Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Weert houdende regels omtrent gemeentelijke regelgeving op het gebied van openbare orde en veiligheid (Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Weert)

Geldend van 19-12-2020 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Weert houdende regels omtrent gemeentelijke regelgeving op het gebied van openbare orde en veiligheid (Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Weert)

De raad van de gemeente Weert,

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 25 augustus 2015;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

gezien het advies van de Raadscommissie Bedrijfsvoering en Inwoners;

In afwijking van het collegevoorstel is in de openbare vergadering van 01 oktober 2015 als volgt besloten:

Besluit vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Weert met uitzondering van de artikelen:

2:15 (hinderlijke beplanting),

2:17 (kelderingangen e.d.) en

2:30 (afwijking sluitingstijd).

Deze artikelen blijven ongewijzigd ten opzichte van de thans geldende APV 2009.

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1:1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

  • b.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;

  • c.

    bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

  • d.

    bromfiets : hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • e.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert;

  • f.

    gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan;

  • g.

    handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

  • h.

    motorvoertuig : hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • i.

    openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  • j.

    openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

  • k.

    parkeren : hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • l.

    rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

  • m.

    voertuig : hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

  • n.

    weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet.

Artikel 1:2 Beslistermijn
  • 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.

  • 3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing , waarvoor het bevoegde bestuursorgaan een andere termijn heeft vastgesteld.

  • 4. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, lid 4, artikel 4:11b of artikel 4:16 van deze verordening.

Artikel 1:3 Late indiening aanvraag

[Vervallen]

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
  • 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • c.

    indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

  • e.

    indien de houder dit verzoekt.

Artikel 1:7 Termijnen

De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden
  • 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      de openbare veiligheid;

    • c.

      de volksgezondheid;

    • d.

      de bescherming van het milieu.

  • 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE

Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden en verstoren openbare orde
  • 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden of de openbare orde te verstoren.

  • 2. Degene die op een openbare plaats

    • a.

      aanwezig is bij een voorval, waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    • b.

      aanwezig is bij een gebeurtenis, die aanleiding geeft tot toeloop van publiek, waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    • c.

      zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

    is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar van Stadstoezicht van de gemeente Weert of een buitengewoon opsporingsambtenaar gedetacheerd bij de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Weert, krachtens artikel 6:2 van deze verordening belast met het toezicht op de naleving van deze verordening, zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  • 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  • 5. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

  • 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 2. Betoging
Artikel 2:2 Optochten

[gereserveerd] zie artikel 2:24 met toelichting

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
  • 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste één week voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  • 2. De kennisgeving bevat:

    • a.

      naam en adres van degene die de betoging houdt;

    • b.

      het doel van de betoging;

    • c.

      de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    • d.

      de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    • e.

      voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    • f.

      maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  • 3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  • 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

  • 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:4 Afwijking termijn

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken
Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

(vervallen)

Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg
Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.

[gereserveerd] zie artikel 2:24 met toelichting

Artikel 2:8 Dienstverlening

[gereserveerd]

Artikel 2:9 Straatartiest e.d.

(vervallen)

Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel 2:10 Voorwerpen op openbare plaatsen in strijd met de publieke functie ervan
  • 1. Het is verboden om zonder vergunning van het college een openbare plaats te gebruiken voor het plaatsen of aanbrengen van een voorwerp/voorwerpen op of boven een openbare plaats.

  • 2. Het verbod geldt niet indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      het plaatsen/aanbrengen van het voorwerp/de voorwerpen is minimaal twee weken van te voren gemeld met een door het college vastgesteld meldingsformulier;

    • b.

      het voorwerp wordt geplaatst/aangebracht in een 30 km/u-zone;

    • c.

      het voorwerp is niet langer dan vijf dagen aanwezig;

    • d.

      het voorwerp neemt geen grotere oppervlakte in beslag dan 16 m2;

    • e.

      het voorwerp komt niet te staan: op de singels in de binnenstad van Weert of binnen die singels, op de Stationsstraat, de Maaspoort of de Driesveldlaan;

    • f.

      het voorwerp komt niet op een plaats te staan waar betaaldparkeren of vergunningparkeren geldt; én

    • g.

      het voorwerp komt te staan op een plaats direct voor of naast het eigen perceel van de melder.

  • 3. Het verbod geldt niet, indien de te plaatsen/aan te brengen voorwerpen sandwichborden of driehoeksborden zijn en indien daarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      het plaatsen/aanbrengen van de borden is minimaal twee weken voor het plaatsen/aanbrengen gemeld met een door het college vastgesteld meldingsformulier;

    • b.

      er worden niet meer dan 20 sandwichborden/driehoeksborden geplaatst/aangebracht;

    • c.

      het betreft geen handelsreclame;

    • d.

      het betreft een lokale organisatie en lokale activiteit;

    • e.

      de borden zijn niet langer dan twee weken aanwezig en moeten uiterlijk de dag na afloop van de activiteit verwijderd zijn.

  • 4. Het verbod geldt niet voor verkiezingsborden van politieke partijen tijdens verkiezingscampagnes. Deze mogen tot en met de verkiezingen maximaal drie weken aanwezig zijn.

  • 5. Het verbod geldt niet voor borden voor theatervoorstellingen, circussen en concerten. Deze mogen tot en met de dag van de voorstelling maximaal twee weken aanwezig zijn.

  • 6. Het college kan met inachtneming van het bepaalde in lid 2, 3, 4 en 5, nadere regels vaststellen voor het plaatsen en aanbrengen van voorwerpen, sandwichborden/driehoeksborden en verkiezingsborden.

  • 7. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2. eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de in het eerste lid genoemde vergunning onder meer ook worden geweigerd én de melding is in elk geval niet akkoord en het plaatsen/aanbrengen van de voorwerpen daarmee verboden:

    • a.

      indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats;

    • b.

      indien het beoogde gebruik gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik van de openbare plaats;

    • c.

      indien het beoogde gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;

    • d.

      indien het beoogde gebruik de verkeersveiligheid in gevaar brengt.

  • 9. Het verbod geldt niet:

    • a.

      voor evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van deze verordening;

    • b.

      voor terrassen bij openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27 van deze verordening;

    • c.

      voor uitstallingen als bedoeld in artikel 2:10a van deze verordening;

    • d.

      voor standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 en verder van deze verordening.

  • 10. Voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening Limburg 2014.

  • 11. Op de vergunning genoemd in lid 1 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:10a Uitstallingen
  • 1. Onder uitstalling wordt verstaan de opstelling, direct voor een bedrijf, van:

    • a.

      producten, die binnen worden verkocht en/of geleverd, en/of

    • b.

      reclame-uitingen ten behoeve van het betreffende bedrijf en/of

    • c.

      roerende zaken, die dienen ter aankleding van het bedrijfspand én de openbare ruimte.

  • 2. Een uitstalling is alleen mogelijk wanneer voldaan wordt aan de volgende algemene regels:

    • a.

      de uitstalling is vooraf aan het college gemeld;

    • b.

      de uitstalling wordt geplaatst direct aansluitend aan de gevel tot maximaal 1.00 meter uit de gevel of binnen portieken e.d. (binnen de gevellijn van het betreffende pand);

    • c.

      de uitstalling bestaat uit direct verplaatsbare objecten;

    • d.

      de uitstalling is alleen aanwezig tijdens de tijden dat de winkel open is;

    • e.

      de uitstalling is van een deugdelijke constructie en levert geen gevaar of hinder/overlast op voor de weggebruikers;

    • f.

      de uitstalling vormt geen hinder/overlast voor de gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken;

    • g.

      de uitstalling kan geen schade toebrengen aan de weg, geen belemmering vormen voor het doelmatige en veilige gebruik van de weg en geen belemmering vormen voor het doelmatige beheer en onderhoud van de weg;

    • h.

      kabels en dergelijke dienen op zodanige wijze te zijn weggewerkt of afgewerkt dat deze geen gevaar of hinder/overlast opleveren voor het verkeer.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

(vervallen)

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

    • a.

      een uitweg te maken naar de weg;

    • b.

      van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    • c.

      verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van deze verordening kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd indien:

    • a.

      daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

    • b.

      dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    • c.

      het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

    • d.

      er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, tenzij die extra uitweg strikt noodzakelijk is, hetgeen bij de aanvraag om omgevingsvergunning aangegeven moet worden; of

    • e.

      de waterhuishouding daardoor wordt aangetast.

  • 3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Afdeling 6. Veiligheid op de weg
Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid

[gereserveerd]

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

(vervallen)

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat het op andere wijze wordt gehinderd of in gevaar gebracht.

Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.

(vervallen)

Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.
  • 1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
  • 1. Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.

  • 2. Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

  • 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

[gereserveerd]

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

[gereserveerd]

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn

(vervallen)

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

(vervallen)

Afdeling 7. Evenementen
Artikel 2:24 Definitie evenement
  • 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan, elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    • a.

      bioscoopvoorstellingen;

    • b.

      markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;

    • c.

      kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    • d.

      het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

    • e.

      betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    • f.

      activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze verordening;

    • g.

      de door de gemeente georganiseerde stads- en dorpskermissen.

  • 2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    • a.

      een herdenkingsplechtigheid;

    • b.

      een braderie;

    • c.

      een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;

    • d.

      een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    • e.

      een straatfeest of buurtfestiviteit op één dag (klein evenement).

Artikel 2:25 Evenementenvergunning
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  • 2. Het verbod van het eerste lid geldt niet als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      het is een evenement in de open lucht;

    • b.

      het aantal bezoekers is niet meer dan 150 gelijktijdig;

    • c.

      het evenement duurt maximaal tot 24.00 uur;

    • d.

      het ten gehore brengen van muziek duurt op vrijdag en zaterdag tot maximaal 24.00 uur en op maandag tot en met donderdag en op zondag tot maximaal 23.00 uur;

    • e.

      het evenement wordt niet gehouden op de rijbaan (niet zijnde een woonerf), fiets- of bromfietspad of parkeergelegenheid of vormt niet anderszins een belemmering voor het verkeer en de hulpdiensten, hetgeen ook betekent dat er op het trottoir een doorgang van 1.20 meter open moet blijven en op promenades en woonerven een doorgang van minstens 4.50 meter;

    • f.

      er worden slechts objecten geplaatst met een oppervlakte van minder dan 50 m² per object en niet meer dan vier objecten per straat;

    • g.

      er is een organisator;

    • h.

      de organisator stelt de burgemeester tenminste vier weken voorafgaand aan het evenement in kennis met een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier; en

    • i.

      er wordt voldaan aan de standaardvoorschriften van Politie.

  • 3. Bij de indiening van een aanvraag om een vergunning voor een evenement, zoals bedoeld in lid 1, en bij de indiening van een meldingsformulier, zoals genoemd in lid 2, aanhef, onder h, bij een evenement met meer dan 150 personen tegelijk aanwezig, worden de gegevens, vermeld in artikel 2.3. Indieningsvereisten gebruiksmelding van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd via een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 Weigeringsgronden kan de vergunning, zoals bedoeld in lid 1, worden geweigerd wegens strijdigheid met het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

  • 5. De burgemeester kan naar aanleiding van een melding, zoals bedoeld in lid 2, aanhef, onder h, nadere voorwaarden verbinden aan het te houden evenement in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, de bescherming van het milieu en de brandveiligheid.

  • 6. De burgemeester kan naar aanleiding van een melding, zoals bedoeld in lid 2, aanhef, onder h, besluiten een evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, de bescherming van het milieu en de brandveiligheid in gevaar komt.

  • 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  • 8. De burgemeester kan nadere regels stellen betreffende het organiseren van vergunningsplichtige en/of meldingsplichtige evenementen.

  • 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, lid 1, en in afwijking van het bepaalde in artikel 1:8, lid 2, kan een vergunning voor een evenement worden geweigerd als de aanvraag om vergunning minder dan acht weken voor het evenement is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

  • 10. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, lid 1, wordt een vergunning voor een evenement geweigerd indien bij het evenement wilde dieren worden gebruikt. Hierbij wordt onder wilde dieren verstaan: andere dieren dan die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage IV van het Besluit houders van dieren, met uitzondering van door de mens gekweekte vogels behalve roofvogels.

    Bijlage IV. als bedoeld in artikel 4.14 van het Besluit houders van dieren

    Aangewezen soorten van zoogdieren waarmee deelname aan en vervoer ten behoeve van een circus of een ander optreden is toegestaan.

    Soorten 

     

    Equus asinus

    (Ezel)

    Equus caballus

    (Paard)

    Canis lupus familiaris

    (Hond)

    Felis catus

    (Kat)

    Bos taurus

    (Rund)

    Ovis aries

    (Schaap)

    Capra hircus

    (Geit)

    Sus scrofa

    (Varken)

    Lama glama (Guanaco familiaris)

    (Lama)

    Vicugna pacos

    (Alpaca)

    Camelus bactrianus

    (Kameel)

    Camelus dromedarius

    (Dromedaris)

    Oryctolagus cuniculus

    (Konijn)

    Rattus norvegicus

    (Bruine rat)

    Mus musculus

    (Tamme muis/huismuis)

    Cavia porcellus

    (Cavia)

    Mesocricetus auratus

    (Goudhamster)

    Meriones unguiculatus

    (Gerbil)

     

Artikel 2:26 Ordeverstoring
  • 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

  • 2. Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren.

  • 3. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.

  • 4. Het verbod van lid 3 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

  • 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt, in afwijking van artikel 2:24, onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak en een herdenkingsplechtigheid.

Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Definities
  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    • a.

      openbare inrichting:

      • 1.

        een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis, coffeeshop, waar softdrugs plegen te worden verkocht;

      • 2.

        elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid.

    • b.

      terras:

      • een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.

  • 2. Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
  • 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  • 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    • a.

      winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    • b.

      zorginstelling;

    • c.

      museum; of

    • d.

      bedrijfskantine of -restaurant.

  • 5. Het college kan nadere regels vaststellen voor de exploitatie van een openbare inrichting.

  • 6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning en de vrijstelling.

Artikel 2:28a Overgangsregeling
  • 1. De exploitant van een openbare inrichting, zoals bedoeld in deze afdeling, is verplicht om vóór 1 januari 2021 een aanvraag om een exploitatievergunning in te dienen.

  • 2. Totdat er een besluit is genomen op de aanvraag wordt de exploitant geacht niet te handelen in strijd met de geldende exploitatievergunningplicht.

Artikel 2:29 Sluitingstijd
  • 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met zondag, dagelijks tussen 02.00 uur en 07.00 uur.

  • 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. Deze ontheffing wordt uitsluitend verleend voor alle dagen van 02.00 uur tot 04.00, met uitzondering van het terras, waarvoor de eindtijd van 02.00 uur blijft gelden.

  • 3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  • 4. a. In afwijking van de algemene sluitingstijd, zoals bepaald in het eerste lid, en de sluitingstijd bij verleende ontheffing, zoals bepaald in het tweede lid, kunnen in de exploitatievergunning, zoals vermeld in artikel 2:28, afwijkende, vroegere sluitingstijden worden bepaald, waarbij voor het terras en voor het overige gedeelte van de openbare inrichting elk afzonderlijke sluitingstijden kunnen worden bepaald.

    b. De burgemeester kan voor incidentele, bijzondere gelegenheden op aanvraag ontheffing van de in de exploitatievergunning opgenomen sluitingstijden verlenen.

  • 5. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing op paracommerciële instellingen in de zin van artikel 4 van de Drank- en Horecawet, waarvan de sluitingstijd is geregeld in de artikelen 3 en 5 van de Drank- en Horecaverordening Paracommercie Weert 2011.

  • 7. Dit artikel is niet van toepassing op seksinrichtingen in de zin van artikel 2:27, waarvan de sluitingstijd geregeld in artikel 3:6.

  • 8. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

  • 9. De in het eerste en tweede lid genoemde sluitingstijden gelden niet in de nacht van 31 december op 1 januari.

  • 10. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
  • 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:30a Afwijking sluitingstijd; verruiming sluitingstijd
  • 1. Om na te gaan of ruimere openingstijden voor een openbare inrichting in de praktijk mogelijk zijn en niet leiden tot negatieve gevolgen voor de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of dat daardoor de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, is de burgemeester bevoegd om op aanvraag een besluit te nemen om bij wijze van proef voor een nader te bepalen openbare inrichting of beperkt aantal openbare inrichtingen een latere sluitingstijd dan 04.00 uur vast te stellen.

  • 2. Op het moment dat die latere sluitingstijd leidt tot een situatie waarbij de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, dan besluit de burgemeester de verruiming van de sluitingstijd in te trekken.

Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting

Het is bezoekers verboden zich in een openbare inrichting te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn.

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen

(vervallen)

Artikel 2:33 Ordeverstoring
  • 1. Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren.

  • 2. Het is verboden voor een exploitant om een bijeenkomst van een organisatie, die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde, te laten houden in een openbare inrichting.

Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:31.

Artikel 2:34a Beslistermijn

(vervallen) zie artikel 1:2

Afdeling 8A Voor publiek openstaande gebouwen
Artikel 2:34b Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    • b.

      beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

    • c.

      bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  • 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

  • 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    • a.

      in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    • b.

      indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    • b.

      indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    • c.

      de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • d.

      indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    • e.

      indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    • f.

      indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • g.

      indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.

  • 5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a.

      de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    • b.

      het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    • c.

      het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • d.

      indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    • e.

      een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    • f.

      een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  • 6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  • 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:

    • a.

      door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of

    • b.

      door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of

    • c.

      de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of

    • d.

      de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

    • e.

      de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of

    • f.

      er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

    • g.

      er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of

    • h.

      de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of

    • i.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

    • j.

      de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.

  • 8. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.

  • 9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  • 10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

  • 11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.

  • 12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

  • 13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

  • 14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

  • 15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

(vervallen)

Artikel 2:35 Begripsbepaling

(vervallen)

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie

(vervallen)

Artikel 2:37 Nachtregister

[gereserveerd]

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister

(vervallen)

Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
  • 1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;

    • b.

      speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen;

    • c.

      speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.

  • 3. De burgemeester weigert de vergunning:

    • a.

      indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

    • b.

      indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

  • 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40 Speelautomaten

[gereserveerd]

Artikel 2:40a Toezicht op winkelbedrijven

(vervallen: Growshops -verboden krachtens artikel 11a Opiumwet-, smartshops en headshops)

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
  • 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42 Plakken en kladden
  • 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  • 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    • a.

      een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    • b.

      met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  • 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  • 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 5. Het is verboden de aanplakborden, bedoeld in het vierde lid, te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  • 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
  • 1. Het is verboden op een openbare plaats enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
  • 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen (o.a. rooftassen)
  • 1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstallen te vergemakkelijken.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.

(vervallen)

Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.

(vervallen)

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
  • 1. Het is verboden op een openbare plaats:

    • a.

      te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    • b.

      zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties, waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  • 3. Wordt geoordeeld dat het verbod wordt overtreden dan is de overtreder verplicht op een daartoe strekkend bevel of vordering van een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar van Stadstoezicht van de gemeente Weert of een buitengewoon opsporingsambtenaar gedetacheerd bij de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Weert, krachtens artikel 6:2 van deze verordening belast met het toezicht op de naleving van deze verordening, zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen over tenminste de door deze ambtenaar aangegeven afstand.

Artikel 2:48 Verboden gebruik van alcoholhoudende drank en softdrugs
  • 1. Het is voor personen, die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      een terras dat behoort bij een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en

    • b.

      een andere plaats dan een openbare inrichting als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

  • 3. Het is verboden op een openbare plaats softdrugs te gebruiken, toe te dienen dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.

  • 4. Onder softdrugs worden verstaan: de middelen, genoemd in lijst II behorende bij de Opiumwet.

Artikel 2:48a Voorkomen glas op straat
  • 1. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, drinkglazen of aangebroken glazen flessen/flesjes, al dan niet met alcoholhoudende drank of alcoholvrije drank, bij zich te hebben.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      een terras dat behoort bij een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;

    • b.

      een andere plaats dan een openbare inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:48b Verboden gebruik lachgas

Het is verboden in het openbaar gebied lachgas te gebruiken als daardoor hinder ontstaat voor personen of de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in Verboden gedrag bij of in gebouwen
  • 1. Het is verboden:

    • a.

      zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    • b.

      zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  • 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

  • 3. Wordt geoordeeld dat de verboden worden overtreden dan is de overtreder verplicht op een daartoe strekkend bevel of vordering van een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar van Stadstoezicht van de gemeente Weert of een buitengewoon opsporingsambtenaar gedetacheerd bij de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Weert, krachtens artikel 6:2 van deze verordening belast met het toezicht op de naleving van deze verordening, zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen over tenminste de door deze ambtenaar aangegeven afstand.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
  • 1. Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

  • 2. Wordt geoordeeld dat het verbod wordt overtreden dan is de overtreder verplicht op een daartoe strekkend bevel of vordering van een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar van Stadstoezicht van de gemeente Weert of een buitengewoon opsporingsambtenaar gedetacheerd bij de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Weert, krachtens artikel 6:2 van deze verordening belast met het toezicht op de naleving van deze verordening, zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen over tenminste de door deze ambtenaar aangegeven afstand.

Artikel 2:50a Vechten in het openbaar
  • 1. Het is verboden in het openbaar te vechten.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, of 426bis, of Titel XX van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:50b Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
  • 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.
  • 1. Het is verboden op een openbare plaats een fiets (al dan niet voorzien van een hulpmotor) neer te zetten buiten een beschikbaar fietsrek, fietsklem, fietsbeugel e.d. en overigens, wanneer geen fietsrek e.d. beschikbaar is, om die zodanig neer te zetten dat die voor anderen hinder of overlast bezorgt.

  • 2. Van hinder of overlast is in elk geval sprake wanneer de fiets voor een gevel van een pand is neergezet terwijl dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat pand, zoals blijkend uit een opschrift aan de gevel van het pand.

Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

(vervallen)

Artikel 2:53 Bespieden van personen

(vervallen)

Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur

[gereserveerd]

Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren

[gereserveerd]

Artikel 2:56 Alarminstallaties

[gereserveerd]

Artikel 2:57a Aanlijnen van honden binnen bebouwde kom
  • 1. Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond, alsmede eenieder die een hond onder zijn hoede heeft, verboden deze onaangelijnd binnen de bebouwde kom, op een openbare plaats, te laten lopen.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen en door middel van borden aangegeven plaatsen.

Artikel 2:57b Verbod tot onbeheerd laten loslopen van honden buiten bebouwde kom

Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond, alsmede eenieder die een hond onder zijn hoede heeft, verboden deze buiten de bebouwde kom op de openbare weg en op een openbare plaats en op andere door het college aangewezen plaatsen zonder geleide of toezicht te laten loslopen.

Artikel 2:57c Verbod tot zonder toestemming laten lopen van honden op privéterrein

(vervallen)

Artikel 2:57d Voor honden verboden plaatsen

Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond, alsmede eenieder die een hond onder zijn hoede heeft, verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen

  • a.

    op een voor het publiek toegankelijke en als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

  • b.

    op een andere openbare plaats indien de hond niet is voorzien van een halsband of een ander indentificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
  • 1. Degene die met een hond op een openbare plaats of een andere door het college aangegeven plaats aanwezig is, is verplicht om ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd en om die in een afvalbak te doen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of hij houder van een geleidehond of sociale hulphond, die zich vanwege zijn handicap door die hond laat begeleiden, indien het onmogelijk is om de uitwerpselen te verwijderen.

  • 3. Degene bedoeld in lid 1 is verplicht een ruimmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen van de hond; de eigenaar of houder van de hond is verplicht dit ruimmiddel op eerste vordering van een toezichthouder terstond te laten zien.

Artikel 2:58c Onbeheerde honden

(vervallen)

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:

    • a.

      anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;

    • b.

      anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57d, aanhef, onder b, geldt bij het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.

  • 3. In het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;

    • b.

      kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1.50 meter.

Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein
  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester heeft medegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht.

  • 2. Het verbod geldt niet als:

    • a.

      op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    • b.

      het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en

    • c.

      het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
  • 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast/hinder of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben;

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

    • c.

      aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of

    • d.

      te voeren .

  • 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak, gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:61 Wilde dieren

[gereserveerd]

Artikel 2:62 Loslopend vee

De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein, dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen worden getroffen dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:63 Duiven

(vervallen)

Artikel 2:64 Bijen

(vervallen)

Artikel 2:65 Bedelarij

Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Artikel 2:65a Slaapverbod op openbare plaats

Onverminderd het bepaalde in afdeling 5 van Hoofdstuk 4 van deze verordening is het verboden op een openbare plaats, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijk doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

Artikel 2:65b Kouderegeling

Het is verboden zich bij een gevoelstemperatuur van –10 ºC of kouder tussen 21.00 uur en 07.00 uur op te houden in de buitenlucht met het kennelijke doel een aanzienlijk deel van de nacht in de buitenlucht door te brengen.

Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Definitie

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
  • 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

    • a.

      Het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    • b.

      De datum van verkoop of overdracht van het goed;

    • c.

      Een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed;

    • d.

      De verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

    • e.

      De naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  • 2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  • a.

    de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    • 1.

      Dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    • 2.

      Van een verandering van de onder a sub 1 bedoelde adressen;

    • 3.

      Als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    • 4.

      Dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  • b.

    de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  • c.

    aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  • d.

    een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Afdeling 13. Vuurwerk
Artikel 2:71 Definitie

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
  • 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.

  • 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
  • 1. Het is verboden om consumentenvuurwerk in de vorm van knalvuurwerk en/of vuurpijlen te gebruiken.

  • 2. Het is verboden om consumentenvuurwerk, anders dan genoemd in lid 1, te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast/hinder aangewezen plaats.

  • 3. Het is verboden consumentenvuurwerk, anders dan genoemd in lid 1, op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast/hinder kan veroorzaken.

  • 4. De in het eerste, tweede en derde lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling 14. Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, gebiedsontzeggingen en cameratoezicht openbare orde
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:26, 2:47, 2:48, 2:48a, 2:49, 2:50, 4:8 en 5:34 of van deze verordening niet naleven.

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester is bevoegd, overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77 Gebiedsontzeggingen
  • 1. De burgemeester is bevoegd, in het belang van de openbare orde, aan degene, die een of meer van de wettelijke bepalingen overtreedt, die genoemd zijn in lid 7 van dit artikel, een verbod op te leggen om zich te bevinden in een door het college aangewezen gebied en de daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen.

  • 2. Het verbod van het eerste lid geldt gedurende het in het besluit van de burgemeester genoemde termijn, nadat dit besluit aan de overtreder bekend is gemaakt. De duur van de gebiedsontzegging is afhankelijk van de zwaarte van de overtreding. De overtredingen zijn onderverdeeld in drie categorieën, zie lid 7.

  • 3. De burgemeester is bevoegd, in het belang van de openbare orde, aan degene die hij eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid heeft opgelegd en ten aanzien van wie binnen één jaar na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd dat hij opnieuw een of meer van de in het laatste lid genoemde artikelen overtreedt, een verbod op te leggen om zich te bevinden in een door het college aangewezen gebied en in de daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen voor een tijdvak van maximaal 12 weken. Dit geldt voor alle categorieën genoemd in lid 7.

  • 4. De burgemeester houdt bij zijn beslissing rekening met eventuele zwaarwegende belangen, die betrokkene kan hebben bij aanwezigheid in het gebied, zoals het aldaar wonen, werken of het bezoeken van een hulpverleningsinstantie.

  • 5. Het is verboden om zich in strijd met een op grond van dit artikel opgelegde gebiedsontzegging in een desbetreffend door het college aangewezen gebied of de daarin voor publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen te bevinden.

  • 6. Voor bijzondere of meerdaagse evenementen kan het college ten behoeve van gebiedsontzeggingen op grond van dit artikel een op het betreffende evenement afgestemd gebied aanwijzen, dat afwijkt van het aangewezen reguliere gebied.

  • 7. Categorie 1: feiten waarvoor een gebiedsverbod van 2 weken kan worden opgelegd:

    Artikel

    Feit

    2:1 APV

    Samenscholing en ongeregeldheden

    2:26 APV

    Ordeverstoring bij evenementen

    2:33 APV

    Ordeverstoring in een openbare inrichting

    2:47 APV

    Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

    2:48 APV

    Verboden gebruik van alcoholhoudende drank en softdrugs

    2:48a APV

    Verboden glas op straat

    2:48b APV

    Verboden gebruik lachgas

    2:49 APV

    Verboden gedrag bij of in gebouwen

    2:50 APV

    Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

    2:73 APV

    Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

    424 Sr.

    Straatschenderij

    426 Sr.

    Ordeverstoring bij dronkenschap

    453 Sr.

    Openbare dronkenschap

     

    Categorie 2: feiten waarvoor een gebiedsverbod van 6 weken kan worden opgelegd:

    Artikel

    Feit

    2:50a APV

    Vechten in het openbaar

    131 Sr.

    Opruiing

    138 en 139 Sr.

    (i.r.t. art. 45 t/m 47 Sr.)

    (Poging etc.) wederrechtelijk binnendringen: huis-/lokaalvredebreuk

    157 Sr.

    (i.r.t. art. 45 t/m 47 Sr.)

    (Poging etc.) brandstichting

    158 Sr.

    Brand door schuld

    170 Sr.

    Vernieling van gebouwen

    180 Sr.

    Misdrijven tegen het openbaar gezag

    184 Sr.

    Negeren van bevoegd gegeven ambtelijk bevel

    239 Sr.

    Schennis eerbaarheid

    267 Sr.

    Belediging

    285 Sr.

    Bedreiging

    310 Sr.

    Diefstal

    321 Sr.

    Verduistering

    350 Sr.

    Vernieling of beschadiging van zaken

     

    Categorie 3: feiten waarvoor een gebiedsverbod van 12 weken kan worden opgelegd:

    Artikel

    Feit

    2:74 APV

    Drugshandel op straat

    2:77 APV

    Overtreding gebiedsontzegging

    13 WWM

    Verbodsbepaling voor wapens categorie 1

    26 WWM

    Verbod voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie van de categorieën 2 en 3.

    27 WWM

    Verbod voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie van de categorieën 2, 3 en 4.

    2 Opiumwet

    Handel in harddrugs

    3 Opiumwet

    Handel in softdrugs

    175 Gemw. jo. 184 Sr.

    Negeren noodbevel burgemeester

    141 Sr.

    Gezamenlijke openlijke geweldpleging

    Art. 287 Sr (i.r.t. art. 45 t/m 47 Sr.)

    (Poging etc.) Doodslag

    300 t/m 306 Sr.

    (i.r.t. art. 45 t/m 47 Sr.)

    Mishandeling

    (Poging etc.)

     

Artikel 2:78 Cameratoezicht op openbare plaatsen
  • 1. De burgemeester is bevoegd, overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet, te besluiten tot plaatsing/gebruik van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. Dit voor zover dit naar oordeel van burgemeester, politie en justitie, gerechtvaardigd is.

  • 2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van parkeergarages en parkeerterreinen die zonder enige vorm van beperking voor een ieder toegankelijk zijn.

  • 3. In afwijking van artikel 1:1, aanhef en onder a, van deze verordening, is een openbare plaats op grond van lid 1 van dit artikel, een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.

  • 4. Ter competentie van de raad is het om de toepassing van het in dit artikel bedoelde cameratoezicht periodiek te evalueren; de eerste evaluatie zal uiterlijk één jaar na de eerste toepassing van dit cameratoezicht worden behandeld in de Raadscommissie Bedrijfsvoering en Inwoners.

Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
  • 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratiepersonen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  • 2. De burgemeester kan bij schending van deze zorgplicht aan de overtreder een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang opleggen. Daarbij kan hij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van zijn bevoegdheid.

  • 3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

    • a.

      geluid- of geurhinder;

    • b.

      hinder van dieren;

    • c.

      hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    • d.

      overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Dit besluit treedt in werking de dag na die van de bekendmaking.

Afdeling 16. Route gevaarlijke stoffen
Artikel 2:79a Route gevaarlijke stoffen

Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en als wegen, bedoeld in artikel 24, lid 2, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) worden, behoudens tijdelijke verkeersomleidingen, de volgende wegen en weggedeelten, voor zover gelegen binnen de gemeente Weert, aangewezen:

De Provinciale weg N564:

  • a.

    Ringbaan-Noord (vanaf afslag Nederweert) tot aan de rotonde Suffolkweg;

  • b.

    Suffolkweg richting België en Kempenweg tot aan de grens met België.

Artikel 2:79b

Het college is bevoegd bij tijdelijke verkeersomleidingen andere wegen en weggedeelten aan te wijzen voor vervoer bedoeld in artikel 2:79a.

Artikel 2:79c

(vervallen)

Artikel 2:79d

(vervallen)

Artikel 2:79e

(vervallen)

HOOFDSTUK 3. SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.

Afdeling 1. Definities
Artikel 3:1 Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • b.

    prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • c.

    prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;

  • d.

    seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

  • e.

    escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

  • f.

    sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;

  • g.

    exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;

  • h.

    beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;

  • i.

    bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:

    • 1.

      de exploitant;

    • 2.

      de beheerder;

    • 3.

      de prostituee;

    • 4.

      het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;

    • 5.

      toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening;

    • 6.

      andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is;

  • j.

    toelatingsgebieden: begrensde gebieden waarin prostitutiebedrijven, met inbegrip van erotische massagesalons en parenclubs, zich slechts mogen vestigen. Hiertoe behoren de bebouwde gedeelten aan weerskanten van de volgende in- en uitvalswegen binnen de gemeente Weert:

    • -

      de Roermondseweg;

    • -

      de Eindhovenseweg;

    • -

      de Maaseikerweg;

    • -

      de Bocholterweg,

  • voor zover de in artikel 3:13, lid 2 genoemde belangen zich niet tegen vestiging verzetten en de gebieden gemarkeerd zijn op de plankaarten, behorende bij de beleidsnota “Prostitutie in de gemeente Weert” van 30 november 2000;

  • k.

    straatprostitutie: het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken;

  • l.

    raamprostitutie: een seksinrichting voorzien van één of meer vitrines waarin een prostituee poseert om klanten te werven.

Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 3:3 Nadere regels

Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke
Artikel 3:4 Seksinrichtingen
  • 1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

    • a.

      Het is verboden een prostitutiebedrijf, met inbegrip van erotische massagesalons en parenclubs, te exploiteren buiten de in artikel 3:1 onder i. van dit hoofdstuk aangewezen toelatingsgebieden.

    • b.

      het bevoegde bestuursorgaan kan maximaal 6 vergunningen verlenen voor het exploiteren van prostitutiebedrijven, met inbegrip van erotische massagesalons en parenclubs en maximaal 1 vergunning voor het exploiteren van een seksbioscoop (seksautomatenhal en sekstheater).

  • 2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      de persoonsgegevens van de exploitant;

    • b.

      de persoonsgegevens van de beheerder; en

    • c.

      de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.

  • 3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder
  • 1. De exploitant en de beheerder

    • a.

      staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

    • b.

      is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en

    • c.

      heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

  • 2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet:

    • a.

      met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

    • b.

      binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

    • c.

      binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      • 1.

        bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;

      • 2.

        de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

      • 3.

        de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      • 4.

        de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

      • 5.

        de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      • 6.

        de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

  • 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:

    • a.

      vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;

    • b.

      een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

  • 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:

    • a.

      bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

    • b.

      bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 5. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Artikel 3:6 Sluitingstijden
  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04.00 uur en 14.00 uur.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.

  • 3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn.

  • 4. Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting
  • 1. Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:

    • a.

      tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;

    • b.

      van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3:7a Intrekking vergunning

Met het oog op de in artikel 3:13 tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan de op basis van artikel 3:4 verleende vergunning voor een seksinrichting intrekken.

Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

  • 2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:

    • a.

      geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en

    • b.

      geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Artikel 3:9 Straat- en raamprostitutie
  • 1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken:

    • a.

      op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;

    • b.

      gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.

  • 2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  • 3. Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op of aan de wegen of gebieden en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  • 4. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid.

  • 5. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  • 6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.

  • 7. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken vanuit een vanaf de weg zichtbare vitrine, raam- of deuropening of vanachter een raam.

Artikel 3:10 Sekswinkels

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
  • 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:

    • a.

      indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

    • b.

      anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Afdeling 3. Beslissingstermijn; weigeringsgronden
Artikel 3:12 Beslissingstermijn
  • 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist het bevoegde bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 3:13 Weigeringsgronden
  • 1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien:

    • a.

      de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;

    • b.

      de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;

    • c.

      er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde;

    • d.

      de aanvraag betrekking heeft op de exploitatie van een prostitutiebedrijf, met inbegrip van parenclubs en erotische massagesalons, buiten de aangewezen toelatingsgebieden voor prostitutiebedrijven als genoemd onder artikel 3:1 onder i van dit hoofdstuk;

    • e.

      door verlening van de vergunning de in artikel 3:4 lid 1b, genoemde maxima van 6 respectievelijk 1 inrichting(en) zou worden overschreden;

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast/hinder;

    • c.

      het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

    • d.

      de veiligheid van personen of goederen;

    • e.

      de verkeersvrijheid of – veiligheid;

    • f.

      de gezondheid of zedelijkheid;

    • g.

      de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer
Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie
  • 1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

  • 2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3:15 Wijziging beheer
  • 1. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Afdeling 5. Overgangsbepaling
Artikel 3:16 Overgangsbepaling

(vervallen)

HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Afdeling 1. Geluidhinder
Artikel 4:1 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • b.

    gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • c.

    gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • d.

    houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • e.

    incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • f.

    inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • g.

    onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
  • 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde gedeelten van de gemeente.

  • 3. Het college maakt de aanwijzing voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Als de precieze datum van een collectieve festiviteit nog niet bekend is, wordt de festiviteit zonder datum bekend gemaakt.

  • 4. Het college kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, festiviteiten terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  • 5. Het college kan, ter voorkoming of beperking van geluidhinder, voorwaarden verbinden aan de festiviteiten.

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten
  • 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a van het Activiteitenbesluit milieubeheer tot 02.00 uur (op vrijdag, zaterdag en zondag) en tot 01.00 uur (op de overige dagen van de week) niet van toepassing zijn en bij welke festiviteiten ramen en deuren gesloten dienen te blijven, behoudens tijdens het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 2. Er is een (digitaal) standaardformulier voor het doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid. Het college stelt dit formulier vast.

  • 3. De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 4. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 5. Het ongebruikt laten van een dag voor een collectieve festiviteit betekent niet dat het aantal dagen voor incidentele festiviteiten evenredig toeneemt. Uitwisselen tussen dagen voor collectieve festiviteiten en dagen voor incidentele festiviteiten is niet toegestaan.

  • 6. Het college kan, ter voorkoming of beperking van geluidhinder, voorwaarden verbinden aan de festiviteiten.

Artikel 4:4 Onversterkte muziek
  • 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    • a.

      de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    • b.

      de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    • c.

      de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;

    • d.

      bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

    • e.

      Tabel:

       

      23.00 – 07.00 uur

      LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

      40 dB(A)

      LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

      25 dB(A)

      LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

      60 dB(A)

      LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

      45 dB(A)

       

  • 2. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.

  • 3. Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is.

Artikel 4:5 Overige geluidhinder
  • 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Activiteitenbesluit milieubeheer (recreatie)toestellen, (bouw)machines of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 van deze verordening kunnen aan een ontheffing als bedoeld in het vorige lid voorschriften worden verbonden betreffende:

    • a.

      het maximale geluidsniveau;

    • b.

      de situering van geluidsbronnen;

    • c.

      de frequentie en tijden van gebruik.

  • 4. Het verbod is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Limburg 2014.

  • 5. Op de ontheffing genoemd in lid 2 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:5a Verbod carbidschieten e.d.
  • 1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

  • 2. Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen, waarmee een explosief gasmengsel gemaakt kan worden als bedoeld in het eerste lid, te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in het eerste lid.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht

  • 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:6 Geluidhinder door dieren

(vervallen: zie artikel 2:60)

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Artikel 4:7 Straatvegen

(vervallen)

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder of overlast voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:9a Verbod oplaten of achterlaten ballonnen
  • 1. Het is verboden een of meer ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen op te laten stijgen of een of meer ballonnen, zonder hete lucht, helium of een ander gas, in het milieu achter te laten;

  • 2. Onder een ballon wordt in elk geval verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, (Thaise) wensballon, papierballon, geluksballon of elk ander daarmee vergelijkbaar voorwerp.

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4:10 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1.30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. Bomen geplant vanuit herplant- of instandhoudingsplicht zijn uitgezonderd van deze begripsomschrijving;

  • b.

    houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen;

  • c.

    hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

  • d.

    bomensingel: lijnvormige element als begrenzing langs wegen of cultuurgronden, rond erven en of gebouwen;

  • e.

    houtwal: lijnvormige element als begrenzing langs wegen of tussen cultuurgronden, landbouwgronden, weilanden en percelen;

  • f.

    dunnen: gedeeltelijk verwijderen van houtopstand ter bevordering van de duurzame instandhouding van de houtopstand, welke niet valt onder vellen; wordt de kroonsluiting teruggebracht tot minder dan 60%, dan is er sprake van kap vellen (uitgezonderd beschermingsgebieden als bedoeld in het plaatselijk bomenregister);

  • g.

    kandelaberen: het snoeien van de kroon van een boom, waarbij de takken worden weggesnoeid en waardoor de boom het uiterlijk van een kandelaar of kandelaber krijgt, met dien verstande dat het in stand houden van de door kandelaberen ontstane kroonvorm onder het begrip knotten valt;

  • h.

    knotten: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

  • i.

    bebouwde kom: in afwijking van het bepaalde in artikel 1:1, aanhef en onder a, de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;

  • j.

    boomwaarde: waarde van de boom berekend aan de hand van het Rekenmodel boomwaarde volgens de erkende richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB);

  • k.

    plaatselijk bomenregister: bomenregister als bedoeld in artikel 4:12, lid 2, van deze verordening;

  • l.

    vellen: in deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip vanverplanten, kandelaberen alsmede het verrichten van handelingen zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4:11a Meldingsplicht
  • 1. Degene, die beschikkingsbevoegd is ten aanzien van een houtopstand of diens gemachtigde, en die voornemens is om een houtopstand te vellen of te doen vellen, moet dat voornemen schriftelijk melden aan het college met een door het college vastgesteld meldingsformulier.

  • 2. Uiterlijk twee weken na ontvangst van de melding wordt aan de melder meegedeeld of wel of geen omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van de houtopstand nodig is.

Artikel 4:11b Vergunningplicht
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een houtopstand, welke voorkomt in het plaatselijk bomenregister, te vellen of te doen vellen.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      houtopstand, die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het college;

    • b.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud of noodzakelijk voor de instandhouding van de houtopstand om de functie ervan te blijven vervullen;

    • c.

      het periodiek knotten als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten.

Artikel 4:11c Aanvraag vergunning

(vervallen: wordt geregeld in de regelgeving Wabo, i.c. Regeling omgevingsrecht.)

Artikel 4:11d Weigeringsgronden
  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 4:11b, weigeren dan wel (onder voorschriften) verlenen in het belang van onder meer:

    • -

      natuur- en milieuwaarden;

    • -

      landschappelijke waarden;

    • -

      cultuurhistorische waarden;

    • -

      waarden van stads- en dorpsschoon;

    • -

      waarden voor recreatie en leefbaarheid.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 kunnen tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften behoren, aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

  • 3. In afwijking van lid 1 kan de burgemeester toestemming geven tot direct vellen indien sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang.

Artikel 4:11d1 Herplantplicht en instandhoudingsplicht
  • 1. Bij het teniet gaan of doen gaan/vellen van een houtopstand uit het plaatselijk bomenregister (zonder omgevingsvergunning) kan het bevoegd gezag aan de rechthebbende op een houtopstand een herplantplicht opleggen en daaraan voorschriften verbinden; de rechthebbende op de houtopstand is verplicht daaraan te voldoen.

  • 2. Indien een houtopstand uit het plaatselijk bomenregister in zijn voortbestaan ernstig wordt bedreigd kan het bevoegd gezag aan de rechthebbende op de houtopstand de verplichting opleggen om overeenkomstig nadere aanwijzingen voorzieningen te treffen, waardoor de bedreiging wordt opgeheven; de rechthebbende op de houtopstand is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:11e Lex Silencio Positivo (vergunning van rechtswege)

(vervallen: volgt uit artikel 3.9 Wabo)

Artikel 4:11f Openbaarmaking

(vervallen: volgt uit artikel 3.9 Wabo)

Artikel 4:11g Standaardvoorwaarde van niet-gebruik

(vervallen: volgt uit artikel 6.1 Wabo)

Artikel 4:11h Intrekking vergunning (artikel 2.33, lid 2, onder g, Wabo)

De verleende omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van een houtopstand kan worden ingetrokken indien daarvan niet binnen maximaal één jaar, nadat deze onherroepelijk is geworden, volledig gebruik is gemaakt.

Artikel 4:11i Schadevergoeding

(vervallen)

Artikel 4:11j Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek, wordt vastgesteld op 0.50 meter voor bomen en nihil (0.00 meter) voor heggen en heesters.

Artikel 4:11m Bestrijding van boomziekten

Indien zich op een terrein een of meer bomen bevinden, die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van een boomziekte, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vastgestelde termijn te voldoen aan de gestelde verplichtingen in de aanschrijving.

Artikel 4:11n Verhouding tussen kap- en bouw- of aanlegvergunning

(vervallen)

Artikel 4:12 Bomenregister
  • 1. Het bomenregister wordt vastgesteld door het college.

  • 2. Het bomenregister omvat van elke opgenomen houtopstand in ieder geval een voor een ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats, het kadastrale perceelsnummer, de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van de houtopstand.

Artikel 4:12a Bescherming bomen

(vervallen)

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
  • 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of hinder dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    • d.

      mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

  • 3. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het hier geregelde onderwerp wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen

[gereserveerd]

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht.

Artikel 4:16 Vergunningsplicht handelsreclame
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien de handelsreclame:

    • a.

      • -

        in totaal geen grotere oppervlakte heeft dan 1.00 m² en

      • -

        is aangebracht op of aan de onroerende zaak voor zover die betrekking heeft op een aldaar uitgeoefend beroep, bedrijf of dienstverlening en

      • -

        niet (direct of indirect) verlicht is;

    • b.

      betrekking heeft op een werk in uitvoering en geplaatst is onmiddellijk bij het werk en niet langer aanwezig is dan gedurende de uitvoering van het werk;

    • c.

      betrekking heeft op die onroerende zaak ten behoeve van de openbare verkoping, het aanbieden voor de verkoop, verhuur of verpachting ervan, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft;

    • d.

      van tijdelijke aard is bij de verkoop van seizoensgebonden agrarische producten ter plaatse waar ze worden gekweekt;

    • e.

      omgevingsvergunningplichtig is wat betreft de activiteit bouwen.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:

    • a.

      in het belang van de verkeersveiligheid;

    • b.

      in het belang van voorkoming of beperking van overlast of hinder voor de omgeving;

    • c.

      voor zover het handelsreclame betreft in een beschermd stads- en dorpsgezicht en die niet valt onder de uitzondering van lid 2 van dit artikel, indien de reclame op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, waaronder de criteria voor reclames uit de geldende welstandsnota;

    • d.

      indien er geen directe relatie is tussen de reclame en het gebruik van de onroerende zaak, waar de reclame bij/aan is geplaatst.

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel 4:17 Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18a Kamperen buiten kampeerterrein
  • 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is (mede-) bestemd.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het college de ontheffing weigeren in het belang van de bescherming van natuur, landschap of een stadsgezicht.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:18b Verenigingskamperen en groepskamperen
  • 1. Het college kan ontheffing van het verbod uit het vorige artikel verlenen voor groepen om gedurende korte periode buiten een kampeerterrein te kamperen. Daarbij moet de initiatiefnemer aantonen dat er geen bestaande waarden worden verstoord of aangetast (geen kap van bomen en struiken, geen aantasting of verstoring van beschermingswaardige flora en fauna, geen aantasting van de bodemstructuur).

  • 2. Aan deze ontheffing worden de volgende voorschriften verbonden:

    • a.

      voorschriften betreffende de aard en het aantal toe te laten kampeermiddelen, afhankelijk van de grootte en ligging van het kampeerterrein;

    • b.

      voorschriften betreffende de verblijfsduur, maximaal tien dagen;

    • c.

      voorschriften ter bescherming van de in artikel 4:18a, lid 3, bedoelde belangen.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan het college voor scoutinggroepen ontheffing verlenen voor een tijdsduur van maximaal vijf jaar. Daarbij bedraagt de maximale verblijfsduur tien aaneengesloten dagen per groep, met een maximum van 100 dagen per jaar.

  • 4. Op de ontheffingen is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:18c Kamperen op eigen terrein
  • 1. Het plaatsen van één kampeermiddel op eigen terrein is gedurende het gehele jaar toegestaan, dit onder de voorwaarde dat het kampeermiddel niet zichtbaar is vanaf de openbare weg. Bovendien dient dit kampeermiddel binnen 20 meter uit de bebouwing behorende tot een burgerwoning of op het agrarische bouwblok gesitueerd te worden.

  • 2. Gedurende een korte periode van maximaal twee weken is het toegestaan om één kampeermiddel op eigen terrein te hebben zichtbaar vanaf de openbare weg, voor het verrichten van werkzaamheden en “vakantie gereed” maken van het kampeermiddel.

  • 3. Dit kampeermiddel mag gedurende maximaal twee weken per jaar voor recreatief nachtverblijf worden gebruikt.

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen

(vervallen)

HOOFDSTUK 5. ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE

Afdeling 1. Parkeerexcessen
Artikel 5:1 Definities

(vervallen: zie artikel 1:1)

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
  • 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen, waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht, die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd, die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

    • b.

      voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  • 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      drie of meer voertuigen, die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  • 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

(vervallen)

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

(vervallen)

Artikel 5:5 Voertuigwrakken
  • 1. Het is verboden een voertuig, dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.
  • 1. Het is verboden een voertuig, dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    • a.

      langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    • b.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Omgevingsverordening Limburg 2014.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen
  • 1. Het is verboden een voertuig, dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen
  • 1. Het is verboden een voertuig, dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6.00 meter of een hoogte van meer dan 2.40 meter, een oplegger dan wel een aanhangwagen, ongeacht hun lengte, op de weg te parkeren.

  • 2. Het is verboden een voertuig, dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6.00 meter of een hoogte van meer dan 2.40 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde verbod is niet van toepassing op het parkeren op maandag tot en met zaterdag van 07.00 tot 19.00 uur gedurende ten hoogste één uur, met uitzondering van de op die dagen vallende erkende feestdagen.

  • 4. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans, kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  • 5. Het college kan van de in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

  • 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

(vervallen)

Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan
  • 1. Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
  • 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing:

    • a.

      op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;

    • b.

      op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:12 Excessief parkeren van fietsen e.d.
  • 1. Het is verboden om een fiets of bromfiets langer dan zes weken onafgebroken te laten staan op een openbare plaats.

  • 2. Gaat het om een fietswrak/bromfietswrak (een fiets/bromfiets, die rijtechnisch in onvoldoende staat verkeert, er is niet mee te rijden, er missen essentiële onderdelen of zijn defect, en is uiterlijk verwaarloosd) dan is de termijn bedoeld in lid 1 één week.

Afdeling 2. Collecteren
Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:

    • a.

      in besloten kring;

    • b.

      door een organisatie of instelling die beschikt over een CBF-erkenning, welke inzameling of werving tevoren is gemeld en in overeenstemming is met het (landelijk) collecte- en wervingsrooster zoals dat wordt gehanteerd door de gemeente Weert.

    • c.

      door een instelling die is ingedeeld in het door het college voor het betreffende kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt; of

    • d.

      door een andere, door het college aangewezen instelling.

  • 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 3. Venten

(vervallen: artikelen 5:14, 5:15, 5:16)

Afdeling 4. Standplaatsen
Artikel 5:17 Definities
  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: een plaats op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats, teneinde vanuit een verplaatsbare verkoopinrichting goederen en/of diensten te koop aan te bieden of te leveren.

  • 2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    • a.

      plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet;

    • b.

      plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van deze verordening;

    • c.

      plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22 van deze verordening of;

    • d.

      een uitstalling, waaronder wordt verstaan: de direct voor en ten behoeve van een zakenpand op of boven de weg uitgestalde voorwerpen.

  • 3. In deze afdeling wordt verstaan onder inschrijver: degene die op de bij of krachtens deze verordening voorgeschreven wijze kenbaar heeft gemaakt een standplaats in te nemen en daarvoor tevens een bedrag heeft geboden.

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college of in afwijking daarvan een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 van deze verordening kan de vergunning worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      in het belang van de vrijheid van het wegverkeer of de verkeersveiligheid;

    • c.

      in het belang van de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse;

    • d.

      wanneer ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • e.

      indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;

    • f.

      indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;

    • g.

      wanneer de vergunninghouder het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;

    • h.

      wanneer de vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

    • i.

      indien de vergunninghouder niet dan wel niet tijdig het voor de standplaats verschuldigde geld voldoet.

  • 3. Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze afdeling.

  • 4. Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een krachtens deze verordening verleende vergunning, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.

  • 5. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:18a Standplaatsvergunning voor consumptie-ijs en oliebollen en bijzondere weigeringsgronden
  • 1. Een standplaats voor de verkoop van consumptie-ijs en oliebollen wordt op basis van een door het college vastgestelde inschrijfprocedure enkel verleend aan degene die in zin inschrijving het hoogste bedrag heeft geboden voor die standplaats.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 5:18, tweede lid, van deze verordening kan de vergunning voor een standplaats voor consumptie-ijs en oliebollen worden geweigerd indien de aanvrager niet tevens de hoogste inschrijver is.

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen
  • 1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid, van deze verordening geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

  • 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, tweede lid, onder e, van deze verordening geldt niet voor bouwwerken.

Afdeling 5. Snuffelmarkten
Artikel 5:22 Definitie
  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden.

  • 2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:

    • a.

      een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

    • b.

      een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op ruimten, die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

  • 3. Het verbod is ook niet van toepassing op een snuffelmarkt, waar tweedehands goederen worden aangeboden, mits:

    • a.

      het aantal bezoekers gelijktijdig niet meer dan 250 bedraagt;

    • b.

      de snuffelmarkt geen commercieel doel heeft en er geen handelaren direct nog indirect aan deelnemen;

    • c.

      de organisator de burgemeester tenminste 20 werkdagen voorafgaand aan de snuffelmarkt daarvan in kennis heeft gesteld met een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier;

    • d.

      er binnen 10 dagen na het indienen van het meldingsformulier geen mededeling is gevolgd, dat het meldingsformulier wordt beschouwd als een vergunningaanvraag.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  • 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 6. Openbaar water
Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

(vervallen)

Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen
  • 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  • 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

    • a.

      nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

    • b.

      beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Omgevingsverordening Limburg 2014.

  • 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

  • 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats

(vervallen: in verband met artikel 5:25 nieuw)

Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats

(vervallen: i.v.m. artikel 5:25 nieuw)

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken

(vervallen)

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen

(vervallen)

Artikel 5:30 Veiligheid op het water

(vervallen)

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen

(vervallen)

Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5:32 Crossterreinen
  • 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of hinder;

    • b.

      in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden
  • 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets of met een fiets of een paard.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen van overlast of hinder;

    • b.

      in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van het publiek.

  • 3. Het verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen hulpverleningsdiensten,

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen, die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4. Het verbod geldt voorts niet:

    • a.

      op wegen, die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Limburg 2014 aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen, die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.

  • 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 8. Verbod vuur te stoken
Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
  • 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert;

    • d.

      demonstraties van de brandweer.

  • 3. Het verbod geldt voorts niet voor zover het betreft:

    • a.

      het stoken van snoeihout ontstaan als gevolg van het onderhoud van erfbeplantingen of andere kleine landschapselementen gelegen in het buitengebied van de gemeente Weert voor zover het stoken plaatsvindt:

      • -

        op een terrein gelegen in het buitengebied van de gemeente Weert;

      • -

        eenmaal in een periode van één week in de maanden februari/maart en/of oktober/november;

    • b.

      het stoken van kamp- en vreugdevuren;

    • c.

      en: voor het stoken onder a., en indien het stoken onder b. mede het stoken van afvalhout/snoeihout betreft, hiervoor door het college ontheffing is verleend ingevolge artikel 10.63 van de Wet milieubeheer.

  • 4. In de gevallen als bedoeld in lid 3, onder a en onder b, dient minimaal een week voorafgaand aan het stoken daarvan melding te worden gedaan aan het college op een daartoe door het college vastgesteld formulier.

  • 5. Het college kan nadere voorschriften stellen aan het stoken bedoeld in lid 3.

  • 6. Het college kan in overige gevallen ontheffing verlenen van het verbod.

  • 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 8. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 9. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 9. Verstrooiing van as
Artikel 5:35 Definitie

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36 Verboden plaatsen
  • 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    • a.

      verharde delen van de weg;

    • b.

      gemeentelijke begraafplaatsen anders dan toegestaan binnen de bepalingen van de “Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats” en de daarop betrekking hebbende “nadere regels voor de graven, asbezorging en gedenkplaatsen”.

  • 2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

  • 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:37 Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

HOOFDSTUK 6. STRAF-, OVERGANGS- en SLOTBEPALINGEN

Artikel 6:1 Strafbepaling
  • 1. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van de bepalingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht: artikel 2:10, lid 4, artikel 4:11b, artikel 4:16 van deze verordening.

Artikel 6:2 Toezichthouders
  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

    • a.

      de buitengewone opsporingsambtenaren werkzaam binnen de gemeente Weert aangesteld als:

      • 1.

        flora- en faunabeheerder bij de Stichting Limburgs Landschap;

      • 2.

        flora- en faunabeheerder bij de Stichting Brabants Landschap;

      • 3.

        flora- en faunabeheerder bij de Wildbeheereenheid de Oude Graaf;

      • 4.

        flora- en faunabeheerder bij de Wildbeheereenheid Hunsel;

      • 5.

        flora- en faunabeheerder bij de Wildbeheereenheid de Waterbloem;

      • 6.

        flora- en faunabeheerder bij de Wildbeheereenheid Grenskant;

      • 7.

        flora- en faunabeheerder bij de Jachtcombinatie Swinkels;

      • 8.

        flora- en faunabeheerder bij de Jachtcombinatie Maas;

      • 9.

        flora- en faunabeheerder bij Staatsbosbeheer;

      • 10.

        boswachter bij Staatsbosbeheer;

      • 11.

        boswachter bij Natuurmonumenten;

      • 12.

        APV-controleur bij de gemeente Weert, met dien verstande, dat flora- en faunabeheerders en boswachters toezien op de naleving van Hoofdstuk 2, afdeling 11, artikel 2:57a t/m 2:59, Hoofdstuk 4, afdeling 3, 4 en 5, Hoofdstuk 5, afdeling 7 en 8;

    • b.

      de ambtenaren van politie werkzaam binnen de gemeente Weert;

    • c.

      de medewerkers van het team Toezicht en Handhaving van de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Weert voor zover ze op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toezichthoudende bevoegdheden hebben en de desbetreffende bepalingen in deze verordening op hun taakveld betrekking hebben;

    • d.

      de beroepsmatige medewerkers van de Brandweer Limburg-Noord, afdeling risicobeheer, voor zover de bepalingen in deze verordening op hun taakveld betrekking hebben;

    • e.

      de buitengewoon opsporingsambtenaren van Stadstoezicht van de gemeente Weert;

    • f.

      de buitengewoon opsporingsambtenaren gedetacheerd bij de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente Weert;

    • g.

      alle politieambtenaren van de eenheid Limburg (artikel 141 en 142 Wetboek van Strafvordering Opsporingsambtenaren en Buitengewoon Opsporingsambtenaren), voor zover het betreft het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk 3 (seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.) van deze verordening.

  • 2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast:

    • a.

      de door het college aangewezen stadswachten van Stadstoezicht van de gemeente Weert;

    • b.

      de door het college aangewezen toezichthouders van de Gewestelijke Gezondheidsdienst, voor zover de bepalingen uit deze verordening op hun taakveld betrekking hebben.

  • 3. Bovendien zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aangewezen personen of categorieën van personen.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften, welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening
  • 1. De Algemene plaatselijke verordening 2009, vastgesteld in de vergadering van 10 juni 2009 en gewijzigd in de vergaderingen van 9 december 2009, 27 januari 2010, 10 juni 2010, 14 juli 2010, 22 september 2010, 20 april 2011, 25 mei 2011, 2 november 2011, 14 december 2011, 26 september 2012 en 10 april 2013, wordt ingetrokken, welke intrekking ingaat op het moment dat deze nieuwe Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Weert in werking treedt.

  • 2. Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag, waarop deze is bekendgemaakt.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6:5a Overgangsbepaling nieuwe gemeentelijke organisatie

(vervallen)

Artikel 6:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Weert.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van 01 oktober 2015  De raad van de gemeente Weert;   de griffier, de voorzitter,

Trefwoordenregister Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Weert

Aankondigingsverboden 4:15

Aanleg van wegen 2:11 (vervallen)

Aanplakken, aanplakbiljetten 2:42

Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf 2:31

Aanwezigheid, hinderlijk 2:47, 2:49, 2:50

Afbraakmaterialen, opslag 4:13

Alcoholgebruik 2:48

Asverstrooiing 5:36

Atb rijden met 5:33

Auto’s, opslag 4:13

Autobedrijven, parkeren voertuigen 5:2

Autowrakken 4:13, 5:5

Baldadig gedrag 2:26, 2:33, 2:47, 2:49, 2:50

Bedelarij 2:65 (vervallen)

Behoefte doen, natuurlijke 4:8

Bekladden, openbare plaats of onroerende zaak 2:42, 4:12a

Beperking, aanbieden gedrukte stukken 2:6 (vervallen)

Beperking, gemotoriseerd verkeer, fiets en paard in natuurgebieden 5:33

Beplanting, uitzicht belemmerende 2:15

Beschadigen van wegen 2:11 (vervallen)

Beslistermijn 1:2

Bespieden van personen 2:53 (vervallen)

Bestuurlijke ophouding 2:75

Betogingen 2:3

Betreden van plantsoenen e.d. 2:45 (vervallen)

Bijen 2:64 (vervallen)

Binnentreden woningen 6:3

Bodemverontreiniging 4:13

Braderie (evenement) 2:24

Bromfietsen, overlast door 2:51

Bruikbaarheid van de weg 2:10

Cameratoezicht op openbare plaatsen 2:78

Caravans, parkeren op de weg 5:6

Collecteren 5:13

Commerciële reclame 4:15, 4:16

Crossterreinen 5:32

Dieren, hinderlijke of schadelijke 2:60

Drankgebruik, op openbare plaats 2:48

Drukwerk 2:6 (vervallen)

Duiven 2:63 (vervallen)

Erotisch – pornografische goederen, afbeeldingen e.d. 3:11

Escortbedrijf 3:4

Evenement 2:24 e.v.

Excessen, parkeer- 5:1 e.v.

Fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein e.d. 2:52 (vervallen)

Fietsen, neerzetten van 2:51, 5:12

Gebiedsontzegging 2:77

Gebouw, hinderlijk gedrag bij of in 2:49

Gedachten of gevoelens openbaren op voorwerpen 2:42

Gedoogplicht, voorzieningen voor verkeer en verlichting 2:21

Gedrag, hinderlijk 2:26, 2:33, 2:47, 2:49, 2:50, 2:51,

Gedrukte stukken 2:6 (vervallen)

Gedrukte stukken, venten met 5:16 (vervallen)

Geluiden, hinderlijke 4:1 e.v.

Gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden 5:33

Gevaarlijke honden 2:59

Gierkelder 4:13

Glas op straat (voorkomen) 2:48a

Graffiti 2:42

Handelsreclame 4:15, 4:16

Havens, beschadiging van 5:28 (vervallen)

Headshops 2:40a (vervallen)

Heling, bestrijding van 2:32 (vervallen)

Herplantplicht 4:11d1

Hinderlijk drankgebruik 2:48

Hinderlijk gedrag 2:26, 2:33, 2:47, 2:49, 2:50, 2:51

Hinderlijk gedrag op of aan de weg 2:47

Hinderlijke dieren, houden van 2:60

Hinderlijke geluiden 4:5

Hinderlijke voorwerpen 2:15

Honden, loslopende 2:57a, 2:57b

Honden, muilkorven van 2:59

Hondepoep 2:58

Horecabedrijf 2:27 e.v.

Houtopstand 4:10 e.v.

Inbrekerswerktuigen, vervoer 2:44 (vervallen)

Inzameling van geld of goed 5:13

Kaden 5:28 (vervallen)

Kapverbod 4:11b

Kapvergunning/omgevingsvergunning 4:11b

Kelderingangen 2:17

Kennisgeving betoging 2:3

Kladden 2:42

Landbouwafval, opslag van 4:13

Landbouwproducten, opslag ingekuilde 4:13

Ligplaats 5:25

Loslopend vee 2:62 (vervallen)

Loslopende honden 2:57a, 2:57b

Manifestaties, Wet Openbare 2:3

Markt, snuffel-, vlooien- 5:23

Mest 4:13

Metalen, opslag oude 4:13

Muilkorven 2:59

Objecten onder hoogspanningslijn 2:22 (vervallen)

Ongeregeldheden 2:1

Openbare plaats (begrip) 1:1

Ophokplicht duiven 2:63 (vervallen)

Ophouding (bestuurlijke) 2:75

Opslagplaatsen 4:13

Optochten 2:2 [gereserveerd]

Ordeverstorend gedrag 2:1, 2:26, 2:33, 2:47, 2:49, 2:50

Parkeren van voertuigen autobedrijf e.d. 5:2

Personen, bespieden van 2:53 (vervallen)

Plakgereedschap, vervoer 2:43 (vervallen)

Plakverbod 2:42

Pornografische goederen, afbeeldingen e.d. 3:11

Prostitutie 3:1, 3:9

Reclame 4:15, 4:16

Rookverbod in bossen 2:18

Route gevaarlijke stoffen 2:79a e.v.

Reclameborden aan, op of boven de weg 4:15, 4:16

Reclamevoertuigen, parkeren op de weg 5:7

Register (heling) 2:67

Register (nacht) 2:37 [gereserveerd]

Samenscholing 2:1

Schadelijke dieren 2:60

Seksautomatenhal 3:1

Seksinrichtingen 3:4

Sekswinkels 3:10

Sluitingstijd horecabedrijven 2:29

Softdrugs gebruik 2:48

Speelgelegenheden 2:39

Smartshops 2:40a (vervallen)

Stankoverlast 4:13, 4:14 [gereserveerd]

Stankverspreidende stoffen, parkeren voertuigen 5:10 [gereserveerd]

Stoffen op, aan of boven de weg 2:10

Stoken van vuur 5:34

Straatartiest, straatfotograaf 2:9 (vervallen)

Straatkolken 2:16 (vervallen)

Straatprostitutie 3:9

Strafbepaling 6:1

Strooibiljetten 2:6 (vervallen)

Terras 2:27, 2:28

Toelatingsgebieden prostitutiebedrijven 3:1

Toezichthouders 6:2

Uitweg 2:12

Uitzichtbelemmerende beplanting 2:15

Vaartuigen, ligplaats 5:25

Vallende voorwerpen 2:20 [gereserveerd]

Veiligheid van de weg 2:10, 2:12, 3:13, 4:15, 4:16

Veiligheidsrisicogebied 2:76

Venten 5:14 e.v. (vervallen)

Veranderen van een weg 2:11 (vervallen)

Verkeer, voorwerpen, borden of voorzieningen voor 2:21

Vermakelijkheden (evenementen) 2:24

Verontreiniging 4:13

Verontreiniging door honden 2:58

Verspreiden van gedrukte stukken 2:6 (vervallen)

Vervoer inbrekerswerktuigen 2:44 (vervallen)

Voorwerpen op, aan of boven de weg 2:10

Vlooienmarkten 5:23

Voertuigen, parkeren 5:2 e.v.

Voorwerpen, gevaarlijke of hinderlijke 2:19 [gereserveerd]

Vuurwerk 2:71 e.v.

Wedstrijden op crossterreinen 5:32

Wedstrijden op of aan de weg 2:25

Winkelwagentjes 2:14 (vervallen)

Zonneschermen 2:10

Zie voor toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Weert:

Artikel 2:34b Tegengaan onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat

De aanpak van ondermijnende criminaliteit staat hoog op de landelijke, regionale en lokale politieke agenda. Drugshandel, witwassen, (belasting)fraude, illegaal gokken, underground banking en uitbuiting zijn voorbeelden van criminele (economische) activiteiten die de samenleving kunnen ondermijnen. De aanpak van deze vorm van (georganiseerde) criminaliteit is een bijzonder lastige taak. De verwevenheid van boven- en onderwereld, alsmede de verhulling van de criminaliteit, bemoeilijken de bestrijding daarvan. Deze vormen van criminaliteit zijn niet altijd zichtbaar, maar tasten de fundering van de samenleving aan. Ze bedreigen niet alleen de legale lokale economie maar zorgen ook voor een onveilig, niet leefbaar woon- en ondernemersklimaat.

Het risico bestaat dat malafide ondernemers zich vestigen in sectoren waar het toezicht van de overheid beperkter is. Dit in combinatie met brancheverschraling, leegstand en een hoog verloop van ondernemers maakt dat de leefbaarheid onder druk staat.

Om de aanpak ondermijning te versterken, is in de APV een artikel opgenomen gericht op het stimuleren van een gezond ondernemingsklimaat. Artikel 2:34b geeft de burgemeester de bevoegdheid om via een aanwijzing een vergunningplicht te introduceren voor panden, straten, gebieden of branches om een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat tegen te gaan. De gemeenteraad is bevoegd op grond van de autonome verordenende bevoegdheid om openbare belangen zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemersklimaat te reguleren met een vergunningplicht. Het betreft hier geen vergunning in het belang van economische ordening, maar primair in het belang van openbare orde en veiligheid. Om die reden is de bevoegdheid belegd bij de burgemeester.

Deze vergunningplicht staat niet op zichzelf, maar loopt eigenlijk vooruit op de vaststelling van een Weerter plan van aanpak ondermijning dat is voorzien voor het derde kwartaal 2019. De praktijk vraagt om een snellere actie.

De mogelijkheid tot het instellen van een vergunningplicht voor ondernemers is een van de instrumenten voor de bestrijding van malafiditeit in het ondernemerschap. De gemeente kan controle uitoefenen op de naleving van de gestelde voorwaarden en handhaven bij overtreding. Van de mogelijkheid om een vergunningplicht te introduceren gaat bovendien een preventieve werking uit. Dit draagt bij aan het aantrekken van bonafide ondernemers en het weren van malafide ondernemers. Pandeigenaren worden zo gestimuleerd hun verantwoordelijkheid te nemen om bonafide ondernemers in hun panden te vestigen. Ook kan bij de aanvraag voor een vergunning de Wet Bibob worden ingezet. Dit vereist wel een aanpassing van de Weerter beleidsregels.

Eerste lid

De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven.

Tweede lid

De systematiek van artikel 2:34b gaat uit van een pand-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen.

De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Bij een gebiedsgewijze aanpak wordt de noodzaak van de aanwijzing mede bezien in samenhang met de andere maatregelen in een gebied. De vergunning wordt op grond van artikel 1.7 verleend voor de duur van het aanwijzingsbesluit.

De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet door deze bijvoorbeeld na concrete incidenten (strafbare feiten) van toepassing te verklaren op het pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat pand de leefbaarheid of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing). Daar waar strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken. Een aanwijzing die specifiek op een bepaald pand is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd zijn.

Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche of gebied kan op grond van het APV-artikel een vergunningplicht voor een branche of gebied worden ingevoerd.

Een aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben, maar het gebied waarvoor een bepaalde branche wordt aangewezen, kan ook de gehele gemeente beslaan. Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden.

Tot slot kunnen (op voorhand) straten of gebieden aangewezen worden (preventieve aanwijzing). Bij een dergelijke aanwijzing gelden voor gevestigde en nieuwe ondernemers in die gebieden of straten een vergunningplicht. Dit kan gerechtvaardigd zijn nu de aanwijzing alleen plaatsvindt bij straten of gebieden waar de leefbaarheidsproblemen het grootst zijn en de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Het belang van de verbetering van de situatie in de gehele straat of het gebied kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen pand verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak.

De burgemeester wijst een pand, gebied of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als in dat gebied dan wel door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteiten naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren.

Derde lid

In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw, straat of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche.

Vierde en zevende lid

De algemene intrekkings- en weigeringsgronden staan vermeld in de artikelen 1:6 en 1:8. In deze leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4).

Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Drank- en Horecawet.

Indien de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Sub i is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld.

Vijfde en zesde lid

In dit lid wordt de wijze van indiening van de aanvraag van een vergunning geregeld, alsmede welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd. De vereiste gegevens worden nodig geacht teneinde een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Zo moet er in ieder geval sprake zijn van een geldige inschrijving bij de KvK. Indien dat op enig moment niet meer het geval is, kan dit reden zijn om de vergunning in te trekken (zevende lid, sub h en i).

Als het bevoegd bestuursorgaan dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij om aanvullende gegevens verzoeken (zesde lid). Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen.

Achtste lid

Artikel 2:34b bevat een sluitingsbevoegdheid wanneer sprake is van een vergunningplicht maar gehandeld wordt zonder vergunning dan wel een aantal in lid 7 nader genoemde situaties zich voordoet.

Elfde lid

Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen.

Veertiende lid

De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, geldt voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt.

Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken. Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan.

Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat met name gelet op de openbare orde en veiligheid er een dwingende reden van algemeen belang is en de gestelde eisen ook evenredig (geschikt en noodzakelijk) zijn, zodat het stelsel en de voorwaarden gerechtvaardigd zijn. De openbare orde en veiligheid vormt eveneens de reden om van een lex silencio positivo af te zien.