de offertes van de externe deskundigen en een document waaruit blijkt hoe de offertes zijn beoordeeld;

    • j.

      de begroting van de aanvrager voor het lopende en het volgende jaar, en

    • k.

      een overzicht van de bij de aanvrager aangesloten natuurlijke personen en hun adresgegevens.

  • 3. Onverminderd het tweede lid wordt bij een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onder d, een document gevoegd waaruit blijkt dat ruimtelijke inpassing mogelijk is.

Artikel 3.11.9 Voorwaarde

De subsidie wordt verstrekt op voorwaarde dat de ontvanger meewerkt aan de totstandkoming van een privaatrechtelijke overeenkomst van geldlening als bedoeld in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3.11.10 Communautair toetsingskader

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor zover dat in overeenstemming is met hoofdstuk I en artikel 22 van de AGVV.

Paragraaf 3.12 Procesondersteuning Wijk van de toekomst

Artikel 3.12.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    wijk: een geografische eenheid van tenminste 400 woningen;

  • b.

    integraal transitieplan: een in overleg met betrokken partijen tot stand gekomen plan met maatregelen gericht op het beperken van het fossiele energieverbruik in de wijk, waaronder in ieder geval bestaande gebouwen.

Artikel 3.12.2 Subsidiabele activiteit

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor opdrachtverlening aan een externe deskundige voor:

    • a.

      het ontwerpen, voorbereiden en in gang zetten van een proces gericht op het maken van een integraal transitieplan voor de verduurzaming van de wijk;

    • b.

      het uitvoeren van een proces gericht op het opstellen van een integraal transitieplan.

  • 2. Subsidie kan worden verstrekt voor een proces dat is gericht op een wijk of meerdere aaneengesloten wijken.

Artikel 3.12.3 Criteria

  • 1. Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de externe deskundige is geselecteerd uit ten minste drie offertes;

    • b.

      de externe deskundige aantoonbaar ervaring heeft op het terrein waarop hij wordt ingeschakeld.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid, onder b ten aanzien van subsidie als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder b.

Artikel 3.12.4 Voorwaarden

Subsidie als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder b wordt slechts verstrekt als de aanvrager een document kan overleggen waaruit blijkt:

  • a.

    hoe het daar genoemde proces, zal worden ingericht en welke partijen hierbij zullen worden betrokken;

  • b.

    hoeveel energie er in de wijk wordt gebruikt voor het treffen van maatregelen en een inschatting van het energiegebruik nadat maatregelen getroffen zijn, en

  • c.

    dat er bereidheid is bij bewoners en andere betrokken partijen om deel te nemen aan het proces om te komen tot een transitieplan.

Artikel 3.12.5 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een gemeente.

Artikel 3.12.6 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van:

  • a.

    de externe deskundige, en

  • b.

    andere kosten die rechtstreeks verband houden met het proces met een maximum van 10% van de totale kosten.

Artikel 3.12.7 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder a bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder b bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000.

  • 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de subsidie als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder b ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 40.000 indien voor de betreffende wijk subsidie is verleend als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid 1, onder a.

Artikel 3.12.8 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag de volgende gegevens overgelegd:

    • a.

      de offertes als bedoeld in artikel 3.12.3;

    • b.

      documenten waaruit blijkt dat de deskundige ervaring heeft op het terrein waarop hij wordt ingeschakeld, en

    • c.

      een aanduiding op kaart van de betreffende wijk of wijken.

  • 2. Onverminderd het eerste lid wordt bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.12,2, eerste lid, onder b het document gevoegd als bedoeld in artikel 3.12.4.

Artikel 3.12.9 Verplichtingen

  • 1. De aanvrager brengt binnen zes weken na beëindiging van de activiteiten verslag uit aan Gedeputeerde Staten.

  • 2. Het verslag van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder a bevat ten minste een beschrijving van:

    • a.

      de gevolgde aanpak;

    • b.

      de bereidheid van de betrokken partijen, met name de bewoners, om deel te nemen aan het proces tot verduurzaming van de wijk, en

    • c.

      de wijze waarop de externe deskundige het proces heeft begeleid.

  • 3. Het verslag over de activiteiten als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder b bevat ten minste een beschrijving van:

    • a.

      de gevolgde aanpak;

    • b.

      het verloop van het proces;

    • c.

      gemaakte afspraken;

    • d.

      de deelnemende partijen aan het proces en hun inbreng;

    • e.

      het netwerk in de wijk;

    • f.

      het draagvlak voor een transitie bij de betrokken partijen;

    • g.

      risico’s en de wijze waarop deze gemitigeerd kunnen worden, en

    • h.

      de wijze waarop is deelgenomen aan communities of practice.

Artikel 3.12.10

Indien de subsidie meer bedraagt dan € 24.999 wordt ten behoeve van de vaststelling van de subsidie het verslag als bedoeld in artikel 3.12.9, derde lid, aangemerkt als het inhoudelijk verslag als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de AsG.

Paragraaf 3.13 Procesondersteuning VvE’s

Artikel 3.13.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder VvE-beheerder: de onderneming die het financiële, administratieve, technische of bouwkundige beheer voor de VvE verzorgt.

Artikel 3.13.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de inhuur van een of meerdere externe deskundigen voor het begeleiden van een VvE bij het voorbereiden van een NOM- of NOM-ready renovatie, waaronder:

  • a.

    het opstellen van een uitvraag door de VvE voor het ineens of in stappen naar NOM renoveren of verbeteren van een gebouw;

  • b.

    het begeleiden van de VvE bij het beoordelen van offertes van bouw- en installatiebedrijven;

  • c.

    het begeleiden van de VvE bij de besluitvorming binnen de VvE over NOM- of NOM-ready renovatie;

  • d.

    het begeleiden van de VvE bij het verkrijgen van financiering voor NOM- of NOM-ready renovatie.

Artikel 3.13.3 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de externe deskundigen geen lid zijn van de aanvrager;

  • b.

    de externe deskundigen niet VvE-beheerder zijn voor de betreffende VvE van het gebouw;

  • c.

    de externe deskundigen zijn geselecteerd uit ten minste drie offertes;

  • d.

    de externe deskundigen aantoonbaar ervaring hebben op het terrein waarop zij worden ingeschakeld, en

  • e.

    de externe deskundigen nu en in het vervolg van het proces geen rol spelen als of in opdracht van aanbiedende of uitvoerende partijen.

Artikel 3.13.4 Voorwaarden

Subsidie wordt slechts verstrekt als de aanvrager een scan als bedoeld in paragraaf 3.4 of een vergelijkbaar onderzoek kan overleggen dat ten minste inzicht geeft in:

  • a.

    de haalbaarheid van een NOM-renovatie ineens of in stappen, waarbij de organisatorische en juridische bevindingen op basis van de splitsingsakte worden meegenomen;

  • b.

    een beschrijving van de voor een NOM-renovatie benodigde bouwkundige en technische maatregelen;

  • c.

    de energetische effecten door het uitvoeren van de onder b bedoelde maatregelen;

  • d.

    een indicatie van de kosten van de onder b bedoelde maatregelen;

  • e.

    het effect van de onder b bedoelde maatregelen op de financiële positie van de aanvrager, inclusief zijn liquiditeitspositie, en

  • f.

    een beschrijving van het proces dat nodig is om de onder b bedoelde maatregelen te treffen.

Artikel 3.13.5 Weigeringsgronden

  • 1. Subsidie wordt geweigerd als de aanvrager minder dan 10 wooneenheden omvat.

  • 2. Subsidie wordt geweigerd als de aanvrager niet is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

Artikel 3.13.6 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een VvE.

Artikel 3.13.7 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de inhuur van de externe deskundigen.

Artikel 3.13.8 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 35.000.

Artikel 3.13.9 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag de volgende gegevens overgelegd:

  • a.

    de scan of het onderzoek als bedoeld in artikel 3.13.4;

  • b.

    de offertes als bedoeld in artikel 3.13.3, aanhef en onder c;

  • c.

    documenten waaruit blijkt dat de deskundige ervaring heeft op het terrein waarop hij wordt ingeschakeld;

  • d.

    een verklaring waaruit blijkt dat de externe deskundige geen lid is van de aanvrager;

  • e.

    een verklaring waaruit blijkt dat de externe deskundige niet de VvE-beheerder is, en

  • f.

    een verklaring waaruit blijkt dat de externe deskundige nu en in het vervolg van het proces geen rol spelen als of in opdracht van aanbiedende of uitvoerende partijen.

Hoofdstuk 4 Vitaal platteland, natuurbeheer en ontwikkeling natuurgebieden

Paragraaf 4.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    agrarisch collectief: vereniging als bedoeld in artikel 3.1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016;

  • b.

    agrarisch natuurbeheer: natuurbeheer op landbouwgronden;

  • c.

    ambitiekaart: kaart behorende bij het vigerende Natuurbeheerplan Gelderland waarop de begrenzing is vastgelegd van bestaande en nieuwe natuur;

  • d.

    Beleidsnota Actieve Soortenbescherming: de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming Gelderland zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 6 januari 2015, inclusief de nadien aangebrachte wijzigingen;

  • e.

    duurzaam functioneren van de toplaag: handhaven of herstellen van het op lange termijn functioneren van de werking van het bodem en watersysteem in de bovenlaag van de bodem;

  • f.

    faunavoorziening: een voorziening die het dieren mogelijk maakt openbare infrastructuur veiliger over te steken;

  • g.

    functieverandering: het feitelijk en publiekrechtelijk wijzigen van het gebruik van grond van landbouw naar natuur en het vestigen van een kwalitatieve verplichting op die grond;

  • h.

    ganzenrustgebied: gebied bedoeld om overwinterende beschermde inheemse ganzen rust te bieden en welk gebied door Gedeputeerde Staten als zodanig is vastgesteld;

  • i.

    gebouw: opstal alsmede het kadastrale perceel waarop deze opstal is gelegen;

  • j.

    gebruiksgerechtigde: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die op grond van pacht of erfpacht zeggenschap heeft over het landbouwbedrijf;

  • k.

    gecertificeerde begunstigde: begunstigde die beschikt over of gebruik maakt van een certificaat als bedoeld in artikel 1.11 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016;

  • l.

    GNN: Gelders natuurnetwerk zoals begrensd door Provinciale Staten bij vaststelling van de Omgevingsverordening provincie Gelderland bij besluit van 24 september 2014 dan wel de op basis van de Omgevingsverordening provincie Gelderland door Gedeputeerde Staten nadien gewijzigde begrenzing;

  • m.

    grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond, waarop het onderzoek wordt uitgevoerd, te gebruiken;

  • n.

    grondstrategieplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin is vastgelegd de wijze waarop ruiling , aan- en verkoop van gronden plaatsvindt ten behoeve van het bereiken van provinciale doelen in een bepaald gebied;

  • o.

    grote onderneming: onderneming, niet zijnde een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 2, bijlage I, van de Landbouwgroepsvrijstellingsverordening, Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014 (Pb EU L 193);

  • p.

    hagen en heggen: opgaande lijnvormige elementen bestaande uit loofhoutsoorten, niet zijnde vlecht-, knip- of scheerheggen;

  • q.

    inrichting: de uitvoering van maatregelen die de fysieke kenmerken van het natuurterrein wijzigen;

  • r.

    knelpunt: een locatie waarvan door onderzoek is gebleken dat daar regelmatig dieren worden aangereden of verdrinken of waarbij het voor ter plaatse levende dieren onmogelijk is om openbare infrastructuur te passeren;

  • s.

    landbouwactiviteit: activiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b van de Verordening (EU) Nr. 1306/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de raad;

  • t.

    landbouwbedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat die voor de primaire landbouwproductie worden gebruikt als bedoeld in artikel 2 onder 8 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening, Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014 (Pb EU L 193), niet zijnde een glastuinbouwbedrijf;

  • u.

    landbouwbedrijfsgebouw: een gebouw met bijbehorende voorzieningen dat gebruikt wordt ten behoeve van de uitoefening van een landbouwbedrijf;

  • v.

    landschapselementen: groene opgaande elementen bestaande uit inheemse loofhoutsoorten;

  • w.

    leefgebied: gebied waarin alle fasen in de levenscyclus van een of meer prioritaire soorten zich kunnen afspelen;

  • x.

    leefgebied SNLG: een leefgebied als bedoeld in artikel 1.1 onder p van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016.

  • y.

    modernisering: vervanging van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw of van bestaande voorzieningen op de nieuwe locatie door een nieuw, modern gebouw of nieuwe, moderne voorzieningen waarbij de betrokken productie, of technologie fundamenteel wordt gewijzigd;

  • z.

    Nationale Landschappen: Nationale Landschappen zoals aangewezen in de Uitwerking streekplan Gelderland 2005;

  • aa.

    Natura 2000-gebied: door het Rijk aangewezen Natura 2000-gebieden op basis van de Wet natuurbescherming;

  • bb.

    Natura 2000-doelstellingen: instandhoudings- en ontwikkeldoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebie;

  • cc.

    Natura 2000-herstelmaatregelen: maatregelen voor herstel van de natuurkwaliteiten zoals beschreven in Natura 2000-beheerplannen of ontwerpbeheerplannen van door Gedeputeerde Staten vastgestelde Natura 2000-gebieden;

  • dd.

    natuur, groen of landschap: natuurlijk ingerichte of in te richten openbaar toegankelijke plekken of vanaf de openbare weg zichtbare plekken;

  • ee.

    natuurambitieterrein: terrein dat is opgenomen op de ambitiekaart, dat is aangeduid als N00.01 en waarvoor onder “indicatieve verhouding beheertypen” is aangegeven welke beheertypen op deze grond van toepassing zijn na functieverandering van landbouw naar natuur;

  • ff.

    natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 1.3 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016;

  • gg.

    natuurbeheertype: in bijlage 1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 opgenomen soort natuur zoals nader beschreven in de Index Natuur en Landschap;

  • hh.

    natuurgebied: gebied bestaande uit meerdere natuurterreinen;

  • ii.

    natuurontwikkelplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin een gebied is aangewezen en voor subsidie in aanmerking kan komen voor het behoud van hoge actuele natuurwetenschappelijke, landschappelijke, cultuurhistorische of bosbouwkundige waarden;

  • jj.

    natuurterrein: grond die op de ambitiekaart is begrensd als bestaande of als nieuwe natuur als eenheid is weergegeven;

  • kk.

    nieuwe natuur: op de ambitiekaart aangegeven nog niet ingerichte landbouwgronden of voormalige landbouwgronden aangeduid als N00.01 dan wel nog niet ingerichte natuurgronden aangeduid als N00.02, waar het natuurbeheertype of indicatieve verhouding natuurbeheertypen nog niet is gerealiseerd binnen het GNN;

  • ll.

    PAS-gebiedsanalyses: ecologische analyse van een stikstofgevoelig PAS-Natura 2000-gebied, deel uitmakend van de passende beoordeling van de PAS, waarin herstel- en andere maatregelen zijn opgenomen die dienen ter verzekering dat de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten niet verder achteruit gaat of verbetert;

  • mm.

    PAS-maatregel: gebiedspecifieke maatregel of activiteit, onderzoek of monitoring, opgenomen op de PAS-maatregelenkaarten en ter uitvoering van het PAS-programma en als zodanig opgenomen in een PAS-gebiedsanalyse;

  • nn.

    PAS-maatregelenkaarten: kaarten ten behoeve van de uitvoering van de PAS-maatregelen;

  • oo.

    prioritaire soorten: soorten als genoemd in bijlage 3 bij de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming;

  • pp.

    Programma-aanvraag: een aanvraag van een voor natuurbeheer gecertificeerd begunstigde voor meerdere, niet aaneengesloten natuurterreinen;

  • qq.

    reële marktwaarde: de waarde van grond in het vrije economische verkeer op basis van een door een onafhankelijke taxateur bepaalde waardedaling van de grond die aansluit op de marktsituatie op het moment van aanvraag, ontstaan door het verschil in de marktwaarde voor en de marktwaarde na functieverandering en inrichting;

  • rr.

    soortenbeschermingsmaatregelen: maatregelen gericht op behoud van een of meer prioritaire soorten of systeemherstel in de parels zoals opgenomen in de nota Actieve soortenbescherming Gelderland, vastgesteld door Gedeputeerde Staten d.d. 6 januari 2015;

  • ss.

    taxateur: persoon die voldoet aan de eisen gesteld in de Mededeling van de Commissie betreffende staatssteunelementen bij verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties (97/C/209/03);

Paragraaf 4.2 Landschap en Landgoederen

Artikel 4.2.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de aanleg van nieuwe en het herstel van bestaande landschapselementen;

  • b.

    de aanleg van poelen;

  • c.

    het wegwerken van achterstallig onderhoud aan:

    • i.

      poelen;

    • ii.

      hagen en heggen alsmede wielen en kolken voor zover deze als identiteitsbepalend element zijn aangemerkt in het gemeentelijke landschapsbeleid;

    • iii.

      lanen ouder dan 60 jaar gelegen op landgoederen;

  • d.

    de aanleg van eenvoudige openbaar toegankelijke onverharde paden;

  • e.

    de aanleg van kleinschalige recreatieve voorzieningen;

  • f.

    de aanleg van eenvoudige houten loopbruggetjes in openbaar toegankelijke routes wanneer de oorspronkelijke brug verdwenen is;

  • g.

    burgerparticipatie en het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij het landschap;

  • h.

    educatieve natuur- en landschapsvoorlichting gericht op jongeren.

Artikel 4.2.2 Criteria

  • 1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de activiteiten passen binnen een (inter)gemeentelijk landschapsbeleid-, landschapsontwikkel- of landschapuitvoeringsplan of een daarmee vergelijkbaar plan dat door de gemeenteraad is vastgesteld;

    • b.

      de nieuw aan te leggen landschapselementen, niet zijnde hagen en heggen, aan de volgende omvangscriteria voldoen:

      • i.

        de aan te leggen houtopstanden omvatten tenminste 10 are;

      • ii.

        de aan te leggen rijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen, omvat tenminste 20 bomen;

      • iii.

        de aan te leggen hoogstamfruitgaarden omvatten tenminste 15 en ten hoogste 50 bomen.

    • c.

      poelen een minimale omvang hebben van 3 are en de poelen gelegen zijn op een locatie met grondwatertrap 3 of ondieper;

    • d.

      poelen gelegen zijn in een ecologische verbindingszone, die is aangeduid in het Natuurbeheerplan Gelderland met als doeltype "kamsalamander" of poelen bijdragen aan de instandhouding van de boomkikker, heikikker of kamsalamander;

    • e.

      hagen en heggen gelegen zijn buiten het GNN;

    • f.

      de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.2, onder a tot en met f, voldoen aan de normen uit het Normenboek Alterra.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie voor activiteiten die worden uitgevoerd op een bos- of landgoed slechts verstrekt indien:

    • a.

      het bos of landgoed tenminste 50 jaren bestaat en het bos of landgoed voor het publiek is opengesteld;

    • b.

      de activiteiten passen binnen een vastgesteld toekomstplan voor het bos- of landgoed en aantoonbaar en duurzaam bijdragen aan het behoud en de versterking van de in dat plan opgenomen landschappelijke kernkwaliteiten.

Artikel 4.2.3 Niet-subsidiabele kosten

Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor:

  • a.

    natuurontwikkeling binnen het GNN;

  • b.

    projectleiding, coördinatie, rapportage, verantwoording;

  • c.

    planvorming;

  • d.

    aankoop of verkoop van onroerende goederen en waardedaling van grond;

  • e.

    ambtelijke inzet.

Artikel 4.2.4 Aanvrager

  • 1 Subsidie kan worden verstrekt aan:

    • a.

      gemeenten;

    • b.

      bos- of landgoedeigenaren.

    • c.

      stichtingen met als statutaire doelstelling educatieve natuur- en landschapsvoorlichting, voor zover het betreft de subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid onder h;

  • 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 4.2.5 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie aan gemeenten bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten voor activiteiten binnen de begrenzing van de Nationale Landschappen. Voor activiteiten buiten de begrenzing van de Nationale Landschappen bedraagt de subsidie aan gemeenten ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten .

  • 2 Voor de subsidie aan gemeenten geldt een minimum van € 25.000 per subsidieaanvraag en een maximum van € 200.000 per gemeente.

  • 3 De subsidie aan bos- en landgoedeigenaren bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten, met een minimum van € 7.500 per subsidieaanvraag en een maximum van € 200.000 per bos- en landgoedeigenaar.

  • 4 De subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, onder h, bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten, met een minimum van € 7.500 per subsidieaanvraag en een maximum van € 25.000 per stichting.

  • 5 Artikel 1.3.6, vijfde lid, is niet van toepassing indien de aanvrager Staatsbosbeheer is.

Artikel 4.2.6 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd indien het activiteiten betreft:

  • a.

    binnen de begrenzing van een buitenplaats met de status rijksmonument, voor zover deze niet gericht zijn op het instandhouden van soorten waarvoor soortenbeschermingsmaatregelen zijn opgenomen in de Beleidsnota actieve soortenbescherming Gelderland;

  • b.

    met betrekking tot het plaatsen van beplanting binnen het agrarisch bouwblok op agrarische bouwpercelen; of

  • c.

    die plaatsvinden op terreinen in eigendom van een publiekrechtelijke rechtspersoon voor zover deze geen eigendom zijn van Staatsbosbeheer.

Artikel 4.2.7 Verplichtingen

  • 1 De subsidieontvanger is verplicht een voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 1.4.3 te voorzien van een topografische kaart waarop de activiteiten op een topografische ondergrond zijn vastgelegd.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor subsidie ontvangen voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, onder g en h.

Paragraaf 4.3 Faunavoorzieningen

Artikel 4.3.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de aanleg van een faunavoorziening.

Artikel 4.3.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover de subsidiabele activiteit:

  • a.

    bijdraagt aan het oplossen van een knelpunt voor fauna in de infrastructuur;

  • b.

    gericht is op een soort die is aangewezen in de Beleidsnota actieve soortenbescherming Gelderland; en

  • c.

    gericht is op een knelpunt waarvan de aanwezigheid gebleken is uit onderzoek en de resultaten van dat onderzoek zijn vastgelegd in een onderzoeksrapport.

Artikel 4.3.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor:

  • a.

    de aanleg van de faunavoorziening; en

  • b.

    de kosten voor procesondersteuning en begeleiding.

Artikel 4.3.4 Aanvrager

  • 1 Subsidie wordt verstrekt aan eigenaren en beheerders van openbare infrastructuur.

  • 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook aan andere personen dan rechtspersonen worden verstrekt.

Artikel 4.3.5 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval gevoegd een GIS kaart met daarop aangegeven de faunavoorziening en het onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 4.3.2, onder c.

Artikel 4.3.6 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie als bedoeld in artikel 4.3.3, onder a, bedraagt; ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 150.000.

  • 2 De subsidie als bedoeld in artikel 4.3.3, onder b, bedraagt ten hoogste 10% van de totale subsidie met een maximum van € 15.000.

  • 3 Artikel 1.3.6, vijfde lid, is niet van toepassing indien de aanvrager Staatsbosbeheer is.

Artikel 4.3.7 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd indien de faunavoorziening wordt aangelegd op grond van een verplichting tot mitigatie of compensatie.

Artikel 4.3.8 Verplichtingen

[vervallen]

Paragraaf 4.4 Grondverwerving ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk

Artikel 4.4.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de verwerving van een natuurambitieterrein;

  • b.

    de beëindiging van pachtovereenkomsten ten aanzien van een natuurambitieterrein;

  • c.

    verkrijging van het recht van eigendom van een natuurambitieterrein in combinatie met de waardedaling van gelijktijdig in eigendom verkregen gebouwen als gevolg van functieverandering van het natuurambitieterrein naar natuur.

Artikel 4.4.2 Criteria

  • 1 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1 wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de landbouwproductiecapaciteit van het natuurambitieterrein in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken is gebruikt; en

    • b.

      de verwerving noodzakelijk is vanuit het oogpunt van natuur- of landschapsbescherming, bescherming van cultuurhistorische waarden of bosbouwkundige waarden, of natuurontwikkeling.

  • 2 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, wordt slechts verstrekt voor:

    • a.

      de beëindiging van pachtovereenkomsten die reeds waren gevestigd op het moment waarop het natuurambitieterrein door de aanvrager is verworven en die pachtovereenkomsten zijn gevestigd voor vaststelling van het nationaal natuurbeleidsplan in 1990; en

    • b.

      beëindiging van de op het natuurambitieterrein gevestigde pachtovereenkomst indien dat noodzakelijk is vanuit het oogpunt van natuur- of landschapsbescherming, bescherming van cultuurhistorische waarden of bosbouwkundige waarden, of natuurontwikkeling.

  • 3 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, wordt slechts verstrekt:

    • a.

      indien het natuurambitieterrein dat in eigendom wordt verkregen een omvang van ten minste 10 hectare heeft;

    • b.

      indien het natuurambitieterrein en de gebouwen deel uitmaken van hetzelfde gebied waarvoor een natuurontwikkelplan is vastgesteld.

Artikel 4.4.3 Subsidiabele kosten

  • 1 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a, in aanmerking de kosten voor:

    • a.

      verwerving van een natuurambitieterrein tegen de reële marktwaarde;

    • b.

      een taxatie door een onafhankelijke taxateur;

    • c.

      het kadastraal recht en het registratierecht;

    • d.

      veiling;

    • e.

      notaris;

    • f.

      inschrijving in de openbare registers;

    • g.

      overdrachtsbelasting;

    • h.

      schenkingsrecht;

    • i.

      het afkopen van landinrichtingsrente voor het verworven terrein;

    • j.

      vooronderzoek of historisch bodemonderzoek volgens NEN 5725; en

    • k.

      milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740.

  • 2 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, in aanmerking de kosten voor:

    • a.

      het vrijmaken van pacht van genoemd terrein, blijkend uit een taxatie door een onafhankelijke taxateur;

    • b.

      een taxatie door een onafhankelijke taxateur.

  • 3 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, in aanmerking:

    • a.

      de kosten voor de verwerving van het natuurambitieterrein als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met k; en

    • b.

      het negatieve waardeverschil van de gebouwen ontstaan door het verschil in reële marktwaarde van het natuurambitieterrein in combinatie met de gebouwen op het moment van aankoop en de reële marktwaarde van de combinatie van het natuurambitieterrein met de gebouwen bij feitelijke en publiekrechtelijke functieverandering van het natuurambitieterrein naar natuur, voor zover het aandeel hierin van de gebouwen betreft en blijkend uit een taxatie door een onafhankelijke taxateur waarin de waarde van de gebouwen is gespecificeerd.

Artikel 4.4.4 Aanvrager

  • 1 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a en c, wordt verstrekt aan een ieder die duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal verrichten.

  • 2 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, wordt verstrekt aan een eigenaar van een terrein die duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal verrichten.

  • 3 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

  • 5. De in het vorige lid bepaalde maximum subsidiebedragen kunnen worden toegekend indien een in artikel 4.4.1, onder c bedoeld natuurambitieterrein een omvang heeft van 20 hectare of groter.

  • 6. De in het vierde lid bedoelde maximum subsidiebedragen kunnen naar rato worden toegekend indien een in artikel 4.4.1, onder c bedoeld natuurambitieterrein een omvang heeft kleiner dan 20 ha, waarbij geldt dat het maximum toe te kennen percentage voor ambitieterreinen van 10 hectare 50% bedraagt.

Artikel 4.4.5 Aanvraag

  • 1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a en c, uiterlijk op de dag voor het passeren van de notariële akte van levering ingediend.

  • 2 In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, uiterlijk op de dag voor de beëindiging van de pachtovereenkomst ingediend.

  • 3 Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een GIS-kaart met daarin aangegeven de buitengrenzen van het natuurambitiegebied waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 4.4.6 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a, bedraagt ten hoogste:

    • a.

      100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder a, met een maximum van 85% van de waarde van de grond als landbouwgrond;

    • b.

      100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder b tot en met j;

    • c.

      € 4.500 voor de kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder k.

  • 2 De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, tweede lid.

  • 3 Voor zover voor verwerving of pachtvrij maken van een natuurambitieterrein subsidie is verstrekt door Gedeputeerde Staten op grond van een andere regeling of door een bestuursorgaan van een ander overheidslichaam, wordt de subsidie zoveel lager verstrekt als noodzakelijk om betaling boven de werkelijke kosten of maximale vergoeding op grond van Europese regels of deze regeling te voorkomen.

  • 4 De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, bedraagt ten hoogste:

    • a.

      100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder a, met een maximum van 85% van de waarde van de grond als landbouwgrond;

    • b.

      100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder b tot en met j;

    • c.

      € 4.500 voor de kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder k;

    • d.

      50% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, derde lid, onder b, met een maximum van € 500.000 per subsidieaanvraag.

Artikel 4.4.7 Verplichtingen

  • 1 De subsidieontvanger is verplicht:

    • a.

       zorg te dragen voor de verwerving dan wel pachtvrij maken van het natuurambitieterrein waarvoor hij subsidie ontvangt binnen twaalf weken na de subsidieverlening;

    • b.

      het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein direct na verwerving dan wel pachtvrij maken als natuur te beheren;

    • c.

      het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein binnen twee jaar na verwerving dan wel pachtvrij maken overeenkomstig de indicatieve verhouding beheertypen dat ingevolge het natuurbeheerplan op dit terrein in stand moet worden gehouden in te richten en te beheren;

    • d.

      zorg te dragen dat het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein tenminste 358 dagen per jaar wordt opengesteld en toegankelijk blijft voor het publiek, tenzij daarvan door Gedeputeerde Staten ontheffing wordt verleend;

    • e.

      eventuele opbrengsten van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein uitsluitend aan duurzaam natuurbeheer te besteden; en

    • f.

      bij het bevoegd gezag een aanvraag in te dienen tot aanpassing van de bestemming inhoudende dat het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein enkel als natuur mag worden gebruikt.

  • 2 Op verzoek van de subsidieontvanger kunnen de termijnen genoemd in het eerste lid, onder a, b en c worden verlengd.

  • 3 Ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt verleend indien:

    • a.

      gehele of gedeeltelijke sluiting van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein noodzakelijk is ter voldoening aan de bij of krachtens de Wet natuurbescherming gestelde regels voor soortenbescherming of voor Natura 2000-gebieden vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en toegangsbeperkingen;

    • b.

      het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein door buiten de macht van de subsidieontvanger gelegen oorzaken blijvend geheel of gedeeltelijk niet bereikbaar of naar zijn aard niet begaanbaar is;

    • c.

      sluiting van ten hoogste één hectare van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein wenselijk is vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; of

    • d.

      andere belangen gehele of gedeeltelijke sluiting rechtvaardigen.

  • 4 Het is de subsidieontvanger niet toegestaan om het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein te vervreemden, te verpachten of daarop zakelijke rechten te vestigen, behoudens toestemming van Gedeputeerde Staten.

  • 5 De subsidieontvanger is bij vervreemding, verpachting of vestiging van zakelijke rechten verplicht ingevolge deze regeling verstrekte subsidie binnen een termijn van zes maanden terug te betalen aan de provincie Gelderland, tenzij hiervan in de toestemming als bedoeld in het vierde lid ontheffing is verleend.

  • 6 Binnen twaalf weken na verlening van de subsidie sluit de subsidieontvanger met de provincie Gelderland een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is opgenomen:

    • a.

      de verplichting, inhoudende dat de subsidieontvanger het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein inricht en beheert overeenkomstig het natuurbeheertype zoals voorgeschreven in het natuurbeheerplan en datgene nalaat wat de veiligstelling van de ecosystemen met de daarbij behorende soorten in gevaar brengt of verstoort; en

    • b.

      dat de verplichting, als bedoeld onder a, zal overgaan op al degenen die het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen.

  • 7 De overeenkomst als bedoeld in het zesde lid wordt uiterlijk binnen vier weken na totstandkoming daarvan op last van de subsidieontvanger als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein ingeschreven in de openbare registers.

  • 8 Indien de subsidieontvanger ook andere economische activiteiten verricht dan de verwerving van terreinen ten behoeve van natuurbeheer als bedoeld in deze regeling, is hij verplicht een gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig punt 41 van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2012/C 8/03).

  • 9 In afwijking van artikel 1.4.1, derde lid, is de subsidieontvanger verplicht de administratie en alle documenten inzake een aan hem verstrekte subsidie gedurende een periode van twintig jaar nadat de subsidie is verleend te bewaren.

Artikel 4.4.8 Verplichtingen bij aanvraag subsidievaststelling

  • 1 In afwijking van artikel 25, tweede lid, van de AsG wordt de subsidie niet ambtshalve vastgesteld en dient de subsidieontvanger binnen 13 weken na afloop van de activiteiten een aanvraag om vaststelling van de subsidie in.

  • 2 Bij de aanvraag om vaststelling wordt een afschrift van de overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.4.7, zevende lid, in de openbare registers ingeschreven kwalitatieve verplichting overlegd.

  • 3 Bij de aanvraag om vaststelling van subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een afschrift van de notariële akte van levering van het terrein of een afschrift van de notariële akte van vestiging van het erfpachtrecht op het terrein; en

    • b.

      in voorkomend geval een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van het recht van opstal, vruchtgebruik, erfdienstbaarheden of een pachtovereenkomst of een afschrift van de uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding als bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek.

  • 4 Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, wordt in elk geval een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van de pachtovereenkomst of een afschrift van de uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding van de pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek verstrekt.

  • 5 Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, wordt een afschrift van de notariële akte van levering van het natuurambitieterrein en de gebouwen verstrekt.

  • 6 Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt een afschrift overgelegd van het verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan.

  • 7 Er wordt vrijstelling verleend van de verplichting genoemd in artikel 27, derde lid, van de AsG.

  • 8 In afwijking van artikel 24, eerste lid, van de AsG dient aanvrager binnen 13 weken na inschrijving van de kwalitatieve verplichting in de openbare registers een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 4.4.9 Communautair toetsingskader

  • 1. Artikel 1.3.3, eerste lid, is niet van toepassing.

  • 2. Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met het Besluit van de Europese Commissie van 13 juli 2011, (C2011) 4945, met betrekking tot steunmaatregel N308/2010.

Paragraaf 4.5 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk

Artikel 4.5.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de verplaatsing van een landbouwbedrijfsgebouw.

Artikel 4.5.2 Criteria

 Subsidie wordt slechts verstrekt indien door verplaatsing van het landbouwbedrijfsgebouw:

  • a.

    ten minste 5 hectares natuurambitieterrein gelegen binnen een Natura 2000-gebied beschikbaar komen die daarna ingericht kunnen worden ten behoeve van de Natura 2000-doelstellingen van dat gebied; of

  • b.

    ten minste 15 hectares natuurambitieterrein gelegen in het GNN beschikbaar komen in een gebied waarvoor door Gedeputeerde Staten een grondstrategieplan is vastgesteld, welke gronden daarna ingericht kunnen worden ten behoeve van de doelstellingen genoemd in het natuurbeheerplan.

Artikel 4.5.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking:

  • a.

    de kosten voor het demonteren, verplaatsen en weer opbouwen van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw;

  • b.

    de kosten voor het aanpassen van een landbouwbedrijfsgebouw of het oprichten van een landbouwbedrijfsgebouw op de nieuwe locatie, ter vervanging van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw op de bestaande locatie.

Artikel 4.5.4 Aanvrager

  • 1 Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar of gebruiksgerechtigde van het te verplaatsen landbouwbedrijfsgebouw.

  • 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 4.5.5 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2 Als de verplaatsing gepaard gaat met modernisering van voorzieningen of verhoging van de productiecapaciteit, bedraagt de subsidie naast het bepaalde in het eerste lid ten hoogste 40% van de met de modernisering of verhoging van de productiecapaciteit gepaard gaande kosten.

  • 3 De subsidie bedraagt ten hoogste € 400.000.

Artikel 4.5.6 Verplichtingen

  • 1 De subsidieontvanger is verplicht binnen 12 maanden na subsidieverlening:

    • a.

      zijn landbouwbedrijfsgebouw te verplaatsen;

    • b.

      op de als gevolg van de verplaatsing vrijkomende natuurambitieterrein gelegen binnen het Natura 2000-gebied of het GNN een kwalitatieve verplichting te vestigen of te doen vestigen, inhoudende dat het perceel niet gebruikt zal worden als landbouwgrond.

  • 2 Op verzoek van de subsidieontvanger kan de termijn genoemd in het eerste lid aanhef en onder a, worden verlengd.

  • 3 Het bepaalde in het eerste lid, onder b, geldt niet voor zover de provincie binnen 12 maanden na de subsidieverlening de gronden aankoopt.

Artikel 4.5.7 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 16 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening Verordening (EU), Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014 (Pb EU L 193).

Paragraaf 4.6 Behoud van prioritaire soorten

Artikel 4.6.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    kweek in combinatie met introductie van een prioritaire soort in een leefgebied;

  • b.

    introductie van een prioritaire soort in een leefgebied;

  • c.

    handmatig bestuiven van een prioritaire plantensoort in een leefgebied;

  • d.

    onderzoek gericht op het in kaart brengen van het voorkomen van een prioritaire soort in een leefgebied en het in kaart brengen van plekken waar maatregelen ten behoeve van die specifieke soort genomen moeten worden;

  • e.

    onderzoek gericht op de effectiviteit van maatregelen ten aanzien van het behoud van een prioritaire soort;

  • f.

    onderzoek gericht op het bepalen van maatregelen die noodzakelijk zijn voor het behoud van een prioritaire soort in een leefgebied;

  • g.

    inrichtingsmaatregelen ten behoeve van het behoud of versterking van het leefgebied van een prioritaire soort.

Artikel 4.6.2 Criteria

  • 1 Subsidie wordt slechts verstrekt ten behoeve van activiteiten en locaties die zijn opgenomen in de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan subsidie worden verstrekt voor activiteiten waarvan op basis van onderzoek of gedocumenteerde veldervaringen aannemelijk is dat zij bijdragen aan het behoud van prioritaire soorten in Gelderland en dat deze activiteiten aanvullend dan wel gelijkwaardig zijn ten opzichte van de activiteiten bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Subsidie als bedoeld in artikel 4.6.1, onder a en b, wordt slechts verstrekt indien de aanvrager bij de aanvraag een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en Faunawet of de daarvoor in de plaats tredende bepalingen in de Wet Natuurbescherming overlegt die ziet op het betreffende leefgebied en de betreffende soort.

  • 4 Subsidie ten behoeve van onderzoek en bescherming van flora en fauna wordt slechts verstrekt voor maatregelen die uitgevoerd moeten worden in een leefgebied indien voor die uitvoering toestemming en medewerking is verkregen van de eigenaar van het leefgebied, of degene die krachtens overeenkomst of zakelijk recht gerechtigd is tot het gebruik van het leefgebied .

Artikel 4.6.3 Aanvrager

  • 1 Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van het leefgebied of degene die krachtens overeenkomst of zakelijk recht gerechtigd is tot het gebruik van het leefgebied.

  • 2 Subsidie wordt verstrekt aan een organisatie gericht op onderzoek en bescherming van flora en fauna.

  • 3 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook aan andere personen dan rechtspersonen worden verstrekt.

Artikel 4.6.4 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 95% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.500 en een maximum van € 30.000 per activiteit als bedoeld in artikel 4.6.1, onder a tot en met g.

  • 2 Subsidie voor meerdere activiteiten, als bedoeld in artikel 4.6.1, onder a tot en met g, kan gestapeld worden tot een maximum van € 300.000 per aanvraag.

  • 3 Artikel 1.3.6, vijfde lid, is niet van toepassing indien de aanvrager Staatsbosbeheer is.

Artikel 4.6.5 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd ten behoeve van maatregelen die zijn opgelegd op grond van de Wet Natuurbescherming.

Paragraaf 4.7 Rustgebieden voor ganzen

Artikel 4.7.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het bieden van rust voor trekganzen in de winter.

Artikel 4.7.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de subsidiabele activiteit betrekking heeft op het niet verjagen van ganzen in de periode tussen 1 november en 1 april op percelen die zijn aangewezen als ganzenrustgebied;

  • b.

    een aanvraag om een tegemoetkoming in faunaschade is ingediend via www.faunaschade.nl;

  • c.

    door of in opdracht van Gedeputeerde Staten schade is getaxeerd die is veroorzaakt door overwinterende natuurlijk in het wild levende ganzen van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn in het betreffende seizoen; en

  • d.

    de percelen voldoen aan de in de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade Gelderland gestelde voorwaarden om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen.

Artikel 4.7.3 Aanvrager

  • 1 Subsidie wordt verstrekt aan de geregistreerde grondgebruiker van de percelen volgens de jaarlijkse Gecombineerde Opgave van RVO.

  • 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen

Artikel 4.7.4 Aanvraag

  • 1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie ingediend voor 1 juli van het jaar waarin de periode als bedoeld in artikel 4.7.1 eindigt waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de subsidie met toepassing van artikel 4:44 Algemene wet bestuursrecht ambtshalve te verlenen.

Artikel 4.7.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste € 50 per hectare waarop zich schade heeft voorgedaan per periode als bedoeld in artikel 4.7.1.

Artikel 4.7.6 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (PbEU L 352/09).

Paragraaf 4.8 Inrichting van het Gelders Natuurnetwerk

Artikel 4.8.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de inrichting van nieuwe natuur;

  • b.

    het treffen van PAS-maatregelen, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur;

  • c.

    het uitvoeren van Natura 2000-herstelmaatregelen, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur;

  • d.

    het uitvoeren van herstelmaatregelen voor natte landnatuur, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur.

Artikel 4.8.2 Criteria

  • 1 Subsidie voor inrichting van nieuwe natuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien de inrichtingsmaatregelen de gewenste natuurkwaliteit zoals aangegeven als indicatieve verhouding beheertypen op de ambitiekaart van het natuurterrein realiseren.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan een subsidie worden verleend voor een ander natuurbeheertype of een indicatieve verhouding beheertype dan is opgenomen op de ambitiekaart, indien:

    • a.

      de aanvrager door middel van een landschap ecologische onderbouwing aantoont dat de het vigerende natuurbeheertype of indicatieve verhouding beheertype van het natuurgebied niet realiseerbaar of doelmatig is; of

    • b.

      het voorgestelde nieuwe natuurbeheertype invulling geeft aan hogere potenties die in het natuurterrein voorkomen en doelmatig zijn; en

    • c.

      indien met het door de aanvrager voorgestelde natuurbeheertype de natuurkwaliteit van het natuurgebied wordt geborgd.

  • 3 Subsidie voor PAS-maatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b, wordt slechts verstrekt voor activiteiten opgenomen op de PAS-maatregelenkaart of de PAS-gebiedsanalyse.

  • 4 Subsidie voor Natura 2000-maatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1, onder c, wordt slechts verstrekt indien in het investeringsplan als bedoeld in artikel 4.8.5, tweede lid, voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan de beoogde kwaliteitsverbetering van het Natura 2000-gebied.

  • 5 Subsidie voor herstelmaatregelen voor natte landnatuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder e, wordt slechts verstrekt indien in het investeringsplan als bedoeld in artikel 4.8.5, tweede lid, voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan herstel van de natte landnatuur binnen de gebieden aangegeven op de kaart Water en natuur van de Omgevingsvisie.

  • 6 In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de programma aanvraag voor de activiteit inrichting nieuwe natuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a, enkel het criterium dat de gronden op de ambitiekaart zijn begrensd als nieuwe natuur.

  • 7 Indien de aanvrager een grote onderneming is, wordt subsidie slechts verstrekt indien aanvrager het stimulerend effect van de aangevraagde subsidie aantoont door middel van een beschrijving van de situatie zonder steun, te staven met bewijsstukken.

Artikel 4.8.3 Subsidiabele kosten

  • 1 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder a en b, komen voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      inrichtingskosten;

    • b.

      voorbereidingskosten die gemaakt zijn voor het opstellen van het investeringsplan als bedoeld in artikel 4.8.5, tweede lid, onderscheidenlijk het opstellen van een programma-aanvraag;

    • c.

      onderzoekskosten die noodzakelijk zijn voor het bepalen van de te nemen inrichtingsmaatregelen;

    • d.

      accountantskosten, indien de subsidiebeschikking een accountantsverklaring voorschrijft;

    • e.

      beheerkosten voor agrarische natuurterreinen die gemaakt zijn in een periode direct voorafgaand aan de omvorming van agrarisch natuurbeheer tot natuurbeheer, waarvoor geen vergoeding voor agrarisch natuurbeheer is ontvangen, en kosten voor beheer dat nodig is na afloop van de inrichting, totdat voor de terreinen een subsidie voor natuurbeheer kan worden aangevraagd.

  • 2 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen naast de kosten als bedoeld in het eerste lid voor subsidie als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b, ook in aanmerking:

    • a.

      kosten voor de uitvoering van onderzoek;

    • b.

      kosten voor de uitvoering van monitoring.

Artikel 4.8.4 Aanvrager

  • 1 Subsidie kan worden verstrekt aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap heeft over het terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd krachtens eigendom of erfpacht.

  • 2 Een programma-aanvraag kan slechts worden aangevraagd door een gecertificeerde begunstigde.

  • 3 In afwijking van het eerste lid kan een gecertificeerde begunstigde een programma-aanvraag indienen voor gronden waarover deze begunstigde geen zeggenschap heeft, mits de eigenaar of erfpachter instemt met de aanvraag.

  • 4 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 4.8.5 Aanvraag

  • 1 Indien het natuurterrein is belast met erfpacht dient de aanvraag vergezeld te gaan van een verklaring van geen bezwaar van de eigenaar dan wel de erfpachter.

  • 2 Een aanvraag gaat vergezeld van een investeringsplan bestaande uit:

    • a.

      een beschrijving van de uitgangssituatie;

    • b.

      een beschrijving van de uit te voeren maatregelen;

    • c.

      een beschrijving van de op de ambitiekaart opgenomen natuurbeheertype van de uit te voeren maatregelen ter uitvoering van de onder 4.8.1, onder a, genoemde activiteiten;

    • d.

      een beschrijving van het te voeren beheer nadat de maatregelen zijn uitgevoerd;

    • e.

      een opgave oppervlakte waarop de maatregelen zullen worden uitgevoerd;

    • f.

      een tijdplanning waarbinnen de maatregelen zullen worden uitgevoerd en een planning van de uitgaven;

    • g.

      een gespecificeerde begroting;

    • h.

      topografische kaart met een schaal van ten hoogste 1:10.000 waarop de locatie van de te treffen maatregelen is weergegeven.

  • 3 Een aanvraag tot subsidieverlening voor een programma-aanvraag gaat vergezeld van:

    • a.

      opgave van het aantal hectares nieuwe natuur per natuurgebied waarop de maatregelen ter uitvoering van de onder 4.8.1, onder a, genoemde activiteiten zal worden uitgevoerd,

      voorzien van een jaarplanning voor de looptijd van het programma;

    • b.

      een beschrijving van de uit te voeren activiteiten als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b tot en met d, met per activiteit en per natuurgebied per natuurbeheertype een beknopte beschrijving van:

      • i.

          de uit te voeren maatregelen binnen het natuurgebied;

      • ii.

          de oppervlakte waarop de maatregelen zullen worden uitgevoerd, afgerond in hectares;

      • iii.

          een begroting;

      • iv.

          een jaarplanning van de realisatie voor de looptijd van het programma en een planning van de uitgaven.

    • c.

      een GIS-kaart met daarin aangegeven de buitengrenzen van het natuurgebied waarin de maatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1 worden gerealiseerd;

    • d.

      een GIS-kaart waarop de PAS-herstelmaatregelen zijn aangeduid.

  • 4 Voor een aanvraag tot subsidieverlening voor een programma-aanvraag dient, indien de aanvrager geen zeggenschap heeft over het natuurgebied, de aanvrager te beschikken over een verklaring waarmee de eigenaar dan wel de erfpachter instemt met de subsidieaanvraag, welke verklaring op verzoek van het bevoegd gezag dient te worden overlegd;

  • 5 Een programma-aanvraag kan slechts worden ingediend indien het een aanvraag betreft voor ten minste 40 hectare inrichting van nieuwe natuur, zoals bedoeld in artikel 4.8.1, onder a, of ten minste 150 hectare uitvoering herstelmaatregelen, als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b, c en d.

Artikel 4.8.6 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt ten hoogste:

    • a.

      95% van de subsidiabele kosten voor inrichting van nieuwe natuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a, met een maximum van € 13.000 per hectare per subsidieaanvraag.

    • b.

      100% van de subsidiabele kosten voor uitvoering PAS-maatregelen, als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b, tot de maximale subsidiebedragen per maatregel zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels;

    • c.

      95% van de subsidiabele kosten voor maatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1, onder c, d en e, tot de maximale subsidiebedragen per maatregel zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels.

  • 2 Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de maximale bedragen als bedoeld in het eerste lid, op voorwaarde dat:

    • a.

      de aanvrager aantoont dat de inrichting meer kost dan de maxima; en

    • b.

      de kosten niet kunnen worden gemiddeld binnen het project of het programma.

  • 3 Artikel 1.3.6, vijfde lid, is niet van toepassing indien de aanvrager Staatsbosbeheer is.

Artikel 4.8.7 Weigeringsgrond

Subsidie wordt niet verstrekt voor verwijderen van bodemverontreiniging of afval.

Artikel 4.8.8 Verplichtingen

  • 1 De subsidieontvanger is verplicht om na de uitvoering van de inrichting de gerealiseerde natuur in stand te houden.

  • 2 De ontvanger van subsidie voor inrichting van nieuwe natuur binnen een programma-aanvraag als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a, dient het natuurterrein in te richten overeenkomstig de indicatieve verhouding beheertypen op de ambitiekaart zoals die luidt op het moment van indiening van de aanvraag.

  • 3 Op verzoek van subsidieontvanger kan voor inrichting van nieuwe natuur binnen een programma-aanvraag het natuurdoeltype of een indicatieve verhouding beheertype op de ambitiekaart gedurende de looptijd van het programma worden gewijzigd indien:

    • a.

      de aanvrager door middel van een landschapsecologische onderbouwing aantoont dat het vigerende natuurbeheertype of indicatieve verhouding beheertype van het natuurgebied niet realiseerbaar of doelmatig is; of

    • b.

      het voorgestelde nieuwe natuurbeheertype invulling geeft aan hogere potenties die in het natuurterrein voorkomen en doelmatig zijn; en

    • c.

      naar het oordeel van Gedeputeerde Staten met het door aanvrager voorgestelde natuurbeheertype de natuurkwaliteit van het natuurgebied wordt geborgd.

Artikel 4.8.9 Looptijd

  • 1 In afwijking van artikel 15 van de AsG bedraagt de looptijd van de programma-aanvraag voor nieuwe natuur als bedoeld in artikel 4.8.1 onder a, drie jaar.

  • 2 In afwijking van artikel 15 van de AsG bedraagt de looptijd van de andere programma-aanvragen als bedoeld in artikel 4.8.1, zes jaar.

  • 3 Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de aanvrager de looptijd van de programma-aanvraag ten hoogste twee maal met een jaar verlengen.

Artikel 4.8.10 Gescheiden boekhouding

Indien de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b, ook economische activiteiten verricht, is hij verplicht een gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig punt 41 van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2012/C 8/03).

Artikel 4.8.11 Communautair toetsingskader

  • 1 Artikel 1.3.3, eerste lid, is niet van toepassing.

  • 2. Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover dit niet in strijd is met het besluit van de Europese Commissie van 7 juli 2017, C(2017) 4589, met betrekking tot steunmaatregel SA.37960 (2015/N).

Paragraaf 4.9 Functieverandering ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk

Artikel 4.9.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor functieverandering.

Artikel 4.9.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de grond waarvoor subsidie is aangevraagd is begrensd als N00.01 op de ambitiekaart;

  • b.

    de landbouwproductiecapaciteit van de grond in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken is gebruikt;

  • c.

    de grond waarvoor subsidie is aangevraagd tevens inrichting plaatsvindt als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a; en

  • d.

    de taxatie uitgevoerd wordt door een door Gedeputeerde Staten in te schakelen taxateur.

Artikel 4.9.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komt in aanmerking de door een onafhankelijke taxateur bepaalde waardedaling van de grond op basis van de reële marktwaarde.

Artikel 4.9.4 Aanvrager

  • 1 Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van de grond waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

  • 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 4.9.5 Aanvraag

  • 1 Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag een topografische kaart met een schaal van ten hoogste 1:10.000 gevoegd waarop de grenzen van de grond zijn aangegeven, alsmede de op die grond gelegen wegen en paden.

  • 2 Indien op de grond een recht van hypotheek is gevestigd, wordt onverminderd artikel 1.2.3 bij de aanvraag een verklaring van geen bezwaar gevoegd van degene aan wie het recht van hypotheek toekomt.

Artikel 4.9.6 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.9.3, eerste lid, met een maximum van 85% van de waarde van de grond als landbouwgrond.

  • 2 Voor zover voor verwerving of pachtvrij maken van een natuurambitieterrein subsidie is verstrekt door Gedeputeerde Staten op grond van een andere regeling of door een bestuursorgaan van een ander overheidslichaam, wordt de subsidie zoveel lager verstrekt als noodzakelijk om betaling boven de reële marktwaarde van de waarde van de grond als landbouwgrond of maximale vergoeding op grond van Europese regels of deze regeling te voorkomen met een maximum van 85% van de waarde van de grond als landbouwgrond.

Artikel 4.9.7 Weigeringsgrond

  • 1 Subsidie wordt geweigerd voor functieverandering die dient tot uitvoering van wettelijke of contractuele verplichtingen.

  • 2 Subsidie wordt geweigerd voor grond die om niet van de overheid is verkregen.

  • 3 Subsidie kan worden geweigerd voor gronden die niet tegen marktwaarde van de overheid zijn verkregen.

  • 4 Subsidie wordt niet verstrekt voor grond waarop nog verplichtingen rusten op grond van:

    • a.

      de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Gelderland;

    • b.

      de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister van economische zaken;

    • c.

      hoofdstuk 4 of afdeling 5.1.3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2009;

    • d.

      de Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden; of

    • e.

      de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland.

Artikel 4.9.8 Verplichtingen

  • 1 Binnen twaalf weken na verlening van de subsidie sluit de subsidieontvanger met de provincie Gelderland een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is opgenomen:

    • a.

      de verplichting dat de subsidieontvanger de grond niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert overeenkomstig het natuurbeheertype zoals voorgeschreven in het natuurbeheerplan en datgene nalaat wat de veiligstelling van het natuurbeheertype verstoort; en

    • b.

      dat de verplichting, als bedoeld onder a, zal overgaan op al degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen.

  • 2 De verplichtingen als bedoeld in het eerste lid worden uiterlijk binnen vier weken nadat de overeenkomst als bedoeld in het eerste lid is tot stand gekomen op initiatief van de subsidieontvanger en op kosten van de provincie als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het terrein ingeschreven in de openbare registers.

  • 3 Subsidieontvanger is verplicht er voor zorg te dragen dat een afschrift van de kwalitatieve verplichting binnen vier weken na inschrijving in de openbare registers in afschrift wordt toegezonden aan de Gedeputeerde Staten.

  • 4 Op verzoek van de subsidieontvanger kunnen de termijnen als bedoeld in voorgaande leden van dit artikel worden verlengd.

  • 5 Subsidieontvanger is verplicht zorg te dragen dat de grond waarvoor subsidie wordt aangevraagd ten minste 358 dagen per jaar wordt opengesteld en toegankelijk blijft voor het publiek, tenzij daarvan door Gedeputeerde Staten ontheffing wordt verleend;

  • 6 Ontheffing als bedoeld in lid 5 wordt verleend indien:

    • a.

      gehele of gedeeltelijke sluiting van het terrein noodzakelijk is ter voldoening aan de bij of krachtens de Wet natuurbescherming gestelde regels voor soortenbescherming of voor Natura-2000-gebieden vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en toegangsbeperkingen.

    • b.

      het terrein door buiten de macht van de subsidieontvanger gelegen oorzaken blijvend geheel of gedeeltelijk niet bereikbaar of naar zijn aard niet begaanbaar is;

    • c.

      sluiting van ten hoogste één hectare van het terrein wenselijk is vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; of

    • d.

      andere belangen gehele of gedeeltelijke sluiting rechtvaardigen.

  • 7 Subsidieontvanger is verplicht binnen twaalf weken na subsidieverlening bij het bevoegd gezag een aanvraag in te dienen tot aanpassing van de bestemming inhoudende dat de grond enkel als natuur mag worden gebruikt.

  • 8 Artikel 1.4.7 is niet van toepassing.

Artikel 4.9.9 Verplichtingen bij aanvraag subsidievaststelling

Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt een afschrift overgelegd van het verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan.

Artikel 4.9.10 Bevoorschotting

In afwijking van artikel 21 van de AsG wordt nadat de aanvrager een afschrift heeft overgelegd van de vestiging van de kwalitatieve verplichting een voorschot uitgekeerd van ten hoogste 90%.

Artikel 4.9.11 Communautair toetsingskader

  • 1 Artikel 1.3.3, eerste lid, is niet van toepassing.

  • 2 Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met de vigerende Catalogus Groenblauwe Diensten en het Besluit van de Europese Commissie van 7 juli 2017, C(2017) 4589, met betrekking tot steunmaatregel SA.37960 (2015/N).

Paragraaf 4.10 Inrichting ten behoeve van agrarisch natuur- en landschapsbeheer

Artikel 4.10.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het aanpassen van de fysieke condities of kenmerken van percelen landbouwgrond gelegen in een leefgebied SNLG.

Artikel 4.10.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    voor de percelen landbouwgrond een subsidie is verstrekt voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer op grond van artikel 3.2 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 of een subsidie op grond van die regeling is aangevraagd voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer voor het volgende kalenderjaar, en

  • b.

    de inrichting bijdraagt aan de verhoging van de effectiviteit van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer voor de soorten waarvoor het beheer op het betreffende perceel wordt uitgevoerd.

Artikel 4.10.3 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking:

    • a.

      kosten voor het maken van een inrichtingsplan voor zover het plan betrekking heeft op maatregelen gericht op wijziging van de oppervlaktewaterstand of grondverzet;

    • b.

      kosten voor maatregelen gericht op wijziging van de oppervlaktewaterstand;

    • c.

      kosten van grondverzet;

    • d.

      kosten van verwijdering van begroeiing en beplanting, en

    • e.

      overige kosten voor zover die noodzakelijk zijn voor de inrichting van het leefgebied SNLG.

  • 2. Geen subsidie wordt verstrekt voor het verwijderen van bodemverontreiniging of afval.

Artikel 4.10.4 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een agrarisch collectief.

Artikel 4.10.5 Aanvraag

In aanvulling op artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag gevoegd:

  • a.

    een projectplan waarin tenminste een beschrijving van de uitgangssituatie en het te bereiken resultaat, de uit te voeren werkzaamheden en een begroting zijn vermeld;

  • b.

    een kaart waarop de locatie van de werkzaamheden is aangeduid, en

  • c.

    een kopie van de beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 4.10.2, aanhef en onder a, of een kopie van de aanvraag van een dergelijke subsidie als bedoeld onder b.

Artikel 4.10.6 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 95% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,-met dien verstande dat de subsidie niet meer bedraagt dan € 8.000,- per hectare van het leefgebied SNLG.

  • 2 De subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.10.3, eerste lid onder a, bedragen maximaal 15% van het totaalbedrag dat voor subsidie in aanmerking komt.

Artikel 4.10.7 Weigeringsgronden

Geen subsidie wordt verstrekt als voor de aangevraagde percelen al eerder een subsidie op grond van artikel 4.10.1 is verstrekt.

Artikel 4.10.8 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger is verplicht de subsidiabele activiteiten binnen 12 maanden na de subsidieverlening uit te voeren.

Artikel 4.10.9 Communautair toetsingskader

Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met het Besluit van de Europese Commissie van 7 juli 2017, C(2017) 4589, met betrekking tot steunmaatregel SA.37960 (2015/N).

Paragraaf 4.11 [vervallen]

Paragraaf 4.12 Burgerbetrokkenheid bij natuur, groen en landschap

Artikel 4.12.1 Subsidiabele activiteit

  • 1 Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

    • a.

      het aanleggen, beheren of verbeteren van de kwaliteit van natuur, groen of landschap door burgers in hun leefomgeving;

    • b.

      het betrekken van burgers bij activiteiten op het gebied van natuur, groen of landschap in hun leefomgeving; of

    • c.

      het delen van kennis en ervaring met het aanleggen, beheren of verbeteren van de kwaliteit van natuur, groen of landschap door burgers in hun leefomgeving.

  • 2 Onder het betrekken van burgers als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      het organiseren van bijeenkomsten en werkdagen;

    • b.

      het opstellen en verspreiden van informatiemateriaal;

    • c.

      het geven van voorlichting.

Artikel 4.12.2 Criteria

  • 1 Subsidie als bedoeld in artikel 4.12.1, eerste lid, onder a, wordt slechts verstrekt indien de activiteit betrekking heeft op een openbaar toegankelijk terrein of op vanaf de openbare weg zichtbare randen van agrarische terreinen waar beheer wordt toegepast.

  • 2 Subsidie als bedoeld in artikel 4.12.1, eerste lid, onder a, wordt niet verstrekt indien de activiteit betrekking heeft op sier- en groenteteelt.

Artikel 4.12.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie als bedoeld in artikel 4.12.1, eerste lid, onder a, komen ook in aanmerking de kosten voor externe ondersteuning.

Artikel 4.12.4 Aanvrager

  • 1 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG, wordt subsidie als bedoeld in artikel 4.12.1, eerste lid, onder a, uitsluitend verstrekt aan een rechtspersoon of aan een samenwerkingsverband van ten minste vijf natuurlijke personen dat zich inzet voor natuur, groen of landschap.

  • 2 Subsidie als bedoeld in artikel 4.12, eerste lid, onder b, wordt uitsluitend verstrekt aan een vereniging of stichting met de statutaire doelstelling betreffende inzet voor natuur, groen of landschap, niet zijnde een bos- of landgoedeigenaar.

  • 3 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG, wordt subsidie als bedoeld in artikel 4.12.1, eerste lid, onder c, verstrekt aan rechtspersonen en natuurlijke personen.

Artikel 4.12.5 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.12.1, eerste lid, aanhef en onder a, verstrekt:

  • a.

    een schriftelijke toestemming van de eigenaar van het perceel waarop de aanleg, beheer of kwaliteitsverbetering betrekking heeft; en,

  • b.

    een onderbouwing waaruit blijkt dat de activiteit past binnen het bestemmingsplan.

Artikel 4.12.6 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie als bedoeld in artikel 4.12.1, eerste lid, onder a, bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000.

  • 2 In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie als bedoeld in artikel 4.12.1, eerste lid, onder a, ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten indien de subsidie hoger is dan

    € 5.000.

  • 3 De subsidie als bedoeld in het tweede lid bedraagt maximaal € 50.000.

  • 4 De subsidie als bedoeld in artikel 4.12.1, eerste lid, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 25.000.

  • 5 De subsidie als bedoeld in artikel 4.12.1, eerste lid, onder c, bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000.

  • 6 Geen subsidie wordt verstrekt indien de subsidie minder dan € 1.000 zou bedragen.

  • 7 Een aanvrager kan maximaal éénmaal per kalenderjaar subsidie ontvangen.

Artikel 4.12.7 Weigeringsgrond

  • 1 Subsidie als bedoeld in artikel 4.12.1, eerste lid, onder a wordt niet verstrekt voor zover de activiteit betrekking heeft op terreinen die zijn opgenomen in het natuurbeheerplan.

  • 2 Onder het beheren of verbeteren van de kwaliteit van natuur, groen of landschap als bedoeld in artikel 4.12.1, eerste lid, onder a, wordt niet verstaan het periodiek inzaaien van terreinen en de daarmee gepaard gaande werkzaamheden.

Artikel 4.12.8 Verplichtingen

  • 1 De ontvanger is verplicht de activiteit binnen een jaar na de verlening van de subsidie, of ingeval van een subsidie waarop artikel 25, eerste lid, van de AsG van toepassing is binnen een jaar na de vaststelling van de subsidie, te hebben uitgevoerd.

  • 2 De ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 4.12.1, eerste lid, onder a en b , is verplicht binnen vier weken na het afronden van de activiteit publiciteit aan de activiteit te geven via een website of social media. 

Paragraaf 4.13 Kennisontwikkeling- en overdracht duurzaam functioneren van de toplaag

Artikel 4.13.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor een project dat is gericht op:

  • a.

    het ontwikkelen van kennis over het duurzaam functioneren van de toplaag;

  • b.

    het overdragen van kennis over het duurzaam functioneren van de toplaag, of

  • c.

    een combinatie van a en b.

Artikel 4.13.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    het project wordt verricht door een kennis- of onderzoeksinstelling en tenminste een grondgebruiker;

  • b.

    de afspraken, taken en verantwoordelijkheden van de deelnemende partijen voor de uitvoering van het project zijn vastgelegd in een overeenkomst;

  • c.

    aantoonbaar sprake is van een kennishiaat over het duurzaam functioneren van de toplaag;

  • d.

    de onderzoeksvragen van het project voortvloeien uit wetenschappelijk onderzoek;

  • e.

    het onderzoek betrekking heeft op ten minste twee van de volgende onderwerpen: organische stof, bodemchemie, bodemleven, bodemstructuur, waterhuishouding of beworteling.

Artikel 4.13.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan een kennis- of onderzoeksinstelling.

Artikel 4.13.4 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 4.13.1 onder a, gevoegd een kaart waarop de locatie van het project is aangeduid.

  • 2. Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 4.13.1 onder b, gevoegd een beschrijving van de wijze van kennisoverdracht.

Artikel 4.13.5 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 4.13.1, onder a, bedraagt ten hoogste 80% van de kosten met een een maximum van € 75.000.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 4.13.1, onder b, bedraagt ten hoogste 80% van de kosten met een een maximum van € 10.000.

Artikel 4.13.6 Weigeringsgrond

Subsidie als bedoeld in artikel 4.13.1 onder a wordt geweigerd indien:

  • a.

    het onderzoek betrekking heeft op het ontwikkelen van machines voor landbouwmechanisatie of mestverwerkingsinstallaties;

  • b.

    het onderzoek betrekking heeft op een project dat is gericht op het maximaliseren van de winst van een bedrijf of onderneming;

  • c.

    het project kan leiden tot risico’s op bodemuitputting of bodemverontreiniging op de korte en lange termijn, of

  • d.

    het project uitsluitend gericht is op het in beeld brengen van bodemverontreiniging of bemestingstoestand van een individuele grondgebruiker.

Artikel 4.13.7 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht de subsidiabele activiteiten binnen 4 jaar na de subsidieverlening uit te voeren.

  • 2. De subsidieontvanger zendt binnen de in het eerste lid gestelde termijn een exemplaar van het onderzoeksresultaat aan Gedeputeerde Staten.

  • 3. Als de subsidie na de in het eerste lid gestelde termijn nog moet worden vastgesteld, wordt het onderzoeksrapport bij de aanvraag tot vaststelling gevoegd.

  • 4. De subsidieontvanger stelt de opgedane kennis en ervaring beschikbaar aan een brede groep van grondgebruikers. De subsidieontvanger zal daarbij afzien van het inroepen van eventuele intellectuele eigendomsrechten. De onderzoeksresultaten zullen worden gepubliceerd op de website van de provincie en blijven daar beschikbaar gedurende tenminste vijf jaar.

Artikel 4.13.8 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.1.3, eerste lid, worden subsidies onder deze paragraaf slechts verstrekt indien deze niet in strijd zijn met hoofdstuk I en artikel 31 van de Landbouwgroepsvrijstellingsverordening, Verordening (EU), Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014 (Pb EU L 193).

Paragraaf 4.14 Agrarisch waterbeheer door loonwerkbedrijven

Artikel 4.14.1 Begripsomschrijving

In deze paragraaf wordt verstaan onder loonwerkbedrijf: een onderneming waarin de activiteiten overwegend bestaan uit het met, aan of door machines of werktuigen voor derden verrichten van landbouwambachtenwerkzaamheden, cultuurtechnische werkzaamheden of meststoffendistributie.

Artikel 4.14.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor bovenwettelijke investeringen door loonwerkbedrijven in machines die bijdragen aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water (Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000) en de Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991).

Artikel 4.14.3 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt als:

  • a.

    de investering is opgenomen in bijlage 2 bij deze regels, en

  • b.

    de aanvrager blijkens het Handelsregister een vestiging heeft in de provincie Gelderland.

Artikel 4.14.4 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking:

  • a.

    de kosten voor de koop van nieuwe onderdelen voor de aanpassing van bestaande machines;

  • b.

    de montage van de in onderdeel a bedoelde nieuwe onderdelen;

  • c.

    de meerkosten voor de koop van nieuwe machines die een aanpassing vormen ten opzichte van standaardmachines

Artikel 4.14.5 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan MKB-ondernemingen.

Artikel 4.14.6 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 verstrekt de aanvrager bij de aanvraag een offerte van een leverancier voor de kosten als bedoeld in artikel 4.14.4.

  • 2. Een aanvrager kan maximaal éénmaal per kalenderjaar subsidie ontvangen.

Artikel 4.14.7 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De subsidie bedraagt ten minste € 3.000 en ten hoogste € 20.000.

Artikel 4.14.8 Verplichtingen

In afwijking van artikel 1.4.1, eerste lid, is de subsidieontvanger verplicht om de activiteit binnen 18 maanden na de subsidievaststelling uit te voeren.

Artikel 4.14.9 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 14 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening Verordening (EU), Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014 (Pb EU L 193).

Hoofdstuk 5 Regionale bereikbaarheid en regionaal openbaar vervoer

Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    beroepsvervoer: beroepsvervoer als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen;

  • b.

    Beter Benutten Vervolg: programma zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 20 januari 2015 inzake het gebied van de voormalige Stadsregio Arnhem-Nijmegen;

  • c.

    Bestedingsplan DU: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan, waarin de besteding is vastgelegd van de decentralisatie-uitkering Projecten verkeer en vervoer;

  • d.

    Bestedingsplan BDU: door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan, waarin de besteding is vastgelegd van de brede doeluitkering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet BDU verkeer en vervoer;

  • e.

    communautaire vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 4 van verordening (EG) nr. 1072/2009 van de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PbEU L 300/72);

  • f.

    fietsvoorziening: infrastructurele voorzieningen en fietspilotprojecten ten behoeve van de fiets die zijn opgenomen in het bovenlokale fietsnetwerk zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten;

  • g.

    gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning: een gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning;

  • h.

    gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning: een gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning als bedoeld in artikel 4, derde lid, van Verordening 1072/2009/EG, dat bij de indiening van de aanvraag niet ouder is dan vier weken;

  • i.

    goederenvervoer: vervoer van goederen over de weg en over water;

  • j.

    koopovereenkomst: schriftelijke overeenkomst tussen leverancier en de subsidieaanvrager over de koop van de vrachtauto;

  • k.

    LNG-vrachtauto: een voertuig dat een vrachtauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen is, valt onder categorie N2 of categorie N3 van Richtlijn 2007/46/EG en bij de feitelijke levering overeenkomstig de koopovereenkomst door de fabrikant als bedoeld in Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 september 2007 (PbEU L263) is uitgerust met een motor die als hoofdaandrijving in de vrachtauto is geplaatst en uitsluitend Liquefied Bio Gas of Liquefied Natural Gas als motorbrandstof gebruikt;

  • l.

    MIAM: Meerjaren InvesteringsAgenda Mobiliteit met een overzicht van alle (beoogde) projecten en programma’s die een bijdrage leveren aan regionale bereikbaarheid en regionaal openbaar vervoer;

  • m.

    mobiliteitsmanagement: alle activiteiten gericht op het afstemmen van vraag en aanbod van verkeer en vervoer gericht op het keuzeproces en bewustwording van de reiziger en goederen;

  • n.

    openbaar vervoer: vervoer per trein, bus, tram of regiotaxi dat wordt verzorgd door een vervoerder waaraan op grond van de Wet personenvervoer 2000 een concessie is verleend;

  • o.

    operational lease: de lessee betaalt voor het exclusieve gebruik van een vrachtauto gedurende een met de leasemaatschappij overeengekomen periode, waarbij de eigendom van de vrachtauto bij de leasemaatschappij blijft;

  • p.

    Samenwerkingsovereenkomst basismobiliteit : overeenkomst tussen provincie en in regioverband samenwerkende gemeenten waarbij de vervoerstaken van de regiotaxi worden overgedragen aan de regio’s;

  • q.

    snelfietsroute: een door Gedeputeerde Staten als zodanig aangewezen samenhangend geheel van voorzieningen, gebruik en infrastructurele werken ten behoeve van de fiets;

  • r.

    sociale veiligheid: objectieve veiligheid en het gevoel van veiligheid onder reizigers en personeel, ten aanzien van misdaad en wangedrag binnen het openbaar vervoer en bij halteplaatsen van het openbaar vervoer;

  • s.

    verlader: bedrijf dat dat goederen van het ene transportmiddel overlaadt in het andere;

  • t.

    vervoerder: de rechtspersoon die openbaar vervoer verricht, waaronder begrepen regiotaxi;

  • u.

    vrachtauto: de vrachtauto of vrachtauto’s waar een aanvraag om verlening van subsidie, een aanvraag om vaststelling van subsidie of een verstrekte subsidie betrekking op heeft. 

Paragraaf 5.2 Infrastructuurprojecten

Artikel 5.2.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    infrastructurele projecten waarvoor in het MIAM middelen beschikbaar zijn gesteld; en

  • b.

    infrastructurele projecten waarvoor in de bestedingsplannen BDU en de bestedingsplannen DU middelen beschikbaar zijn gesteld.

Artikel 5.2.2 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan publiekrechtelijke rechtspersonen en aan ProRail B.V.

Artikel 5.2.3 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie als bedoeld in artikel 5.2.1, onderdeel a, bedraagt ten hoogste 100% van de kosten.

  • 2 De subsidie als bedoeld in artikel 5.2.1, onderdeel b, bedraagt ten hoogste het bedrag dat in de bestedingsplannen BDU is opgenomen.

  • 3 Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht erop worden voor ten hoogste 15% meegerekend in de kosten.

Paragraaf 5.3 Openbaar vervoer en regiotaxi

Artikel 5.3.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het verrichten van:

  • a.

    openbaar vervoer;

  • b.

    vervoer in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning in de vorm van regiotaxi en de bijbehorende kosten voor het beheer van de regiotaxi.

Artikel 5.3.2 Criteria

Subsidie voor het verrichten van openbaar vervoer wordt slechts verstrekt voor de duur van de concessie of voor de duur van de overeenkomst tussen de provincie en de vervoerder.

Artikel 5.3.3 Aanvrager

  • 1 Subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, onder a, wordt verstrekt aan vervoerders.

  • 2 Subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, onder b, wordt verstrekt aan gemeenten en openbare lichamen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 3 In afwijking op het bepaalde in het tweede lid kan subsidie worden verstrekt aan een rechtspersoon waaraan de in het eerste lid genoemde aanvragers haar taak ten aanzien van de regiotaxi heeft overgedragen.

Artikel 5.3.4 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, onder a, bedraagt ten hoogste het bedrag zoals is overeengekomen in de concessie. De subsidie wordt jaarlijks geïndexeerd.

  • 2 De subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1, onder b, bedraagt ten hoogste het bedrag zoals is overeengekomen in artikel 8 van de Samenwerkingsovereenkomst basismobiliteit.

Paragraaf 5.4 Infrastructurele openbaarvervoervoorzieningen

Artikel 5.4.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de aanpassing of uitbreiding van infrastructuur en voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer in het gebied van de voormalige Stadsregio.

Artikel 5.4.2 Criteria

Subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die:

  • a.

    een bijdrage leveren aan de doelstellingen van het OV-beleid van de provincie, zoals vastgelegd in de OV-visie (PS 2016-374) en in het coalitieakkoord 2015-2019 “Ruimte voor Gelderland” d.d. 20 april 2015;

  • b.

    een aantoonbare meerwaarde hebben voor het gebruik en de functie van het regionale openbaar vervoer, die blijkt uit:

    • i.

      verlaging van de kosten dan wel verbetering van de opbrengsten;

    • ii.

      verbetering van de kwaliteit en uitstraling; of

    • iii.

      verbetering van de betrouwbaarheid van de dienstregeling; en

  • c.

    uitvoerbaar zijn.

Artikel 5.4.3 Aanvraag

  • 1 Onverminderd artikel 7 van de AsG worden aanvragen ingediend voor 1 maart van het jaar waarin de activiteiten zullen plaatsvinden.

  • 2 Aanvragen worden op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde geplaatst.

  • 3 Gedeputeerde Staten kunnen bij onderbesteding van het budget na 1 maart tot een tweede openstelling besluiten. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op aanvragen die in een tweede openstellingsperiode worden ingediend.

Artikel 5.4.4 Beoordelingscriteria infrastructurele openbaarvervoervoorzieningen

  • 1. Aan de activiteiten als bedoeld in artikel 5.4.2 wordt een score van maximaal 12 punten toegekend.

  • 2. De punten worden als volgt over de criteria verdeeld:

    • a.

      maximaal 3 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel i;

    • b.

      maximaal 3 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel ii;

    • c.

      maximaal 3 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel iii;

    • d.

      maximaal 3 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder c.

  • 3. De hoogte van de score op het criterium genoemd in het tweede lid aanhef en onder d, wordt als volgt bepaald:

    • a.

      indien de uitvoering binnen een jaar gereed is na het besluit tot subsidieverlening 3 punten;

    • b.

      indien de uitvoering binnen twee jaar gereed is na het besluit tot subsidieverlening 2 punten;

    • c.

      indien de uitvoering binnen drie jaar gereed is na het besluit tot subsidieverlening 1 punt.

  • 4. De subsidie wordt geweigerd indien:

    • a.

      er geen punten worden toegekend voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder c; of

    • b.

      aan de activiteiten niet ten minste een score van 5 punten wordt toegekend.

Artikel 5.4.5 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

Artikel 5.4.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de kosten.

Paragraaf 5.5 Sociale veiligheid

Artikel 5.5.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten ter verbetering van de sociale veiligheid.

Artikel 5.5.2 Criteria

Subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die plaatsvinden in gebieden waarvoor de provincie Gelderland bij of krachtens de Wet personenvervoer 2000 verantwoordelijk is voor het openbaar vervoer.

Artikel 5.5.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan vervoerders.

Artikel 5.5.4 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de kosten.

  • 2 Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht worden voor ten hoogste 15% meegerekend in de subsidiabele kosten.

Paragraaf 5.6 [vervallen]

Paragraaf 5.7 Fietsvoorzieningen

Artikel 5.7.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de aanleg van fietsvoorzieningen in de voormalige Stadsregio;

  • b.

    de aanleg van fietsvoorzieningen in de provincie met uitzondering van de voormalige Stadsregio;

  • c.

    de aanleg van snelfietsroutes.

Artikel 5.7.2 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

Artikel 5.7.3 Aanvraag

  • 1 Onverminderd artikel 7 van de AsG worden aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, onder a en b, ingediend voor 1 maart van het jaar waarin de activiteiten zullen plaatsvinden.

  • 2 Aanvragen als bedoeld in het eerste lid worden op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde geplaatst.

  • 3 Gedeputeerde Staten kunnen bij onderbesteding van het budget voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, eerste lid, onder a en b, na 1 maart tot een tweede openstelling besluiten. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op aanvragen die in een tweede openstellingsperiode worden ingediend.

Artikel 5.7.4 Hoogte van de subsidie

  • 1 Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, onder a en b, bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een minimum van € 35.000 en een maximum van € 500.000.

  • 2 Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, onder c, bedraagt ten hoogste 90% van de kosten voor de realisatie van nieuwe snelfietsroutes.

  • 3 Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht worden voor ten hoogste 15% meegerekend in de subsidiabele kosten.

Artikel 5.7.5 Beoordelingscriteria infrastructurele fietsvoorzieningen

  • 1. Activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd worden beoordeeld op:

    • a.

      het doel van de infrastructurele fietsvoorziening;

    • b.

      de lengte van de aan te leggen of te verbeteren infrastructurele fietsvoorziening;

    • c.

      het aantal fietsers per etmaal;

    • d.

      of er sprake is van een geheel nieuwe infrastructurele fietsvoorziening;

    • e.

      de mate van verbetering van de bestaande infrastructurele fietsvoorziening;

    • f.

      de mate waarin de infrastructurele fietsvoorziening wordt verkort;

    • g.

      de mate waarin de nieuwe infrastructurele fietsvoorziening wordt gescheiden van de overige infrastructuur;

    • h.

      de mate waarin kruisingen of oversteken worden gereduceerd; en

    • i.

      de mate waarin fietsongevallen in de periode 2010-2015 worden aangepakt.

  • 2. Aan de activiteiten wordt een score van maximaal 100 punten toegekend.

  • 3. De punten worden als volgt over de criteria verdeeld:

    • a.

      maximaal 5 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a;

    • b.

      maximaal 5 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder b;

    • c.

      maximaal 5 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder c;

    • d.

      maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder d;

    • e.

      maximaal 15 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder e.

    • f.

      maximaal 10 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder f;

    • g.

      maximaal 15 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder g;

    • h.

      maximaal 10 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder h;

    • i.

      maximaal 15 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder i.

  • 4. De hoogte van de score op het criterium genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, wordt als volgt bepaald:

    • a.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening ten behoeve van woon-werkverkeer 2 punten;

    • b.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening ten behoeve van woon-verkeer en recreatief fietsverkeer 3 punten;

    • c.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening ten behoeve van woon-verkeer en schoolfietsverkeer 4 punten;

    • d.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening ten behoeve van woon-werkverkeer, recreatief en schoolfietsverkeer 5 punten.

  • 5. De hoogte van de score op het criterium genoemd in het eerste lid, aanhef en onder b, wordt als volgt bepaald:

    • a.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening met een lengte tot en met 100 meter 1 punt;

    • b.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening met een lengte vanaf 100 en tot en met 500 meter 2 punten;

    • c.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening met een lengte vanaf 500 tot en met 1000 meter 3 punten;

    • d.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening met een lengte vanaf 1000 tot en met 2000 meter 4 punten;

    • e.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening met een lengte vanaf 2000 5 punten.

  • 6. De hoogte van de score op het criterium genoemd in het eerste lid, aanhef en onder c, wordt als volgt bepaald:

    • a.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening tot 200 potentiële fietsers per etmaal 1 punt;

    • b.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening met meer dan 200 en tot 500 fietsers per etmaal 2 punten;

    • c.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening met meer dan 500 en tot 1000 fietsers per etmaal 3 punten;

    • d.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening met meer dan 1000 en tot 2000 fietsers per etmaal 4 punten;

    • e.

      voor een infrastructurele fietsvoorziening met meer dan 2000 fietsers per etmaal 5 punten.

  • 7. De hoogte van de score op het criterium genoemd in het eerste lid, aanhef en onder d, is 20 punten indien het een geheel nieuwe fietsvoorziening betreft;

  • 8. De hoogte van de score op het criterium genoemd in het eerste lid, aanhef en onder e, wordt als volgt bepaald:

    • a.

      indien er sprake is van een verbreding van de infrastructurele fietsvoorziening van 25 tot 50 cm: 5 punten;

    • b.

      indien er sprake is van een verbreding van de infrastructurele fietsvoorziening van 50 tot 75 cm: 10 punten;

    • c.

      indien er sprake is van een verbreding van de infrastructurele fietsvoorziening vanaf 75 cm: 15 punten.

  • 9. De hoogte van de score op het criterium genoemd in het eerste lid, aanhef en onder f, is 10 punten indien er sprake is van een verkorting van de infrastructurele fietsvoorziening;

  • 10. De hoogte van de score op het criterium genoemd in het eerste lid, aanhef en onder g, wordt als volgt bepaald:

    • a.

      indien er sprake is van een fietsstrook 3 punten;

    • b.

      indien er sprake is van een aanliggende fietsverbinding 6 punten;

    • c.

      indien er sprake is van een fietsstraat 9 punten;

    • d.

      indien er sprake is van een vrijliggend tweerichtingenfietspad 12 punten;

    • e.

      indien er sprake is van vrijliggende eenrichtingsfietspad aan weerszijde van de weg 15 punten;

  • 11. De hoogte van de score op het criterium genoemd in het eerste lid, aanhef en onder h, wordt als volgt bepaald:

    • a.

      indien er sprake is van de vermindering van één kruising of oversteek 2 punten;

    • b.

      indien er sprake is van de vermindering van twee kruisingen of oversteken 4 punten;

    • c.

      indien er sprake is van de vermindering van drie kruisingen of oversteken 6 punten;

    • d.

      indien er sprake is van de vermindering van vier kruisingen of oversteken 8 punten;

    • e.

      indien er sprake is van de vermindering van vijf kruisingen of oversteken 10 punten.

  • 12. De hoogte van de score op het criterium genoemd in het eerste lid, aanhef en onder i, wordt als volgt bepaald:

    • a.

      indien er sprake is van een infrastructurele fietsvoorziening waarbij in de periode 2010-2015 sprake was van één fietsongeval 3 punten;

    • b.

      indien er sprake is van een infrastructurele fietsvoorziening waarbij in de periode 2010-2015 sprake was van twee fietsongevallen 6 punten;

    • c.

      indien er sprake is van een infrastructurele fietsvoorziening waarbij in de periode 2010-2015 sprake was van drie fietsongevallen 9 punten;

    • d.

      indien er sprake is van een infrastructurele fietsvoorziening waarbij in de periode 2010-2015 sprake was van vier fietsongevallen 12 punten;

    • e.

      indien er sprake is van een infrastructurele fietsvoorziening waarbij in de periode 2010-2015 sprake was van meer dan vier fietsongevallen 15 punten.

Artikel 5.7.6 Beoordelingscriteria pilotprojecten

  • 1. Activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd worden beoordeeld op:

    • a.

      de mate waarin het project vernieuwend is;

    • b.

      de mate waarin het project bijdraagt aan het provinciaal fietsbeleid;

    • c.

      de mate waarin het project gemonitord dan wel geevalueerd wordt.

  • 2. Aan de activiteiten wordt een score van maximaal 30 punten toegekend.

  • 3. De punten worden als volgt over de criteria verdeeld:

    • a.

      maximaal 10 punten voor het criterium genoemd in het eerste lid aanhef en onder a;

    • b.

      maximaal 15 punten voor het criterium genoemd in het eerste lid aanhef en onder b;

    • c.

      maximaal 5 punten voor het criterium genoemd in het eerste lid aanhef en onder c.

Paragraaf 5.8 Mobiliteitsprojecten

Artikel 5.8.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor haalbaarheidsstudies, onderzoek, pilots en projecten gericht op gedragsbeïnvloeding met betrekking tot mobiliteit.

Artikel 5.8.2 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.

    gemeenten;

  • b.

    privaatrechtelijke rechtspersonen:

    • i.

       voor zover de activiteit gericht is op de eigen organisatie en uitsluitend voor eigen gebruik is; of

    • ii.

      die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van mobiliteitsmanagement.

Artikel 5.8.3 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 50.000.

Paragraaf 5.9 Logistiek en Goederenvervoer

Artikel 5.9.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    haalbaarheids- en onderzoeksstudies voor multimodaal of efficiënt en schoon goederenvervoer;

  • b.

    investeringsprojecten infrastructuur ten behoeve van overslagvoorzieningen voor multimodaal goederenvervoer;

  • c.

    pilots of praktijkproeven voor multimodaal of efficiënt en schoon goederenvervoer.

Artikel 5.9.2 Criteria

 Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de activiteiten worden uitgevoerd in de provincie Gelderland dan wel, in geval van een provinciegrensoverschrijdende goederenvervoerstroom, het eind- of beginpunt in Gelderland ligt;

  • b.

      de activiteiten passen binnen het strategisch uitvoeringsprogramma logistiek en Goederenvervoer;

  • c.

    voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 5.9.1 onder c, de beoogde innovatie een bijdrage of besparing oplevert voor de Gelderse logistieke sector.

Artikel 5.9.3 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie als bedoeld in artikel 5.9.1, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 100.000.

  • 2 De subsidie als bedoeld in artikel 5.9.1, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 1.000.000.

  • 3 De subsidie als bedoeld in artikel 5.9.1, onder c, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van:

    • a.

      € 100.000 voor zover de subsidie betrekking heeft op transport over de weg;

    • b.

      € 200.000 voor zover de subsidie geen betrekking heeft op transport over de weg;

    • c.

      € 300.000 voor zover de activiteit wordt uitgevoerd door publiekrechtelijke rechtspersonen of publiekrechtelijke instellingen.

  • 4 Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en toezicht worden voor ten hoogste 15% meegerekend in de subsidiabele kosten.

  • 5 Indien de activiteit als bedoeld in artikel 5.9.1, eerste lid, aanhef en onder a is opgenomen in een lijst met initiatieven als bedoeld in artikel 2.9.2, is het maximum als bedoeld in het eerste lid niet van toepassing.

Paragraaf 5.10 Beter Benutten Vervolg

Artikel 5.10.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van projecten in het kader van Beter Benutten Vervolg.

Artikel 5.10.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover de projecten zijn opgenomen in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde bestedingsplan.

Artikel 5.10.3 Subsidiabele kosten

  • 1 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid onder b, zijn de kosten voor de activiteiten als bedoeld in artikel 5.10.1 die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen, subsidiabel.

  • 2 Artikel 1.3.6, vijfde lid, is niet van toepassing.

Artikel 5.10.4 Aanvrager

Subsidie kan worden verstrekt aan:

  • a.

    de gemeente Arnhem;

  • b.

     de gemeente Nijmegen;

  • c.

     het ministerie van Infrastructuur en Milieu;

  • d.

     aan de dienst Rijkswaterstaat van het ministerie van Infrastructuur en Milieu;

  • e.

    VNO-NCW;

  • f.

    de gemeente Rheden.

Artikel 5.10.5 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de kosten.

Paragraaf 5.11 Impuls goederenvervoer LNG-vrachtauto’s

Artikel 5.11.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de koop of operational lease van een of meerdere LNG-vrachtauto’s.

Artikel 5.11.2 Subsidiabele kosten

  • 1 Subsidie kan worden verstrekt voor de kosten die voor de aanvrager volgen uit de koop- of operational leaseovereenkomst.

  • 2 Artikel 1.3.5, aanhef en onder b, is niet van toepassing.

Artikel 5.11.3 Aanvrager

Subsidie kan worden verstrekt aan een vervoerder in de zin van artikel 1.1. van de Wet wegvervoer goederen of aan een verlader.

Artikel 5.11.4 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de aanvrager blijkens het Handelsregister een vestiging heeft in de provincie Gelderland;

  • b.

    de aanvrager in geval van koop de eerste houder van het kenteken van de vrachtauto zal worden;

  • c.

    de aanvrager in geval van operational lease de eerste gebruiker van de vrachtauto zal worden;

  • d.

    de vrachtauto zal worden gebruikt of mede zal worden gebruikt voor vervoer vanuit een of meer bedrijfslocaties binnen de provincie Gelderland; en

  • e.

    de aanvrager beschikt over een communautaire vergunning indien de vrachtauto zal worden gebruikt of mede zal worden gebruikt voor beroepsvervoer en op de aanvrager geen vrijstelling op grond van artikel 4 van het Besluit wegvervoer goederen van toepassing is.

Artikel 5.11.5 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt maximaal € 8.000 per vrachtauto, tot een maximum van € 56.000 indien een aanvraag betrekking heeft op meerdere vrachtauto’s.

  • 2 Een aanvrager kan slechts éénmaal subsidie aanvragen.

Artikel 5.11.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien de door de aanvrager aangeschafte of geleasde vrachtauto voor 1 oktober 2016 op kenteken is gezet.

Artikel 5.11.7 Aanvraag subsidieverlening

  • 1 Onverminderd het bepaalde artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag om verlening van subsidie in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een afschrift van de koop- of operational leaseovereenkomst;

    • b.

      een verklaring van de aanvrager dat:

      • i.

        de vrachtauto uitsluitend zal worden gebruikt door de aanvrager zelf;

      • ii.

        de vrachtauto zal worden gebruikt of mede gebruikt voor vervoer vanuit een of meer bedrijfslocaties binnen de provincie Gelderland;

    • c.

      ingeval van operational lease een verklaring van de de leasemaatschappij dat zij akkoord is met de aanvraag tot subsidie en dat zij zelf afziet van een aanvraag tot subsidie voor dit voertuig met dit kenteken.

  • 2 Indien sprake is van een subsidie als bedoeld in artikel 1.2.3, vierde lid, wordt bij de aanvraag om verlening van subsidie over de subsidie als bedoeld in artikel 1.2.3, vierde lid, de volgende gegevens verstrekt:

    • i.

      de instantie die verantwoordelijk is voor de toekenning van de subsidie;

    • ii.

      de naam en adres- en woonplaatsgegevens van de aanvrager van de subsidie;

    • iii.

      de datum en het kenmerk van de subsidie;

    • iv.

      de hoogte van de subsidie;

    • v.

      de datum en het kenmerk van de besluiten tot verstrekking van de subsidie, voor zover reeds genomen.

  • 3 Indien de vrachtauto zal worden gebruikt of mede zal worden gebruikt voor beroepsvervoer en op de subsidieontvanger geen vrijstelling op grond van artikel 4 van het Besluit wegvervoer goederen van toepassing is, wordt bij de aanvraag een gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning van de aanvrager verstrekt.

Artikel 5.11.8 Beslissing op de aanvraag

Artikel 25, eerste tot en met derde lid, van de AsG en artikel 1.3.1 zijn niet van toepassing.

Artikel 5.11.9 Bevoorschotting

Er wordt geen voorschot uitgekeerd.

Artikel 5.11.10 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1 De subsidieontvanger zorgt ervoor dat:

    • a.

      de feitelijke levering van de vrachtauto aan de subsidieontvanger plaatsvindt binnen zes maanden na verlening van de subsidie;

    • b.

      in geval van koop het kenteken van de vrachtauto met ingang van de dag van feitelijke levering van de vrachtauto op naam staat van de subsidieontvanger en tenminste drie jaar onafgebroken op naam van de subsidieontvanger blijft staan;

    • c.

      in geval van operation lease het kenteken met ingang van de dag van feitelijke levering van de vrachtauto op naam staat van de leasemaatschappij en tenminste drie jaar onafgebroken op naam van de leasemaatschappij blijft staan;

    • d.

      de subsidieontvanger de vrachtauto, onverminderd het bepaalde in artikel 1.4.7, tenminste drie jaar onafgebroken vanaf de datum van de subsidiebeschikking gebruikt;

    • e.

      de subsidieontvanger aan Gedeputeerde Staten jaarlijks vóór 1 februari een afschrift van de jaarlijkse APK-rapporten verstrekt.

  • 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 1.4.4 meldt de subsidieontvanger aan Gedeputeerde Staten de volgende omstandigheden binnen twee weken nadat de omstandigheid heeft plaatsgevonden:

    • a.

      de vermelding van de subsidieontvanger in het Handelsregister is ingetrokken, of gegevens in verband met die vermelding zijn gewijzigd;

    • b.

      de tenaamstelling als bedoeld in artikel 25 van het Kentekenreglement van de vrachtauto is ingetrokken, of gegevens in verband met deze tenaamstelling zijn gewijzigd;

    • c.

      het kentekenbewijs als bedoeld in artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 van de vrachtauto is ingetrokken, of gegevens in dat kentekenbewijs zijn gewijzigd; of

    • d.

      de communautaire vergunning van de subsidieontvanger is ingetrokken, of gegevens in die vergunning zijn gewijzigd.

Artikel 5.11.11 Verplichtingen bij aanvraag subsidievaststelling

  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.3 word bij de aanvraag om vaststelling in ieder geval een afschrift van het kentekenbewijs als bedoeld in artikel 36 van de Wegenverkeerswet van de vrachtauto verstrekt.

  • 2 Indien de vrachtauto wordt gebruikt of mede wordt gebruikt voor beroepsvervoer en op de subsidieontvanger geen vrijstelling op grond van artikel 4 van het Besluit wegvervoer goederen van toepassing is, wordt bij de aanvraag om vaststelling van subsidie een gewaarmerkt afschrift van de communautaire vergunning van de subsidieontvanger verstrekt.

Artikel 5.11.12 Indieningstermijn aanvraag subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1.4.1, eerste lid, is de subsidieontvanger verplicht om binnen 26 weken na de beschikking tot verlening van de subsidie de aanvraag om vaststelling van subsidie in te dienen.

Artikel 5.11.13 Communautair toetsingskader

Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 36 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 5.12 Slimme Mobiliteit

Artikel 5.12.1. Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    regionaal uitvoeringsplan Slimme Mobiliteit: plan van de regio voor Slimme Mobiliteit;

  • b.

    regio: Arnhem Nijmegen City Region, Regio FoodValley, Regio Achterhoek, Regio Rivierenland, Regio Stedendriehoek en de meervoudige centrumregeling Noord-Veluwe;

  • c.

    Slimme Mobiliteit: toepassing of gebruik van nieuwe techniek, data, diensten, kennis en mogelijkheden voor gedragsbeïnvloeding met als doel bestaande infrastructuur beter te benutten.

Artikel 5.12.2 Regionaal uitvoeringsplan Slimme Mobiliteit

  • 1. Op verzoek van een regio kunnen Gedeputeerde Staten een regionaal uitvoeringsplan Slimme Mobiliteit goedkeuren.

  • 2. Gedeputeerde Staten verlenen goedkeuring aan het plan als aan de volgende vereisten wordt voldaan:

    • a.

      het plan bevat projecten gericht op Slimme Mobiliteit;

    • b.

      het plan bevat een beschrijving van de voorgenomen aanpak voor het verrichten van de beschreven projecten;

    • c.

      het plan bevat een sluitende begroting, en

    • d.

      het plan past binnen de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Werkagenda Slimme Mobiliteit.

Artikel 5.12.3 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de uitvoering van een regionaal uitvoeringsplan Slimme Mobiliteit.

Artikel 5.12.4 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien Gedeputeerde Staten het regionaal uitvoeringsplan Slimme Mobiliteit van de betreffende regio hebben goedgekeurd.

Artikel 5.12.5 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.

    een deelnemende gemeente als bedoeld in de Regeling Gemeenschappelijk Orgaan Arnhem Nijmegen City Region;

  • b.

    Regio FoodValley;

  • c.

    Regio Achterhoek;

  • d.

    Regio Rivierenland;

  • e.

    Regio Stedendriehoek;

  • f.

    een gastheergemeente als bedoeld in de meervoudige centrumregeling Noord-Veluwe 2017

Artikel 5.12.6 Subsidiabele kosten

Kosten voor de uitvoering van een regionaal uitvoeringsplan Slimme Mobiliteit die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend, komen in afwijking van artikel 1.3.5, aanhef en onder b, voor subsidie in aanmerking als deze zijn gemaakt in het kalenderjaar waarin Gedeputeerde Staten het regionale uitvoeringsplan Slimme Mobiliteit hebben goedgekeurd.

Artikel 5.12.7 Indieningstermijn

De aanvraag om subsidie wordt ingediend binnen 13 weken nadat Gedeputeerde Staten het regionale uitvoeringsplan Slimme Mobiliteit hebben goedgekeurd.

Artikel 5.12.8 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal de bijdrage van de provincie Gelderland die in het regionale uitvoeringsplan Slimme Mobiliteit is opgenomen.

Artikel 5.12.9 Aanvraag

Als de subsidie wordt aangevraagd door een deelnemende gemeente of een gastheergemeente, dan wordt bij de aanvraag onverminderd artikel 1.2.3 een verklaring overlegd waaruit blijkt dat de deelnemende gemeente of de gastheergemeente als zodanig is aangewezen door de andere gemeenten in de Regeling Gemeenschappelijk Orgaan Arnhem Nijmegen City Region of de meervoudige centrumregeling Noord-Veluwe 2017.

Artikel 5.12.10 Vaststelling

In afwijking van de artikelen 25 en 26 van de AsG is artikel 27 van de AsG van toepassing op de vaststelling van alle subsidies op grond van deze paragraaf, met dien verstande dat voor subsidies tot €125.000 in plaats van een accountantsverklaring kan worden volstaan met een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG.

Hoofdstuk 6 Regionale economie

Paragraaf 6.1 Algemene bepalingen

Artikel 6.1.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    Actieplan Vrijetijdseconomie: het actieplan zoals vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van Gelderland van 22 mei 2012;

  • b.

    arbeidsmarktdiscrepantie: kwalitatief of kwantitatief verschil tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt;

  • c.

    arm’s length-voorwaarden: de voorwaarden van de transactie tussen de contractpartijen die niet afwijken van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en die geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding behelzen. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure wordt geacht te voldoen aan het arm's length-beginsel;

  • d.

    basisvoorwaarden: voorwaarden waaraan een business case moet voldoen, zijnde duidelijkheid omtrent een beproefde techniek, aangetoonde marktkansen, een beschouwing van de financiering van de marktintroductie en de organisatorische inbedding van de marktintroductie;

  • e.

    [vervallen]

  • f.

    [vervallen]

  • g.

    vervallen;

  • h.

    bedrijventerrein: terrein in gebruik van meer dan één bedrijf, dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening;

  • i.

    [vervallen]

  • j.

    [vervallen]

  • k.

    concept: een schriftelijke uitwerking van een innovatie met een onderbouwing ter voldoening aan ten minste één van de basisvoorwaarden;

  • l.

    daadwerkelijke samenwerking: samenwerking tussen ten minste twee onafhankelijke partijen om kennis of technologie uit te wisselen of om een gemeenschappelijke doelstelling op basis van een taakverdeling te bereiken, waarbij de partijen samen de omvang van het samenwerkingsproject bepalen, bijdragen aan de tenuitvoerlegging ervan, en het risico en de resultaten ervan delen. Eén of meer partijen kunnen de volledige kosten van het project dragen en zodoende de andere partijen bevrijden van de aan het project verbonden financiële risico's. Contractonderzoek en het verrichten van onderzoeksdiensten worden niet als vormen van samenwerking beschouwd.

  • m.

    demonstratiefabriek: een productielocatie waar een bewezen technologie op industriële schaal wordt toegepast en verbeterd en de op die productielocatie opgedane kennis en ervaring wordt gedeeld met MKB-ondernemingen;

  • n.

    economische spin-off: het realiseren van de additionele opbrengsten door het vergroten van bestedingen van bezoekers, deelnemers, media en de organisaties in Gelderland;

  • o.

    [vervallen]

  • p.

    [vervallen]

  • q.

    experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten. Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;

  • r.

    haalbaarheidsproject: haalbaarheidsproject: een project ten behoeve van een innovatie dat bestaat uit een haalbaarheidsstudie of een combinatie van een haalbaarheidsstudie en experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek;

  • s.

    haalbaarheidsstudie: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn;

  • t.

    [vervallen]

  • u.

    industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving en/of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie;

  • v.

    innovatie: het proces waarbij kennis en technologie, worden samengebracht met het benutten van marktkansen voor nieuwe of betere producten, diensten en zakelijke processen ten opzichte van wat al op de markt beschikbaar is;

  • w.

    innovatieadviesproject: een door een kennisinstelling of een onafhankelijke adviesorganisatie, niet zijnde de aanvrager, ten behoeve van een innovatie verrichte activiteit bestaande uit het, al dan niet op basis van te verrichten nader onderzoek, adviseren over een toepassingsgerichte kennisvraag van een ondernemer, uitgaande van voor de ondernemer nieuwe kennis met betrekking tot de vernieuwing van producten, productieprocessen of diensten, dan wel het verstrekken van innovatiesteun in de vorm van innovatieadviesdiensten of innovatieondersteuningsdiensten als bedoeld in artikel 2, nummers 94 en 95 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • x.

    innovatieprogramma Topsectoren: programma zoals bedoeld in artikel 3.4.2 van de Regeling nationale EZ-subsidies en gepubliceerd in Staatscourant 2015, 10567 en te raadplegen op www.op-oost.eu of daarvoor in de plaats tredende programma’s;

  • y.

    innovatieve onderneming: een onderneming

    • i.

        die aan de hand van een door een externe deskundige uitgevoerde evaluatie kan aantonen dat zij in de voorzienbare toekomst producten, diensten of procedés zal ontwikkelen die in technologisch opzicht nieuw zijn of een wezenlijke verbetering inhouden ten opzichte van de huidige stand van de techniek in deze sector, en die een risico op technologische of industriële mislukking inhouden; of

    • ii.

        waarvan de kosten voor onderzoek en ontwikkeling ten minste 10 % bedragen van haar totale exploitatiekosten in ten minste één van de drie jaren voorafgaande aan de toekenning van de steun of, in het geval van een startende onderneming zonder enige financiële voorgeschiedenis, bij de audit van haar lopende belastingjaar, gecertificeerd door een onafhankelijke accountant;

  • z.

    kennisinstelling: een instelling zoals bedoeld in artikel 3.4.1, eerste lid, van de Regeling nationale EZ-subsidies of een daarvoor in de plaats tredende regeling;

  • aa.

    kernsport: atletiek, judo, tennis, hippische sport, volleybal en wielersport;

  • bb.

    kernsportbond:

    • i.

      atletiek: Koninklijke Nederlandse Atletiekunie en Koninklijke Wandel Bond Nederland;

    • ii.

      hippische sport: Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie;

    • iii.

      wielersport: Koninklijke Nederlandsche Wielerunie en Nederlandse Toerfietsunie;

    • iv.

      volleybal: Nederlanse Volleybalbond;

    • v.

      judo: Judobond Nederland;

    • vi.

      tennissport: Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond;

  • cc.

    maakindustrie: het met behulp van machines bedrijfsmatig bewerken van grondstoffen en produceren van halffabricaten en eindproducten voor de commerciële markt;

  • dd.

    [vervallen]

  • ee.

    marktintroductie: overgang van de eindfase van het innovatieproces naar de pioniersfase van ondernemerschap; fase waarin afnemers en producenten van innovatieve producten overeenkomsten aangaan;

  • ff.

    MKB-onderneming: een onderneming die behoort tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van artikel 2 van de bijlage bij de Aanbeveling (EG) nr. 2003/361 van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124);

  • gg.

    multisportevenement: een sportevenement, dat bestaat uit wedstrijden tussen georganiseerde teams of individuele sporters in meer dan twee verschillende sporten.

  • hh.

    ondersteunende sector: de sectoren ICT, water, creatieve industrie, chemie of maakindustrie;   startende onderneming: een kleine onderneming tot vijf jaar na haar registratie, die nog geen winst heeft uitgekeerd en niet uit een fusie is ontstaan. Voor een onderneming die zich niet hoeft te laten registreren, kan de periode van vijf jaar geacht worden aan te vangen op het tijdstip dat de onderneming ofwel haar economische activiteiten aanvangt of belastingplichtig wordt voor haar economische activiteiten

  • ii.

    [vervallen]

  • jj.

    Nationale Topevenementenkalender: Nationale Topevenementenkalender als bedoeld in het Beleidskader sportevenementen van de minister van VWS, bekendgemaakt op 17 maart 2015;

  • kk.

    [vervallen]

  • ll.

    primaire landbouwproductie: de in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de EU vermelde producten van de bodem en van de veehouderij die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van deze producten wijzigt;

  • mm.

    proeftuinen: fysieke of virtuele proefomgeving voor meerdere onafhankelijke ondernemingen en organisaties waar eindgebruikers van innovatieprojecten of innovatieprocessen in participeren teneinde te komen tot versnelde marktintroducties van een innovatief product;

  • nn.

    programma van side events: een plan tot uitvoering van twee of meer side events;

  • oo.

    programma: samenhangende reeks van projecten en activiteiten met een gezamenlijk doel;

  • pp.

    regiocontract: contract tussen enerzijds provincie en anderzijds regio's en steden in het kader van het Programma Stad en Regio;

  • qq.

    Regionale Bureaus voor Toerisme: organisaties ter bevordering van toerisme per regio zoals aangegeven op een als bijlage bij onderhavige subsidieregeling gevoegde kaart;

  • rr.

    Regionale Centra voor Technologie: de stichting Achterhoeks Centrum voor Technologie te Doetinchem, de stichting Platform Creatieve Technologie te Arnhem, de stichting RCT Rivierenland te Tiel, de stichting RCT Vallei te Ede, stichting Regionaal Nijmeegs Centrum voor Technologie te Nijmegen, stichting Innovatienetwerk Stedendriehoek te Apeldoorn, de stichting Veluws Centrum voor Technologie te Nunspeet;

  • ss.

    Specifieke route: een fiets-, wandel-, mountainbike-, ruiter-, men- of vaarroute die nuttige of interessante plaatsen op basis van de aantrekkelijkheid van het landschap met elkaar verbindt aan de hand van een specifiek thema of in een specifiek gebied;

  • tt.

    side event: nevenactiviteit voor, tijdens of na het sportevenement, dat een duidelijke verbinding heeft met het sportevenement en gericht is op het vergroten van de maatschappelijk of economische spin-off van het sportevenement;

  • uu.

    sportbond: vereniging die op nationaal niveau representatief is voor een of meer takken van sport en aangesloten is bij een internationale bond;

  • vv.

    [vervallen]

  • ww.

    sporttalent: sporter, woonachtig in Gelderland, aan wie door NOC*NSF de Topsport Talentstatus is toegekend of door Stichting Topsport Gelderland de status van Gelders sporttalent;

  • xx.

    [vervallen]

  • yy.

    vrijetijdseconomie: de economie die bestaat uit ondernemingen die zich in hoofdzaak bezighouden met dienstverlening ten behoeve van (dag)recreanten en toeristen;

  • zz.

    WESP-methodiek: methode van onderzoek volgens de richtlijnen van de landelijke Werkgroep Evaluatie Sportevenementen;

  • aaa.

    [vervallen]

  • bbb.

     Regionaal multisporttalentencentrum: een organisatie gericht op de opleiding van een geselecteerde groep talenten in diverse sporten;

  • ccc.

    Regionaal Talentencentrum: een organisatie gericht op de opleiding van een geselecteerde groep talenten binnen een kernsport;

  • ddd.

    Long Term Athlete Development: model, toegepast door NOC/NSF en de stichting Topsport Gelderland, dat specifieke informatie bevat over training, competitie en herstel gebaseerd op de ontwikkeling van sporters op verschillende niveaus en in alle leeftijdsfasen;

  • eee.

    sportgenerieke knowhow: kennis en vaardigheden op de volgende deelgebieden: de mentale kant van prestatiegedrag, sportvoeding en gezonde leefstijl, krachttraining, sport medische kunde, combinatie school en sport, antidoping en communicatie en media;

  • fff.

    sportieve buitenruimte: een ruimte in de buitenlucht die door haar ligging en voorzieningen stimuleert om te gaan sporten;

  • ggg.

    sportparkorganisatie: een rechtspersoon zonder winstoogmerk of een als verbonden partij van een gemeente aan te merken rechtspersoon, die het beheer voert over een terrein met gebouwen, velden en andere voorzieningen voor meer dan één sportvereniging;

  • hhh.

    sportvereniging: een vereniging of andere rechtspersoon zonder winstoogmerk voor personen die met elkaar een of meer sporten beoefenen of hierbij nauw betrokken zijn

  • iii.

    topsporttalentschool: een school die beschikt over een licentie Topsporttalentschool als bedoeld in de Beleidsregel verstrekking licentie Topsporttalentschool VO van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • jjj.

    topsportvriendelijke school: een school voor voortgezet, middelbaar of hoger beroepsonderwijs of universiteit met een specifiek beleid gericht op topsport en onderwijs, op grond waarvan sporttalenten tijd en begeleiding krijgen om opleiding en sportcarrière te combineren;

  • kkk.

    tweederingskernsport: golf, gymnastiek, handbal, hockey, schaatsen (inclusief skeeleren), schermen, vrouwenvoetbal, waterpolo of zwemmen;

  • lll.

    Uitvoeringsbeleid Gelderland Sport: het Uitvoeringsbeleid van Gedeputeerde Staten ter uitvoering van het programma Gelderland Sport! 2016-2019 (PS2015-589);

  • mmm.

    MKB-innovatiestimuleringsplan: het innovatiestimuleringsplan van een topsector of een daarvoor in de plaats tredend programma, zoals gepubliceerd op https://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/topsectoren-mit;

  • nnn.

    MIT-R&D-samenwerkingsproject: project, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerking uitgevoerd door een MIT-R&D-samenwerkingsverband;

  • ooo.

    MIT-R&D-samenwerkingsverband: verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemers, welk verband is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een MIT-R&D-samenwerkingsproject.

Paragraaf 6.2 Verbeteren positie van starters

Vervallen per 13 juli 2016

Paragraaf 6.3 Versnellen van innovaties in logistiek, vrijetijdseconomie en de creatieve sector

Vervallen per 13 juli 2016

Paragraaf 6.4 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie in logistiek, vrijetijdseconomie, land- en tuinbouw en de creatieve sector

Vervallen per 1 mei 2016

Paragraaf 6.5 Collectief onderzoek

Vervallen per 13 juli 2016

Paragraaf 6.6 Projectsubsidie

Vervallen per 13 juli 2016

Paragraaf 6.7 Onderzoeksinfrastructuur voor economische activiteiten

Vervallen per 13 juli 2016

Paragraaf 6.8 Kwaliteitsverbetering en meeropbrengst ondernemingen vrijetijdseconomie

[vervallen]

Paragraaf 6.9 Samenwerkingsinitiatieven vrijetijdseconomie

[vervallen]

Paragraaf 6.10 Versterking routes voor fietsen, wandelen, mountainbiken, paardrijden, mennen en varen

Artikel 6.10.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de uitwerking van een businesscase voor de ontwikkeling of doorontwikkeling van een specifieke route.

Artikel 6.10.2 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor het inhuren van een externe adviseur.

Artikel 6.10.3 Aanvrager

Subsidie als bedoeld in artikel 6.10.1 wordt verstrekt aan een rechtspersoon die blijkens zijn statuten of akte van oprichting of blijkens zijn feitelijke werkzaamheden mede de ontwikkeling of het onderhoud van specifieke routes tot doel heeft.

Artikel 6.10.4 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste € 3.000.

  • 2. Per route wordt ten hoogste een maal subsidie verstrekt.

Artikel 6.10.5 Verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht om binnen 26 weken na de subsidievaststelling de businesscase als bedoeld in artikel 6.10.1 te overleggen.

Paragraaf 6.11 Marketing en promotie vrijetijdseconomie

Artikel 6.11.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    generieke marketing voor en promotie van de provincie Gelderland, en

  • b.

    marketing voor en promotie van Gelderse regio's ter bevordering van de vrijetijdseconomie.

Artikel 6.11.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt ten behoeve van:

  • 1.

    activiteiten ter uitvoering van het beleidskader Economie: werken aan de economie van de toekomst. Circulair, innovatief en internationaal (PS2016-385) zover deze betrekking heeft op de versterking van de vrijetijdseconomie en

  • 2.

    activiteiten, genoemd onder 6.11.1.b, die in onderlinge afstemming met alle andere Regionale bureaus voor toerisme tot stand zijn gekomen.

Artikel 6.11.3 Aanvrager

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 6.11, aanhef en onder a, wordt verstrekt aan de Stichting Toerisme Gelderland.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 6.11, aanhef en onder b, wordt verstrekt aan Regionale bureaus voor toerisme.

Artikel 6.11.4 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 6.11, aanhef en onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 750.000.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 6.11, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 50.000.

Paragraaf 6.12 Haalbaarheidsprojecten MKB

Artikel 6.12.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de uitvoering van een haalbaarheidsproject passend binnen het MKB-innovatiestimuleringsplan van een van de volgende topsectoren:

  • a.

    High Tech Systemen & Materialen en ICT;

  • b.

    Agri en Food;

  • c.

    Life Sciences and Health;

  • d.

    Chemie en Energie inclusief biobased Economy;

  • e.

    Tuinbouw en Uitgangsmaterialen.

Artikel 6.12.2 Criteria

  • 1. Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit:

    • a.

      innovatief is, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat:

      • i.

        de innovatie uniek is voor Nederland;

      • ii.

        de innovatie zich onderscheidt ten opzichte van internationale ontwikkelingen of alternatieven;

      • iii.

        de innovatie een technologisch of organisatorisch risico met zich meebrengt om het project als innovatie te rechtvaardigen;

    • b.

      economisch perspectief heeft, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat:

      • i.

        de innovatie marktperspectief heeft;

      • ii.

        het beoogde verdienmodel haalbaar is;

      • iii.

        het intellectueel eigendom beschermd kan worden;

      • iv.

        de aanvrager kan aantonen dat hij een marktbenadering kan uitvoeren; en

    • c.

      technisch-financieel uitvoerbaar is, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat:

      • i.

        de subsidiabele activiteit binnen de in artikel 6.12.8 gestelde termijn gerealiseerd kan worden;

      • ii.

        de uitvoerders vakbekwaam zijn om de subsidiabele activiteit uit te voeren;

      • iii.

        de risico’s voor de uitvoering en bijbehorende beheersmaatregelen zijn uitgewerkt;

      • iv.

        de subsidiabele activiteit binnen het budget kan worden uitgevoerd;

      • v.

        de aanvrager in aanvulling op de subsidie de beschikking heeft over de financiële middelen voor de subsidiabele activiteit.

  • 2. Aan de subsidiabele activiteit wordt een score van maximaal 50 punten toegekend.

  • 3. De punten worden als volgt over de criteria verdeeld:

    • a.

      maximaal 15 punten voor het criterium, genoemd in artikel 6.12.2, eerste lid, aanhef en onder a;

    • b.

      maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in artikel 6.12.2, eerste lid, aanhef en onder b;

    • c.

      maximaal 15 punten voor het criterium, genoemd in artikel 6.12.2, eerste lid, aanhef en onder c.

Artikel 6.12.3 Weigeringsgronden

  • 1. Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit niet voor ten minste 60% van de subsidiabele kosten betrekking heeft op een haalbaarheidsstudie en voor ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten betrekking heeft op experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek.

  • 2. Subsidie wordt geweigerd indien de aanvrager op grond van artikel 6.12.1 binnen het ten tijde van de aanvraag geldende subsidieplafond reeds subsidie heeft ontvangen.

  • 3. Voor zover door verstrekking van subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden, wordt de subsidie geheel geweigerd.

  • 4. De subsidie wordt geweigerd indien:

    • a.

      er voor enig criterium, genoemd in artikel 6.12.2, eerste lid, een score van minder dan 10 punten wordt toegekend; en

    • b.

      aan de subsidiabele activiteit niet ten minste een score van 30 punten wordt toegekend.

Artikel 6.12.4 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor zover de subsidie betrekking heeft op experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek komen in aanmerking:

    • a.

      personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

    • b.

      kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkend boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

    • c.

      kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

    • d.

      bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

  • 2. Voor zover de subsidie betrekking heeft op een haalbaarheidsstudie komen de kosten van de studie in aanmerking.

Artikel 6.12.5 Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt verstrekt aan MKB-ondernemingen.

  • 2. In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 6.12.6 Aanvraag

  • 1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie ingediend tenminste zeven weken voor de aanvang van de subsidiabele activiteit.

  • 2. Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag een schriftelijke onderbouwing verstrekt waaruit blijkt op welke wijze aan de criteria als bedoeld in artikel 6.12.2 wordt voldaan.

  • 3. De aanvraag kan worden ingediend vanaf 9.00 uur op 17 april 2018 tot 17:00 uur op 6 september 2018.

Artikel 6.12.7 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 24.999.

Artikel 6.12.8 Verplichtingen

  • 1. De subsidiabele activiteit is binnen twaalf maanden na datum van de beschikking tot subsidieverlening afgerond.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen de in het eerste lid genoemde termijn met maximaal 6 maanden verlengen, indien handhaving van de in dat lid bedoelde termijn onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.

Artikel 6.12.9 Communautair toetsingskader

Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover dat niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.12a MIT-R&D-samenwerkingsprojecten

Artikel 6.12a.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de uitvoering van een MIT-R&D-samenwerkingsproject door een MIT-R&D-samenwerkingsverband.

Artikel 6.12a.2 Criteria

  • 1. Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de topsector High Tech Systemen & Materialen en ICT, Agri & Food, Life Sciences & Health, Chemie en Energie inclusief Biobased Economy of Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, al dan niet in combinatie met een andere topsector of ondersteunende sector;

    • b.

      de subsidiabele activiteit past in het MKB-innovatiestimuleringsplan van de desbetreffende topsector;

    • c.

      geen van de partijen in het MIT-R&D-samenwerkingsverband meer dan 70% van de subsidiabele kosten van het MIT-R&D-samenwerkingsproject voor zijn rekening neemt, en

    • d.

      ten minste 50% van de subsidiabele kosten van het MIT-R&D-samenwerkingsproject voor rekening komt van deelnemers aan het MIT-R&D-samenwerkingsverband met een vestiging in Gelderland of Overijssel.

  • 2. De subsidiabele activiteit wordt beoordeeld op de mate waarin:

    • a.

      er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht;

    • b.

      er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het MIT-R&D-samenwerkingsverband, de in het eerste lid, aanhef en onder a genoemde sectoren of de Gelderse economie;

    • c.

      de kwaliteit van het MIT-R&D-samenwerkingsverband hoger is, ten minste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie, en

    • d.

      er meer sprake is van sector overstijgende combinaties, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a die niet conventioneel zijn.

  • 3. Aan de activiteiten wordt een score van maximaal 100 punten toegekend.

  • 4. De punten worden als volgt over de criteria verdeeld:

    • a.

      maximaal 30 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder a;

    • b.

      maximaal 30 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder b;

    • c.

      maximaal 30 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder c;

    • d.

      maximaal 10 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder d.

Artikel 6.12a.3 Weigeringsgronden

  • 1. Subsidie wordt geweigerd indien een MKB-ondernemer in het MIT-R&D-samenwerkingsverband ten behoeve van hetzelfde MIT-R&D-samenwerkingsproject reeds subsidie heeft aangevraagd of ontvangen. Subsidie wordt voorts geweigerd indien een MKB-ondernemer in het MIT-R&D-samenwerkingsverband binnen het ten tijde van de aanvraag geldende subsidieplafond reeds subsidie heeft ontvangen.

  • 2. Voor zover door verstrekking van subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden, wordt de subsidie geheel geweigerd.

  • 3. De subsidie wordt geweigerd indien:

    • a.

      er voor het criterium, genoemd in artikel 6.12a.2, tweede lid, aanhef en onder a een score van minder dan 10 punten wordt toegekend;

    • b.

      er voor het criterium, genoemd in artikel 6.12a.2, tweede lid, aanhef en onder b een score van minder dan 10 punten wordt toegekend;

    • c.

      er voor het criterium, genoemd in artikel 6.12a.2, tweede lid, aanhef en onder c een score van minder dan 10 punten wordt toegekend, en

    • d.

      aan de subsidiabele activiteit niet ten minste een score van 50 punten wordt toegekend.

Artikel 6.12a.4 Subsidiabele kosten

De subsidiabele kosten zijn de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 6.12a.5 Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt verstrekt aan de MKB-onderneming die blijkens de aanvraag optreedt als penvoerder van het MIT-R&D-samenwerkingsverband.

  • 2. De aanvraag kan worden ingediend vanaf 9.00 uur op 2 juli 2018 tot 17:00 uur op 6 september 2018.

Artikel 6.12a.6 Aanvraag

  • 1. Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag een schriftelijke onderbouwing verstrekt waar uit blijkt op welke wijze aan de criteria als bedoeld in artikel 6.12a.2 wordt voldaan.

  • 2. Aanvragen worden op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde geplaatst.

Artikel 6.12a.7 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten, met een minimum van € 50.000 en een maximum van € 350.000 per MIT-R&D-samenwerkingsproject.

  • 2. De subsidie per MKB-ondernemer in het MIT-R&D-samenwerkingsverband bedraagt:

    • a.

      minimaal € 25.000 en maximaal € 100.000 indien het subsidiebedrag per MIT-R&D-samenwerkingsproject maximaal € 200.000 is, en

    • b.

      minimaal € 25.000 en maximaal € 175.000 indien het subsidiebedrag per MIT-R&D-samenwerkingsproject meer dan € 200.000 en maximaal € 350.000 is.

Artikel 6.12a.8 Verplichtingen

  • 1. De subsidiabele activiteit is binnen twee jaar na subsidieverlening voltooid.

  • 2. Met uitvoering van de subsidiabele activiteit wordt binnen zes maanden na subsidieverlening gestart.

Artikel 6.12a.9 Communautair toetsingskader

Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover dat niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.13 Slimme en schone demonstratiefabrieken

Artikel 6.13.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het realiseren van een demonstratiefabriek.

Artikel 6.13.2 Criteria

  • 1. Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de Maakindustrie.

  • 2. Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit:

    • a.

      een demonstratiefabriek betreft die slim is, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat:

      • i.

        productieprocessen zijn gedigitaliseerd, en

      • ii.

        het productieproces digitaal aansluit op overige bedrijfsprocessen.

    • b.

      een demonstratiefabriek betreft die schoon is, te bepalen op basis van de mate waarin aannemelijk is gemaakt dat bij de realisatie van en het productieproces in de demonstratiefabriek:

      • i.

        hernieuwbare energie wordt gebruikt, en

      • ii.

        hergebruikte grondstoffen, producten en materialen worden ingezet, en

    • c.

      met inbegrip van het ontwerp ervan, wordt gedemonstreerd aan MKB-ondernemingen, te bepalen op basis van de kwaliteit van de demonstraties en het bereik bij de doelgroep.

  • 3. Aan de subsidiabele activiteit wordt een score van maximaal 100 punten toegekend.

  • 4. De punten worden als volgt over de criteria verdeeld:

    • a.

      maximaal 15 punten voor het criterium, genoemd in artikel 6.13.2, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel i;

    • b.

      maximaal 15 punten voor het criterium, genoemd in artikel 6.13.2, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel ii;

    • c.

      maximaal 15 punten voor het criterium, genoemd in artikel 6.13.2, tweede lid, aanhef en onder b, onderdeel i;

    • d.

      maximaal 15 punten voor het criterium, genoemd in artikel 6.13.2, tweede lid, aanhef en onder b, onderdeel ii;

    • e.

      maximaal 40 punten voor het criterium, genoemd in artikel 6.13.2, tweede lid, aanhef en onder c.

Artikel 6.13.3 Weigeringsgronden

  • 1. Per aanvrager wordt slechts één keer subsidie verstrekt.

  • 2. Subsidie wordt geweigerd indien:

    • a.

      er voor het criterium, genoemd in artikel 6.13.2, tweede lid, aanhef en onder a een score van minder dan 18 punten wordt toegekend;

    • b.

      er voor het criterium, genoemd in artikel 6.13.2, tweede lid, aanhef en onder b een score van minder dan 18 punten wordt toegekend;

    • c.

      er voor het criterium, genoemd in artikel 6.13.2, tweede lid, aanhef en onder c een score van minder dan 25 punten wordt toegekend.

Artikel 6.13.4 Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen.

  • 2. De aanvraag kan worden ingediend vanaf 9.00 uur op 1 mei 2018 tot 17:00 uur op 31 augustus 2018.

Artikel 6.13.5 Aanvraag

Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag een schriftelijke onderbouwing verstrekt waar uit blijkt op welke wijze aan de criteria als bedoeld in artikel 6.13.2 wordt voldaan.

Artikel 6.13.6 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste € 200.000.

Artikel 6.13.7 Verplichtingen

De subsidiabele activiteit is binnen vijf jaar na datum van de beschikking tot subsidieverlening afgerond.

Paragraaf 6.14 Projectsubsidie

Vervallen per 13 juli 2016

Paragraaf 6.15 Onderzoeksinfrastructuur voor economische activiteiten

Artikel 6.15.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur waarmee economische activiteiten worden verricht.

Artikel 6.15.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health of Maakindustrie;

  • b.

    de infrastructuur wordt gebruikt voor industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;

  • c.

    de prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de infrastructuur wordt berekend, overeenstemt met een marktprijs; en

  • d.

    de toegang tot de infrastructuur open staat voor meerdere gebruikers en op transparante en niet-discriminerende basis wordt verleend. Ondernemingen die ten minste 10% van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden.

Artikel 6.15.3 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van de investeringen in immateriële en materiële activa.

Artikel 6.15.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 300.000.

Artikel 6.15.5 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met artikel 26 en hoofdstuk I van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.16 Proeftuinen ten behoeve van marktintroducties

Artikel 6.16.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het ontwikkelen van proeftuinen ten behoeve van marktintroducties door een innovatiecluster;

  • b.

    het generiek promoten van het Gelderse proeftuinklimaat;

  • c.

    het generiek promoten van het Gelderse ondernemingsklimaat voor innoverende ondernemingen.

Artikel 6.16.2 Criteria

  • 1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health of Maakindustrie.

  • 2 Subsidie als bedoeld in artikel 6.16.1, onder c, wordt slechts verstrekt indien de aanvrager daarbij voor gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met ten minste één andere onderneming, kennisinstelling of publiekrechtelijke rechtspersoon en de voorwaarden voor de samenwerking schriftelijk zijn vastgelegd.

Artikel 6.16.3 Aanvrager

  • 1 Subsidie als bedoeld in artikel 6.16.1, onder a, wordt verstrekt aan de onderneming die het innovatiecluster exploiteert (de clusterorganisatie).

  • 2 Subsidie als bedoeld in artikel 6.16.1, onder b, wordt verstrekt aan Valleybureaus en Regionale Centra voor Technologie.

  • 3 Subsidie als bedoeld in artikel 6.16.1, onder c, wordt verstrekt aan:

    • a.

      gemeenten;

    • b.

      openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • c.

      privaatrechtelijke rechtspersonen.

Artikel 6.16.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 200.000.

Artikel 6.16.5 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit betrekking heeft op de realisatie, verkrijging, gebruik of beheer van onroerende zaken en infrastructuur.

Artikel 6.16.6. Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 6.16.1, onder a, slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 27 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.17 Ondersteunen innovatieve starters

Vervallen per 13 juli 2016

Paragraaf 6.18 Innovatieve starters Novio Tech Campus

Artikel 6.18.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    consulting, bijstand en opleiding ter bevordering van ondernemerschap;

  • b.

    huur van bedrijfsruimte.

Artikel 6.18.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health of Maakindustrie;

  • b.

    de aanvrager een startende onderneming is;

  • c.

    de aanvrager een innovatieve onderneming is; en

  • d.

    de aanvrager statutair en feitelijk is gevestigd op de Novio Tech Campus zoals aangeduid en begrensd door de gemeenteraad van Nijmegen in zijn besluit van 29 april 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan Nijmegen Goffert-Winkelsteeg-4 (NTC).

Artikel 6.18.3 Aanvrager

  • 1 Subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen.

  • 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.

Artikel 6.18.4 Aanvraag

  • 1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, AsG dient de aanvraag om subsidie te worden ingediend tenminste 4 weken voor de aanvang van de activiteiten.

  • 2 Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag om subsidie zoals bedoeld in artikel 6.18.1, onder b, in elk geval een door de verhuurder en aanvrager ondertekende huurovereenkomst gevoegd waaruit blijkt dat de aanvrager voor een periode van ten minste drie jaren vanaf het moment van subsidieverlening bedrijfsruimte huurt op de Novio Tech Campus.

Artikel 6.18.5 Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt ten hoogste:

    • a.

      75% van de kosten met een maximum van € 5.000 voor de subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 6.18.1, onder a;

    • b.

      50% van de kosten met een maximum van € 24.500 voor de subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 6.18.1, onder b.

  • 2 De subsidie als bedoeld in artikel 6.18.1, onder b, kan worden aangevraagd voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten kalenderjaren.

Artikel 6.18.6 Verplichtingen

De aanvrager van subsidie zoals bedoeld in artikel 6.18.1, onder b, is verplicht om vanaf het moment van subsidieverlening gedurende een periode van ten minste drie jaren statutair en feitelijk gevestigd te blijven op de Novio Tech Campus.

Artikel 6.18.7 Communautair toetsingskader

In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 22 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf 6.19 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie sectoren Food, Health of Maakindustrie

Vervallen per 1 mei 2016

Paragraaf 6.20 Ondersteuning Valleybureaus als innovatiecluster

Vervallen per 13 juli 2016

Paragraaf 6.21 Aanjagen en stimuleren van regionale gebiedsontwikkeling

Vervallen per 13 juli 2016

Paragraaf 6.22 Herstructurering van een bedrijventerrein

Artikel 6.22.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het opstellen van een herstructureringsplan voor een bedrijventerrein;

  • b.

    de uitvoering van maatregelen op het bedrijventerrein, zoals omschreven in het herstructureringsplan.

Artikel 6.22.2 Criteria

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 6.22.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien er sprake is van door ondernemers en gemeente gesignaleerde ruimtelijke knelpunten op het publieke en private gedeelte van een bedrijventerrein die het optimaal functioneren van bedrijven op het bedrijventerrein bemoeilijken.

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 6.22,1 onder b, wordt slechts verstrekt indien

    • a.

      sprake is van aantoonbare betrokkenheid van betrokken ondernemers bij de uitvoering van de maatregelen; en

    • b.

      aan de activiteit een plan ten grondslag ligt dat de volgende elementen bevat:

      • i.

        een beschrijving van de ruimtelijke knelpunten op het publieke en private gedeelte van het bedrijventerrein;

      • ii.

        de uit te voeren herstructureringsmaatregelen;

      • iii.

        een financieringsplan; en

      • iv.

        een planning van de uitvoering.

  • 3. Subsidie wordt slechts verstrekt indien de aanvrager minimaal 20% van de totale subsidiabele kosten draagt.

Artikel 6.22.3 Aanvrager

Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.

Artikel 6.22.4 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste:

  • a.

    50% van de kosten tot een maximum van €25.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.22.1,onder a;

  • b.

    50% van de kosten tot een maximum van €500.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 6.22.1, onder b.

Artikel 6.22.5 Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.3.5 komen voor subsidie niet in aanmerking kosten voor:

  • a.

    regulier onderhoud;

  • b.

    de aanleg van of onderhoud aan de riolering; en

  • c.

    de voorbereiding en de uitvoering van herontwikkeling van private kavels op het bedrijventerrein.

Paragraaf 6.23 Bedrijfsverplaatsingen

[vervallen]

Paragraaf 6.24 Samenwerking fysieke bedrijfsomgeving

Artikel 6.24.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het opstellen van een haalbaarheidsonderzoek naar de oprichting van een rechtspersoon die het beheer van een bedrijventerrein als statutair doel heeft.

Artikel 6.24.2 Criteria

Subsidie wordt slechts verstrekt indien aanvrager daarbij voor gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met ten minste één onderneming of gemeente en de voorwaarden voor de samenwerking schriftelijk zijn vastgelegd.

Artikel 6.24.3 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 50.000.

Paragraaf 6.25 Economische impact - Sportevenementen

Artikel 6.25.1 Evenementenkalender

  • 1. Gedeputeerde Staten stellen een evenementenkalender vast.

  • 2. Op de kalender worden sportevenementen geplaatst, die voor subsidieverlening in aanmerkingen kunnen komen.

  • 3. Op de kalender wordt vermeld of subsidieverlening mogelijk is voor het sportevenement met inbegrip van het programma van side events of alleen voor het programma van side events.

Artikel 6.25.2 Aanvraag en besluit plaatsing

  • 1. De organisator van een sportevenement kan een aanvraag doen voor plaatsing van het evenement op de kalender.

  • 2. De aanvraag wordt uiterlijk negen maanden voorafgaande aan de uitvoering van het evenement ingediend. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen van deze termijn ontheffing verlenen.

  • 3. Uit de aanvraag blijkt of plaatsing wordt gevraagd voor het sportevenement met inbegrip van een programma van side events of uitsluitend voor het programma van side events. Uit de aanvraag blijkt voorts of individuele side events worden uitgevoerd in de aanloop naar het evenement.

  • 4. Gedeputeerde Staten nemen binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag een beslissing omtrent plaatsing. Zij kunnen deze termijn eenmaal met maximaal acht weken verlengen.

Artikel 6.25.3 Criteria voor plaatsing

  • 1. Een sportevenement wordt op de kalender geplaatst als aan de volgende vereisten wordt voldaan:

    • a.

      het evenement heeft betrekking op een kernsport of een tweederingskernsport;

    • b.

      het evenement wordt in Gelderland uitgevoerd;

    • c.

      het evenement houdt in:

      • 1e.

        een Europees of wereldkampioenschap;

      • 2e.

        een Nederlands kampioenschap, of

      • 3e.

        een wedstrijd met een nationaal of internationaal deelnemersveld, waarin sporters tegen elkaar uitkomen op een competitieniveau, dat tenminste vergelijkbaar is met een Nederlands kampioenschap;

    • d.

      aannemelijk is dat aan de volgende vereisten wordt voldaan:

      • 1e.

        het evenement trekt tenminste 4.000 deelnemers en bezoeken;

      • 2e.

        de totale kosten van het evenement worden voor tenminste de helft bekostigd met private middelen;

      • 3e.

        het evenement heeft een aanzienlijke positieve economische en maatschappelijke impact binnen de provincie Gelderland, en

      • 4e.

        in samenhang met het evenement wordt een programma van side events uitgevoerd dat voldoet aan de subsidievereisten, genoemd in artikel 6.25.8, eerste lid onder b;

    • e.

      wanneer het evenement betrekking heeft op een tweederingskernsport, gebruik wordt gemaakt van een accommodatie die met subsidie van de provincie tot stand is gebracht;

    • f.

      aannemelijk is dat het evenement in het Uitvoeringsbeleid Gelderland Sport past.

  • 2. Op aanvraag van de organisator wordt een multisportevenement of ander sportevenement voor sporters met een verstandelijke beperking op de kalender geplaatst, als het een nationaal of internationaal karakter heeft en voldoet aan de voorwaarde van het eerste lid, onder f, alsmede door aanvrager aannemelijk wordt gemaakt dat:

    • a.

      het aantal deelnemers meer dan 500 bedraagt;

    • b.

      het aantal bezoeken meer dan 500 bedraagt, en

    • c.

      het aantal gemeenten, zorg- en andere maatschappelijke organisaties en sportverenigingen uit de regio, dat actief bij de organisatie betrokken is, tenminste vier bedraagt.

  • 3. De vereisten van het eerste lid, onder d, aanhef en 2e en 3e, voor zover het de economische impact betreft, zijn niet van toepassing op een Nederlands kampioenschap voor jeugd of junioren dan wel voor sporters met een beperking, niet zijnde een verstandelijke beperking, en op wedstrijden die tenminste daarmee vergelijkbaar zijn.

  • 4. Op aanvraag van de organisator kan een aansprekend internationaal evenement, dat niet voldoet aan een of meer vereisten, vermeld in het eerste lid, onder a, c, d, aanhef en 1e en 2e, en e, niettemin op de kalender worden geplaatst als het uitzonderlijk van aard en omvang is en aannemelijk is dat het een zeer aanzienlijke positieve economische en maatschappelijke impact voor de provincie Gelderland heeft. Gedeputeerde Staten overleggen omtrent plaatsing op de kalender tevoren met Provinciale Staten of de betrokken Statencommissie.

Artikel 6.25.4 Samenwerkingsovereenkomst als voorwaarde voor plaatsing

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen aan het besluit tot plaatsing de opschortende voorwaarde verbinden, dat de organisator binnen vier weken na de bekendmaking van het besluit een samenwerkingsovereenkomst met de provincie en andere betrokken partijen sluit over de realisering van het evenement.

  • 2. De samenwerkingsovereenkomst bevat in elk geval afspraken over de volgende onderwerpen:

    • a.

      de planning en uitvoering van het evenement;

    • b.

      de inhoud en doelgroepen van het programma van side events;

    • c.

      de uitvoering van individuele side events in de aanloop naar het evenement;

    • d.

      de wijze waarop sport- en andere organisaties in de regio bij de organisatie van de side even worden betrokken; en

    • e.

      de wijze waarop de economische of maatschappelijke impact van het programma van side events en de individuele side events wordt geëvalueerd.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen de in het eerste lid genoemde termijn een keer verlengen.

Artikel 6.25.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de uitvoering van een sportevenement dat ook een programma van side events omvat;

  • b.

    de uitvoering van uitsluitend een programma van side events, en

  • c.

    de uitvoering van een of meer individuele side events in de aanloop naar een evenement.

Artikel 6.25.6 Aanvrager

De organisator van een sportevenement dat op de evenementenkalender staat kan een aanvraag doen voor subsidie voor het betreffende evenement.

Artikel 6.25.7 Aanvraag subsidie

  • 1. De aanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 6.25.5, onder a of b, bevat een beschrijving van het programma van de side events, waaruit blijkt dat de side events betrekking hebben op het jaarthema en tenminste een themagebied, genoemd in het Uitvoeringsbeleid Gelderland Sport, dan wel tenminste twee themagebieden.

  • 2. De aanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 6.25.5, onder c, bevat een beschrijving waaruit blijkt dat deze betrekking heeft op het jaarthema of een themagebied.

Artikel 6.25.8 Subsidiecriteria sportevenement met programma van side events

  • 1. Subsidie voor de uitvoering van een sportevenement dat ook een programma van side events inhoudt, wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      het evenement op de evenementenkalender staat;

    • b.

      in samenhang met het evenement een programma van side events wordt uitgevoerd, dat voldoet aan de volgende vereisten:

      • 1e.

        het programma wordt uitgevoerd in Gelderland;

      • 2e.

        het programma omvat side events, die:

        • i.

          in verhouding tot het sportevenement kwalitatief van hoogwaardig niveau zijn;

        • ii.

          passen binnen het jaarthema en tenminste een themagebied, genoemd in het Uitvoeringsbeleid Gelderland Sport dan wel tenminste twee themagebieden, en

        • iii.

          gezamenlijk zorgen voor een aanzienlijke positieve economische of maatschappelijke impact van het evenement binnen de provincie Gelderland;

      • 3e.

        bij de organisatie en uitvoering van de side events zijn zoveel mogelijk sport- en andere organisaties uit de regio betrokken; en

      • 4e.

        de side events worden zoveel als mogelijk over meer gemeenten in Gelderland verspreid;

    • c.

      het evenement voldoet aan de vereisten van artikel 6.25.3, eerste lid, onder a, b, c, en e, en voorts aan de vereisten genoemd in artikel 6.25.3, eerste lid, onder d, dan wel

    • d.

      wanneer het een evenement is als bedoeld in artikel 6.25.3, vierde lid, het voldoet aan de vereisten van die bepaling alsmede aan het vereiste van artikel 6.25.3, eerste lid, onder b, en het vereiste genoemd in het eerste lid, onder d, 4e.

  • 2. Wanneer het sportevenement een Nederlands kampioenschap inhoudt of een wedstrijd die tenminste daarmee vergelijkbaar is, wordt subsidie als bedoeld in het eerste lid alleen verstrekt als dit een kampioenschap of wedstrijd betreft voor jeugd of junioren dan wel voor sporters met een beperking, niet zijnde een verstandelijke beperking.

  • 3. Wanneer het sportevenement als bedoeld in het tweede lid meer Nederlandse kampioenschappen of wedstrijden inhoudt, wordt subsidie alleen verstrekt als het evenement betrekking heeft op tenminste twee kernsporten.

Artikel 6.25.9 Subsidiecriteria voor uitsluitend programma van side events

Subsidie voor uitsluitend de uitvoering van een programma van side events wordt alleen verstrekt als:

  • a.

    het programma wordt uitgevoerd in samenhang met een sportevenement dat op de evenementenkalender staat, waarvoor geen subsidie wordt verleend op grond van artikel 6.25.5, aanhef en onder a;

  • b.

    het programma voldoet aan de vereisten van artikel 6.25.8, eerste lid, onder b

Artikel 6.25.10 Subsidiecriteria multisportevenement

Subsidie voor een multisportevenement of ander sportevenement voor sporters met een verstandelijke beperking wordt verstrekt als het evenement:

  • a.

    op de evenementenkalender staat;

  • b.

    een nationaal of internationaal karakter heeft, en

  • c.

    voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 6.25.3, tweede lid, onder a, b en c.

Artikel 6.25.11 Subsidiecriteria side events in aanloop naar sportevenement

  • 1. Subsidie voor de uitvoering van individuele side events wordt verstrekt als deze:

    • a.

      plaatsvinden in samenhang met een sportevenement dat op de evenementenkalender staat;

    • b.

      plaatsvinden vooruitlopend op de uitvoering van het sportevenement en het bijbehorende programma van side events;

    • c.

      worden uitgevoerd in Gelderland;

    • d.

      worden georganiseerd en uitgevoerd met sport- en andere organisaties in de regio;

    • e.

      zijn gericht op de regio;

    • f.

      activiteiten omvatten binnen het jaarthema of de themagebieden, genoemd in het Uitvoeringsbeleid Gelderland Sport, en

    • g.

      bijdragen aan een aanzienlijke positieve economische of maatschappelijke impact van het sportevenement binnen de provincie Gelderland.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het vereiste van het eerste lid, onder a.

Artikel 6.25.12 Hoogte subsidie sportevenement met programma van side events

  • 1. De subsidie voor de uitvoering van een sportevenement dat ook een programma van side events inhoudt, bedraagt voor een Nederlands kampioenschap:

    • a.

      in 2018: maximaal € 65.000, waarvan voor het sportevenement ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 45.000 en voor het programma van side events ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000;

    • b.

      in 2019: maximaal € 55.000, waarvan voor het sportevenement ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 35.000 en voor het programma van side events ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000.

  • 2. De subsidie voor de uitvoering van een sportevenement dat ook een programma van side events inhoudt, bedraagt voor een Europees kampioenschap maximaal € 150.000, waarvan voor het sportevenement ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 120.000 en voor het programma van side events ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 30.000.

  • 3. De subsidie voor de uitvoering van een sportevenement dat ook een programma van side events inhoudt, bedraagt voor een wereldkampioenschap maximaal € 200.000, waarvan voor het sportevenement ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000 en voor het programma van side events ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 40.000.

  • 4. Voor de uitvoering van een evenement dat een vergelijkbare wedstrijd als bedoeld in artikel 6.25.3, eerste lid, onder c, 3e, inhoudt, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.25.13 Hoogte subsidie voor uitsluitend programma van side events

De subsidie voor uitsluitend de uitvoering van een programma van side events bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten van het programma met een maximum van:

  • a.

    € 20.000 voor een Nederlands kampioenschap;

  • b.

    € 30.000 voor een Europees kampioenschap;

  • c.

    € 40.000 voor een wereldkampioenschap, en

  • d.

    € 20.000 voor een vergelijkbare wedstrijd als bedoeld in artikel 6.25.3, eerste lid, onder c, 3e

Artikel 6.25.14 Hoogte subsidie overige evenementen

  • 1. De subsidie voor de uitvoering van een multisportevenement of ander sportevenement voor sporters met een verstandelijke beperking en een eventueel programma van side events bedraagt maximaal € 160.000.

  • 2. De hoogte van de subsidie voor de uitvoering van een sportevenement als bedoeld in artikel 6.25.3, vierde lid, met het daarmee samenhangende programma van side events wordt door Gedeputeerde Staten per evenement bepaald. Zij overleggen daarover tevoren met Provinciale Staten of de betrokken Statencommissie.

  • 3. Gedeputeerde Staten bepalen welk deel van de subsidie, bedoeld in het tweede lid, ten minste is bestemd voor de uitvoering van het programma van side events. De subsidie voor het programma van side events bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.25.15 Hoogte subsidie individuele side events in aanloop naar sportevenement

  • 1. Bij een sportevenement kan voor meer individuele side events subsidie worden aangevraagd, in totaal tot een maximum van:

    • a.

      € 20.000 voor een Nederlands kampioenschap;

    • b

      € 30.000 voor een Europees kampioenschap;

    • c.

      € 40.000 voor een wereldkampioenschap;

    • d.

      € 20.000 voor een vergelijkbare wedstrijd als bedoeld in artikel 6.25.3, eerste lid, onder c, 3e;

    • e.

      € 20.000 voor een multisportevenement of ander sportevenement voor sporters met een verstandelijke beperking

  • 2. Het bedrag waarvoor in totaal subsidie kan worden verleend voor individuele side events bij een sportevenement als bedoeld in artikel 6.25.3, vierde lid, wordt door Gedeputeerde Staten per evenement bepaald.

  • 3. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.25.16 Subsidiabele kosten

  • 1. Kosten van een evenement dat wordt georganiseerd op basis van toewijzing door een landelijke of internationale organisatie, onder auspiciën waarvan nationale of internationale kampioenschappen en vergelijkbare wedstrijden worden gehouden, komen in afwijking van artikel 1.3.5, aanhef en onder b, voor subsidie in aanmerking voor zover deze zijn gemaakt na toewijzing van het evenement.

  • 2. Artikel 1.3.5, aanhef en onder g, is niet van toepassing voor subsidies krachtens deze paragraaf.

Artikel 6.25.17 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd als het evenement, het programma van side events of het individuele side event niet voldoet aan het Uitvoeringsbeleid Gelderland Sport.

Artikel 6.25.18 Aanvraag vaststelling

  • 1. In afwijking van artikel 24, eerste lid, van de AsG dient de subsidieontvanger op wie de verplichting rust van artikel 6.25.19, eerste lid, binnen negen maanden na afloop van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie.

  • 2. In afwijking van artikel 24, eerste lid, van de AsG dient de ontvanger van subsidie voor de uitvoering van uitsluitend een programma van side events of voor de uitvoering van individuele side events, voor zover hij daartoe is verplicht, binnen 13 weken na afloop van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 6.25.19 Verplichtingen

  • 1. Behoudens ontheffing van Gedeputeerde Staten legt de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 6.25.5, onder a, bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor de uitvoering van een sportevenement een rapport over, waarin de resultaten van een onderzoek staan beschreven naar de economische impact van het sportevenement voor het bedrijfsleven in Gelderland. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd met toepassing van de WESP-methodiek volgens de meest actuele richtlijn. Deze verplichting geldt niet voor evenementen, voor de subsidiëring waarvan het vereiste van economische impact niet is gesteld.

  • 2. De ontvanger van subsidie voor de uitvoering van uitsluitend een programma van side events of van individuele side events, die zonder voorafgaand verleningsbesluit is vastgesteld, informeert Gedeputeerde Staten gelijktijdig met de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 6.25.5, onder a, over het resultaat van de side events door overlegging van foto- en videomateriaal of ander, bij de subsidiebeschikking aangewezen bewijsmateriaal, waaruit blijkt dat de side events zijn uitgevoerd.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de accommodatie of locatie waar het sportevenement wordt georganiseerd, toegankelijk is voor mensen met een beperking.

Artikel 6.25.20 Bijzondere bepalingen voor evenementen van dezelfde organisator in een cluster

  • 1. Op aanvraag van de organisator worden evenementen als bedoeld in artikel 6.25.3, eerste, tweede en vierde lid, die in samenhang met elkaar worden uitgevoerd, als cluster op de evenementenkalender geplaatst.

  • 2. Voor plaatsing als cluster is vereist dat de evenementen aan de voor de betreffende evenementen geldende vereisten van artikel 6.25.3 voldoen, uitgezonderd de vereisten van het eerste lid, onder d, 2e, 3e en 4e, voor zover deze op het evenement van toepassing zijn. Laatstbedoelde vereisten gelden voor de evenementen gezamenlijk.

  • 3. Voor de aanvraag en verlening van subsidie worden evenementen in een cluster als één evenement aangemerkt.

  • 4. De subsidie voor de evenementen in een cluster bedraagt maximaal het bedrag, dat op grond van de artikelen 6.25.12, 6.25.13 en 6.25.14, met inachtneming van de daarin genoemde uiterste percentages en bedragen, in totaal kan worden verkregen voor de afzonderlijke evenementen.

  • 5. Voor evenementen die afzonderlijk op de kalender staan kan als cluster subsidie worden aangevraagd als zij in samenhang met elkaar worden uitgevoerd. Het tweede tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.