Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005

Geldend van 01-10-2005 t/m heden

Intitulé

Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005

Algemene toelichting

Op subsidieaanvragen die betrekking hebben op het jaar 2005 blijven de ingetrokken Algemene Subsidieverordening Provincie Overijssel 1997 en de betreffende bijzondere subsidieverordening van toepassing.

Subsidies die zijn verleend onder de werking van de Algemene Subsidieverordening Provincie Overijssel 1997 en enige bijzondere subsidieverordening en die op het moment van vaststelling van de subsidie zijn ingetrokken, worden vastgesteld op basis van de ingetrokken verordeningen.

In het systeem van regelgeving met betrekking tot subsidies maakt Overijssel een scherp onder­scheid tussen kaderstelling, monitoring en controle (door Provinciale Staten) en uitvoering (door Gedeputeerde Staten).

Gedeputeerde Staten stellen een Uitvoeringsbesluit subsidies vast op basis van delegatiebepalingen in deze verordening. Vanuit de kaders die worden gesteld door Provinciale Staten in meerjarige beleidsprogramma’s (met helder geformuleerde doelstellingen) en in de begroting (met meetbare prestaties en budgetten) stellen Gedeputeerde Staten in het uitvoeringsbesluit nadere criteria en procedureregels vast.

Inhoud

Artikel 1. Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder subsidietijdvak verstaan een aaneengesloten periode waarvoor een subsidieplafond of deelplafond kan worden vastgesteld.

Artikel 2. Toepassingsbereik

1

Deze verordening is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies.

Artikel 3. Bevoegdheid tot subsidieverstrekking
  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidies verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan doelstellingen van het provinciaal beleid of passen binnen de programmabegroting. 2

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen eveneens subsidies verstrekken voor activiteiten, indien de productenbegroting als bedoeld in artikel 66, tweede lid van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten de subsidieontvanger en het maximale subsidiebedrag vermeldt. 3

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt nader bepalen alsmede de criteria voor die verstrekking vaststellen. 4

Artikel 4. Nadere regels
  • Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels geven met betrekking tot:

  • a. het per boekjaar verstrekken van subsidies aan rechtspersonen;5

  • b. de aanvraag om subsidie en de behandeling daarvan;6

  • c. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;7

  • d. de verplichtingen van de subsidieontvanger;8

  • e. welke grondslagen worden gehanteerd voor de berekening van de subsidie;9

  • f. het bedrag van de subsidie danwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;10

  • g. de vaststelling van de subsidie;

  • h. de vergoeding die verschuldigd is bij vermogensvorming;

  • i. de intrekking of wijziging van de subsidieverlening;

  • j. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten;

  • k. de bekendmaking van de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten;

  • l. het geven van informatie aan derden over de gesubsidieerde activiteiten door de subsidieontvanger;

Artikel 5. Subsidieplafond
  • 11

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieplafond vaststellen.

  • 2. Het subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel provinciaal beleid.

  • 3. Gedeputeerde Staten regelen de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag de ingediende aanvragen c.q. de beschikbare bedragen.

Artikel 6. Afwijkingsmogelijkheden en hardheidsclausule
  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen de bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening buiten toepassing laten, indien er sprake is van medesubsidiëring en

    • a.

      de betreffende bepalingen in strijd zijn of komen met de door medesubsidiënten gestelde voorwaarden, bepalingen, danwel beperkingen, of

    • b.

      redelijkerwijs voorrang dient te worden gegeven aan de door één van de medesubsidiënten gestelde voorwaarden, bepalingen, danwel beperkingen.12

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening, indien de subsidie valt onder de omschrijving van steunmaatregel in artikel 87, eerste lid van het EG-verdrag en voor het verstrekken van subsidie goedkeuring is vereist van de Europese Commissie, uitsluitend voorzover afwijking noodzakelijk is in verband met het verkrijgen van goedkeuring van de Europese Commissie.13

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen de bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voorzover toepassing gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige subsidieverstrekking leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.14

Artikel 7. Toezicht

15

Gedeputeerde Staten kunnen personen aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de aan de ontvanger van een subsidie opgelegde verplichtingen.

Artikel 8. Overgangsrecht
  • 1. Aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze verordening en de hierop gebaseerde uitvoeringsbesluiten worden ontvangen en betrekking hebben op het jaar 2006 worden geacht te zijn ingediend op grond van deze verordening.16

  • 2. Subsidies die zijn verleend onder de werking van de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 en enige bijzondere subsidieverordening en die op het moment van vaststelling van de subsidie zijn ingetrokken, worden niettemin vastgesteld op basis van de ingetrokken verordeningen.17

Artikel 9. Inwerkingtreding

18

Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2005.

Artikel 10. Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Algemene subsidieverordening Overijssel 2005’.


Noot
1

[Toelichting: Artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bevat de kern van de subsidietitel in de Awb, te weten de eis dat er voor het verstrekken van subsidie een wettelijke grondslag moet bestaan. Hierbij heeft de wens van de wetgever om een weloverwogen gebruik van het subsidie-instrument te bevorderen een rol gespeeld. Omdat het vereiste van een wettelijke grondslag niet in alle gevallen kan worden gesteld, maakt het derde lid van artikel 4:23 Awb enkele belangrijke uitzonderingen; de zogenaamde buitenwettelijke subsidies. Hier wordt volstaan met het noemen van de subsidie die rechtstreeks op grond van Europese subsidieprogramma's (artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder b Awb) of de provinciale begroting worden verstrekt (artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder c Awb).

Ook op buitenwettelijke subsidies zijn de bepalingen van titel 4.2 Awb over de verplichtingen van de subsidieontvanger, de betaling en terugvordering van subsidies en de subsidieverlening en -vaststelling van toepassing. Om ervoor te zorgen dat daarnaast ook de bepalingen van deze verordening gelden voor het verstrekken van deze subsidies is de reikwijdte hiervan uitdrukkelijk benoemt. ]

Noot
2

[Toelichting: Zoals gezegd mag op grond van artikel 4:23, eerste lid Awb, in beginsel alleen subsidie worden verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Daaraan wordt in het eerste lid van dit artikel invulling gegeven. Er is gekozen voor een algemene verwijzing naar het provinciaal beleid en de Programmabegroting in plaats van een opsomming van alle specifieke beleidsnota’s. Primair worden hiermee de door Provinciale Staten vastgestelde (meerjarige) beleidsnota’s bedoeld, waaronder bijvoorbeeld de nota Sociale Actie en het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief. De reden voor deze keuze is dat hiermee de wettelijke grondslag zo flexibel mogelijk wordt ingevuld en wordt voorkomen dat bij iedere beleidswijziging ook de wettelijke grondslag voor de subsidies moet worden aangepast. Concreet betekent de verwijzing naar provinciaal beleid en Programmabegroting dat bij de Programmabegroting een lijst wordt opgenomen van de beleidsitems en de daaraan gekoppelde bedragen, waarbinnen Gedeputeerde Staten de betreffende programma’s dienen uit te voeren. De bevoegdheid om subsidies te verstrekken wordt opgedragen aan Gedeputeerde Staten.]

Noot
3

[Toelichting: Op 12 maart 2003 is het duale stelsel ingevoerd voor de provincie. Dit betekent dat Gedeputeerde Staten besturen en Provinciale Staten daarvoor de kaders vaststellen, het bestuur controleren en de burgers vertegenwoordigen. Ook voor de provinciale begroting heeft de invoering van het dualisme gevolgen gehad. Met ingang van begrotingsjaar 2004 is de provinciale begroting een duale begroting. Dit betekent dat Provinciale Staten de Programmabegroting, gericht op hun kaderstellende en controlerende taak, vaststellen en dat Gedeputeerde Staten werken met een productenbegroting gericht op beheersing en verantwoording. Een en ander is uitgewerkt in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Artikel 4:23, derde lid, onder c Awb, geeft aan dat geen wettelijke grondslag nodig is voor het verstrekken van subsidies als de subsidieontvanger en het maximale subsidiebedrag op de begroting zijn vermeld. Gelet op het feit dat titel 4.2 Awb ruim voor de invoering van het dualisme in werking is getreden, wordt onder de term begroting de door Provinciale Staten vastgestelde begroting verstaan. Op de begroting van Gedeputeerde Staten kunnen echter specifieke subsidieontvangers met maximale subsidiebedragen voorkomen. Aan Gedeputeerde Staten wordt daarom de bevoegdheid gedelegeerd subsidies te verstrekken op basis van de productenbegroting. Zie voor de toepasselijkheid van de bepalingen van titel 4.2 Awb en bij of krachtens deze verordening de toelichting bij artikel 2.]

Noot
4

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen binnen de grenzen van het eerste en tweede lid nader bepalen welke activiteiten wel en welke niet voor subsidie in aanmerking komen, alsmede de criteria voor subsidiëring. Hiermee maken Provinciale Staten gebruik van artikel 152 Provinciewet, dat het mogelijk maakt bevoegdheden te delegeren aan Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten zijn verantwoording schuldig aan Provinciale Staten over de wijze waarop zij omgaan met de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels. Hierdoor (samen met artikel 4) is een sterke scheiding mogelijk tussen kaderstelling, uitvoering en controle, die gewenst is uit oogpunt van dualisering.]

Noot
5

[Toelichting: Provinciale Staten dragen de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels voor het indienen van aanvragen om subsidie, de beoordeling daarvan, de bevoorschotting, de vaststelling en andere uitvoeringskwesties over aan Gedeputeerde Staten. De onderdelen van dit artikel zien op de hieronder vermelde artikelen van de Awb: a. afdeling 4.2.8 over per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen;]

Noot
6

[Toelichting: Provinciale Staten dragen de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels voor het indienen van aanvragen om subsidie, de beoordeling daarvan, de bevoorschotting, de vaststelling en andere uitvoeringskwesties over aan Gedeputeerde Staten. De onderdelen van dit artikel zien op de hieronder vermelde artikelen van de Awb: b. artikel 4:33 over subsidieverlening onder voorwaarde;]

Noot
7

[Toelichting: Provinciale Staten dragen de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels voor het indienen van aanvragen om subsidie, de beoordeling daarvan, de bevoorschotting, de vaststelling en andere uitvoeringskwesties over aan Gedeputeerde Staten. De onderdelen van dit artikel zien op de hieronder vermelde artikelen van de Awb: c. artikelen 4:37 t/m 4:39 over verplichtingen van de subsidieontvanger;]

Noot
8

[Toelichting: Provinciale Staten dragen de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels voor het indienen van aanvragen om subsidie, de beoordeling daarvan, de bevoorschotting, de vaststelling en andere uitvoeringskwesties over aan Gedeputeerde Staten. De onderdelen van dit artikel zien op de hieronder vermelde artikelen van de Awb: d. artikel 4:41 over vergoeding bij vermogensvorming;]

Noot
9

[Toelichting: Provinciale Staten dragen de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels voor het indienen van aanvragen om subsidie, de beoordeling daarvan, de bevoorschotting, de vaststelling en andere uitvoeringskwesties over aan Gedeputeerde Staten. De onderdelen van dit artikel zien op de hieronder vermelde artikelen van de Awb: e. artikelen 4:50, eerste lid, onder c, over intrekking/wijziging van de subsidieverlening;]

Noot
10

[Toelichting: Provinciale Staten dragen de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels voor het indienen van aanvragen om subsidie, de beoordeling daarvan, de bevoorschotting, de vaststelling en andere uitvoeringskwesties over aan Gedeputeerde Staten. De onderdelen van dit artikel zien op de hieronder vermelde artikelen van de Awb: f. artikelen 4:52 t/m 4:55 over betaling en bevoorschotting.]

Noot
11

[Toelichting: De Awb bepaalt in artikel 4:25, eerste lid, dat voor de vaststelling van een subsidieplafond een wettelijke grondslag vereist is. Dit artikel voorziet hierin. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het subsidieplafond te splitsen in delen, zodat Gedeputeerde Staten per subsidiesoort of -tijdvak kunnen afwegen of vaststelling van een deelplafond nodig en wenselijk is. Het derde lid van dit artikel geeft uitvoering aan het bepaalde in artikel 4:26, eerste lid Awb, over de verdelingsmaatstaf.

Met betrekking tot het subsidieplafond is van belang dat overschrijding daarvan of van een deelplafond een verplichte weigeringsgrond oplevert (artikel 4:25, tweede lid Awb). In twee specifieke gevallen geldt deze weigeringsplicht niet, namelijk als de definitieve beslissing is verschoven naar een later subsidietijdvak (artikel 4:25, derde lid Awb) en als Gedeputeerde Staten te laat zijn met de aankondiging van een voornemen tot niet-voortzetten van een meer dan drie jaar durende subsidieverstrekking (artikel 4:51, tweede lid Awb).]

Noot
12

[Toelichting: Gedeputeerde Staten motiveren in de beschikking tot subsidieverlening waarom zij gebruik maken van één van deze afwijkingsmogelijkheden of van de hardheidsclausule. Ook benoemen zij in die beschikking de gevolgen daarvan voor het verdere verloop van de subsidieverstrekking. Heeft het afwijken van bepalingen gevolgen voor de beslistermijn voor subsidieverlening dan delen Gedeputeerde Staten dit overeenkomstig artikel 4:14, eerste lid Awb, mee aan de aanvrager en noemen daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Wanneer naast de provincie ook andere overheden of derden subsidiëren, kan een subsidieontvanger te maken krijgen met niet op elkaar afgestemde subsidiebepalingen. Elke subsidiënt heeft immers vaak zijn eigen specifieke bepalingen. Wanneer bepalingen bij of krachtens deze verordening ertoe zouden leiden dat een door de provincie gesubsidieerde activiteit daardoor niet of niet volledig kan worden uitgevoerd, kunnen Gedeputeerde Staten die ongewenste situatie zoveel mogelijk voorkomen door in maatwerk één of meerdere bepalingen van deze verordening of een uitvoeringsbesluit buiten toepassing te laten. Bovendien worden hiermee de administratieve lasten van de subsidieontvanger verminderd, doordat hij de subsidie bij onze provincie op dezelfde wijze kan aanvragen als bij een andere subsidiënt en op dezelfde wijze verantwoording kan afleggen.

Dit geldt in het bijzonder voor bijdragen uit de Europese structuurfondsen. De Europese Gemeenschap financiert uit de zogenaamde structuurfondsen projecten die de economieën van haar lidstaten moeten versterken. Voor de provincie Overijssel zijn vooral EFRO (regionale ontwikkeling), ESF (sociaal fonds) en het EOGFL (landbouw) van belang. Een uitgangspunt voor vrijwel alle bijdragen uit structuurfondsen is dat Europa de bijdragen van de lidstaat en/of regionale overheden ‘verdubbelen’ (cofinanciering). Subsidies op grond van deze verordening en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit kúnnen daarvoor worden ingezet. De regelingen en programma’s met betrekking tot bijdragen uit de Europese fondsen kennen hun eigen criteria en procedureregels, die soms strijdig zijn met provinciale regels. Deze bepaling voorkomt dat een situatie ontstaat waarin cofinanciering niet mogelijk is omdat onze provinciale regeling strijdig is met Europese regels]

Noot
13

[Toelichting: Bij subsidies op grond van deze verordening en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit zal alleen in uitzonderlijke gevallen sprake zijn van staatssteun in de zin van het EG-verdrag. Daarvan is sprake als een subsidie gevolgen heeft of kan hebben voor de concurrentiepositie van ondernemingen in Europa. Kort gezegd bepaalt het verdrag dat steunmaatregelen zonder goedkeuring van de Europese Commissie niet mogen worden uitgevoerd. De commissie beoordeelt of de maatregel een effect heeft op de tussenstatelijke handel. Zo ja, dan is de maatregel in beginsel verboden.

Niet alle steunmaatregelen hoeven vooraf in Brussel te worden gemeld. Een belangrijke uitzondering is de zogenaamde ‘de minimis’-steun: steun aan een onderneming die een waarde van € 100.000,-- in drie jaar niet overstijgt hoeft niet te worden gemeld bij de commissie. De commissie neemt dan op voorhand aan dat er geen effect is op de tussenstatelijke handel. Subsidieverstrekkingen op grond van deze verordening en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit vallen vrijwel altijd onder die drempel. Deze regelingen zijn (zullen) daarom niet ter goedkeuring (worden) voorgelegd in Brussel.

Indien de vrijstelling voor ‘de minimis’-steun (of een andere vrijstellingsmogelijkheid op grond van een EG-verordening) echter niet van toepassing is, moet óf het betreffende hoofdstuk uit het uitvoeringsbesluit óf het concrete subsidiebesluit aan de commissie moeten worden voorgelegd. Hoe de commissie een steunmaatregel beoordeelt – wanneer is de subsidie wel toegestaan en wanneer niet – is door de commissie aangegeven in tal van kaderregelingen en richtsnoeren. Maar ook het verdrag zelf biedt aanknopingspunten. Zo is steun verenigbaar met het EG-verdrag als die gericht is op behoud van cultureel erfgoed. Om subsidieverlening mogelijk te maken kan het nodig zijn dat de subsidieverlening wordt aangepast aan de inhoud van de kaderregelingen of richtsnoeren van de commissie. Artikel 6, tweede lid, bepaalt dat onze provinciale regels daarvoor wijken. Deze ‘hardheidsclausule’ moet voorkomen dat een situatie ontstaat waarin de samenloop van EG-regels en onze eigen verordening ertoe leidt dat helemaal geen subsidie kan worden verleend. Dat kan betekenen dat onze regels ruimer worden uitgelegd ten gunste van de aanvrager, maar ook dat bijvoorbeeld minder subsidie wordt verleend of zwaardere rapportageverplichtingen worden opgelegd.]

Noot
14

[Toelichting: In dit lid is de hardheidsclausule opgenomen die Gedeputeerde Staten de mogelijkheid biedt om een onderdeel van deze verordening en de daarop gebaseerde regelgeving in uitzonderlijke gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. De toepassing van een hardheidsclausule beperkt zich daarmee tot (eventuele) onbillijkheden van overwegende aard en kan daardoor niet gebruikt worden in normale voorziene gevallen. De op basis van de hardheidsclausule te treffen voorziening dient wel binnen de doelstelling van deze verordening en de daarop gebaseerde regelgeving te passen.]

Noot
15

[Toelichting: In de Awb is een afdeling over toezicht op de naleving van regelgeving opgenomen. Deze afdeling 5.2 geeft niet zelf de bevoegdheid tot het houden van toezicht, maar regelt een aantal zaken voor het geval bij bijzondere regeling toezichthouders worden aangewezen. Is op een bepaald terrein behoefte aan toezicht, dan zullen in een bijzondere regeling toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 Awb moeten worden aangewezen. Ook is het mogelijk in een regeling de bevoegdheid tot het aanwijzen van toezichthouders toe te kennen aan Gedeputeerde Staten. Hiertoe strekt dit artikel. Voor per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen is dit geregeld in artikel 4:59 Awb.]

Noot
16

[Toelichting: Artikel 1.10 van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2005 bepaalt dat een aanvraag om prestatiesubsidie in principe dertien weken voor aanvang van een subsidietijdvak of een boekjaar moet zijn ingediend. Dit betekent dat bepaalde subsidies, waarvoor het subsidietijdvak of het boekjaar begint op 1 januari 2006, uiterlijk 1 oktober 2005 moeten zijn aangevraagd. Deze overgangsbepaling zorgt er voor dat aanvragen voor die subsidies die voor 1 oktober 2005 worden ingestuurd conform het nieuwe recht (deze verordening en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten) worden behandeld. In het geval wordt geconstateerd dat bij dergelijke aanvragen niet die gegevens zijn gevoegd die het nieuwe recht vereist, kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvrager op grond van artikel 4:5 Awb verzoeken binnen een bepaalde termijn de aanvraag aan te vullen met de ontbrekende gegevens.]

Noot
17

[Toelichting: Onmiddellijke of exclusieve werking is de hoofdregel van overgangsrecht. Dit betekent dat een nieuwe regeling niet alleen van toepassing is op wat na haar inwerkingtreding voorvalt, maar ook op bestaande rechtsposities en verhoudingen. In verband met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel is voor de specifieke situatie dat de subsidie vóór het moment van inwerkingtreding van deze verordening op grond van de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 en enige bijzondere subsidieverordening is verleend, maar nog niet is vastgesteld, gekozen voor uitgestelde werking van deze verordening. Dit betekent dat in de genoemde situatie de subsidievaststelling plaatsvindt op grond van de regels zoals die golden voor de inwerkingtreding van deze verordening ten tijde van de subsidieverlening.]

Noot
18

[Toelichting: Artikel 139 van de Provinciewet bepaalt dat regelingen in werking treden met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in die regelingen een ander tijdstip is aangewezen. In verband met artikel 1.10 van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2005 dat bepaalt dat een aanvraag om prestatiesubsidie in principe dertien weken voor aanvang van een subsidietijdvak of een boekjaar moet zijn ingediend, is de datum van inwerkingtreding van deze verordening – en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit – bepaald op 1 oktober 2005.]