Provinciale Omgevingsverordening Drenthe

Geldend van 01-01-2017 t/m 24-10-2017

Intitulé

Provinciale Omgevingsverordening Drenthe

Inhoud

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

boorput: met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering;

dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van een waterschap in de provincie Drenthe;

evaluatieverslag: het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming;

gedeputeerde staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe;

gewasbeschermingsmiddelen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

grond- of funderingswerken: een werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies;

insteek van het oppervlaktewater: de lijn waar talud en maaiveld elkaar ontmoeten;

nader onderzoek: het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wet bodembescherming;

nazorgplan: het nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming;

NNN: Natuurnetwerk Nederland: stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot veiligstelling van ecosystemen met daarbij behorende soorten;

peilbesluit: een besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de Waterwet;

projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet;

regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet;

regionale waterkering: een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening;

schadelijke stoffen: stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen;

saneringsplan: een plan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming;

waterleidingmaatschappij: een bedrijf dat grond- of oppervlaktewater wint met het doel dit te gebruiken voor de bereiding van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening;

achtergrondwaarde, baggerspecie, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse wonen, kwaliteitsklasse A en werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit.

Hoofdstuk 2 Inspraak

Artikel 2.1 Algemene Inspraakverordening

Bij wijzigingen van deze verordening wordt de Algemene Inspraakverordening Drenthe toegepast.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk omgevingsbeleid

Titel 3.1 Algemeen

Paragraaf 3.1.1 Begripsbepalingen

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

bedrijvenregio: de binnen Drenthe bestaande regio’s Groningen – Assen (in Drenthe: gemeenten Assen, Noordenveld, Tynaarlo), en Zuid-Drenthe (gemeenten Meppel, Hoogeveen, De Wolden, Coevorden, Emmen);

bedrijventerrein: cluster van aaneengesloten percelen met een minimumoppervlakte van ten minste 1 hectare bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening, met uitzondering van terreinen voor agrarische doeleinden en terreinen voor afvalstort;

beeldkwaliteitsplan: plan dat eisen en aanbevelingen bevat met betrekking tot inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied en met betrekking tot stedenbouwkundige en architectonische vorm, massa en (wegen)structuur van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, met het oogmerk de kwaliteit van die ruimtelijke ontwikkelingen te waarborgen alsmede de wijze waarop deze in hun omgeving worden ingepast en dat juridisch deel uitmaakt van het ruimtelijk plan waarop het betrekking heeft;

bestaande bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden op grond van een verleende bouw- of omgevingsvergunning, met uitzondering van bebouwing die gebouwd is zonder bouw- of omgevingsvergunning en in strijd is met het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van genoemde planvormen;

bestaand gebruik: gebruik van grond en bebouwing dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestond, met uitzondering van gebruik dat op dat tijdstip in strijd was met het geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan;

bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

bouwlaag: het gedeelte van een bouwwerk tussen twee vloeren in, met uitzondering van het souterrain en de zolder met dien verstande dat bij bouwen de bouwlaag de verdieping is waarmee een bouwwerk wordt verhoogd;

complex van recreatiewoningen: een terrein of een plaats van enige omvang, al dan niet geheel of gedeeltelijk met gemeenschappelijke voorzieningen ingericht en blijkens die inrichting en juridische bestemming bedoeld om meerdere recreatiewoningen te plaatsen of geplaatst te houden en bedrijfsmatig te exploiteren;

Natuurnetwerk Nederland: stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot veiligstelling van ecosystemen met daarbij behorende soorten;

gemeentelijke werklocatievisie: een beleidsdocument van een gemeente waarin - op basis van een analyse tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale werklocatie(s) in de desbetreffende gemeente en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen;

grondgebonden agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan aanwezige gronden;

informatiewaarde: de betekenis van een kernkwaliteit als bron van kennis over het verleden;

intensieve veehouderij: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en die gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee , pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkveehouderij en het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet;

kernwinkelgebied: het aaneengesloten gebied in het bestaand stedelijk gebied dat als het belangrijkste winkelcentrum kan worden aangemerkt, zowel wat betreft aantal winkels als winkelassortiment;

kernkwaliteiten: de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe voor wat betreft:

  • 1.

    archeologie;

  • 2.

    aardkundige waarden;

  • 3.

    cultuurhistorie;

  • 4.

    landschap;

  • 5.

    rust;

  • 6.

    natuur;

kernwaarde bedrijvigheid: de economische dynamiek binnen of in de directe omgeving van het plangebied voor zover deze zich vertaalt in een bijdrage aan de vitaliteit, waaronder mede begrepen de werkgelegenheid;

ladder voor duurzame verstedelijking: een methode om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik bij het inpassen van ruimtebehoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening;

landgoed: een landschappelijk ontwikkeld gebied met 1 wooneenheid, eventueel in combinatie met ondergeschikte functies, die het voornamelijk door architectonische verbintenis met een landgoedontwerp allure en uitstraling verkrijgt, waarbij geldt dat:

  • 1.

    het landgoed minimaal 5 hectare nieuw bos bevat;

  • 2.

    het landgoed past in het bosclusteringsgebied zoals aangegeven in de paragraaf 4.3.3 van de Omgevingsvisie;

  • 3.

    het landgoed openbaar toegankelijk is;

  • 4.

    het landgoed een ecologische, economische en esthetische eenheid vormt, en;

  • 5.

    het landgoed past in het aanwezige landschap en houdt rekening met de cultuurhistorie en bodemgesteldheid;

landschappelijk inpassingsplan: juridisch bindend plan dat aangeeft op welke wijze inpassing van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt. Tot deze inpassing behoren situering van de opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap. Het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap. Een en ander uit zich in een ontwerpgerichte benadering waarin de karakteristieken en kwaliteiten verder worden versterkt;

locatie voor kantoren: perceel of cluster van aaneengesloten percelen waarop gebouwen gerealiseerd dan wel te realiseren zijn met een minimale bruto vloeroppervlakte van 3.000 m2 uitsluitend of hoofdzakelijk voor kantoren en daarbij behorende voorzieningen;

lokale werklocatie: een bedrijventerrein dat:

  • 1.

    plaats biedt aan bedrijven met een lokale oriëntatie om reden van de sociale binding aan de kern en haar directe omgeving (veelal doordat de eigenaar daar in de buurt woonachtig is) vooral qua arbeidsmarkt en qua toelevering- en afnemersrelaties;

  • 2.

    bedrijven huisvest die kleinschalig zijn;

  • 3.

    plaats biedt aan bedrijfsbebouwing die qua kwaliteit, volume en kavelgrootte aansluiten bij de kwaliteit van de directe omgeving;

  • 4.

    geen ruimte biedt voor significant milieubelastende activiteiten (maximaal categorie 3.1 volgens VNG-uitgave 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering'), waarbij geldt dat op basis van duidelijke gemotiveerd uitzonderingsbeleid de vestiging van categorie-4-bedrijven eventueel ook mogelijk is;

maatschappelijk belang: een belang dat educatief, sociaal-medisch, sociaaleconomisch, sociaal-cultureel, recreatief of levensbeschouwelijk van aard is, de duurzaamheid bevordert, dan wel gerelateerd is aan sport of aan openbare dienstverlening;

multifunctionele gebieden: gebieden waar meerdere provinciale functies en ambities samenkomen en waarbij geen duidelijke hoofdfunctie valt te onderscheiden waarbij het gaat om combinaties van landbouw, natuur, water, recreatie en landschap;

neventak: activiteiten die niet rechtstreeks tot de bedrijfsvoering van de agrarische hoofdactiviteit behoren en die op basis van de standaardopbrengst (SO) norm daaraan ondergeschikt zijn;

omgevingsvisie: de Omgevingsvisie Drenthe, zoals vastgesteld door Provinciale Staten;

permanente bewoning: gebruik van een recreatiewoning als feitelijk hoofdverblijf;

recreatiewoning: woning ten behoeve van tijdelijk recreatief verblijf;

regionale werklocatie: een bedrijventerrein of locatie voor kantoren die plaats biedt aan bedrijven met een bovenlokale oriëntatie, zowel qua arbeidsmarkt als qua toelevering- en afnemersrelaties, en die is gelegen in een bedrijvenregio dan wel het VAM/MERA-terrein te Wijster betreft;

regionale werklocatievisie: een regionaal beleidsdocument waarin - op basis van een gezamenlijke analyse - tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale werklocatie(s) en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen;

regionale woonvisie: een regionaal beleidsdocument waarin - op basis van een gezamenlijke analyse - tussen alle gemeenten in een woonregio afstemming plaatsvindt over minimaal de onderwerpen demografie, ontwikkelingen op de woningmarkt, invulling van de ruimtevraag (bundelingsbeleid, zorgvuldig ruimtegebruik en de kernenstructuur), doelgroepenbenadering (kwalitatieve afstemming) en monitoring (uitvoering en effecten van de regionale woonvisie) omvat en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen;

robuust systeem: een systeem is robuust als een verstoring door een ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor het functioneren van het systeem als zodanig en het gaat om stedelijke netwerken, watersysteem, landbouw of natuur;

rood-voor-groen regeling: regeling waarbij nieuwe bebouwing gekoppeld is aan een substantiële verbetering van in de directe omgeving daarvan aanwezige kwaliteiten van natuur, water of landschap of de recreatieve mogelijkheden van omgeving, waartoe mede het in de Omgevingsvisie bepaalde voor landgoederen wordt gerekend;

ruimtelijk plan: in deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder ruimtelijk plan verstaan:

  • 1.

    een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de wet;

  • 2.

    een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet;

  • 3.

    een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de wet;

  • 4.

    een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • 5.

    een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet;

ruimte-voor-ruimte regeling: regeling ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied door het verwijderen van landschapsontsierende agrarische bedrijfsgebouwen, die geen agrarische functie meer hebben en waarvoor ter compensatie van de sloop een of meerdere woning(en) mag (mogen) worden gebouwd;

vrijkomende agrarische bebouwing: bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel dat door (gedeeltelijke) beëindiging van het agrarische bedrijf vrij komt voor invulling met een niet-agrarische functie, dan wel gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een voormalige overeenkomstige bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn geweest, maar inmiddels een niet-agrarische functie hebben;

weidewinkel: een solitaire, los van het bestaand stedelijk gebied gelegen, winkelvestiging of cluster van vestigingen;

werklocatie: bedrijventerrein of een locatie voor kantoren;

wezenlijke kenmerken en waarden: aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden met een bestemming natuur, tevens potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities, voor zover deze natuurwaarden en condities in het licht van de internationale biodiversiteitdoelstellingen relevant zijn;

windturbine: door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit;

woonregio: binnen Drenthe bestaan de woonregio's Noord-Drenthe (gemeenten Aa en Hunze, Assen, Noordenveld, Tynaarlo en Midden-Drenthe), Zuidoost-Drenthe (gemeenten Borger-Odoorn, Coevorden en Emmen) en Zuidwest-Drenthe (gemeenten Hoogeveen, De Wolden, Meppel en Westerveld).

Paragraaf 3.1.2 commissie Leefomgeving (cieL)

Artikel 3.2 Instelling commissie Leefomgeving
  • 1.

    Er is een commissie Leefomgeving, hierna te noemen de commissie.

  • 2.

    De commissie vervult de advies- en overlegtaken inzake het provinciaal beleid zoals bepaald in artikel 2.41 van de Wet milieubeheer en artikel 9.1 Wet ruimtelijke ordening.

  • 3.

    De commissie is bevoegd het provinciebestuur uit eigen beweging van advies te dienen over algemene vraagstukken betreffende het provinciaal omgevingsbeleid.

Artikel 3.3 samenstelling commissie Leefomgeving
  • 1.

    In de commissie hebben naast de voorzitter maximaal 6 leden zitting.

  • 2.

    Leden van provinciale staten, leden van Gedeputeerde Staten, ambtenaren en arbeidscontractanten van de provincie Drenthe kunnen geen lid zijn van de commissie.

Artikel 3.4 Ondersteuning commissie Leefomgeving
  • 1.

    Gedeputeerde Staten voorzien in het secretariaat van de commissie.

  • 2.

    De commissie kan zich doen bijstaan door deskundigen.

Artikel 3.5 Benoemingen commissie Leefomgeving

Provinciale Staten benoemen op voordracht van Gedeputeerde Staten de voorzitter en de leden van de commissie voor een periode van 2 jaar.

Artikel 3.6 Openbaarheid vergaderingen commissie Leefomgeving
  • 1.

    De vergaderingen van de commissie zijn openbaar.

  • 2.

    Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen waarin de in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur genoemde belangen op de in dat artikel bedoelde wijze kunnen worden geschaad.

Titel 3.2 Ruimtelijke Kwaliteit

Paragraaf 3.2.1 Kernkwaliteiten

Artikel 3.7 Werken met kernkwaliteiten
  • 1.

    Als kernkwaliteiten worden aangewezen de thema’s en gebieden zoals die zijn neergelegd op de bij deze verordening behorende kaarten D4 t/m D9 waarbij voor de kaart D7 (Kernkwaliteit landschap) geldt dat van een provinciaal belang alleen sprake is in de situaties zoals in de Omgevingsvisie (hoofdstuk 4) omschreven.

  • 2.

    Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn:

    • a.

      wordt in het ruimtelijk plan uiteengezet dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform het provinciaal beleid en de sturingsniveaus zoals die zijn verwoord in de Omgevingsvisie;

    • b.

      maakt het desbetreffende ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die deze kernkwaliteiten significant aantasten.

Artikel 3.8 Werken met kernwaarde bedrijvigheid

Als bij een ruimtelijk plan de kernwaarde bedrijvigheid is betrokken, wordt in dat ruimtelijk plan uiteengezet dat met het plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken aspecten van de kernwaarde bedrijvigheid.

Artikel 3.9 Verhouding kernkwaliteiten en kernwaarde bedrijvigheid

Voor zover kernkwaliteiten en kernwaarde bedrijvigheid in een ruimtelijk plan niet kunnen samengaan:

  • a.

    wordt in dat plan onderbouwd in hoeverre behoud of ontwikkeling van    kernkwaliteiten niet kan samengaan met behoud of ontwikkeling van de kernwaarde bedrijvigheid;

  • b.

    wordt tussen behoud of ontwikkeling van kernkwaliteiten en behoud of ontwikkeling van de kernwaarde bedrijvigheid een zorgvuldige afweging gemaakt, en;

  • c.

    voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, wordt de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk of mogelijk veilig gesteld, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet of de in het betreffende beleidsveld geldende onderzoeksnormen.

Artikel 3.10 Kernkwaliteiten ondergeschikt in landbouwgebied plus

Artikel 3.7 is niet van toepassing binnen gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart D11b zijn aangeduid als “Landbouwgebied Plus”, voor zover de gemeente in een ruimtelijk plan zorgvuldig onderbouwt dat:

  • a.

    de ontwikkeling van Robuuste landbouw, nieuwe intensieve veehouderij als gevolg van verplaatsing uitgezonderd, niet kan samengaan met de bij het plan betrokken kernkwaliteiten en;

  • b.

    voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk veilig gesteld wordt, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet of de in het betreffende beleidsveld geldende onderzoeksnormen.

Artikel 3.11 Uitzondering afwijking 3.10

De in artikel 3.10 vervatte uitzondering voor intensieve veehouderijen geldt niet wanneer in hetzelfde ruimtelijk plan sprake is van het beëindigen dan wel het samenvoegen van een of meer bestaande intensieve veehouderijen welke is gekoppeld aan de uitbreiding van de desbetreffende bestaande intensieve veehouderij.

Artikel 3.12 Spanning tussen kernkwaliteiten onderling

Artikel 3.7 is niet van toepassing voor zover de gemeente in het desbetreffende ruimtelijk plan aantoont dat het niet mogelijk is een of meerdere van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten in het plan met elkaar te verenigen op een manier die aan behoud en ontwikkeling van ieder van die kernkwaliteiten afzonderlijk ten goede komt, mits:

  • a.

    de gemeente in het desbetreffende ruimtelijk plan tussen die kernkwaliteiten een zorgvuldige planologische afweging maakt en;

  • b.

    voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk veilig gesteld wordt, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet of de in het betreffende beleidsveld geldende onderzoeksnormen.

Artikel 3.13 Wijzigingsbevoegdheid kernkwaliteitenkaart

Gedeputeerde Staten kunnen de bij deze verordening behorende kaarten D4 t/m D9 met Kernkwaliteiten wijzigen:

  • a.

    op grond van feitelijke informatie die nader inzicht verschaft in de waarden of verwachtingen (archeologische) die op de kaart zijn vastgelegd en die tot een correctie van die kaart noopt of;

  • b.

    om de kaart aan te passen aan de feitelijke situatie die ontstaat doordat de onder artikel 3.9, 3.10 of 3.12 beschreven situatie zich voordoet op het moment dat het desbetreffende ruimtelijk plan onherroepelijk is geworden.

Paragraaf 3.2.2 Milieu- en leefomgevingskwaliteit

Artikel 3.14 Milieu en externe veiligheidsaspecten

Voor zover bij een ruimtelijk plan milieueffecten en externe veiligheidseffecten aan de orde zijn, wordt in dat ruimtelijk plan verantwoord op welke wijze deze aspecten in het ontwerpen en inrichten van de fysieke leefomgeving van het plangebied vertaald zijn. Het vorenstaande is van toepassing op:

  • a.

    milieuaspecten voor zover opgenomen op de bij deze verordening behorende kaart D12 met:

    • i.

      bedrijventerreinen voor milieucategorie 4 en hoger;

    • ii.

      bodem (spoedlocaties);

    • iii.

      geluid (geluidzoneringen, verkeerslawaai, geluidsportcentra);

    • iv.

      licht (provinciale wegen) en;

  • b.

    aspecten van externe veiligheid zoals verwoord in de Omgevingsvisie.

Paragraaf 3.2.3 Zorgvuldig ruimtegebruik (Ladder voor duurzame verstedelijking)

Artikel 3.15 Toepassen ladder voor duurzame verstedelijking
  • 1.

    Een ruimtelijk plan kan slechts in ruimtevragende ontwikkelingen voorzien op het gebied van woon-werklocaties, verblijfsrecreatie, detailhandel en infrastructuur indien uit het desbetreffende ruimtelijk plan blijkt dat dit op basis van de Ladder voor duurzame verstedelijking gerechtvaardigd is.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing, waaronder in ieder geval begrepen agrarische bebouwing, bebouwing voor natuurbeheer, voor waterbeheer, voor veiligheid en hulpdiensten de opsporing en winning van delfstoffen als aardgas en aardolie of voor de levering van gas, water of elektriciteit.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op ontwikkelingen die vallen onder een Rood-voor-groen dan wel ruimte-voor-ruimte regeling.

Titel 3.3 Bruisend Drenthe

Paragraaf 3.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.16 Aanwijzing bestaand stedelijk gebied
  • 1.

    Als bestaand stedelijk gebied wordt aangewezen het gebied dat als zodanig staat aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart D1 “Bestaand stedelijk gebied”.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing zoals is aangegeven op de in het eerste lid bedoelde kaart wijzigen wanneer via onherroepelijk geworden ruimtelijke plannen of een inpassingsplan nieuwe bebouwingsmogelijkheden zijn gecreëerd en voorts ter correctie van feitelijke onjuistheden.

Artikel 3.17 Basisbepalingen Bruisend Drenthe

In een ruimtelijk plan wordt uiteengezet hoe de met het plan beoogde ontwikkelingen passen binnen het ontwikkelingsperspectief - voor zover van provinciaal belang - dat in de Omgevingsvisie voor het desbetreffende gebied is neergelegd.

Paragraaf 3.3.2 Thematische bepalingen

Artikel 3.18 Ondergrond
  • 1.

    In een ruimtelijk plan waarin realisering van woonwijken, bedrijventerreinen en/of glastuinbouw is voorzien, wordt aangegeven hoe dat plan bijdraagt aan de provinciale beleidsdoelen voor bodemenergie.

  • 2.

    Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van afvalstoffen in de ondergrond, met uitzondering van de mogelijkheid tot de injectie van formatiewater uit gas- en oliewinning.

  • 3.

    Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van gevaarlijk of radioactief afval in de ondergrond.

  • 4.

    Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de injectie van CO2 in aquifers.

  • 5.

    Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe voor de injectie van CO2 in 'lege' gasvelden met als oogmerk permanente opslag tenzij deze ontwikkelingen in overeenstemming zijn met hetgeen daarover is opgenomen in de door provinciale staten vastgestelde Structuurvisie ondergrond.

  • 6.

    Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die de winning van aardgas en aardolie aantoonbaar kunnen belemmeren.

Artikel 3.19 Agrarische bedrijvigheid

Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op locaties die op de bij deze verordening behorende kaart D11a zijn aangeduid als ”Landbouwgebied”, voorziet niet in ontwikkelingen die een structureel negatief effect op het functioneren van de agrarische sector in het gebied hebben.

Artikel 3.20 Grondgebonden agrarisch bedrijf
  • 1.

    Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat op de bij deze verordening opgenomen kaart D11a als “Bouwvlak grondgebonden agrarisch bedrijf” is aangeduid, kent aan een grondgebonden agrarisch bedrijf een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare toe, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan in een groter bouwvlak voorzien, mits deze ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid van dit artikel kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en sleuf- en mestsilo's alsmede mestplaten in het belang van de bedrijfsvoering ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een agrarisch bedrijf betekent.

Artikel 3.21 Intensieve veehouderij
  • 1.

    Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwvestiging van intensieve veehouderijen en evenmin in het omschakelen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij. Dit geldt niet voor agrarische bedrijven waar door toepassing van de neventakbepaling, planologische gezien de intensieve veehouderij niet meer als neventak kan worden beschouwd. Peildatum voor deze bepaling ligt op 20 augustus 2014.

  • 2.

    Een ruimtelijk plan staat aan een intensieve veehouderij een bouwvlak toe met een omvang van maximaal 1,5 hectare, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan, waarbij geldt dat de bedrijfsbebouwing – de bedrijfswoning uitgezonderd – uit 1 bouwlaag bestaat.

  • 3.

    Een ruimtelijk plan kan, onverlet de randvoorwaarden uit het tweede lid van dit artikel, het bouwvlak voor een intensieve veehouderij vergroten tot maximaal 2 hectare, mits dit samengaat met winst voor het milieu en de landschappelijke inpassing berust op een landschappelijk inpassingsplan.

  • 4.

    In afwijking van het tweede en derde lid van dit artikel kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en sleuf- en mestsilo's alsmede mestplaten ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een intensieve veehouderij betekent.

  • 5.

    Een ruimtelijk plan kan voorzien in verplaatsing van intensieve veehouderijen naar de op kaart D11b aangegeven als “Landbouwgebieden plus” in het geval sprake is van sanering, samenvoeging of het oplossen van een knelpunt binnen Drenthe, waarbij geldt dat:

    • a.

      het bouwvlak voor een intensieve veehouderij maximaal 1,5 hectare bedraagt, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan;

    • b.

      het bouwvlak, onverlet de randvoorwaarden uit sub a van dit artikellid, voor een intensieve veehouderij bij maatwerk en landschappelijke inpassing blijkens een landschappelijk inpassingsplan tot maximaal 2 hectare kan worden vergroot;

    • c.

      de bedrijfsbebouwing uit 1 bouwlaag bestaat.

  • 6.

    In afwijking van het vijfde lid, onder a en b, kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en sleuf- en mestsilo's alsmede mestplaten in het belang van de bedrijfsvoering ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een intensieve veehouderij betekent.

Artikel 3.22 Overige agrarische activiteiten
  • 1.

    Een ruimtelijk plan kan voorzien in de nieuwvestiging van glastuinbouw als de locatie is opgenomen op de in de bij deze verordening opgenomen kaart D11b benoemde glastuinbouwlocaties in de gemeente Emmen.

  • 2.

    Een ruimtelijk plan kan, onverminderd het gestelde in artikel 3.25, negende lid, voorzien in alternatieve gebruiksmogelijkheden voor vrijkomende agrarische bebouwing als in dat ruimtelijk plan wordt aangetoond dat:

    • a.

      de nieuwe activiteit aan de in de Omgevingsvisie aan het desbetreffende gebied toegekende hoofdfunctie niet schaadt;

    • b.

      de nieuwe bedrijfsactiviteit niet milieubelastend van aard is; en

    • c.

      de woonfunctie van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing gehandhaafd blijft.

  • 3.

    Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in realisering van vergistingsinstallaties bij agrarische bedrijven wanneer uit het ruimtelijk plan blijkt dat die ontwikkeling zich positief verhoudt tot het 'Beleidskader Co-Vergisting'.         

Artikel 3.23 Ruimte-voor-ruimte regeling
  • 1.

    Een ruimtelijk plan voor een gebied, niet gelegen binnen het Bestaand Stedelijk Gebied, kan voorzien in een ruimte-voor-ruimte regeling als in dat gebied voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig is.

  • 2.

    De ruimte-voor-ruimte regeling wordt vormgegeven met inachtneming van het volgende:

    • a.

      toepassing van de regeling is alleen mogelijk voor agrarische bedrijfsbebouwing die op 2 juni 2010 al aanwezig was;

    • b.

      de randvoorwaarde dat de sloopnorm voor 1 compensatiewoning 750 m2 en 2.000 m2 voor 2 compensatiewoningen aan agrarisch bedrijfsbebouwing bedraagt;

    • c.

      een beperkte afwijking van de onder b genoemde randvoorwaarde is mogelijk mits sprake is van een extra kwaliteitsslag;

    • d.

      in het ruimtelijk plan mag de mogelijkheid worden geboden tot het samenvoegen van agrarische bebouwing op meerdere percelen (saldering) om te kunnen komen tot de sloopnorm van 750 m2 of tot 2.000 m2;

    • e.

      randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de compensatiewoning worden vastgelegd;

    • f.

      de randvoorwaarde dat bouw van een compensatiewoning niet plaatsvindt in gebieden die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende kaart 1 (Visiekaart 2020) met de functie 'Natuur' en 'Beekdalen' zijn aangeduid, tenzij:

      • i.

        zich geen situatie voordoet zoals verwoord in artikel 3.35, eerste lid;

      • ii.

        wordt voldaan aan het geen is opgenomen in artikel 3.36, tweede lid, onder c.

Artikel 3.24 Woningbouw
  • 1.

    Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied kan alleen voorzien in nieuwe woningbouw indien deze woningbouw past binnen de afspraken die de woonregio en de provincie hebben gemaakt over de woningbouwprogrammering en het gestelde in de regionale woonvisie en als in het desbetreffende ruimtelijk plan wordt onderbouwd dat deze regionale woonvisie voldoende actueel is.

  • 2.

    Incidentele bouwmogelijkheden buiten het bestaand stedelijk gebied zijn mogelijk in bepaalde gevallen zoals bedrijfswoningen, een tweede woning bij een agrarisch bedrijf, recreatiewoningen, het splitsten van boerderijen in twee of meer woningen en nieuwbouw die past binnen de kaders van de provinciale rood-voor-groen dan wel de ruimte-voor-ruimte regeling.

Artikel 3.25 Bedrijvigheid
  • 1.

    Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in nieuwe regionale werklocaties of uitbreiding van een bestaande regionale werklocatie indien dit past in een regionale werklocatievisie, dan wel in een gemeentelijke werklocatievisie mits deze regionaal is afgestemd, en indien in het desbetreffende ruimtelijk plan wordt onderbouwd dat deze werklocatievisie voldoende actueel is.

  • 2.

    Een ruimtelijk plan dat niet betrekking heeft op het bestaand stedelijk gebied van de plaatsen Hoogeveen, Emmen, Meppel, Assen en Coevorden kan alleen voorzien in nieuwe of uitbreiding van lokale werklocaties wanneer het desbetreffende ruimtelijk plan vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan en wanneer de locatie wordt bestemd voor kleinschalige en lokaal georiënteerde bedrijvigheid.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen met betrekking tot de mogelijkheid dat een ruimtelijk plan voorziet in vestiging of significante uitbreiding van een solitair buiten bestaand stedelijk gebied gelegen regionaal georiënteerd bedrijf. Deze regels hebben geen betrekking op bedrijven binnen de sector recreatie en toerisme en overige functioneel aan het buitengebied verbonden bedrijvigheid.

  • 4.

    Een ruimtelijk plan voorziet alleen in de vestiging van nieuwe bedrijven voor zover deze niet volgens de VNG systematiek 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' zouden vallen in de milieucategorieën 4, 5 en 6, tenzij op regionale werklocaties.

  • 5.

    In afwijking van het vierde lid kan een ruimtelijk plan voorzien in nieuwe bedrijvigheid die volgens de VNG systematiek 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' valt in de categorie 4 voor zover dit gebeurt via door de betreffende gemeente vastgesteld uitzonderingsbeleid.

  • 6.

    Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwe locaties voor detailhandel, voor zover deze ten koste gaan van het bestaande kernwinkelgebied.

  • 7.

    In afwijking van het zesde lid kan een ruimtelijk plan in perifere detailhandel op een werklocatie voorzien wanneer dit in de toelichting daarop wordt gemotiveerd vanuit een integrale visie op de (boven)lokale (of regionale) detailhandelsstructuur en het bepaalde in het zesde lid voldoende wordt gewaarborgd.

  • 8.

    Een ruimtelijk plan voorziet niet in de mogelijkheid tot het realiseren van weidewinkels.

  • 9.

    Een ruimtelijk plan dat voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe werklocatie dient vergezeld te gaan van een beeldkwaliteitsplan dat juridisch is verbonden aan het desbetreffende ruimtelijke plan.

Artikel 3.26 Mobiliteit

Ruimtelijke plannen met nieuwe woningbouwlocaties, voorzieningen, kantoren, dagrecreatieve voorzieningen of bedrijven, die verkeersbewegingen kunnen veroorzaken die van wezenlijke invloed zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur, geven in de plantoelichting inzicht in:

  • a.

    de afstemming tussen bereikbaarheidseisen van functies en ontsluitingskwaliteiten van locaties;

  • b.

    de mogelijkheden van bestaande verkeers- en vervoersvoorzieningen om de extra mobiliteit veilig en adequaat op te vangen;

  • c.

    het al of niet noodzakelijk zijn van nieuwe verkeers- en vervoersvoorzieningen;

  • d.

    de effecten op het openbaar vervoer netwerk.

Artikel 3.27 Verblijfsrecreatie
  • 1.

    Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in nieuwe verblijfsrecreatie voor zover deze niet wordt gesitueerd binnen de op de bij deze verordening behorende kaart D3 (Natuurnetwerk Nederland) aangegeven begrenzingen en in een gebied dat op de bij deze verordening behorende kaart D11b als “Landbouwgebied plus” is aangeduid.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan voorzien in nieuwe verblijfsrecreatie wanneer het gaat om ver-/uitplaatsing van bestaande bedrijven uit kwetsbare gebieden als het desbetreffende ruimtelijk plan voorziet in een locatie aan de rand van natuurgebieden.

  • 3.

    Een ruimtelijk plan kent geen gebruiksbepalingen die permanente bewoning van recreatieverblijven toestaan.

Artikel 3.28 Afwijking verblijfsrecreatie
  • 1.

    In afwijking van het gestelde in het derde lid van artikel 3.27 kan een ruimtelijk plan gebruiksbepalingen bevatten die permanente bewoning van recreatieverblijven toestaat wanneer:

    • a.

      is voldaan aan de voorwaarden die het Rijk in het Besluit omgevingsrecht (Bor) heeft opgenomen om aan gemeenten de mogelijkheid te geven tot legalisatie van de onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen via het verlenen van een omgevingsvergunning;

    • b.

      de legalisatie betrekking heeft op complexen en niet op losse recreatieverblijven;

    • c.

      het recreatiecomplex deel uitmaakt van dan wel aansluit op bestaand stedelijk gebied;

    • d.

      de legalisatie past binnen het woonplan van de desbetreffende gemeente, en;

    • e.

      de integratie met het naastgelegen bestaand stedelijk gebied blijkens het ruimtelijk plan een blijvende ruimtelijke kwaliteitsslag oplevert.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ter uitvoering of afwijking van het gestelde in het eerste lid onder b, c, d of e, voor de situatie waarin een ruimtelijk plan voorziet in permanente bewoning van recreatiewoningen.

Artikel 3.29 Windenergie

Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in de toepassing van windenergie indien dit geschiedt via realisering van windturbineparken in gebieden die als 'Windenergie (zoekgebied)' zijn aangeduid op de bij deze verordening behorende kaart D13 (Zoekgebied grootschalige windenergie) en wanneer:

  • a.

    het vermogen van een windturbine ten minste 3 MW bedraagt;

  • b.

    windturbines ten minste in een cluster van 5 worden gerealiseerd;

  • c.

    in het ruimtelijk plan wordt aangetoond dat rekening is gehouden met laagvliegroutes en laagvlieggebieden, en;

  • d.

    voldaan wordt aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 3.31 (radioastronomie) van dit hoofdstuk van de verordening.

Artikel 3.29a Kleine installaties

In afwijking van artikel 3.29 kan een ruimtelijk plan wanneer het gaat om kleine installaties voorzien in de toepassing van windenergie binnen en buiten de zoekgebieden als bedoeld in artikel 3.29 wanneer:

  • a.

    uit het desbetreffende ruimtelijk plan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap;

  • b.

    in het ruimtelijk plan wordt aangetoond dat rekening is gehouden met laagvliegroutes en laagvlieggebieden, en;

  • c.

    wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 3.31 (radioastronomie) van dit hoofdstuk.

Artikel 3.30 Zonne-energie

Een ruimtelijk plan kan voorzien in de realisatie van zonne-akkers mits de realisatie voldoet aan de door provinciale staten vastgestelde en in de Omgevingsvisie opgenomen “zonneladder” en de ter uitvoering daarvan door gedeputeerde staten vastgestelde “Beleidskader Zonne-akkers”.

Artikel 3.31 Radioastronomie
  • 1.

    Een ruimtelijk plan kan, voor zover deze gebieden bestrijkt die op de bij deze verordening behorende kaart D10 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone I', alleen voorzien in nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden.

  • 2.

    Een ruimtelijk plan kan, voor zover dat gebieden bestrijkt die op de bij deze verordening behorende kaart D10 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone II', alleen voorzien in bedrijfsvestiging, -uitbreiding, intensivering van verkeer en andere activiteiten als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden.

Artikel 3.32 Nationaal Landschap Drentsche Aa

Als Nationaal Landschap Drentsche Aa wordt aangewezen het gebied dat valt binnen de begrenzing Nationaal Landschap Drentsche Aa zoals dat staat aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart D2 (Nationaal Landschap Drentsche Aa).

Artikel 3.33 Afwijking Nationaal Landschap Drentsche Aa
  • 1.

    Een ruimtelijk plan, voor zover dit plan betrekking heeft op een gebied dat onderdeel uitmaakt van het Nationaal Landschap Drentsche Aa, kan alleen voorzien in ruimtelijke ontwikkelingen voor zover deze bijdragen aan het behoud en het versterken van en niet in strijd zijn met de doelstellingen, kwaliteiten en kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa zoals deze zijn opgenomen in de Landschapsvisie Drentsche Aa of het BIO-plan Drentsche Aa 2.0 (2012 - 2020).

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan in ruimtelijke ontwikkelingen voorzien wanneer in het desbetreffende ruimtelijk plan wordt aangetoond dat:

    • a.

      er sprake is van een groot maatschappelijk belang;

    • b.

      er geen reële andere mogelijkheden zijn;

    • c.

      de nadelige effecten op het behoud of de versterking van de kwaliteiten kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa als bedoeld in het eerste lid waar mogelijk worden gemitigeerd en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij:

      • i.

        de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de kenmerken en kwaliteiten; en

      • ii.

        de compensatie plaatsvindt:

        • -

          aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij het aangetaste gebied;

        • -

          door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied; of

        • -

          op financiële wijze; en

    • d.

      de aard van de effectbeperkende of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied en de compensatie duurzaam zijn verzekerd.

Artikel 3.34 Natuurnetwerk Nederland
  • 1.

    De gronden aangeduid op kaart D3 (Natuurnetwerk Nederland) vormen de Natuurnetwerk Nederland waarvoor geldt dat:

    • a.

      een ruimtelijk plan, indien het een bestemmingsplan betreft voor gronden die in het Natuurbeheerplan zijn begrensd als nieuwe of bestaande natuur, een wijzigingsbevoegdheid bevat die bepaalt dat burgemeester en wethouders een bestemming kunnen wijzigen in een natuur- of bosbestemming vanaf het moment dat:

      • i.

        eigenaren van de desbetreffende gronden daarom verzoeken;

      • ii.

        de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie; of

      • iii.

        gedeputeerde staten besluiten dat zij provinciale staten zullen verzoeken om het besluit tot het verzoek tot onteigening aan de Kroon, als bedoeld in artikel 78 van de Onteigeningswet, te nemen en dat ter voorbereiding van dit besluit van provinciale staten, gedeputeerde staten een kopie van hun besluit hiertoe aan burgemeester en wethouders zenden met het verzoek over te gaan tot vaststelling van het wijzigingsplan;

    • b.

      een ruimtelijk plan, indien het een bestemmingsplan betreft, geen bestemmingen en regels bevat die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland significant aantasten.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid beschrijft de toelichting van het ruimtelijk plan:

    • a.

      de wezenlijke kenmerken en waarden van het desbetreffende deel van Natuurnetwerk Nederland, zoals aangegeven in het Natuurbeheerplan;

    • b.

      hoe de wezenlijke kenmerken en waarden worden beschermd; en

    • c.

      hoe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden worden voorkomen.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen de begrenzing van Natuurnetwerk Nederland wijzigen:

    • a.

      ten behoeve van een verbetering van de samenhang of de planologische inpassing van Natuurnetwerk Nederland;

    • b.

      ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling; of

    • c.

      ten behoeve van de krachtens artikel 3.35 gestelde regels.

  • 4.

    Een wijziging als bedoeld in het derde lid is mogelijk voor zover:

    • a.

      de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland worden behouden; en

    • b.

      de oppervlakte van Natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft.

  • 5.

    Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wezenlijke kenmerken en waarden als bedoeld in het tweede lid om deze nader te specificeren of aan te vullen in het belang van de instandhouding en verdere ontwikkeling van de natuurdoelen van Natuurnetwerk Nederland.

Artikel 3.35 Afwijking Natuurnetwerk Nederland
  • 1.

    In afwijking van artikel 3.34, eerste en tweede lid, kan een ruimtelijk plan voorzien in nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten voor zover:

    • a.

      er sprake is van een groot maatschappelijk belang;

    • b.

      er geen reële andere mogelijkheden zijn; en

    • c.

      de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd waarbij;

      • i.

        de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke waarden en kenmerken; en

      • ii.

        de compensatie plaatsvindt:

        • -

          in Natuurnetwerk Nederland wanneer deze gronden beleidsmatig niet zijn aangeduid als natuur, inclusief nieuwe natuur;

        • -

          aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij Natuurnetwerk Nederland;

        • -

          door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied; of

        • -

          op financiële wijze.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid kan het ruimtelijk plan hier alleen in voorzien indien in het ruimtelijk plan wordt opgenomen:

    • a.

      op welke wijze schade aan Natuurnetwerk Nederland zoveel mogelijk wordt voorkomen en resterende schade wordt gecompenseerd;

    • b.

      hoe wordt geborgd dat de maatregelen ten behoeve van de compensatie als bedoeld onder het eerste lid, onder c, sub 1, daadwerkelijk wordt uitgevoerd en de wijze waarop die compensatie duurzaam is verzekerd.

  • 3.

    Een ruimtelijk plan kan tevens in afwijking van artikel 3.34, eerste en tweede lid, een activiteit of een combinatie van activiteiten mogelijk maken indien uit een in een provinciale of intergemeentelijke structuurvisie neergelegde gebiedsvisie blijkt dat die activiteit of combinatie van activiteiten mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van Natuurnetwerk Nederland per saldo te verbeteren, waarbij in samenhang met een of meer andere ruimtelijke plannen die eveneens behoren tot de desbetreffende structuurvisie:

    • a.

      de kwaliteit van Natuurnetwerk Nederland verbetert, waarbij de oppervlakte van Natuurnetwerk Nederland niet afneemt;

    • b.

      het areaal van Natuurnetwerk Nederland wordt vergroot, ter compensatie van het gebied dat door de ontwikkeling verloren gaat, indien daarmee een beter functionerend Natuurnetwerk Nederland ontstaat, en;

    • c.

      in dat ruimtelijk plan verantwoord wordt waaruit de aard, wijze en het tijdstip van realisatie van de kwaliteits- of kwantiteitswinst bestaat.

Artikel 3.36 Water
  • 1.

    Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart D14 (Beekdal en bergingsgebied) zijn aangeduid als "Beekdal", voorziet voor de desbetreffende gebieden niet in nieuwe kapitaalintensieve functies.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan in nieuwe kapitaalintensieve functies voorzien wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is sprake van een zwaarwegende maatschappelijk belang;

    • b.

      er zijn geen reële alternatieven;

    • c.

      de functie vormt op die locatie geen feitelijke belemmering om in de toekomst de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem te vergroten; en

    • d.

      het negatieve effect op het watersysteem wordt in het desbetreffende ruimtelijke plan gecompenseerd.

  • 3.

    Een ruimtelijk plan dat gebied bestrijkt dat op de bij deze verordening behorende kaart D14 (Beekdal en bergingsgebied) is aangeduid als "Bergingsgebied", strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.

  • 4.

    Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gebied dat een grondwaterwinningfunctie heeft, strekt mede tot bescherming van die functie als grondwaterwingebied.

Artikel 3.37 Provinciale wegen
  • 1.

    Een ruimtelijk plan maakt binnen een zone van 400 meter aan weerszijden van een op de bij deze verordening behorende kaart A aangegeven provinciale weg geen handelingen, activiteiten of bestemmingen mogelijk die strijdig zijn met het meest doelmatige en efficiënte huidige of toekomstige gebruik van deze wegen.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde zone wordt gemeten vanaf de hart van de weg.

Titel 3.4 Tegemoetkoming in schade

Artikel 3.38 Aanwijzing adviseur(s)
  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen 1 of 3 adviseurs voor de voorbereiding van een besluit inzake toekenning van een tegemoetkoming in schade als bedoeld in afdeling 6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aanwijzen.

  • 2.

    Indien Gedeputeerde Staten 3 adviseurs aanwijzen, vormen deze 3 adviseurs een schadebeoordelingscommissie. In dat geval wijzen Gedeputeerde Staten eveneens de voorzitter van genoemde commissie aan.

  • 3.

    De aan te wijzen adviseurs mogen niet uit anderen hoofde verbonden zijn met belangen van de provincie of van een andere belanghebbende. Gedeputeerde Staten waken tegen de schijn van belangenverstrengeling.

  • 4.

    Aan te wijzen adviseurs zijn op grond van opleiding, kennis en ervaring gekwalificeerd om te adviseren over een besluit inzake de toekenning van een tegemoetkoming in schade.

  • 5.

    Het voornemen tot de aanwijzing van de adviseur of de adviseurs wordt bekendgemaakt aan de aanvrager en aan andere belanghebbenden. Binnen 2 weken na de bekendmaking kunnen de aanvrager en de andere belanghebbenden hun zienswijzen schriftelijk aan Gedeputeerde Staten kenbaar maken.

  • 6.

    Indien Gedeputeerde Staten na ontvangst van een zienswijze hun voornemen herzien, zijn de leden 2 tot en met 5 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.39 Werkwijze één adviseur
  • 1.

    De adviseur hoort de aanvrager, de eventueel betrokken bestuursorganen en in voorkomend geval de belanghebbende, bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, over de aanvraag.

  • 2.

    De adviseur bepaalt de dag, tijd en plaats van de hoorzitting en bepaalt tevens de wijze waarop deze zal plaatsvinden.

  • 3.

    De adviseur draagt er zorg voor dat van de hoorzitting een verslag wordt gemaakt. Het verslag maakt deel uit van het definitieve rapport met bevindingen en advies.

  • 4.

    Alvorens de adviseur zijn advies uitbrengt, dient hij de aanvrager en in voorkomend geval de belanghebbende als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van de Wet ruimtelijke ordening, gedurende 6 weken in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op het verslag van de hoorzitting en op het ontwerpadvies.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten voegen een afschrift van het advies bij hun besluit op de aanvraag.

Artikel 3.40 Werkwijze schadebeoordelingscommissie

Indien een aanvraag wordt voorgelegd aan een schadebeoordelingscommissie is het gestelde in artikel 3.39 van overeenkomstige toepassing.

Titel 3.5 Slotbepalingen

Artikel 3.41 Overgangsbepaling

De bepalingen van dit hoofdstuk in deze verordening zijn niet van toepassing op bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht, vrijstellings- dan wel ontheffingsbevoegdheid zijn opgenomen in een ruimtelijk plan dat vóór 14 april 2011 als ontwerp ter inzage heeft gelegen.

Artikel 3.42 Aanpassingstermijn bestemmingsplan, beheersverordening

In afwijking van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt het tijdstip waarop een ruimtelijk plan in overeenstemming met dit hoofdstuk moet zijn vastgesteld, gesteld op het tijdstip bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 4 Natuurbescherming

Titel 4.1, Algemeen

Artikel 4.1, Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • -

    afschotregistratie: het registreren van geschoten dieren naar soorten en aantal of aanvullende wettelijke vereisten binnen de daarvoor gestelde termijn in een daarvoor bedoeld registratiesysteem;

  • -

    bedekkingsgraad: het percentage van de bosbodem dat vanaf boven wordt bedekt door een kroonprojectie;

  • -

    BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies dat onderdeel is van de Vereniging Interprovinciaal Overleg (IPO);

  • -

    boskern: een aaneengesloten houtopstand met in totaal een oppervlakte van ten minste 5 hectare bos. Singels en houtwallen die aansluiten op een bos zijn geen onderbreking van de boskern. Een beplanting is aansluitend wanneer er geen onderbrekingen in zitten die groter zijn dan 8 meter van stam tot stam gemeten aan de binnenkant van beide stammen;

  • -

    trendtellingen: een jaarlijks op uniforme wijze uitgevoerde telling die inzicht geeft in de minimaal aanwezige aantallen dieren.

 

Titel 4.2, Gebiedsbescherming  

Artikel 4.2, Vrijstelling vergunningplicht

Als categorieën van handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming zijn aangewezen:

  • a.

    het weiden van vee;

  • b.

    het op of in de bodem brengen van meststoffen.

Titel 4.3, Soortenbescherming  

Paragraaf 4.3.1, Vrijstelling soortenbescherming  

Artikel 4.3, Soortenvrijstelling ruimtelijke inrichting, bestendig beheer en onderhoud

  • 1.

    Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, wordt vrijstelling verleend, voor de soorten genoemd in bijlage IV, voor het verrichten van handelingen in het kader van de volgende belangen:

    • a.

      de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

    • b.

      bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

    • c.

      bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

    • d.

      bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.

  • 2.

    Ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde vrijstelling mag enkel gebruik worden gemaakt van de in bijlage V bedoelde vangmiddelen.

  • 3.

    De soorten die zijn gevangen met gebruikmaking van de in het eerste lid bedoelde vrijstelling mogen worden uitgezet. Uitzetting dient zo spoedig mogelijk op een voor de betreffende soort geschikte locatie plaats te vinden.

  • 4.

    Het vangen van soorten als bedoeld in het eerste lid, is slechts toegestaan wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om de soorten te verdrijven van de locatie waar de handeling(en) plaatsvinden.

  • 5.

    Het opzettelijke doden van soorten als bedoeld in het eerste lid, is slechts toegestaan wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is de soorten te verdrijven of te vangen van de locatie waar de handeling(en) plaatsvinden. 

Artikel 4.4, Vrijstelling veiligstelling tegen het verkeer

  • 1.

    De verboden om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren bedoeld in artikel 3.5, eerste en tweede lid, van de Wet natuurbescherming, alsmede het verbod om amfibieën te vangen, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid van de Wet natuurbescherming, gelden niet ten aanzien van amfibieën indien de betrokken handelingen plaatsvinden ter veiligstelling van deze amfibieën tegen het verkeer.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van amfibieën over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats onder de voorwaarde dat de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.

Artikel 4.5, Vrijstelling voor onderzoek en onderwijs

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10 en 3.34 van de Wet natuurbescherming geldt het verbod op het vangen en uitzetten van deze gevangen soorten niet ten aanzien van eieren van de meerkikker (Pelophylax ridibundus), middelste groene kikker (Rana kl. esculenta), bruine kikker (Rana temporaria) en gewone pad (Bufo bufo) voor zover deze handelingen plaatsvinden met het oog op gebruik van deze dieren bij onderzoek en onderwijs.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde uit het ei voortgekomen dieren moeten voordat de metamorfose is voltooid, worden uitgezet op de locatie waar ze zijn gevangen.

Artikel 4.6, Vrijstelling voor bescherming weidevogels

De verboden bedoeld in artikel 3.1, tweede, derde en vierde lid, en artikel 3.5, tweede, derde en vierde lid, van de Wet natuurbescherming, gelden niet ten aanzien van weidevogels, ten behoeve van activiteiten bestemt en geschikt voor de bescherming van weidevogels, hun eieren en hun niet-vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee.

 

Paragraaf 4.3.2 Vrijstelling grondgebruiker  

Artikel 4.7, Vrijstelling schadesoorten aan grondgebruiker

  • 1.

    Als soorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid, van de Wet natuurbescherming, worden aangewezen de soorten genoemd in bijlage VI.

  • 2.

    Van de verboden als bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, van de Wet natuurbescherming, wordt vrijstelling verleend aan grondgebruikers voor het opzettelijk verstoren van de in bijlage VI bedoelde schadesoorten op de door hen gebruikte gronden, dan wel in of aan door hen gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied.

  • 3.

    Ter uitvoering van de in het tweede lid genoemde vrijstelling mag enkel gebruik worden gemaakt van de in bijlage VII bedoelde middelen.

  • 4.

    De in het eerste lid bedoelde vrijstelling mag niet gebruikt worden om overwinterende ganzen in de periode van 1 oktober tot 1 april opzettelijk te verstoren in de aangewezen rustgebieden zoals opgenomen in bijlage VIII.

  • 5.

    Indien de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming de ingevolge de vrijstelling toegestane handelingen door een ander laat uitvoeren, dient deze persoon de schriftelijke en gedagtekende toestemming van de grondgebruiker bij zich te dragen en op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage te geven.

  • 6.

    De in het tweede lid bedoelde schade heeft uitsluitend betrekking op schade als bedoeld in artikel 3.15, zesde lid, sub a, onder 1˚ dan wel sub b, onder 2˚ van de Wet natuurbescherming.

 

Titel 4.4, Faunabeheer  

Paragraaf 4.4.1, Faunabeheereenheid Drenthe  

Artikel 4.8, Uitleg

In de faunabeheereenheid Drenthe werken jachthouders en maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de provincie Drenthe samen, ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van het faunabeheerplan.  

Artikel 4.9, Aanvullende eisen

Aanvullend op de eisen gesteld in artikel 3.12 van de Wet natuurbescherming voldoet de faunabeheereenheid Drenthe aan de volgende eisen:

  • a.

    bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid Drenthe worden de rechten en plichten als genoemd in § 3.4 van de Wet natuurbescherming opgenomen die de leden van de wildbeheereenheden in Drenthe hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid Drenthe toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid Drenthe toegestane handelingen; en

  • b.

    de binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid Drenthe gelegen gronden, waarop de in de faunabeheereenheid Drenthe samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht, zijn gelegen in Drenthe. 

Artikel 4.10, Bestuurssamenstelling

  • 1.

    In het bestuur van de faunabeheereenheid Drenthe zijn bestuurszetels beschikbaar voor de volgende organisaties:

    • a.

      drie zetels voor jachthouders of jachthouder vertegenwoordigende organisaties, landbouw en grondbezit;

    • b.

      drie zetels voor terrein beherende, dier, vogel, milieu en/of landschap beschermende organisaties.

  • 2.

    Elke organisatie als genoemd in het eerste lid kan slechts één vertegenwoordiger voordragen voor een bestuurszetel.

  • 3.

    Een bestuurszetel kan worden ingevuld door een bestuurslid die meerdere organisaties vertegenwoordigt. 

Artikel 4.11, Adviseurs

Bij bestuursvergaderingen van de faunabeheereenheid Drenthe zijn in elk geval een vertegenwoordiger namens de provincie Drenthe en een vertegenwoordiger namens BIJ12 als adviseur aanwezig. 

Artikel 4.12, Voorzitter

Het bestuur van de faunabeheereenheid Drenthe wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter. 

Artikel 4.13, Informatieverstrekking

De Faunabeheereenheid Drenthe informeert de achterban van alle in artikel 4.10, eerste lid genoemde organisaties en jachthouders over de uitvoering van haar werkzaamheden. 

Artikel 4.14, Jaarlijks verslag

  • 1.

    Het jaarlijks verslag van de Faunabeheereenheid Drenthe, bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, van de Wet natuurbescherming, bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      cijfermatige rapportages over de uitvoering van de opdrachten en ontheffingen op basis van § 3.4 van de Wet natuurbescherming en de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren en geraapte of onklaar gemaakte eieren, onderverdeeld naar diersoort, naar wildbeheereenheid;

    • b.

      telcijfers voor iedere in het faunabeheerplan beschreven diersoort;

    • c.

      rapportages van de toepassing van preventieve en alternatieve middelen ten aanzien van het voorkomen van schade.

  • 2.

    Het verslag als bedoeld in het eerste lid, dient uiterlijk op 1 mei van het daaropvolgende kalenderjaar te worden verstrekt.

  • 3.

    Het jaarlijks verslag wordt door de faunabeheereenheid Drenthe gepubliceerd op haar website en is daar voor een ieder raadpleegbaar gedurende de looptijd en tot tenminste twee jaren na het verstrijken van de looptijd van het faunabeheerplan waarop een jaarverslag betrekking heeft. 

Artikel 4.15

Gereserveerd

Paragraaf 4.4.2, Faunabeheerplan  

Artikel 4.16, Eisen

  • 1.

    Een faunabeheerplan beschrijft:

    • a.

      een planmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, en

    • b.

      een planmatige, gecoördineerde en duurzame bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers.

  • 2.

    Op basis van het faunabeheerplan vindt het beheer van populaties en de bestrijding van schadeveroorzakende dieren uitsluitend plaats met het oog op de belangen, bedoeld in:

    • a.

      artikel 3.3, vierde lid, sub b, onder 1˚ tot en met 4˚,

    • b.

      artikel 3.8, vijfde lid, sub b, onder 1˚ tot en met 3˚,en

    • c.

      artikel 3.10, tweede lid, sub b tot en met h, van de Wet natuurbescherming.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen aanvullende regels stellen waar een faunabeheerplan aan moet voldoen voor zover het gaat om regels voor reeën.

Artikel 4.17, Werkgebied

Het faunabeheerplan geldt voor het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid Drenthe. 

Artikel 4.18, Geldigheidsduur

  • 1.

    In het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste 6 jaren heeft.

  • 2.

    De faunabeheereenheid Drenthe kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid Drenthe de in het eerste lid genoemde geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met 12 maanden verlengen. 

Artikel 4.19, Basis vereisten faunabeheerplan

  • 1.

    Een faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens:

    • a.

      de omvang van het werkgebied van het faunabeheerplan;

    • b.

      een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van het faunabeheerplan is aangegeven;

    • c.

      een kaart waarop de begrenzing van alle in het werkgebied van het faunabeheereenheid gelegen wildbeheereenheden is aangegeven;

    • d.

      bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten:

      • i.

        indien die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen; en

      • ii.

        voorzover die gronden plaatsen als bedoeld in artikel 4.20, onderdeel h omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is.

  • 2.

    Een faunabeheerplan voldoet voorts aan het navolgende:

    • a.

      gebruikte telgegevens van voorgaande jaren zijn gecontroleerd en gevalideerd;

    • b.

      relevante wetenschappelijke literatuur is gebruikt om conclusies te ondersteunen;

    • c.

      bronvermeldingen en referenties zijn conform wetenschappelijke richtlijnen op heldere en gestructureerde wijze vermeld en een literatuurlijst is aanwezig. 

Artikel 4.20, Eisen bij duurzaam beheer van populaties

Onverminderd artikel 4.19 bevat een faunabeheerplan indien sprake is van duurzaam beheer van populaties op basis van artikel 3.17 of 3.18 van de Wet natuurbescherming, tevens:

  • a.

    een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van het duurzaam beheer van populaties is gewaarborgd;

  • b.

    kwantitatieve gegevens over de Drentse populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van verspreidingsgegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar en trends van de Drentse populaties over de langere termijn;

  • c.

    een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van populaties van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de belangen als bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, van deze verordening;

  • d.

    een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;

  • e.

    de gewenste stand van de in onderdeel b bedoelde diersoorten in relatie tot omvang van schades aan de belangen als bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, van deze verordening;

  • f.

    per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn verricht om het schaden van de in artikel 4.16, tweede lid, van deze verordening genoemde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

  • g.

    per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel e, te bereiken;

  • h.

    een gemotiveerde beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;

  • i.

    bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die geen lid zijn van een wildbeheereenheid in de provincie Drenthe, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel h omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is;

  • j.

    beschrijving van de wijze waarop een gunstige staat van instandhouding per diersoort gewaarborgd wordt. 

Artikel 4.21, Eisen bij schadebestrijding

Onverminderd artikel 4.19 bevat een faunabeheerplan indien sprake is van schadebestrijding tevens:

  • a.

    een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van schadebestrijding is gewaarborgd;

  • b.

    kwantitatieve gegevens over de Drentse populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding door grondgebruikers met inbegrip van verspreidings-gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar en trends van de Drentse populaties over de langere termijn;

  • c.

    een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de belangen als bedoeld in artikel 4.16, tweede lid;

  • d.

    een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;

  • e.

    per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel b bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

  • f.

    een beschrijving van de gunstige staat van instandhouding en hoe deze gewaarborgd wordt;

  • g.

    per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de schade zoals bedoeld in onderdeel c te voorkomen dan wel te beperken;

  • h.

    voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen;

  • i.

    een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald;

  • j.

    een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;

  • k.

    bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in sub j omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is;

  • l.

    per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, zoals uiteengezet in artikel 3.3, vierde lid, en 3.8, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming, deze activiteit dient, waarbij wordt aangegeven of sprake is van het behartigen van een publiek belang dan wel een privaat belang en welke organisaties hierbij belanghebbend zijn;

  • m.

    een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen. 

Artikel 4.22, Eisen bij jacht

Het faunabeheerplan bevat naast hetgeen dat is vereist op grond van artikel 4.19 met betrekking tot de uitoefening van de jacht, tevens:

  • a.

    kwantitatieve gegevens over de Drentse populatie van de wildsoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt, waarbij inbegrepen verspreidingsgegevens en trends van de Drentse populaties op langere termijn;

  • b.

    een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per wildsoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan;

  • c.

    de wijze waarop de faunabeheereenheid de jaarlijkse afschotgegevens van wildsoorten rapporteert en openbaar maakt. 

Artikel 4.23, Goedkeuring Gedeputeerde Staten

  • 1.

    Een faunabeheerplan kan ter goedkeuring worden aangeboden aan Gedeputeerde Staten nadat het bestuur van de Faunabeheereenheid Drenthe zich achter het plan heeft geschaard.

  • 2.

    Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, van de Wet natuurbescherming in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de artikelen 4.18 tot en met 4.22 van deze verordening.

  • 3.

    Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan.

 

Paragraaf 4.4.3, Wildbeheereenheden  

Artikel 4.24, Werkgebied

  • 1.

    De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten gebied met een oppervlakte van tenminste 4.000 hectare binnen de provincie Drenthe.

  • 2.

    Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot het grondgebied van andere provincies.

  • 3.

    Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot een gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt.

  • 4.

    De begrenzing van een wildbeheereenheid wordt door de desbetreffende wildbeheereenheid vastgesteld en aangegeven op een topografische kaart.

  • 5.

    Een wildbeheereenheid kan, in overeenstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzingen van haar werkgebied wijzigen.

  • 6.

    De betrokken wildbeheereenheden informeren Gedeputeerde Staten schriftelijk indien sprake is van het wijzigen van een begrenzing zoals bedoeld in het vijfde lid.

  • 7.

    Gedeputeerde Staten kunnen als overgangsmaatregel ontheffing verlenen van de eisen genoemd in het eerste lid voor de duur van ten hoogste 1 jaar.

Artikel 4.25, Begrenzing werkgebied

  • 1.

    Het bestuur van iedere wildbeheereenheid zorgt voor het vastleggen van de begrenzing van de WBE alsmede de begrenzing van ingelegen jachtvelden in een faunaregistratiesysteem.

  • 2.

    Grenswijzigingen van de WBE of de ingelegen jachtvelden worden door het bestuur van iedere WBE binnen één maand aangepast in het systeem als bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    De begrenzing van het werkgebied en grenswijzigingen van de WBE’s in Drenthe worden gepubliceerd op de website van de provincie Drenthe. 

Artikel 4.26 Verplicht lidmaatschap wildbeheereenheid

Ingevolge artikel 3.14, tweede lid, sub b van de wet, worden geen uitzonderingen gemaakt op de wettelijke verplichting voor jachthouders met een jachtakte om zich te organiseren in een wildbeheereenheid. 

Artikel 4.27, Jaarlijkse activiteiten

  • 1.

    De WBE neemt voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de WBE uitstrekt in het kader van het faunabeheerplan jaarlijks deel aan;

    • a.

      trendtellingen van diersoorten waarvoor op basis van het faunabeheerplan ontheffingen zijn verstrekt,

    • b.

      trendtellingen van diersoorten welke in verband met de schadehistorie zijn opgenomen in het faunabeheerplan,

    • c.

      afschotregistratie van diersoorten waarvoor op basis van het faunabeheerplan ontheffingen zijn verstrekt,

    • d.

      afschotregistratie van diersoorten waarvoor aan de WBE ontheffingen en opdrachten zijn verstrekt, en

    • e.

      registratie van dood gevonden dieren.

  • 2.

    Trendtellingen voor diersoorten, niet zijnde ree, worden uitgevoerd conform de meest recente “Instructie voor WBE’s bij de organisatie van faunatellingen” uitgegeven door de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging.

  • 3.

    De verzamelde gegevens vanuit het eerste en tweede lid worden voor 1 september van het jaar waarin is geteld, door de WBE’s ingevoerd in een faunaregistratiesysteem. 

Artikel 4.28

Gereserveerd

 

Paragraaf 4.4.4, Tegemoetkoming faunaschade  

Artikel 4.29, Aanvraag om tegemoetkoming

  • 1.

    Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.

  • 2.

    De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen 7 werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.

  • 3.

    Schade welke die niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.  

Artikel 4.30, Taxatie van de schade

  • 1.

    De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12.

  • 2.

    Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar BIJ12.

 

Titel 4.5, Houtopstanden  

Artikel 4.31, Vereisten melding van voorgenomen velling houtopstand

Een melding als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voldoet aan de volgende vereisten:

  • a.

    een melding wordt tenminste 4 weken en niet langer dan 1 jaar voorafgaande aan de velling gedaan,

  • b.

    een melding wordt gedaan door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier. Het formulier dient aangevuld te worden met een topografische kaart met een schaal van 1:25000 waarop de locatie van de velling is weergegeven. Het formulier wordt digitaal ingediend.  

Artikel 4.32, Bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten

Onder bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplante als bedoeld in artikel 4.3, eerste en derde lid, van de Wet natuurbescherming, wordt in deze verordening verstaan:

  • a.

    een herbebossing die gericht wordt uitgevoerd om de doelen van houtproductie, natuur, landschap en/of cultuurhistorie te realiseren. De herbebossing dient binnen een termijn van 3 jaar een bedekkingsgraad te hebben van 80%, met boomsoorten die geschikt zijn om gelet op de bodemkwaliteit en waterhuishouding ter plaatse uit te groeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand,

  • b.

    een spontane natuurlijke verjonging die de onder a genoemde doelen realiseert. 

Artikel 4.33, Voorwaarden aanvraag ontheffing herbeplanting op andere grond

Een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 4.34, voldoet aan de volgende vereisten:

  • a.

    de aanvraag geschiedt uiterlijk 2 jaar na de velling, en

  • b.

    de aanvraag wordt gedaan door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. Het aanvraagformulier wordt digitaal ingediend. 

Artikel 4.34, Voorwaarden ontheffing herbeplanting op andere grond

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, ten behoeve van herbeplanting op andere grond onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    het perceel of in voorkomende gevallen de percelen waar de herbeplanting wordt gerealiseerd voldoet aan de volgende vereisten:

    • 1.

      de grond die de eigenaar wil beplanten is gelegen in provincies Drenthe, Groningen of Friesland;

    • 2.

      de grond die de eigenaar wil beplanten is minimaal van gelijkwaardige kwaliteit als die waarop zich de gevelde houtopstand bevond;

    • 3.

      de grond die de eigenaar wil beplanten heeft minimaal dezelfde oppervlakte als die waarop zich de gevelde houtopstand bevond;

    • 4.

      als de gevelde opstand deel uitmaakte van een boskern dan dient er gecompenseerd te worden in of aansluitend aan een boskern;

    • 5.

      de grond waarop geplant wordt moet landbouwgrond zijn indien de herplantplicht ontstaat door een omvorming van bos naar landbouwgrond;

    • 6.

      de grond waarop de herplant plaats vindt is vrij van bos- en natuurcompensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van de Wet natuurbescherming en andere wet- en regelgeving, waaronder ook de voormalige Boswet moet worden verstaan;

  • b.

    de compensatie vindt plaats op een bosbouwkundig verantwoorde wijze, zoals beschreven in artikel 4.32;

  • c.

    met de herbeplanting op andere grond worden de waarden van houtproductie, natuur, landschap en cultuurhistorie niet onevenredig geschaad. 

Artikel 4.35, Vrijstelling herplantplicht productiebos

  • 1.

    Voor bos dat na inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming wordt aangelegd wordt vrijstelling verleend van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.2, eerste lid, en artikel 4.3, eerste lid, tweede lid en vijfde lid, van de Wet natuurbescherming, als voldaan is aan de volgende vereisten:

    • a.

      voordat tot aanleg van het bos wordt overgegaan, is het tijdstip en de plaats van aanleg op de wijze als bedoeld in het tweede lid gemeld bij Gedeputeerde Staten en is de mededeling als bedoeld in het derde lid ontvangen.

    • b.

      de grond waarop de beplanting plaats vindt is vrij van bos- en natuurcompensatie-verplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van de Wet natuurbescherming en andere wet- en regelgeving, waaronder ook de voormalige Boswet moet worden verstaan.

  • 2.

    De melding als bedoeld in het eerste lid, sub a wordt gedaan door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier. Het formulier dient te worden aangevuld met een topografische kaart met een schaal van 1:25.000 waarop de locatie wordt aangegeven waar tot aanleg van het bos wordt overgegaan. Het formulier wordt digitaal ingediend.

  • 3.

    Binnen een termijn van 8 weken na ontvangst van het formulier als bedoeld in het tweede lid doen Gedeputeerde Staten mededeling over de vrijstelling.

  • 4.

    De in het eerste lid bedoelde vrijstelling komt 40 jaar na het op het formulier als bedoeld in het tweede lid vermelde tijdstip van aanleg te vervallen.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten informeren de gemeente waarin de te bebossen grond is gelegen, over de vrijstelling.

  • 6.

    De eigenaar van de grond dient op het moment van velling de mededeling over de vrijstelling als bedoeld in het derde lid te kunnen overleggen.

Titel 4.6 Slotbepalingen  

Artikel 4.36, Discretionaire bevoegdheid

Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens hoofdstuk 4 buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing hiervan gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 

Artikel 4.37, Wijziging bijlagen

Gedeputeerde Staten kunnen de bijlagen IV, V, VI, VII en VIII wijzigen. 

Artikel 4.38, Intrekking

De Verordening vrijstelling grondgebruiker wordt ingetrokken. 

Artikel 4.39, Inwerkingtreding

Dit hoofdstuk treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), in werking treedt.

Hoofdstuk 5 Bodemenergie

Paragraaf 5.1 Algemeen

Artikel 5.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

bodemenergie-systeem: een verzamelnaam van systemen en technieken die de bodem of ondergrond gebruiken als thermische energiebron of buffer;

doelmatig gebruik van bodemenergie: het optimaal gebruik maken van de potentie van de bodem om energie te leveren. Daarbij gaat het enerzijds om een zo goed mogelijk rendement van een systeem op een bepaalde locatie waarbij een goed ontwerp en goed beheer bepalend zijn en anderzijds om de totale energieproductie van meerdere systemen in een gebied. Bij dit laatste gaat het in praktische zin om het voorkomen van negatieve interferentie en om een optimale onderlinge ordening van bodemenergiesystemen;

doelmatig gebruik van de bodem: het zodanig gebruiken van de bodem dat dit leidt tot een minimale verandering van de bodem, naar efficiënt ruimtegebruik, het behoud of de verbetering van de huidige kwaliteit en kwantiteit en het voorkomen dat andere belangrijke functies in het geding komen;

geothermie-systeem: een bodemenergie-systeem waarmee van de bodem gebruik wordt gemaakt voor de levering van warmte ten behoeve van de verwarming van ruimten in bouwwerken of processen door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen ondiepe geothermiesystemen (tot maximaal 500 meter beneden maaiveld) en diepe geothermiesystemen (dieper dan 500 meter beneden maaiveld);

gesloten WKO-systeem: installatie waarmee, zonder grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van bijbehorende warmtepomp, circulatiepompen en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig;

open WKO-systeem: installatie waarmee van de bodem gebruik wordt gemaakt voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik (geheel of deels) in de bodem terug te brengen, met inbegrip van bijbehorende bronpompen, warmtewisselaar en, voor zover aanwezig, warmtepomp en regeneratievoorziening;

oranje gebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid;

rood gebied: een gebied als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid;

temperatuur opslag-systeem: een bodemenergie-systeem waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem of de ondergrond voor de (tijdelijke) opslag van (rest)warmte ten behoeve van de verwarming van ruimten in bouwwerken of processen. Er zijn drie typen te onderscheiden: Lage temperatuuropslag (LTO:tot 30 °C) Middelhoge (MTO: 30-60 °C) en Hoge temperatuuropslag (HTO: 60-90 °C);

Warmte Koude Opslag-systeem: een bodemenergiesysteem dat kan bestaan uit een open of een gesloten systeem;

zone 1: een in de ondergrond liggende zone die ligt tussen het maaiveld en een diepte van 25 m beneden maaiveld;

zone 2: een in de ondergrond liggende zone die ligt tussen een diepte van 25 m beneden maaiveld en een diepte van 500 m beneden maaiveld.

Paragraaf 5.2 Gebieden

Artikel 5.2 Aanwijzing rode en oranje gebieden
  • 1.

    Als rode gebieden worden aangewezen de gebieden die als gebieden ter bescherming van het grondwater zijn aangewezen in hoofdstuk 7 en als zodanig staan aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten C1 en C2.

  • 2.

    Als oranje gebieden worden in het kader van dit hoofdstuk aangewezen de intrekgebieden van de openbare grondwaterwinningen die als oranje gebieden staan aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten C1 en C2. Deze gebieden worden aangewezen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning.

Paragraaf 5.3 Doelstellingen

De toepassing van dit hoofdstuk is gericht op het zodanig reguleren en sturen van de aanleg van Bodemenergie-systemen dat hiermee een bijdrage wordt geleverd aan een duurzame energieopwekking. Tevens is het gericht op het stimuleren dat Bodemenergie op een zodanige wijze wordt aangelegd dat rekening wordt gehouden met de onderlinge relatie van deze systemen (doelmatig gebruik van bodemenergie) en andere (toekomstige) belangen die spelen in de bodem of de ondergrond (doelmatig gebruik van de bodem).

Artikel 5.3 Doelstellingen

Paragraaf 5.4 Warmte- en koude opslag

Artikel 5.4 Gesloten WKO-systemen buiten inrichting
  • 1.

    Het is verboden om in een gesloten WKO-systeem buiten een inrichting dat is gelegen binnen een oranje gebied een ander koelmedium toe te passen dan water van minimaal drinkwaterkwaliteit.

  • 2.

    Het is verboden om in zone 2 buiten een inrichting een gesloten WKO-systeem aan te leggen door middel van een methode waarbij het systeem in de bodem wordt gedrukt.

Artikel 5.5 Gesloten WKO-systemen binnen vergunningvrije inrichting
  • 1.

    Het is verboden om in een gesloten WKO-systeem binnen een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist dat is gelegen binnen een oranje gebied een ander koelmedium toe te passen dan water van minimaal drinkwaterkwaliteit.

  • 2.

    Het is verboden om in zone 2 binnen een inrichting een gesloten WKO-systeem aan te leggen door middel van een methode waarbij het systeem in de bodem wordt gedrukt.

Artikel 5.6 Instructies voor omgevingsvergunning binnen inrichtingen
  • 1.

    Indien een gesloten WKO-systeem aanwezig is of wordt aangelegd binnen een inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht die is gelegen binnen een oranje gebied, verbindt het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning in ieder geval het voorschrift dat er geen ander koelmedium in het WKO-systeem mag worden toegepast dan water van minimaal drinkwaterkwaliteit.

  • 2.

    Indien een gesloten WKO-systeem wordt aangelegd binnen een inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht binnen zone 2, verbindt het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning in ieder geval het voorschrift dat het WKO-systeem niet mag worden aangelegd door middel van een methode waarbij het systeem in de bodem wordt gedrukt.

Paragraaf 5.5 Temperatuuropslag

Artikel 5.7 Verbod temperatuuropslag
  • 1.

    Het is verboden een Temperatuur Opslag-systeem voor middelhoge of hoge temperatuur te hebben of te installeren op een zodanige wijze dat de warmte word toegevoegd op een diepte die is gelegen boven de zone “Formatie van Breda” zoals deze is aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart C3.

  • 2.

    Het is verboden een Temperatuur Opslag-systeem voor lage temperatuur te hebben of te installeren in zone 2.

Paragraaf 5.6 Geothermie-systemen

Artikel 5.8 Verbod ondiepe geothermie

Het is verboden een ondiep Geothermie-systeem te hebben of te installeren op een zodanige wijze dat grondwater wordt onttrokken of retourwater wordt teruggebracht op een diepte die is gelegen boven de zone “Formatie van Breda” zoals deze is aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart C3.

Paragraaf 5.7 Vergunning

Artikel 5.9 Weigeringsgronden vergunning

Een vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 6.22 van de Waterwet, geweigerd:

  • a.

    voor zover de verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 5.3;

  • b.

    indien de realisatie van een bodemenergie-systeem in strijd is met de doelstellingen op grond waarvan het oranjegebied is aangewezen;

  • c.

    indien het bodemenergie-systeem thermische of hydrologische effecten veroorzaakt in een rood gebied.

Artikel 5.10 Intrekking vergunning

Gedeputeerde Staten kunnen de vergunning als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet, onverminderd het bepaalde in artikel 6.22, derde lid, van de Waterwet, geheel of gedeeltelijk intrekken indien zich omstandigheden en feiten voordoen waardoor de handeling of handelingen waarvoor de vergunning is verleend niet langer toelaatbaar worden geacht met het oog op het belang waarmee deze regeling is opgesteld.

Artikel 5.11 Overgangsbepaling

De bepalingen uit dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op bodemenergiesystemen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk reeds aanwezig waren. 

Hoofdstuk 6 Bodemsanering

Artikel 6.1 Meldingen en aanvragen
  • 1.

    De melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid en derde lid, van de Wet bodembescherming, het rapport van het nader onderzoek, het saneringsplan, het plan gebiedsgerichte aanpak, een melding van wijziging van het saneringsplan, een melding van wijziging van het plan gebiedsgerichte aanpak, het evaluatieverslag en het nazorgplan worden met de daarbij behorende stukken in drievoud bij Gedeputeerde Staten ingediend, waarbij gebruik wordt gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot gegevens die moeten worden vermeld bij de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, en derde lid, van de Wet bodembescherming, in het rapport van het nader onderzoek, in het saneringsplan, bij een melding van wijziging van het saneringsplan, in het evaluatieverslag en in het nazorgplan.

Artikel 6.2 Evaluatieverslag

Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk 13 weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan Gedeputeerde Staten aan.

Artikel 6.3 Projectgroep

Indien Gedeputeerde Staten opdracht geven om een nader onderzoek, een saneringsonderzoek of een sanering uit te voeren, stellen zij ter begeleiding van dat onderzoek respectievelijk die sanering een projectgroep in, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

Artikel 6.4 Taak en samenstelling projectgroep
  • 1.

    De projectgroep als bedoeld in artikel 6.3 organiseert en begeleidt de uitvoering van het in artikel 48 van de Wet bodembescherming bedoelde nader onderzoek en saneringsonderzoek, respectievelijk de in dat artikel bedoelde sanering.

  • 2.

    Een projectgroep bestaat ten minste uit:

    • a.

      een vertegenwoordiger van gedeputeerde staten;

    • b.

      een vertegenwoordiger van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen het geval van verontreiniging is gelegen;

    • c.

      voor zover mogelijk een vertegenwoordiger van de ingezetenen van de betrokken gemeente en van andere belanghebbenden bij de uitvoering van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek of de sanering van dat geval.

Hoofdstuk 7 Gebieden

Titel 7.1 Aanwijzing gebieden

Artikel 7.1 Aanwijzing gebieden ter bescherming van het grondwater

  • 1.

    Als gebieden ter bijzondere bescherming van het grondwater met het oog op de winning van grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening worden aangewezen de gebieden die als gebieden ter bescherming van het grondwater zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart A.

  • 2.

    Een gebied ter bescherming van het grondwater kan bestaan uit de volgende zones:

    • a.

      waterwingebied;

    • b.

      grondwaterbeschermingsgebied;

    • c.

      verbodszone diepe boringen;

    • d.

      grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa.

  • 3.

    In de gebieden ter bescherming van het grondwater gelden de in titel 7.3 opgenomen regels voor zover dat voor de verschillende zones is aangegeven.

Artikel 7.2 Aanwijzing stiltgebieden

Als gebieden ter voorkoming of beperking van geluidhinder worden aangewezen de gebieden die als stiltegebieden zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart A. In deze gebieden gelden de in titel 7.4 opgenomen regels.

Titel 7.2 Zorgplicht

Artikel 7.3 Zorgplichtbepaling
  • 1.

    Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een gebied dat in artikel 7.1 is aangewezen kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten - behoudens voor zover dat ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan - dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

  • 2.

    In geval van een verontreiniging of een direct dreigende verontreiniging van het grondwater behoort tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten, terstond Gedeputeerde Staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf informeert.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    • a.

      voor zover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1, eerste, tweede of derde lid, van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is;

    • b.

      met betrekking tot inrichtingen tenzij in deze verordening anders is bepaald.

Titel 7.3 Grondwaterbescherming

Paragraaf 7.3.1 Bevoegdheid

Artikel 7.4 Bevoegd gezag

Waar in titel 7.3 sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld:

  • a.

    indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, van de Wet milieubeheer: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag;

  • b.

    in alle andere gevallen: gedeputeerde staten.

Paragraaf 7.3.2 Waterwingebieden

Artikel 7.5 Inrichtingen in waterwingebieden
  • 1.

    Het is verboden in een waterwingebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien het in werking hebben van de inrichting noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.

Artikel 7.6 Activiteiten buiten inrichtingen in waterwingebieden
  • 1.

    Het is in waterwingebieden verboden:

    • a.

      schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen;

    • b.

      een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan;

    • c.

      grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt;

    • d.

      handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd;

    • e.

      een lozing in de bodem uit te voeren.

  • 2.

    Onder schadelijke stoffen worden in elk geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, IBC-bouwstoffen, meststoffen als bedoeld in de Meststoffenwet en gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

  • 3.

    Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in elk geval begrepen boorputten, grond- en funderingswerken, wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, recreatiecentra, leidingen, installaties, opslagreservoirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as.

  • 4.

    Het in het eerste lid onder a, b en c gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

    • b.

      het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;

    • c.

      schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

    • d.

      het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een ongeopende verpakking;

    • e.

      het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, mits bewaard in een afgesloten verpakking en beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;

    • f.

      het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit;

    • g.

      het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming.

  • 5.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien de desbetreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening of als de activiteit of gedraging is opgenomen in een beheerplan als bedoeld in artikel 7.7.

Artikel 7.7 Beheerplannen
  • 1.

    De waterleidingmaatschappij stelt, voor de bij haar in gebruik zijnde waterwingebieden, beheerplannen op waarin is aangegeven op welke wijze de waterwingebieden zijn of worden ingericht en beheerd en op welke wijze de bodem en het grondwater worden beschermd met het oog op de waterwinning. In de beheerplannen kan worden aangegeven welke activiteiten en handelingen als bedoeld in artikel 7.6 in het voor dat gebied opgestelde beheerplan naar de mening van de waterleidingmaatschappij in dat gebied toegestaan zijn.

  • 2.

    Het in het eerste lid bedoelde beheerplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten.

Paragraaf 7.3.3 Grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel 7.8 Inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een of meer van de categorieën die zijn aangewezen in bijlage I.

Artikel 7.9 Boorputten en grond- of funderingswerken
  • 1.

    Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben. Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

    • b.

      het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet bodembescherming;

    • c.

      tijdelijke bronbemaling;

    • d.

      veedrinkputten die niet dieper gaan dan 10 meter beneden maaiveld.

  • 2.

    Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden grond- of funderingswerken sonderingen dan wel een methode waarbij een bodemenergiesysteem in de bodem wordt gedrukt uit te voeren of te hebben op een diepte van 3 m of meer onder het maaiveld. Het verbod geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften:

    • a.

      bij graafwerkzaamheden: indien grond wordt verwijderd, wordt het bodemprofiel aangevuld tot ten minste 3 m onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken;

    • b.

      voor het inbrengen van palen: indien uitsluitend gebruikgemaakt wordt van:

      • 1.

        grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;

      • 2.

        in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken; of

      • 3.

        schroefpalen.

  • 3.

    Van het voornemen tot het oprichten van een boorput of het uitvoeren van grond- of funderingswerken, waarbij toepassing wordt gegeven aan de in het tweede lid bedoelde voorschriften, doet degene die de activiteit onderneemt een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 7.20 van toepassing.

Artikel 7.10 Buisleidingen

Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgasleiding bestemd voor het plaatselijke transport van en naar particulieren en bedrijven), olie of chemicaliën, alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën te leggen, te hebben, te vervangen, te veranderen of te verleggen.

Artikel 7.11 Gebouwen, wegen en andere verhardingen
  • 1.

    Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om afstromend water van gebouwen en verhardingen op of in de bodem te lozen. Het verbod geldt niet voor oppervlakkige infiltraties:

    • a.

      ten aanzien van gebouwen: indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat schadelijke stoffen door afspoelen of uitloging in het afstromend water kunnen komen en afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem;

    • b.

      ten aanzien van wegen: indien het afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem.

  • 2.

    Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen.

  • 3.

    Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden parkeergelegenheid voor motorvoertuigen, anders dan voor privégebruik, aan te bieden indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding.

  • 4.

    Van het voornemen tot het lozen van afstromend water op of in de bodem als bedoeld in het eerste lid, doet degene die de activiteit onderneemt een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 7.20 van toepassing.

Artikel 7.12 Begraafplaatsen

Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een begraafplaats of uitstrooiveld, als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben.

Artikel 7.13 Warmtetoevoeging en -onttrekking

Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd.

Artikel 7.14 IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie
  • 1.

    Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied IBC-bouwstof toe te passen.

  • 2.

    Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen.

  • 3.

    Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de toepassing van grond of baggerspecie:

    • a.

      op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie:

      • i.

        de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel;

      • ii.

        de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

    • b.

      in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie:

      • i.

        de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel;

      • ii.

        de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

    • c.

      bij toepassing in een omvang van meer dan 5.000 m3 indien wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de desbetreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie:

      • i.

        bij een toepassing op of in de bodem de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt;

      • ii.

        bij een toepassing in oppervlaktewater de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt;

    • d.

      voor zover het betreft baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen: op het aangrenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen.

  • 4.

    Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, onder c, doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. De melding bevat de resultaten van locatiespecifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen. Ten aanzien van de melding is artikel 7.20 van toepassing.

Paragraaf 7.3.4 Verbodszone diepe boringen

Artikel 7.15 Reikwijdte en diepte verbodszone diepe boringen
  • 1.

    De artikelen 7.9, 7.11, tweede lid, en 7.13 zijn van toepassing in verbodszones diepe boringen, met dien verstande dat in die artikelen voor "grondwaterbeschermingsgebied" wordt gelezen: verbodszone diepe boringen.

  • 2.

    De in het eerste lid van toepassing verklaarde verboden gelden niet indien de activiteiten of handelingen waarop deze verboden betrekking hebben niet dieper gaan dan de voor die zone geldende en op kaart A aangegeven maximale diepte.

Paragraaf 7.3.5 Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa

Artikel 7.16 Verbod vullen en spoelen spuitmachines

Het is verboden om vanuit de op kaart A als grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa aangegeven waterlopen oppervlaktewater in te nemen bestemd voor het (rechtstreeks) vullen en spoelen van machines voor het verspuiten van gewasbeschermingsmiddelen.

Artikel 7.17 Spuitvrije zones Drentsche Aa
  • 1.

    Het is verboden om binnen een afstand van 4 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater van de waterlopen als bedoeld in artikel 7.16 gewasbeschermingsmiddelen toe te passen of te laten toepassen.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op het gebruik van op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden toegelaten gewasbeschermingsmiddelen door middel van de pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring en jacobskruiskruid op gronden in gebruik als grasland, wegbermen, plantsoenranden en/of bermen langs spoorwegen.

Paragraaf 7.3.6 Aanduiding gebieden

Artikel 7.18 Bebording
  • 1.

    De waterleidingmaatschappij moet de grondwaterbeschermingsgebieden en de waterwingebieden aanduiden door middel van borden, waarvan het model door Gedeputeerde Staten is vastgesteld.

  • 2.

    De borden met het opschrift "grondwaterbeschermingsgebied" respectievelijk "waterwingebied" worden geplaatst langs alle verharde en onverharde openbare wegen die de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk de waterwingebieden doorkruisen c.q. daaraan grenzen en wel bij de buitenste grens van de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk waterwingebieden.

Paragraaf 7.3.7 Overige bepalingen 

Artikel 7.19 Relatienotagebied

Deze titel is niet van toepassing op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer.

Artikel 7.20 Meldingen
  • 1.

    Indien in deze titel het doen van een melding is voorgeschreven, wordt in de melding aangegeven:

    • a.

      de naam en het adres van degene die de melding doet;

    • b.

      de dagtekening;

    • c.

      een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft;

    • d.

      een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden;

    • e.

      op welke wijze aan de bodembeschermende voorschriften wordt voldaan.

  • 2.

    De melding wordt gedaan aan het bevoegd gezag uiterlijk 9 weken voordat tot de handeling waarop de melding betrekking heeft, wordt overgaan.

  • 3.

    Het bevoegd gezag bevestigt de ontvangst van de melding en stuurt onverwijld een afschrift van de melding aan de waterleidingmaatschappij. De waterleidingmaatschappij geeft uiterlijk binnen 6 weken na de ontvangst van de melding schriftelijk zijn oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft.

  • 4.

    De aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft, wordt minimaal 2 weken van tevoren schriftelijk aan het bevoegd gezag gemeld.

  • 5.

    Indien de voorgenomen toepassing niet binnen 6 maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde melding is aangevangen, dient opnieuw een melding te worden gedaan.

Artikel 7.21 Ontheffingen
  • 1.

    Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit waarop een verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt, kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen van de in de artikelen 7.6, 7.9, 7.10 voor zover sprake is van transport van niet verontreinigd aardgas, 7.11 en 7.14 opgenomen verboden. Aan de ontheffing worden de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.

  • 2.

    De aanvrager vermeldt in de aanvraag om ontheffing het algemeen belang dat met de uitvoering van de activiteit is gediend.

  • 3.

    Het bevoegd gezag stelt de waterleidingmaatschappij in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om ontheffing.

Artikel 7.22 Overgangsrecht

Het verbod genoemd in de artikelen 7.5, 7.8, 7.9, eerste en tweede lid, 7.10, 7.12 en 7.13 is niet van toepassing op een inrichting of een activiteit die is opgericht of al werd uitgevoerd voor de inwerkingtreding van die artikelen.

Titel 7.4 Stilte

Paragraaf 7.4.1 Begripsbepalingen

Artikel 7.23 Begrippen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • a.

    een geluidsapparaat, toestel, motorvoertuig en bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder;

  • b.

    openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip "wegen", met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers en fietsers.

Paragraaf 7.4.2 Verbodsbepalingen

Artikel 7.24 Grootschalig evenement

Het is verboden in een stiltegebied een grootschalig evenement te houden of te organiseren waarbij gebruik wordt gemaakt van:

  • a.

    een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen;

  • b.

    een modelvliegtuig, modelboot, of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;

  • c.

    een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan geluidversterker.

Artikel 7.25 Motorvoertuig of bromfiets buiten openbare weg

Het is verboden in een stiltegebied zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.

Artikel 7.26 Toertocht motorvoertuigen of bromfietsen

Het is verboden in een stiltegebied een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen.

Paragraaf 7.4.3 Vrijstellingen en ontheffingen

Artikel 7.27 Vrijstelling stiltegebied

De verboden in artikelen 7.25 en 7.26 gelden niet voor zover deze betrekking hebben op:

  • a.

    een motorvoertuig of bromfiets dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin-, bosbouw of vervening of ten behoeve van het onderhoud van het stiltegebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies;

  • b.

    motorvoertuigen en bromfietsen voor zover sprake is van elektrische aandrijving.

Artikel 7.28 Ontheffing stiltegebied
  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 7.24, onder a en c, opgenomen verbod.

  • 2.

    Indien er gelet op het belang waarom de stiltegebieden zijn aangewezen redelijkerwijs geen zienswijzen zijn te verwachten, kunnen gedeputeerde staten besluiten afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing te verklaren.

Paragraaf 7.4.4 Aanduiding gebieden

Artikel 7.29 Bebording stiltegebied

Gedeputeerde Staten duiden een stiltegebied aan door middel van borden.

Hoofdstuk 8 Ontgrondingen

Artikel 8.1 Vrijstellingen
  • 1.

    Het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet geldt niet voor de hierna genoemde werkzaamheden, die zijn of omvatten:

    • a.

      het aanleggen, onderhouden en verwijderen van waterstaatswerken door of op last van Rijk, waterschap of provincie, het uitvoeren van door het bevoegde gezag goedgekeurde bodemsaneringen en het uitvoeren van werken door of op last van de provincie Drenthe;

    • b.

      het aanleggen en wijzigen van watergangen, deel uitmakend van een stelsel van waterlopen, voor zover deze een bovenbreedte van niet meer dan 6 m, een bodembreedte van niet meer dan 3 m en een diepte van niet meer dan 3 m beneden het maaiveld ter plaatse hebben of zullen verkrijgen;

    • c.

      het delven, openen en ruimen van graven, het leggen, onderhouden en opruimen van buisleidingen en kabels met toebehoren, het plaatsen, aanbrengen, oprichten, wijzigen, onderhouden en opruimen van bouwwerken en hun funderingen, beplantingen, palen en andere in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen en het doen van grondboringen en sonderingen;

    • d.

      het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van tuinen, vijvers, putten, reservoirs en bassins, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd op erven bij woningen of bedrijven, de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven en er niet meer dan 1.000 m3 bodemmateriaal wordt ontgraven;

    • e.

      het aanleggen, onderhouden, wijzigen en opruimen van mestbassins, mits de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;

    • f.

      het aanleggen en wijzigen van poelen of andere waterpartijen ten behoeve van natuurontwikkeling met een oppervlakte, binnen de insteek van de ontgraving van maximaal 150 m2, mits de grondlagen dieper dan 2 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;

    • g.

      het aanleggen, onderhouden en wijzigen van openbare werken zoals, wegen, waterkeringen, spoorwegen, vliegvelden, industrieterreinen, bouwterreinen, sport- en recreatieterreinen, plantsoenen, parken, vijvers en andere waterpartijen, mits:

      • i.

        de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld, dan wel bij bestaande waterpartijen 3 m beneden het vlak dat wordt gevormd door denkbeeldige horizontale lijnen die het maaiveld ter plaatse van de tegenover elkaar liggende oevers met elkaar verbinden, ongemoeid blijven;

      • ii.

        de hoogteligging van de terreinen na beëindiging van de werkzaamheden, behoudens ter plaatse van waterpartijen, met niet meer dan 1,5 m zal zijn verminderd, en;

      • iii.

        de werken plaatshebben ter uitvoering van een geldend bestemmingsplan of krachtens een op grond van dat geldende bestemmingsplan ter uitvoering van het werk noodzakelijke omgevingsvergunning;

    • h.

      het oprichten en veranderen van een inrichting, waarvoor krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een vergunning is verleend voor het op of in de bodem brengen van afvalstoffen of voor het opslaan van bodemmateriaal, mits de grondlagen dieper dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;

    • i.

      het verrichten van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op ontgrondingen die geheel of gedeeltelijk het winnen van bodemmateriaal tot doel hebben, met uitzondering van ontgrondingen voor zover die bestaan uit de werkzaamheden genoemd in het eerste lid, onder d, e en h.

  • 3.

    Het verbod van artikel 3, eerste lid van de Ontgrondingenwet geldt eveneens niet voor:

    • a.

      werkzaamheden aan en in gronden, gebezigd voor de uitoefening van een land-, tuin- of bosbouwbedrijf, mits:

      • i.

        deze werkzaamheden uitsluitend geschieden ten dienste van het bedrijf en de daartoe behorende gronden;

      • ii.

        er geen archeologische of aardkundige waarden worden aangetast;

      • iii.

        de hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden niet wordt verminderd;

      • iv.

        de grondlagen dieper dan 2 meter beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;

      • v.

        de werkzaamheden niet in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan;

      • vi.

        er geen afvoer van bodemmateriaal plaatsheeft voor gebruik buiten het bedrijf waartoe de gronden behoren, en;

      • vii.

        de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen;

    • b.

      werkzaamheden verricht door of in opdracht van natuurterreinbeherende instanties aan en in gronden die door deze instanties worden beheerd, mits:

      • i.

        er geen archeologische of aardkundige waarden worden aangetast;

      • ii.

        de werkzaamheden niet in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan;

      • iii.

        de werkzaamheden zijn gericht op behoud of ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden;

      • iv.

        de hoogteligging van de gronden na beëindiging van de werkzaamheden met niet meer dan 0,5 m zal zijn verminderd;

      • v.

        er geen afvoer van ander dan humeus bodemmateriaal plaatsheeft, en;

      • vi.

        de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van wallen.

Artikel 8.2 Meldingen

Degene die voornemens is een ontgronding uit te voeren als bedoeld in artikel 8.1, waarbij 1.000 m3 of meer bodemmateriaal wordt afgevoerd of in depot gezet, meldt dit uiterlijk 4 weken voor de aanvang van de werkzaamheden aan Gedeputeerde Staten met gebruikmaking van een door hen vastgesteld formulier. Bij de melding worden de gegevens verstrekt die op het meldingsformulier worden gevraagd.

Artikel 8.3 Vergunningen
  • 1.

    Een aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning wordt met gebruikmaking van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier ingediend, vergezeld van de op grond van het aanvraagformulier verlangde gegevens en bescheiden.

  • 2.

    Een aanvraag tot intrekking van een vergunning bevat een aanduiding van de vergunning waarop de aanvraag betrekking heeft en de reden van de aanvraag.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het eerste lid buiten behandeling laten indien de aanvrager geen eigenaar is van alle onroerende zaken waarop de aanvraag betrekking heeft en hij geen verklaring van toestemming van de eigenaar overlegt.

Artikel 8.4 Aanwijzen adviseurs

Gedeputeerde Staten kunnen bestuursorganen, instanties en organisaties aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een beschikking betreffende het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning, of die op een andere wijze worden betrokken bij de voorbereiding van zodanige beschikking.

Artikel 8.5 Eenvoudige procedure
  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen artikel 10, eerste, tweede en derde lid, van de Ontgrondingenwet buiten toepassing laten, indien de aanvraag als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, of de ambtshalve te geven beschikking, betrekking heeft op een ontgronding van geringe omvang of op een geringe uitbreiding van een ontgronding waarvoor reeds vergunning is verleend, indien andere belangen hierbij niet of nauwelijks zijn betrokken.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van wijziging van een vergunning betreffende verlenging van de geldigheidstermijn, de tenaamstelling, de in de vergunningsvoorschriften genoemde zekerheidstelling en wijziging van ondergeschikte betekenis van vergunningsvoorschriften.

  • 3.

    Het eerste lid is eveneens van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van de vergunning op aanvraag van de vergunninghouder.

Hoofdstuk 9 Vaarverbod Drentsche Aa

Artikel 9.1 Aanwijzing gebied

Als gebied Vaarverbod Drentsche Aa wordt ter bijzondere bescherming van natuur en landschap aangewezen het gebied dat op de bij deze verordening behorende kaart A is aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa. In het gebied Vaarverbod Drentsche Aa gelden de in de artikelen 9.2, 9.3, 9.4 en 9.5 opgenomen regels.

Artikel 9.2 Vaarverbod

Het is verboden in een waterloop te varen of een vaartuig te leggen, te laten drijven of te laten liggen.

Artikel 9.3 Uitzondering op het vaarverbod

Het verbod als bedoeld in artikel 9.2 geldt niet voor zover het betrekking heeft op een vaartuig dat wordt gebruikt ten behoeve van het onderhoud van de waterloop en het aangrenzende gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies.

Artikel 9.4 Ontheffing
  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 9.2 gestelde verbod;

  • 2.

    Een ontheffing kan alleen worden verleend voor zover deze betrekking heeft op het verrichten van onderzoek.

Artikel 9.5 Bebording

Staatsbosbeheer duidt de waterlopen, waarvoor het in artikel 9.2 bedoelde verbod geldt, aan door middel van borden.

Hoofdstuk 10 Water

Paragraaf 10.1 Normen

Artikel 10.1 Aanwijzen regionale waterkeringen

Als regionale keringen gelden de regionale waterkeringen die zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart A.

Artikel 10.2 Veiligheidsnorm
  • 1.

    Op de bij deze verordening behorende kaart A is voor elke regionale waterkering of voor elk deel daarvan de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop de regionale waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige het waterkerende vermogen bepalende factoren.

  • 2.

    Indien een regionale waterkering is gelegen in meer dan 1 provincie, kunnen Gedeputeerde Staten van die provincies besluiten, dat het toezicht op die waterkering wordt uitgeoefend door Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen.

Artikel 10.3 Regionale verdringingsreeks
  • 1.

    In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt bij het beheer bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      onttrekking voor proces- en gietwater;

    • b.

      doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt;

    • c.

      beregening van akker- en tuinbouwgewassen, waarvoor in het tweede lid, onder b, een uitzondering wordt gemaakt.

  • 2.

    In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt bij het beheer bij de artikel 2.1, eerste lid, onder 4°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      doorspoeling van stedelijk en landelijk gebied ter voorkoming van botulisme en blauwalgen, ingeval sprake is van een risico voor de volksgezondheid;

    • b.

      beregening van akker- en tuinbouwgewassen, sportvelden en greens;

    • c.

      doorspoeling tegen verzilting en verontreiniging ten behoeve van beregening akker- en tuinbouw;

    • d.

      peilhandhaving klei- en zandgebieden;

    • e.

      peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur;

    • f.

      beregening gras/mais;

    • g.

      afvoer voor visintrek;

    • h.

      doorspoeling tegen botulisme en blauwalgen voor zover de volksgezondheid niet in het geding is;

    • i.

      het onnodig verlies van water tijdens het schutten van schepen.

Artikel 10.4 Afwijking watersysteemTwentekanalen/Overijsselse Vecht 
  • 1.

    In afwijking van hetgeen is opgenomen in artikel 10.3, eerste lid, wordt in geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort bij het beheer binnen het watersysteem Twentekanalen/Overijsselse Vecht zoals is aangegeven op de in bijlage III opgenomen kaart, bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      onttrekking voor proces- en gietwater;

    • b.

      doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt;

    • c.

      beregening van kapitaalintensieve gewassen.

  • 2.

    In afwijking van hetgeen is opgenomen in artikel 10.3, tweede lid, wordt in geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort bij het beheer binnen het watersysteem Twentekanalen/Overijsselse Vecht zoals is aangegeven op de in bijlage IV opgenomen kaart, bij de in artikel 2.1, eerste lid, onder 4°, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      doorspoelen in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid;

    • b.

      scheepvaart;

    • c.

      peilhandhaving en beregening ten behoeve van akkerbouw;

    • d.

      beregening gras/maïs;

    • e.

      peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur;

    • f.

      doorspoeling ten behoeve van aquatische ecologie (KRW).

Artikel 10.5 Normen waterkwantiteit
  • 1.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, een gemiddelde overstromingskans van eens in de 100 jaar en voor het overige gebied een gemiddelde overstromingskans van eens in de 10 jaar.

  • 2.

    Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, een gemiddelde overstromingskans van niet vaker dan:

    • a.

      eens in de 50 jaar voor glastuinbouw en hoogwaardig land- en tuinbouw, waarbij 1 % van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben;

    • b.

      eens in de 25 jaar voor akkerbouw, waarbij 1% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben;

    • c.

      eens in de 10 jaar voor grasland, niet zijnde natuur, waarbij 5% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.

  • 3.

    Op de bij deze verordening behorende en als zodanig aangegeven kaart B is voor verschillende te onderscheiden gebieden de norm aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht.

  • 4.

    Voor de teelt van mais en roulerende teelten (bollen en dergelijke) geldt voor de in het tweede lid bedoelde overstromingskans dat wordt aangesloten bij de gemiddelde overstromingskans voor het overwegende grondgebruik in de directe omgeving.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren.

  • 6.

    De bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren voldoen uiterlijk in 2015 voor de eerste keer aan de in het eerste en tweede lid opgenomen normen. Zo nodig kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van het dagelijks bestuur ontheffing van deze termijn verlenen.

Paragraaf 10.2 Toedeling beheer en vaarwegenbeheer

Artikel 10.6 Begripsomschrijvingen

In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    lijst A: de in de bij deze verordening behorende bijlage II opgenomen lijst van vaarwegen in beheer bij de provincie Drenthe;

  • b.

    lijst B: de in de bij deze verordening behorende bijlage II opgenomen lijst van binnen de provincie gelegen vaarwegen in beheer bij andere overheidslichamen, het Rijk uitgezonderd;

  • c.

    minimaal benodigde vaarwegdiepte: de vaarwegdiepte op basis van de scheepstype indeling conform CEMT, of conform de klasse indeling volgens de BRTN, vermeerderd met de benodigde kielspeling;

  • d.

    schip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet;

  • e.

    vaarweg: elk binnen de provincie gelegen oppervlaktewaterlichaam dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A of lijst B;

  • f.

    vaarwegbeheer: de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken;

  • g.

    vaarwegbeheerder: het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld op lijst A of lijst B;

  • h.

    werk: elk kunstwerk of ander bouwwerk, waaronder begrepen oevers en oevervoorzieningen, boven, op, in, onder of langs een vaarweg gelegen.

Artikel 10.7 Toedeling beheer vaarwegen

In lijst A en lijst B is aangegeven welk bestuursorgaan, niet zijnde een bestuursorgaan van het Rijk, is belast met het vaarwegbeheer.

Artikel 10.8 Belangenbescherming
  • 1.

    Deze titel en de daarop berustende bepalingen hebben tot doel:

    • a.

      regels te stellen in het belang van de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen en de bijbehorende werken;

    • b.

      aanvullende regels te stellen in het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen.

  • 2.

    Deze titel kan mede strekken ter bescherming van ecologische, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve, toeristische of landschappelijke belangen.

Artikel 10.9 Vaarwegdiepte en vaarwegonderhoud
  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen de minimaal benodigde vaarwegdiepten wijzigen van de vaarwegen op de lijsten A en B;

  • 2.

    De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de minimaal benodigde vaarwegdiepten, vastgesteld krachtens het eerste lid.

Artikel 10.10 Afmetingen scheepvaart

Gedeputeerde Staten kunnen voor de scheepvaart regels stellen voor de lengte, breedte en diepgang.

Artikel 10.11 Bedieningstijden van bruggen en sluizen
  • 1.

    Gedeputeerde Staten stellen de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, behorende bij de vaarwegen op de lijsten A en B.

  • 2.

    Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor spoorbruggen en voor bruggen en sluizen in beheer bij het Rijk.

  • 3.

    De beheerders van de bruggen en sluizen dragen er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden bediend op de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tijden.

Artikel 10.12 Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer

Het besluit van een vaarwegbeheerder tot het blijvend geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het openbaar verkeer van een vaarweg van lijst B voor alle schepen, behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.

Artikel 10.13 Absoluut verbod voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken

Het is verboden:

  • a.

    het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij vaarwegen te belemmeren;

  • b.

    de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarweg in gevaar te brengen;

  • c.

    vaste stoffen of voorwerpen in een vaarweg te brengen, dan wel vaste stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze op oevers te plaatsen of te hebben, dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken.

Artikel 10.14 verboden met ontheffingsmogelijkheid voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken
  • 1.

    Het is verboden om:

    • a.

      zodanig te handelen of na te laten dat aan vaarwegen schade wordt of kan worden toegebracht;

    • b.

      zodanig te handelen of na te laten dat het veilig en doelmatig gebruik of de instandhouding van vaarwegen in de ruimste zin wordt of kan worden belet;

    • c.

      veranderingen aan te brengen aan de vaarweg;

    • d.

      enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, onder of binnen een afstand van 10 meter landinwaarts van de vaarweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn;

    • e.

      onverminderd het bepaalde in artikel 1.23 van het Binnenvaartpolitiereglement, een waterweg te gebruiken voor het houden van wedstrijden of evenementen.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten vaarwegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die vaarwegen in het geding is.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen van het eerste lid, indien de belangen bedoeld in artikel 10.10 zich daartegen niet verzetten. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

  • 4.

    Een ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:

    • a.

      de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend;

    • b.

      de ontheffing gedurende twee jaar niet is gebruikt;

    • c.

      gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de houder verstrekte onjuiste gegevens;

    • d.

      de in het derde lid bedoelde voorschriften of beperkingen niet of niet voldoende worden nageleefd.

Artikel 10.15 Provinciaal belang

Het in de artikelen 10.13 en 10.14 opgenomen verbod geldt niet voor handelingen die worden uitgevoerd in het belang van een goed provinciaal vaarwegenbeheer.

Artikel 10.16 Aanwijzing andere ligplaats

Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaartpolitiereglement moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op aanwijzing van de vaarwegbeheer een andere ligplaats innemen indien onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt.

Artikel 10.17 Procedurebesluit

Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 10.9, eerste lid, artikel 10.11, eerste lid, artikel 10.12 en artikel 10.14, derde lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Paragraaf 10.3 Regionaal waterplan en beheerplannen

Artikel 10.18 Voorbereiding regionaal waterplan

Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 10.19 Uitwerking regionaal waterplan
  • 1.

    In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels.

  • 2.

    Het besluit van Gedeputeerde Staten tot uitwerking van het regionaal waterplan maakt deel uit van het regionaal waterplan.

Artikel 10.20 Inhoud beheerplan

Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de Waterwet, ten minste:

  • a.

    het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;

  • b.

    de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren;

  • c.

    een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode.

Artikel 10.21 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan

Het dagelijks bestuur informeert Gedeputeerde Staten ten minste eenmaal per jaar over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

Paragraaf 10.4 Aanleg en beheer van waterstaatswerken

Artikel 10.22 Legger waterstaatswerken
  • 1.

    Op grond van artikel 5.1, derde lid, van de Waterwet, geldt in het geval van meanderen van een oppervlaktewaterlichaam dat daarvoor in de legger wordt opgenomen ten minste de ruimtelijke begrenzing en het minimale dwarsprofiel.

  • 2.

    Op de overzichtskaart bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet is ten aanzien van de primaire- en regionale waterkeringen tevens aangegeven het profiel van vrije ruimte inhoudende de ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering.

  • 3.

    In afwijking van artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, wordt in het geval van bergingsgebieden in de legger alleen opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het bergend vermogen.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet, gedurende een daarbij vast te stellen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet met betrekking tot vorm, afmeting en constructie indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen.

Artikel 10.23 Opstellen peilbesluiten

Het algemeen bestuur van een waterschap stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewateren in de gebieden die deel uitmaken van provinciegrensoverschrijdende peilvakken waarvoor een door de provincie Groningen, Overijssel of Friesland opgestelde verplichting geldt als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Waterwet.

Artikel 10.24 Projectprocedure voor waterstaatswerken

Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen kunnen, mede op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap, paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet van toepassing verklaren op:

  • a.

    projectplannen tot de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen;

  • b.

    projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen.

Paragraaf 10.5 Handelingen in watersystemen

Artikel 10.25 Grondwaterregister
  • 1.

    Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van water uit een grondwaterlichaam en infiltraties in een grondwaterlichaam worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van het tweede lid en artikel 10.27, eerste lid worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur van de waterschappen verstrekt aan Gedeputeerde Staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of infiltratie plaatsvindt de gegevens die door toepassing van artikel 10.26, derde lid worden verkregen. Voorts wordt een overzicht verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur maakt voor de uitvoering van het gestelde in het vorige lid gebruik van het Landelijk Grondwaterregister (LGR).

  • 4.

    De in het tweede lid bedoelde gegevens, meldingen en vergunningen worden door het dagelijks bestuur binnen 3 maanden nadat deze door hen zijn ontvangen dan wel zijn verleend, verstrekt aan gedeputeerde staten.

Artikel 10.26 Registratieplicht
  • 1.

    Degene die water onttrekt aan of infiltreert als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet is verplicht:

    • a.

      de onttrekking op te geven aan Gedeputeerde Staten van de provincie of de provincies, waarin de onttrekking geschiedt;

    • b.

      de hoeveelheden water die worden onttrokken, te meten en daarvan aantekening te houden;

    • c.

      telkenmale in de maand januari of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen 1 maand na die beëindiging, aan Gedeputeerde Staten van de provincie of provincies, waarin de onttrekking geschiedt, opgave te verstrekken van de in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar per kwartaal onttrokken hoeveelheden water;

    • d.

      bij de onder c bedoelde opgave kennis te geven van wijzigingen die zich in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar hebben voorgedaan met betrekking tot de bij de opgave, als bedoeld onder a, verstrekte gegevens.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen, nadere regels stellen omtrent de wijze van meting en registratie.

  • 3.

    Het algemeen bestuur van de waterschappen regelt bij verordening dat ten minste degene die meer dan 10 m3 water per uur of meer dan 5.000 m3 water per kwartaal onttrekt uit een grondwaterlichaam en degene die water infiltreert in een grondwaterlichaam voor andere doeleinden of in kleinere hoeveelheden dan genoemd in het eerste lid, de gegevens bedoeld in het eerste lid verstrekt aan het dagelijks bestuur.

Artikel 10.27 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister
  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting en/of infiltratie die niet ingevolge artikel 10.26 is opgegeven, ambtshalve in het register, genoemd in artikel 10.25, inschrijven.

  • 2.

    Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen.

Artikel 10.28 Onttrekking van grondwater en infiltratie van water
  • 1.

    Bij het beslissen op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet houden Gedeputeerde Staten in ieder geval rekening met:

    • a.

      de thermische en hydrologische effecten op de omgeving;

    • b.

      de (micro)biologische of chemische veranderingen van de grondwaterkwaliteit.

  • 2.

    Een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet wordt door Gedeputeerde Staten niet verleend indien:

    • a.

      er geen sprake is van een hoogwaardige toepassing van het opgepompte water;

    • b.

      er door het verlenen van de vergunning strijd ontstaat met de belangen van andere reeds verleende vergunningen en toekomstige belangen;

    • c.

      bij infiltratie deze niet plaatsvindt in dezelfde diepte als waar het grondwater wordt onttrokken;

    • d.

      voor een industriële onttrekking of de aanleg van een bodemenergiesysteem de locatie van de boring is gelegen binnen een gebied als bedoeld in artikel 7.1.

Paragraaf 10.6 Financiële bepalingen grondwater

Artikel 10.29 Instelling commissie van deskundigen

Gedeputeerde Staten stellen een commissie van deskundigen in die is belast met het adviseren inzake verzoeken als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet.

Artikel 10.30 Procedure advies
  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen een verzoek als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet in handen van de commissie van deskundigen stellen. Indien zij de commissie een verzoek voorleggen, zenden zij daarvan een afschrift aan de vergunninghouder of vergunninghouders die zij daarbij betrokken achten. Zij doen daarvan mededeling aan de verzoeker en, in geval het verzoek verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.

  • 2.

    De commissie van deskundigen brengt zo spoedig mogelijk advies uit over de ondervanging of vergoeding van schade dan wel over de overneming van de onroerende zaak.

  • 3.

    De commissie van deskundigen zendt het ontwerp van haar advies toe aan degene op wiens verzoek zij een onderzoek heeft ingesteld en aan de betrokken vergunninghouder of vergunninghouders.

Artikel 10.31 Indienen zienswijzen
  • 1.

    Gedurende 6 weken na de verzending van het ontwerpadvies kunnen de betrokkenen, bedoeld in artikel 10.30, derde lid, schriftelijk hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen bij de commissie van deskundigen. De commissie stelt degenen die een zienswijze hebben ingediend in de gelegenheid hun zienswijze in persoon of bij gemachtigde op een daartoe door haar te beleggen zitting voor een of meer van haar leden mondeling toe te lichten, daarbij desgewenst bijgestaan door deskundigen.

  • 2.

    Van hetgeen op de zitting, bedoeld in het eerste lid, naar voren wordt gebracht wordt een verslag gemaakt.

  • 3.

    Indien zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies al dan niet gewijzigd vast en zendt dat gelijktijdig met het verslag van de hoorzitting en haar beschouwingen omtrent de zienswijzen toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 10.30, derde lid.

  • 4.

    Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies binnen 4 weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, vast en zendt dat toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 10.30, derde lid.

  • 5.

    De in het derde en vierde lid genoemde stukken worden tevens toegezonden aan Gedeputeerde Staten en, in geval het verzoek, bedoeld in 7.14, eerste lid, van de Waterwet, verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.

Hoofdstuk 11 Gereserveerd

Hoofdstuk 12 Wegen

Paragraaf 12.1 Algemene bepalingen

Artikel 12.1 Definitie

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder wegen: wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet, met inbegrip van verhardingen, bermen, glooiingen en bermsloten, met alle bijbehorende werken of op enigerlei wijze daarmee verbonden voorzieningen en begroeiingen.

Artikel 12.2 Toepassing
  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing op wegen in beheer bij de provincie Drenthe en tevens op situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is.

  • 2.

    Op de bij deze verordening behorende kaart A zijn deze wegen aangegeven.

Paragraaf 12.2 Bepalingen inzake instandhouding en dergelijke

Artikel 12.3 Bescherming
  • 1.

    Dit hoofdstuk kan mede strekken ter bescherming van ecologische, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve, toeristische of landschappelijke belangen.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen ten behoeve van de in het eerste lid genoemde belangen nadere regels stellen.

  • 3.

    De geboden en verboden worden voor zover noodzakelijk aangegeven door middel van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Artikel 12.4 Dijken
  • 1.

    Provinciale Staten stellen de afmetingen vast van de dijken met een waterkerende functie.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten dragen zorg voor de handhaving van deze afmetingen.

Paragraaf 12.3 Gebods- en verbodsbepalingen

Artikel 12.5 Bevoegd gezag

Waar in dit hoofdstuk sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld:

  • 1.

    indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 12.8 van deze verordening: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag;

  • 2.

    in alle andere gevallen: Gedeputeerde Staten.

Artikel 12.6 Verboden handelen of nalaten
  • 1.

    Het is verboden zodanig te handelen of na te laten:

    • a.

      dat aan wegen schade wordt of kan worden toegebracht;

    • b.

      dat het veilig en doelmatig gebruik of de instandhouding van wegen in de ruimste zin wordt of kan worden belemmerd of belet.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is.

Artikel 12.7 Verboden werk of beplanting
  • 1.

    Het is verboden enig werk aan te brengen, te hebben of te wijzigen, beplantingen aan te brengen of te hebben binnen een dusdanige afstand uit de grens van de weg, indien daardoor het vrije zicht op de weg zodanig wordt belemmerd dat daardoor de verkeersveiligheid in het gedrang komt of kan komen.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is.

Artikel 12.8 Verbod handelen zonder omgevingsvergunning

Als verbod om te handelen zonder omgevingsvergunning in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden aangemerkt de verboden als bedoeld in artikel 12.7 voor zover er sprake is van:

  • a.

    het aanleggen van een weg of veranderingen te brengen in de aanleg van een weg;

  • b.

    het maken van een uitweg of deze te veranderen;

  • c.

    het als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toe te staan of te gedogen dat op of aan die onroerende zaak handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats.

Artikel 12.9 Uitzondering ten behoeve van provinciaal belang

Het in de artikelen 12.6 en 12.7 genoemde geldt niet voor handelingen ten behoeve van het provinciaal belang.

Paragraaf 12.4 Ontheffing

Artikel 12.10 Ontheffing
  • 1.

    Het bevoegd gezag kan schriftelijk ontheffing verlenen van de in de artikelen 12.6 en 12.7 genoemde bepalingen.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een ontheffing.

  • 3.

    Een ontheffing kan worden ingetrokken indien:

    • a.

      de omstandigheden zodanig gewijzigd zijn dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou zijn verleend;

    • b.

      de ontheffing gedurende een aaneengesloten periode van 2 jaar niet is gebruikt;

    • c.

      de aan de ontheffing verbonden voorschriften en/of beperkingen niet of niet behoorlijk worden nageleefd;

    • d.

      gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de aanvrager verstrekte onjuiste gegevens.

Artikel 12.11 Adviseur
  • 1.

    Met betrekking tot een aanvraag voor een omgevingsvergunning waar sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 12.8 worden Gedeputeerde Staten als adviseur aangewezen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing wanneer Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn.

Hoofdstuk 13 Vergoeding van schade en kosten

Artikel 13.1 Reikwijdte
  • 1.

    Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van de hoofdstukken 5, 6, 7 en 9 van deze verordening.

  • 2.

    De bepalingen in dit hoofdstuk betrekking hebbende op "de waterleidingmaatschappij in wiens belang de bescherming van het beschermingsgebied is gerealiseerd" zijn slechts van toepassing voor zover het verzoek om schadevergoeding betrekking heeft op bepalingen op grond van hoofdstuk 7, titel 7.3, van deze verordening.

Artikel 13.2 Aanvraag vergoeding kosten en schade

De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat ten minste de volgende gegevens:

  • a.

    de bepalingen van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt;

  • b.

    de aard en omvang van de kosten dan wel de schade;

  • c.

    de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 13.3 Aanwijzen deskundigen
  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 13.1.

  • 2.

    Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het gestelde in het eerste lid, brengen deze deskundigen advies uit inzake:

    • a.

      de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening;

    • b.

      de omvang van de kosten dan wel de schade;

    • c.

      de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de aanvrager behoren onderscheidenlijk behoort te blijven;

    • d.

      de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien;

    • e.

      de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt;

    • f.

      de hoogte van de toe te kennen vergoeding.

  • 3.

    Alvorens een advies aan Gedeputeerde Staten uit te brengen horen de aangewezen deskundigen de aanvrager. Tevens stellen de aangewezen deskundigen de waterleidingmaatschappij in welker belang de bescherming van het beschermingsgebied is gerealiseerd in de gelegenheid haar opvattingen over de voorliggende aanvraag aan hen kenbaar te maken.

Artikel 13.4 Verzoek vergoeding kosten of schade door bestuursorgaan

Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer Gedeputeerde Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 7, titel 7.3, dient dat verzoek ten minste vergezeld te gaan van:

  • a.

    indien het bestuursorgaan een verzoek om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van dat verzoek en de daarbij gevoegde stukken;

  • b.

    een afschrift van de schriftelijke opvattingen die de waterleidingmaatschappij over het verzoek of het voornemen een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt aan het bestuursorgaan;

  • c.

    indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 15.20, vierde lid, van de Wet milieubeheer heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies;

  • d.

    het ontwerp van de beschikking houdende een toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking.

Hoofdstuk 14 Handhaving

Artikel 14.1 Strafbaar feit

Een gedraging in strijd met artikel 5.4, 5.5, 5.7, 5.8, 7.5, eerste lid, 7.6, eerste lid, 7.8, 7.9, 7.10, 7.11, 7.12, 7.13, 7.14,  7.16, 7.17, 7.24, 7.25, 7.26,  of 9.2 is een strafbaar feit.

Artikel 14.2 Strafbaarstelling

Overtreding van de artikelen 10.13, 10.14, 12.6 of 12.7 wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste 2 maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 14.3 Toezicht
  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in hoofdstuk 12 zijn belast de daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen personen.

  • 2.

    Met de opsporing van overtredingen van het bepaalde in hoofdstuk 12 zijn belast de krachtens de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren en de door Gedeputeerde Staten aangewezen personen.

Hoofdstuk 15 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 15.1 Intrekking oude verordeningen

De Provinciale Omgevingsverordening Drenthe, vastgesteld bij besluit van Provinciale Staten van Drenthe van 7 juli 2004 en sedertdien gewijzigd, wordt ingetrokken.

Artikel 15.2 Verleende besluiten

Een ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing op grond van een in artikel 15.1 genoemde verordening wordt gelijkgesteld aan een ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing op grond van de POV Drenthe.

Artikel 15.3 Aanvraag ontheffing

Indien de aanvraag tot het geven van een ontheffing van het bepaalde in een verordening als bedoeld in artikel 15.1 is ingediend voor het tijdstip waarop dat artikel ten aanzien van die verordening in werking treedt, blijft die verordening op de aanvraag van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden.

Artikel 15.4 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op een nader door Gedeputeerde Staten te bepalen tijdstip, dat voor onderdelen van de verordening verschillend kan zijn.

Artikel 15.5 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: Provinciale Omgevingsverordening Drenthe. 

Toelichting

ALGEMEEN

Bij het opstellen van de POV is gekozen voor een onderverdeling in Delen. Dit is een bewuste keuze geweest omdat hiermee is te herleiden vanuit welk specifiek beleidsveld de regeling afkomstig is, waarop de regeling juridisch en beleidsmatig is gebaseerd en met welk motief de regeling is opgesteld. Dit is noodzakelijk om in voorkomende gevallen de legitimiteit van de regels in de POV aan te kunnen tonen. De verschillende delen zijn wederom opgedeeld in hoofdstukken. De Provinciale Omgevingsverordening bestaat op dit moment uit 7 delen. Dit zijn de delen Algemeen, Ruimtelijke Ordening, Milieu, Natuur en landschap, Water, Wegen en Overige bepalingen. Hierna is per deel aangegeven welke onderdelen per hoofdstuk in dat deel zijn opgenomen.

Deel I, Algemeen

Dit deel is samengesteld uit 2 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat begripsbepalingen. Het beknopte tweede hoofdstuk bevat een inspraakbepaling.

Deel II, Ruimtelijke Ordening

Deel II bestaat uit 1 hoofdstuk. In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen met betrekking tot de ruimtelijke ordening. Het hoofdstuk geeft randvoorwaarden voor gemeenten bij het vaststellen van ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen.

Deel III, Milieu

Deel III is samengesteld uit de hoofdstukken 4 tot en met 7. Hoofdstuk 4 bevatte een regeling voor de Geluidhinderdienst Drenthe. Deze is van rechtswege komen te vervallen. In hoofdstuk 5 zijn de regels opgenomen over Warmte- en koude opslag. Hoofdstuk 6 regelt bodemsaneringen. Het gebiedenbeleid is neergelegd in hoofdstuk 7. Het bevat bepalingen ten aanzien van de stiltegebieden en de gebieden ter bescherming van het grondwater met het oog op de waterwinning.

Deel IV, Natuur en Landschap

Dit deel bevat in hoofdstuk 8 regels voor ontgrondingen en regelt in hoofdstuk 9 het vaarverbod op de Drentsche Aa ter bescherming van belangen van natuur en landschap.

Deel V, Water

Deel V bestaat uit hoofdstuk 10 Water. Het hoofdstuk Water bevat onder meer bepalingen ten aanzien van de beheersplannen van de waterschappen, peilbesluiten en waterakkoorden. Hoofdstuk 11 is momenteel niet ingevuld en is voor de toekomst gereserveerd.

Deel VI, Wegen

Dit deel bevat het hoofdstuk 12 waarin regels zijn opgenomen die betrekking hebben op wegen binnen de provincie Drenthe.

Deel VII, Overige bepalingen

Dit deel bestaat uit de hoofdstukken 13, 14 en 15. Hoofdstuk 13 regelt de vergoeding van schade en kosten met betrekking tot de hoofdstukken 6, 7 en 9. Hoofdstuk 14 bevat handhavingsbepalingen. Hoofdstuk 15 bevat de overgangs- en slotbepalingen.

Grondslag

De POV is gebaseerd op meerdere wetten met elk een eigen doel en werkingssfeer. Hieronder is per hoofdstuk (voor zover van toepassing) aangegeven waar de verordenende bevoegdheid van Provinciale Staten is neergelegd.

Hoofdstuk 3 (Ruimtelijk Omgevingsbeleid)

De verordening bevoegdheid voor dit onderdeel is neergelegd in de Wet ruimtelijke ordening, artikel 4.1. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening mag de provincie regels opleggen aan gemeenten over hun ruimtelijke plannen. Inhoudelijk gezien vormen de regels een juridische doorvertaling van het actuele ruimtelijke beleid van de provincie.

Hoofdstuk 5 (WKO)

De verordenende bevoegdheid ligt bij deze regeling zowel in de Waterwet als ook de autonome bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 105 van de Provinciewet. Grofweg kan de scheiding worden gemaakt tussen open systemen (Waterwet) en gesloten systemen (Provinciewet).

Hoofdstuk 6 (Bodemsanering)

In dit hoofdstuk kan worden verwezen naar de Wet bodembescherming.

Hoofdstuk 7 (Gebieden)

De verordenende bevoegdheid voor dit onderdeel ligt vast in de Wet milieubeheer. Artikel 1.2 van de Wet milieubeheer bepaalt dat Provinciale Staten regels stellen met betrekking tot de bescherming van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning en regels ter inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden.

Hoofdstuk 8 (Ontgrondingen)

De verordenende bevoegdheid ligt hier in de Ontgrondingenwet.

Hoofdstuk 9 (Vaarverbod Drentsche Aa)

Deze regeling is volledig gebaseerd op de autonome regelende bevoegdheid die Provinciale Staten heeft op grond van artikel 105 van de Provinciewet.

Hoofdstuk 10 (Water)

Voor dit hoofdstuk kan worden verwezen naar de Waterwet.

Hoofdstuk 12 (Wegen)

Voor dit hoofdstuk is de bevoegdheid gebaseerd op artikel 105 van de Provinciewet.

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Voor de inhoud van verschillende van de in de verordening gehanteerde begrippen (zoals bijvoorbeeld inspecteur) behoeft geen omschrijving te worden gegeven, omdat veelal de afzonderlijke wetten waarop deze verordening is gebaseerd, bepalen dat de daar gegeven omschrijvingen doorwerken in de verordening. Begrippen waarbij in een van de wetten geen begripsbepaling is opgenomen, zijn opgenomen in dit artikel. De begrippen genoemd in dit artikel zijn van toepassing op de gehele verordening. Daarnaast kan het zijn dat in een specifiek hoofdstuk begripsbepalingen zijn opgenomen die slechts van toepassing zijn binnen dat ene hoofdstuk.

Ter verduidelijking van het begrip insteek (onderdeel g) is onderstaande afbeelding toegevoegd.

Weergave diverse situaties insteek oppervlaktewater

Hoofdstuk 2 Inspraak

In dit artikel wordt de Algemene Inspraakverordening Drenthe van toepassing verklaard op het wijzigen van deze verordening. Hierdoor is het niet noodzakelijk om in deze verordening de inspraak verder uit te werken. Deze inspraakverordening is te vinden op de website van de provincie Drenthe, onder het loket, reglementen, algemene inspraakverordening of via volgende link: http://www.provincie.drenthe.nl/loket/reglementen/algemene_inspraakverordening_provincie_drenthe_1996.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk omgevingsbeleid

Algemeen

Met dit hoofdstuk van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe vertaalt de provincie Drenthe zijn Omgevingsvisie, geactualiseerd door Provinciale Staten in 2014, deels door naar een verordening voor zover het planologisch relevante aspecten betreft. De Omgevingsvisie als structuurvisie bindt alleen de provincie zelf, al moeten gemeenten er in hun planvorming altijd rekening mee houden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) kent de provincie een scala van instrumenten toe om haar beleid daarnaast meer direct extern te laten doorwerken. Vaststelling van een verordening ex artikel 4.1 Wro is een van die instrumenten.

Drenthe wil zijn visie realiseren op een manier die recht doet aan de provinciale sturingsfilosofie. Hierin gaat de provincie uit van gelijkwaardigheid en samenwerking met haar partners 'in het veld'. Dit betekent tevens dat de provincie terughoudend omgaat met het neerleggen van provinciale ruimtelijke belangen in een verordening.

Het is vanuit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) verplicht de verordening voor erin opgesomde thema's te hanteren. Dit betreft met name de regeling voor het Natuurnetwerk Nederland. De voorliggende verordening beperkt zich niet tot slechts hetgeen het Rijk via het Barro voorschrijft. Er zijn ook provinciale belangen opgenomen waarvoor geen ministeriële verplichting tot doorvertaling in een verordening bestaat. In de verordening treft u ook bepalingen aan over provinciale belangen waarover:

  • -

    wij op voorhand volstrekte helderheid over ons standpunt willen geven;

  • -

    wij willen verankeren welke belangen in elk geval bij een afweging op gemeentelijk niveau moeten worden betrokken alvorens een gemeente een ruimtelijk plan in procedure brengt.

Vanuit onze provincie voegen wij inhoudelijke voorschriften en procedurele voorschriften aan de verplicht gestelde onderwerpen vanuit het Barro toe. Een voorbeeld van een inhoudelijke uitspraak is het verbod op weidewinkels. Een voorbeeld van een procedureel voorschrift betreft de verplichting voor gemeenten om in regionaal verband afspraken over woningbouw te maken.

Binnen de verordening komt aan gemeenten een belangrijke rol toe. Inhoudelijke bepalingen zijn veelal positief en als verantwoordingsplicht ingericht en niet direct normstellend. Evenmin wil de provincie in details treden. Menig bepaling laat daartoe interpretatieruimte. Aan gemeenten komt dus ruimte toe om inhoudelijk - tot op zekere hoogte - een eigen invulling te geven, mits deugdelijk onderbouwd.

Bij procedurele regels leggen wij niet vast wát een uitkomst van een planologische overweging moet zijn, maar wel de afwegingen die daarbij betrokken moeten worden. Hierbij zij opgemerkt niet uit te sluiten valt dat, ook al onderbouwt een gemeente een plan conform de eisen, Gedeputeerde Staten de gemaakte belangenafweging niet dragend achten, in welk geval eventueel het verdere Wro-instrumentarium kan worden aangesproken.

De provincie beoogt niet uitputtend te zijn in het vastleggen van provinciale belangen in een verordening. Dit betekent ook dat niet alle thema's uit de Omgevingsvisie een plek hebben gekregen. Dat geldt slechts voor die onderwerpen van provinciaal belang waarin voor vastlegging in een verordening een duidelijke meerwaarde bestaat. Het al dan niet voorkomen van een thema in de verordening vormt evenmin een indicatie voor het gewicht dat een beleidsthema heeft. De criteria leggen daarmee dan ook geen relatie. Het is dus niet uit te sluiten dat wij het formeel Wro-instrumentarium aanwenden voor provinciale belangen die niet zijn neergelegd in deze verordening. Dat zal in alle gevallen in principe niet gebeuren dan nadat alle mogelijkheden om in onderling overleg met de betrokken partner(s) tot overeenstemming te komen, verbruikt zijn. Zo blijft de provinciale sturingsfilosofie uitgangspunt voor het handelen. Uitwerking van beleid voor een aantal thema's uit de Omgevingsvisie is in ontwikkeling. Het is dan een optie om binnen de geldende kaders nadere regels op te stellen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan zonne-energie en aan windenergie.

Dit hoofdstuk van de verordening kent een opbouw die bestaat uit begripsbepalingen, bepalingen over ruimtelijke kwaliteit en een titel waarin we regels geven over ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor wij staan, of die wij juist afwijzen. Het hoofdstuk kent eveneens een titel over de wijze van afdoening van verzoeken om een tegemoetkoming in schade. Enige afrondende bepalingen zijn noodzakelijk. In het hiernavolgende vindt u dit hoofdstuk van de verordening titel- en artikelsgewijs toegelicht. De uitleg van alle bepalingen, en vooral het beleid er achter, is allerminst uitputtend. Het is niet de bedoeling de Omgevingsvisie hier over te nemen. Een verwijzing naar onderliggend beleid kan vaak volstaan. Waar in de verordening begrippen worden gehanteerd die niet gedefinieerd zijn in de begripsbepalingen of in de Omgevingsvisie, kan worden teruggevallen op de andere door Provinciale Staten vastgestelde beleidsdocumenten, Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening dan wel, in tweede instantie, geldende jurisprudentie. Ook het Barro biedt soms aanvullende inzichten, met name daar waar dit hoofdstuk hiervan een doorvertaling vormt. Mogelijk ten overvloede wijzen wij nog op de verhouding van dit hoofdstuk tot (inter)nationale wet- en regelgeving. Dit kan van belang zijn voor bijvoorbeeld de wijze waarop met kernkwaliteiten moeten worden omgegaan.

Titel 3.1 Algemeen

In Titel 3.1 is een vrij uitgebreide opsomming van begripsbepalingen opgenomen. Wij achten dit noodzakelijk voor een goed begrip van en het goed kunnen werken met dit hoofdstuk. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de cieL, de commissie Leefomgeving.

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

Naast de meer algemene begripsbepalingen zoals deze zijn opgenomen in artikel 1.1 van deze verordening is er behoefte aan het opnemen van een specifieke bepaling voor dit hoofdstuk. Concreet betekent dit dat de begripsbepalingen in dit artikel alleen van toepassing zijn voor de bepalingen in dit hoofdstuk. Daarnaast zijn de bepalingen uit artikel 1.1 onverkort op dit hoofdstuk van toepassing. In dit artikel worden met name termen gedefinieerd daar waar deze noodzakelijk zijn voor een goed begrip van dit hoofdstuk en daar waar ze specifiek zijn voor de Drentse situatie (bijvoorbeeld kernkwaliteiten) of noodzakelijk in het kader van een verderop opgenomen bepaling (bijvoorbeeld de definitie van lokale en regionale werklocatie, van ruimtelijk plan en van een woonvisie). Zo veel mogelijk is met de begripsomschrijvingen aangesloten bij de terminologie in de Omgevingsvisie. Wanneer geen begripsbepaling voor een term te vinden is, sluit de provincie aan bij de actuele jurisprudentie op gebied van ruimtelijke ordening.

Artikel 3.2 - 3.6 Commissie Leefomgeving

Regeling

Met de bepalingen in dit hoofdstuk wordt de commissie Leefomgeving (cieL, hierna te noemen de commissie) gereguleerd. In deze paragraaf worden de taken en bevoegdheden, de samenstelling, de ondersteuning, de benoeming en de termijn van benoeming en de openbaarheid van de vergaderingen van de commissie geregeld.

Achtergrond

De commissie is de vervanger van de Adviescommissie voor de Fysieke leefomgeving (AFLO). Waar de AFLO voorheen een adviserende rol had als het beleid veelal al was gevormd, zal de nieuwe commissie vooral aan de voorkant van het proces ideeën uit de Drentse samenleving voorleggen aan Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten. De commissie zal haar adviezen en beleidsimpulsen op een slimme en creatieve manier ontwikkelen, bijvoorbeeld door het organiseren van workshops en symposia. Er is gekozen voor een vorm waarin zes leden en een voorzitter elk een netwerk en een kennisdomein meebrengen. Deze netwerken bestaande uit inwoners en ondernemers uit de provincie, (noordelijke) kennisinstellingen en overheden zullen ten behoeve van de adviezen worden benut.

Titel 3.2 Ruimtelijke kwaliteit

Titel 3.2 handelt over de ruimtelijke kwaliteit van Drenthe. Deze heeft volgens de Omgevingsvisie Drenthe drie aspecten: kernkwaliteiten, Ladder voor duurzame verstedelijking en milieu- en leefomgeving. Elk van de drie elementen is terug te vinden in de bepalingen van dit hoofdstuk. Hieronder worden ze afzonderlijk toegelicht. Overigens zal duidelijk zijn dat deze drie - voor de provincie Drenthe - basiselementen van ruimtelijke kwaliteit ook een rol in Titel 3.3 (Bruisend Drenthe) hebben, want ruimtelijke kwaliteit willen we behouden en versterken, juist ook wanneer nieuwe ontwikkelingen worden ontplooid.

Paragraaf 3.2.1 Kernkwaliteiten

Regeling

In de begripsbepalingen (artikel 3.1) zijn de kernkwaliteiten en de kernwaarde bedrijvigheid gedefinieerd. Op de kernkwaliteitenkaarten D4 t/m D9 van deze verordening, worden de kernkwaliteiten weergegeven.

In principe ligt binnen het bestaand stedelijk gebied de verantwoordelijkheid voor kernkwaliteiten bij de gemeente. Het provinciaal belang voor archeologie en cultuurhistorie kent hierop een uitzondering: het provinciaal belang is ook van toepassing binnen bestaand stedelijk gebied als de kernen zijn opgenomen op de kaarten D4 en D6. De afzonderlijke kaarten zijn het vertrekpunt voor het provinciaal beleid. Om praktische redenen komt aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid toe om de kaarten met Kernkwaliteiten bij deze verordening te wijzigen.

Bijdragen aan behoud en ontwikkeling (hiermee wordt bedoeld: versterking) van de kernkwaliteiten in relatie tot een dynamisch en ondernemend Drenthe is wat met de regeling in dit hoofdstuk wordt beoogd. De bepalingen voor kernkwaliteiten zijn niet in beton gegoten. De regels zijn als verantwoordingsplicht ingericht. Gemeenten zullen binnen de kaders van de Omgevingsvisie de kernkwaliteiten ook moeten uitwerken naar hun ruimtelijke plannen. Ze zijn daarbij gebonden aan de kaders van het provinciaal beleid die zijn neergelegd in de Omgevingsvisie en uitwerkingen zoals het Cultuurhistorisch Kompas en de beleidsnotitie Aardkundige waarden, “waardevol Drenthe”.

Het begrip informatiewaarde is omschreven in de begripsbepalingen.

Informatiewaarde van een kernkwaliteit speelt ingevolge de bepalingen in de verordening bij de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden. Informatiewaarde wordt bepaald door de mate waarin een kernkwaliteit een bijdrage kan leveren aan nieuwe kennisvorming over het verleden. De informatiewaarde is gebaseerd op landelijk gehanteerde waarderingscriteria zoals ensemblewaarde(1), zeldzaamheid (kennislacune), wetenschappelijke waarde, kwaliteit, gaafheid en belevingswaarde. Alle onderdelen van de kernkwaliteiten archeologie en cultuurhistorie zijn zo geselecteerd dat de informatiewaarde of –verwachting (archeologische verwachtingsgebieden) “hoog” is.

Archeologische kernkwaliteiten kennen een eigen dynamiek omdat hier zowel sprake is van bekende (soms zichtbare) archeologische waarden als van gebieden waar een archeologische verwachting op rust. Dat wil zeggen dat archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, maar nog niet in kaart gebracht. Archeologische kernkwaliteiten behoren zowel tot het onroerend erfgoed (wanneer ze nog in de bodem zitten [= behoud in situ]) als tot het roerend erfgoed (wanneer ze opgegraven zijn [= behoud ex situ]). Uitgangspunt voor de archeologische kernkwaliteiten van provinciaal belang is behoud in situ. Als dat niet mogelijk is, dient de in de bodem aanwezige archeologische informatie(waarde) te worden veiliggesteld door middel van een opgraving. Over de wijze waarop die opgraving wordt uitgevoerd willen wij vroegtijdige afstemming met de gemeenten. Ons uitgangspunt is dat afstemming leidt tot wederzijdse instemming. Wordt dit ondanks alle inspanningen niet bereikt, dan stelt de provincie de (onderzoeks-)norm. Daarbij zal altijd de geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie leidend zijn.

(1) Ensemblewaarde betekent dat er sprake is van samenhangende waarden. Bijvoorbeeld een archeologische vindplaats die bestaat uit zowel een nederzetting als het bijbehorende grafveld of een beeldbepalende, veenkoloniale lintbebouwing. Wanneer een of meerdere onderdelen van de samenhang wegvalt, gaat mogelijk alle informatie verloren.

Een ruimtelijk plan kan in principe geen nieuwe activiteiten toestaan die kernkwaliteiten significant aantasten. Wat 'significant' (een term uit artikel 3.7) is, wordt bepaald door de contouren die de Omgevingsvisie voor de omgang met kernkwaliteiten stelt. Een ontwikkeling leidt dus niet tot significante aantasting, wanneer rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten conform de Omgevingsvisie en uitwerkingen als het Cultuurhistorisch Kompas. Wordt buiten het provinciaal beleid getreden, dan is in principe wél sprake van een significante aantasting. Te denken valt aan een ingreep die de samenhang van een robuust natuursysteem aantast of een onomkeerbare ingreep in een gebied met grote cultuurhistorische en/of archeologische waarde. Wij verwachten dat een gemeente dan in overleg met Gedeputeerde Staten treedt om een gezamenlijk gedragen oplossing te vinden binnen de kaders van het provinciaal beleid. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan het verplichten van mitigerende of compenserende maatregelen.

Kernwaarde bedrijvigheid

Naast ruimtelijke kwaliteit zetten wij in onze Omgevingsvisie in op de kernwaarde bedrijvigheid. Deze kernwaarde is in dit hoofdstuk afgebakend en op één niveau met kernkwaliteiten geplaatst. Van streven naar behoud en ontwikkeling van kernkwaliteiten kan in dit hoofdstuk dus worden afgezien als kernkwaliteiten het moeten 'afleggen' tegenover de kernwaarde bedrijvigheid (artikel 3.8) die als uitgangspunt even zwaar weegt als de kernkwaliteiten gezamenlijk. Een dergelijke keuze moet wel zorgvuldig - en dus ook dragend - onderbouwd worden.

De provincie schrijft in dit hoofdstuk niet rechtstreeks voor hoe kernkwaliteiten behouden en ontwikkeld moeten worden. Het doel staat voorop en gemeente moeten daaraan een eigen invulling geven. Voor de archeologische kernkwaliteiten die niet in situ behouden kunnen blijven is wel een procesvoorschrift van toepassing (zie hierboven). Doorgaans is een regeling van kernkwaliteiten in de voorschriften hiervoor onontbeerlijk. Als nuancering op de basisregel gelden naast hetgeen hiervoor is gesteld over de kernwaarde bedrijvigheid de opgenomen regeling met betrekking tot de onderlinge strijdigheid van kernkwaliteiten en op de situatie waarbij kernkwaliteiten een belemmering vormen voor de ontwikkeling van robuuste landbouw. Tot slot wordt gewezen op de potentiële spanning tussen de regeling voor kernkwaliteiten en die voor het Nationaal Landschap Drentsche Aa en het Natuurnetwerk Nederland (zie de toelichting op de artikelen 3.32 tot en met 3.35).

Achtergrond

Bij de totstandkoming van de Omgevingsvisie haalde de provincie onder een zo breed mogelijk publiek die aspecten op die volgens hen de ruimtelijke identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe vormen. Deze 'Kernkwaliteiten' zijn in paragraaf 2.3.1 van de Omgevingsvisie opgenomen. Ze vormen voor de provincie Drenthe de belangrijkste basis voor het begrip ruimtelijke kwaliteit. In paragraaf 4.2 van de Omgevingsvisie worden de kernkwaliteiten ontrafeld. Het gaat om stilte en duisternis, openheid van het landschap, natuur binnen het Natuurnetwerk Nederland, diversiteit en gaafheid van landschappen, cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden, sociale externe en verkeersveiligheid, leefbaarheid en een maat passend bij Drenthe. Provinciale Staten hebben bij de vaststelling van de Omgevingsvisie naast de kernkwaliteiten ook de kernwaarde bedrijvigheid toegevoegd. Deze kwaliteiten en de kernwaarde bedrijvigheid worden in hoofdstuk 4 van de Omgevingsvisie uitgewerkt. Het daar gestelde is uitgangspunt van het provinciaal handelen.

Meer achtergrondinformatie over onze visie op het Drentse landschap is opgenomen in de Nota Landschap. In hoofdstuk 3 van de Omgevingsvisie wordt toegelicht hoe het provinciebestuur behoud en ontwikkeling van kernkwaliteiten in de praktijk zal nastreven.

Paragraaf 3.2.2 Milieu- en leefomgevingskwaliteit

Regeling

Met de bepaling in dit hoofdstuk wordt de verantwoording geregeld van gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen voor zover deze een relatie met onze milieubelangen hebben. Naar verwachting zal dit niet leiden tot beperkingen boven regels die op basis van landelijke regelgeving toch al gelden, maar gezien het grote belang dat wij en ook de Drentse bevolking hechten aan aspecten van milieu- en leefomgevingkwaliteit is dit in de voorliggende regeling verankerd. De ruimtelijk goed te vertalen milieubelangen zijn neergelegd op kaart D12 bij deze verordening. Daarnaast is het thema externe veiligheid van belang.

Achtergrond

Aspecten van milieu- en leefomgevingkwaliteit moeten op basis van nationale regelgeving welhaast onvermijdelijk hun vertaling krijgen in gemeentelijke plannen. Dit geldt onder andere voor water, luchtkwaliteit, lichthinder, geluid, geur, bodem, externe veiligheid en buisleidingen. De provincie ziet met name een rol voor zichzelf weggelegd waar deze aspecten gemeentegrensoverstijgend zijn dan wel op een andere manier samenhangen met provinciale verantwoordelijkheden, zoals in paragraaf 4.4 van de Omgevingsvisie uiteengezet.

Met de kernkwaliteiten en zorgvuldig ruimtegebruik geeft dit aspect invulling aan het Drentse begrip van ruimtelijke kwaliteit. Ook daarom kan het niet weggelaten worden.

Paragraaf 3.2.3 Zorgvuldig ruimtegebruik

Regeling

In de begripsbepalingen van artikel 3.1 wordt omschreven wat de Ladder voor duurzame verstedelijking in het kader van dit hoofdstuk betekent. Wat artikel 3.15 daaraan toevoegt, is de situaties vastleggen waarin de Ladder voor duurzame verstedelijking in elk geval wordt toegepast en de situaties waarin dat bij wijze van uitzondering niet hoeft.

Achtergrond

Een belangrijk uitgangspunt van het Drentse omgevingsbeleid is om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte in Drenthe. In paragraaf 4.3 van de Omgevingsvisie is dat principe nadrukkelijk verwoord. Het relatief bescheiden percentage bestaand stedelijk gebied in Drenthe is een van de aspecten die Drenthe maakt tot wat het is. Via dit hoofdstuk wordt daarom verankerd dat gemeenten de Ladder voor duurzame verstedelijking toepassen. Hierbij kunnen zij gebruik maken van de speciaal voor deze toepassing opgestelde Handreiking ladder voor duurzame verstedelijking. Deze handreiking is als bijlage opgenomen bij de Omgevingsvisie Drenthe. Kort gezegd zorgt deze ervoor dat er niet nodeloos gebouwd wordt en inbreiding voor uitbreiding gaat en dat waar uitbreiding plaatsvindt dit in principe niet los van bestaande bebouwingsconcentraties gebeurt. De Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast voor woon-werklocaties, verblijfsrecreatie, detailhandel en infrastructuur.

Wij willen de Ladder voor duurzame verstedelijking tevens hanteren voor recreatie en toerisme en in de landbouwsector. Bij ontwikkelingen in deze sectoren gaat het vooral om het denkmodel dat gehanteerd moet worden, reden waarom in artikel 3.15 deze thema's niet expliciet worden genoemd.

Titel 3.3 Bruisend Drenthe

Waar Titel 3.2 van dit hoofdstuk zich richt op dat wat het huidige Drenthe bijzonder maakt, verwoordt Titel 3.3 randvoorwaarden die van provinciewege gelden voor nieuwe ontwikkelingen.

Artikel 3.16 Aanwijzing bestaand stedelijk gebied

Regeling

Bij de verordening is de kaart Bestaand Stedelijk Gebied vastgelegd. Door ontwikkelingen zal het nodig zijn met enige regelmaat de begrenzing aan te passen. De begrenzing is feitelijk van aard en heeft daardoor géén directe consequenties. Indirect is daarvan wel sprake, doordat andere bepalingen uit dit hoofdstuk aan de begrenzing refereren (zie bijvoorbeeld artikel 3.15 of 3.25, derde lid). In de begripsbepalingen is een definitie van het Bestaand Stedelijk Gebied opgenomen.

Achtergrond

De provincie moet algemene regels formuleren gericht op zorgvuldig ruimtegebruik. Deze algemene regels richten zich op de inhoud van of toelichting bij bestemmingsplannen die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe bebouwing kan toestaan binnen het Bestaand Stedelijk Gebied, aansluitend op het Bestaand Stedelijk Gebied, of in nieuwe clusters van bebouwing daarbuiten. De in dit artikel vastgelegde begrenzing dient primair als geografische referentie voor de uitvoering van regels met betrekking tot bouwen in landelijk gebied.

Voor het vastleggen van het Bestaand Stedelijk Gebied is de in opdracht van het ministerie VROM door de TU Delft opgestelde (concept) handreiking bestaand stedelijk gebied (26-3-2010) gebruikt. De daarin neergelegde criteria voor aanwijzing van het Bestaand Stedelijk Gebied zien op een stappenplan met inhoudelijke afwegingen waarmee tot een afgewogen begrenzing kan worden gekomen. Dit houdt eveneens in dat niet elke bebouwing automatisch tot het stedelijk gebied wordt gerekend. De kaart is in afstemming met gemeenten opgesteld.

Artikel 3.17 Basisbepalingen Bruisend Drenthe

Regeling

Artikel 3.17 daagt gemeenten uit om na te denken over de wijze waarop een ruimtelijk plan bijdraagt aan de in de Omgevingsvisie Drenthe gestelde beleidsdoelen. Hieronder wordt mede verstaan de bijdrage aan vitaliteit en kwaliteit van de groene ruimte, in elk geval waar het de mogelijkheden voor herbestemming van bestaande bebouwing betreft.

Achtergrond

De eisen waaraan voor ruimtelijke kwaliteit moet worden voldaan, zijn bij de toelichting op Titel 3.2 reeds verwoord. Deze verwijst deels weer door naar de tekst van de structuurvisie(s), waarin de diverse kernkwaliteiten worden toegelicht. Voor meerdere kernkwaliteiten gelden beschermingsregimes die gelijken aan het gedachtegoed van het Cultuurhistorisch Kompas.

Artikel 3.18 Ondergrond

Regeling

In de Structuurvisie Ondergrond is uitgebreid uiteen gezet hoe de provincie Drenthe aan ambities voor de ondergrond invulling gaat geven. Drenthe is ambitieus waar het WKO en geothermische energie betreft. Wij willen gemeenten uitdagen om op dit gebied ambities te vormen en achten het in dat kader gepast om voor deze thema's een verantwoordingsplicht in dit hoofdstuk neer te leggen. Onze Structuurvisie Ondergrond is terughoudend waar het opslag van allerhande afvalstoffen in de ondergrond betreft. In zijn algemeenheid wijst de provincie dit af en in het bijzonder geldt dit voor gevaarlijk en radioactief afval. Dat is in dit hoofdstuk opgenomen. Bij 'gevaarlijke afvalstoffen' gaat het om de stoffen die onder de in de Wet milieubeheer opgenomen definitie worden begrepen.

De provincie spant zich met gemeenten in om de emissie van CO2 te reduceren, duurzame energie te ontwikkelen en te besparen op het gebruik van fossiele brandstoffen. Met het oog op mogelijk toekomstig rijksbeleid inzake CO2-opslag in de diepe ondergrond op land heeft de provincie eveneens een duidelijk beleid. Dit is verwoord in motie M2010-40, bijlage VIII, van de Structuurvisie Ondergrond. Voorkeurskaart 3 uit de Structuurvisie Ondergrond dient in samenhang met deze motie te worden gezien voor wat betreft het onderdeel CO2-opslag. In het zesde lid van artikel 3.18 gaat het om ruimtelijke ontwikkelingen die de conventionele winning van olie en gas in de weg kunnen staan.

Achtergrond

De Omgevingsvisie Drenthe gaat slechts summier in op de provinciale ambities voor de ondergrond. Uit hoofdstuk 5 van de Omgevingsvisie blijkt wel de terughoudendheid bij opslag van afvalstoffen in de ondergrond. In de Structuurvisie Ondergrond 'Met Drenthe de diepte in' zijn deze beleidskeuzes voor de ondergrond alomvattend neergelegd. De ondergrond wordt daarbij onderscheiden naar de occupatielaag, contactlaag, de waterlaag en de diepe ondergrond. Het beleidsstuk richt zich op Warmte- en Koude Opslag (WKO), verband houdend met ruimtegebruik van de contactlaag en de waterlaag, en de diepe ondergrond (dat is vanaf 500 meter tot kilometers diep onder het aardoppervlak). Het provinciaal beleid voor de contactlaag en waterlaag is voor het overige in beleidsdocumenten als de Omgevingsvisie verwoord. De structuurvisie behelst de thema's:

  • -

    winning en opslag van energie via open of gesloten Warmte-Koude Opslag systemen (WKO);

  • -

    opslag van energie in de vorm van warmte in grondwater (Hoge Temperatuur Opslag (HTO));

  • -

    (verbeterde) winning van gas uit huidig producerende velden;

  • -

    nieuwe gaswinning uit een aantal nog te exploiteren kleine gasvelden;

  • -

    verbeterde oliewinning uit het veld Schoonebeek;

  • -

    winning van zout uit zoutkoepels;

  • -

    winning van geothermische energie in de vorm van elektriciteit en/ of warmte;

  • -

    strategische (= tijdelijke) opslag van aardgas en opslag van biogas of industriële gassen in lege gasreservoirs of zoutcavernes;

  • -

    (tijdelijke) opslag van energie in de vorm van perslucht of H2 (waterstof) in zoutcavernes;

  • -

    permanente opslag van vloeibare afvalstoffen in lege gasreservoirs;

  • -

    permanente opslag van gas (CO2) in ‘lege’ gasreservoirs of diepe zoutwaterlagen (aquifers).

De in de Structuurvisie Ondergrond gemaakte beleidskeuzes zijn bijzonder helder en voor elk van de deelonderwerpen in concrete opgaven vertaald. Een aantal van de in de Structuurvisie neergelegde keuzes heeft bovendien duidelijke ruimtelijke ordening componenten. Waar dit het geval is, zijn ze in dit hoofdstuk vertaald. Ook hier blijft dit hoofdstuk dus beleidsneutraal van aard.

Dit hoofdstuk blijft ook voor de ondergrond terughoudend in de wijze waarop regels aan ontwikkelingen worden gesteld. Een aantal thema's dat op zich ruimtelijk te vertalen is op dit moment daarom niet terug te vinden in dit hoofdstuk. Een en ander hangt ermee samen dat de provincie primair inzet op het 'zachte instrumentarium'. Een provinciaal belang is hier nadrukkelijk aanwezig zodat de provincie ter behartiging ervan eventueel op het verdere Wro-instrumentarium terugvalt.

Artikel 3.19 - 3.22 Agrarische bedrijvigheid

Regeling

Landbouw krijgt maximale speelruimte daar waar gebieden op Kaart D11a als “Landbouwgebied” zijn aangeduid. Bepaling 3.19 staat buiten kijf. Tegelijkertijd moet deze bepaling in redelijkheid gelezen worden. Bij elke ontwikkeling die een andere is dan landbouw kan een vorm van beperkend effect worden verondersteld. Het gaat hier om effecten die het huidige functioneren en de toekomstbestendigheid van landbouwbedrijven ter plaatse aantoonbaar aantasten.

Globaal gelden er in de landbouwgebieden de volgende regels met betrekking tot het bouwvlak:

  • a.

    In de gebieden “Bouwvlak grondgebonden agrarisch bedrijf” is een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare toegestaan. In afwijking hiervan is onder de voorwaarde van een goede landschappelijke inpassing (aangetoond met een   landschappelijk inpassingsplan) een groter bouwvlak toegestaan.

  • b.

    Voor intensieve veehouderij in geheel Drenthe is een maximaal bouwvlak van 1,5 hectare van toepassing. Ook hier kan een afwijking worden toegestaan maar dit is tot maximaal 2 hectare.

  • c.

    Voor grondgeboden agrarische bedrijven in andere gebieden dan bedoeld onder a gelden in de POV geen beperkingen met betrekking tot de maximale omvang van het bouwvlak.

Bepaling 3.21 over agrarische bedrijvigheid sluit nieuwvestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderij uit. Voor de vraag wanneer sprake is van omschakeling van neventak naar hoofdtak hanteren wij de SO benadering. Agrarische bedrijven die voor de inwerkingtreding van de omgevingsvisie d.w.z. het moment van het hanteren van de SO norm, al op basis van de SO norm een hoofdtak intensief hadden, kunnen in een ruimtelijk plan positief bestemd worden.

Het is belangrijk om te duiden dat het opstarten van een nieuwe intensieve neventak niet mogelijk is. Uitbreiding van een bestaande intensieve neventak is wel mogelijk. Wil sprake zijn van een neventak, dan blijft op basis van de SO norm de hoofdfunctie altijd bestaan uit grondgebonden agrarische bedrijvigheid. De definitie van een landschappelijk inpassingsplan vindt u in de begripsbepalingen. Deze kan niet slechts een vrijblijvend karakter hebben. Nieuwe glastuinbouw is beperkt mogelijk. 'Ondersteunend glas' is wel in principe toegestaan.

Wat betreft de landschappelijke inpassing zijn het eerste en tweede lid van artikel 3.20 van belang. Ruimtelijke kwaliteit vergt ruimte. Daarmee bedoelen we niet méér oppervlakte voor bebouwing, maar een benadering waarbij de gebouwen en de sleuf- en mestsilo’s en mestplaten in het belang van de bedrijfsvoering goed ten opzichte van elkaar worden gesitueerd en waarbij de erfbeplanting voor landschappelijke inpassing optimaal wordt aangelegd. Erfbeplanting hoort daarbij altijd op het bouwvlak zelf thuis, wat niet uitsluit dat buiten het bouwvlak eveneens groen kan worden aangelegd.

Een benadering die hieraan in ieder geval voldoet, staat beschreven in de brochures 'Boerderijen om trots op te zijn' (december 2011) en 'Boerderijen om trots op te zijn: deel 2' (februari 2014), die tot stand zijn gekomen tussen Natuur en Milieufederatie Drenthe en de LTO Noord. Centrale elementen van deze benadering vormen een gemeentelijke regierol (waarbij de gemeente wordt betrokken vanaf het eerste moment tot de planvorming), keukentafelgesprekken en het uitgaan van een agrarische bouwkavel in plaats van een bebouwingsvlak.

In het tweede lid van artikel 3.22 gaat het om het gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. In dit artikellid, onder a, wordt gerefereerd aan de hoofdfunctie. Daaronder vallen ook voorziene toekomstige ontwikkelingen. 'Niet milieubelastend' refereert aan de ruimtelijke impact. Activiteiten die vallen onder de categorieën 1 en 2 van de VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' vormen in ieder geval geen beletsel. Verkeersaantrekkende werking en buitenopslag spelen voor de ruimtelijke impact ook mee. Uitgangspunt is dat het gebruik niet met extra bebouwing gepaard gaat. Dit is echter niet in dit hoofdstuk neergelegd, omdat ruimte moet blijven voor lokaal maatwerk binnen de in het zesde lid van artikel 3.22 gestelde randvoorwaarden.

De ruimte-voor-ruimte regeling maakt het onder voorwaarden mogelijk dat twee compensatiewoningen mogen worden gebouwd als landschapsverstorende agrarische bedrijfsbebouwing wordt verwijderd in het landelijk gebied. Het gaat om de bebouwing die voor de vaststelling van de Omgevingsvisie (2 juni 2010) bestond. Minimaal 750 m2 aan agrarische bebouwing dient gesloopt te worden om voor de compensatieregeling in aanmerking te komen. Om maatwerk mogelijk te maken, is een beperkte afwijking toegestaan. Als uitgangspunt denken wij daarbij aan een afwijking van maximaal ongeveer 5%.

Voorts zijn er voorwaarden voor compensatiewoningen (artikel 3.23, tweede lid, onder e), waarvoor de verantwoordelijkheid primair ligt bij de gemeenten die ze gebiedsgericht moeten invullen. Het betreft de inpassing, omvang, inhoud en vormgeving van de compensatiewoning(en). Om tot een goede beoordeling te kunnen komen, zijn minimaal een landschappelijk inpassingsplan en een welstandsbeoordeling nodig. Voor het bepalen van de omvang en inhoud van de woning is ook van belang de omvang van de verwijderde opstallen. Hoe meer gesloopt wordt, hoe meer aanspraak een aanvrager in principe kan maken op een grotere compensatiewoning. Indien de landschappelijke inpassing op de voormalige bedrijfslocatie niet in voldoende mate mogelijk is, mag de woning elders worden gebouwd (bijvoorbeeld op een ander agrarisch perceel, een bouwlocatie in een lint of in een kleine kern). Hoe een gemeente wil omgaan met deze voorwaarden, kan deze zelf verder vormgeven.

De bouw van een compensatiewoning is in beginsel uitgesloten in natuurgebieden en beekdalen (kaart 1, Omgevingsvisie Drenthe), tenzij wezenlijke kenmerken of waarden niet significant worden aangetast (artikel 3.34, eerste lid) respectievelijk de beekdalfunctie in de toekomst niet wordt belemmerd (artikel 3.35, tweede lid, onder c). Dat kan soms het geval zijn, zoals in landbouwgebieden met een natuurdoelstelling (beheersgebieden). Bij deze beoordeling moet worden meegewogen of de bedrijfswoning blijft bestaan, want daarvoor geldt de Ruimte-voor-ruimte regeling niet.

Bij de toepassing van deze regeling moet rekening worden gehouden met de kernkwaliteiten, want artikel 3.7, eerste lid, is onverkort van toepassing. Of dat is gebeurd, zal blijken uit het ruimtelijk plan zoals dat primair aan de orde zal komen in het Relatiebeheer tussen gemeente en provincie.

Achtergrond

In de Omgevingsvisie (Hoofdstuk 6) wordt uitvoerig ingegaan op het beleid voor de Robuuste Landbouw. Hetgeen in dit hoofdstuk is opgenomen, vormt een doorvertaling van de beleidskeuzes. In de paragraaf zijn ook de locaties in Emmen (Klazienaveen, het Rundedal en Erica) voor concentratie van glastuinbouw benoemd.

Artikel 3.24 Woningbouw

Regeling

Met de bepalingen voor woningbouw wil de provincie garanderen dat gemeenten gelegen in eenzelfde woonregio hun plannen voor woningbouwontwikkeling op dit gebied onderling afstemmen en vervolgens met de provincie afspraken maken over onder andere de programmering. De basis daarvoor is de regionale woonvisie. Met 'afstemmen' wordt in principe overeenstemming bedoeld.

In de begripsbepalingen van dit hoofdstuk zijn de relevante definities terug te vinden over de regio's en inhoud van de regionale woonvisie. Afspraken in de regionale woonvisie hebben wel betrekking op uitbreidingslocaties en niet op het toevoegen van bebouwing aan het buitengebied. De afstemmingsbepalingen zijn per 1 juli 2012 in werking getreden. Aan gemeenten wordt de mogelijkheid gegeven om 'rood-voor-groen' en 'ruimte-voor-ruimte' regelingen te effectueren die buiten voornoemde afstemmingsplicht vallen.

Achtergrond

In de Omgevingsvisie (paragraaf 5.1.5) is de provinciale visie op het wonen uiteen gezet. In dit hoofdstuk is vooralsnog slechts het principe neergelegd dat de provincie geen bemoeienis heeft met het gemeentelijk woonplan zelf, maar wil sturen op de regionale afstemming in een woonregio. Bundeling- en doelgroepprincipes en kwantitatieve plafonds zijn in deze verordening evenmin vastgelegd. Voor de kwantitatieve plafonds zijn bestuurlijke afspraken leidend waarmee kan worden ingespeeld op wijzigende (markt)omstandigheden waardoor bijstelling van plafonds noodzakelijk is. Het ligt in de rede om in een cyclus van meerdere jaren programmeringsafspraken te evalueren op actualiteit en eventuele bijstelling. Eventueel worden voor hiervoor andere Wro-instrumenten gehanteerd.

Nieuwbouw binnen de kaders van de ruimte-voor-ruimte regeling en rood-voor-groen beleid valt buiten de provinciale woningbouwbepalingen. Voor deze verordening geldt het beleid zowel voor landgoederen als Rood-voor-groen beleid. Voornoemd beleid is geen zelfstandige grondslag voor een bouwvergunning/ omgevingsvergunning. De gemeente moet het vertalen naar eigen ruimtelijke plannen om er concreet gebruik van te kunnen maken.

Artikel 3.25 Bedrijvigheid

Regeling

Met de bepalingen voor bedrijvigheid wil de provincie garanderen dat gemeenten gelegen in eenzelfde stedelijk netwerk hun plannen voor regionale bedrijvigheid onderling afstemmen. Met 'afstemmen' wordt overeenstemming bedoeld. Om het voornoemde te concretiseren, zijn in de begripsbepalingen de relevante definities terug te vinden, zoals voor een regionale werklocatie. Deze afstemmingsbepalingen treden per 1 juli 2012 in werking. Dit laat overigens onverlet dat het beleid zoals neergelegd in de Omgevingsvisie onverkort van toepassing is. Zie ook de toelichting in titel 3.5. Naast bepalingen over de afstemming zijn bepalingen opgenomen die zien op lokale werklocaties, inpassing (of uitsluiting) van milieuhinderlijke bedrijvigheid, alsmede bepalingen die zien op de mogelijkheid bedrijven te vestigen of uit te breiden buiten bestaand gebied. Voor wat betreft de mogelijkheden tot vestiging en significante uitbreiding van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid is het beleid uit de Omgevingsvisie van toepassing. Op basis van dat beleid hebben GS regels geformuleerd waarbinnen bij uitzondering niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid kan worden toegestaan dan wel uitgebreid. Het beleid voor Agroparken valt vooralsnog nadrukkelijk buiten het gestelde in deze verordening.

In artikel 3.1 (lokale werklocatie) is aangegeven op welke wijze een lokale werklocatie dient te worden getypeerd. De genoemde elementen vormen geen harde sturingscriteria. Wel dient beleidsmatig te worden gewaarborgd dan wel te worden bespoedigd dat de ontwikkeling van een lokale werklocatie zoveel mogelijk aansluit bij deze typering. De verder gestelde randvoorwaarden dienen onvoorwaardelijk in acht te worden genomen en eventueel te worden geconcretiseerd binnen het desbetreffende ruimtelijke plan. Die randvoorwaarden geven op het niveau van het provinciaal belang een goede aanzet tot waarborging van de kenmerken 'kleinschalig en lokaal georiënteerd'. 'Kleinschaligheid en lokale oriëntatie' hangen vooral samen met de zwaarte van bedrijvigheid (in elk geval categorie 1 tot en met 3 van de VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' en op basis van gemotiveerd uitzonderingsbeleid is eventueel ook vestiging van categorie-4-bedrijven mogelijk) en de ruimtelijke impact ervan. 'Regionaal georiënteerd' is een bedrijf wanneer deze boven de criteria van een lokaal georiënteerd bedrijf uitstijgt. Het gaat hier niet om sociaaleconomische elementen die als sturingscriteria worden gebruikt, maar om criteria met betrekking tot de ruimtelijke impact, met name in termen van aard en omvang. Het gaat hier niet om bedrijven uit de agrarische sector, de sector recreatie en toerisme en functioneel aan het buitengebied verbonden bedrijven, zoals loonbedrijven en grondverzetbedrijven. Wat een 'zwaarwegend' argument is, valt op voorhand niet sluitend te duiden. De term geeft wel een duidelijke gradatie aan. Hetzelfde geldt de factor werkgelegenheid.

Achtergrond

In de Omgevingsvisie Drenthe ligt veel nadruk op de betekenis van bedrijvigheid voor de provincie Drenthe. Het is een kernwaarde, die even zwaar weegt als de kernkwaliteiten (paragraaf 2.3.2 Omgevingsvisie). Van provinciewege wordt, zo blijkt uit de Omgevingsvisie Drenthe, ingezet op een dynamische, vitale en zichzelf vernieuwende regionale economie. In paragraaf 4.1 van de Omgevingsvisie is dit doel uitgewerkt. Een robuust sociaaleconomisch systeem is het doel waarbij het onderscheid stedelijke en groene omgeving centraal staat.

Qua regulering van de bedrijfsmatige activiteiten in dit hoofdstuk zal de provincie zich terughoudend opstellen. De regels verankeren primair de afstemming tussen gemeenten over de regionale werklocatievisie. Het is denkbaar dat gemeenten onderling niet tot een vergelijk komen over afstemming van de visie. In dat geval zal de provincie met de desbetreffende gemeente overeenstemming moeten bereiken. Voor het handelen van Gedeputeerde Staten is het 'Convenant Bedrijventerreinen 2010-2020' verder uitgangspunt.

De provincie gaat er van uit dat gemeenten in ruimtelijke plannen de VNG uitgave 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' toepassen. Dat betekent overigens óók dat waar een bedrijf volgens die uitgave in een bepaalde categorie valt, doch de gemeente kan onderbouwen dat die feitelijk in een lagere categorie thuishoort, de gemeente van die lagere categorie mag uitgaan. De uitgave voorziet daarin.

Voor de volledigheid merken wij tot slot op dat onder 'weidewinkel' niet wordt verstaan verkoop bij de boer. Bij verkoop bij de boer moet het in hoofdzaak gaan om de verkoop van diens zelf geproduceerde producten.

Artikel 3.26 Mobiliteit

Regeling

Artikel 3.26 regelt een 'mobiliteitstoets'. Onder verkeersbewegingen die 'van wezenlijke invloed op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur' zijn wordt een zodanige toename van de verkeersintensiteit en/ of wijziging van de verkeerssamenstelling verstaan, dat zonder extra maatregelen of voorzieningen problemen kunnen optreden met betrekking tot de doorstroming, de (verkeers)veiligheid of de milieusituatie (luchtkwaliteit, geluidhinder). Het gaat dus om aanzienlijke verandering en niet om veranderingen die zonder problemen in de reguliere stroom van verkeersafwikkeling kunnen worden opgenomen.

Achtergrond

Wij beogen dat bedrijven en dienstverlening met omvangrijke goederenstromen of een grote verkeersaantrekkende werking terecht komen op plekken met goede verkeer en vervoersverbindingen van bij voorkeur verschillende modaliteiten. Arbeid- of bezoekersintensieve functies dienen bij voorkeur een plek te krijgen in de nabijheid van openbaar vervoerknooppunten met een goede ontsluiting.

Artikel 3.27 en 3.28 Verblijfsrecreatie

Regeling

Drenthe zet primair in op verbetering van de bestaande accommodaties. Nieuwvestiging is niet uitgesloten. Maar in principe staan wij deze niet toe  in kwetsbare gebieden. Hiertoe behoren Natuurnetwerk Nederland gebieden, Vogel- Habitatrichtlijngebieden, Natuurbeschermingswetgebieden en overige door de provincie aldus aangewezen gebieden. Bij het laatste gaat het in elk geval om Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten.

Artikel 3.27 staat onder voorwaarden toch nieuwe verblijfsreactie toe. Wij focussen hierbij op de kwaliteitsverbetering van het bestaande aanbod en op optimaal ruimtegebruik door bestaande ondernemers passend binnen de gewenste bedrijfsexploitatie.

Artikel 3.28 handelt over permanente bewoning van recreatieterreinen. Zoals aangegeven in de Omgevingsvisie zijn wij in beginsel tegen permanente bewoning van recreatieverblijven, omdat dit leidt tot ‘verstening’ van het landelijk gebied. Ook gaat het ten koste van de capaciteit van recreatieverblijven, waardoor elders in het landelijk gebied een nieuwe vraag naar recreatiewoningen ontstaat. Wij zijn daarom zeer terughoudend in het verlenen van  medewerking aan het legaliseren van permanente bewoning door gemeenten, waarbij de bestemming verblijfsrecreatie wordt omgezet in de bestemming wonen. Alleen in uitzonderlijke gevallen zijn we bereid deze medewerking te verlenen. Hierbij moet in ieder geval worden voldaan aan de voorwaarden die het Rijk in het Besluit omgevingsrecht (Bor) heeft opgenomen. Verder stellen wij als provincie de volgende  voorwaarden:

  • -

    De legalisatie heeft alleen betrekking op recreatiecomplexen en niet op losse    recreatieverblijven.

  • -

    Het recreatiecomplex sluit aan op een kernbebouwing.

  • -

    De legalisatie past binnen het integrale woonbeleid van de betreffende gemeente.

  • -

    De noodzakelijke integratie met de naastgelegen kern levert een duurzame ruimtelijke kwaliteitsslag op.

Daarnaast hebben Gedeputeerde Staten op grond van het tweede lid van 3.28 de bevoegdheid om ter uitvoering of afwijking van de voorwaarden genoemd in het eerste lid, onder b t/m e, nadere regels te stellen in situaties waarin een ruimtelijk plan van de gemeente voorziet in permanente bewoning van recreatiewoningen. Op deze wijze is het mogelijk dat goed onderbouwde en haalbare gemeentelijke ruimtelijke plannen voor permanente bewoning op een serieuze wijze zullen worden afgewogen.

Achtergrond

Verblijfsrecreatie is een drager voor de sociaaleconomische ontwikkeling van Drenthe. We zetten in op versterking, uitbreiding en vernieuwing van bestaande bedrijven in samenhang met de omgeving.

We zijn in principe geen voorstander van permanente bewoning van recreatieverblijven. Alleen onder strikte voorwaarden komt bestaande permanente bewoning van recreatieverblijven voor legalisering in aanmerking.

Gedeputeerde Staten zijn in gesprek over legalisering van de complexen Breistroeken in Nieuw-Balinge, Blanckenberg in Havelte en De Wiedelanden in Nijeveen.

Artikel 3.29 en 3.29a Windenergie

Regeling

Met de regeling uit het eerste lid wordt beoogd dat grootschalige windturbineparken daar tot stand komen waar ze zich het beste verhouden tot het bestaande landschap. De Omgevingsvisie Drenthe is hierover heel helder.

Artikel 3.29a handelt over de toelaatbaarheid van kleinere installaties. Kleine installaties zijn niet van provinciaal belang en de omgang ermee wordt overgelaten aan de gemeenten, met die aantekening dat deze landschappelijk goed moet worden ingepast. De omvang van de installaties in vergelijking tot de omringende bebouwing en begroeiing speelt daarbij een rol.

Achtergrond

Uit paragraaf 5.2 van de Omgevingsvisie Drenthe blijkt dat de provincie zwaar inzet op duurzame energievoorziening en CO2-reductie. De inpassing in het landschap van - zeker - windenergie vraagt om een zorgvuldige benadering. De provincie Drenthe heeft geschikte locaties in beeld gebracht en heeft deze op de 'Zoeklocatie grootschalige windenergie' vastgelegd. De realisering van een windturbinepark is gekoppeld aan heldere voorwaarden. Hoewel niet in regels te vervatten, zet de provincie Drenthe daarbij in op organisatievormen waarbij ook bewoners zijn betrokken. Binnen de landbouwsector kan windenergie een kansrijke tweede tak blijken.

Het Activiteitenbesluit (paragraaf 3.2.3) stelt verder eisen aan de komst van windturbines. Deze zien o.a. op (externe) veiligheid, (cumulatie van) geluidemissie, lichtschittering en slagschaduw.

Artikel 3.30 Zonne-akkers

Regeling

Vanuit het oogpunt van het stimuleren van een hogere productie van zonnestroom (zonnepanelen) en zonnewarmte (zonnecollectoren)in relatie tot het zuinig en doelmatig omgaan met het gebruik van de ruimte en daarmee met de kernkwaliteiten, is de “zonneladder” in de Omgevingsvisie geïntroduceerd. Met dit ruimtelijk kader voor de toepassing van zonne-energie (de “zonneladder”) wordt beoogt om bij deze ontwikkelingen de ruimtelijke kwaliteit te borgen. De “zonne-ladder” is voor de grondgebonden toepassing verder uitgewerkt in het door gedeputeerde staten vastgestelde “Beleidskader Zonne-akkers”.

Met betrekking tot de realisatie van zonne-akkers streven wij er naar dat zonne-akkers daar tot stand komen waar ze zich het beste verhouden tot het bestaande landschap en de omliggende energiebehoefte.

Met de realisatie van zonne-akkers worden de installaties aan het landschap toegevoegd. De locatie specifieke aspecten (waaronder de mate van openheid) en het omliggend gebied vormen de ruimtelijk-fysieke context voor een zonne-akker. Deze locatie specifieke aspecten dienen te worden betrokken bij het ontwerp voor de inrichting. De vorm, dichtheid en hoogte van de opstelling, de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik en aandacht voor het ontwerp van de randen vragen daarin specifieke aandacht.

Achtergrond

In de omgevingsvisie is opgenomen dat de provincie inzet op duurzame energievoorziening en Co2-reductie. De inpassing in het landschap van ruimtelijke ontwikkelingen behorende bij de energietransitie vraagt om een zorgvuldige benadering. De aanleg van grondgebonden zonne-installaties op maaiveld staan wij toe in bestaand stedelijk gebied. Gedacht kan worden aan bedrijventerreinen en woningbouwlocaties die op korte tot middellange termijn geen invulling zullen krijgen. Er gelden daarbij voorwaarden die zorgen voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing.

Voor realisatie van zonne-akkers in het buitengebied zetten in op twee typen van initiatieven voor zonne-akkers:

  • 1.

    breed maatschappelijk gedragen (veelal lokale) initiatieven in de vorm van relatief kleinschalige akkers op of aan de randen van woon- of (afronding van) werklocaties. Het gaat hierbij om maatschappelijke initiatieven die zowel inhaken op het “nieuwe” naoberschap, menselijke maat en kleinschaligheid. Daarnaast moet het initiatief in balans zijn met de lokale energiebehoefte. Dergelijke initiatieven kunnen verspreid in Drenthe ontstaan;

  • 2.

    een initiatief dat een iconische uitstraling heeft door de ligging en de vorm of het ontwerp en een voorbeelduitwerking uitstraalt voor de realisatie van duurzame energie. Bij dergelijke initiatieven draagt het produceren van zonnestroom bij aan het vergroenen van het imago van een functie, gebied of sector. Drenthe heeft potentie om voor enkele locaties een dergelijke statement te maken. Gedacht wordt aan goed zichtbare en beeldbepalende locaties.

Artikel 3.31 Radioastronomie

Regeling

Met de bepalingen voor de radioastronomie wil de provincie garanderen dat de radioastronomie zich kan blijven ontwikkelen en dat verstoring van activiteiten die daarmee samenhangen wordt voorkomen. Om dat te bewerkstelligen, liggen er beschermingszones rondom de radiotelescoop in Dwingeloo en Hooghalen en de LOFAR-radiotelescoop in Oost-Drenthe, waar beperkingen gelden inzake de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden ter voorkoming van elektromagnetische straling.

Een kernbegrip hierbij is het begrip 'verstoring'. Elektrische en elektronische apparatuur zendt, onbedoeld, radiogolven uit en kan ASTRON systemen storen. Deze soort storing valt in de categorie Elektro-Magnetische Compatibiliteit (EMC). Ook al voldoet de apparatuur aan de geldende EMC emissie normen, toch kunnen ze zwakke signalen uit het heelal storen. Echter, voor dit soort zwakke signalen heeft LOFAR nu juist zijn grote gevoeligheid gekregen. Deze zeer zwakke signalen uit het heelal worden dan als het ware overstemd door de, op aarde geaccepteerde, signalen. Vanwege genoemd effect is er een veilige minimum afstand nodig radiogolven uitzendende apparatuur en LOFAR.

De mate van verstoring is dus gekoppeld aan electromagnetische straling van een bron. Er is sprake van twee zones met elk een verschillend beschermingsniveau.

In Zone I, de 'storingsvrije zone', wordt, buiten de verharde wegen Eursinge-Lhee en Hooghalen-Amen, slechts bij uitzondering gemotoriseerd verkeer en activiteiten die elektromagnetische straling opwekken toegelaten. Noodzakelijk landbouwverkeer wordt daartoe gerekend.

Zone II geldt als 'overlegzone'. In principe geldt daar eveneens het uitgangspunt dat elektromagnetische straling die de waarneming middels de radiotelescopen verstoord, moet worden voorkomen. Er kan natuurlijk onduidelijkheid bestaan over de vraag wanneer van dergelijke verstoring sprake is. Wij verwachten daarom dat wanneer een ruimtelijk plan binnen deze zone voorziet in nieuwe bebouwings- of gebruiksmogelijkheden, er in een vroeg stadium overleg wordt gepleegd met het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie (ASTRON) om hierover helderheid te verkrijgen en te bezien op welke wijze de ontwikkeling kan worden ingepast.

Een ruimtelijk plan dat een gebied bestrijkt dat valt binnen zone I en II van de radiotelescoop of LOFAR, dient te worden voorzien van een advies van ASTRON. Dit geldt eveneens voor ruimtelijke plannen die voorzien in ontwikkelingen binnen een straal van twee kilometer rondom een LOFAR-buitenstation.

Achtergrond

In de Omgevingsvisie Drenthe is aangegeven dat veel waarde wordt gehecht aan de ontwikkeling van de radioastronomie in Drenthe. De economische spin-off van de radioastronomie voor de economie van Drenthe is groot. Wij willen de ontwikkelingen die daarmee samenhangen dan ook volop de ruimte geven en verstoringen van waarnemingen voorkomen. De bepalingen opgenomen in dit hoofdstuk moeten dat bewerkstelligen. In paragraaf 5.1.4 van de Omgevingsvisie Drenthe is de provinciale visie hieromtrent uitgewerkt. Deze visie en de bepalingen in dit hoofdstuk waarborgen consistentie van het beleid omtrent de radioastronomie.

Artikel 3.32 en 3.33 Nationaal Landschap Drentsche Aa

Regeling

Het gehele stroomgebied van de Drentsche Aa is als Nationaal Landschap aangewezen, inclusief het Groningse deel in de gemeente Haren. De Drentse begrenzing (artikel 3.32) sluit op de Groningse aan. Doel van een Nationaal Landschap is de kwaliteiten te behouden, duurzaam te beheren en te versterken. Uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid is behoud door ontwikkeling. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, mits de kwaliteiten worden behouden of versterkt. Het is verder belangrijk om de verhouding van deze bepaling tot het gestelde in Titel 3.2 Ruimtelijke Kwaliteit te verhelderen. Die bepalingen zijn immers onverkort van toepassing op Titel 3.3 (artikel 3.17, eerste lid). Het gebied kenmerkt zich bovendien door aanwezigheid van veelal zeer waardevolle kernkwaliteiten. Dit kan voor regelgeving met betrekking tot het Nationaal Landschap Drentsche Aa tot verwarring leiden. De bepalingen voor Nationaal Landschap Drentsche Aa gelden bovenop de bepalingen uit Titel 3.2 en hebben - bij strijdigheid - voorrang daarop. Nationaal Landschap Drentsche Aa en Natuurnetwerk Nederland vallen ook deels samen. Beide bepalingen gelden in dat gebied.

De voornaamste kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa zijn uitgewerkt in de Landschapsvisie Drentsche Aa. Daarenboven hechten wij eraan de cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden van het gebied te benadrukken. Dit Nationaal Landschap is een gebied met een grote cultuurhistorische tijddiepte, zoals ook blijkt uit de kaart Kernkwaliteiten. De beekdalen zelf kenmerken zich door, met vaak door wallen en singels omzoomde, weiden en hooilanden. Op de hogere gronden bevinden zich de essen en dorpen, omgeven door grotere ontginningen en de vroegere woeste gronden in de vorm van bossen en heides. De agrarische geschiedenis is goed te herkennen in dit landschap door de samenhang tussen verschillende elementen. Zeer bijzonder zijn de opvallend lineair gegroepeerde grafheuvels langs prehistorische wegen.

In artikel 3.33, tweede lid, wordt gerefereerd aan een 'groot maatschappelijk belang'. Hiertoe wordt in elk geval gerekend: de veiligheid, de drinkwatervoorziening, de plaatsing van installaties voor de winning, opslag of transport van aardgas of de plaatsing van installaties voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie. Dit laatste is op grond van het provinciaal beleid voor windturbines overigens niet mogelijk. Een 'openbaar' belang betreft een minder brede afbakening dan wanneer gesproken zou zijn over bijvoorbeeld een 'maatschappelijk' belang. Het eveneens genoemde compensatiebeginsel is opgenomen in paragraaf 10.3 van de Omgevingsvisie Drenthe. Compensatie moet bij vaststelling van een ruimtelijk plan 'hard' worden geregeld. Vast moet staan dat deze daadwerkelijk uitgevoerd wordt.

Achtergrond

Sinds de vaststelling van de Nota Ruimte door de Eerste Kamer op 17 januari 2006 is de Drentsche Aa officieel een Nationaal Landschap.

Op verzoek van het rijk hebben Gedeputeerde Staten het Uitvoeringsprogramma Nationaal Landschap Drentsche op 12 juni 2007 vastgesteld. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Drentsche Aa zijn vanuit het Beheer-, Inrichtings- en Ontwikkelingsplanplan (BIO-plan) uitgewerkt in de Landschapsvisie Drentsche Aa voor het gehele stroomgebied. Het BIO-plan blijkt in combinatie met de landschapsvisie in de praktijk een goed kader te bieden voor beoordeling van activiteiten in het gehele Drentsche Aa-gebied. Door ook de 'Integrale Kansenkaart' en het 'Plan van Aanpak Levend Bezoekersnetwerk' te gebruiken is in het Uitvoeringsprogramma de totale visie op het Drentsche Aa-gebied uitgewerkt. Genoemde plannen vormen het fundament voor uitvoering en beoordeling van plannen in het nationaal landschap en passen binnen de beleidsmatige kaders.

Als basisfilosofie geldt 'kwaliteit in ontwerp'. Een ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie. In de aanloop naar de oprichting van het nationaal beek- en esdorpenlandschap is als een van de uitgangspunten een basisfilosofie ontwikkeld, die er op neer komt dat het behoud van het gebied gebaat is bij een verdere ontwikkeling in plaats van conservering. Het bestaande landschap is in deze filosofie het vertrekpunt voor het nieuwe. Ontwikkelingen zijn toegestaan en zelfs gewenst, maar moeten in het verlengde liggen van de ontstaansgeschiedenis en de onderliggende structuren. De kenmerken van het landschap worden versterkt in plaats van afgevlakt door een vermenging met oneigenlijke elementen. Wij verwachten ook van gemeenten dat ze opkomen voor de doelen die voor het gebied zijn gesteld. De voorliggende bepalingen kunnen daaraan bijdragen.

Artikel 3.34 en 3.35 Natuurnetwerk Nederland

Regeling

Qua opzet van het artikel voor het Natuurnetwerk Nederland is gekozen voor een systeem van bepalingen met motiveringsvereisten. Dat biedt betere mogelijkheden voor 'maatwerk', hetgeen in het Natuurnetwerk Nederland (ook wel: Natuurnetwerk Nederland) van essentieel belang moet worden geacht. Inherent hieraan is dat de betrokkenheid van de provincie bij bescherming en realisering van het Natuurnetwerk Nederland in het ruimtelijk spoor niet eindigt met vaststelling van dit hoofdstuk van de verordening, maar een vervolg krijgt in de praktijk.

Het is belangrijk om de verhouding duidelijk te maken tot het gestelde in Titel 3.2 (Ruimtelijke Kwaliteit). De bepalingen uit Titel 3.2 zijn immers onverkort van toepassing op Titel 3.3 (artikel 3.17, eerste lid). Dit kan voor wat betreft het Natuurnetwerk Nederland tot verwarring leiden. het Natuurnetwerk Nederland-gebieden maken immers ook onderdeel uit van de kernkwaliteiten. De bepalingen voor het Natuurnetwerk Nederland gelden bovenop de bepalingen uit Titel 3.2 en hebben - bij strijdigheid - voorrang daarop. Natuurnetwerk Nederland en Nationaal Landschap Drentsche Aa vallen ook deels samen. Beide bepalingen gelden in die situatie.

De begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland is vastgelegd via artikel 3.34, eerste lid. De provincie Drenthe heeft een actuele Omgevingsvisie met als beleidsdoel een 'Robuust Natuursysteem en een bijbehorende kaart (kaart 5 van de Omgevingsvisie; “Robuust natuursysteem”) met globale gebiedsaanduiding. Deze kaart voldoet niet aan de wettelijk vereiste 'geometrische bepaalbaarheid'. In dit hoofdstuk wordt uitgegaan van begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland zoals is vastgesteld in artikel 3.34, eerste lid en op de kaart 'Natuurnetwerk Nederland Concretisering' is aangegeven met de aanduiding 'Provinciale Natuurnetwerk Nederland'.

In de POV is niet aangegeven op welke wijze de provincie de verwerving van gronden die noodzakelijk zijn om aan de landelijke doelstellingen te voldoen vorm geeft. In het eerste lid van artikel 3.34 is weliswaar sprake van het instrument “onteigening” maar wordt niet aangegeven onder welke omstandigheden de provincie dit instrument eventueel zou kunnen inzetten. Wel is hier aangegeven dat de gemeente de verplichting heeft om in een ruimtelijk plan waarin deze gronden (het Natuurnetwerk Nederland) zijn opgenomen, een wijzigingsbevoegdheid moet opnemen waardoor het eenvoudig wordt om een bestemming te kunnen wijzigen in een natuur- of bosbestemming op het moment dat de provincie voor deze gronden een onteigeningsprocedure heeft gestart.

De provincie Drenthe streeft er naar om verwerving in principe via vrijwillige/minnelijke verwerving te doen plaatsvinden. Indien nut en noodzaak aantoonbaar zijn, zal echter  van het onteigeningsinstrument gebruik gemaakt worden.

Het bestaand instrumentarium en de gebiedsprocessen  boden en bieden over het algemeen voldoende mogelijkheden om gronden op vrijwillige basis te verwerven c.q. veilig te stellen voor de gestelde natuurdoelen. Voor de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland / het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt het onteigeningsinstrument dan ook terughoudend ingezet. Het inzetten van het instrument onteigening kan noodzakelijk zijn om aan de verplichting tot het realiseren van herstelmaatregelen in het kader van het landelijke PAS programma te voldoen.  Een en ander houdt ermee verband dat de realisatie van de PAS herstelmaatregelen conform de daarvoor opgestelde planning (die telkens ziet op een periode van zes jaren) juridisch nauw sluit, aangezien deze herstelmaatregelen mede de uitgifte van vergunningen voor economische ontwikkelingen legitimeren. Daarnaast kan in het geval er bijvoorbeeld sprake is van subsidie- of financieringsmodaliteiten die gebonden zijn aan tijdslimieten of er sprake is van “laatste kavel problematiek” die tot aantoonbare inefficiëntie bij inrichting en beheer  leiden , het onteigeningsinstrument worden ingezet. 

Naarmate de deadline van 2027 nadert, het jaar waarin het NNN, conform de afspraken met het rijk, gereed dient te zijn, zal de provincie Drenthe onderzoeken in hoeverre zwaardere verwervingsinstrumenten, zoals het voorkeursrecht en onteigening, nuttig en noodzakelijk zijn, teneinde de beoogde ambities op tijd te kunnen realiseren.

Binnen het Natuurnetwerk Nederland-begrenzing vallen gronden die praktisch als, bijvoorbeeld, landbouwgebied in gebruik zijn. Dit feit creëert voor de praktijk geen extra belemmeringen. Landbouwgrond binnen het Natuurnetwerk Nederland kan aldus gebruikt blijven worden. De in het in het Natuurbeheerplan ('Beheertypekaart') voor deze gebieden gestelde natuurdoelen sluiten ook grotendeels bij het agrarische gebruik aan. Voor het overige deel geldt dat het geformuleerde natuurdoel agrarisch gebruik niet uitsluit. Als op grond van dit hoofdstuk aan 'wezenlijke kenmerken en waarden' moet worden getoetst, ontstaan voor bijvoorbeeld agrarisch gebruik dus geen nieuwe beperkingen, tenzij dat gebruik al in strijd is met bestaande bestemmingsplannen. Een en ander kan veranderen als een natuurbeherende instantie de gronden verwerft of de gronden onder particulier natuurbeheer komen te vallen. Praktische afspraken over het beheer blijven Gedeputeerde Staten via subsidiebeschikkingen met gebruikers maken.

Het derde lid van artikel 3.34 maakt het mogelijk de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland te wijzigen. Het vaststellen van de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland is, gelet op de betrokken belangen en (rechts)gevolgen, primair de bevoegdheid van Provinciale Staten. Om praktische redenen is aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid gegeven om de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland te wijzigen. Gedeputeerde Staten zullen deze bevoegdheid binnen het door Provinciale Staten vastgestelde beleid voor realisering van het Natuurnetwerk Nederland gebruiken. Wijziging van de begrenzing anders dan daar waar op de kaart 'Natuurnetwerk Nederland Concretisering' gebieden als Zoekgebied 'Ecologische Verbindingszone' en 'Robuuste Verbinding' zijn aangeduid, geschiedt alleen om het Natuurnetwerk Nederland beter af te ronden. Dit laatste betreft in principe relatief beperkte aanpassingen van de kaart.

Gedeputeerde Staten achten zich bij herbegrenzing verder gebonden aan de opgave voor realisering van het Natuurnetwerk Nederland. Meer specifiek gaat het om de met het Rijk afgesloten bestuursovereenkomst ILG 2007-2013 voor realisering van het Natuurnetwerk Nederland.

Artikel 3.35, eerste lid, bevat de basisbepaling voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Nieuwe activiteiten zijn niet toegestaan voor zover deze de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland significant schaden. Op voorhand is niet uitputtend aan te geven wanneer sprake is van een 'significante' invloed. Dit is afhankelijk van het soort bedrijvigheid waar het om gaat, de plek in het Natuurnetwerk Nederland en de natuurwaarden ter plaatse. Het Rijk heeft voorbeelden opgesomd van ruimtelijke initiatieven die significante gevolgen kunnen hebben:

  • -

    aanleg van nieuwe en uitbreiding van bestaande woningbouw;

  • -

    aanleg van nieuwe infrastructuur of uitbreiding van bestaande infrastructuur;

  • -

    vestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven;

  • -

    nieuwe voorzieningen voor en omvangrijke uitbreiding van permanente verblijfsrecreatie;

  • -

    ontgrondingen ten behoeve van oppervlaktedelfstofwinning;

  • -

    aanleg en bouw van afvalstort;

  • -

    bouw of uitbreiding van drijvende objecten;

  • -

    opstelling van windturbines;

  • -

    nieuwvestiging of toevoeging van recreatieverblijven.

De beoordeling over 'significantie' moet van geval tot geval worden gemaakt. Wanneer beoordeling van een voorgenomen ingreep leidt tot de conclusie dat deze significante negatieve effecten heeft, maar tóch doorgang moet vinden, is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor realisatie van maatregelen om de nadelige effecten weg te nemen of te ondervangen, en waar dit niet volstaat, de dan nog resterende effecten te compenseren. Per saldo moet het Natuurnetwerk Nederland er beter van worden.

Artikel 3.35, eerste lid, is op gronden die als Zoekgebied 'Ecologische Verbindingszone' en 'Robuuste Verbinding' zijn aangeduid niet van toepassing. Deze gronden vallen (nog) buiten het Natuurnetwerk Nederland-begrenzing. Dat zal in de toekomst deels met vastgestelde plannen voor invulling van de verbindingen - deels echter wel zo zijn. Wij verwachten dat gemeenten deze wetenschap bij hun ruimtelijke planontwikkeling betrekken en daaraan zo nodig consequenties verbinden. Waar in de genoemde gebieden plannen ontstaan die uitvoering van het Natuurnetwerk Nederland beleid onmogelijk maken, kan de provincie zijn overige Wro-instrumentarium aanspreken. Hetzelfde geldt wanneer in gebieden rondom het Natuurnetwerk Nederland ruimtelijke plannen ontstaan die een significant negatieve invloed op het als Natuurnetwerk Nederland begrensde gebied hebben.

In artikel 3.35, eerste lid, wordt gerefereerd aan een 'groot maatschappelijk belang'. Hiertoe wordt in elk geval gerekend: de veiligheid, de drinkwatervoorziening, de plaatsing van installaties voor de winning, opslag of transport van aardgas of de plaatsing van installaties voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie. Dit laatste is op grond van het provinciaal beleid voor windturbines overigens niet mogelijk. Een 'openbaar' belang betreft een minder brede afbakening dan wanneer gesproken zou zijn over bijvoorbeeld een 'maatschappelijk' belang. Het eveneens genoemde compensatiebeginsel is in paragraaf 10.3 van de Omgevingsvisie Drenthe verwoord.

De regeling voor compensatie binnen het Natuurnetwerk Nederland is nadrukkelijk bedoeld voor gronden die nog geen natuurbestemming hebben en waarin ook niet is voorzien dat deze omgezet zullen worden naar een natuurbestemming. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan over recreatieterreinen, landbouwgronden en parkeerplaatsen. Per saldo levert dit meer gronden met een natuurbestemming op. Dit heeft als voordeel dat er een versnelde realisatie van het Natuurnetwerk Nederland plaats vindt en andere gronden omgezet kunnen worden naar natuur. Deze werkwijze wordt overigens door de meeste provincies toegepast en is in lijn met de uitgangspunten van het Barro.

Achtergrond

In het Barro is bepaald dat de provincie regels moet stellen voor het Natuurnetwerk Nederland (titel 2.10). Datgene wat hierover in dit hoofdstuk is neergelegd, is gebaseerd op het Barro. Zoals mede blijkt uit de bepalingen, acht de provincie zich bij het ontwikkelen van het Natuurnetwerk Nederland tevens gebonden aan de 'Spelregels Natuurnetwerk Nederland', zoals door de provincies en het Rijk gezamenlijk zijn overeengekomen. Deze spelregels, de doelen en Natuurnetwerk Nederland-gebieden zijn door Gedeputeerde Staten vastgelegd in een beleidsregel die per 11 december 2007 in werking is getreden. Gedeputeerde Staten blijven deze beleidsregel hanteren.

Hoofdstuk 7 van de Omgevingsvisie handelt over ontwikkeling van robuuste natuur. Uiteindelijk doel voor dit thema is om gebieden met een bijzondere natuurkwaliteit onderling te verbinden tot een Natuurnetwerk Nederland en zo biodiversiteit te behouden en waar mogelijk te herstellen.

Voor de ruimtelijke begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland zijn als uitgangspunten gehanteerd samenhang, ecologisch belang en milieukwaliteit. Het streven in onze provincie voor de langere termijn is om het Natuurnetwerk Nederland voldoende robuust te maken. Bij de Omgevingsvisie is daartoe kaart 4 'Robuuste Natuurnetwerk Nederland 2020/2040' gevoegd. Het Barro vereist dat het Natuurnetwerk Nederland begrenzing 'geometrisch bepaalbaar' is. Daarvoor moet een meer gedetailleerde kaart bij deze verordening worden gevoegd.

De provincie Drenthe hanteert de kaart 'Natuurnetwerk Nederland Concretisering'. Deze kaart betreft een geactualiseerde versie van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde beleidsregel waarin de kaart Natuurnetwerk Nederland is opgenomen. De bij deze verordening gevoegde kaart correspondeert dus met de regeling die het Barro vereist. Niet alle gebieden die op termijn tot het Natuurnetwerk Nederland gaan behoren vallen op dit moment daardoor binnen het Natuurnetwerk Nederland-begrenzing. Actualisering van de kaart vindt jaarlijks plaats.

Dit hoofdstuk richt zich op de ruimtelijke bescherming van met name bestaande natuur en gerealiseerde nieuwe natuur. Voor deze categorieën geldt een stringent beschermingsregime en zijn ontwikkelingen alleen toegestaan door maatwerkbepalingen. Ontwikkelingen in nieuw te ontwikkelen natuur, beheers- en zoekgebied blijven mogelijk, voor zover deze geen onomkeerbare (negatieve) of anderszins significante effecten op ons beleid voor het Natuurnetwerk Nederland hebben. Niet alleen het behouden, herstellen en beschermen van bestaande waarden in het Natuurnetwerk Nederland is belangrijk: er moet ook ruimte zijn voor ontwikkelingen, omdat juist daarmee ook kansen ontstaan voor realisering en versterking van het Natuurnetwerk Nederland. Hiertoe zijn bij de Nota Ruimte de meerdere instrumenten ontwikkeld. De provincie Drenthe hanteert deze dienovereenkomstig. Het betreft:

  • -

    mitigeren en compenseren;

  • -

    herbegrenzen;

  • -

    salderen.

Voor al deze zaken geldt dat bij vaststelling van een ruimtelijk plan 'hard' geregeld moet zijn dat deze daadwerkelijk uitgevoerd worden.

Artikel 3.36 Water

Regeling

Het eerste en tweede lid van artikel 3.36 geven bescherming aan belangrijke beekdalen. Kapitaalintensieve functies worden daar geweerd. Daarbij gaat het om woon- en werkgebieden en kapitaalintensieve vormen van agrarisch grondgebruik, zoals glastuinbouw, intensieve veehouderijen en kwekerijen. Uitzonderingen op het vrijwaren van het gebied van kapitaalintensieve functies kunnen gemaakt worden in geval van zwaarwegende maatschappelijke belangen en een drietal andere voorwaarden. Op voorhand is niet te benoemen of sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang. De definitie beperkt zich niet tot veiligheids- en gezondheidsafwegingen.

Dit hoofdstuk van de verordening dwingt via het derde lid van artikel 3.36, voor zover nodig, ruimtelijke bescherming van waterbergingsgebieden af. In de praktijk betekent dit dat een zogenaamde dubbelbestemming moet worden gehanteerd. Andere functies dan waterberging kunnen dan worden toegekend en uitgeoefend als deze aan het gebruik van het gebied voor waterberging niet in de weg staan.

Ruimtelijke bescherming van het functioneren van een grondwaterwingebied (artikel 3.36, vierde lid) maakt minimaal het overnemen van de begrenzing van deze bescherming in het betreffende ruimtelijk plan nodig. Meer specifiek gaat het om gebieden die in Hoofdstuk 7 van deze verordening zijn aangewezen als Waterwingebied, Grondwaterbeschermingsgebied, Verbodszones diepe boringen en Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa en als zodanig op de bij deze verordening behorende kaart zijn aangeduid. Wij verwachten van gemeenten dat ze in een ruimtelijk plan aangeven in hoeverre het plan bijdraagt aan de provinciale beleidsdoelen voor grondwaterbeschermingsgebieden.

Aan de ontwikkeling van een grondgebonden landbouwbedrijf (zonder kapitaalintensieve tweede tak) worden geen beperkingen opgelegd. Ook kunnen nieuwe grondgebonden landbouwbedrijven opgericht worden, waarbij het voor de hand ligt niet in de laagste delen van het beekdal te bouwen en bij de hoogteligging van de bedrijfsgebouwen rekening te houden met mogelijke wateroverlast. Het waterschap heeft hierin een adviserende rol.

Achtergrond

De provincie streeft naar een robuust watersysteem dat voldoende schoon grond- en oppervlaktewater biedt voor waterafhankelijke functies. Het watersysteem moet in staat zijn om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen, waardoor wateroverlast en watertekort tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Ook moet het watersysteem voldoen aan de kwaliteitseisen die voortvloeien uit de Europese Kaderrichtlijn water (KRW). Onderdelen van ons waterbeleid lenen zich voor dit hoofdstuk van deze verordening. Het gaat dan om bescherming van de beekdalen ('Nee tenzij beleid'), het afdwingen van bescherming voor waterbergingsgebieden en bescherming van grondwaterwinningsgebieden. In hoofdstuk 4.3.2 en hoofdstuk 6 van de Omgevingsvisie wordt ingegaan op de provinciale beleidsvoornemens op dit vlak.

Artikel 3.37 Provinciale wegen

Voor de op kaart A aangegeven provinciale wegen is de provincie wegbeheerder. Dit betekent dat de provincie, zowel bestuurlijk als financieel, verantwoordelijk is voor het onderhoud van de weg alsmede voor het aanbrengen van voorzieningen. Het kan hier bijvoorbeeld betreffen geluidreducerende maatregelen of maatregelen in het kader van de Flora- of faunawetgeving. Tevens valt hier te denken aan toekomstige aanpassingen van deze wegen in het kader van kwaliteitsverbetering of gewenste toekomstige doorstroming en verkeersafwikkeling. Gelet op deze belangen wil de provincie graag zicht houden op de (planologische) ontwikkelingen in de directe nabijheid van deze wegen. Op deze wijze kan worden voorkomen dat de provincie te maken krijgt met onvoorziene planologische ontwikkelingen rondom deze wegen die de uitvoering van gewenste maatregelen belemmeren dan wel extra kosten tot gevolg hebben.

Titel 3.4 Tegemoetkoming in schade

De provincie Drenthe kan gebruikmaken van het instrument inpassingsplan (3.26 Wro), projectbesluit (3.27 Wro) en artikel 3.41 Wro. Dergelijke besluiten kunnen volgens artikel 6.6 Wro leiden tot verzoeken om tegemoetkoming in schade zoals bedoeld in afdeling 6.1 Wet ruimtelijke ordening.

Als het tot dergelijke aanvragen komt, dient de provincie te beschikken over regels die werkwijze en afhandeling van zo'n verzoek conform wettelijke vereisten bewerkstelligen. Titel 3.4 voorziet in die bepalingen. De Titel is opgezet conform gebruiken die in den lande voor wat betreft afhandeling om verzoeken tot tegemoetkoming in schade gebruikelijk zijn.

In afdeling 6.1 Wro is bepaald dat degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een provinciaal inpassingsplan, projectbesluit of door toepassing van artikel 3.41 Wro om een tegemoetkoming in die schade kan vragen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. Een verzoek om tegemoetkoming in schade moet worden ingediend bij en wordt afgedaan door Gedeputeerde Staten (artikel 6.6, juncto artikel 6.1 Wro).

Titel 3.5 Slotbepalingen

Voor het functioneren van dit hoofdstuk zijn enige afrondende bepalingen nodig.

Inwerkingtreding van dit hoofdstuk gebeurt voor twee bepalingen met vertraging. Dit heeft ermee te maken dat gemeenten tijd nodig hebben om aan de voor woningbouw en realisering van regionale werklocaties vereiste regionale afstemming invulling te geven. Tot dat moment blijft het mogelijk om geldende, met de provincie afgestemde, woonplannen en werklocatievisies plannen uit te voeren, tenzij duidelijk is dat een plan binnen een regio bestuurlijke discussie kan opleveren. Een en ander laat onverlet dat het provinciaal beleid op dit punt met vaststelling van de Omgevingsvisie in werking is getreden en in materiële zin dus van toepassing is.

Artikel 3.41 voorziet in overgangsrecht voor bestaande ruimtelijke plannen.

Artikel 3.42 geeft gemeenten een (zeer ruime) aanpassingstermijn waarbinnen ze hun bestemmingsplannen moeten aanpassen aan de voorliggende verordening. Het komt erop neer dat aangesloten wordt bij het verplichte herzieningsritme van 10 jaar dat voor bestemmingsplannen geldt. De provincie vindt het niet reëel en ook niet gewenst om gemeenten, bovenop de actualiseringsslag die al gaande is, nóg een actualisatieplicht op te leggen.

Wij realiseren ons dat daar waar geldende bestemmingsplannen bij recht ontwikkelingen toestaan die zich negatief verhouden tot onze Omgevingsvisie, deze door de ruime aanpassingstermijn buiten de beïnvloedingssfeer van de provincie vallen. Zodra een ontheffingsmogelijkheid of andere weigeringsgrond in het spel is, verwachten wij dat ons provinciaal beleid in een afweging daarbij wordt meegenomen. Zo nodig zal de provincie daartoe andere Wro-instrumenten inzetten.

Hoofdstuk 4 Natuurbescherming

Titel 4.1, Algemeen

Artikel 4.1, Begripsbepalingen

In dit artikel worden de in dit hoofdstuk gebruikte begrippen toegelicht.

Titel 4.2, Gebiedsbescherming

Artikel 4.2, Vrijstelling vergunningplicht

Inleiding

Op grond van artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming wordt in de voorliggende verordening opgenomen dat de vergunningplicht als voorzien in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming niet van toepassing is op het weiden van vee en het gebruik van meststoffen. Omdat het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 waarin deze vrijstelling was verleend per 1 januari 2017 vervalt en de bevoegdheid overgaat naar Provinciale Staten wordt de vrijstelling op deze wijze beleidsarm voortgezet.

Achtergrond

Artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming verbiedt om zonder vergunning handelingen te verrichten of projecten te realiseren die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Artikel 2.9, vierde lid, van de Wet natuurbescherming bepaalt dat de aanwijzing van categorieën van projecten of andere handelingen alleen kan plaatsvinden als ten aanzien van projecten op voorhand kan worden uitgesloten dat er sprake zal zijn van aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied (onderdeel a), of – indien het andere handelingen betreft – op voorhand rekening is gehouden met de gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Aan deze aanwijzing kan als voorwaarde worden verbonden dat aan nader gestelde regels wordt voldaan (artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming).

Op grond van de toenmalige Natuurbeschermingswet 1998 was het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen op grond van artikel 3a van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 vrijgesteld van de vergunningplicht als voorzien in artikel 19d van die Wet natuurbescherming. Artikel 19d is de voorganger van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. De aanwijzing van het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen in artikel 4.2 van de POV leidt er in samenhang met artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming toe dat de eerdere vrijstelling wordt gecontinueerd. De aanwijzing in artikel 4.2 van de POV ziet op het weiden van alle soorten vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen, te weten: dierlijke meststoffen, overige organische meststoffen en kunstmest. Bij het gebruik van meststoffen gaat het, overeenkomstig de begripsomschrijving in artikel 1 van het Besluit gebruik meststoffen, om het op of in de bodem brengen van meststoffen.

Zoals in de nota van toelichting bij de wijziging van het toenmalige Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 uitvoerig is onderbouwd, waar voor de motivering naar wordt verwezen 1), leidt de vrijstelling voor het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen niet tot negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Zoals in de toelichting gelezen kan worden is dit gebaseerd op de algemene tendensen (plafonnering mestgebruik door mestgebruiksnormen, regels over de aanwending van meststoffen, de voorziene verdere aanscherping van deze normen en regels, de afname van het landbouwareaal en de teruggang van de weidegang) en de uitvoering van het programma aanpak stikstof 2015-2021. Uit de nota van toelichting blijkt verder dat het Europees en nationaal wettelijk kader voor een vrijstelling voldoende mogelijkheden biedt. Voorgaande geldt ook voor de vrijstelling in artikel 4.2 van de POV; derhalve is voldaan aan artikel 2.9, vierde lid, van de Wet natuurbescherming. Tevens ontbreekt de noodzaak om nadere voorwaarden te stellen waaraan de vrijgestelde activiteiten moeten voldoen.

Als koeien buiten lopen, veroorzaken ze minder ammoniakuitstoot dan in een stal. Indien de weidegang toeneemt, heeft dat positieve gevolgen voor de daling van ammoniakemissies waarmee het te rechtvaardigen is dat deze activiteit wordt vrijgesteld.

1) Zie voor een uitgebreide toelichting Stb. 2016, 75.

Titel 4.3, Soortenbescherming

Paragraaf 4.3.1, Vrijstelling soortenbescherming

Artikel 4.3, Soortenvrijstelling ruimtelijke inrichting, bestendig beheer en onderhoud

Het wordt niet wenselijk geacht dat voor zeer algemeen voorkomende soorten voor elke ruimtelijke ontwikkeling of ingreep in het kader van beheer en onderhoud een ontheffing moet worden aangevraagd. Om deze reden wordt voor bepaalde soorten vrijstelling verleend. De Wet natuurbescherming geeft aan Provinciale Staten de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de verboden voor bepaalde soorten voor bepaalde belangen. Onder de voormalige Flora- en faunawet waren door het Rijk vrijstellingen vastgelegd in het Besluit vrijstelling 2). Over het algemeen gebeurde dit voor soorten waarvan werd aangenomen dat ze veel voorkomen en de soort niet bedreigd was. Vanwege de voormalige vrijstelling was het voor deze soorten niet verboden om bijvoorbeeld hun verblijfplaatsen te vernielen als dit nodig is om een bestemmingsplan uit te voeren, bijvoorbeeld bij de bouw van een huis. Ook mocht een vliegveld, een dijk of een spoorweg worden onderhouden zonder dat daarvoor een ontheffing nodig was als deze soorten daar voorkomen. De reden voor het Rijk om deze vrijstelling in te voeren was dat veel weerstand bestond tegen het steeds moeten aanvragen van ontheffingen voor deze soorten. Dit terwijl van deze soorten werd aangenomen dat ze veel voorkwamen. Met de invoering van de Wet natuurbescherming is deze bevoegdheid grotendeels gedecentraliseerd naar de provincies. Provinciale Staten hebben besloten deze voormalige vrijstelling voor zover mogelijk voort te zetten. Indien deze vrijstelling niet zou worden verleend zou dat als gevolg hebben dat allerlei werkzaamheden in het kader van beheer, gebruik, onderhoud en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling worden opgehouden, hetgeen zeer onwenselijk is. Wat dat betreft bestaat voor deze vrijstelling geen ander bevredigend alternatief. De destijds door het Rijk gevoerde argumenten voor invoering van de vrijstelling gelden nog steeds. Wel is het nodig om waarborgen in te bouwen dat de vrijstelling voor het vangen en opzettelijk doden niet lichtzinnig wordt gebruikt. Om deze reden zijn in de leden 4 en 5 enkele waarborgen ingebouwd. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij die leden.

2) Besluit vrijstelling, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2012, 615.

Lid 1

In de voormalige Flora- en faunawet en bijbehorende Besluit en Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten was een aantal soorten vrijgesteld. Deze soorten mochten worden gevangen en gedood indien dit nodig was in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud. Het betrof algemeen voorkomende soorten waarvan de goede staat van instandhouding niet in het geding was. Een aantal van deze soorten wordt door de Wet natuurbescherming beschermd in artikel 3.10. In dit artikel is een verbod opgenomen om:

  • 1.

    in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij de Wet natuurbescherming, opzettelijk te doden of te vangen;

  • 2.

    de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als hierboven bedoelt opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

  • 3.

    vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij de Wet natuurbescherming, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

In het tweede lid van artikel 3.10 Wet natuurbescherming is bepaald dat Provinciale Staten vrijstelling kunnen verlenen van de verboden bedoeld in het eerste lid. Dit artikel dient als grondslag voor deze vrijstelling. In de Wet natuurbescherming worden deze soorten “overige soorten” genoemd in deze toelichting wordt gesproken over “nationaal beschermde soorten”, waarmee hetzelfde wordt bedoeld. Dit heeft ermee te maken dat deze soorten niet zijn beschermd op grond van internationale verdragen zoals de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wet natuurbescherming), de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn (artikel 3.5 Wet natuurbescherming).

Provinciale Staten hebben in de Wet natuurbescherming de bevoegdheid gekregen om vrijstelling te verlenen voor zowel de Europees/internationaal beschermde soorten als voor de nationaal beschermde soorten. Een vrijstelling voor de Europese/internationale soorten kan slechts worden verleend voor een aantal in de Wet natuurbescherming genoemde belangen. Ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud behoren hier niet toe. Voor de nationaal beschermde soorten (3.10) kan wel vrijstelling verleend worden voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer en onderhoud. De mogelijkheid is hiertoe gegeven in de artikelen 3.10, tweede lid, in combinatie met 3.8, tweede lid Wet natuurbescherming. Omdat de vrijstelling van de 3.10 soorten een beleidsarme voortzetting is van de vrijstelling onder de Flora- en faunawet is in artikel 4.3 van de POV vrijstelling gegeven voor een aantal soorten die zijn beschermd op grond van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. 

Opzettelijk

Artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming verbiedt alleen “opzettelijk” handelen, bijvoorbeeld “opzettelijk doden”. Onder de voormalige Flora- en faunawet was alleen “doden” verboden. Hieronder moest worden verstaan "opzettelijk doden" en “niet opzettelijk doden”. Het nieuwe verbod gaat derhalve minder ver dan het voormalige verbod onder de vorige wet. Omdat onder de vorige wet doden was vrijgesteld en opzettelijk doden minder ver gaat, is in de provinciale vrijstelling opzettelijk doden vrijgesteld. Dit mede als gevolg van een beleidsarme implementatie. Maar wat moet verstaan worden onder “opzettelijk doden”? Als iemand per ongeluk (zonder opzet) een dier van de 3.10 lijst doodt levert dit geen overtreding op. Het kan echter de vraag zijn wanneer opzet aanwezig is. Omdat de term opzettelijk nieuw is onder de Wet natuurbescherming wordt hieronder enige uitleg over deze term gegeven. In de memorie van toelichting bij de Wet natuurbescherming is aangegeven dat het Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijk opzet moet worden begrepen. Hieruit moet geconcludeerd worden dat de ruime uitleg die in Europa gegeven is aan de term opzettelijk ook geldt voor de nationale beschermde soorten.

Van “voorwaardelijke opzet” is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen kan hebben voor een dier of een plant, zoals de vangst of de dood van een dier, het verstoren van een dier, en het afsnijden, ontwortelen of vernielen van een plant. Er moet dus een duidelijk ‘wilselement’ aanwezig zijn voor opzet. Dit is niet altijd makkelijk aan te tonen en de grens is niet heel zwart wit. Zo weet iedereen dat je niet mag stelen, mishandelen of doden, maar dat kitesurfen niet overal is toegestaan ter voorkoming dat vogels, behorende tot een kwalificerende habitatsoort, verstoord worden, is minder bekend. Van deelnemers in het economisch verkeer (ondernemers, TBO’s e.d.) mag verwacht worden dat ze zich voldoende laten voorlichten welke regels van toepassing zijn op hun economisch handelen, zodat geen onderscheid gemaakt hoeft te worden tussen degenen die dat wel serieus nemen en degenen die dat niet doen. De burger daarentegen die geen verwijt treft, zou bij de rechter een beroep kunnen doen op de afwezigheid van alle schuld, waardoor hij –bij honorering van het verweer- ontslagen kan worden van rechtsvervolging. Deze doelgroep wordt derhalve voldoende beschermd door het strafrechtelijk beginsel: geen straf zonder schuld. Het is aldus aan de strafrechter in de concrete strafzaak om alle relevante omstandigheden te wegen en een rechtvaardige beslissing te nemen, zoals tot op heden ook het geval is. 

Belangen

De vrijstelling wordt gegeven ten behoeve van een viertal belangen. Alleen als één van deze belangen zich voordoet mag van de vrijstelling gebruik worden gemaakt. Kort samengevat zijn dit het belang van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en een drietal vormen van bestendig beheer en onderhoud. Uit de memorie van toelichting bij de Wet natuurbescherming blijkt dat de uitzondering voor handelingen in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling, zowel ziet op grote projecten, zoals werkzaamheden in het kader van landinrichting, de aanleg van wegen, bedrijventerreinen, havens of woonwijken, als op relatief beperkte activiteiten, zoals de bouw van een schuur of de verbouwing van een huis. Ook natuurontwikkeling kan hieronder vallen. Verder blijkt uit de memorie van toelichting dat het bij ‘bestendig beheer en onderhoud’ gaat om het voortzetten van de ter plaatse bestaande praktijk. Om te beoordelen of beheer, gebruik en onderhoud bestendig is, dient de aard van de activiteiten en de middelen in ogenschouw worden genomen, alsmede het tijdstip, de frequentie en de schaal waarop de activiteiten worden ondernomen. Gedacht moet worden aan regelmatig terugkerend beheer, gebruik of onderhoud dat al langere tijd plaatsvindt zonder dat dit beheer, gebruik of onderhoud in de weg heeft gestaan aan de vestiging en het behoud van individuen van beschermde soorten in de gebieden waar het beheer, gebruik of onderhoud plaatsvindt. De activiteiten zijn gericht op het handhaven van de bestaande situatie, hetgeen bijvoorbeeld kan blijken uit een beheer- of onderhoudsplan. Voorbeelden van beheer en onderhoud zijn het maaien om bepaalde vegetaties in een natuurgebied in stand te houden, beheer van waterlopen in het kader van de keur, het maaien van bermen vanwege de verkeersveiligheid en het maaien van weilanden voor kuilvoer. 

Lid 2

In artikel 3.25, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat in het geval Provinciale Staten vrijstelling geven van de verboden uit artikel 3.10, tweede lid, Wet natuurbescherming ook de middelen moeten worden aangewezen voor het vangen en doden. Omdat in het eerste lid van deze bepaling vrijstelling is verleend voor de 3.10 soorten is Provinciale Staten zodoende verplicht ook de middelen die ervoor gebruikt mogen worden vast te stellen.

Zoals blijkt uit artikel 4.3, derde lid, van de POV zijn alleen “vangmiddelen” op de lijst geplaatst en geen middelen die geschikt zijn voor het doden. Dit heeft ermee te maken dat het niet de bedoeling is dat de vrijstelling gebruikt gaat worden om actief dieren te doden (zie hiervoor de leden 4 en 5). De vrijstelling kan primair gebruikt worden om actief soorten te vangen en te verplaatsten (als blijkt dat verjaging redelijkerwijs niet werkt). Als verjaging redelijkerwijs niet gevraagd kan worden geldt subsidiair de vrijstelling ook voor het opzettelijk doden van de dieren. Zoals gezegd dus niet met aangewezen middelen maar in de zin van bijkomende slachtoffers bij werkzaamheden. Denk hierbij aan ploegwerkzaamheden waarbij een veldmuis die in de grond verscholen zit om komt.  

Lid 3

In het derde lid wordt geregeld dat gevangen dieren weer uitgezet mogen worden. In het dagelijkse spraakgebruik wordt vaak gesproken over verplaatsen. In juridisch zin van vangen en weer uitzetten. Op grond van artikel 3.34 Wet natuurbescherming geldt een verbod op het uitzetten van dieren of eieren van dieren. Aangezien in het eerste lid vrijstelling gegeven wordt om dieren te vangen zou zonder een vrijstelling om ze weer uit te mogen zetten een impasse ontstaan. In dat geval zou voor elke gevangen dier een ontheffing aangevraagd moeten worden om deze weer uit te zetten. Op grond van artikel 3.34, derde lid, van de Wet natuurbescherming mogen Provinciale Staten ontheffing geven van dit verbod. Hiervan is in lid 3 gebruik gemaakt. De vrijstelling voor het uitzetten is beperkt tot het uitzetten van soorten die gevangen zijn met gebruikmaking van het eerste lid. 

Leden 4 en 5

De vrijstelling, zoals geregeld in het eerste lid, wordt in het vierde en vijfde lid enigszins ingeperkt. Deze inperking is een uitvloeisel van de algemene zorgplicht. De inperking is opgenomen om te voorkomen dat de vrijgestelde dieren worden gedood zonder dat alles in het werk is gesteld om dat te voorkomen. Feitelijk is vastgelegd dat een ieder die de vrijstelling wil gebruiken zijn gezonde verstand gebruikt en stil staat bij het voorkomen van dode dieren.

In het vierde lid wordt geregeld dat voordat tot het vangen van dieren overgegaan mag worden beoordeeld moet worden of verjaging redelijkerwijs tot de mogelijkheden behoord. Daarnaast is in het vijfde lid geregeld dat voordat tot het opzettelijk doden (door de werkzaamheden) overgegaan mag worden beoordeeld moet worden of vangen en verplaatsen dan wel verjaging redelijkerwijs tot de mogelijkheden behoord.

Daarnaast blijkt uit het feit dat in lid 2 alleen vangmiddelen (en dus geen dodingsmiddelen) zijn aangewezen al dat de vrijstelling niet zonder meer gebruikt mag worden om dieren te doden. Opzettelijk doden is met gebruikmaking van de vrijstelling wel toegestaan als het redelijkerwijs niet mogelijk is om de dieren te verjagen of weg te vangen. 

Artikel 4.4, Vrijstelling veiligstelling tegen het verkeer

Het onder de voormalige Flora- en faunawet geldende Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten bevatte een bepaling die bedoeld was om soorten veilig te stellen voor het verkeer. In het kader van de beleidsarme voortzetting van huidige regelgeving wordt deze vrijstelling ook in de verordening opgenomen. Onder de Wet natuurbescherming is het mogelijk voor het belang “bescherming van wilde flora en fauna” vrijstelling te verlenen. Dit belang is nu als vrijstellingsgrond opgenomen in artikel 3.8, vijfde lid, onder b, onder 1, van de Wet natuurbescherming. Een vrijstelling kan zodoende verleend worden op grond van respectievelijk artikel 3.8, vijfde lid, en artikel 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. Gelet op deze vrijstelling kan ook na het inwerkingtreden van de Wet natuurbescherming de vrijgestelde soorten beschermd worden tegen het verkeer zonder ontheffingenprocedures. 

Artikel 4.5, Vrijstelling voor onderzoek en onderwijs

Het onder de voormalige Flora- en faunawet geldende Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten bevatte een bepaling (artikel 16) die bedoeld was om eieren te kunnen onderzoeken in het onderwijs. In het kader van de beleidsarme voortzetting van huidige regelgeving wordt deze vrijstelling ook in de verordening opgenomen. Onder de Wet natuurbescherming is het mogelijk voor het belang “onderzoek en onderwijs” vrijstelling te verlenen. Dit belang is nu als vrijstellingsgrond opgenomen in artikel 3.8, vijfde lid, onder b, onder 4, van de Wet natuurbescherming. Een vrijstelling kan zodoende verleend worden op grond van artikel 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. Door het opnemen van dit artikel wordt bewerkstelligd dat de huidige praktijk van onderwijs en onderzoek zonder ontheffingenprocedures kan worden voortgezet. 

Artikel 4.6, Vrijstelling voor bescherming weidevogels

Het onder de voormalige Flora- en faunawet geldende Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten bevatte een bepaling (artikel 16a) die bedoeld was om activiteiten toe te staan waarmee de nesten van weidevogels konden worden beschermd tegen landbouwwerkzaamheden. Het onderliggende belang van deze bepaling was de bescherming van fauna. Dit belang is nu als vrijstellingsgrond opgenomen in artikel 3.3, vierde lid, onder b, onder 4, van de Wet natuurbescherming en voor zover een weidevogel ook voorkomt in bijlage II van het Verdrag van Bern of bijlage I van het Verdrag van Bonn in artikel 3.8, vijfde lid, onder b, onder 1, van de Wet natuurbescherming. Een vrijstelling kan zodoende verleend worden op grond van respectievelijk artikel 3.3, vierde lid, en artikel 3.8, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming. In het kader van de beleidsarme voortzetting van huidige regelgeving wordt deze vrijstelling ook in de verordening opgenomen, omdat deze nestbeschermingsactiviteiten nog steeds voor kunnen komen. De in dit verband vrijgestelde handelingen zijn het opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van beschermde vogelsoorten te vernielen, te beschadigen, of weg te nemen. Daarnaast is vrijgesteld het onder zich hebben van eieren van beschermde vogelsoorten en het opzettelijke storen van beschermde vogelsoorten.

Toegevoegd: behorende tot vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, en 3.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.

 

Paragraaf 4.3.2 Vrijstelling grondgebruiker  

Artikel 4.7, Vrijstelling schadesoorten aan grondgebruiker

Lid 1

Op basis van artikel 3.15, derde lid, van de Wet natuurbescherming kunnen Provinciale Staten soorten aanwijzen die in de provincie schade veroorzaken. Het moet dan gaan om soorten die niet al door het Rijk zijn aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of gevaar lopen en die in hun provincie schade veroorzaken.

Door het rijk zijn in artikel 3.1 van de Regeling natuurbescherming Canadese ganzen, houtduiven, kauwen, zwarte kraaien, konijnen en vossen al vrijgesteld voor de bestrijding van landbouwschade. Deze soorten zijn zodoende niet opgenomen in de vrijstellingslijst voor schadesoorten.

Gelet op de beleidsarme insteek van deze verordening is het vertrekpunt geweest om de soorten zoals die onder de voormalige Flora- en faunawet waren aangewezen in de Verordening vrijstelling grondgebruiker in deze verordening opnieuw aan te wijzen. De handeling die in de Verordening vrijstelling grondgebruiker werd vrijgesteld was het opzettelijk verontrusten ter voorkoming van schade aan onder meer gewassen. De Wet natuurbescherming kent echter in artikel 3.1, vijfde lid, Wet natuurbescherming al een uitzondering op het verbod op het opzettelijk storen van Vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1, vierde lid, Wet natuurbescherming). Voorwaarde hierbij is dat het opzettelijk storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Voor het aanwijzen van schadesoorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid, Wet natuurbescherming geldt een minder zware eis. Hiervoor geldt immers dat de dieren niet in hun voortbestaan worden bedreigd. Om een discussie over de mate van de verstoring (is deze van wezenlijke invloed of niet?) in de praktijk te voorkomen, zijn de vogelrichtlijnsoorten uit de Verordening vrijstelling grondgebruiker (te weten: kolgans, grauwe gans, smient, brandgans, rietgans, knobbelzwaan, roek en spreeuw) aangewezen in bijlage VI. In alle gevallen gaat het om soorten die niet in hun voortbestaan worden bedreigd en dat gevaar ook niet lopen.

De vrijstelling zoals geregeld in artikel 4.7, tweede lid, POV geldt dus (m.u.v. de brandgans) alleen in het geval dat het verbod van artikel 3.1, vierde lid, Wet natuurbescherming van toepassing is. De provinciale vrijstelling geldt dus niet als de verstoring al is vrijgesteld op grond van de 3.1, vijfde lid, Wet natuurbescherming.

De brandgans wordt daarnaast ook op basis van bijlage II bij het Verdrag van Bern beschermd en wordt daarom ook op grond van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming vrijgesteld.

Gelet op de eis dat alleen soorten mogen worden aangewezen die in de provincie Drenthe schade veroorzaken zijn alleen de bekende schadeveroorzakende soorten aangewezen. Er is voor gekozen om soorten aan te wijzen welke in de afgelopen 6 jaar aantoonbaar belangrijke schade hebben veroorzaakt in Drenthe. Dit is gebaseerd op de evaluatie FBP Drenthe. Om deze reden zijn ten opzichte van de Verordening vrijstelling grondgebruiker de volgende vogelrichtlijnsoorten niet meer op de lijst opgenomen: Ekster, Holenduif, Meerkoet, Ringmus, Wilde eend. Zoals eerder al aangegeven mogen deze vogelsoorten, en ook de niet aangewezen ganzen, wel verstoord worden indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. De doelstelling uit het Flora- en faunabeleidsplan om alle soorten ganzen te mogen verjagen ten behoeve van het voorkomen van landbouwschade (m.u.v. de rustgebieden) wordt hierdoor gehaald.

De haas is niet meer opgenomen omdat dit een nationaal beschermde soort is geworden. De nationale beschermde soorten kennen minder bescherming op grond van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Voor 3.10 soorten (zoals de haas) is het niet langer verboden om deze te verstoren. Een ontheffing hiervoor is zodoende niet meer noodzakelijk. Daarnaast is de Spreeuw opgenomen omdat hiervoor de laatste jaren ontheffingen zijn verleend om belangrijke schade te voorkomen.  

Lid 2

Op grond van artikel 3.1, vierde lid, Wet natuurbescherming is het verboden om opzettelijk vogels als bedoeld in het eerste lid te verstoren. In juridisch zin wordt gesproken over “opzettelijk verstoren” terwijl in het normale taalgebruik het woord “verjagen” hiervoor gebruikt wordt. In het normale taalgebruik wordt daaronder verstaan verstoren met het doel om de vogels naar een andere plek te laten vliegen. Dit verjagen wordt door deze vrijstelling vrijgesteld als het al niet op grond van artikel 3.1, vijfde lid, Wet natuurbescherming is vrijgesteld. Zie voor meer hierover de toelichting bij eerste lid van dit artikel.

De wettelijke grondslag voor deze vrijstelling is gegeven in artikel 3.15, vierde lid, van de Wet natuurbescherming. Hierin is bepaald dat Provinciale Staten vrijstelling kunnen geven voor de bestrijding van schadeveroorzakende vogels en dieren (zoals opgenomen in bijlage VI bij de POV) uitsluitend aan de grondgebruiker. Hiermee is ook duidelijk dat van de vrijstelling alleen gebruik mag worden gemaakt om een reële (dreigende) landbouwschade te voorkomen. De vrijstelling mag niet gebruikt worden om zonder doel ganzen te verstoren.

Voor de vrijstelling geldt daarnaast op grond van artikel 3.3, vierde lid, sub a en artikel 3.8, vijfde lid, sub a, Wet natuurbescherming het criterium dat geen andere bevredigende oplossing beschikbaar mag zijn in de vorm van effectieve middelen of methoden om de betrokken schade te voorkomen zonder overtreding van de verbodsbepalingen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan effectieve middelen voor het weghouden of verjagen van de betrokken vogels en andere dieren. Aangezien de provinciale vrijstelling voor grondgebruikers alleen het opzettelijk verstoren van de aangewezen schadesoorten vrijstelt (en dus niet vangen of doden) kan gebruikmaking van deze vrijstelling als andere bevredigende oplossing worden beschouwd. 

Lid 3

In artikel 3.25, derde lid, van de Wet natuurbescherming is geregeld dat het verplicht is om bij verordening middelen aan te wijzen die mogen worden gebruikt ter uitvoering van het de vrijstelling voor de grondgebruiker. In dat artikel is daarnaast verplicht gesteld dat voor het bestrijden van vogels slechts middelen mogen worden aangewezen die nadelige gevolgen voor het welzijn van vogels voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken. Hiermee is rekening gehouden bij het vaststellen van de middelenlijst. Voor zover het gaat om preventieve middelen zal hier overigens snel aan zijn voldaan. 

Lid 4

De vrijstelling zoals geregeld in tweede lid is, volgens het vierde lid, niet van toepassing in de aangewezen rustgebieden. Deze uitzondering is opgenomen als gevolg van hetgeen hierover in het Flora- en faunabeleidsplan 2014 is geregeld. In dat beleidsplan is het rustgebied Leekstermeer al aangewezen. De opname van het rustgebied Leekstermeer in bijlage VIII betreft zodoende een formalisatie van bestaand beleid.

Ter compensatie van de landbouwschade in het rustgebied is in het Flora- en faunabeleidsplan bepaald dat de grondgebruiker in geval van schade 100% van zijn getaxeerde schade vergoedt krijgt en geen taxatiekosten hoeft te betalen. 

Lid 5

De verplichting voor een zogenoemde grondgebruikersverklaring is opgenomen voor de handhaafbaarheid van de bepaling. Een toezichthouder kan bij een vermeende overtreding vragen om een dergelijke verklaring waarmee direct duidelijk kan worden of wel of geen overtreding plaatsvindt.  

Lid 6

In dit lid wordt uitgelegd voor welke soort schade de in het tweede lid bedoelde vrijstelling geldt. Kortheidshalve is verwezen naar de wettelijke bepaling waarin de keuzemogelijkheden voor schade staan. Dit betreft voor vogelrichtlijnsoorten belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren en voor 3.5 Wet natuurbescherming soorten (de brandgans) ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom.

 

Titel 4.4, Faunabeheer  

Paragraaf 4.4.1, Faunabeheereenheid  

Algemene toelichting

Faunabeheereenheden vervullen in het huidige faunabeleid een essentiële rol, omdat zij zorgen voor een maatschappelijke en gebiedsgerichte inbedding van het faunabeheer. In het bestuur van de faunabeheereenheden zijn de maatschappelijke geledingen vertegenwoordigd die belang hebben bij de uitvoering van het faunabeleid, zoals jagers, de landbouwsector en de organisaties die natuurterreinen beheren. Met de inwerkingtreding dient het bestuur te worden uitgebreid met een vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort.

Provinciale Staten dienen op grond van artikel 3.12, negende lid, van de Wet natuurbescherming bij verordening regels te stellen waaraan de Faunabeheereenheid Drenthe moet voldoen. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op de omvang en begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid en de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties in het bestuur van de faunabeheereenheid.

 

Artikelsgewijze toelichting  

Artikel 4.8, Uitleg en artikel 4.9, Aanvullende eisen

In Drenthe is op dit moment één faunabeheereenheid actief. Deze artikelen voorzien erin dat de huidige situatie zich kan voortzetten.

In artikel 4.9 sub a, is bepaald dat de rechten en plichten, die de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben ten aanzien van de faunabeheereenheid met betrekking tot de uitoefening van de op grond van de Wet natuurbescherming verleende bevoegdheden, bij of krachtens de statuten van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of stichting dienen te worden opgenomen. Verwezen zij naar boek 3, artikel 27, vierde lid, onderdeel c en boek 3, artikel 286, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Immers het zijn de bij de faunabeheereenheid Drenthe aangesloten jachthouders die feitelijk de verleende bevoegdheden uitoefenen. Gedacht kan onder meer worden aan de wijze van uitoefenen van de bevoegdheden en rapportage. Artikel 4.9 sub a, beoogt een voldoende mate van toezicht op de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders te bewerkstelligen bij de feitelijke uitoefening van de aan de faunabeheereenheid Drenthe verleende bevoegdheden. Dit bevordert de jaarlijkse rapportage van de faunabeheereenheid Drenthe aan Gedeputeerde Staten als bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, van de Wet natuurbescherming. 

Artikel 4.10, Bestuurssamenstelling

Een evenwichtige verdeling van bestuurszetels tussen natuurbeherende en beschermende organisaties enerzijds en organisaties vanuit de jacht, landbouw en grondbezit biedt de meeste kans op een maatschappelijk breed gedragen faunabeheer.

Lid 1 sub b doet recht aan de verplichting genoemd in artikel 3.12 lid 2 juncto lid 9 sub d wet natuurbescherming.

Wegens de wettelijke taken en uitvoerende rol van de WBE’s bij het faunabeheer is het wenselijk dat een vertegenwoordiger van deze organisaties in het bestuur van de faunabeheereenheid Drenthe zitting heeft.

De zetels van de organisaties kunnen enkel worden toebedeeld aan organisaties welke actief betrokken zijn bij het faunabeheer in Drenthe. 

Artikel 4.11, Adviseurs

De aanwezigheid van een vertegenwoordiger vanuit de provincie Drenthe is gewenst om de provinciale belangen te borgen. De aanwezigheid van een vertegenwoordiger vanuit het Faunafonds is gewenst in verband met de bij deze organisatie aanwezige kennis van schadepreventie, beheer en schadebestrijding.

De mogelijkheid om andere adviseurs als genoemd in dit artikel aanwezig te laten zijn is reeds vastgelegd in artikel 3.12, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. 

Artikel 4.12, Voorzitter

Het bestuur van de faunabeheereenheid Drenthe wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter. De bestuursleden bepalen in gezamenlijkheid of sprake is van een onafhankelijk voorzitter.  

Artikel 4.13, Informatieverstrekking

In het FBE bestuur kunnen bestuursleden zitten welke meerdere partijen vertegenwoordigen. Hiermee kan een brede achterban ontstaan. Deze achterban zal geïnformeerd moeten worden door de FBE om het draagvlak van de door de FBE uitgevoerde werkzaamheden te behouden.  

Artikel 4.14, Jaarlijks verslag

Om zorg te dragen voor de maatschappelijk gewenste openbaarheid van het faunabeheer zullen de jaarlijkse verslagen van de FBE voor een ieder toegankelijk moeten zijn. 

Artikel 4.15

Gereserveerd.

 

Paragraaf 4.4.2, Faunabeheerplan  

Algemene toelichting

Eisen aan het faunabeheerplan waren voorheen opgenomen in de Flora- en faunawet en het Besluit faunabeheer. Deze eisen hadden uitsluitend betrekking op populatiebeheer. In de Wet natuurbescherming is de reikwijdte van het faunabeheerplan uitgebreid met schadebestrijding en jacht. De bevoegdheid eisen te stellen aan Faunabeheerplannen is op grond van de Wet natuurbescherming gedecentraliseerd aan provincies.

Het faunabeheerplan voorziet in een samenhangende aanpak van populatiebeheer door faunabeheereenheden, schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht op de door de minister aangewezen wildsoorten. Het door het bestuur van de faunabeheereenheid vast te stellen faunabeheerplan vervult hiermee een centrale rol in de Wet natuurbescherming. Provinciale Staten stellen vast aan welke eisen het faunabeheerplan moet voldoen. Het faunabeheerplan behoeft vervolgens nog de goedkeuring van Gedeputeerd Staten.

 

Artikelsgewijze toelichting  

Artikel 4.16, Eisen en 4.17, Werkgebied

Uitgangspunt van het systeem van faunabeheer is dat in een bepaald gebied gedurende een langere periode integraal beheer wordt gevoerd. Om dat te bereiken moet het faunabeheerplan gelden voor een deel van het werkgebied van de faunabeheereenheid dat groot genoeg is om een verantwoord en duurzaam faunabeheer te kunnen voeren in samenhang met schadebestrijding en de uitoefening van de jacht. In artikel 4.16, lid 3 is de bevoegdheid om nadere regels te stellen aan een faunabeheerplan overgedragen aan Gedeputeerde Staten. Op deze wijze is geborgd dat Gedeputeerde Staten de in het Flora- en faunabeleidsplan opgenomen aanvullende eisen voor het ree vast kan leggen. 

4.18, Geldigheidsduur

Ingevolge het voorheen geldende Besluit faunabeheer gold dat het faunabeheerplan een geldigheidsduur heeft van ten hoogste 5 jaar (artikel 11 Besluit faunabeheer). Deze eis is met de intrekking van het Besluit faunabeheer komen te vervallen. Gelet op de samenhangende aanpak van populatiebeheer, schadebestrijding en de uitoefening van de jacht waarin het faunabeheerplan voorziet, is het van belang dat het faunabeheerplan voor verschillende jaren geldig is. Artikel 4.18 van deze regeling bepaalt daarom dat in het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het een maximale geldigheidsduur heeft van maximaal 6 jaar. Hiermee wordt aangesloten op de looptijd van andere planperioden, zoals Natura 2000-beheerplannen, zodat het faunabeheerplan hierop afgestemd kan worden.

De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan ook tussentijds wijzigen, bijvoorbeeld als ontwikkelingen in dierenpopulaties of ontwikkelingen in schade daartoe aanleiding geven. Om te komen tot een besluit het faunabeheerplan aan te passen zal een evaluatie van de verstreken jaren plaats moeten vinden.

In uitzonderlijke gevallen kunnen Gedeputeerde Staten de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met 12 maanden verlengen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het ontbreken van tel- en afschot gegevens welke noodzakelijk zijn voor het opstellen van een nieuwe faunabeheerplan. 

Artikel 4.19, Gegevens, 4.20, Aanvullende gegevens, 4.21, Eisen bij schadebestrijding en 4.22, Eisen bij jacht

De eisen zijn grotendeels dezelfde eisen die voorheen golden op grond van artikel 10 van het Besluit faunabeheer. Als extra eis is opgenomen dat in het faunabeheerplan moet worden ingegaan op preventieve middelen welke de schade kunnen voorkomen en zal de gunstige staat van instandhouding omschreven moeten worden. Deze punten werden onder de Flora- en faunawet pas omschreven in de ontheffing welke op basis van een faunabeheerplan werd verleend. Het betreft derhalve geen extra eis maar een verschuiving van verantwoordelijkheden. Zoals in het algemeen deel toegelicht, heeft het faunabeheerplan, naast populatiebeheer, ingevolge de Wet natuurbescherming een bredere functie en tevens betrekking op schadebestrijding en de uitoefening van de jacht. Voor schadebestrijding en jacht voorziet het faunabeheerplan in een samenhangende aanpak van populatiebeheer door de faunabeheereenheid, schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht. Onder regie van de faunabeheereenheid worden deze inspanningen bij het opstellen van het faunabeheerplan op elkaar afgestemd.

Voor populatiebeheer fungeert het faunabeheerplan als basis voor ontheffingverlening. Dit onderdeel van het faunabeheerplan bevat daarom exacte uitwerking van de eisen in artikel 4.20, eerste lid, van deze verordening. Voor schadebestrijding en jacht zijn deze zelfde eisen van toepassing, maar fungeert het faunabeheerplan als koepel. Het is aan de grondgebruikers om binnen het kader van het faunabeheerplan te bepalen wat aan schadebestrijding nodig is.

De jachthouder moet, met inachtneming van het faunabeheerplan, bepalen wat in zijn jachtveld nodig is om een redelijke wildstand te handhaven. 

Artikel 4.23, Goedkeuring Gedeputeerde Staten

Faunabeheerplannen moeten om voor goedkeuring door Gedeputeerde Staten in aanmerking te komen, voldoen aan de voorschriften van artikelen 3 tot en met 6 van deze regeling.

 

Paragraaf 4.4.3, Wildbeheereenheden  

Algemene toelichting

Op grond van de Wet natuurbescherming geldt dat jachthouders met een jachtakte zich met anderen verplicht organiseren in een wildbeheereenheid, ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan en om te bevorderen dat een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en jacht worden uitgevoerd in samenwerking met en ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders. In de Wet natuurbescherming hebben de wildbeheereenheden een meer prominente rol gekregen dan in de Flora- en faunawet. Het zijn over het algemeen de wildbeheereenheden die uitvoering zullen geven aan het faunabeheerplan. Zij zullen in de praktijk de beheerdaden verrichten op grond van de provinciale ontheffing voor beheer en zij bevorderen dat de aangesloten jachthouders de jacht en de schadebestrijding uitvoeren overeenkomstig het faunabeheerplan en ten dienste van de grondgebruikers.

Daarnaast adviseren de wildbeheereenheden de faunabeheereenheid over de inhoud van de faunabeheerplannen en leveren zij – op basis van tellingen en een afschotregistratie – de gegevens aan ten behoeve van het faunabeheerplan.

De toekenning van deze taken en verantwoordelijkheden aan de wildbeheereenheden vindt haar rechtvaardiging in het feit dat deze samenwerkingsverbanden bij uitstek streekgebonden zijn. Om de wildbeheereenheden deze taken effectief te kunnen laten uitvoeren, is in de Wet natuurbescherming voorzien dat alle van het geweer gebruikmakende jachthouders – jachthouders met een jachtakte – binnen het werkgebied van een wildbeheereenheid zich bij deze eenheid moeten aansluiten. Dit versterkt het streekgebonden karakter van schadebestrijding, beheer en jacht met het geweer nog verder. De wildbeheereenheden zijn gehouden uitvoering te geven aan het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan.

 

Artikelsgewijze toelichting  

Artikel 4.24, Werkgebied

De werkgebieden van de wildbeheereenheden dienen van voldoende omvang te zijn voor een effectieve invulling van de werkzaamheden. De provincies stellen bij verordening regels aan de omvang van de werkgebieden. Van belang is daarbij de grootte van de leefgebieden van de diersoorten die worden beheerd op grond van het faunabeheerplan. Wanneer de werkgebieden van de wildbeheereenheden te klein zijn, dan zal de uitvoering van het beheer onvoldoende samenhangend zijn en onvoldoende kunnen worden gecoördineerd. Er zijn wildbeheereenheden met een werkgebied dat provinciegrensoverschrijdend is. Dit is mogelijk wanneer ze voor het deel van het werkgebied dat is gelegen in de provincie Drenthe aan de bij deze verordening gestelde eisen voldoen. De wildbeheereenheden hebben een aaneengesloten werkgebied; dat wil zeggen dat er geen delen van het werkgebied zijn die niet zijn verbonden met de rest van het werkgebied. 

Artikel 4.25, Begrenzing werkgebied

Met dit artikel wordt beoogd dat voor iedere jachthouder duidelijk is van welke wildbeheereenheid hij lid dient te worden.  

Artikel 4.26 Verplicht lidmaatschap wildbeheereenheid

Er worden geen uitzonderingen gemaakt op het verplichte lidmaatschap van een jachthouder met een jachtakte op het lidmaatschap van een wildbeheereenheid 

Artikel 4.27, Jaarlijkse activiteiten

In het faunabeheerplan is geregeld welke gegevens verzameld dienen te worden ter onderbouwing van ontheffingen voor faunabeheer. Deze gegevens worden voor een belangrijk deel verzameld door de wildbeheereenheden en hun leden.

De verzamelde gegevens dienen door de WBE’s aangeleverd te worden aan het Servicepunt Faunabeheer Drenthe. Dit gebeurt door de gegevens in te voeren in een faunaregistratiesysteem. Op dit moment is dit het NDFF voor ree en FRS voor alle andere diersoorten. Voor de trendtellingen voor ree wordt verwezen naar de regel Beheer van reeën in Drenthe. 

Artikel 4.28

Gereserveerd

 

Paragraaf 4.4.4, Tegemoetkoming faunaschade  

Algemene toelichting

Artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming bepaalt dat Gedeputeerde Staten in voorkomende gevallen tegemoetkomingen verlenen in geleden schade door natuurlijk in het wild levende:

  • 1.

    vogels van vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of

  • 2.

    dieren die worden genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of de bijlage, onderdeel a, bij deze wet.

Ter invulling van deze bevoegdheid stellen Gedeputeerde Staten beleidsregels vast.

In IPO-verband hebben de gezamenlijke provincies ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Uit oogpunt van efficiëntie is een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis te prefereren. Daarnaast wordt uniformiteit in de uitvoering en rechtsgelijkheid over heel Nederland nagestreefd. In een afzonderlijk besluit worden de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen gemandateerd aan BIJ12.

 

Artikelsgewijze toelichting  

Artikel 4.29, Aanvraag om tegemoetkoming

In dit artikel wordt de elektronische wijze van indiening van een aanvraag om tegemoetkoming in schade veroorzaakt door natuurlijk in het wilde levende beschermde diersoorten geregeld. Op grond van artikel 4:1 Algemene wet bestuursrecht moet de voorwaarde van elektronische indiening van een aanvraag bij wettelijk voorschrift worden geregeld.

Vereist is dat de schade zo spoedig mogelijk (binnen 7 werkdagen) bij BIJ12 wordt gemeld. BIJ12 is dan in de gelegenheid een taxateur ter plaatse een onderzoek naar de schadeveroorzakende diersoorten en de omvang van de schade te laten instellen. Een consulent faunazaken van BIJ12 kan dan ook adviseren hoe verdergaande schade kan worden voorkomen of beperkt. Aanvragen die later dan 7 werkdagen na constatering van de schade zijn ingediend worden afgewezen. Onder werkdagen worden verstaan: maandag tot en met vrijdag met uitzondering van algemeen erkende feestdagen als bedoeld in de Algemene termijnenwet. 

Artikel 4.30, Taxatie van de schade

Dit artikel regelt in samenhang met de beleidsregels de wijze waarop de schade wordt vastgesteld. BIJ12 heeft een raamovereenkomst met taxatiebureaus die schade veroorzaakt door in het wild levende beschermde dieren taxeren.

De taxateur zal zijn bevindingen direct na de eindtaxatie bij de grondgebruiker achterlaten of deze zo spoedig mogelijk toesturen. Voorzien is in de mogelijkheid dat de aanvrager zijn opmerkingen over de taxatie kan vermelden, dat de taxateur die opmerkingen van commentaar voorziet en dat de aanvrager kennis kan nemen van het commentaar van de taxateur.

 

Titel 4.5, Houtopstanden  

Algemene toelichting

In het hoofdstuk houtopstanden van de Wet natuurbescherming zijn meerdere zaken waarvoor een verordening door Provinciale Staten kan worden vastgesteld. Een afweging is gemaakt tussen de wens om beleidsarm de Wet natuurbescherming te implementeren en het efficiency voordeel van het vaststellen van een verordening. Daarnaast is rekening gehouden met de wensen van diverse stakeholders. Met het nu vastleggen van regels in een verordening kan voorkomen worden dat straks onduidelijkheden ontstaan bij de uitvoering welke weer extra werk opleveren.

 

Artikelsgewijze toelichting  

Artikel 4.31, Vereisten melding vellen houtopstand

In artikel 4.2, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is opgenomen dat Provinciale Staten in een verordening kan vastleggen op welke wijze een kapmelding gedaan moet worden en welke gegevens verstrekt moeten worden. Hoewel niet verplicht, vergemakkelijkt het vastleggen van deze vereisten in artikel 4.31 zowel het melden van voorgenomen kap als het beoordelen hiervan.  

Artikel 4.32, Bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten

In artikel 4.3, derde lid, van de Wet natuurbescherming is opgenomen dat Provinciale Staten in een verordening regels kunnen stellen over een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting. Met de term bosbouwkundig wordt er vanuit gegaan dat houtproductie nog steeds het belangrijkste doel is van het bos. Veel Drentse bossen en beplantingen zijn belangrijk ook vanwege de waarden van natuur, cultuurhistorie en landschap. Om de waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie onder bosbouwkundig verantwoord te laten vallen is het noodzakelijk om de term bosbouwkundig verantwoord verder uit te werken en vast te leggen in een verordening.

Op oude landgoederen en landschappen zijn beplantingen de dragers van de ruimtelijke structuren. Gezien het grote maatschappelijke belang van de herkenbaarheid van deze structuren is het belangrijk dat bij de herbebossing hiermee rekening gehouden wordt. Bij landschappelijke en cultuurhistorische waarden van bossen en beplantingen valt de denken aan beeldbepalende laanbeplantingen in bossen, wegbeplantingen, houtwallen en groepen met oude bomen. Het kan noodzakelijk en gewenst zijn deze beplantingen te vellen vanwege ouderdom, sterfte of dat de beplanting gevaar oplevert in verband met windworp of doodhout. Wanneer deze beplantingen hoge landschappelijke waarden hebben, dan is het gewenst dat een herbebossing ook deze waarden weer voort kan brengen.

Opgenomen is dat de herbebossing binnen een termijn van 3 jaar 80% dient te zijn. Om dit te bereiken is het noodzakelijk dat voldoende plantmateriaal gebruikt wordt. Bij naaldhout zal dit in het algemeen minimaal 3500 st/ha zijn, bij loofhout 5000 st/ha en bij laanbeplantingen zal de plantafstand maximaal 4 meter zijn. Met natuurlijke verjonging zal het in het algemeen niet lukken op in de genoemde korte periode een hoge bedekkingsgraad te realiseren. Daarom is het mogelijk, wanneer het voldoende aannemelijk is dat de herbebossing voldaan kan worden, uitstel te krijgen voor de bovengenoemde termijn.  

Artikel 4.33, Voorwaarden aanvraag ontheffing herbeplanting op andere grond

Het is op grond van 4.34 POV mogelijk om een ontheffing aan te vragen voor herbeplanting op andere gronden. De voorwaarden zijn in dat artikel opgenomen. In dit artikel zijn de vereisten voor een aanvraag opgenomen. Hoewel het niet verplicht is om dit te regelen, vergemakkelijkt het vastleggen van deze vereisten zowel aanvragen als het beoordelen hiervan.  

Artikel 4.34, Voorwaarden ontheffing herbeplanting op andere grond

In artikel 4.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is opgenomen dat boscompensatie op andere grond alleen kan als Provinciale Staten de regels hiervoor vastlegt in een verordening. Aangezien het gewenst is dat boscompensatie mogelijk blijft zullen de regels hiervoor vastgelegd moeten worden in de POV. Onder de voormalige Boswet zijn de regels voor compensatie vastgelegd in het Besluit herbeplanting artikel 3 Boswet. Deze regels zijn grotendeels overgenomen waarbij de volgende aanvulling is opgenomen:

Uitgangspunt voor de provincie is dat het natuur- en bosareaal beschermd zijn. Daarom wil de provincie bij een omvorming van bos naar landbouwgrond alleen meewerken aan een ontheffing herplantplicht op andere gronden indien de compensatie op landbouwgrond wordt gerealiseerd (dit is vastgelegd in sub a, onder 5˚).

Daar waar reeds een verplichting tot aanplant geldt mag niet nogmaals gecompenseerd worden. Dit wordt aangemerkt als stapeling en is onwenselijk omdat daardoor minder natuur zou worden gecompenseerd (dit is vastgelegd in sub a, onder 6˚).

In bepaalde gevallen is het wenselijk om bos op de betreffende locatie te behouden. Om in een dergelijk geval het verzoek om verplaatsing te kunnen weigeren is sub c opgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan voor vleermuizen belangrijke lijnbeplanting, bossen op oude groeiplaatsen of cultuurhistorische beplantingen, zoals lanen, esrandbeplantingen, beekdalbeplantingen, houtwallen, karakteristieke wegbeplantingen.  

Artikel 4.35, Vrijstelling herplantplicht productiebos

In artikel 4.2, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is opgenomen dat Provinciale Staten in een verordening een vrijstelling mogen geven van de meld- en herplantplicht. Deze vrijstelling maakt het mogelijk om op landbouwgronden waar geen verplichting tot herbebossing ligt tijdelijk bos aan te leggen. Tijdelijk bos kan aangelegd worden en dient binnen 40 jaar gekapt te worden. Na 40 jaar vervalt de vrijstelling. De grondeigenaar dient de afgegeven mededeling zorgvuldig te bewaren, zodat hij bij velling kan bewijzen te beschikken over de vrijstelling. Onder de voormalige Boswet had ook de minister in de Regeling meldings- en herplantplicht vrijstelling verleend voor de aanplant van tijdelijk bos. Tijdens het overleg met stakeholders is aangegeven dat de wens bestaat om deze vrijstelling door te laten gaan. Om deze reden is de regeling op vergelijkbare wijze opgenomen.

Het artikel regelt alleen de vrijstelling van de herplantplicht. Voor de aanplant van het bos zal de initiatiefnemer, naast een melding bij de provincie, bij de gemeente moeten nagaan of een aanlegvergunning en/of een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is. Alleen een melding bij de provincie volstaat dus niet. Alleen een mededeling van Gedeputeerde Staten, zoals bedoeld in het derde lid, is dus niet voldoende om over te gaan tot aanplant.

Voor de aanleg en instandhouding van tijdelijk productiebos bestaan geen provinciale subsidies. Het opnemen van dit artikel brengt hierin geen verandering.

 

Titel 4.6 Slotbepaling  

Artikel 4.36, Discretionaire bevoegdheid

In zeer bijzondere omstandigheden kan afgeweken worden van hetgeen geregeld is in hoofdstuk 4 van de POV. 

Artikel 4.37, Wijziging bijlagen

In artikel 4.37 wordt de bevoegdheid om de bijlagen IV tot en met VIII te wijzigen gedelegeerd aan Gedeputeerde Staten. De bevoegdheid om te delegeren bestaat op grond van artikel 1.3, zevende lid, van de Wet natuurbescherming. Er is gekozen voor het delegeren van de bevoegdheid omwille van de flexibiliteit van de bijlagen. Op deze manier kan sneller worden ingesprongen op de ontwikkelingen in de natuur welke weer gevolgen kunnen hebben voor het ondernemerschap.

Op de “provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer” (bijlage IV) staan op dit moment de egel en de “kleine marters”, zoals wezel, hermelijn en bunzing. Deze soorten kennen een verborgen levensstijl en het is onvoldoende duidelijk hoe de populatieontwikkeling van deze soorten is. Ambtelijk is geadviseerd nader onderzoek te verrichten naar het voorkomen van deze soorten zodat een beter gefundeerd oordeel geveld kan worden over de wenselijkheid van een beschermde status. Wanneer deze gegevens voorhanden zijn dan kan dit aanleiding zijn om de “provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer” aan te passen. De lijst moet immers voldoen aan de criteria genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, sub c, van de Wet natuurbescherming. Hierin is de eis geformuleerd dat het alleen soorten mag betreffen waarbij een vrijstelling geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Als blijkt dat de staat van instandhouding van een soort aannemelijk verslechtert, kan de lijst worden aangepast. Ook in het geval dringend behoefte is aan een nieuw vrijgestelde soort (omdat in de praktijk deze soort zorgt voor veel overbodige ontheffingsaanvragen) kan de lijst worden aangepast.

In het Flora- en faunabeleidsplan (vastgesteld door Provinciale Staten in 2014) is vastgelegd dat de bevoegdheid voor het wijzigen van de schadesoortenlijst (bijlage VI) gedelegeerd zal worden aan Gedeputeerde Staten. Op deze wijze kan flexibeler ingesprongen worden op wijzigingen van landelijke vrijstellingen. Ook kan sneller ingesprongen worden op ontwikkelingen, bijvoorbeeld als andere soorten aantoonbaar schade veroorzaken. Door het opnemen van deze bepaling wordt uitvoering gegeven aan deze visie uit het Flora- en faunabeleidsplan.

Ook de middelenlijst voor het verstoren van aangewezen schadesoorten (bijlage VII) kan door Gedeputeerde Staten gewijzigd worden. Door verloop van tijd kan anders gedacht worden over wat voor soort middelen effectief en nodig zijn. Op dit moment is bijvoorbeeld nog niet duidelijk of het gebruik van drones een effectief middel is. Wellicht worden in de toekomst wel drones ontwikkeld die effectief kunnen worden ingezet om schade te voorkomen door middel van verstoren. Op dat moment kan de middelenlijst snel worden aangepast. Bovendien wordt door deze delegatiebepaling, net als de delegatiebepaling voor ruimtelijke ingrepen eenduidigheid in regelgeving gecreëerd.

Daarnaast is de bevoegdheid om nieuwe rustgebieden toe te voegen gedelegeerd aan Gedeputeerde Staten (bijlage VIII). Dit is gedaan omdat in het provinciaal Flora- en faunabeleidsplan 2014 de ambitie is opgenomen om een of twee nieuwe rustgebieden te realiseren voor de Kolgans en de Grauwe gans met maximaal 500 hectare (overwegend) grasland per gebied. Om dit juridisch goed en snel te kunnen vertalen is gekozen voor delegatie. 

Artikel 4.38, Intrekking

De verordening vrijstelling grondgebruiker kan worden ingetrokken omdat die verordening gebaseerd is op regelgeving die ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming is vervallen. Deze verordening komt voor die vrijstelling in de plaats. 

Artikel 4.39, Inwerkingtreding

Dit hoofdstuk treedt pas in werking als de Wet natuurbescherming in werking is getreden.

Hoofdstuk 5 Bodemenergie

Algemeen

Op 1 juli 2013 is het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen in werking getreden. Met dit besluit wordt beoogd de toepassing van bodemenergiesystemen te stimuleren omdat bodemenergiesystemen een bijdrage kunnen leveren aan de transitie naar een duurzame energiehuishouding. Het besluit is tot stand gekomen in nauw overleg met overheden en het bedrijfsleven.

Naast de bevordering van de toepassing van bodemenergie stelt het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen ook de randvoorwaarde voor toepassing van bodemenergiesystemen. Er moet namelijk sprake zijn van een duurzaam gebruik van grond en grondwater. Dit betekent dat de toepassing niet ten koste mag gaan van het belang van de bescherming van bodem en (grond)water en dat andere belangrijke functies die de bodem kunnen vervullen niet in het geding mogen komen.

Met het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen is op nationaal niveau uniformiteit gecreëerd en zijn barrières weggenomen. Zo zijn gesloten bodemenergie in heel Nederland melding- dan wel vergunningplichtig geworden, is de vergunningaanvraag voor open bodemenergie systemen eenvoudiger geworden en is het mogelijk de ordening van bodemenergie in de ondergrond te reguleren.

Door middel van dit hoofdstuk 5, Bodemenergie, vullen wij ten aanzien van doelmatig gebruik van bodemenergie en/of doelmatig gebruik van de bodem op provinciaal niveau de regelgeving aan. Een en ander conform de mogelijkheden zoals opgenomen in het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen.

De provincie is belast met de handhaving van de installaties waarvoor zij op grond van wetgeving als bevoegd gezag is aangewezen. Voor de open WKO-systemen is dit geregeld in of bij de Waterwet. De provincie is het bevoegd gezag voor open WKO-systemen. Voor gesloten WKO-systemen is in het algemeen de gemeente het bevoegde gezag tenzij het WKO-systeem wordt geplaats binnen een inrichting waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn.

Artikel 5.1 Begripsbepalingen

Bodemenergie-systeem

Een verzamelnaam van systemen en technieken die de bodem of ondergrond gebruiken als energiebron of buffer. Er zijn verschillende systemen te onderscheiden:

Warmte Koude Opslag systemen

Het winnen en opslaan van energie (5-25 graden Celcius) tussen 0 en circa 300 meter onder maaiveld. Ook wel genoemd: WKO, ondergrondse energieopslagsystemen, KWO, UTES, bodemwarmtewisselaars).

Geothermie systemen

Het winnen van energie (80-250 graden Celsius) tussen de 1,5 en circa 7 kilometer onder maaiveld. Ook wel genoemd: aardwarmte.

Temperatuur opslag systemen

Het opslaan van (rest)warmte (25-90 graden Celsius) in de ondergrond.

Onderstaande afbeelding geeft een overzicht van technieken tot 7 km diepte.

WKO-systeem

Warmte Koude Opslag (WKO) is een duurzame methode om energie in de vorm van warmte of koude op te slaan in de bodem. De techniek wordt gebruikt om gebouwen, woningen, kassen en processen te verwarmen en/of te koelen. Waterhoudende lagen in de bodem laten zich uitstekend gebruiken om warmte en koude in op te slaan. In de zomer gebruikt men het koele grondwater om gebouwen te koelen, het opgewarmde water slaat men op in de bodem totdat het in de winter wordt gebruikt om gebouwen te verwarmen.

Er zijn twee verschillende WKO systemen, te weten:

  • a.

    Open WKO systeem: Een open systeem staat in open verbinding met watervoerende pakketten en gebruikt grondwater dat via een beperkt aantal filterbuizen wordt onttrokken en geïnfiltreerd. Het grondwater wordt via een warmtewisselaar geleid om daarna weer in de bodem te worden geïnfiltreerd. Het onttrekken en infiltreren, gebeurt op enkele tientallen tot ruim honderd meter diepte, afhankelijk van waar zich een geschikt watervoerend pakket bevindt;

  • b.

    Gesloten WKO systeem: Bij een gesloten systeem staat de bodemwarmtewisselaar niet in open verbinding met grondwater, maar maakt gebruik van een techniek waarbij vloeistof, vaak met een antivries (glycol) erin opgelost, door gesloten bodemlussen wordt geleid om warmte en koude aan de bodem te onttrekken. Het systeem bestaat uit buizen van polyethyleen, zogenaamde collectoren, die in de bodem worden geplaatst. De thermische energie in de bodem wordt door middel van geleiding via de buiswanden en het medium in de collector overgedragen aan een warmtewisselaar. Collectoren (bodemwarmtewisselaars) kunnen horizontaal en verticaal worden geplaatst, waarbij de verticale tot wel meer dan honderd meter kunnen reiken. Dergelijke systemen zijn over het algemeen kleinschalig en worden vooral in de woningbouw en kleine utiliteitsbouw toegepast.

Temperatuur Opslag-systeem

Bij een temperatuur opslag-systeem wordt overtollige laagwaardige warmte, bijvoorbeeld afkomstig van een kas (Warmte Kracht Koppeling (WKK)), koelmachine of zonnepanelen, met een lage, middelhoge of hoge temperatuur (circa 25 tot 90 °C) tijdelijk opgeslagen in een fijn zandige laag in de bodem. Bij een warmtevraag wordt de warmte weer uit de bodem onttrokken.

Geothermie-systeem

Bij geothermie of aardwarmte wordt de warmte (25 tot 250 °C) uit de bodem of diepere aardlagen gebruikt om huizen of kassen te verwarmen. De warmte wordt direct gebruikt. Het afgekoelde water wordt vervolgens weer terug de bodem in gebracht. Boven de 100 C is het mogelijk om elektriciteit te maken.

Zone I en zone II

Voor de toepassing van de regels uit dit hoofdstuk is een verdeling in de ondergrond gemaakt in twee zones: een zone I die ligt tussen maaiveld en 25 meter beneden maaiveld en een zone II die ligt tussen 25 meter beneden maaiveld en 300 meter beneden maaiveld. De reden hiervoor is dat beleidsmatig er anders met deze twee zones wordt omgegaan.

Rood gebied

Binnen rode gebieden is de toepassing van bodemenergie-systemen niet toegestaan. Dit zijn de gebieden waar grondwater wordt onttrokken voor de openbare drinkwatervoorziening. De drinkwatervoorziening is een groot maatschappelijk belang. Deze rode gebieden zijn aangewezen op grond van hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarnaast zijn ze tevens opgenomen op de bij deze POV behorende kaarten C1 en C2.

Oranje gebied

Binnen oranje gebieden is de toepassing van bodemenergie-systemen met aanvullende voorschriften toegestaan omdat er andere maatschappelijk zwaarwegende belangen spelen. Voor de toepassing van bodemenergie-systemen zijn dit de intrekgebieden waar grondwater wordt onttrokken voor de openbare drinkwatervoorziening. Deze gebieden zijn in dit hoofdstuk aangewezen als de gebieden zoals deze in oranje staan aangegeven op de bij de POV behorende kaarten C1 en C2. In hoofdstuk 7, onderdeel verbodszone diepe boringen, zijn ook regels gesteld met betrekking tot de toepassing van bodemenergiesystemen. Binnen de verbodszones diepe boringen zijn deze leidend.

Groen gebied

In deze gebieden worden aan de toepassing van WKO-systemen in dit hoofdstuk van de POV geen regels gesteld. Of de toepassing van een WKO-systeem op grond van andere wettelijke bepalingen is toegestaan, is een verantwoordelijkheid van de eigenaar van het systeem.

Artikel 5.2 Gebieden

Zie toelichting op begripsbepalingen rood en oranje gebieden.

Artikel 5.3 Doelstellingen

Met dit artikel wordt beoogd aan te geven welke doelstellingen ten grondslag liggen aan dit hoofdstuk. Het betreft met name het reguleren van een zorgvuldige afweging van belangen. Dit betreft diverse afwegingen en belangen. In de eerste plaats gaat het hier om het belang van het bereiken van het doel voor duurzame energieopwekking door middel van de aanleg van bodemenergie-systemen. In de tweede plaats gaat het hier om het afwegen van het belang van de aanleg van systemen ten opzichte van andere belangen die aan de orde zijn in de ondergrond.

Artikel 5.4, 5.5 en 5.6 Warmte- en koude opslag

Met betrekking tot de gesloten WKO-systemen is in de meeste gevallen de gemeente het bevoegd gezag. Op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer heeft de provincie de mogelijkheid om in een verordening regels te stellen in het belang van de bescherming van het milieu en in het bijzonder ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning. Ter bescherming van dit belang zijn in de POV twee aanvullende regels voor gesloten WKO-systemen opgenomen.

Eerste lid

In het eerste lid is een verplichting opgenomen dat alle gesloten WKO-systemen gevuld moeten zijn met water van minimaal drinkwaterkwaliteit. Het is een voorzorgmaatregel om negatieve effecten op de grondwaterkwantiteit t.g.v. eventuele lekkage uit te sluiten.

Tweede lid

De hier opgenomen methode vormt een zodanig gevaar voor de opbouw van de bodem dat is besloten om deze vorm te verbieden.

Artikel 5.7 Temperatuuropslag

Op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer heeft de provincie de mogelijkheid om in een verordening regels te stellen in het belang van de bescherming van het milieu en in het bijzonder ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning. Ter bescherming van dit belang zijn twee aanvullende regels voor temperatuuropslag-systemen opgenomen.

Eerste lid

In het eerste lid is een verbod opgenomen voor middelhoge of hoge temperatuuropslag-systeem boven de formatie van Breda. Bij middelhoge of hoge temperatuuropslag wordt het grondwater boven de 25 graden Celcius opgewarmd. Deze verhoging kan negatief effect hebben op de grondwaterkwantiteit hetgeen niet wenselijk is voor het zoete grondwater. E.e.a. conform het beleid in de structuurvisie ondergrond. Onder of in de formatie van Breda (voornamelijk brak of zout grondwater) is middelhoge of hoge temperatuuropslag wel toegestaan.

Tweede lid

In het tweede is een verbod in zone II (dit is boven formatie van Breda) voor lage temperatuuropslag-systeem opgenomen. In zone I en groen gebied is lage temperatuuropslag wel toegestaan. De effecten van een lage temperatuuropslag-systeem (max 25 graden C) in zone I worden gezien de normale fluctuaties in deze zone als acceptabel beschouwd.

Artikel 5.8 Geothermie

Op grond van artikel 1.2 van de WM heeft de provincie de bevoegdheid de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften op te stellen om het algemene beschermingsniveau aan te passen. Ter bescherming van het grondwater (kwantiteit) en ter stimulering / reservering van WKO-systemen is het verboden om een geothermie-systeem boven de formatie van Breda te installeren. In of onder de Formatie van Breda is Geothermie wel toegestaan.

Artikel 5.9 Vergunning

In dit artikel zijn gronden opgenomen om een vergunning te weigeren. In de eerste plaats is een koppeling gemaakt met de doelstellingen die zijn opgenomen in artikel 5.3. Een activiteit in strijd met deze doelstellingen zal worden geweigerd. Tot slot mogen bodemenergie-systemen in de oranje gebieden geen thermische of kwalitatieve effecten veroorzaken in de rode gebieden. Dit zijn de gebieden ter bescherming van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning. De bescherming van deze gebieden is van een maatschappelijk zeer hoog belang.

Artikel 5.10 Intrekken vergunning

Het intrekken (geheel of gedeeltelijk) van een vergunning is mogelijk indien zich omstandigheden en feiten voordoen die niet langer toelaatbaar worden geacht met het oog op het belang waarmee deze regeling is opgesteld.

Hoofdstuk 6 Bodemsanering

Artikel 6.1 Meldingen en aanvragen

In het eerste lid van artikel 6.1 is aangegeven dat bij het indienen van de in dit artikellid genoemde documenten gebruik moet worden gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier. Door gebruik te maken van een standaardformulier wordt het voor het bevoegd gezag eenvoudiger om het document te beoordelen en wordt uniformiteit in de aanlevering bereikt. Ook is het voor degene die het document indient duidelijker welke informatie hij moet aanleveren. Voor een goede informatieverstrekking naar derden is het nodig dat deze bescheiden in drievoud ingediend worden.

In het tweede lid van dit artikel is de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten opgenomen tot het stellen van nadere regels met betrekking tot de gegevens die moeten worden aangeleverd. Deze regels zijn door Gedeputeerde Staten in een apart besluit opgenomen. Voor een nadere motivering van deze nadere regels wordt verwezen naar het desbetreffende besluit van Gedeputeerde Staten.

Artikel 6.2 Evaluatieverslag

Artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming geeft aan dat het evaluatieverslag "zo spoedig mogelijk" na de uitvoering van de sanering dient te worden aangeboden bij Gedeputeerde Staten.

Deze ruime formulering maakt het mogelijk en gewenst om in de POV vast te leggen binnen welke termijn het evaluatieverslag uiterlijk moet zijn ingediend. In dit artikel is vastgelegd dat dit uiterlijk 13 weken na afloop van de sanering ingediend moet zijn.

Artikel 6.3 Projectgroep

Indien de resultaten van een oriënterend onderzoek gedeputeerde staten aanleiding geven tot een verder (nader) onderzoek als bedoeld in haar vangnetrol conform artikel 48 van de Wet bodembescherming, dient in principe een projectgroep ingesteld te worden, die met het oog op de inspraak als inspraakplatform zal kunnen dienen. Deze projectgroep vervult een belangrijke rol bij het formuleren van een advies aan Gedeputeerde Staten. In de projectgroep worden de door Gedeputeerde Staten te nemen besluiten voor een groot deel voorbereid.

Op deze wijze worden (vertegenwoordigers van) belanghebbenden in staat gesteld om in de voorbereiding van de besluitvorming te participeren. Om de inbreng van het desbetreffende gemeentebestuur te waarborgen zal naast een vertegenwoordiger van Gedeputeerde Staten (in principe de projectleider) een vertegenwoordiger van het gemeentebestuur in de gelegenheid worden gesteld om in de projectgroep zitting te hebben (artikel 6.4, tweede lid, onder b). Het is niet de bedoeling dat de veroorzaker participeert in de projectgroep.

Daarnaast bestaat de projectgroep, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, uit vertegenwoordigers van belanghebbende bewoners en andere die bij het geval belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen (bijvoorbeeld eigenaren of gebruikers), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder en het desbetreffende waterleidingbedrijf indien het saneringsgeval in een grondwaterbeschermingsgebied is gelegen. In sommige gevallen kan het wenselijk zijn dat een vertegenwoordiger van een (overkoepelende) milieuorganisatie zitting heeft in de projectgroep.

Het niet instellen van een projectgroep is op zich zelf overigens geen grond waarop aan het saneringsplan goedkeuring zal worden onthouden. Opgemerkt wordt dat ook bij de gevallen waar het hier om gaat, de beschikking op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming, de instemming met het saneringsplan/gebiedsplan volgens de Algemene wet bestuursrecht tot stand komt. Ook indien geen projectgroep wordt ingesteld, hebben belanghebbenden dus mogelijkheden hun zienswijze kenbaar te maken.

Artikel 6.4 Taak- en samenstelling projectgroep

In artikel 6.4 wordt ingegaan op de taak en samenstelling van de projectgroep als bedoeld in artikel 6.3. Aangezien de projectgroep alleen wordt ingesteld als Gedeputeerde Staten opdrachtgever is, hoeft de projectgroep ook alleen maar aan Gedeputeerde Staten te adviseren. Dit is opgenomen in het eerste lid. In het tweede lid is aangegeven wat de minimale samenstelling van de projectgroep moet zijn. Per saneringsgeval zal moeten worden bezien of en met wie de projectgroep moet worden aangevuld.

Hoofdstuk 7 Gebieden

Algemeen

Ingevolge artikel 4.9, derde lid, onder c, van de Wet milieubeheer vormt de aanduiding van gebieden waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft, een van de hoofdzaken van het door het provinciaal bestuur te voeren milieubeleid. Het milieubeleid is in de provincie Drenthe opgenomen in de Omgevingsvisie Drenthe.

In de Omgevingsvisie Drenthe is aangegeven wat de functie(s) van de te beschermen gebieden zijn of zouden moeten zijn en hoe de bijzondere bescherming van het milieu daar zal worden gerealiseerd. Dat gebeurt onder andere door middel van deze verordening, al dan niet in combinatie met andere instrumenten.

Aan de uitspraken in de Omgevingsvisie Drenthe met betrekking tot deze bijzondere gebieden zijn als zodanig voor burgers of andere overheden geen rechtsgevolgen verbonden. Voor hen ontstaan eventuele rechtsgevolgen eerst als op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer in de POV voor die gebieden regels worden gesteld. De mogelijkheid dat uit anderen hoofde rechtsgevolgen intreden, bijvoorbeeld op grond van de aanwijzing van een gebied ingevolge de Natuurbeschermingswet, door het opnemen van een aanlegvergunningstelsel in een bestemmingsplan of door het opnemen van strafbepalingen in de algemene plaatselijke verordeningen, wordt hier niet uitgewerkt. Wel wordt er op gewezen dat een goede afstemming van provinciaal en gemeentelijk beleid noodzakelijk is om tot een efficiënte inzet van het beschikbare instrumentarium te komen.

Titel 7.1 Aanwijzing van gebieden

Algemeen

Ingevolge artikel 1.2, tweede lid, onder a en b, van de Wet milieubeheer, bevat de verordening ten minste voor een tweetal categorieën van gebieden regels:

  • -

    regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden;

  • -

    regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden.

De aanwijzing van gebieden geschiedt in het bijzonder in het belang van de bescherming van de onderdelen van het milieu die zijn aangegeven op de bij de verordening behorende kaarten van die gebieden. De aanwijzing kan zowel betrekking hebben op handhaving van een goede milieukwaliteit als op verbetering van een slechte milieukwaliteit.

Kan in de Omgevingsvisie Drenthe volstaan worden met een min of meer globale aanduiding van het gebied, voor de toepassing van de verordening is een zo duidelijk mogelijke begrenzing van het gebied noodzakelijk. Daarom zijn de gebieden in de POV tot op perceel niveau begrensd. Over de territoriale werking van de verordening mag men niet in het ongewisse verkeren. Daarom vallen de grenzen van de gebieden zoveel als mogelijk samen met duidelijk in het veld herkenbare structuren die zo min mogelijk aan verandering onderhevig zijn.

Een wijzigingsbevoegdheid van de grenzen van het gebied voor Gedeputeerde Staten wordt om de volgende reden niet gewenst geacht. Zowel bij vergroting als bij verkleining van het gebied zullen veelal belangen in het geding zijn die bij de besluitvorming ter zake zorgvuldig moeten worden gewogen. Met het oog daarop dient een procedure te worden gevolgd met de nodige waarborgen ter behartiging van die belangen (inspraak, overleg en advies). Delegatie zal daarom niet de tijdwinst opleveren die men daarvan op het eerste gezicht verwacht. Omdat het primaat wat betreft de aanwijzing van gebieden bij Provinciale Staten ligt (deze stellen immers de verordening vast), verdient het uit democratisch oogpunt de voorkeur de wijziging van de gebieden aan Provinciale Staten te laten.

Titel 7.2 Zorgplicht

In artikel 7.3 is de bijzondere zorgplicht ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de stilte opgenomen. Deze bepaling is in overeenstemming met het daarvoor opgestelde IPO-model.

Artikel 7.3 Zorgplichtbepaling

De zorgplichtbepaling van artikel 7.3 is een uitwerking van de algemene zorgplichtbepaling voor het milieu die is opgenomen in artikel 1.1a van de Wet milieubeheer.

De uitzonderingen in het derde lid zijn in de verordening opgenomen, om te voorkomen dat de bepaling betrekking zou hebben op een onderwerp waarin een wet in formele zin al voorziet of in een onderwerp dat uitdrukkelijk voor de provinciale wetgever is uitgesloten. Indien deze beperkingen niet zouden worden opgenomen, bestaat het risico dat de bepaling in zijn geheel onverbindend is.

De bepalingen waarnaar wordt verwezen, zijn de zorgplicht voor stoffen, preparaten en genetisch gemodificeerde organismen (artikel 9.2 Wet milieubeheer), de zorgplicht met betrekking tot afvalstoffen (artikel 10.1 Wet milieubeheer) en de zorgplicht met betrekking tot de bodem (artikel 13 Wet bodembescherming).

Titel 7.3 Grondwaterbescherming

Systematiek van de begrenzing

Rond de plaatsen waar grondwater wordt gewonnen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening zijn beschermingsgebieden gecreëerd. Binnen die gebieden gelden regels die ten doel hebben de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Die bescherming ligt niet in alle gebieden op eenzelfde niveau. Er is een nadere onderverdeling van de beschermingsgebieden ingesteld: waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en verbodszones diepe boringen.

Waterwingebieden worden begrensd door de lijn van waaraf het grondwater ten minste 60 dagen in het watervoerende pakket nodig heeft om de winningsmiddelen (de pompputten) te bereiken. Deze 60 dagen zijn gekozen omdat wordt aangenomen dat een verblijftijd van het grondwater in de bodem van 60 dagen voldoende is voor een zodanige afbraak van ziekteverwekkende kiemen, dat er geen gevaar voor de volksgezondheid meer dreigt. De afstand van de grens van het waterwingebied tot de winningsmiddelen dient daarom minimaal 30 m te bedragen.

De grondwaterbeschermingsgebieden en overige beschermingszones liggen rondom de waterwingebieden. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van maatwerk voor wat betreft de omvang van de beschermingsgebieden. Dit maatwerk is gerelateerd aan de mate van kwetsbaarheid van de winning en is afgeleid van de geohydrologische opbouw van de ondergrond en van de grondwaterkwaliteit. De toegepaste berekeningsmethode geeft naast inzicht in de ligging en omvang van de intrekgebieden ook informatie over verblijftijden van het opgepompte water en de bijbehorende volumepercentages. Met behulp van een "responskarakteristiek" wordt daarmee een indruk verkregen van de kwetsbaarheid van de winning.

Zo kenmerkt een kwetsbare winning zich door een groot volumepercentage (meer dan 80%) met een geringe leeftijd (minder dan 100 jaar), terwijl bij een niet-kwetsbare winning een groot deel van het opgepompte water verblijftijden kent van enkele honderden tot meer dan duizend jaren.

Op basis van de berekeningsmethode zijn voor wat betreft de ligging van het intrekgebied en de mate van kwetsbaarheid 3 typen winningen onderscheiden.

Type winningkwetsbaarheid

  • 1.

    Het intrekgebied ligt aaneengesloten rondom het puttenveld: kwetsbaar.

  • 2.

    Deel van het intrekgebied ligt nabij de putten en een deel ligt ver weg: minder kwetsbaar.

  • 3.

    Het intrekgebied ligt ver weg; grote verblijftijden door de aanwezigheid van slecht doorlatende kleilagen: niet kwetsbaar.

Bij kwetsbare winningen is ernaar gestreefd het gehele intrekgebied te beschermen en aan te wijzen als grondwaterbeschermingsgebied. Bij dergelijke (kwetsbare) winningen komt het intrekgebied praktisch overeen met de 100 jaarsverblijftijd, gerekend vanaf het maaiveld (horizontale en verticale reistijd). Een groot deel van de totale volumestroom wordt dan beschermd.

Bij de niet-kwetsbare winningen, winningen onder goed afsluitende kleilagen, is de bescherming beperkt tot het puttenveld (het waterwingebied) vanwege de natuurlijke bescherming van de kleilagen. Daaromheen zijn verbodszones diepe boringen ingesteld; in deze gebieden is het verboden de kleilagen te doorboren. De grenzen van deze verbodszones zijn gebaseerd op de 25-jaarsverblijftijd in het watervoerend pakket (de horizontale reistijd onder de kleilagen). De overige regels en verbodsbepalingen zijn op deze gebieden niet van toepassing.

Bij minder kwetsbare winningen ligt (meestal) een deel van het intrekgebied in de directe nabijheid van het puttenveld en een deel op grote(re) afstand met grote verblijftijden. De bescherming tegen diffuse verontreinigingen is beperkt tot het deel van het intrekgebied rondom het puttenveld met verblijftijden minder dan 100 jaar. Het deel van de volumestroom met een relatief snelle respons wordt dan beschermd.

Voor potentiële puntverontreinigingen en fysische bodemaantastingen, die direct het diepere grondwater kunnen belasten, is vooral de horizontale grondwaterstroming in het watervoerend pakket van belang. Ter afbakening van de bescherming geldt een gebied, begrensd door de 25-jaarsverblijftijd in het watervoerend pakket.

Paragraaf 7.3.2 Waterwingebieden

Artikel 7.5 Inrichtingen in waterwingebieden

In waterwingebieden geldt een absoluut verbod voor het oprichten van bedrijven (inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer). Een uitzondering wordt alleen gemaakt voor de bedrijfsmatige activiteiten van het drinkwaterbedrijf, voor zover noodzakelijk voor de bereiding van drinkwater, en voor activiteiten die ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit al legaal aanwezig waren. De uitzondering voor de activiteiten van het drinkwaterbedrijf ligt voor de hand: het drinkwaterbedrijf kan anders zijn taak niet vervullen. Omdat het bedrijf er zelf belang bij heeft dat een goede grondwaterkwaliteit wordt gehandhaafd, mag er van uit worden gegaan dat het bedrijf zich tenminste aan zijn zorgplicht en de normen die voor grondwaterbeschermingsgebieden gelden, zal houden en dat het bevoegd gezag bij vergunningverlening daar op zal letten. Dit is ook van toepassing wanneer sprake is van niet-vergunningplichtige inrichtingen. Het bevoegd gezag (= het gezag dat op grond van het Activiteitenbesluit bevoegd zou zijn de vergunning te verlenen) dient de afweging genoemd in het tweede lid, te maken. Het bevoegd gezag is hiertoe verplicht op grond van het bepaalde in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Het verbod voor het oprichten van nieuwe inrichtingen is in de praktijk minder ingrijpend dan het lijkt, omdat de meeste waterwingebieden in eigendom van de waterleidingbedrijven zijn en in die gebieden nagenoeg geen 'gewone' bedrijven aanwezig zijn. Bovendien kunnen inrichtingen die op het moment van inwerkingtreden van de bepaling voor waterwingebieden al aanwezig en in werking zijn overeenkomstig de daarvoor geldende regels, krachtens het overgangsrecht in werking blijven.

Artikel 7.6 Activiteiten buiten inrichtingen in waterwingebieden

De regeling voor waterwingebieden beoogt een optimale bescherming zowel van het voor drinkwater bestemde grondwater als van de bodem waarvan het te winnen grondwater deel uitmaakt.

Daarom is elke handeling die er toe kan leiden dat schadelijke stoffen die zijn bedoeld in het eerste lid, onder a, in het grondwater komen, verboden. In het tweede lid zijn expliciet enkele stoffen genoemd die in het wingebied niet aanwezig mogen zijn, omdat zonder een dergelijke bepaling twijfel zou kunnen bestaan of zij wel onder het gestelde in het eerste lid, onder a, vallen. Het gaat in het tweede lid niet om een limitatieve opsomming.

Het verbod op het oprichten van bebouwing volgt uit het stand-still-beginsel, dat hier met zich meebrengt dat er geen toename van bebouwing in het waterwingebied dient te zijn. Bestaande bebouwing valt overigens onder het overgangsrecht; herbouw is dus wel mogelijk.

In het vierde lid zijn enkele handelingen van het in het eerste lid opgenomen verbod uitgezonderd. De redenen daarvoor zijn divers. Sommige handelingen zijn in een wingebied noodzakelijk voor de waterwinning. Dat geldt voor het oprichten van boorputten en controleputten. Andere handelingen worden toegestaan omdat een verbod daarvan onevenredig grote nadelen met zich mee zou brengen, bijvoorbeeld het onderhoud van rioleringen en wegen, en gladheidbestrijding. Weer andere handelingen kunnen worden toegelaten als sprake is van geringe hoeveelheden (kleinschalig gebruik van stoffen). Het begrip geringe hoeveelheid is afhankelijk van het gebruik ter plaatse. Er moet worden gedacht aan hoeveelheden die in elk huishouden aanwezig zijn. Verder moet de stof worden opgeslagen in een deugdelijke verpakking en zijn beschermd tegen weersinvloeden. Een deugdelijke verpakking is een verpakking die geschikt is om de stof te bevatten en voldoende bescherming biedt tegen verontreiniging van de bodem. Beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden betekent dat weersomstandigheden geen invloed op de stof of de verpakking mogen hebben waardoor de stof mogelijkerwijze in of op de bodem kan komen.

Artikel 7.7 Beheerplannen

Op grond van artikel 7.6 moeten de waterleidingmaatschappijen voor de bij hun in beheer zijnde waterwingebieden een beheerplan opstellen. De verplichting was ook reeds in de vorige versie van de POV opgenomen en inmiddels hebben alle waterleidingmaatschappijen hieraan voldaan. In het beheerplan kunnen tevens de activiteiten en handelingen worden opgenomen die zijn toegestaan in het waterwingebied ondanks het verbod dat is opgenomen in artikel 7.5. Omdat hiermee inbreuk wordt gemaakt op de verbodsbepalingen die door Provinciale Staten zijn opgesteld, is in het tweede lid de verplichting opgenomen dat gedeputeerde staten moeten instemmen met dit beheerplan.

Paragraaf 7.3.3 Grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel 7.8 Inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

Niet toegelaten inrichtingen

In grondwaterbeschermingsgebieden moet worden voorkomen dat er inrichtingen worden gevestigd die voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater met het oog op de waterwinning een te groot risico vormen. Voor deze inrichtingen geldt een absoluut verbod. Dit verbod is gebaseerd op artikel 1.2, zesde lid, onder b, van de Wet milieubeheer en was ook al in de vorige versie van de POV opgenomen. De lijst met verboden inrichtingen is opgenomen in bijlage I.

Artikel 7.9 Boorputten en grond- of funderingswerken

Boorputten

Bij het uitvoeren van boringen kunnen in de bodem aanwezige afsluitende lagen worden verstoord. Verontreinigingen kunnen door middel van lekstromen in het diepere grondwater komen. Daarnaast is het van belang dat putten goed aan het maaiveld worden afgesloten. Bij beëindiging van de put moet er voor worden gezorgd dat boorgaten op een goede wijze weer worden opgevuld. Doorboring van afsluitende lagen moet worden hersteld. Het uitvoeren van boringen is dusdanig risicovol dat het verboden is een boring uit te voeren. In de POV is een uitzondering op dit verbod opgenomen voor vier situaties. Hierbij is het onder voorwaarden wel mogelijk een boring uit te voeren.

Wel moet hierbij worden voldaan aan het VKB-protocol 2006 Mechanisch boren.

Indien een boring voldoet aan dit protocol zijn er voldoende waarborgen om een verontreiniging van het grondwater te voorkomen.

Grondwerken

Bij het roeren van de grond gaat het om het uitvoeren of doen uitvoeren van werken op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slechtdoorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Hieronder vallen in ieder geval bodemstabiliseringswerken, boringen, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden, folies en heipalen. Het roeren van de grond in de eerste drie meter heeft weinig invloed op de kwaliteit van het grondwater en zal doorgaans geen gevaar opleveren. Daarom heeft het verbod alleen betrekking op activiteiten die drie meter of meer onder het maaiveld plaatsvinden.

Een geheel verbod op het roeren van de grond dieper dan drie meter is niet haalbaar. Er zijn situaties denkbaar waarbij het nodig is de grond dieper dan de in de verordening genoemde diepte te roeren terwijl geen bedreiging voor de grondwaterkwaliteit optreedt. Bijvoorbeeld het aanleggen van een parkeergarage (met dichte vloer). Met algemene voorschriften kan in zo'n geval voldoende bescherming worden geboden.

Op basis van deze algemene voorschriften moet na graafwerkzaamheden het bodemprofiel worden aangevuld tot tenminste 3 m onder het oude maaiveld. Aanvulling van grond moet gebeuren volgens het oorspronkelijke bodemprofiel en aansluiten op eventuele kunstwerken die zijn aangebracht (riolering, kelder en dergelijke).

Funderingstechnieken

Gladde geprefabriceerde palen en in de grond gevormde palen, zonder verbrede voet, zijn funderingstechnieken die het minste risico opleveren voor de kwaliteit van het grondwater.

Er zijn echter omstandigheden bekend waarbij gladde heipalen niet voldoen en andere technieken nodig zijn. Ook de lokale omstandigheden kunnen het nodig maken om andere technieken te gebruiken. Een te rigoureus verbod kan betekenen dat bepaalde maatschappelijk gewenste activiteiten niet door kunnen gaan. Voor dit soort situaties is een alternatief beschikbaar: de schroefpaal. Hiermee wordt voorkomen dat deze activiteiten onnodig worden geblokkeerd.

Artikel 7.10 Buisleidingen

Transportleidingen vormen een belangrijke risicofactor vanwege potentiële lekkages. Er moet dus zoveel mogelijk worden voorkomen dat transportleidingen van (milieu)gevaarlijke stoffen een grondwaterbeschermingsgebied doorkruisen. Het verbod is niet op alle transportleidingen van toepassing. In artikel 1.1, onder d. is in de begripsbepalingen een nadere definiëring opgenomen. Het gaat om transportleidingen bestemd voor het transport van gas, olie of chemicaliën of leidingen voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën. Voor transportleidingen voor gas is tevens een uitzondering gemaakt voor die leidingen die zijn bestemd voor het transport van gas die dienen voor het plaatselijk transport van en naar particulieren en bedrijven. Daarnaast is dit verbod niet van toepassing op leidingen die zijn gelegen binnen inrichtingen als bedoeld in de Wet milieubeheer.

Artikel 7.11 Gebouwen, wegen en andere verhardingen

Verhardingen en gebouwen

Verhardingen zoals wegen en parkeerplaatsen en gebouwen in grondwaterbeschermingsgebieden zijn tot nu toe aangemerkt als risico's en oorzaak van belasting van de bodem, zowel bij aanleg als gebruik.

Echter: niet de aanwezigheid van verhardingen en gebouwen op zichzelf, maar de keuze van bouwmaterialen en het gebruik brengen risico's en mogelijk bodembelasting met zich mee.

Het is niet nodig regels te stellen aan de constructie of vloeistofdichtheid van verhardingen. Wegen zijn berekend op de verkeersbelasting als gevolg van de verkeerstechnische eisen die aan de weg gesteld worden. Deze brengen met zich mee dat de wegen vloeistofdicht of vloeistofkerend zijn.

Het werkelijke risico wordt gevormd door het afstromend water. Regenwater dat van nature schoon is, kan onderweg verontreinigingen opnemen van (bijvoorbeeld) uitlogende bouwmaterialen en van het verkeer. Het afstromend water van wegen bevat zware metalen, PAK's en minerale olie; in het afstromend hemelwater van gebouwen komen onder andere opgelost koper en zink voor. Bij een calamiteit op de weg kan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen in de berm komen. Bij ongecontroleerde infiltratie in de berm kan dit tot vervuiling van de bodem en het grondwater leiden. Generieke regelgeving beperkt dit risico onvoldoende, gelet op het bijzondere belang en de kwetsbaarheid van de drinkwatervoorziening.

Het aanleggen van een snelweg of een intensief te gebruiken (auto)weg in een grondwaterbeschermingsgebied introduceert een relatief groot risico op calamiteiten met mogelijk grote gevolgen en is daarom in beginsel ongewenst. Een tracé buiten het grondwaterbeschermings¬gebied heeft de voorkeur, gezien vanuit het belang van de drinkwatervoorziening. Als dat niet mogelijk is, kan met adequate voorzieningen (best bestaande technieken) het risico van de weg tot verwaarloosbaar teruggebracht worden. Een absoluut verbod op het aanleggen van wegen is daarom niet proportioneel, evenals voor woonwijken, individuele gebouwen en dergelijke. Een dergelijk verbod zou in de praktijk kunnen leiden tot grote druk om een grondwaterwinning te sluiten om daarmee het verbod op te heffen. De grondwaterbescherming werkt dan averechts: in plaats van het beschermen van het grondwater wordt de winning gesloten. Daarmee zou dit middel zijn doel voorbijschieten.

De POV is er daarom op gericht de resterende risico's van verhardingen en gebouwen verwaarloosbaar te maken, onder meer door het tegengaan van infiltratie van vervuild water en bescherming van afsluitende grondlagen.

Als handreiking aan de initiatiefnemer wordt hier verwezen naar het rapport "Afstromend wegwater" (Commissie Integraal Waterbeheer, Den Haag, 2002), waarbij aangetekend wordt dat later nieuwe inzichten kunnen ontstaan waardoor dit rapport achterhaald wordt.

De Commissie Integraal Waterbeheer (CIW) komt - met het oog op de bodembescherming in het algemeen - tot een aantal maatregelen. Die komen onder andere neer op het gebruik van ZOAB, periodiek reinigen van de vluchtstrook en het gecontroleerd infiltreren in de berm of buiten het kwetsbare gebied. Dit 'gecontroleerd infiltreren' wordt in het rapport nader toegelicht. De CIW vervolgt dat het aan de provincies is om extra maatregelen te nemen met het oog op de bescherming van het drinkwater.

De door de CIW voorgestelde maatregelen moeten als een minimum beschouwd worden.

Voor intensief gebruikte wegen, zoals autosnelwegen en doorgaande (auto)wegen, met een relatief grote kans op incidenten, zijn zwaardere maatregelen nodig, zoals het gebruik van folies en afvoervoorzieningen in de wegbermen. Het opgevangen water wordt afgevoerd of met de best beschikbare technieken gezuiverd voordat het wordt geïnfiltreerd. Voor minder intensief bereden wegen zijn minder vergaande maatregelen nodig, mede afhankelijk van de kwetsbaarheid van het gebied. Voor kleine weggetjes is het uiteraard overbodig de bermen met folie in te pakken en het regenwater op het riool af te voeren. De CIW-aanpak van gecontroleerd infiltreren is hier afdoende.

Uiteindelijk beoordeelt het bestuursorgaan, aan wie de melding gedaan wordt, of de initiatiefnemer in die specifieke situatie voldoende maatregelen heeft getroffen.

Toegestaan gebruik van de bodem, bijzondere zorgplicht

In deze POV is afgezien van het opnemen van voorschriften die het 'normale', toegestane gebruik van de bodem (bijvoorbeeld bewoning) reguleren. Dit gebruik vormt een verwaarloosbaar risico, mits gebruikers 'met gezond verstand' en volgens de algemeen geldende regels met de bodem omgaan. De bijzondere zorgplicht van artikel 7.3 biedt voldoende mogelijkheden om eventuele uitwassen en de gevolgen daarvan aan te pakken. Daarom is afgezien van bijvoorbeeld het stellen van speciale regels aan bouwactiviteiten. Generieke regelgeving en de bijzondere zorgplicht zijn voldoende. Dit houdt ook in dat het bevoegde gezag bij vergunningverlening de initiatiefnemers op de risico's en de bijzondere zorgplicht wijst en zo nodig (aanvullende) voorschriften stelt zodat adequate bodembeschermende maatregelen worden getroffen.

Diepinfiltratie

Bij diepinfiltratie wordt opgevangen hemelwater in watervoerende lagen gebracht, meestal enkele tientallen meters diep. Binnen de intrekgebieden van de drinkwatervoorziening vormt diepinfiltratie een groot risico, omdat het niet naleven van regels of het maken van fouten vergaande gevolgen heeft. Een eventuele verontreiniging kan immers zonder de reinigende werking (natuurlijke afbraak, adsorptie aan bodemdeeltjes) van een bodempassage direct in het watervoerende pakket doordringen. Een voorbeeld van een dergelijke fout is het verkeerd aansluiten van riolering of het lozen van vuil water op een hemelwaterkolk, waardoor vuil water in een hemelwaterriool terecht kan komen. Als dit water diep wordt geïnfiltreerd, kan dit een drinkwaterbron onbruikbaar maken.

De regelgeving voor het grondwater in het algemeen (generieke regelgeving) is niet toereikend waar het gaat om de zorg voor de drinkwatervoorziening omdat deze wel regels stelt aan diepinfiltratie, maar het onvoldoende mogelijk maakt om in kwetsbare gebieden diepinfiltratie volledig uit te sluiten.

In de verordening is daarom een absoluut verbod voor diepinfiltratie van afstromend water opgenomen. Ook andere, meer incidenteel, voorkomende vormen van diepinfiltratie zijn in het algemeen niet toelaatbaar. Dat volgt uit de algemene zorgplichtbepaling.

Parkeren zonder aaneengesloten verharding

Het risico op lekkage en afspoelen van schadelijke stoffen van motorvoertuigen is bij de huidige stand der techniek beperkt, maar niet verwaarloosbaar. Parkeren op onverharde terreinen, dat wil zeggen: zonder aaneengesloten verharding, dus bijvoorbeeld op kale grond, gras, grind en steengranulaat, is ongewenst. Vaste parkeerplekken moeten daarom voorzien worden van een aaneengesloten verharding. Ook zijn er regels gesteld met betrekking tot afstromend water van verhardingen.

Bij een aaneengesloten verharding, zoals asfalt en strak gelegde straatklinkers stroomt het merendeel of alle water af en kan dit worden opgevangen. Eventuele olielekkage wordt opgemerkt en opgevangen door de verharding en kan daarna kan worden opgevangen of uit het afstromend water worden gehaald.

Het risico op bodemverontreiniging neemt toe met de intensiteit van het parkeren. Een permanente parkeervoorziening op niet verhard terrein is daarom niet toegestaan. Het risico van kleinere parkeergelegenheden voor privégebruik wordt als verwaarloosbaar beschouwd. Voor kleinschalig privé gebruik wordt daarom een uitzondering gemaakt. Voor grootschalig gebruik als parkeergelegenheid (bijvoorbeeld bij een evenemententerrein) zal een verharding (inclusief bijbehorende opvang en zuivering van afstromend water) moeten worden aangebracht.

Artikel 7.12 Begraafplaatsen

Het is ongewenst dat dergelijke activiteiten plaatsvinden binnen de grondwaterbeschermingsgebieden.

Artikel 7.13 Warmtetoevoeging en -onttrekking

Warmtetoevoeging en warmteonttrekking aan bodem en grondwater vindt vooral plaats om te besparen op het gebruik van niet vernieuwbare energiebronnen. Gebouwen en processen kunnen op een energiezuinige manier van koeling en verwarming worden voorzien door gebruik te maken van ondergrondse energieopslag. De techniek daarvoor is goed uitontwikkeld en wordt inmiddels op ruime schaal toegepast. Zie hiervoor tevens de toelichting opgenomen bij hoofdstuk 5 van deze verordening.

De toepassing van deze systemen brengt risico's met zich mee voor de drinkwaterwinning. Opwarming van het grondwater kan leiden tot verandering van de chemische kwaliteit, er kan negatieve beïnvloeding optreden van de stromingsrichting van grondwater voor drinkwaterbereiding, en er kunnen zich calamiteiten voordoen bij gebruik van vloeistoffen in gesloten systemen. Ook het boren in de bodem kan een bedreiging opleveren. Deze systemen zijn daarom niet toegestaan.

Het verbod op boren (artikel 7.8) houdt in feite al in dat bodemenergiesystemen niet geïnstalleerd mogen worden. Omwille van de duidelijkheid en vooral vanwege de reden voor het verbod is toch een bijzondere bepaling opgenomen. De reden voor het boorverbod (7.8) is vooral de boring zelf. De bepaling stelt voorwaarden aan de wijze van boren, waarbij het verbod voor de meeste situaties opgeheven wordt indien de boring wordt gemeld en bij die melding wordt aangegeven op welke wijze aan die regels wordt voldaan. De reden voor het verbod op bodemenergiesystemen ligt met name in het gebruik van die boring, zoals het risico van de gebruikte stoffen, verplaatsing van verontreiniging en temperatuurveranderingen in de bodem. Van het verbod van artikel 7.13 kan   anders dan bij het verbod op boren - geen ontheffing worden verleend. Het valt immers niet in te zien dat het algemeen belang de realisatie van een bodemenergiesysteem noodzakelijk zou maken.

Artikel 7.14 IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie

Door het (her)gebruik van bouwstoffen, grond en bagger kan het grondwater dat wordt gebruikt voor de openbare drinkwaterwinning, worden verontreinigd. Landelijke gebruiksregels zijn opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). In het Bbk worden voor diverse situaties "standaardnormen" vastgesteld. Bij de normstelling is het risico van verspreiding van verontreinigingen naar het grondwater dat voor de drinkwaterwinning is bestemd, niet specifiek in aanmerking genomen. Dergelijke risico's zijn echter niet bij voorbaat uit te sluiten. Tussen verschillende locaties kunnen de risico's afwijken, afhankelijk van onder andere de kwetsbaarheid van een gebied, reeds aanwezige functies, bodemopbouw, bodemsamenstelling, kwaliteit van het te storten materiaal, mobiliteit van verontreinigingen, mate van doorlatendheid van de (water)bodem en van het toegepaste materiaal en wijzigingen in milieuomstandigheden (zuurgraad en zuurstof). Dit vraagt in bepaalde gevallen om een locatiespecifieke benadering.

In grondwaterbeschermingsgebieden is het beleid erop gericht om het bestaande beschermingsniveau minimaal in stand te laten (standstill) en zo mogelijk een verbetering van het beschermingsniveau te bereiken. Met het oog daarop geldt dat aanvoer van verontreinigende stoffen van buiten het grondwaterbeschermingsgebied dient te worden voorkomen. Daarmee wordt bereikt dat geen toename van verontreinigingen in het grondwaterbeschermingsgebied plaatsvindt.

Gelet op bovenstaande zijn in de POV de volgende regels opgenomen voor toepassing van bouwstoffen, grond en bagger in de grondwaterbeschermingsgebieden, aanvullend op de regels van het Bbk.

IBC-Bouwstoffen

In het Bbk wordt onderscheid gemaakt tussen vormgegeven bouwstoffen, niet-vormgegeven bouwstoffen en IBC-bouwstoffen. Vormgegeven bouwstoffen bestaan uit flinke brokken, bijvoorbeeld bakstenen, betonklinkers, asfaltbeton en heipalen. Voorbeelden van niet-vormgegeven bouwstoffen zijn assen en granulaten. Wanneer niet-vormgegeven bouwstoffen niet aan de norm voor ongeïsoleerde toepassing voldoen, dan kan de bouwstof mogelijk nog als IBC-bouwstof worden toegepast. IBC-bouwstoffen zijn niet-vormgegeven bouwstoffen die alleen mogen worden toegepast met isolatie-, beheers- en controle (IBC )maatregelen, omdat het gebruik anders tot teveel emissies naar het milieu kan leiden.

De normen voor bouwstoffen bestaan uit maximale samenstellings- en emissiewaarden: samenstellingswaarden voor organische parameters en emissiewaarden voor anorganische parameters. De emissiewaarden zijn verschillend voor vormgegeven, niet-vormgegeven en IBC-bouwstoffen, vanwege de verschillen in uitloogeigenschappen. De samenstellingswaarden zijn voor de verschillende bouwstoffen gelijk.

In grondwaterbeschermingsgebieden worden schone (primaire) bouwstoffen toegestaan en bouwstoffen die voldoen aan de emissie- en samenstellings normen voor ongeïsoleerde toepassing. Toepassing van zwaarder verontreinigde bouwstoffen (IBC-bouwstoffen) is in grondwaterbeschermings gebieden niet toegestaan.

Vanuit de optiek van de bescherming van de grondwaterkwaliteit zou het wellicht wenselijk zijn dat de aanvoer van verontreinigde bouwstoffen van buiten het grondwaterbeschermingsgebied geheel wordt verboden (standstill op gebiedsniveau). Omdat echter niet altijd voldoende schone bouwstoffen beschikbaar zijn - verhardingsmateriaal bijvoorbeeld bevat vaak lichte verontreinigingen - is dat niet realistisch. De toepassing van andere bouwstoffen dan IBC-bouwstoffen is derhalve onder de voorwaarden van het Bbk in grondwaterbeschermingsgebied wel toegestaan.

Grond en baggerspecie (toepassingen tot 5.000 m3)

Op grond van het generieke beleid mag de toe te passen kwaliteit van grond of baggerspecie niet slechter zijn dan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Onderscheiden worden de klassen Achtergrondwaarden, Wonen en Industrie voor landbodems en de klassen Achtergrondwaarden, klassen A en B en Niet toepasbaar voor waterbodems.

Op basis van het gebiedsspecifieke kader van het Bbk kunnen gemeenten en waterschappen lokale normen vaststellen, die hoger of lager zijn dan op basis van het generieke kader is toegestaan tot maximaal de Interventiewaarden/Saneringscriterium. Wanneer hogere lokale normen worden vastgesteld, is het mogelijk om grond/bagger toe te passen met een kwaliteit die slechter is dan de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem, mits het gaat om gebiedseigen grond (uit het totale beheergebied).

Op grond van artikel 7.14 is in grondwaterbeschermingsgebieden de toepassing van grond en baggerspecie met de kwaliteit Achtergrondwaarden (schoon) toegestaan en onder voorwaarden klasse Wonen/klasse A. Voor de toepassing van verontreinigde grond of baggerspecie van de klasse Wonen/klasse A, moet aan twee voorwaarden zijn voldaan. De eerste voorwaarde is dat de grond of baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied om een toename van verontreinigingen op gebiedsniveau te voorkomen (standstill op gebiedsniveau). De tweede voorwaarde is dat geen verontreinigde grond (klasse Wonen/klasse A) op een schone (water)bodem (Achtergrondwaarden) mag worden toegepast (standstill op lokaal niveau).

Grootschalige toepassing van grond en baggerspecie (meer dan 5.000 m3)

Het toetsingskader voor grootschalige toepassingen conform artikel 63 van het Bbk (minimale omvang van 5.000 m3 en een minimale laagdikte van 2 meter) kent naast de Achtergrondwaarden (schoon) ook Emissiewaarden en Emissietoetswaarden voor zware metalen. Bij grootschalige toepassing van grond en baggerspecie op landbodem mag de kwaliteitsklasse Industrie niet worden overschreden. Bij grootschalige toepassing van grond in oppervlaktewater mag de kwaliteitsklasse Industrie en de Interventiewaarden voor waterbodems niet worden overschreden en bij toepassingen van bagger mogen de Interventiewaarden voor waterbodems niet worden overschreden. Het toetsingskader voor grootschalige toepassingen is daarmee ruimer, soepeler dan het generiek en gebiedsspecifiek toetsingskader van het Bbk.

Voor grootschalige toepassing in beschermingsgebieden voor de drinkwaterwinning is het toetsingskader voor grootschalige toepassingen in het Bbk niet geschikt. Juist bij toepassing van grote hoeveelheden grond en bagger, in soms diepe putten, is vanwege de risico's voor de kwaliteit van het grondwater een strikter toetsingskader noodzakelijk.

Daarom is bepaald dat grootschalig toe te passen verontreinigde grond of baggerspecie de klasse Wonen/klasse A niet mag overschrijden en uit het gebied afkomstig moet zijn en dat door de wijze van toepassing en de te treffen voorzieningen en maatregelen de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwatervoorziening niet toenemen.

Met name bij grootschalige toepassingen (voor onder water) kan ernstiger schade ontstaan als ernstig verontreinigd materiaal illegaal wordt gestort of zich calamiteiten voordoen. Er zal gedurende de duur van het project dan ook een grote handhavingsinspanning moeten worden geleverd om te voorkomen dat ernstig verontreinigde grond of baggerspecie wordt toegepast. Daarom wordt ook de aanvoer van grote hoeveelheden niet-schone grond van buitenaf verboden.

Grootschalige toepassing in een grondwaterbeschermingsgebied dient niet alleen op grond van het Bbk te worden gemeld aan het meldpunt bodemkwaliteit, maar ook dient daarvan op grond van de regeling in de verordening een melding te worden gedaan. De melding moet de resultaten bevatten van locatiespecifiek onderzoek waarmee wordt aangetoond dat door de wijze van toepassing en de te treffen voorzieningen en maatregelen de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwatervoorziening niet toenemen. Deze melding maakt preventief toezicht mogelijk. Op de melding zijn de procedureregels van artikel 7.20 van toepassing.

Opgemerkt wordt nog dat de hiervoor beschreven regeling voor de grootschalige toepassing niet betrekking heeft op toepassing binnen een inrichting. Ingevolge het bepaalde onder 28.3 van het Besluit omgevingsrecht zijn "inrichtingen voor zover het betreft toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is en waarin wordt gehandeld in overeenstemming met de bepalingen van dat besluit" geen inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Indien echter de bepalingen van het Besluit bodemkwaliteit niet worden nageleefd, is er wel sprake van een inrichting, en wel van een inrichting voor het storten van afvalstoffen of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen (categorie 28, punt 28.1, van het Besluit omgevingsrecht). Een dergelijke inrichting is in grondwaterbeschermingsgebied niet toegelaten (artikel 7.7 juncto bijlage I).

Verspreiding baggerspecie

Voor verspreiding van baggerspecie vanuit watergangen over aangrenzende percelen biedt het Besluit bodemkwaliteit voldoende bescherming. Dit kan worden toegestaan in de grondwaterbeschermingsgebieden, conform de eisen van het Bbk.

Paragraaf 7.3.4 Verbodszone diepe boringen

In een verbodszone diepe boringen bevinden zich tussen het maaiveld en het watervoerende pakket waaraan het grondwater wordt onttrokken, zodanige beschermende bodemlagen dat met een beperkte regeling kan worden volstaan. Een verbod op het oprichten en in gebruik hebben van inrichtingen of de uitvoering van activiteiten die zich bovengronds afspelen is niet nodig omdat de generieke wetgeving, toepassing van de NRB en in aanvulling daarop de bijzondere zorgplicht voldoende bescherming bieden.

Wel zijn er regels nodig om de scheidende lagen boven het watervoerende pakket van drinkwaterwinning zo min mogelijk te verstoren. Het gaat daarbij om regels voor boorputten en grond- of funderingswerken en om regels voor bodemenergiesystemen (warmtetoevoeging en - onttrekking). Deze regels gelden ook in grondwaterbeschermingsgebieden en worden in artikel 7.14 van toepassing verklaard voor de verbodszones diepe boringen. Daarbij is wel bepaald dat de verboden niet van toepassing zijn als deze niet dieper gaan dan de voor dat gebied op kaart aangegeven maximale diepte. Hiermee wordt voldoende voorkomen dat de afschermende kleilagen worden aangetast.

Paragraaf 7.3.5 Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa

Artikel 7.16 Verbod vullen en spoelen spuitmachines

Voor het grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa is in artikel 7.16 een verbod opgenomen om oppervlaktewater in te nemen dat bestemd is voor het vullen en spoelen van machines voor het verspuiten van gewasbeschermingsmiddelen. Hiermee wordt voorkomen dat door dergelijke activiteiten het oppervlaktewater wordt verontreinigd.

Artikel 7.17 Spuitvrije zones Drentsche Aa

In artikel 7.17, eerste lid, is het verbod opgenomen om binnen een afstand van 4 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken.

In het tweede lid is om praktische redenen een uitzondering gemaakt van het in het eerste lid genoemde verbod voor het pleksgewijze behandelen van akkerdistel en dergelijke.

Van een pleksgewijze behandeling is in deze verordening slechts sprake indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • -

    geen volveldbespuiting, dus alleen daar spuiten waar akkerdistel, ridderzuring, brandnetel of jacobskruiskruid staat (de plekken op zich kunnen variëren van klein - bijvoorbeeld 1 m2 - tot grotere plekken);

  • -

    een curatieve bespuiting, geen preventieve;

  • -

    een handmatige bespuiting, dus geen gebruik van een "spuitboommachine".

Paragraaf 7.3.6 Aanduiding gebieden

Artikel 7.18 Bebording

Dit artikel is bedoeld om de herkenbaarheid van het gebied in het veld te vergroten en daarmee ook de handhaafbaarheid van de regels. Het werken met een model waarborgt de eenduidigheid van de wijze van bebording.Er wordt hierbij aangesloten bij het reeds bestaande landelijke model. Bebording moet voldoen aan de volgende NEN en Europese normen: R.V.V. 1990 & NEN 3381 & EN12899-1 met afmeting van 40 x 60 of 60 x 90 volgens de typen L304-A, l304-b, l305-a en l305-b.

Paragraaf 7.3.7 Overige bepalingen

Artikel 7.19 Relatienotagebied

De in dit artikel opgenomen beperking van de werkingssfeer van de verordening betreft gebieden die door de Minister van VROM en de Minister van Landbouw gezamenlijk op grond van artikel 1.2, vijfde lid, van de Wet milieubeheer zijn aangewezen. Van deze aanwijzingsmogelijkheid is tot op heden geen gebruik gemaakt.

Artikel 7.20 Meldingen

Voor de handhaving van de in deze verordening gestelde regels is het van groot belang dat het bevoegd gezag tijdig informatie ontvangt over het voornemen om activiteiten uit te voeren die risico's voor de kwaliteit van het grondwater met zich mee brengen. Daarom is daarvoor een informatieverplichting in de verordening opgenomen. Hoewel ook het streven van de provincies er op is gericht zo min mogelijk administratieve lastendruk te veroorzaken, is het belang van een goede bewaking van de grondwaterkwaliteit zo zwaarwegend dat aan deze informatieverplichting niet valt te ontkomen. Bedacht moet worden dat al een geringe verontreiniging ernstige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater en daarmee voor de drinkwatervoorziening.

Het kan zijn dat voor de activiteit waarvoor een melding moet worden gedaan, op grond van andere regelgeving al een melding moet worden gedaan. Dat kan zijn op grond van artikel 32 of artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit. Het ligt voor de hand dat in een dergelijk geval de meldingen dan zoveel mogelijk tegelijkertijd worden gedaan. Wel zullen daarbij in ieder geval de termijnen en inhoudelijke eisen die in de verordening worden gesteld in acht moeten worden genomen.

De regeling van de melding in de provinciale omgevingsverordening is als volgt.

De melding wordt uiterlijk negen weken voor de uitvoering gedaan. De melding bevat een beschrijving van de activiteit en de bodembeschermende voorzieningen en maatregelen.

Na ontvangst van de melding wordt onverwijld een afschrift van de melding aan het drinkwaterbedrijf gezonden. Binnen zes weken na ontvangst stuurt het bestuursorgaan een brief waarin het aangeeft of het verwacht dat de activiteit waarvan melding wordt gedaan, gezien de ontvangen gegevens zal voldoen aan de gestelde regels. Het is onzeker of het geven van een dergelijke verwachting moet worden aangemerkt als het nemen van een besluit. Enerzijds kan de mededeling worden aangemerkt als een niet bindende beoordeling van de activiteit in vooroverleg. Anderzijds is er jurisprudentie dat de mededeling die een oordeel geeft over de aanvaardbaarheid van een activiteit, moet worden aangemerkt als een besluit, waartegen bezwaar en beroep open staat.

Als de gegevens in de melding voor een beoordeling van de te nemen maatregelen onvoldoende zijn, kan met overeenkomstige toepassing van artikel 4:5 Awb om aanvullende gegevens worden gevraagd. De termijn waarbinnen het bestuursorgaan moet reageren, is zes weken. Bij overschrijding van de termijn wordt het oordeel van het bestuursorgaan geacht positief voor de melder te zijn. Als om aanvullende gegevens wordt gevraagd, wordt de termijn van zes weken opgeschort (artikel 4:15 Awb).

Op grond van artikel 7.20, vierde lid, moet de aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden minimaal twee weken voor de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk aan het bestuursorgaan worden gemeld. Deze schriftelijke melding is ook toegestaan via een e-mail of fax.

Artikel 7.21 Ontheffingen

De strikte regelgeving ter bescherming van de grondwaterkwaliteit kan er toe leiden dat een activiteit met een groot maatschappelijk belang op grond van de verordening niet kan worden toegelaten. Onder bijzondere omstandigheden kan het gewenst zijn dat dat toch gebeurt als het algemeen belang dat met uitvoering van de activiteit is gediend zwaarder weegt dan het - naar mag worden aangenomen beperkte - risico op grondwaterverontreiniging. Voor deze bijzondere situaties is in de verordening een regeling opgenomen. Van een in de verordening opgenomen verbod kan ontheffing worden verleend indien het algemeen belang de uitvoering van de activiteit waarop het verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt. Dat zal bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als een voor de gemeenschap zeer belangrijke infrastructurele voorziening moet worden aangelegd en de bepalingen van de verordening daaraan in de weg staan. De mogelijkheid van ontheffing is niet bedoeld om een afweging te maken tussen het enkele belang van een individuele aanvrager en het belang van de bescherming van de grondwaterkwaliteit.

De ontheffing wordt verleend door Gedeputeerde Staten. Afdeling 3.4 van de Awb is van toepassing op de voorbereiding van de ontheffing (artikel 1.3, vierde lid, Wm).

Voor de ontheffing geldt dat voorschriften moeten worden opgelegd die de hoogst mogelijke bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden. Dat betekent dat de beste milieupraktijken en de best beschikbare technieken dienen te worden toegepast.

Handhaving

Voor activiteiten buiten inrichtingen zijn Gedeputeerde Staten het bestuursorgaan dat met de handhaving is belast.

Overtreding van de rechtstreeks werkende bepalingen van de verordening is een economische delict.

Artikel 7.22 Overgangrecht

In de verordening is overgangsrecht opgenomen voor inrichtingen en activiteiten die ten tijde van de inwerkingtreding van deze regeling legaal, dat wil zeggen in overeenstemming met de op dat moment geldende regels van de provinciale omgevingsverordening, in werking zijn respectievelijk worden uitgevoerd.

Titel 7.4 Stilte

Algemeen

De regels opgenomen in deze titel hebben betrekking op het tegengaan van wild crossen, het houden van toertochten en het organiseren of houden van grootschalige evenementen binnen de stiltegebieden. Dergelijke activiteiten verstoren op een zodanige wijze de ervaring van natuurlijke geluiden, dat deze activiteiten binnen stiltegebieden ongewenst zijn. De term "grootschalige evenementen" is niet in de verordeningstekst gedefinieerd.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een grootschalige activiteit hebben wij een koppeling gemaakt met de IPO-notitie "Een luisterend oor voor de stilte" (Nieuw perspectief voor stiltegebieden: Van beschermen en behouden naar versterken en beleven), juni 2011. Wij beschouwen een activiteit als grootschalig als sprake is van:

  • -

    een activiteit die een meer dan geringe verkeersaantrekkende werking heeft;

  • -

    een activiteit met een geluidsbron of geluidsbronnen waarvan het geluidniveau op 50 meter afstand meer bedraagt dan 50 dB(A);

  • -

    een toeristische attractie van regionale of bovenregionale betekenis.

De vangnetfunctie voor toestellen is opgenomen in de zorgplichtbepaling in 7.3.

Paragraaf 7.4.1 Begripsbepalingen

Artikel 7.23 Begrippen

In artikel 7.23 is het begrip "openbare weg" gedefinieerd. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Wegenverkeerswet 1994. De Wegenverkeerswet 1994 is echter van toepassing op alle wegen en paden die voor het openbaar verkeer open staan. Derhalve ook op wegen die alleen open staan voor voetgangers en fietsers.

Juist op deze wegen en paden dienen motorvoertuigen in stiltegebieden te worden geweerd. Derhalve worden wegen die alleen open staan voor voetgangers en fietsers in artikel 7.23 uitgezonderd van het begrip "openbare weg". Dit betekent dat daarmee handhavend kan worden opgetreden bij overtreding van artikel 7.25 indien een motorvoertuig of bromfiets zich binnen een stiltegebied bevindt op een weg die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen open staat voor voetgangers en fietsers.

Paragraaf 7.4.2 Verbodsbepalingen

Artikel 7.24 Grootschalige evenementen

In artikel 7.24 is een verbodsbepaling opgenomen voor het houden of organiseren van een grootschalig evenement waarbij gebruik wordt gemaakt van onder andere een modelvliegtuig, modelboot, of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor (onder b). Modelvliegtuigen met een totale massa van meer dan 20 kg vallen onder de Luchtvaartwet en worden daardoor aangemerkt als luchtvaartuig. Op grond van het bepaalde in artikel 1, van de Wet geluidhinder valt een luchtvaartuig niet onder het begrip "toestel". Aangezien in dit hoofdstuk de begripsomschrijving van de Wet geluidhinder is overgenomen, valt een luchtvaartuig dus ook niet onder de werking van dit hoofdstuk.

Artikel 7.25 Motorvoertuig of bromfiets buiten openbare weg

De Wegenverkeerswet regelt het gebruik van motorvoertuigen en bromfietsen op openbare wegen en paden. Daarbuiten geldt een verbod op grond van artikel 7.25, waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor bestemmingsverkeer.

Om de handhaving te vereenvoudigen is het voor de toepassing van deze bepaling niet vereist dat de motor in werking is.

Artikel 7.26 Toertocht motorvoertuigen of bromfietsen

Artikel 24 van de Wegenverkeerswet regelt het houden van wedstrijden op openbare wegen en paden. Op grond van jurisprudentie worden bij de toepassing van dat artikel milieufactoren meegewogen. Het ligt voor de hand geen wedstrijden toe te staan op wegen en paden in de stiltegebieden.

Bepaling 7.26 behelst een verbod op toertochten (wedstrijdelement ontbreekt).

Paragraaf 7.4.3 Vrijstellingen en ontheffingen

Artikel 7.27 Vrijstelling stiltegebied

Onder a

Aan de normale uitoefening van agrarische bedrijvigheid, tuinbouw, bosbouw en verveningen, alsmede aan onderhoudswerkzaamheden in het kader van natuur- en landschapsbeheer (waarin onder meer begrepen zijn de werken van een waterschap), worden geen beperkingen opgelegd indien de veroorzaakte geluiden overeenkomen met het verwachtingspatroon dat uit de bestemming van de grond, of uit de aard van het landschap kan worden afgeleid.

Artikel 7.28 Ontheffing stiltegebied

Bij de vaststelling van de zesde wijzigingstranche is een nieuw artikel ingevoegd (artikel 7.28) waarin een ontheffingsmogelijkheid is opgenomen voor activiteiten binnen de stiltegebieden. Deze mogelijkheid is in de POV opgenomen omdat op dat moment een evaluatie en actualisatie van het beleid en de regelgeving voor de stiltegebieden in Drenthe werd uitgevoerd.

Bij de beoordeling van aanvragen om ontheffing wordt uitdrukkelijk rekening gehouden met de IPO-notitie "Een luisterend oor voor de stilte" (Nieuw perspectief voor stiltegebieden: Van beschermen en behouden naar versterken en beleven), juni 2011. Met deze ontheffingsmogelijkheid is een overgangssituatie gecreëerd naar het nieuwe beleid en regeling om te voorkomen dat er maatschappelijk ongewenste situaties ontstaan. De mogelijkheid tot ontheffing is beperkt tot de onderdelen a en c. Wij achten het niet wenselijk om voor de onder b genoemde activiteiten (gebruik van modelvliegtuigen, modelboten of modelauto's) een mogelijkheid tot ontheffing op te nemen.

Daarnaast zullen wij bij de beoordeling van een aanvraag om ontheffing uitdrukkelijk rekening houden met de locatie van de activiteit binnen het stiltegebied. Activiteiten die plaatsvinden aan de randen van de stiltegebieden zullen eerder voor een ontheffing in aanmerking kunnen komen dan activiteiten die plaatsvinden in de kern van de stiltegebieden. De gebieden die zijn gelegen in de kern zijn de meest waardevolle onderdelen van de stiltegebieden die vanuit een beperking van de aantasting van de omgevingsgeluiden ook de meeste bescherming behoeven. Op deze wijze wordt een beleid voorgestaan waarbij een mogelijke aantasting van de te beschermen waarden van het gebied op zo groot mogelijke afstand van deze kerngebieden wordt gehouden. In deze kerngebieden zullen in principe geen ontheffingen worden verleend.

Ook voor het overige zullen wij toetsen of een aanvraag om ontheffing overeenkomt met de uitgangspunten van de hiervoor genoemde IPO-notitie.

Deze regeling is - conform hetgeen hierover is bepaald in artikel 1.2, zesde lid, van de Wet milieubeheer - niet van toepassing op activiteiten die plaatsvinden binnen een inrichting.

In het tweede lid is de mogelijkheid opgenomen om af te wijken van de op grond van de Wet milieubeheer verplicht getelde toepassing van de procedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.  Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 1.3, vierde lid, van de Wet milieubeheer.Voorwaarde is wel dat er naar verwachting geen zienswijzen zijn te verwachten naar aanleiding van de gevraagde ontheffing. Deze zienswijzen dienen betrekking te hebben op het belang waarom deze regeling is opgesteld.

Paragraaf 7.4.4 Aanduiding gebieden

Artikel 7.29 Bebording stiltegebied

Dit artikel is bedoeld om de herkenbaarheid van het gebied in het veld te vergroten en daarmee ook de handhaafbaarheid van de regels. Het werken met een model waarborgt de eenduidigheid van de wijze van bebording. Er wordt hierbij aangesloten bij het reeds bestaande landelijke model. Bebording moet voldoen aan de volgende NEN en Europese normen: R.V.V. 1990 & NEN 3381 & EN12899-1 met afmeting van 40 x 60 of 60 x 90 volgens de typen L306 en l30e.

Hoofdstuk 8 Ontgrondingen

Het merendeel van de wettelijke bepalingen, die specifiek op de ontgrondingen zijn gericht, is opgenomen in de Ontgrondingenwet. Deze wet bevat onder meer het verbod om te ontgronden zonder vergunning en geeft een niet uitputtende opsomming van de voorschriften die aan een vergunning kunnen worden verbonden. Ook kent de wet procedurebepalingen. De strafbaarstelling van overtredingen is geregeld in de Wet op de economische delicten. Voorts is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, die onder meer bepalingen bevat over de voorbereiding van de beslissing op vergunningsaanvragen, over beroepsprocedures en eveneens over de handhaving. Dit hoofdstuk over ontgrondingen geeft slechts op enkele punten aanvullende regels en is daarom beperkt van opzet.

Ontgrondingen zijn vooral gericht op het winnen van oppervlaktedelfstoffen. In Drenthe betreft dit nagenoeg alleen verschillende soorten zand. De overheidsbemoeienis met de ontgrondingen is in het bijzonder in het leven geroepen om een algemene afweging te kunnen maken van de uiteenlopende belangen die met de winning activiteiten gemoeid zijn. Ontgronden is echter een weids begrip. Er zijn naast de winning van bodemmaterialen vele werkzaamheden waarbij tijdelijk of definitief materiaal aan de bodem wordt onttrokken. Om de maatschappelijke activiteiten niet meer aan banden te leggen dan strikt noodzakelijk is noemt de Ontgrondingenwet enkele werkzaamheden waarop deze wet niet van toepassing is, zoals de uitvoering van een landinrichtingsplan en de meeste bodemsaneringen.

Bovendien geeft de Ontgrondingenwet de provinciale besturen de bevoegdheid ontgrondingen aan te wijzen waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist.

Artikel 8.1 Vrijstellingen

Dit artikel bevat de provinciale vrijstellingen van het vereiste van vergunning. Dit betekent niet dat al deze werkzaamheden zonder meer kunnen worden uitgevoerd maar dat er voor dat deel van de werkzaamheden, dat als ontgronding kan worden aangemerkt, geen vergunning krachtens de Ontgrondingenwet is vereist. In praktisch alle gevallen is de overheid er in meer of mindere mate wel bij betrokken. Vaak zal op grond van andere wetten al een vergunning, ontheffing of toestemming zijn vereist van een overheidsorgaan. Diverse uitzonderingen kennen op hun beurt weer een beperking. Het al dan niet voorkomen van een beperking en de mate daarvan is afhankelijk van de aard van de werkzaamheden en van de overheidsbemoeienis daarmee.

In beginsel gelden de vrijstellingen niet voor de winning van bodemmateriaal. Hierop bestaan twee uitzonderingen. In de eerste plaats is enige winning gebruikelijk ten behoeve en ter plaatse van activiteiten, zoals de aanleg van een kade om een bassin, om een mestput of om een afval- of zanddepot. In de tweede plaats hebben de beheerders van het grootste deel van het Drentse grondgebied, te weten de land-, tuin- en bosbouwers en de natuurterreinbeherende instanties, een vrijstelling die ook de winning van bodemmateriaal ten behoeve van hun inrichtings- en beheerstaak niet uitsluit.

In artikel 8.1, tweede lid is opgenomen dat de vrijstellingsregeling niet van toepassing is op ontgrondingen die zandwinning als doel hebben. In dit artikellid is voor een aantal werkzaamheden een uitzondering gemaakt.

Artikel 8.2 Meldingen

De meldingsplicht, die in dit artikel is geregeld, is bedoeld om Gedeputeerde Staten inzicht te geven in het beschikbaar komen van oppervlaktedelfstoffen uit de vrijgestelde werkzaamheden.

Artikel 8.3 Vergunningen

De Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de aanvrager de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. De noodzakelijke gegevens en bescheiden lopen nogal uiteen, afhankelijk van de aard van de ontgronding. Door gebruik te maken van een aanvraagformulier kan hier flexibel mee worden omgegaan. Het derde lid van dit artikel is bedoeld voor situaties waarin er voldoende gegevens verstrekt zijn of kunnen worden om tot een afgewogen beslissing te komen, maar waarin de eigendomssituatie een belemmering voor de eventuele uitvoering van de werkzaamheden kan vormen. De provincie kan zich in dat geval een zinloze, maar veelal tijdrovende voorbereidingsprocedure besparen.

Artikel 8.5 Eenvoudige procedure

In beginsel is de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de voorbereiding van ontgrondingbeschikkingen. In eenvoudige gevallen is het mogelijk de beschikking op andere wijze voor te bereiden. Hierbij blijven echter wel de algemene bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht over zorgvuldigheid en belangenafweging, die gelden voor de voorbereiding van het nemen van besluiten en de bijzondere bepalingen voor het geven van beschikkingen, van toepassing.

Hoofdstuk 9 Vaarverbod Drentsche Aa

Algemeen

Het stroomgebied van de Drentsche Aa heeft een bijzondere ecologische en cultuurhistorische waarde. De waterlopen vormen daarbij de ruggengraat of de kern van het waardevolle gebied. In dit gebied, dat vanwege zijn grote waarde als natuurlijk systeem zo hoog wordt gewaardeerd, passen, mits goed gezoneerd, rustige vormen van recreatie zoals wandelen en fietsen.

Met zonering wordt een geleiding van het recreatieve medegebruik beoogd. Dit met de bedoeling om de negatieve beïnvloeding van de waarden van de meest voor verstoring gevoelige delen van het gebied tot een minimum te beperken. Dit betekent dat een overigens rustige vorm van recreatie als kanovaren in het gebied van de Drentsche Aa hoogst ongewenst is, omdat het water en de oever(vegetatie)s met de aangrenzende gronden juist tot de meest kwetsbare delen (als gezegd: de ruggengraat) behoren. De kwetsbaarheid bestaat vooral in verontrusting van de fauna, beschadiging van de bodem en flora en vervuiling van het water. Overigens zijn op andere plaatsen volwaardige alternatieven voor de kanosport aanwezig, bijvoorbeeld de Hunze.

Op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer kunnen in de Provinciale omgevingsverordening regels worden opgenomen ter bescherming van het milieu. Het begrip "milieu", het object van de bescherming, moet in de Wet milieubeheer worden opgevat als het fysieke milieu: de fysieke omgeving van de mens in al zijn verschijningsvormen. Daartoe behoort per definitie ook natuur en landschap.

Dit hoofdstuk voorziet in een (beperkte) mogelijkheid ontheffing van het verbod te verlenen. De uitvoering ervan is gemandateerd van Gedeputeerde Staten naar Staatsbosbeheer. Dat wil zeggen dat Staatsbosbeheer in naam van Gedeputeerde Staten (dus onder diens verantwoordelijkheid) de ontheffing verleent.

Het verbod wordt gehandhaafd door opsporingsambtenaren die in dienst zijn bij Staatsbosbeheer. Hun opsporingsbevoegdheid voorziet al hierin. Vanzelfsprekend vindt handhaving ook plaats door andere instanties met een algemene opsporingsbevoegdheid, zoals de politie. Het vaarverbod is kenbaar gemaakt door borden. Deze zijn aangeschaft, geplaatst en worden onderhouden door Staatsbosbeheer.

Nadere aandacht verdient de samenloop van het verbod in de keur met dat in de Provinciale omgevingsverordening. Van beide verboden kan worden afgeweken voor bepaalde vaaractiviteiten (door middel van het verstrekken van een vaarvergunning respectievelijk vrijstelling en ontheffing). De vaarvergunning wordt toegestaan, tenzij de belangen die aan het waterschap zijn toevertrouwd (zorg voor de waterstaat en waterhuishouding) worden geschaad. Vrijstelling en ontheffing van de Provinciale omgevingsverordening is alleen mogelijk voor onderhoudsactiviteiten en onderzoeksdoeleinden. Het verbod in de Provinciale omgevingsverordening maakt dus minder uitzonderingen mogelijk dan dat in de keur.

Voor onderhoudswerkzaamheden, waarvoor een vrijstelling in de Provinciale omgevingsverordening is opgenomen, blijft een vergunning van het waterschap vereist. Voor (incidentele) onderzoeksactiviteiten is zowel een ontheffing van de Provinciale omgevingsverordening als een vergunning vereist. Hiervoor dienen 2 verschillende instanties, respectievelijk Staatsbosbeheer (namens Gedeputeerde Staten) en het waterschap Hunze en Aa's, te worden benaderd.

Artikel 9.2 Vaarverbod

In beginsel zijn alle mogelijke vormen van varen en vaartuigen verboden. Daarbij gaat het niet alleen om het varen, maar ook al om de feitelijke aanwezigheid van een vaartuig in een waterloop. Overtreding van het verbod is op grond van artikel 14.1 van deze verordening een strafbaar feit.

Artikel 9.3 Uitzondering op het vaarverbod

Voor onderhoudswerkzaamheden in het kader van het beheer van het gebied (waterloop en aangrenzend gebied), waaronder begrepen de werkzaamheden van het waterschap en het vangen van muskusratten, geldt een vrijstelling en is het verbod niet van toepassing. Hiervoor is geen ontheffing vereist.

Artikel 9.4 Ontheffing

De categorie van gevallen waarvoor een ontheffing kan worden verleend is beperkt tot het doen van onderzoek. Dit kan wetenschappelijk onderzoek zijn vanwege de bijzondere kwaliteiten van het gebied, maar ook het nemen van monsters ter bepaling van de waterkwaliteit (drinkwaterfunctie van de Drentsche Aa) of van de bodemkwaliteit in de waterloop.

Het doen van onderzoek is niet onder artikel 9.3 gebracht vanwege de handhaafbaarheid. Voor de opsporingsambtenaren zal in het algemeen snel duidelijk zijn of een bepaalde activiteit onder artikel 9.3 valt. Dit geldt in mindere mate voor hetgeen onder artikel 9.4 is gebracht. Tevens zal niet altijd duidelijk zijn wat onder onderzoek kan worden verstaan. Tot slot biedt een ontheffing de mogelijkheid om er voorschriften aan te verbinden (bijvoorbeeld alleen gedurende bepaalde tijdsperioden of alleen op een bepaald gedeelte).

Hoofdstuk 10 Water

Algemeen

Hoofdstuk 10 is van toepassing op de gebieden van de waterschappen Hunze en Aa's, Noorderzijlvest, Reest en Wieden en Veltstromen, voorzover gelegen binnen het grondgebied van de provincie Drenthe. Voor het gebied van deze waterschappen buiten Drenthe gelden de verordeningen van de provincies Overijssel en Groningen. In de voorbereiding is bij het opstellen gebruik gemaakt van een in IPO-verband ontwikkelde modelverordening.

Paragraaf 10.1 Normen

Algemeen

Op grond van artikel 2.4 van de Waterwet moeten bij provinciale verordening veiligheidsnormen worden vastgesteld voor regionale waterkeringen. Het betreft hier andere dan de primaire waterkeringen die in beheer zijn bij het Rijk of een andere beheerder. In deze titel is daarin voorzien door het vastleggen van het gewenste beschermingsniveau van de regionale waterkeringen. De regionale waterkeringen zijn aangegeven op de als bijlage bij deze verordening behorende kaart. Op die kaart is tevens voor elke waterkering de veiligheidsnorm aangegeven. Door het stellen van normen geeft de provincie in deze verordening nader invulling aan de reglementair opgedragen taak van de waterschappen, te weten de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied.

Artikel 10.2 Veiligheidsnorm

Eerste lid

In dit lid is bepaald aan welke veiligheidsnorm de regionale keringen moeten voldoen. De norm is uitgedrukt in een gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste waterstand die de desbetreffende waterkering veilig moet kunnen keren. Deze veiligheidsnorm is onder andere gerelateerd aan de economische schade die bij het falen van de waterkering kan optreden of maatschappelijke ontwrichting. De uitgangspunten voor de berekening van de schade en de vertaling naar de norm zijn afgeleid van IPO-Leidraden die daartoe zijn opgesteld.

Algemeen

In artikel 2.9, tweede lid, van de Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening voor de regionale wateren de rangorde kan worden bepaald van de maatschappelijke en ecologische behoeften bij watertekorten. In dit artikel is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Van watertekort is sprake indien de vraag naar water vanuit de verschillende maatschappelijke en economische behoeften groter is dan het aanbod. Hierbij gaat het om de beschikbaarheid van voldoende water van die kwaliteit die voor bepaalde behoeften nodig is. Het beheer van het regionale watersysteem is er, onder andere, op gericht alle watervragers zoveel mogelijk van het benodigde water te voorzien. Water wordt hiertoe via de Drentse kanalen vanuit het Meppelerdiep en voor een klein deel uit de Vecht aangevoerd. In tijden van watertekort is het echter niet meer mogelijk om alle watervragers te bedienen. De gevolgen voor waterverbruikers kunnen aanzienlijk zijn. De regionale verdringingsreeks biedt helderheid over welke behoeften in een situatie van watertekort voorgaan boven de anderen en draagt bij aan een slagvaardig en eenduidig optreden van de waterbeheerder in situaties van watertekorten.

In artikel 2.1 van het Waterbesluit is de landelijke verdringingsreeks vastgelegd. De landelijke verdringingsreeks bepaalt hoe het beschikbare water in de door het Rijk beheerde wateren wordt verdeeld in tijden van watertekort. De reeks is daardoor van toepassing in alle rijkswateren. In de landelijke verdringingsreeks zijn de watergebruikers ingedeeld in 4 categorieën.

Binnen de categorieën 1 en 2 is sprake van een door het Rijk vastgestelde prioriteitsvolgorde. Deze is bindend. Daarnaast is er een groot aantal gebieden, waar het oppervlaktewater niet door het Rijk wordt beheerd. Daarom is er binnen de categorieën 3 en 4 ruimte voor een regionale prioritering op basis van minimalisatie van de economische en maatschappelijke schade. Dat kan in principe betekenen dat elke partij of regio binnen categorieën 3 en 4 anders prioriteert. Een werkgroep heeft voor het gebied rondom het IJsselmeer geadviseerd om die prioritering voor Noord-Nederland zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen.

In het rapport Waterverdeling Noord-Nederland, Advies van de Werkgroep Regionale Uitwerking Verdringingsreeks Noord-Nederland, september 2006, is daar uitwerking aan gegeven. Op basis van dit rapport leggen de provincies rondom het IJsselmeer de verdringingsreeks voor onttrekkingen uit het IJsselmeer op deze wijze in de verordeningen vast.

In opdracht van de Coördinatiecommissie Twentekanalen/Overijsselse Vecht is in 2010 onderzoek verricht naar prioritering van de watervraag in het aanvoergebied van de Twentekanalen en de Overijsselse Vecht. Het advies van de Coördinatiecommissie Twentekanalen/Overijsselse Vecht is verwerkt in het Waterakkoord Twentekanalen/Overijsselse Vecht, dat de basis vormt voor de verdringingsreeks voor de aanvoer naar dit watersysteem. Op basis van dit waterakkoord leggen de provincies Drenthe en Overijssel het advies voor de verdringingsreeks voor onttrekkingen uit het systeem Twentekanalen/Overijsselse Vecht in de verordening vast. In de praktijk blijkt dit in Drenthe slechts betrekking te hebben op een relatief klein gebied ten zuiden van Coevorden. Wij hebben er voor gekozen om deze verdringingsreeks, naast de al bestaande verdringingsreeks, als artikel 10.4 in de POV op te nemen. Hierdoor blijft deze afwijkende verdringingsreeks herkenbaar en gemakkelijk toegankelijk. Het gebied waarop artikel 10.4 van toepassing is, is opgenomen in Bijlage III van de POV.

Artikel 10.3 Regionale verdringingsreeks

Het gaat hierbij om onttrekkingen die afkomstig zijn uit het IJsselmeer. Dit kunnen rechtstreekse onttrekkingen uit het IJsselmeer zijn, maar ook onttrekkingen uit watersystemen die gevoed worden vanuit het IJsselmeer. Dit betreft voor Drenthe het overgrote deel van de provincie. Deze verdringingsreeks is afgestemd in Noord-Nederland.

Eerste lid, onder a en b

In voorkomende gevallen wordt eerst op doorspoeling gekort. Of het water dan nog voor procesdoeleinden of gietwater wordt gebruikt, wordt aan de gebruikers overgelaten. Pas wanneer dat nodig is, worden onttrekkingen voor procesdoeleinden of gietwater verboden.

Eerste lid, onder c

Het gaat hier om akker- en tuinbouwgewassen wanneer met relatief kleine hoeveelheden water relatief grote sociaal-economische gevolgen zoals faillissementen te voorkomen zijn. Kan structureel van toepassing zijn of er kan in voorkomende gevallen incidenteel gebruik van worden gemaakt.

Tweede lid, onder a

Algen en botulisme in zowel stedelijke als landelijke wateren worden veelal als overlast ervaren. De bestrijding hiervan door middel van doorspoeling valt onder de subcategorie genoemd onder h van dit lid. Alleen als de volksgezondheid in het geding is, is sprake van categorie a.

Tweede lid, onder b en c

Het gaat hierbij om beregening van alle akker- en tuinbouwgewassen, inclusief bloembollen, echter exclusief maïs. Ook sportvelden, ‘greens’ en dergelijke vallen in deze categorie. Voorafgaand wordt de doorspoeling tegen verzilting en verontreiniging gestopt.

Tweede lid, onder d en e

Bij het opleggen van beperkingen komt eerst de peilhandhaving voor niet kwetsbare natuur te vervallen gevolgd door peilhandhaving van klei- en zandsloten.

Tweede lid, onder f

Voor het beperken van de beregening van gras en maïs in een vroeg stadium, is gekozen vanwege de lage rentabiliteit van deze beregening.

Tweede lid, onder g

Het gaat hierbij om een tijdelijke stopzetting van de lokstroom. Alleen voor soorten die in de desbetreffende periode trekken, heeft dat een tijdelijk effect op de visintrek. Van een onomkeerbaar effect is geen sprake.

Tweede lid, onder h

De doorspoeling tegen algen en botulisme wordt teruggebracht tot nul wanneer alleen sprake is van overlast, maar gehandhaafd wanneer dat nodig is ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid en andere maatregelen, zoals het instellen van een zwemverbod, niet afdoende zijn (zie ook de categorie genoemd onder a).

Tweede lid, onder i

In tekortsituaties zal eerst het waterverbruik voor het schutten van de beroeps- en recreatievaart op buitenwater (voor zover daarbij waterverlies optreedt) tot een minimum worden teruggebracht. Dat minimum zal in de regel niet nul zijn; de economische belangen van zowel de beroeps- als de recreatievaart zijn zodanig dat van stilleggen geen sprake kan zijn.

Artikel 10.4 Afwijking watersysteemTwentekanalen/Overijsselse Vecht

Er zijn een paar gebieden die rechtstreeks water inlaten vanuit het systeem Twentekanalen/ Overijsselse Vecht. Verder wordt water bij de Stieltjeskanaalsluis doorgevoerd. Hier mengt het zich met water vanuit de aanvoerroute IJsselmeergebied. Op dat moment is de verdringingsreeks IJsselmeergebied van toepassing, omdat deze aanvoerroute het grootst is en zeer waarschijnlijk het langste doorgaat.

Eerste lid, onder a, b en c

Zie toelichting bij artikel 10.3, eerste lid, onder a, b en c.

Tweede lid, onder a

Algen en botulisme in zowel stedelijke als landelijke wateren worden veelal als overlast ervaren. De bestrijding hiervan door middel van doorspoeling valt onder de subcategorie genoemd onder f van dit lid. Alleen als de volksgezondheid in het geding is, is sprake van categorie a.

Tweede lid, onder b

Op de Twentekanalen kan de functie scheepvaart een aanzienlijke hoeveelheid water vragen. Het kan dus voorkomen dat ook deze categorie gekort moet worden om aan de behoeften van andere zwaarwegender functies te kunnen voldoen.

Het kan echter ook voorkomen dat door het schutten van schepen het schutverlies niet tot vermindering van de aanvoercapaciteit leidt. Een voorbeeld hiervan is het schutten bij Stieltjeskanaalsluis, waar de schutverliezen richting Vechtsysteem gaan. De sluis is de scheiding tussen de twee gebieden en eigenlijk behoort deze sluis tot het IJsselmeergebied.

Tweede lid, onder c

Het gaat hierbij om beregening van alle akker- en tuinbouwgewassen, inclusief bloembollen, echter exclusief maïs. Ook sportvelden, greens en dergelijke vallen in deze categorie.

Tweede lid, onder d

Voor het beperken van de beregening van gras en maïs in een vroeg stadium is gekozen vanwege de lage rentabiliteit van deze beregening.

Tweede lid, onder e

Bij het opleggen van beperkingen komt eerst de peilhandhaving voor niet kwetsbare natuur te vervallen.

Tweede lid, onder f

Het gaat hierbij om het voldoen aan de KRW-doelen. Tijdelijk kan daar niet aan voldaan worden. Hierbij moet ook gedacht worden aan de tijdelijke stopzetting van de lokstroom bij vistrappen. Alleen voor soorten die in de desbetreffende periode trekken, heeft dat een tijdelijk effect op de visintrek. Van een onomkeerbaar effect is geen sprake.

Artikel 10.5 Normen waterkwantiteit

Deze verplichting vloeit voort uit artikel 2.8 van de Waterwet. Voor verschillende gebieden worden normen gegeven waarbij de kans op wateroverlast door grote hoeveelheden neerslag is gerelateerd aan het landgebruik en de te verwachten schade bij wateroverlast. De normen drukken het wenselijk geachte beschermingsniveau uit. De normering bakent de zorgplicht en inspanningsverplichting af die de waterbeheerder heeft op het vlak van het voorkomen, dan wel beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie (overstroming) vanuit oppervlaktewater ten gevolge van neerslag. Deze normering geeft daarmee helderheid voor de burgers en de bedrijven over hun eigen risico en verantwoordelijkheid ten aanzien van roerende en onroerende zaken.

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (2003) zijn werknormen opgenomen die voor de verschillende vormen van landgebruik het wenselijk geachte beschermingsniveau uitdrukken. De vormen van landgebruik die worden onderscheiden zijn: grasland, akkerbouw, hoogwaardige land- en tuinbouw, glastuinbouw en bebouwd gebied. Deze werknormen zijn uitgangspunt bij het bepalen van het voor een gebied toepasselijke beschermingsniveau. Voor specifieke gebieden kunnen door de waterbeheerder gemotiveerd andere normen worden aangehouden. Dit kan alleen als het een strengere norm betreft. Dit valt namelijk al binnen de bepaling ('niet vaker dan'). Voor bepaalde gebieden is het wenselijk lichtere normen aan te houden. De waterbeheerder doet hiertoe een gemotiveerd voorstel aan Provinciale Staten. Indien deze het voorstel overnemen worden de afwijkende normen vastgesteld en opgenomen in de provinciale verordening en het beheerplan van het waterschap. Eventuele maatregelen die nodig zijn om de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren aan de in deze verordening vastgelegde norm te laten voldoen neemt de beheerder op in het beheerplan zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwet.

In het eerste en tweede lid wordt onderscheid gemaakt in het gebied binnen en buiten de bebouwde kom. Binnen de bebouwde kom is de normering voor wateroverlast vastgesteld op eens in de 100 jaar. Deze norm geldt voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen. Voor alle overige doeleinden is een gemiddelde vastgesteld van eens in de 10 jaar. Hierbij moet worden gedacht aan parken en plantsoenen, waarvoor een norm van 1:100 als onnodig zwaar wordt gezien.

Buiten de bebouwde kom is de normering voor wateroverlast met name gerelateerd aan de economische waarde van het landgebruik. Hierbij dient terughoudend te worden omgegaan met de gronden die op de nominatie staan om aangewezen te worden als Natuurnetwerk Nederland maar nog niet zijn verworven. Investeringen in deze gebieden kunnen zeer snel als onrendabel worden aangemerkt. Voor natuurgebieden is geen norm in deze verordening opgenomen omdat doorgaans geen sprake is van wateroverlast. De basis voor de normering is vastgelegd in de provinciale omgevingsvisie.

In artikel 10.5 is in het derde lid aangegeven dat bij de verordening een kaart wordt opgenomen waarop voor de verschillende te onderscheiden gebieden als bedoeld in het tweede lid, de norm staat aangegeven van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren. De kaart is samengesteld uit informatie die van de verschillende waterschappen is ontvangen.

Deze verplichting vloeit voort uit artikel 2.8 van de Waterwet. Voor verschillende gebieden worden normen gegeven waarbij de kans op wateroverlast als gevolg van grote hoeveelheden neerslag is gerelateerd aan het landgebruik en de te verwachten schade hierbij. Basis voor de normering is het grondgebruik. Daarin wordt onderscheid gemaakt in stedelijk gebied, waarvoor een norm van 1 keer per 100 jaar geldt voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen. Buiten het stedelijk gebied geldt een norm van 1:10 voor grasland, 1:25 voor akkerbouw en 1:50 voor intensieve vormen van landbouw zoals glastuinbouw en boomteelt. Deze normen zijn adviesnormen. Lokaal kan daarvan worden afgeweken. In het algemeen is uitgegaan van het gemiddelde grondgebruik per peilvak. Op de kaart is aangegeven welke normen voor welke gebieden gelden.

Om te bereiken dat de toetsing van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren door de beheerders op uniforme wijze tot stand komt zijn Gedeputeerde Staten bevoegd nadere voorschriften te stellen.

Om tijdig te kunnen waarnemen of watersystemen op orde blijven, is het noodzakelijk dat de toetsing van het watersysteem periodiek wordt herhaald. Dat wil zeggen, eens per 12 jaar een volledige toetsronde, met in het tussenliggende zesde jaar een herziening van de normering voor zover daar aanleiding voor is.

Paragraaf 10.2 Toedeling beheer vaarwegen

Algemeen

De Waterwet beoogt te bewerkstelligen dat landsdekkend is bepaald wie belast zijn met het beheer van watersystemen. In artikel 3.1 van de Waterwet is bepaald dat alle watersystemen of onderdelen daarvan die bij het Rijk in beheer zijn, worden aangewezen bij of krachtens Algemene maatregel van bestuur. In artikel 2, tweede lid, van de Waterschapswet is bepaald dat de zorg voor het regionale watersysteem bij reglement aan waterschappen wordt opgedragen, tenzij dat niet verenigbaar is met een goede organisatie van de waterstaatkundige verzorging. De reglementaire taakopdracht is gebiedsgericht.

Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Waterwet moeten bij provinciale verordening beheerders worden aangewezen voor de niet bij het Rijk in beheer zijnde watersystemen of onderdelen daarvan. Hierbij dient artikel 2, tweede lid, van de Waterschapswet in acht te worden genomen.

De in deze titel opgenomen regeling gaat uit van het in de afgelopen jaren gevoerde provinciale beleid met betrekking tot het beheer van provinciale vaarwegen. Met deze regeling wordt niet beoogd hierin verandering aan te brengen.

Aard van de bepalingen

De artikelen in deze titel hebben betrekking op het vaarwegbeheer en voor een deel op het nautisch beheer. Bij vaarwegbeheer gaat het om instandhouding van de natte infrastructuur waarover scheepvaartverkeer moet kunnen plaatsvinden, alsmede om aanleg en verbetering van objecten die deel uitmaken van die infrastructuur. In de praktijk wordt dit wel omschreven als 'het in stand houden van de bak'. Voor het (technisch) beheer van de droge infrastructuur zijn richtlijnen opgenomen in de Wegenwet. Voor het beheer en onderhoud van de natte infrastructuur is echter geen specifiek wettelijk kader beschikbaar.

Het nautisch beheer is gericht op het bevorderen van een veilige, vlotte en doelmatige afwikkeling van het scheepvaartverkeer, onder andere door regulering en handhaving. Het nautisch beheer is hoofdzakelijk geregeld in de zogenaamde hogere regelgeving: de Scheepvaartverkeerswet en de daaruit voortvloeiende regelingen, zoals onder meer het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer (BABS).

Artikel 10.6 Begripsomschrijvingen

Vaarweg

De omschrijving is ontleend aan artikel 1.01, onderdeel D 5, van het BPR. Binnen deze omschrijving valt het begrip vaarwater, zijnde het gedeelte van een vaarweg dat feitelijk door de scheepvaart kan worden gebruikt. De beperking 'voor zover vermeld op lijst A of lijst B' voorkomt dat ook sloten en dergelijke kleine wateren in principe onder het regime van de verordening vallen.

Werk

Strikt genomen moet een vaarweg ook als een 'werk' als hier bedoeld worden beschouwd, maar voor de hanteerbaarheid van de bepalingen van de verordening is hiervan afgezien.

Artikel 10.7 Toedeling beheer vaarwegen

Dit artikel voorziet in de aanwijzing van beheerders voor vaarwegen. Hiertoe is op lijsten aangegeven welke gemeente, welke provincie of welk waterschap is belast met het vaarwegbeheer van regionale en lokale wateren. Door middel van deze lijsten wordt de bestaande beheersituatie vastgelegd. Daarmee zijn deze lijsten voor de bestuurspraktijk bepalend voor de vraag welk bestuursorgaan een zorgplicht dan wel bevoegdheden heeft voor het vaarwegbeheer van bedoelde wateren. Lijst A bevat alleen de vaarwegen die bij de provincie in beheer zijn. Op Lijst B (de 'toezichtlijst') zijn alle wateren opgenomen die van lokale betekenis zijn voor de scheepvaart en waarop de provincie het toezicht heeft. Bij de vaststelling van de 8e wijzigingstranche van de POV (PS 10 december 2012,. Pb 2012, 45) zijn de lijsten A en B aangepast. Tevens hebben provinciale staten de op grond van artikel 4.4 van de Waterwet verplichte toekenning van de vaarwegfunctie aan wateren in Drenthe opgenomen in dit besluit. Daarbij zijn ook de functionaliteiten van deze vaarwegen vastgelegd. Het toekennen van de vaarwegfunctie en de functionaliteiten is een besluit dat is gekoppeld aan de Omgevingsvisie Drenthe.

Artikel 10.8 Belangenbescherming

Deze bepaling geeft een nadere uitwerking van de doelstellingen die met deze titel worden nagestreefd. In afwijking van het IPO-model is ervoor gekozen ook ecologische, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve, toeristische of landschappelijke belangen hierin mee te nemen. Deze belangen waren ook al opgenomen in de vorige POV. Er is hier dus sprake van voortzetting van huidig beleid.

Artikel 10.9 Vaarwegdiepte en vaarwegonderhoud

Het derde lid bindt het vaststellen en wijzigen van de minimaal benodigde vaarwegdiepten aan de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Bij het vaststellen van de minimaal benodigde vaarwegdiepten wordt rekening gehouden met de Richtlijnen vaarwegen 2005, onderdeel 3, Vaarwegvakken, en de vigerende CEMT-klassen en richtlijnen van het BRTN-convenant.

Artikel 10.11 Bedieningstijden van bruggen en sluizen

Het belang van de beroepsvaart en de recreatievaart is gediend met een optimale afstemming van de bedieningsregimes van de beweegbare bruggen en sluizen. Dit artikel legt daarom de vaststelling van deze bedieningstijden exclusief (uitgezonderd de spoorbruggen) bij Gedeputeerde Staten (eerste lid). Voorts moeten de beheerders van deze bruggen en sluizen ervoor zorgen (derde lid) dat ze minimaal bediend worden op de tijden die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met de Richtlijnen vaarwegen 2005, onderdeel 7, Bediening. Voor de vaststelling van de bedieningstijden voor vaarwegen die opgenomen zijn in de BRTN worden de BRTN-richtlijnen ten behoeve van de recreatievaart tevens meegewogen. Het vierde lid bindt het vaststellen en wijzigen van bedieningstijden van bruggen en sluizen aan de openbare voorbereidingsprocedure van de Awb.

Artikel 10.12 Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer

Deze bepaling is vergelijkbaar met artikel 8, tweede lid, van de Wegenwet, op grond waarvan (land)wegen in beheer bij een provincie of een waterschap aan het openbaar verkeer onttrokken kunnen worden. De onttrekking van een vaarweg of een gedeelte daarvan aan het openbaar scheepvaartverkeer is blijvend en geldt voor elk type schip in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet.

Artikel 10.13 Absoluut verbod voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken

De vaarwegbeheerders van de wateren van lijst B dienen ten aanzien van de in dit artikel genoemde onderwerp zelf te voorzien in regelgeving.

De in dit artikel opgenomen verboden zijn zoveel als mogelijk opgenomen in de vorm van doelvoorschriften. Zo is het verboden het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij scheepvaartwegen te belemmeren. Ook is het verboden de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de scheepvaartweg in gevaar te brengen. Dat betekent bijvoorbeeld dat het verboden is houtgewas of takken van bomen zodanig in of boven de vaarweg te laten hangen dat zij hinder voor de scheepvaart veroorzaken.

Dit betekent ook dat er langs de oever geen werken mogen worden opgericht, bijvoorbeeld in de bocht van een scheepvaartweg, die het uitzicht van het scheepvaartverkeer belemmeren. De afstand van het werk tot de vaarweg is hierbij niet van belang. Bij twijfel kunnen de Richtlijnen vaarwegen 2005 uitkomst bieden of kan contact worden opgenomen met de desbetreffende beleidsafdeling.

In het BPR en de keuren van de waterschappen staan soortgelijke bepalingen als opgenomen in sub c van dit artikel. In het BPR is geregeld dat het verboden is vanaf een schip stoffen in het water te brengen. Daarnaast is in de keuren van de waterschappen, die ook voor de scheepvaartwegen gelden, ook geregeld dat er geen stoffen in het water mogen worden gebracht. Omdat het regelmatig voorkomt dat er maaisel zodanig op de oever wordt gebracht dat het in het water terecht kan komen en daar adequaat gehandhaafd moet kunnen worden, is een expliciet verbod in de verordening opgenomen.

De verboden van dit artikel zijn absoluut: ontheffing ervan is niet mogelijk.

Artikel 10.14 verboden met ontheffingsmogelijkheid voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken

De vaarwegbeheerders van de wateren van lijst B dienen ten aanzien van de in dit artikel genoemde onderwerp zelf te voorzien in regelgeving.

Het eerste lid bevat verboden waarvan ontheffing kan worden gevraagd. In sub c van dit lid is bepaald dat er geen veranderingen mogen worden aangebracht aan de scheepvaartweg. Tot veranderingen behoren onder meer verbredingen, versmallingen, verdiepingen of verondiepingen van de scheepvaartweg.

Voor het houden van wedstrijden is op grond van artikel 1.23 van het BPR toestemming vereist. In dit artikel (eerste lid, onder e) is tevens een regeling opgenomen voor situaties waarin de wedstrijd of evenement niet op of in het water worden gehouden maar wel over of boven het water. Hierbij kan worden gedacht aan paalstokspringen. Deze activiteit valt wel onder de verordening, maar niet onder het BPR.

Artikel 10.15 Provinciaal belang

Dit artikel bepaalt de uitzonderingspositie van personen die handelen in opdracht van of in het belang van de provincie. Het kan voorkomen dat er werkzaamheden moeten worden verricht waardoor schade of hinder ontstaat. Voorwaarde is daarbij wel dat de werkzaamheden worden verricht ten behoeve van de bescherming en instandhouding van wegen en waterwegen.

Artikel 10.16 Aanwijzing andere ligplaats

Dit artikel vormt een aanvulling op de nautische regel van het BPR ten aanzien van de verhaalplicht van schepen die afgemeerd zijn op plaatsen waar andere schepen moeten worden geladen of gelost. Deze verhaalplicht wordt in dit artikel ook opgelegd aan schepen wanneer onderhoudswerkzaamheden moeten worden uitgevoerd.

Artikel 10.17 Procedurebesluit

Op grond van dit artikel is op de voorbereiding van de in artikel 10.9, eerste lid, artikel 10.11, eerste lid, artikel 10.12 en artikel 10.14, derde lid, genoemde besluiten afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Paragraaf 10.3 Regionaal waterplan en beheerplannen

Artikel 10.18 Voorbereiding regionaal waterplan

Afdeling 3.4 van de Awb is van toepassing op de voorbereiding van het waterplan. De inspraakperiode bedraagt 6 weken.

Artikel 10.19 Uitwerking regionaal waterplan

Dit artikel biedt Provinciale Staten de grondslag om Gedeputeerde Staten de bevoegdheid te verlenen dan wel te verplichten tot het uitwerken van bepaalde onderdelen van het regionaal waterplan. De planuitwerking verkrijgt vervolgens dezelfde status als het regionaal waterplan. De bevoegdheid is beperkt tot het uitwerken van het eerder vastgestelde kader. De uitwerking mag zich dan ook niet richten op het niveau van daadwerkelijke uitvoering van maatregelen. Die bevoegdheid is immers voorbehouden aan de waterschappen. Een in een uitwerkingsplan uit te werken onderwerp is bijvoorbeeld het aanwijzen van een waterbergingsgebied.

Artikel 10.20 Inhoud beheerplan

Het beheerplan bevat (op de schaal van het waterschap) een uitwerking van de strategische doelen die de provincie in haar regionaal waterplan heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten minste inzicht in het te voeren beheer, waaronder concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren.

Artikel 10.21 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan

In artikel 3.10 van de Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening regels kunnen worden gesteld over de door de besturen van waterschappen te vertrekken informatie. Voor het kunnen uitoefenen van toezicht is het van belang dat Gedeputeerde Staten over adequate en voldoende actuele informatie beschikken. Dit artikel regelt dat het dagelijks bestuur, ten minste een keer per jaar, Gedeputeerde Staten informeert over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan en de mate waarin de in het beheerplan gestelde doelen worden bereikt. Deze voortgangsrapportage is de basis voor het periodiek bestuurlijk overleg in de beleidscyclus tussen de provincie en het waterschap. Uitgangspunt is dat de samenwerking tussen provincie en waterschap zich toespitst op de gezamenlijke beleidsvorming (met ieder een eigen rol hierin), de uitvoering en het toezicht op de uitvoering. Daarbij wordt uitgegaan van een afstemming van taken op basis van partnerschap en complementariteit. In het periodiek overleg kunnen alle onderwerpen op het gebied van het regionaal waterbeheer, het regionaal waterplan en het beheerplan aan de orde worden gesteld.

Paragraaf 10.4 Aanleg en beheer van waterstaatswerken

Algemeen

Legger waterstaatswerken

Artikel 5.1 van de Waterwet bepaalt dat de beheerder zorgt voor de vaststelling van een legger die omschrijft waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. In artikel 1.1 van de Waterwet is bepaald welke beheersobjecten onder waterstaatswerken zijn begrepen. De Waterwet vermeldt de basisgegevens die deel uitmaken van de legger. De ligging van de waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones worden aangegeven op overzichtskaarten.

In de Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening voor inhoud, vorm en periodieke herziening van de legger voor daarbij te onderscheiden categorieën van waterstaatswerken nadere voorschriften kunnen worden gegeven. Deze titel werkt dit onderwerp nader uit.

De beheerder zorg ervoor dat de gegevens in de legger actueel blijven. De legger voor de oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, primaire- en regionale waterkeringen of ondersteunende kunstwerken kunnen door de beheerder desgewenst bij een of meer afzonderlijke besluiten, in afzonderlijke documenten worden vastgesteld dan wel worden gecombineerd.

De legger is van belang voor de toetsing van de waterstaatswerken aan de gestelde normen.

Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de legger, waarin de vereiste toestand van de waterstaatswerken is aangegeven, te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerken. Daarnaast is de legger van belang voor de ruimtelijke reikwijdte van de verbods- en beheersbepalingen ingevolge de Waterwet of de waterschapskeur (de werkingssfeer het vereiste van vergunningen of ontheffingen).

De legger op grond van de Waterwet moet worden onderscheiden van de legger als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet. Desgewenst kunnen beide leggers in één document worden gecombineerd. De Waterschapswet bevat enkele procedurele bepalingen over de voorbereiding en vaststelling van de laatstgenoemde legger (toepassing inspraakverordening).

Artikel 5.1 van de Waterwet bevat een vrijstellingsmogelijkheid voor het vermelden van ligging, vorm, afmeting en constructie van waterstaatswerken. Van deze mogelijkheid is in het vijfde lid van artikel 10.22 van deze verordening gebruikgemaakt, gelet op de aard en functie van de in dit lid aangewezen waterstaatswerken. Deze lenen zich niet voor het vastleggen van ligging, vorm, afmeting en constructie. Het vermelden van de ligging blijft wel verplicht omdat de legger de reikwijdte van de keur bepaald.

Peilbesluiten

Op grond van artikel 5.2 van de Waterwet moeten bij of krachtens provinciale verordening de oppervlaktewaterlichamen en/of grondwaterlichamen worden aangewezen waarvoor de beheerder peilbesluiten kan vaststellen. In de desbetreffende artikelen is daarin voorzien. In het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. Voor de gebieden waar geen peilbesluiten zijn voorgeschreven, kan het waterschap streefpeilen hanteren.

Projectprocedure voor waterstaatswerken

De Waterwet geeft voor de aanleg, verlegging en versterking van primaire waterkeringen een specifieke coördinatieregeling, de projectprocedure voor waterstaatswerken genoemd. Daarmee worden de besluitvormingsprocedures bespoedigd en vereenvoudigd. De Waterwet beperkt deze coördinatieregeling niet tot primaire waterkeringen maar geeft de provincies de mogelijkheid deze regeling ook open te stellen voor andere projecten. Artikel 10.25 geeft aan voor welke projecten de projectprocedure ook kan worden ingezet.

Artikel 10.22 Legger waterstaatswerken

Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de regionale waterkering (en ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde veiligheidsnorm en de voorschriften, bedoeld in artikel 10.2 van deze verordening. Met behulp van situatietekeningen en, waar mogelijk, dwarsprofielen wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen van (de primaire en regionale) waterkering en de daaraan grenzende beschermingszones zijn.

Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden (en ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde normen en de voorschriften, bedoeld in paragraaf 10.1 van deze verordening, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht (het voorkomen en tegengaan van wateroverlast).

Met behulp van situatietekeningen (en waar mogelijk overige gegevens met betrekking tot de bergings- en afvoercapaciteit) wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen van de te onderscheiden oppervlaktewaterlichamen of categorieën van oppervlaktewaterlichamen, de daaraan grenzende beschermingszones alsmede van de bergingsgebieden zijn.

De gegevens in de legger zijn mede van belang voor de ruimtelijke reikwijdte van verbods- en beheerbepalingen ingevolge de Waterwet of de waterschapskeur (de werkingssfeer het vereiste van vergunningen of ontheffingen). Omdat hieruit gevolgen kunnen voortvloeien voor belanghebbende eigenaren en gebruikers van onroerende zaken die nabij waterstaatswerken zijn gelegen ligt, ligt het in de rede dat bij de voorbereiding van de legger de procedure, bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb, wordt gevolgd.

Artikel 10.23 Opstellen peilbesluiten

De verplichting tot het vaststellen van een peilbesluit is in deze verordening alleen opgelegd voor grensoverschrijdende peilvakken waarvoor door een van de buurprovincies een verplichting tot het opstellen van een peilbesluit in de verordening is opgenomen. Hiermee wordt eenheid binnen het beheersgebied van het waterschap bereikt.

Artikel 10.24 Projectprocedure voor waterstaatswerken

Bij of krachtens provinciale verordening kunnen projecten gericht op regionale waterkeringen en waterberging worden aangewezen die belangrijk zijn voor het goed functioneren van het watersysteem. Hiervoor is de projectenprocedure beschikbaar. Omwille van de transparantie wijzen Gedeputeerde Staten de projecten aan bij verordening. Zo is vooraf duidelijk voor welke projecten de projectenprocedure dient te worden ingezet. De projectenprocedure brengt immers belangrijke gevolgen met zich mee.

Paragraaf 10.5 Handelingen in watersystemen

Algemeen

In lijn met het uitgangspunt "decentraal wat kan, centraal wat moet" zijn in de Waterwet de eigen verordenende bevoegdheden van provincie en waterschap niet verder ingeperkt dan nodig. Dit blijkt onder andere uit hoofdstuk 6 van de Waterwet, waar ruimte wordt geboden aan provincie en waterschap om zelf in de benodigde regelgeving te voorzien. Alleen waar dat nodig is met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, zullen door het Rijk regels worden gesteld. Dit betekent dat, waar van rijkswege gestelde regels ontbreken, waterschappen en provincies bevoegd zijn om daarin zelf bij verordening te voorzien. De waterschappen zijn als watersysteembeheerder verantwoordelijk voor de regulering van de handelingen in het regionale watersysteem. De Waterwet maakt hierop een uitzondering voor drie specifieke categorieën van grondwateronttrekkingen. Deze categorieën zijn opgenomen in artikel 6.4 van de Waterwet. Het betreft onttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, koude- en warmteopslagsystemen en onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar voor industriële toepassingen. Voor deze categorieën van onttrekkingen kan de provincie bij of krachtens verordening regels stellen. Het infiltreren van water voor deze toepassingen valt ook onder het bevoegd gezag van Gedeputeerde Staten.

Onttrekkingen voor andere doeleinden kunnen worden gereguleerd door de waterschappen. De Waterwet laat de waterschappen de mogelijkheid voor de overige onttrekkingen een verbodsstelsel te introduceren met de mogelijkheid van vergunningen, algemene regels en vrijstellingen. De provincie heeft de mogelijkheid de regulering van de overige onttrekkingen te sturen via instructieregels bedoeld in artikel 3.11 van de Waterwet.

In deze titel is daardoor een gedifferentieerd stelsel van regels vastgelegd. Deels hebben de regels betrekking op de specifieke categorieën van onttrekkingen en infiltraties die onder het bevoegd gezag van Gedeputeerde Staten vallen. Voor het overige deel zijn in deze titel instructiebepalingen opgenomen die mede sturend zijn voor de invulling van het verbodsstelsel bij de waterschappen en het grondwaterregister.

Artikel 10.25 Grondwaterregister

De inrichting van het grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de Waterwet, maar er wordt naar verwezen in artikel 7.4, eerste lid, onder c, van de Waterwet. Dit houdt in dat de provincie bevoegd is daarin zelf bij of krachtens verordening te voorzien. Het grondwaterregister is gekoppeld aan de grondwaterheffing. Deze grondwaterheffing kan van toepassing zijn op onttrekkingen die onder het bevoegd gezag van provincie en waterschap vallen. Dit brengt met zich mee dat het grondwaterregister moet worden gevuld met gegevens die door de provincie en het waterschap afzonderlijk worden verkregen. Artikel 10.25 geeft hier invulling aan door te bepalen dat de gegevens die door provincie en waterschap worden verkregen in het register moeten worden opgenomen. Het beheer van het grondwaterregister is expliciet neergelegd bij Gedeputeerde Staten. Om het register actueel te houden moeten de waterschappen hun gegevens binnen drie maanden nadat zij deze hebben verkregen doorgeven aan Gedeputeerde Staten.

In overleg tussen IPO en Unie van Waterschappen wordt gewerkt aan het opzetten van een landelijk register. Ook bij een landelijk register is het noodzakelijk de verantwoordelijkheid voor het grondwaterregister bij een daar toe aangewezen bestuursorgaan neer te leggen. De aangewezen bestuursorganen kunnen gezamenlijk besluiten een landelijk register in te richten en te vullen.

Artikel 10.26 Registratieplicht

Eerste lid

In artikel 10.26 is de registratieplicht vastgelegd voor de categorieën van onttrekkingen die onder het bevoegd gezag vallen van Gedeputeerde Staten. De registratieplicht voor de overige categorieën is bij instructiebepaling geregeld. In het derde lid is de verplichting voor het algemeen bestuur van het waterschap opgenomen om bij verordening te regelen dat degene die water onttrekt uit een grondwaterlichaam en degene die water infiltreert in een grondwaterlichaam de gegevens bedoeld in het eerste lid verstrekt aan het dagelijks bestuur.

Artikel 6.15 van de Waterwet geeft een regeling voor die gevallen waarin er sprake is van samenloop van bevoegdheden. In een dergelijk geval kan op een aanvraag om vergunning voor het onttrekken van water aan een grondwaterlichaam worden beslist door een bestuursorgaan dat niet primair het bevoegd gezag heeft. Artikel 10.26 blijft in dergelijke gevallen van toepassing. Dit houdt in dat ook in die gevallen waarin een ander bestuursorgaan op de vergunningaanvraag beslist, gevolg moet worden gegeven aan de registratieplicht die in artikel 10.26 is opgenomen respectievelijk die in een waterschapsverordening is opgenomen.

Tweede lid

In het tweede lid is bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen vaststellen over de wijze van meting en registratie. De Algemene maatregel van bestuur waarin deze uitwerking was neergelegd is namelijk niet in het Waterbesluit geïncorporeerd. De nadere regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op de wijze en de plaats van meting, de toegestane afwijking het meetresultaat (de vereiste nauwkeurigheid) en het meten van de kwaliteit van het te infiltreren water.

Deze nadere regels gelden niet direct voor de onttrekkingen en infiltraties die onder het bevoegd gezag van het waterschap vallen. In het derde lid is daarom opgenomen dat de nadere regels in overleg met het dagelijks bestuur van het waterschap worden vastgesteld. Daarbij ligt het in de rede dat het waterschap in voorkomende gevallen de regels voor het meten en registreren eveneens vaststelt.

Derde lid

Deze instructiebepaling hangt samen met het grondwaterregister (artikel 10.25) en wordt aan het waterschap opgelegd vanwege het grote provinciale belang bij registratie. Een betrouwbaar grondwaterregister is essentieel, zowel voor beleidsinhoudelijke beslissingen door provincie en waterschap (zoals belangenafweging bij vergunningverlening) als voor de provinciale grondwaterheffing. Een betrouwbaar grondwaterregister heeft vooral waarde indien zowel de grondwateronttrekkingen waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd zijn als de grondwateronttrekkingen waarvoor het dagelijks bestuur bevoegd is onder de registratieplicht vallen. Op die manier ontstaat een dekkend beeld van de belangrijkste grondwateronttrekkingen. Het betreft hier de voortzetting van het provinciale meldingenbeleid. Deze meldingen zijn tevens van belang in verband met de beoordeling en toetsing aan de gebieden op grond van de Natuurbeschermingswet.

Artikel 10.27 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister

De ambtshalve inschrijving in het openbaar register met terugwerkende kracht tot de datum, waarop de onttrekking is aangevangen, is noodzakelijk in verband met de grondwaterheffing.

Artikel 10.28 Onttrekking van grondwater en infiltratie van water

Op grond van artikel 6.4 van de Waterwet zijn Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag voor een drietal categorieën van onttrekkingen van grondwater c.q. infiltraties van water. Het betreft hier industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar, openbare drinkwatervoorziening of bodemenergiesystemen. Bij het verlenen van de watervergunning zal deze worden getoetst aan een aantal criteria. De criteria genoemd in het eerste lid zijn bedoeld als richtlijnen: bij het aanvragen van de vergunning zal door de aanvrager inzicht hierover moeten worden gegeven en er zullen voorschriften worden opgenomen met betrekking tot deze criteria.

De criteria genoemd in het tweede lid geven een hard afwegingskader. Indien niet kan worden voldaan aan deze criteria zal de vergunning niet worden verleend. Hierdoor is het voor de aanvrager vooraf duidelijk onder welke omstandigheden een vergunning verleend kan worden.

Het betreft hier voortzetting van het vergunningverleningsbeleid zoals dat al voor de vaststelling van deze wijzigingsverordening werd uitgevoerd.

Paragraaf 10.6 Financiele bepalingen grondwater

In artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet is bepaald dat degene die bij een vergunninghouder een vordering kan indienen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een onttrekking van grondwater of infiltratie krachtens een watervergunning, eerst Gedeputeerde Staten kan verzoeken een onderzoek in te stellen. Deze voorziening houdt verband met de in artikel 5.22 van de Waterwet opgenomen gedoogplicht. Deze houdt in dat rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken waarin het grondwater invloed ondergaat door een onttrekking of infiltratie krachtens een watervergunning, verplicht zijn die onttrekking of infiltratie te gedogen.

Deze bepalingen zijn overgenomen uit de Grondwaterwet (artikel 37, eerste lid, respectievelijk artikel 33).

Het faciliteren van de burger die overweegt een schadeclaim in te dienen bij de vergunninghouder werd door de wetgever wenselijk geacht vanwege het complexe karakter van schadevragen die samenhangen met grondwateronttrekkingen, de voor het beoordelen daarvan benodigde specifieke kennis en de hoge kosten van het inhuren van dergelijke kennis voor de burger.

De wetgever achtte het tevens wenselijk dat de vraag of er schade is en zo ja wat de omvang van die schade is door een onpartijdige partij werd vastgesteld. In verband daarmee was in de Grondwaterwet de bepaling opgenomen (artikel 37, tweede lid) dat Gedeputeerde Staten een verzoek tot het instellen van een onderzoek in handen stellen van een commissie van deskundigen die daarover advies uitbrengt aan de verzoeker. Ter uitvoering daarvan hebben Gedeputeerde Staten van de provincies in 1996 gezamenlijk één commissie ingesteld, de Commissie van Deskundigen Grondwaterwet.

In de Waterwet ontbreekt de verplichting tot het instellen van een commissie van deskundigen. Het is aan de provincies overgelaten om te bepalen op welke wijze zij verzoeken als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet behandelen. In IPO-verband is uitgesproken dat het wenselijk is vast te houden aan één landelijke, onafhankelijk opererende commissie vanwege het beperkte aantal verzoeken op jaarbasis, de complexiteit van de schadevragen, de wenselijkheid van bundeling van expertise voor het beoordelen van die schadevragen en voorts vanwege de voordelen van een landelijk toegepaste uniforme werkwijze bij de behandeling van verzoeken. In verband hiermee zijn in dit hoofdstuk de bepalingen uit de Grondwaterwet omtrent de verplichting tot het instellen van een commissie van deskundigen en de werkwijze van die commissie overgenomen. Wel is de procedure qua termijnen en terminologie op enkele punten in overeenstemming gebracht met de Awb.

Hierbij wordt nog opgemerkt dat artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet ook van toepassing kan zijn op verzoeken die betrekking hebben op grondwateronttrekkingen die zijn vergund door een waterschapsbestuur. Dat betekent dat de bepalingen van dit hoofdstuk ook op die verzoeken van toepassing zijn. Om die reden is in artikel 10.30, eerste lid, en in artikel 10.31, vijfde lid, bepaald dat in dat geval het desbetreffende waterschapsbestuur wordt geïnformeerd over de adviesaanvraag en dat het advies ook wordt toegezonden aan dat bestuur.

Het ligt in de rede dat de commissie van deskundigen ook wordt ingeschakeld bij een verzoek op grond van artikel 7.14, tweede lid, van de Waterwet. In dat artikellid is bepaald dat Gedeputeerde Staten rechthebbenden ten aanzien van een onroerende zaak een schadevergoeding toekennen in het geval er sprake is van meer dan 1 grondwateronttrekking en binnen redelijke termijn niet is vast te stellen door welke onttrekking de schade wordt veroorzaakt. Bij een dergelijk verzoek brengt de commissie van deskundigen haar advies uit aan Gedeputeerde Staten.

Hoofdstuk 11 Gereserveerd

Hoofdstuk 12 Wegen

Inleiding

De provincie Drenthe is verantwoordelijk voor de eigen droge en natte infrastructuur. Daarbij gaat het om aanleg, verbetering en instandhouding van wegen, waterwegen en de daarbij behorende werken, voorzieningen en begroeiingen. Naast de technische en financiële aspecten spelen ook de bestuurlijk-juridische voorwaarden een belangrijke rol om de materiële en immateriële gebruikswaarden van de werken te beschermen.

In dit hoofdstuk zijn beheers- en verkeersbepalingen voor wegen opgenomen.

Algemene normstelling

Om discussies te vermijden of een handeling of het nalaten van een handeling al of niet geboden of verboden is, worden algemene bepalingen gehanteerd, zodat alle handelingen met betrekking tot de provinciale infrastructurele werken in principe onder de omschrijving kunnen worden gebracht, getoetst aan de doelstellingen van de verordening.

Deregulering

De verordening kent geen overlappingen met hogere wetgeving, doch is een geoorloofde aanvulling op zowel beheers- als verkeersaspecten. De aanvullingen worden als noodzakelijk beschouwd om de provinciale belangen optimaler te kunnen beschermen. Daarbij is onder andere gedacht aan landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve en toeristische waarden.

Algemene wet bestuursrecht

Op de verordening zijn de regels van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Deze wet beoogt een zo goed mogelijke bescherming van de belangen van de burgers te geven door regels te stellen aan de overheid om een zo zorgvuldig mogelijk handelen te waarborgen.

Paragraaf 7.3.2 Waterwingebieden

Artikel 12.1 Definitie

Bij de definitie van wegen is er naar gestreefd om onder de omschrijving alles te vatten, dat op enigerlei wijze van belang kan zijn. Onder bijbehorende werken en voorzieningen moeten in ieder geval worden begrepen alle kunstwerken (viaducten, bruggen en dergelijke) en alle voorzieningen ter geleiding en regeling van het verkeer op wegen (borden, lichtmasten, bermplanken, vangrails en dergelijke).

Artikel 12.2 Toepassing

Dit artikel regelt het toepassingsbereik van dit hoofdstuk. Op grond van het bepaalde in het eerste lid is dit hoofdstuk ook van toepassing op situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is. Hierbij gaat het nadrukkelijk alleen om de belangen van doelmatig en veilig gebruik.

In de wegenverkeerswetgeving is reeds de mogelijkheid geschapen voor de in dit artikel genoemde belangen regels te stellen aan het verkeer op wegen.

Paragraaf 12.2 Bepalingen inzake instandhouding en dergelijke

Artikel 12.3 Bescherming

In het eerste lid is aangegeven dat, naast de belangen die moeten worden afgewogen in het kader van wegen, ook de bescherming van de in dit artikellid genoemde belangen van toepassing is. Op grond van het tweede lid zijn Gedeputeerde Staten bevoegd nadere regels te stellen met betrekking tot de in het eerste lid genoemde belangen.

Artikel 12.4 Dijken

De vaststelling van de afmetingen van dijken met een waterkerende functie is van een zodanig primair belang dat dit is voorbehouden aan Provinciale Staten.

Paragraaf 12.3 Gebods- en verbodsbepalingen

Artikel 12.6 Verboden handelen of nalaten

Eerste lid, onder a:

Het verbod onder a is zeer ruim omschreven, met als doel te voorkomen dat voor elke denkbare ongewenste situatie of handeling een afzonderlijke beschrijving moet worden opgenomen. In artikel 12.1 zijn de wegen algemeen gedefinieerd. Aan alle mogelijke aspecten van deze wegen mag door het verrichten van handelingen of door het niet verrichten van handelingen geen schade worden toegebracht of ontstaan.

In ieder geval moet daaronder worden verstaan:

  • -

    graven, spitten, breken of iets dergelijks;

  • -

    stoffen deponeren, achterlaten of verwijderen zoals bladafval, tuinafval, bestrijdingsmiddelen, olieproducten en dergelijke.

Eerste lid onder b:

Het gestelde onder b is bedoeld om aan te geven dat alle belemmeringen van een veilig en doelmatig gebruik zoveel mogelijk moeten worden tegengegaan. Daarbij behoort ook dat de zorg voor de instandhouding niet mag worden beperkt of belemmerd. Onder beletten of belemmeren worden in ieder geval zaken begrepen als:

  • -

    het maken, aanbrengen, hebben of verwijderen van zowel met de grond verankerde als niet met de grond verankerde werken zoals uitwegen, kabels en leidingen, kramen, tenten, hutten, bloembakken, taludtrappen enz.;

  • -

    het deponeren, hebben of laten liggen van voorwerpen of stoffen van welke aard ook, zoals tuin-, blad-, bouw- en sloopafval, grondopslag, bouwmaterialen enz.;

  • -

    het aanbieden van diensten en goederen, zoals ijs- en snackverkoop en de verkoop van bloemen en/of land- of tuinbouwproducten enz.;

  • -

    het te koop aanbieden en/of het verrichten van diensten en werkzaamheden, zoals repareren of slopen van auto's enz.

Tweede lid

De toevoeging van het tweede lid aan dit artikel is een gevolg van de verruimde toepassing opgenomen in het artikel 12.2. De in het eerste lid genoemde verboden gelden dus ook voor situaties buiten wegen met de in het artikellid genoemde beperking.

Artikel 12.7 Verboden werk of beplanting

Eerste lid

Uitgangspunt is de verkeersveiligheid. Voor een veilig gebruik van wegen zijn richtlijnen opgesteld, waarin onder andere de zichtlengten (rijzicht, oprijzicht en inhaalzicht) worden bepaald, die het verkeer nodig heeft. Deze richtlijnen zijn in het algemeen bepalend voor het vaststellen van het vrije zicht. Met name zijn van toepassing de Richtlijnen ontwerp niet-autosnelwegen. Vrije zichtlengten en uitzichthoeken zijn noodzakelijk om voldoende zicht te hebben op het gedrag en de snelheid van het overige verkeer, niet alleen bij het oprijden en inhalen, maar in alle situaties.

Tweede lid

De toevoeging van het tweede lid aan dit artikel is een gevolg van de verruimde toepassing opgenomen in het nieuwe artikel 12.2. De in het eerste lid genoemde verboden gelden dus ook voor situaties buiten wegen met de in het artikellid genoemde beperking.

Artikel 12.9 Uitzondering ten behoeve van provinciaal belang

Dit artikel bepaalt de uitzonderingspositie van personen die handelen in opdracht van en in het belang van de provincie. Het gaat hier om wegen die in beheer zijn van de Provincie. Voor het efficiënt kunnen beheren van deze wegen kan het soms noodzakelijk zijn  dat er werkzaamheden moeten worden verricht, waardoor schade ontstaat. Voorwaarde is daarbij wel dat de werkzaamheden worden verricht ten behoeve van de bescherming en instandhouding van wegen.

Paragraaf 12.4 Ontheffing

Artikel 12.10 Ontheffing

De in de artikelen 12.8 en 12.9 genoemde verboden zijn niet bedoeld om elke handeling onmogelijk te maken. Daarom is de mogelijkheid opengelaten om ontheffing te verkrijgen. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Op deze wijze worden de belangen van personen en zaken zo goed mogelijk behartigd.

In het derde lid wordt aangegeven in welke situaties Gedeputeerde Staten een verleende ontheffing kunnen intrekken.

Hoofdstuk 13 Vergoeding van kosten en schade

Dit hoofdstuk bevat enkele procedurele bepalingen met betrekking tot de totstandkoming van een beslissing over de vergoeding van schade en kosten door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstukken 5, 6, 7 en 9 van deze verordening ingevolge artikel 15.21, eerste lid, onder a, juncto artikel 15.20 van de Wet milieubeheer. In de artikelen 15.20 en 15.21 van de Wet milieubeheer zijn de criteria opgenomen waaraan moet worden voldaan wil men voor vergoeding van schade en kosten door het bevoegde gezag in aanmerking komen. De Wet milieubeheer bevat daarnaast bepalingen inzake de advisering door deskundigen en de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de administratieve rechter. Het is aan Provinciale Staten overgelaten de procedure voor de besluitvorming door het bevoegd gezag in te richten, vanzelfsprekend rekening houdend met de Algemene wet bestuursrecht.

In artikel 13.2 is gebruikgemaakt van de aanvullende bevoegdheid te specificeren welke gegevens voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. De gegevens die in dat artikel zijn opgesomd vormen de basisgegevens die de aanvraag ten minste dient te bevatten. De Algemene wet bestuursrecht bevat in de artikelen 4:5 en 4:6 een uniforme regeling voor hoe moet worden gehandeld indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking.

In het eerste lid van artikel 13.3 is aangegeven dat het bevoegde gezag zich kan laten adviseren door een of meer deskundigen (artikel 15.20, vierde lid, van de Wet milieubeheer). Of deskundigen worden aangewezen en hoeveel, valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, dus Gedeputeerde Staten. Als bestuursorgaan moeten zij in elk geval de nodige kennis omtrent de relevante feiten en dergelijke vergaren om tot een zorgvuldige uitspraak te komen.

Wezenlijk voor de advisering inzake besluiten omtrent de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade is bovendien dat de deskundigen in staat zijn een onpartijdig oordeel te geven over de toepasselijkheid van de wettelijke criteria op de aanvraag om vergoeding of op de ambtshalve toekenning daarvan. In het tweede lid van artikel 13.3 is dit tot uitdrukking gebracht.

Op grond van het derde lid van artikel 13.3 wordt aan de aanvrager van een vergoeding van kosten of schade of degene aan wie Gedeputeerde Staten uit eigen beweging een schadevergoeding willen toekennen de gelegenheid geboden aan de deskundigen zijn aanvraag toe te lichten dan wel zijn opvattingen omtrent het voornemen tot ambtshalve toekenning kenbaar te maken. In de geest van artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht kan dat mondeling of schriftelijk.

In artikel 13.4 wordt aangegeven welke gegevens moeten worden overgelegd bij een verzoek om instemming ingevolge artikel 15.22, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

Hoofdstuk 14 Handhaving

Artikel 14.1 Strafbaar feit

Op grond van de Wet op de economische delicten kan overtreding van de in dit artikel genoemde artikelen pas worden aangemerkt als een economisch delict indien in de regeling zelf is aangegeven dat overtreding van die artikelen een strafbaar feit is.

Artikel 14.2 Strafbaarstelling

Voor de artikelen van hoofdstuk 10 en 12 waarop de Wet op de economische delicten niet van toepassing is, is in dit artikel een afzonderlijke strafmaat opgenomen. Dit is noodzakelijk aangezien het hier gaat om gebruikmaking van een autonome verordenende bevoegdheid.

Artikel 14.3 Toezicht

In het eerste lid is aangegeven welke personen zijn belast met de toezicht op de naleving van hetgeen in hoofdstuk 12 is opgenomen.

In het tweede lid is aangegeven welke personen zijn belast met de opsporing van strafbare feiten.

De in dit lid genoemde ambtenaren en personen zijn de op grond van het Wetboek van Strafrecht beëdigde ambtenaren en de door Gedeputeerde Staten aangewezen personen. Deze personen behoeven niet in dienst te zijn van de provincie. Wel zullen de door Gedeputeerde Staten aangewezen personen moeten voldoen aan de voor de uitoefening van hun taak vereiste kwaliteit en opleiding.

Hoofdstuk 15 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 15.1 Intrekking oude verordening

De eerste versie van de POV is door provinciale staten vastgesteld op 7 juli 2004. Deze versie, alsmede al de daarop volgende wijzigingen, worden nu ingetrokken en vervangen door de herziene POV.

Artikel 15.2 Verleende besluiten

Een op grond van de in artikel 15.1 ingetrokken versie van de POV gebaseerde ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing wordt met dit artikel geacht te zijn een ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing op grond van deze verordening.

Artikel 15.3 Aanvraag ontheffing

De beoordeling van een aanvraag om een ontheffing vindt plaats op basis van de verordening waarop de aanvraag bij het indienen was gebaseerd. Hiermee wordt een stuk rechtszekerheid ingebouwd voor diegene die een aanvraag heeft ingediend. Indien de bepaling waarop de aanvraag om ontheffing is gebaseerd niet terugkomt in deze verordening, geldt deze regel uiteraard niet. De behandeling van de aanvraag dient op dat moment te worden stopgezet.

Artikel 15.4 Inwerkingtreding

Dit artikel maakt het mogelijk dat niet alle artikelen of onderdelen op hetzelfde moment in werking treden. Als voorbeeld kan worden genoemd de inwerkingtreding van de regels voor het stiltegebieden voor het Oosterzand en het Balloërveld. De gebieden waren in 2004 wel aangewezen als stiltegebieden maar de regelgeving is pas inwerking getreden op het moment dat de activiteiten van het Ministerie van Defensie zijn gestopt. 

Bijlagen

Bijlagen behorende bij de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe

BIJLAGE I BIJ DE POV DRENTHE

Aanwijzing van categorieën van inrichtingen die niet in grondwaterbeschermingsgebied mogen worden opgericht of in werking worden gehouden

Het in artikel 7.5 opgenomen verbod geldt voor de volgende categorieën van inrichtingen.

a.

Inrichtingen voor het winnen van aardolie, aardgas, mergel, zand, grind, kalkzandsteen, kalk, zout, steenkolen, turf of andere delfstoffen.

b.

Inrichtingen voor het opslaan, overslaan of bewerken van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen.

c.

Inrichtingen voor het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen.

d.

Inrichtingen voor het voorbereiden van recycling bestaande uit metaal- en autoshredders, puinbrekerijen en –malerijen en afvalscheidinginstallaties.

e.

Inrichtingen voor het storten, het op- en overslaan, het composteren, het verbranden, het anderszins op of in de bodem brengen of op een andere wijze verwijderen of verwerken van afvalstoffen.

f.

Inrichtingen voor het opslaan of storten van baggerspecie op land of op of in oppervlaktewateren.

g.

Inrichtingen voor het vergisten van dierlijke meststoffen en organische afvalstoffen.

h.

Zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwater­zuiveringen die zelfstandig een inrichting vormen.

i.

Inrichtingen voor het vervaardigen, onderhouden, repareren, verfspuiten of het anderszins behandelen van (de oppervlakte) van auto’s, motorfietsen of schepen.

j.

Inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer of aan vaartuigen.

k.

Inrichtingen waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen en waar afgewerkte olie, bilgewater, huishoudelijk afvalwater of andere afvalstoffen worden opgeslagen.

l.

Inrichtingen voor de opslag van vloeibare brandstoffen, afgewerkte olie, gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of andere bodembelastende stoffen in ondergrondse opslagtanks.

m.

Inrichtingen voor het inwendig reinigen van mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers, bulkcontainers of tankschepen.

n.

Groothandel in vloeibare chemische producten en vloeibare brandstoffen.

o.

Inrichtingen voor oppervlaktebehandeling van metalen of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, of het aanbrengen van gesmolten metaal waarbij de gebruikte behandelingsbaden direct in of op de bodem zijn geplaatst.

p.

Inrichtingen voor het vervaardigen van chemische producten.

q.

Inrichtingen voor schieten in de open lucht zonder gebruikmaking van kogelvangers, met vuurwapens of wapens werkend met luchtdruk of gasdruk.

r.

Inrichtingen voor de bewerking van splijt- en kweekstoffen.

s.

Inrichtingen voor het parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen.

t.

Inrichtingen voor het recreatievissen of het kweken van siervis of consumptievis in een bassin dat in contact staat met bodem, grondwater of oppervlaktewater.

u.

Inrichtingen voor het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht.

BIJLAGE II BIJ DE POV DRENTHE

Lijsten A en B als bedoeld in artikel 10.6, onder a en b

Vaarweg

Beheerder

                                   Functionaliteit

Kilometer / opmerking

CEMT/specificatie diepgang

BRTN

Doorvaart- hoogte obv kanaalpeil

Noord-Willemskanaal voor zover in Drenthe

Provincie Drenthe

II   1,90m – kp

     2,50m – kp

BM

5,30 m + kp

5.40 m + kp

  0,0 –   6,7 

  6,7 – 19,6

Drentsche Hoofdvaart

Provincie Drenthe

-    1,55m – kp

IV  2,50m – NAP

BM

5,30 m + kp

IV  2,50m - NAP

  2,4 – 43,7

43,7 – 44,2 klasse IV *

Meppelerdiep voor zover in Drenthe

Provincie Drenthe

Va 3,25m – NAP

      2,75m – NAP

BM

Geen beperking

Geen beperking

  9,2 – 10,5 *

10,5 – 11 ,2

*deels gemandateerd aan Meppel:

zie Prov. Blad 27/2010

Hoogeveensche Vaart

Provincie Drenthe

II    2,50m – NAP

      2,20m – kp

BM

5,80 m + kp

5,20 m + kp

  0,0 –   9,5

  9,5 – 28,4

Verlengde Hoogeveensche Vaart tot aan Klazienaveen

Provincie Drenthe

I    1,50m – kp

     1,90m – kp

     1,90m – kp

     1,10m – kp

BM

5,10 m + kp

5,30 m + kp

5,30 m + kp

4,20 m + kp

28,4 – 51,8

51,8 – 56,5

56,5 – 60,9

60,9 – 62,0,

Stieltjeskanaal

Provincie Drenthe

II   1,90m – kp

BM

5,40 m + kp

  0,0 – 12,9

Coevorden-Vechtkanaal vanaf de Coevorder Binnengracht tot de Vecht in Ovl

Provincie Drenthe

II   2,50m – kp

     1,90m – kp

BM

6,00 m + kp

6,00 m + kp

31,7 – 36,3

36,3 – 36,8

Coevorder Binnengracht (tussen Afwateringskanaal en Stieltjeskanaal)

Provincie Drenthe

II   1,90m – kp

BM

6,00 m + kp

Verbindingskanaal (tussen Coevorder Binnengracht en Kan. Coevorden-Zwinderen)

Provincie Drenthe

II   1,90m – kp

6,00 m + kp

Zijtak van het Stieltjeskanaal in Nieuw Amsterdam

Provincie Drenthe

-    1,50m – kp

2,50 m + kp

 41,0 – 43,0

Bladderswijk

Provincie Drenthe

I    1,90m – kp

BM

4,20 m + kp

   0,0 –   4,4

Oranjekanaal van Bladderswijk tot de Bargersluis

Provincie Drenthe

-

BM

Hondsrugkanaal

tussen Bladderswijk en Scholtenskanaal (onderdeel van De Veenvaart)

Provincie Drenthe

-

BM

Witte Wijk

Provincie Drenthe

-    1,50m – kp

DM

5,30 m + kp

 52,9 – 55,0 

Afwateringskanaal in Coevorden tot einde woonbotenhaven

Provincie Drenthe

I    1,90m – kp

6,00 m + kp

   0,0 –   1,4

Veenparkkanaal (onderdeel van De Veenvaart)

Provincie Drenthe

-

BM

Lijst B: Vaarwegen in beheer bij andere overheidsorganen, het Rijk uitgezonderd

Vaarweg

Beheerder

                   Functionaliteit

Kilometer / opmerking

CEMT/specificatie diepgang

BRTN

Doorvaart- hoogte obv kanaalpeil

Havenkanaal vanaf Noord-Willemskanaal

tot aan de Zwaaikom

Gemeente Assen

II  2,50m – kp

BM

5,40 m + kp

De Vaart (van de Drentsche Hoofdvaart tot De Kolk)

Gemeente Assen

    1,50m – kp

BM

3,50 m + kp

Het Kanaal (van de Vaart tot het Havenkanaal)

Gemeente Assen

    1,50m – kp

BM

3,50 m + kp

Industriehaven Hoogeveen

(= verlenging van de Hoogeveenschevaart)

Gemeente Hoogeveen

II  2,20m – kp

BM

5,20 m + kp

Vaarweg eindigt bij oostzijde Bekinkbrug

Bargermeerkanaal van Bargersluis tot eindpunt in Emmen

Gemeente Emmen

I   1.90m – kp

BM

4,20 m + kp

Binnenhaven Coevorden

(centrum)

Gemeente Coevorden

-

BM

Haven ROC (bij Nijhof-Wassink, Europark)

Gemeente Coevorden

II

BM

Haven Veenoord

Gemeente Emmen

I/II 1,90m – kp

BM

5,30 m + kp

Havens Meppel: Sethehaven en 2 havens bij De Kaap

Gemeente Meppel

Va 3,25m – kp

Geen beperkingen

Wachthaven Meppel

in Staphorst / niet in Drenthe

Gemeente Meppel

Va 3,25m – kp

Geen beperkingen

Stads-Compascuumkanaal vanaf prov.grens Groningen tot Emmercompascuum (onderdeel van De Veenvaart)

Waterschap Hunze en Aa’s

-    1,50m – kp

BM

3,50 m + kp

Oosterdiep van Emmer-Compascuum tot Barger-Compascuum (onderdeel van De Veenvaart)

Waterschap Hunze en Aa’s

-   1,50m – kp

BM

3,50 m + kp

Scholtenskanaal

vanaf Veenpark tot nieuw prov. kanaal (onderdeel van De Veenvaart)

Waterschap Hunze en Aa’s

-   1,50m – kp

BM

3,50 m + kp

Vaargeulen Zuidlaardermeer vanaf provinciegrens tot Havenkanaal

Waterschap Hunze en Aa’s

-   1,50m – kp

BM

Havenkanaal Zuidlaren-Zuidlaardermeer

Gemeente Tynaarlo

-   1,50m – kp

BM

3,20m + kp

Grevelingskanaal

in Anner- en Eexterveensche kanaal

Waterschap Hunze en Aa’s

-   1,20m - kp

CM

3,20m + kp

Vaargeul Leekstermeer: Leeksterhoofddiep-Munnikesloot

Waterschap Noorderzijlvest

-   1,20m – kp

    (kp = 0.93)

BM

2,40m + kp      (kp = - 0.93)

BIJLAGE III BIJ DE POV DRENTHE

Watersysteem Twenthe-kanalen/Overijsselsche Vecht als bedoeld in artikel 10.4.

BIJLAGE IV BIJ DE POV DRENTHE

Soortenvrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer

De vrijstelling als bedoeld in artikel 4.3 lid 1 van de POV betreft de volgende soorten:

Aardmuis

Microtus agrestis

Bastaardkikker (oude naam: middelste groene kikker)

Pelophylax klepton esculenta (oude naam: Rana esculenta)

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Bruine kikker

Rana temporaria

Bunzing

Mustela putorius

Dwergmuis

Micromys minutus

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Egel

Erinaceus europeus

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Gewone pad

Bufo bufo

Haas

Lepus europeus

Hermelijn

Mustela erminea

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris (oude naam: Triturus vulgaris)

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Meerkikker

Pelophylax ridibundus (oude naam: Rana ridi-bunda)

Ondergrondse woelmuis

Pitymys subterraneus

Ree

Capreolus capreolus

Rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Veldmuis

Microtus arvalis

Vos

Vulpes vulpes

Wezel

Mustela nivalis

Woelrat

Arvicola terrestris

BIJLAGE V

Middelen soortenvrijstelling voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer

De volgende middelen als bedoeld in artikel 4.3 lid 2 van de POV wijzen wij aan:

  • -

    Amfibieënfuik

  • -

    Buidels

  • -

    Fretten

  • -

    Kastvallen

  • -

    Kunstbouw zonder vangmechanisme

  • -

    Livetraps

  • -

    Schepnet

  • -

    Vangkooien

BIJLAGE VI BIJ DE POV DRENTHE

Aangewezen schadesoorten grondgebruiker

Als schadesoorten bedoeld in artikel 4.7, lid 1 van de POV wijzen wij aan:

Brandgans

Branta leucopsis

Grauwe gans

Anser anser

Knobbelzwaan

Cygnus olor

Kolgans (Europese)

Anser albifrons

Rietgans (Toendra- / Taigarietgans)

Anser serrirostris / Anser fabalis

Roek

Corvus frugilegus

Smient

Anas penelope

Spreeuw

Sturnus vulgaris

BIJLAGE VII BIJ DE POV DRENTHE

Middelen voor het verstoren van aangewezen schadesoorten

Als middelen bedoeld in artikel 4.7, lid 3 van de POV wijzen wij aan:

  • -

    Afdeknetten

  • -

    Agri-Laser

  • -

    Angstkreten

  • -

    Ballonnen

  • -

    Elektronische geluidsgolven

  • -

    Fladderprojectiel

  • -

    Flitsmolens

  • -

    Geweer (als akoestisch middel)

  • -

    Kleppermolentjes

  • -

    Knalapparaat

  • -

    Nabootsing roofvogel

  • -

    Ophangen dode vogels

  • -

    Rammelblikjes

  • -

    Ratels en kleppers

  • -

    Ritselfolie

  • -

    Schriklint

  • -

    Smeer- en spuitmiddelen

  • -

    Spandraden

  • -

    Uitstrooien veren

  • -

    Verjaging door honden en roofvogels

  • -

    Vlaggen en linten

  • -

    Vogelafweerpistool

  • -

    Vogelverschrikkers

  • -

    Zaaizaadbehandeling

  • -

    Zitpalen of andere nestgelegenheid roofvogels creëren (aantrekken natuurlijke vijanden)

BIJLAGE VIII

Aangewezen rustgebied

foto

TOELICHTING OP BIJLAGEN BIJ DE POV DRENTHE

Bijlage IV Provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer

In artikel 4.3, eerste lid, van de POV worden de soorten in bijlage IV bij de POV vrijgesteld van de vergunningplicht voor de in dat artikel genoemde belangen. In deze toelichting wordt aangegeven waarom welke soorten zijn opgenomen in bijlage IV (hierna: de provinciale vrijstellingslijst).

Voor het plaatsen van een soort op de provinciale vrijstellingslijst moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Een van de voorwaarden voor het kunnen opnemen van een soort is dat de vrij te stellen soort zich in een gunstige staat van instandhouding bevindt (artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel c, Wet natuurbescherming).

Aan de hand van deze voorwaarde is gekeken naar de soorten die in de huidige Flora- en faunawet zijn vrijgesteld (voormalige tabel 1 soorten) en de soorten die in de Wet natuurbescherming op de bijlage (onderdelen A en B) behorend bij artikel 3.10 zijn geplaatst. Het resultaat van deze inventarisatie is dat voor negen soorten een nadere analyse nodig is. Twee amfibieënsoorten (alpenwatersalamander en kleine watersalamander) en vijf zoogdiersoorten (bunzing, egel, eekhoorn, hermelijn en wezel) omdat de staat van instandhouding mogelijk ongunstig is. Daarnaast is de staat van instandhouding van twee soorten mogelijk gunstig (das, steenmarter), maar zorgen deze soorten voor overlast. Deze negen soorten zijn individueel behandeld.

Uiteindelijk leidt de analyse per soort tot een conclusie om de betreffende soort al dan niet op de provinciale vrijstellingslijst te plaatsen. Voor het bepalen van de trends van de verschillende soorten is gebruikgemaakt van de meest recente informatie. Verrassend genoeg is de beschikbare informatie slechts beperkt beschikbaar. Goede informatie is schaars. Zoogdieren en watersalamanders leiden een verborgen bestaan en zijn lastig waar te nemen. Van de negen nader bekeken soorten verkeren er drie in een gunstige staat van instandhouding, van één soort is de staat van instandhouding ongunstig en van de overige vijf is de status onzeker, vooral door gebrek aan voldoende gegevens. Om te komen tot een goede onderbouwing van de staat van instandhouding is in viertal gevallen betere informatie nodig. Nader onderzoek is gewenst. Zo kan beter beoordeeld worden of een soort al dan niet een vrijgestelde status verdient. Ook kan het veranderen van de status van “vrijgesteld” naar “beschermd” leiden tot onnodige regeldruk. Het probleem van achteruitgang ligt vaak niet bij een gebrek aan beschermde status maar aan andere oorzaken zoals het verminderen van geschikt leefgebied, verkeer en verminderd voedselaanbod. Het heeft weinig zin om een soort te beschermen als ook niet tegelijkertijd zijn leefgebied beschermd wordt. Actieve bescherming in de vorm van verbeteren van het leefgebied is in een aantal gevallen dan ook effectiever dan het niet vrijstellen van de beschermde status voor bepaalde ingrepen.

Amfibieën

Alpenwatersalamander (Ichthyosaura [Mesotriton] alpestris)

De alpenwatersalamander was in de Flora- en faunawet opgenomen als ’tabel-II soort’. De soort werd dus op populatieniveau beschermd. In de Wet natuurbescherming is de soort opgenomen op de bijlage behorend bij artikel 3.10 Wet natuurbescherming.

De alpenwatersalamander komt in Nederland in het zuiden en oosten voor, vaak in de buurt van bos en/of houtwallen. Hij heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. De alpenwatersalamander is niet kieskeurig i.v.m. zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Alpenwatersalamanders overwinteren op het land. In februari trekken ze naar het water. Anders dan zijn naam doet vermoeden komt de alpenwatersalamander ook in Drenthe voor. Met name in en om Assen is de alpenwatersalamander behoorlijk algemeen. Vanuit Assen breidt de soort zich langzaam uit over de rest van Drenthe. In Rheebruggen bevindt zich een uitgezette populatie die zich daar goed lijkt te handhaven. De soort is niet bedreigd en de staat van instandhouding dan ook gunstig.

Kanttekening hierbij is de recente intrede van ranavirussen (o.a. CMTV - Common Midwife Toad Virus) die in korte tijd tot massale sterfte van amfibieën kunnen leiden. In Nederland zijn nog geen met ranavirussen besmette alpenwatersalamanders gevonden, maar in andere landen (Spanje) is dit wel het geval. Een nieuwe bedreiging voor salamanders wordt gevormd door een recent ontdekte schimmel –Bsal- (zie 2.2. bij kleine watersalamander).

foto

Verspreiding alpenwatersalamander in Drenthe. Bron: NDFF.

Conclusie Alpenwatersalamander

De alpenwatersalamander wordt niet op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst om de volgende redenen: De alpenwatersalamander komt in Drenthe sterk lokaal voor (met name Assen en omgeving). De soort doet het goed en lijkt zich zelfs enigszins uit te breiden. Incidenteel is sprake van problemen met de alpenwatersalamander in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen. De huidige beschermde status zal dan ook gehandhaafd blijven (beleidsarm).

Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris)

De kleine watersalamander was onder de Flora- en faunawet op de landelijke vrijstellingslijst opgenomen.

De kleine watersalamander is de meest algemene salamander in Nederland. Hij komt veel voor in sloten en poelen. De kleine watersalamander stelt weinig eisen aan zijn biotoop. Hij komt zowel voor in stadstuinen als in kleinschalige cultuurlandschappen en bos- en heidegebieden. Het voortplantingsbiotoop bestaat uit allerlei soorten ondiep stilstaand en zwak stromend water.

De ecologische atlas van de Nederlandse amfibieën en reptielen (Creemers en van Delft, 2009) geeft aan dat kleine watersalamander in Nederland zeer algemeen voorkomt en niet bedreigd is. De Nederlandse populatie vertoont een matige toename. Daar waar nog geen met ranavirussen besmette alpenwatersalamanders zijn gevonden is dat wel het geval bij kleine watersalamanders. Ranavisussen hebben ook in Drenthe al her en der geleid tot grote sterfte onder kleine watersalamanders. Een bekend voorbeeld is de uitbraak van het virus in 2010 in het Dwingelderveld 3). Een nieuwe bedreiging van de salamanders doemt op in de vorm van een schimmel (Batrachochytrium salamandrivorans – Bsal) die in korte tijd hele populaties kan uitroeien. De voor Nederland unieke populatie vuursalamanders in Limburg is als gevolg van deze schimmel zo goed als verdwenen. Vooralsnog is deze schimmel alleen nog maar in Duitsland, België, Limburg en Gelderland aangetroffen 4) maar de kans dat ook de rest van Nederland hier mee te maken zal krijgen is aannemelijk.

3) Kik et al., 2011

4) Spitzen-van der Sluis et al., 2016

foto

Verspreiding kleine watersalamander in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie Kleine watersalamander

De kleine watersalamander wordt wel op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst om de volgende redenen: De kleine watersalamander komt in Drenthe algemeen voor en heeft een groot verspreidingsgebied. De staat van instandhouding is gunstig en er is sprake van een matige toename. Om die reden stond de kleine watersalamander dan ook op de landelijke vrijstellingslijst van de Flora- en faunawet. Vooralsnog is er geen aanleiding om hiervan af te wijken. Net als voor al-penwatersalamander geldt ook voor de kleine watersalamander dat virus- en schimmelepidemieën op de loer liggen die zeer ingrijpende consequenties kunnen hebben voor de staat van instandhouding van deze soort. Goede monitoring is daarom voor kleine watersalamander noodzakelijk.

 

Zoogdieren

Bunzing (Mustela putorius)

Onder de voormalige Flora- en faunawet was de bunzing opgenomen op de landelijke vrijstellingslijst.

Hoewel geen verandering in verspreiding in Nederland te zien is, vertoont het aantal waargenomen bunzingen in het NEM-meetnet Dagactieve Zoogdieren over de periode 1997-2013 een negatieve trend. In 2014 was sprake van een onverwachte piek in het aantal waarnemingen, waarschijnlijk een gevolg van het uitzonderlijke muizenjaar. Hierdoor is de trend over de periode 1997-2014 ‘neutraal’. Internationaal nemen de aantallen bunzingen af. Verkeer, bestrijdingsmiddelen (rodenticiden) en verschraling van het landschap door intensivering in de landbouw vormen de belangrijkste bedreigingen voor de bunzing. Meldingen van overlast of schade veroorzaakt door bunzingen zijn er niet of nauwelijks.

De gegevens voor bunzing zijn echter ontoereikend om een verantwoorde trendanalyse mogelijk te maken. Door de onzekerheid over aantallen en trend is de bunzing wel op de rode lijst geplaatst met als kenmerk ‘onbekend’. In 2016 is door de Zoogdiervereniging gestart met het opzetten van een NEM meetnet voor bunzing (en boommarter), zodat beter inzicht wordt verkregen in de verspreiding, trend en aantallen bunzingen.

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de verspreiding van bunzing in Drenthe diffuus is en niet direct te koppelen aan bepaalde landschapstypen. Bunzingen worden zowel binnen als buiten de NNN aangetroffen, zij het in lage aantallen.

Een en ander geeft aan dat de staat van instandhouding van bunzing in Nederland, op zijn minst onzeker is en waarschijnlijk ongunstig.

foto

   

Verspreiding bunzing in Drenthe. Bron: NDFF

 

Conclusie Bunzing

De bunzing wordt op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst met de kanttekening dat ambtelijk geadviseerd zal worden nader onderzoek te doen naar de staat van instandhouding in Drenthe. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.

Wanneer de waarnemingskaart van de bunzing in Drenthe bekeken wordt dan lijkt de soort vooral voor te komen langs rijks- en provinciale wegen. Deze waarnemingen betreffen echter alleen dode dieren, wat aangeeft dat het verkeer een van de voornaamste bedreigingen vormt voor deze soort. Het zegt echter niets over de verspreiding van en de dichtheden in de leefgebieden. Het aantal waarnemingen neemt echter af en dat doet vermoeden dat de staat van instandhouding van de bunzing op zijn minst onzeker is. Goede gegevens zijn echter schaars. Het gebrek aan voldoende gegevens is ook de oorzaak dat de soort is opgenomen op de rode lijst. In de voormalige Flora- en faunawet was de bunzing op de landelijke vrijstellingslijst geplaatst. Aan de voorwaarde dat de staat van instandhouding niet in het geding is kan op dit moment getwijfeld worden. Het niet plaatsen op de provinciale vrijstellingslijst betekent dat bij ruimtelijke ingrepen onderzoek naar de aanwezigheid van de bunzing vereist is. Dergelijk onderzoek is lastig, kostbaar en tijdrovend en leidt lang niet altijd tot een bruikbare en voor de bunzing zinvolle uitkomst. Actieve bescherming daarentegen in de vorm van het beschermen en ontwikkelen van kleinschalig landschap en het plaatsen van faunarasters en faunaovergangen bij wegen legt voor de bescherming van de bunzing (en de andere kleine marterachtigen) meer gewicht in de schaal.

Voor het kunnen bepalen van de staat van instandhouding van de bunzing in Drenthe moet gezorgd worden voor betere gegevens. Op grond van onderzoek kan bepaald worden of de soort op de provinciale vrijstellingslijst thuishoort. Vanuit het Flora- en faunabeleidsplan kan actief beleid voor bescherming en herstel van het leefgebied van kleine marters (waaronder bunzing) worden geïnitieerd.

 

Hermelijn (Mustela erminea)

Onder de voormalige Flora- en faunawet was de hermelijn opgenomen op de landelijke vrijstellingslijst.

Net als de andere marterachtigen heeft ook de hermelijn een sterke voorkeur voor structuurrijke landschappen met veel overgangen. Daarbij heeft de hermelijn een voorkeur voor vochtige tot natte gebieden. Monotone landschappen zoals weidegebieden, grootschalige akkers en bossen worden gemeden.

Consequent noteren van aangebrachte prooidieren op buizerdnesten in West-Drenthe in 1974-2003 duidt op achteruitgang 5). De zoogdieratlassen voor Zeeland (De Kraker, 2010), Limburg (Morelissen, 2010) en Overijssel (Van der Weele, 2011) tonen een ijlere verspreiding ten opzichte van voorgaande perioden. Het is aannemelijk dat de combinatie van ingrijpende landschappelijke veranderingen en afname van woelmuizenplagen zorgen voor algehele afname van de Hermelijn. Mogelijk bijkomende factoren zijn verdroging en klimaatverandering, gezien de binding aan waterrijke en koele streken. Ook de voortdurende lage konijnenstand in delen van het land speelt mogelijk parten. Lokaal kan een populatie tijdelijk toenemen bij hogere woelmuisstanden, zoals in 2014 is gebleken.

5) Bijlsma, 2004

foto

 

Verspreiding hermelijn in Drenthe. Bron: NDFF

 

Conclusie Hermelijn

De hermelijn wordt op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst met de kanttekening dat ambtelijk geadviseerd zal worden nader onderzoek te doen naar de staat van instandhouding. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.

Net als de bunzing en de wezel zijn ook de beschikbare gegevens over verspreiding en voorkomen van de hermelijn in Drenthe beperkt. Ook voor hermelijn geldt dat de indruk is dat de aantallen aan het afnemen zijn, maar dat de verspreiding in tact blijft. Er is dus reden om aan te nemen dat de staat van instandhouding van hermelijn ook in Drenthe onzeker is.

Net als bij bunzing en wezel geldt ook voor de hermelijn dat de soort meer gebaat is bij actieve bescherming dan bij passieve bescherming in de vorm van een beschermde status in de Wet natuurbescherming. Het verminderen van het aantal verkeersslachtoffers en verbetering van het leefgebied door het herstel en ontwikkeling van kleinschalig landschap zijn voorwaarden voor een goede staat van ontwikkeling van hermelijnen. Lokaal onderzoek naar de stand van de hermelijn is erg lastig en zorgt niet voor het oplossen van de problemen die hermelijnen ondervinden, maar wel voor extra regeldruk.

Het is van belang door middel van onderzoek meer te weten te komen over trends en ontwikkelingen van hermelijnen. Op grond van onderzoek kan bepaald worden of de soort op de provinciale vrijstellingslijst thuishoort.

 

Wezel (Mustela nivalis)

Onder de voormalige Flora- en faunawet was de wezel opgenomen op de landelijke vrijstellingslijst.

Wezels zijn de kleinste roofdieren van Nederland. Ze leven in structuurrijk terrein met veel ruigtes, bosjes en overhoekjes. Ze komen voor in droge gebieden maar ook in rietland, op erven en in de groene delen van steden en dorpen. Ze jagen op alles wat ze kunnen krijgen maar het hoofdvoedsel bestaat uit woelmuizen (veldmuis, aardmuis, bosmuis). De aantallen wezels fluctueren sterk, afhankelijk van het voedselaanbod. Net als andere roofdieren werden ook wezels in het verleden fel bestreden.

Ten opzichte van de voorgaande periode (1970 -1988) zijn tussen 1989 en 2012 minder atlasblokken met waarnemingen, vooral in de oostelijke helft van het land. Bijlsma (2004), constateerde over de periode 1974-2003 in Drenthe en de Zuidwest Veluwe een afname van wezels als prooi op buizerdnesten. Aantalsschattingen ontbreken echter. Een afname van de wezel wordt ook in andere landen in Noordwest Europa geconstateerd.

Door de sterke afhankelijkheid van het voedselaanbod is het lastig om een trend in populatiegrootte te bepalen. Veel woelmuizen levert veel wezels en weinig woelmuizen zorgt voor weinig wezels. Als kortlevende soort (wezels worden gemiddeld niet veel ouder dan een jaar) zonder vaste verblijfplaats en een grotendeels verborgen leefwijze zijn ze ook bijzonder lastig te inventariseren.

foto

 

Verspreiding wezel in Drenthe. Bron: NDFF

 

Conclusie Wezel

De wezel wordt op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst met de kanttekening dat ambtelijk geadviseerd zal worden nader onderzoek te doen naar de staat van instandhouding in Drenthe. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.

Net als bij bunzing en hermelijn bestaat veel twijfel over de staat van instandhouding van de wezel. Dit geldt voor Nederland als geheel en ook voor Drenthe. Er zijn veel aanwijzingen dat de staat van instandhouding van de wezel achteruit gaat. Het gaat dan met name om afname van de dichtheden. De verspreiding lijkt vooralsnog niet aangetast. Om die redenen is de wezel op de rode lijst geplaatst. Harde cijfers ontbreken echter. Daarnaast is de wezel een kortlevende soort die sterk afhankelijk is van het prooiaanbod. De natuurlijke variatie in populatieomvang is dan ook groot. Er is dus reden om aan te nemen dat de staat van instandhouding van wezel in Drenthe onzeker is.

Net als bij bunzing en hermelijn geldt ook voor de wezel dat de soort meer gebaat is bij actieve bescherming dan bij passieve bescherming in de vorm van een beschermde status in de Wet natuurbescherming. Wel is het ook hier zaak om door middel van onderzoek meer te weten te komen over trends en ontwikkelingen van de wezel. Op grond van onderzoek kan bepaald worden of de soort op de provinciale vrijstellingslijst thuishoort. Ondertussen kan met actieve bescherming zoals het plaatsen van rasters en faunapassages langs wegen en het herstel en ontwikkelen van goed leefgebied het nodige gedaan worden om de omstandigheden voor de wezel te verbeteren.

 

Egel ( Erinaceus europaeus)

Onder de voormalige Flora- en faunawet was de egel opgenomen op de landelijke vrijstellingslijst.

De egel heeft een brede verspreiding over Nederland. In alle provincies komt de egel voor. Egels prefereren kleinschalig, afwisselend landschap met veel structuur. In open landschappen is de egel veel minder algemeen. Egels voelen zich vooral thuis in het buitengebied maar zijn ook binnen de bebouwde kom aan te treffen. Tuinen met voldoende structuur zijn geliefde plaatsen om te overwinteren.

De trend van de egelpopulatie is over de periode 1980-2015 onzeker. Uit het veld is aangegeven dat sprake is van een afname van de egel. De gegevens uit de NDFF lijken echter een ander beeld te geven.

De voornaamste oorzaak van mortaliteit is het verkeer. Dit beeld wordt bevestigd door de kaart uit de voorlopige zoogdierenatlas van Drenthe waar het zwaartepunt van de waarnemingen ligt bij op of langs wegen gevonden (dode) egels. Andere bedreigingen zijn het verlies aan leefgebied en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Voor een soort die insecten, slakken, wormen etc. eet, zorgen gewasbeschermingsmiddelen voor een afname van het voedselaanbod en de aanwezigheid van toxische stoffen in de prooien.

foto

  

Verspreiding egel in Drenthe. Bron: NDFF

 

Conclusie Egel

De egel wordt op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst met de kanttekening dat ambtelijk geadviseerd zal worden nader onderzoek te doen naar de staat van instandhouding. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.

Het verkeer is ook in Drenthe de hoofdoorzaak van sterfte onder egels. Doordat de egel vrijwel overal in Drenthe te vinden is en ook nog frequent wordt waargenomen bestaat de indruk dat het wel goed gaat met de egel. Vanuit het veld zijn echter signalen te horen die minder positief zijn over de egelstand. Als tuindier zorgt de toenemende “verharding” van tuinen voor minder leefgebied en het gebruik van gewas beschermende middelen zorgt voor minder aanbod van insecten, het hoofdvoedsel van egels. De oorzaken van fluctuaties in de egelstand in het verleden zijn onbekend 6).

6) Hoekstra en Broekhuizen et al., 2009

Nog steeds is de egel een algemeen voorkomende soort, met een groot verspreidingsgebied maar fluctuaties in de egelstand zijn echter legio. De goede staat van instandhouding is dan ook onzeker. Meer onderzoek naar de specifieke oorzaken van deze fluctuaties is nodig om beter begrip te krijgen van gedrag en ontwikkeling van de egel. Egels komen overal voor, zowel in het buitengebied als binnen de bebouwde kom. Het niet plaatsen van de egel op de provinciale vrijstellingslijst zou betekenen dat voor nagenoeg alle ruimtelijke ingrepen onderzoek nodig is naar het voorkomen en de staat van instandhouding van de egel.

Het is verantwoord om de egel, in navolging van de voormalige Flora- en faunawet, op de lijst van vrij te stellen soorten te zetten. Wel is het hierbij zaak om beter inzicht in het voorkomen en de ontwikkeling van de egel te krijgen zodat betere uitspraken gedaan kunnen worden over de populatietrend van egels in Drenthe. Op basis van de aldus verkregen inzichten kan in een later stadium bekeken worden of het nodig is om de egel van de provinciale vrijstellingslijst te halen. Daarnaast is het belangrijk om actief in te zetten op verbetering van de omstandigheden voor egels in het verkeer. Net als voor de das zorgt het plaatsen van rasters op strategische plaatsen voor minder verkeersslachtoffers. Ook actief propageren van “groene” tuinen en vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dragen bij aan een beter leefgebied voor de egel.

 

(Rode) Eekhoorn (Sciurus europaeus)

De eekhoorn was in de Flora- en faunawet opgenomen als ’tabel-II soort’. De soort werd dus op populatieniveau beschermd. In de Wet natuurbescherming is de soort opgenomen op de bijlage behorend bij artikel 3.10 Wet natuurbescherming.

De populatie van de eekhoorn is in Nederland over de periode 1996-2014 matig afgenomen. De verwachting dat in 2014 de eekhoornpopulatie zich vanwege een redelijke hoeveelheid mast van eik en beuk in de herfst van 2013 en de zachte winter van 2013/2014 zou herstellen, is maar deels uitgekomen. Met name landelijk is het herstel gering. Mogelijk is dit te verklaren door een ziekte (toxoplasmose) die in 2014 optrad. Toen werden in de zomer en herfst enkele honderden dode dieren gemeld en werden zelfs eekhoorns gemeld die dood uit de boom vielen.

Voor de provincie Drenthe zijn onvoldoende gegevens voorhanden om op provinciaal niveau betrouwbare trends te bepalen. Uit gegevens van de NDFF lijkt een positieve trend in Drenthe waarneembaar. Wanneer gekeken wordt naar de landelijke trends over de laatste tien jaar, dan blijkt er een matige tot plaatselijk sterke afname te zijn. De afname wordt ook in het veld gesignaleerd.

foto

   

Verspreiding (rode) eekhoorn in Drenthe. Bron: NDFF

 

Conclusie (Rode) Eekhoorn

De eekhoorn wordt niet op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.

Voor de eekhoorn geldt dat veel zaken onbekend zijn. Zo lijkt er sprake te zijn van een stabiele trend tot 2006 waarna een daling intrad. Het is belangrijk om hierbij de forse fluctuaties in populatiegrootte goed te interpreteren. Eekhoorns reageren sterk op het voedselaanbod. Eekhoorns hebben ook te lijden van uitbraken van ziektes, het uitzetten van uitheemse eekhoornsoorten en ook vallen eekhoorns regelmatig ten prooi aan het verkeer. De goede staat van instandhouding is dan ook onzeker met een waarschijnlijk licht dalende trend.

In Drenthe heeft de eekhoorn een ruime verspreiding. Signalen uit het veld en de gegevens uit de werkversie zoogdieratlas Drenthe 2010 geven aan dat er mogelijk sprake is van een afname. Door een netto toename van bos lijkt meer leefgebied beschikbaar te komen. Ingebruikname hiervan door de eekhoorn lijkt te worden bevestigd door de gegevens uit de NDFF: er lijkt sprake van een grotere verspreiding van de soort. De oorzaak van de mogelijke achteruitgang is dan ook onduidelijk. Actief beheer van bossen door te zorgen dat een gevarieerd aanbod van jonge, oude en dode bomen beschikbaar is werkt gunstig voor eekhoorns.

Het aantal aanvragen van de voormalige Flora- en faunawet waarin eekhoorns betrokken zijn is gering. Het gaat dan meestal om te kappen bomen waar eekhoorns in nestelen. Dergelijke situaties zijn vaak goed op te lossen maar het gaat dan altijd om het leveren van maatwerk. Een vrijstelling is dan ook niet nodig. Het plaatsen van de Eekhoorn op de provinciale vrijstellingslijst levert ook nauwelijks vermindering van regeldruk op.

 

Das (Meles meles)

De das was in de Flora- en faunawet opgenomen als ’tabel-III soort’ en kende dus een zware bescherming. In de Wet natuurbescherming is de soort opgenomen op de bijlage behorend bij artikel 3.10 Wet natuurbescherming.

De populatie dassen is na een dieptepunt rond 1960 in Nederland herstellende. Ondanks dat de das in verschillende gebieden, ook in Drenthe, geen zeldzaamheid meer is omvat de huidige dassenpopulatie in Nederland nog maar de helft van het aantal dassen dat rond 1900 in Nederland verbleef. Ze zitten dus nog steeds niet op het oude niveau. De voornaamste bedreiging tot circa 1960 was rechtstreekse vervolging (afschot, vergiftiging, klemmen, enz.). Het herstel van de das is te danken aan de strikte bescherming en aan maatregelen om slachtoffers door het verkeer te beperken (rasters, dassentunnels, ecoducten). Deze investeringen zijn voor de das een uitkomst geweest. Het verkeer vormt nog steeds een belangrijke doodsoorzaak, maar de populatie in Drenthe is inmiddels zo groot dat dit het herstel wel kan vertragen maar niet meer stopt.

De strikte bescherming van de das in de Flora- en faunawet is onder de Wet natuurbescherming iets soepeler geworden. Het verstoren van dassen of van hun leefomgeving is niet langer verboden (artikel 3.10 soort, bijlage A van de Wet natuurbescherming). Dat maakt het gemakkelijker om preventieve maatregelen te treffen om bijvoorbeeld landbouwschade te beperken, beheer en onderhoud uit te voeren of om bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren.

foto

  

Verspreiding das in Drenthe. Bron: NDFF

 

Conclusie Das

De das wordt niet op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.

Op landelijke schaal is de das momenteel geen bedreigde soort meer. Aan een gunstige staat van instandhouding (soort komt in het natuurlijke verspreidingsgebied duurzaam voor in alle geschikte biotopen 7) wordt echter nog niet voldaan. De dassenpopulatie is immers nog steeds herstellende en nog lang niet alle potentiele leefgebieden (ook in Drenthe) zijn bezet.

Op grond van het voorgaande voldoet de das niet aan de wettelijke criteria om deze soort te kunnen vrijstellen conform artikel 3.10. Bovendien is het niet langer onder bepaalde omstandigheden verboden om dassen verstoren. In voorkomende situaties kan van geval tot geval een ontheffing worden aangevraagd.

7) "conservation status of a species means the sum of the influences acting on the species concerned that may affect the long-term distribution and abundance of its populations within the territory referred to in Article 2. The conservation status will be taken as 'favourable' when:

  • -

    population dynamics data on the species concerned indicate that it is maintaining itself on a long-term basis as a viable component of its natural habits, and

  • -

    the natural range of the species is neither being reduced nor is likely to be reduced for the foreseeable future, and

  • -

    there is, and will probably continue to be, a sufficiently large habitat to maintain its populations on a long-term basis."

Bron: http://ec.europa.eu/environment/nature/conservation/species/guidance/pdf/guidance_en.pdf

 

Steenmarter (Martes foina)

Steenmarter en boommarter zijn sterk op elkaar lijkende martersoorten. Boommarter leeft in bossen op zowel zand-, klei-, en veengrond. Steenmarter leeft vooral in kleinschalige landschappen en in toenemende mate ook in bewoonde gebieden, waar boommarters niet of nooit voorkomen. In de loop van de eeuwen zijn beide soorten, net als vrijwel alle andere roofdieren, altijd streng vervolgd.

Voor 1980 was de steenmarter een zeldzame verschijning. Met name vanaf de jaren 80 van de 20e eeuw namen de aantallen en de verspreiding echter sterk toe. Het leefgebied van de steenmarter in Nederland breidt zich gestaag van oost naar west uit. Het zal een kwestie van tijd zijn voordat de soort in heel Nederland (met uitzondering van de Waddeneilanden) voorkomt. De bestaande leefgebieden raken voller wat leidt tot onderlinge concurrentie tussen territoriale steenmarters. Ook de overlast en schade als gevolg van steenmarters neemt toe. Waarschijnlijk is Drenthe nu ‘vol’, zodat de aantallen steenmarters stabiel zullen blijven.

Steenmarters zorgen in toenemende mate voor overlast. De provinciale vrijstelling waarvoor bijlage IV geldt (te weten artikel 4.3 van de POV) is echter niet gericht op het voorkomen van overlastsituaties. De vrijstelling uit artikel 4.3 is alleen (kort gezegd) gericht op het vrijstellen van soorten voor de belangen van ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer en onderhoud. Overlastsituaties vallen hier niet onder. Het plaatsen van de steenmarter op de provinciale vrijstellingslijst biedt zodoende voor overlast situaties geen uitkomst.

foto

   

Verspreiding steenmarter in Drenthe. Bron: NDFF

 

Conclusie Steenmarter

De provinciale vrijstelling geldt niet voor overlastsituaties maar voor (kort gezegd) ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer en onderhoud. Voor overlastsituaties is een generieke ontheffing aan gemeenten mogelijk (en dit is in de praktijk ook al diverse keren verleend). Voor het plaatsen van de steenmarter op de provinciale vrijstellingslijst is om deze reden op dit moment geen aanleiding.

 

Bijlage V Middelen soortenvrijstelling voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer

Omdat voor de soorten die zijn opgenomen in de lijsten behorende bij artikel 3.10 Wet natuurbescherming verstoren niet verboden is hoeven middelen die een preventieve werende werking hebben zoals vlaggen, linten en kunstmatige lichtbronnen niet aangewezen te worden. Bij de bepaling van de middelen is gebruik gemaakt van de Handreiking Faunaschade. Hieruit komt naar voren dat voor het vangen buidels-, fretten-, kastvallen en vangkooien gebruikt kunnen worden. Om de opties open te houden is ook een kunstbouw zonder vangmechanisme en specifiek voor amfibieën (schep)netten, amfibieënfuik en livetraps aangewezen.

Bij de bepaling van de middelenlijst is gebruik gemaakt van de Handreiking Faunaschade. Alle daar bekende vangmiddelen die gebruikt kunnen worden zijn opgenomen. Daarnaast zijn voor amfibieën een drietal vangmiddelen aangewezen.

 

Bijlage VI Aangewezen schadesoorten grondgebruiker

Voor de toelichting naar de totstandkoming van deze lijst wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4.7, eerste lid, POV.

 

Bijlage VII Middelen voor het verstoren van aangewezen schadesoorten

Bij de bepaling van de middelenlijst is gebruik gemaakt van de Handreiking Faunaschade. Alle bekende preventieve middelen die gebruikt kunnen worden om vogels te verstoren zijn opgenomen. Dit is gedaan om zoveel mogelijk keuzemogelijkheden te geven aan de grondgebruikers. Daarnaast is de Agri-laser opgenomen omdat dit middel in de praktijk veel gebruikt wordt.

 

Bijlage VIII Aangewezen rustgebied

Op dit moment is in het Flora- en faunabeleidsplan één rustgebied weergegeven, te weten: nabij het Leekstermeer. Gelet op een beleidsarme implementatie blijft dit gebied aangewezen.