Regeling vervallen per 07-10-2017

Subsidieregeling natuur en samenleving Noord-Brabant 2016

Geldend van 10-12-2015 t/m 02-03-2016

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Overwegende dat Provinciale Staten op 21 september 2012 “Brabant: Uitnodigend Groen, de provinciale natuur en landschapsvisie 2012-2022” hebben vastgesteld;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 1 april 2014 het deelprogramma Natuur en Samenleving hebben vastgesteld als uitwerking van de provinciale natuur en landschapsvisie 2012-2022;

Overwegende dat Provinciale Staten op 4 juli 2014 de motie ‘Samen voor de bijen’ hebben aangenomen en dat daarmee ook werd besloten tot het opstellen van een Meerjarenprogramma Bijenimpuls voor Brabant, welke Gedeputeerde Staten op 2 juni 2015 hebben vastgesteld.

Overwegende dat Gedeputeerde Staten op de te subsidiëren projecten van paragraaf 1 en 3 het Besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PbEU 2012, L 7) van toepassing verklaren;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten hierbij gebruik willen maken van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU, 2013 L 352);

Overwegende dat Gedeputeerde Staten hierbij gebruik willen maken van de Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PbEU, 2013 L 352).

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§1Ondernemen met natuur

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • a.

     biodiversiteit: graad van verscheidenheid van flora en fauna in een gebied;

  • b.

     businesscase: analyse en afweging van de kosten of investeringen en de economische en ecologische baten van het project;

  • c.

     de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/9 van 24 december 2013, met inbegrip van eventueel in de toekomst vast te stellen wijzigingen;

  • d.

     natuurnetwerk Brabant: samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel het veiligstellen van natuurtypen met de daarbij horende soorten;

  • e.

     niet economische dienst van algemeen belang: dienst die niet economisch van aard is en die van algemeen belang wordt geacht;

  • f.

     dienst van algemeen economisch belang: dienst zoals bedoeld in artikel 106 tweede lid van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (2012C 326/01) en in de mededeling van de Commissie (2012C 8/02) van 11 januari 2012 betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie, met inbegrip van eventueel in de toekomst vast te stellen wijzigingen;

  • g.

     landgoed: groot stuk grond van meerdere hectares, met landerijen, bossen en tuinen en daarop vaak een of meerdere gebouwen, landhuizen, boerderijen of een kasteel;

  • h.

     natuur: geheel van planten en dieren in hun natuurlijke omgeving;

  • i.

     onderneming: eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

     rechtspersonen;

  • b.

     eigenaren van landgoederen die rechtspersoonlijkheid bezitten.

Artikel 1.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

     de aanleg van nieuwe natuur;

  • b.

     het opstellen en uitvoeren van een businesscase die gericht is op het beheren van natuur en landschap en op de biodiversiteit.

  • c.

     het opstellen en uitvoeren van een businesscase die gericht is op het verbeteren van de kwaliteit van natuur en landschap en de biodiversiteit;

  • d.

     het opstellen van een businesscase betreffende nieuwe bronnen van inkomsten gekoppeld aan de aanleg van nieuwe natuur binnen het natuurnetwerk Brabant.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

     voor het project reeds subsidie is verstrekt op grond van een andere provinciale subsidieregeling;

  • b.

     de subsidieaanvrager in dezelfde aanvraagperiode reeds een aanvraag op grond van deze paragraaf heeft ingediend.

Artikel 1.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       aan de aanvraag liggen ten grondslag:

      • 1°.

         een projectplan, waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een sluitende en realistische begroting met onderbouwing.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4 in aanmerking te komen voldaan aan een van de volgende vereisten:

    • a.

       het project kan worden aangemerkt als niet economische dienst van algemeen belang;

    • b.

       de subsidieaanvrager beschikt over een aanwijzingsbesluit dienst van algemeen economisch belang en het project voldoet aan de voorwaarden van het aanwijzingsbesluit;

    • c.

       de subsidieaanvrager voldoet aan de voorwaarden van de de-minimisverordening.

  • 3  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder a, in aanmerking te komen voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       de nieuwe natuur wordt aangelegd buiten het natuurnetwerk Brabant;

    • b.

       de nieuwe natuur wordt aangelegd buiten de kavel waarop een woonhuis is gelegen;

    • c.

       het areaal nieuwe natuur bedraagt ten minste tweeënhalve hectare.

  • 4  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder b, in aanmerking te komen voldaan aan het vereiste dat er sprake is van nieuwe bronnen van inkomsten die worden besteed aan het beheer van de natuur, tot uitdrukking komend in een projectplan met een analyse van financiële risico's en kansen.

  • 5  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder c, in aanmerking te komen voldaan aan het vereiste dat er sprake is van nieuwe bronnen van inkomsten die worden besteed aan de verbetering van de biodiversiteit tot uitdrukking komend in een projectplan met een analyse van financiële risico's en kansen.

  • 6  Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.4, onder d, in aanmerking te komen voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project heeft betrekking op een areaal nieuwe natuur van ten minste vijf hectare;

    • b.

       in het projectplan wordt een analyse opgenomen van financiële risico's en kansen.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

       loonkosten van medewerkers die direct bij de uitvoering van het project betrokken zijn;

    • b.

       loonkosten van deskundigen;

    • c.

       kosten voor onderzoek en gelijkwaardige diensten van kennisinstituten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

    • d.

       kosten voor publiciteit en communicatie.

  • 2  Voor de berekening van de uurtarieven past de subsidieaanvrager de berekeningssystematiek, genoemd in artikel 13 van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen Noord-Brabant, toe.

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.7 komen kosten die vallen onder de reguliere exploitatie kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 4 januari 2016 tot en met 2 augustus 2016.

Artikel 1.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 1.4, voor de periode genoemd in artikel 1.8, vast op € 165.175.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 1.4, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van €40.000.

  • 2  Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan €5.000, wordt de subsidie niet verstrekt.

  • 3  Onverminderd het maximum, genoemd in het eerste lid, wordt indien de subsidieaanvrager een onderneming is die niet actief is in de primaire productie van landbouwproducten en aan hem reeds door een ander bestuursorgaan subsidie is verstrekt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun van € 200.000 voor ondernemingen niet wordt overschreden.

  • 4  Onverminderd het maximum, genoemd in het eerste lid, wordt indien de subsidieaanvrager een onderneming is die actief is in de primaire productie van landbouwproducten en aan hem reeds door een ander bestuursorgaan subsidie is verstrekt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun van € 15.000 voor ondernemingen niet wordt overschreden.

Artikel 1.12 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 1.13 Verplichtingen

  • 1  De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

       het project start binnen drie maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening;

    • b.

       het project waarvoor de subsidie is aangevraagd wordt gerealiseerd voor 31 juli 2017.

    • c.

       de bevindingen en resultaten van het project worden toegankelijk gemaakt voor derden;

    • d.

       bij subsidies van €25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt.

  • 2  Voor projecten als bedoeld in artikel 1.4, onder a, bedraagt het areaal nieuwe natuur ten minste tweeënhalve hectare;

  • 3  Voor projecten als bedoeld in artikel 1.4, onder d, bedraagt het areaal nieuwe natuur ten minste vijf hectare;

  • 4  De subsidieontvanger kan uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de termijn een aanvraag indienen tot ontheffing van de verplichting, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.

  • 5  In de aanvraag, bedoeld in het vierde lid, wordt gemotiveerd aangegeven waarom de activiteit niet kan worden gerealiseerd voor de datum genoemd in het eerste lid, onder b.

  • 6  Gedeputeerde Staten kunnen besluiten de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder b, eenmaal met maximaal een half jaar te verlengen.

Artikel 1.14 Prestatieverantwoording

  • 1  Bij subsidies tot €25.000 leggen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger desgevraagd aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

  • 2  Bij subsidies van €25.000 en hoger leggen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieaanvrager aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 1.15 Bevoorschotting en betaling

  • 1  Bij subsidies tot €25.000 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag in een keer.

  • 2  Bij subsidies van €25.000 en hoger verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag in een keer.

§ 2 Leefgebied van de bij

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

     de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/9 van 24 december 2013, met inbegrip van eventueel in de toekomst vast te stellen wijzigingen;

  • b.

     Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB): Europees beleid voor het verstrekken van Europese subsidie aan boeren die 5% van hun land ecologisch inrichten.

Artikel 2.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door rechtspersonen.

Artikel 2.3 Subsidievorm

  • 1  Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies.

  • 2  Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

     het op een structurele wijze terugdringen van de bijensterfte in Noord-Brabant;

  • b.

     het ontsluiten van informatie ten behoeve van het bijvriendelijk invullen van landbouwgrond in het kader van het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB);

  • c.

     het overdragen van kennis over het op een bijvriendelijke manier toepassen van gewasbescherming en het op een bijvriendelijke manier bestrijden van landbouwkundige plagen;

  • d.

     het opzetten van een expertisecentrum voor bijen en andere bestuivers;

  • e.

     het begeleiden van studenten bij het maken van een toolbox voor bijvriendelijk beheer van gemeentelijke wegbermen.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien voor het project reeds subsidie is verstrekt op grond van een andere provinciale subsidieregeling.

Artikel 2.6 Subsidievereisten

  • 1  Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

       de binnen het project opgedane ervaringen worden gedeeld;

    • c.

       aan de aanvraag ligt ten grondslag een realistische en sluitende begroting met onderbouwing;

    • d.

       aan de aanvraag ligt ten grondslag een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

         op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf;

      • 2°.

         een beschrijving van welke partners betrokken zijn bij het project;

      • 3°.

         een beschrijving op welke wijze opgedane ervaringen worden gedeeld.

  • 2  Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd buiten de bebouwde kom;

    • b.

       bij het project worden een of meerdere personen betrokken die aantoonbaar deskundig zijn ten aanzien van het gedrag en leefgebied van de wilde bijen en vanuit die deskundigheid kunnen adviseren over verbetermaatregelen ten behoeve van de bij;

    • c.

       het project zorgt op een structurele wijze voor het terugdringen van de bijensterfte;

    • d.

       aan de aanvraag ligt ten grondslag een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

         een korte beschrijving van de bedreigingen en kansen met betrekking tot de structurele bijensterfte in de omgeving waar het project wordt uitgevoerd;

      • 2°.

         een beschrijving van de te treffen maatregelen en de structurele kwalitatieve en kwantitatieve effecten die verwacht worden van die maatregelen ten aanzien van de verbetering van de populatie honing bijen en wilde bijen;

  • 3  Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project wordt uitgevoerd ten behoeve van agrariërs die in Brabant zijn gevestigd;

    • b.

       de aanvrager beschikt over een Brabant breed netwerk onder agrariërs;

    • c.

       bij de verspreiding van kennis wordt gebruik gemaakt van bestaande informatienetwerken voor agrariërs;

    • d.

       het project ziet op het duurzaam ontsluiten van informatie.

  • 4  Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder c, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project zorgt voor kennisdeling via de licentiebijeenkomsten die verplicht zijn voor agrariërs voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken;

    • a.

       bij het project wordt onder meer kennis overgedragen over alternatieve voor bestrijdingsmiddelen;

    • b.

       de aanvrager beschikt aantoonbaar over voldoende kennis over bijen, over de voor bijen negatieve gevolgen van bestrijdingsmiddelen en de alternatieven voor bestrijdingsmiddelen;

    • c.

       de aanvrager is een geaccepteerde en vertrouwde partij voor agrariërs;

    • d.

       het project ziet op het duurzaam opnemen van kennisoverdracht over alternatieven voor bestrijdingsmiddelen in het vaste programma van licentiebijeenkomsten.

  • 5  Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder d, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project omvat het vergaren en ontwikkelen van kennis over de wijze waarop het leefgebied van de bij kan worden verbeterd;

    • b.

       het project omvat het actief uitdragen van binnen het project opgedane kennis over een betere inrichting en beheer van het leefgebied van de bij aan betrokkene;

    • c.

       de aanvrager werkt samen met meerdere belangenpartijen die zich ten doel hebben gesteld het welzijn van de bij te bevorderen.

  • 6  Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder e, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

       het project omvat het begeleiden van studenten van de HAS hogeschool;

    • b.

       het project omvat met name het begeleiden op de inhoud;

    • c.

       de aanvrager is deskundig op het gebied van wilde bijen in combinatie met beheersmaatregelen

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

  • 1  Voor subsidies, als bedoeld onder artikel 2.4, onder a, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie in ieder geval de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

       kosten ten behoeve van de plan ontwikkeling tot een maximum van 10% van de totale projectkosten;

    • b.

       kosten van adviseurs;

    • c.

       kosten van educatie en voorlichting ten behoeve van deskundigheidsbevordering;

    • d.

       kosten ten behoeve van het terugdringen van de sterfte onder wilde bijen met een minimum van 35% van de subsidiabele kosten.

  • 2  Kosten genoemd onder d, dienen ten minste 35% van de totale subsidiabele kosten te bedragen.

  • 3  Voor subsidies, als bedoeld onder artikel 2.4, onder b, c en d, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie alle soorten kosten voor subsidie in aanmerking.

  • 4  Voor subsidies, als bedoeld onder artikel 2.4, onder e, komen voor subsidie in aanmerking:

    • a.

       vergoeding voor de uren aan begeleiding;

    • b.

       reiskosten;

    • c.

       inhuur extra specialistische expertise op het gebied van de wilde bij.

  • 5  Voor de berekening van uurtarieven past de subsidieaanvrager de berekeningssystematiek, genoemd in artikel 10, onder c, en artikel 13, van de Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen Noord-Brabant toe.

  • 6  Onverminderd het uurtarief, bedoeld in het derde lid, wordt, indien de in het kader van het project aan betrokkenen uit te betalen uurtarieven lager zijn dan € 50 per uur, het daadwerkelijk uitbetaalde uurtarief toegepast.

Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten

  • 1  In afwijking van artikel 2.7 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

    • a.

       kosten van reguliere werkzaamheden van overheden;

    • b.

       vergoedingen voor de ureninzet van vrijwilligers.

  • 2  Onverminderd het eerste lid, komen voor subsidies, als bedoeld onder artikel 2.4, onder a, vergoedingen voor ureninzet van financieel participerende organisaties niet voor subsidies in aanmerking.

Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend van 4 januari 2016 tot en met 2 augustus 2016.

Artikel 2.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode, genoemd in artikel 2.9, voor subsidies als bedoeld in:

  • a.

     artikel 2.4, onder a, vast op €250.000;

  • b.

     artikel 2.4, onder b, vast op €10.000;

  • c.

     artikel 2.4, onder c, vast op €10.000

  • d.

     artikel 2.4, onder d, vast op €20.000;

  • e.

     artikel 2.4, onder e, vast op €6.000.

Artikel 2.11 Subsidiehoogte

  • 1  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, onder a, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €40.000.

  • 2  Indien toepassing van het eerste lid tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan €25.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

  • 3  In afwijking van het maximumbedrag, genoemd in het eerste lid, wordt de subsidie, genoemd in het eerste lid, verhoogd met een bedrag van €20,- maal het aantal uren dat een vrijwilliger is betrokken bij de uitvoering van het project met een maximum van 25% van de subsidiabele kosten.

  • 4  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, onder b en c, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €10.000.

  • 5  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, onder d, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €20.000.

  • 6  De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4, onder e, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €5.000;

  • 7  Onverminderd het maximum, genoemd in het eerste en derde lid, wordt indien de subsidieaanvrager een onderneming is en aan hem reeds door een ander bestuursorgaan subsidie is verstrekt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun van € 200.000 voor ondernemingen niet wordt overschreden.

  • 8  Onverminderd het maximum, genoemd in het eerste en derde lid en in afwijking van het zevende lid, wordt indien de subsidieaanvrager een onderneming is die actief is in de primaire productie van landbouwproducten en aan hem reeds door een ander bestuursorgaan subsidie is verstrekt, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun van € 15.000 voor ondernemingen niet wordt overschreden.

Artikel 2.12 Verdeelcriteria

  • 1  Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2  Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3  Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 2.13 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1  De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

       het project start uiterlijk een jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening;

    • b.

       het project wordt uiterlijk een jaar na de start van het project afgerond;

    • c.

       op verzoek wordt een enquête over het project ingevuld na afloop van het project;

    • d.

       op verzoek wordt medewerking verleend aan monitoringsactiviteiten, ook indien de monitoring plaats vindt na afronding van het project;

    • e.

       de bevindingen en resultaten van het project worden toegankelijk gemaakt voor derden.

  • 2  Gedeputeerde Staten kunnen de periode, bedoeld in het eerste lid, onder a, eenmalig op verzoek van de subsidieontvanger verlengen met maximaal 3 maanden.

  • 3  Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder d, de verplichting het expertisecentrum gedurende drie jaar na vaststelling van de subsidie in stand te houden.

  • 4  In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a, heeft de subsidieontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder e, de verplichting dat het project uiterlijk op 1 februari 2016 start.

  • 5  Onverminderd het eerste lid, houdt de subsidieontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 2.4, onder b, c, d en e, een administratie bij van aan de activiteit verbonden uren en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.14 Prestatieverantwoording

Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieaanvrager aantoont dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 2.15 Bevoorschotting en betaling

Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 100% op het verleende subsidiebedrag in een keer.

§3 Slotbepalingen

Artikel 3.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2016 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk

Artikel 3.2 Intrekking

De Subsidieregeling natuur en samenleving Noord-Brabant wordt ingetrokken.

Artikel 3.3 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 3.4 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling natuur en samenleving Noord-Brabant 2016.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 8 december 2015

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris mw. ir. A.M. Burger

 

Toelichting behorende bij de Subsidieregeling natuur en samenleving Noord-Brabant 2016.

Algemeen Deze subsidieregeling is een uitwerking van het deelprogramma Natuur en Samenleving dat op 10 december 2013 door Gedeputeerde Staten is vastgesteld. Met deze subsidieregeling wil de provincie het verankeren van natuur in de samenleving stimuleren. Beoogd wordt om natuur en landschap in samenhang met economische bedrijvigheid te ontwikkelen en om de economische waarde van natuur op innovatieve wijze te benutten. Tevens wordt beoogd om de bijdragen van burgers aan de natuur te versterken door in te zetten op vrijwilligers, groene burgerinitiatieven en investeringen van burgers in de natuur. Deze regeling is opgedeeld in paragrafen, waarbij de inhoud van de paragrafen los van elkaar staan. § 1 Ondernemen met natuur Eigenaren van natuur ontwikkelen zich tot groene ondernemers en gebruiken natuur als nieuwe inkomstenbron. Deze nieuwe bronnen van inkomsten worden ingezet voor het verbeteren van de kwaliteit of het beheer van natuur en landschap. § 2 Leefgebied van de bij Bijen zijn niet alleen onmisbaar in de natuur en voor de biodiversiteit, maar ook in de land- en tuinbouw. Wereldwijd loopt hun aantal terug. De bijensterfte in Brabant is al een aantal jaren aanzienlijk hoger dan in andere gebieden in Nederland. De projecten dragen bij aan het op peil houden van een gezonde bijenpopulatie. Er wordt ingezet op drie pijlers: kwaliteit van het leefgebied, terugdringen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en kennisontwikkeling- en uitwisseling.

Juridisch kader Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in deze subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

De-minimissteun In het kader van staatssteun is er voor gekozen om voor de paragrafen 1 en 2 aan te sluiten bij de vrijstellingsvereisten zoals geformuleerd in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/9 van 24 december 2013. En Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PbEU, 2013 L 352).

In de eerste verordening is bepaald dat niet meer subsidie aan een onderneming wordt verstrekt dan tot het drempelbedrag van € 200.000 per drie belastingjaren. In de laatst genoemd verordening is bepaald dat niet meer subsidie aan een onderneming die actief is in de primaire productie van landbouwproducten wordt verstrekt dan tot het drempelbedrag van €15.000 per drie belastingjaren. De subsidieaanvrager dient hier overigens zelf op toe te zien en zelf de juiste gegevens toe aan te dragen. Onder onderneming verstaat de Commissie elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. In artikel 2, tweede lid, van de de-minimisverordening wordt uiteengezet wanneer er sprake is van een zelfstandige onderneming. Indien twee ondernemingen een bepaalde band met elkaar onderhouden, kan het voor de toepassing van de de-minimisverordening zo zijn dat deze ondernemingen als één zelfstandige onderneming worden gezien. Bij het invullen van de Verklaring de-minimissteun wordt een onderneming geacht daar rekening mee te houden.

Dienst van algemeen economisch belang en niet economische dienst van algemeen belang In paragraaf 1 en 3 kan het project aangewezen worden als niet economische dienst van algemeen belang (NEDAB) of als dienst van algemeen economisch belang (DAEB). Een project kan alleen aangewezen worden als dienst van algemeen economisch belang indien de aanvrager beschikt over een aanwijzingsbesluit dienst van algemeen economisch belang en het project voldoet aan de voorwaarden van dat aanwijzingsbesluit. Diensten van algemeen economisch belang onderscheiden zich van gewone diensten door de aanwezigheid van publieke belangen met betrekking tot kwaliteit en toegankelijkheid. Indien de overheid van mening is dat bepaalde economische diensten in het algemeen belang zijn en het marktmechanisme niet in voldoende mate in deze diensten voorziet, kan zij besluiten om de dienst van algemeen economisch belang te gaan ondersteunen. Het begrip ‘niet economische diensten van algemeen belang’ valt volgens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in te delen in 2 categorieën: overheidsprerogatieven en zuiver sociale activiteiten. In de Handreiking DAEB 2014 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden de volgende voorbeelden genoemd van zuiver sociale activiteiten in Nederland: - Het aanbieden van bekostigd onderwijs op basis van onderwijswetgeving; - Charitatieve activiteiten verricht door liefdadigheidsinstellingen, hulpverleningsorganisaties of kerkelijke instanties; - Activiteiten van vakbonden en consumentenorganisaties in het kader van hun sociaal-maatschappelijke functies; - Wettelijke sociale zekerheidsstelsels die volledig op het solidariteitsbeginsel zijn gebaseerd; - Bepaalde activiteiten van maatschappelijke organisaties en wetenschappelijke verenigingen.

Artikelsgewijs Artikel 1.6, eerste lid, onder b, tweede onderdeel Artikel 2.6, eerste lid, onder b Een realistische en onderbouwde begroting is noodzakelijk om de subsidie te kunnen verlenen. Voor de beoordeling is van belang dat de verschillende kostensoorten in de begroting zijn gespecificeerd. Tevens is van belang dat de berekeningswijze inzichtelijk is gemaakt en onderbouwd door middel van bestekken, prijsopgaven of offertes. Met ‘sluitend’ wordt bedoeld dat de begroting wordt voorzien van een financieringsplan, waaruit kan worden opgemaakt op welke wijze en door wie de kosten van het project worden gedekt. Hierbij dient de eigen bijdrage van de aanvrager te worden vermeld alsmede het totaal gevraagde subsidiebedrag, zodat het financieringsplan uitkomt op 100% dekking van de totale projectkosten. De in de begroting genoemde kosten moeten aansluiten bij de in het projectplan genoemde activiteiten.

Artikelen 1.10 en 2.11 Derde lid De-minimis Het bedrag van € 200.000 komt overeen met het drempelbedrag dat de Europese Commissie heeft vastgesteld ten aanzien van de-minimissteun. Dit bedrag geldt per onderneming over een periode van drie belastingjaren. Steun onder deze drempel behoeft niet te worden aangemeld. In deze subsidieregeling is ervoor gekozen om bij de subsidieverlening dit bedrag niet te overschrijden. Het kan echter in de praktijk voorkomen dat een door ons begunstigde onderneming in de afgelopen drie jaar al eens subsidie of een andere vorm van steun van een overheidsorgaan heeft ontvangen. Dit moet blijken uit de “Verklaring de-minimissteun”.

Artikel 2.4 onder b In het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) worden sinds 2014 vergroeningseisen gesteld om in aanmerking te komen voor de volledige inkomenssteun. Zo moeten o.a. akkerbouwbedrijven die groter zijn dan 15 ha 5% van hun areaal inrichten als ecologisch aandachtsgebied. De subsidie richt zich op het ontwikkelen en uitdragen van kennis hoe agrariërs dit op een bijvriendelijke manier kunnen doen. Het inzaaien met een bijenvriendelijk zaadmengsel is daar een goede invulling van. Voor het uitdragen moet gebruik gemaakt worden van de reeds bestaande netwerken. Artikel 2.6 Tweede lid, onder c Het project omvat maatregelen die niet slechts effect hebben in een bepaald jaar, maar gedurende meerdere jaren bijdraagt aan het terugdringen van de bijensterfte.

Derde lid, onder c Voorbeelden van bestaande informatienetwerken voor agrariërs zijn de bestaande hulpstructuren voor het uitvoeren van andere provinciale subsidies, zoals bij het Groen-blauw Stimuleringskader.

Derde lid, onder d Het project bevat activiteiten waarbij niet slechts eenmalig of op een enkel moment informatie wordt verspreid.

Vierde lid, onder d Voorbeelden hiervan zijn de Agrarische Natuur Verenigingen en de Zuidelijke land- en Tuinbouworganisatie.

Artikel 2.7 Eerste lid, onder c De projecten hebben als hoofddoel het verbeteren van het leefklimaat van de bijen. Kosten van educatie en voorlichting worden enkel gesubsidieerd als ze ten diensten staan van dit doel. Projecten of deelprojecten die als hoofddoel educatie of voorlichting hebben zijn niet subsidiabel. Een voorbeeld van een niet subsidiabel projectonderdeel is voorlichting over bijen op scholen.

Artikel 2.13 Onder 5 Hieronder wordt ook verstaan het aantal uren dat een vrijwilliger is betrokken bij de uitvoering van het project.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter de secretaris prof. dr. W.B.H.J. van de Donk mw. ir. A.M. Burger

Kenmerk: 3898776 Uitgegeven, 9 december 2015 De secretaris van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, mw. ir. A.M. Burger.