Omgevingsverordening Overijssel 2009

Geldend van 12-09-2013 t/m 30-06-2014 met terugwerkende kracht vanaf 04-08-2013

Hoofdstuk 1. Algemeen

Titel 1.1. Algemene begrippen

Artikel 1.1.1.

  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. Omgevingsvisie Overijssel: provinciale integrale visie voor de fysieke leefomgeving zoals vastgesteld door Provinciale Staten Overijssel op 1 juli 2009;

  • b. bestemmingsplan: plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening;

  • c. beheersverordening: verordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening;

  • d. projectbesluit: besluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 1.1.2.

Waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen, moeten deze instructies ook geacht worden gericht te zijn op projectbesluiten en beheersverordeningen.

Artikel 1.1.3.

Waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van de inhoud van bestemmingsplannen, zijn deze instructies gericht aan de gemeenteraad en werken deze niet rechtstreeks door bij de afgifte van bouwvergunningen, aanlegvergunningen en ontheffingen.

Titel 1.2. Adviescommissie

1

Artikel 1.2.1. Instelling en taken Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving

  • 1. Er is een Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving (PCFL), hierna te noemen de commissie.

  • 2a. De commissie vervult de advies- en overlegtaken inzake het provinciaal beleid zoals bepaald in artikel 8, lid 2 van de Wet op de waterhuishouding, artikel 2.41 van de Wet milieubeheer en artikel 9.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

  • 2b. Daarnaast adviseert de commissie aan Provinciale Staten en/of Gedeputeerde Staten over aangelegenheden betreffende de waterhuishouding, het milieubeheer, de ruimtelijke ordening, de volkshuisvesting en de stedelijke vernieuwing in Overijssel, indien en voor zover in enig wettelijk voorschrift een dergelijk advies wordt voorgeschreven dan wel daarom door Gedeputeerde Staten dan wel Provinciale Staten wordt gevraagd.

  • 3. Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten kunnen gezamenlijk nadere regels geven omtrent de taak en werkwijze van de commissie.

Artikel 1.2.2. Samenstelling van de commissie

  • De commissie bestaat uit de volgende leden:

  • a. een onafhankelijke voorzitter;

  • b. een vertegenwoordiger van het Ministerie van VROM, Directoraat Generaal Ruimte;

  • c. de VROM-inspecteur Oost;

  • d. een vertegenwoordiger van Rijkswaterstaat, directie Oost-Nederland;

  • e. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, directie Oost;

  • f. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Economische Zaken;

  • g. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Defensie;

  • h. een vertegenwoordiger van Het Oversticht, genootschap tot bevordering en instandhouding van het landelijk en stedelijk schoon in de provincie Overijssel;

  • i. een vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschappen en Monumenten;

  • j. twee vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse gemeenten, afdeling Overijssel, waarvan één lid uit de kring van de vijf grote gemeenten en één lid uit de kring van de overige gemeenten;

  • k. een vertegenwoordiger van de gezamenlijke Overijsselse waterschappen (Overijssels Dijkgraven Overleg);

  • l. een vertegenwoordiger van Vitens NV;

  • m. een vertegenwoordiger van de LTO-Noord;

  • n. een vertegenwoordiger van de samenwerkende Kamers van Koophandel in Overijssel;

  • o. een vertegenwoordiger van de werkgevers- en werknemersorganisaties in Overijssel;

  • p. een vertegenwoordiger van Natuur en Milieu Overijssel;

  • q. een vertegenwoordiger van de besturen van de erkende particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties in Overijssel;

  • r. een vertegenwoordiger van een organisatie die de zorg voor integrale veiligheid tot haar taak heeft;

  • s. een vertegenwoordiger van de Recron;

  • t. een vertegenwoordiger van de ANWB Oost;

  • u. een vertegenwoordiger van het Overijssels Particulier Grondbezit;

  • v. een vertegenwoordiger van de Universiteit Twente.

Artikel 1.2.3. Benoeming en lidmaatschap van de commissie

  • 1. Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten bereiden gezamenlijk de benoeming voor van de onafhankelijke voorzitter van de commissie.

  • 2. De voorzitter van de commissie wordt benoemd door Gedeputeerde Staten.

  • 3. Benoeming op grond van het tweede lid geldt tevens als benoeming door Provinciale Staten.

  • 4. Gedeputeerde Staten stellen Provinciale Staten spoedig van elk benoemingsbesluit in kennis.

Hoofdstuk 2. Ruimtelijke ordening

Titel 2.1. Sturen op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid

2

Artikel 2.1.1. Begripsbepalingen

  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is;

  • b. gebiedskenmerken: de verschillende typen landschappen en hun kenmerkende eigenschappen zoals beschreven in de Catalogus Gebiedskenmerken, die als bijlage deel uitmaakt van deze verordening en aangegeven op de kaarten:

    • • Gebiedskenmerkenkaart, Natuurlijke laag nr. 09295046;

    • • Gebiedskenmerkenkaart, Laag van het agrarisch cultuurlandschap nr. 09295047;

    • • Gebiedskenmerkenlaag, Stedelijke laag nr. 09295048;

    • • Gebiedskenmerkenkaart, Lust- en leisurelaag nr. 09295049;

  • c. ontwikkelingsperspectieven: de als zodanig op kaart Ontwikkelingsperspectieven nr. 09295055 aangegeven gebieden waarvoor in de Omgevingsvisie Overijssel 2009 beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities zijn geformuleerd op basis van voor deze gebieden geldende opgaven en kansen;

  • d. versterken van ruimtelijke kwaliteit: het leggen van nieuwe verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen waarbij bestaande kwaliteiten worden benut en waar mogelijk nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd;

  • e. kwaliteitsontwikkeling: is het proces waarbij elk project/elke ontwikkeling bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving;

  • f. bestaand bebouwd gebied: de gronden die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/artikel 10 BRO;

  • g. stedelijke functies: wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen, met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen;

  • h. groene omgeving: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied;

  • i. bestaande erven: bestaande en/of als zodanig bestemde bouwvlakken ten behoeve van woningen, voorzieningen en bedrijven in de groene omgeving, daarbij inbegrepen de bouwvlakken voor dergelijke functies die voorzien zijn in voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/ artikel 10 BRO;

  • j. stedelijke ontwikkelingen: het realiseren van stedelijke functies zoals woningbouw, bedrijventerreinen, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve en religieuze voorzieningen met de daarbij behorende infrastructuur met bijbehorende groen en water en het hiertoe bouwrijp maken van gronden;

  • k. niet aan de Groene omgeving gebonden bedrijvigheid: niet-agrarische bedrijvigheid die niet functioneel aan de Groene omgeving is gebonden;

  • l. stedelijke netwerken: de Netwerkstad Zwolle Kampen, de Netwerkstad Twente en de Stedendriehoek;

  • m. streekcentra: de kernen Steenwijk en Hardenberg.

  • n. herstructurering: het proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie van het terrein gehandhaafd blijft;

  • o. transformatie: het proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie wordt omgezet naar een andere functie;

  • p. schuifruimte: nieuwe locaties voor wonen of bedrijventerreinen ten behoeve van de uitplaatsing van functies in het kader van herstructurering;

  • q. lokaal gewortelde bedrijvigheid: bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaaleconomische structuur/voorzieningen.

Artikel 2.1.2. Principe van concentratie

  • 1. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen.

  • 2. In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van stedelijke voorzieningen om te voldoen aan een bovenregionale behoefte voor zover deze bestemmingsplannen gebieden betreffen die onderdeel uitmaken van stedelijke netwerken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt niet voor gebieden die vallen binnen nationale landschappen als bedoeld in artikel 2.6.2.

  • 3. In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen van de streekcentra voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van voorzieningen ter voldoening van een regionale behoefte.

  • 4. In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw en bedrijventerrein om te voldoen aan (een deel van) de behoefte van een buurgemeente op basis van afspraken die door samenwerkende gemeenten zijn gemaakt en die passen binnen een woonvisie als bedoeld in artikel 2.2.2 en/of een bedrijventerreinenvisie als bedoeld in artikel 2.3.2.

Artikel 2.1.3. SER-ladder voor de Stedelijke omgeving

  • Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;

  • • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Artikel 2.1.4. Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

  • Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in andere dan stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • • dat (her)benutting van bestaande bebouwing in de groene omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;

  • • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Artikel 2.1.5. Ruimtelijke kwaliteit

  • 1. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

  • 2. In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagen-benadering die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing.

  • 3. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.

  • 4. Gemeenteraden mogen gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied geldt, wanneer:

    • • er sprake is sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen en

    • • voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt niet voor gevallen waarin sprake is van ontwikkelingen die volgens het bepaalde in de onderdelen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 MER-plichtig zijn.

  • 5. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken normerende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze normerende uitspraken.

  • 6. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken richtinggevende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze richtinggevende uitspraken.

  • 7. Van het gestelde onder 5 mag gemotiveerd worden afgeweken wanneer:

    • • er sprake is van zwaarwegende sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen en

    • • voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken.

  • 8. Van het gestelde onder 6 mag worden afgeweken mits voldoende gemotiveerd is dat de kwaliteitsambitie zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken in gelijke mate gerealiseerd wordt.

Artikel 2.1.6. Kwaliteitsimpuls Groene omgeving

  • 1. Bestemmingsplannen voor de groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en  het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

  • 2. In afwijking van het gestelde onder lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan de vestiging van nieuwe agrarische bouwpercelen worden toegestaan als:

    • • een ondernemer zijn landbouwbedrijf verplaatst voor het realiseren van publieke belangen;

    • • een ondernemer op de huidige locatie geen ontwikkelingsmogelijkheden meer heeft en een volwaardig agrarisch bedrijf verplaatst naar een locatie waar wel ontwikkelingsmogelijkheden zijn. Op voorwaarde dat het agrarisch bouwperceel als bestemming op de uitplaatsingslocatie(s) in Overijssel wordt opgeheven. Deze voorwaarde geldt niet als er sprake is van een verplaatsing van een intensieve tak van een gemengd landbouwbedrijf naar een Landbouwontwikkelingsgebied of als de uitplaatsingslocatie herbenut zal worden door een volwaardig agrarisch bedrijf.

  • 3. In aanvulling op het gestelde onder 1 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Ecologische Hoofdstructuur (EHS), de voorwaarde dat de compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.

Titel 2.2. Woningbouw

3

Artikel 2.2.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

a. woonvisie: gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe het woningbouwprogramma binnen de gemeente zal worden ingevuld en dat tot stand komt in onderlinge afstemming met buurgemeenten.

Artikel 2.2.2. Nieuwe woningbouwlocaties

  • 1. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien in de totstandkoming van nieuwe woningbouwlocaties voor zover de nieuwe woningbouwlocatie naar aard, omvang en locatie in overeenstemming is met een woonvisie waarover overeenstemming is bereikt met de buurgemeenten en met Gedeputeerde Staten van Overijssel.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van overeenstemming met buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat  afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.

Artikel 2.2.3. Vervangende overeenstemming provincie

  • 1. In het geval dat schriftelijk is onderbouwd dat in redelijkheid geen overeenstemming kon worden bereikt met een buurgemeente, treedt de overeenstemming met Gedeputeerde Staten in de plaats van de verplichte overeenstemming met buurgemeenten zoals bepaald in artikel 2.2.2.

  • 2. Gedeputeerde Staten besluiten tot overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is aangetoond dat de woningbouw past binnen de provinciale visie op de woningbouwprogrammering.

Artikel 2.2.4.

Vervalt.

Titel 2.3. Werklocaties (Bedrijventerreinen en kantoren(locaties))

4

Artikel 2.3.1. Begripsbepalingen

  • In deze titel wordt verstaan onder:

  • a. bedrijventerreinenvisie: gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe de bedrijfsterreinenprogrammering binnen de gemeente zal worden ingevuld en dat tot stand komt in onderlinge afstemming met buurgemeenten.

  • b. bedrijventerrein: werklocaties voor bedrijvigheid en bij de bedrijven behorende kantoorruimte.

  • c. kantorenvisie: gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe de kantorenprogrammering binnen de gemeente zal worden ingevuld en dat tot stand komt in overleg en samenwerking met marktpartijen en in onderlinge afstemming met buurgemeenten.

  • d. ruimtelijk-economische onderbouwing: gemeentelijk document waarin vanuit ruimtelijke-economische overwegingen een onderbouwing is gegeven van de behoefte met betrekking tot de realisering van nieuwe zelfstandige kantoren en dat tot stand komt in overleg en samenwerking met marktpartijen en in onderlinge afstemming met buurgemeenten.

  • e. kantorenlocatie: werklocatie met zelfstandige kantoren.

Artikel 2.3.2 Nieuwe bedrijventerreinenlocaties

  • 1. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien uitsluitend in de totstandkoming van nieuwe bedrijventerreinen indien de nieuwe bedrijventerreinen naar aard, omvang en locatie in overeenstemming zijn met de gemeentelijke bedrijventerreinenvisie waarover overeenstemming is bereikt met de buurgemeenten en metGedeputeerde Staten van Overijssel.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van overeenstemming met buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.

  • 3. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op die bestemmingsplannen waarvoor geldt dat de provinciale diensten in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/10 BRO een positief advies hebben uitgebracht over het voorontwerp.

2.3.3 Nieuwe kantoren en kantorenlocaties

  • 1. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien niet in de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoren en/of kantorenlocaties.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan met een bestemmingsplan of projectbesluit medewerking worden verleend aan de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoren als in een ruimtelijk-economische onderbouwing is aangetoond dat:

    • a.

      er behoefte is aan extra kantoorruimte waarin niet kan worden voorzien vanuit de bestaande capaciteit aan kantoorruimte;

    • b.

      de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben ingestemd met de conclusie dat er behoefte is aan extra kantoorruimte zoals voorzien in het bestemmingsplan of projectbesluit;

  • 3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van instemming van buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.

  • 4. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op die bestemmingsplannen waarvoor geldt dat de provinciale diensten in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/10 BRO een positief advies hebben uitgebracht over het voorontwerp.

2.3.4 Vervangende overeenstemming provincie

  • 1. In het geval dat schriftelijk is onderbouwd dat in redelijkheid geen overeenstemming kon worden bereikt met een buurgemeente, treedt de overeenstemming met Gedeputeerde Staten in de plaats van de verplichte overeenstemming met buurgemeenten zoals bepaald in artikel 2.3.2. en 2.3.3.

  • 2. Gedeputeerde Staten besluiten tot overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is aangetoond dat de ontwikkeling van bedrijventerrein past binnen de provinciale visie op de bedrijventerreinenprogrammering.

  • 3. Gedeputeerde Staten besluiten tot overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is aangetoond dat de ontwikkeling van nieuwe kantoren past binnen de provinciale visie op de ontwikkeling van de (regionale) kantorenmarkt.

Titel 2.4. Detailhandel

5

Artikel 2.4.1. Begripsbepalingen

  • In deze titel wordt verstaan onder:

  • a. stedelijke centra: steden binnen de stedelijke netwerken Zwolle Kampen, Netwerkstad Twente en Stedendriehoek;

  • b. volumineuze detailhandel: winkelformules die vanwege de omvang en aard van het assortiment een groot oppervlak nodig hebben, zoals bouwmarkten, tuincentra, wooninrichtingszaken;

  • c. grootschalige detailhandel: winkelformules met een zeer groot winkelvloeroppervlak dat (hoog)-frequent wordt bezocht en waarin een aanbod plaatsvindt van niet-volumineuze goederen;

  • d. weidewinkel: zelfstandige detailhandelsvestingen aan de rand van bestaand bebouwd gebied van steden en dorpen of in de groene omgeving. Onder weidewinkel wordt niet verstaan detailhandel in de vorm van ‘verkoop bij de boer’.

Artikel 2.4.2. Volumineuze detailhandel

  • 1. Bestemmingsplannen voorzien niet in de nieuwe mogelijkheid om detailhandel uit te oefenen op bedrijventerreinen.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen de mogelijkheid worden geboden voor de vestiging van volumineuze detailhandel waarvoor in binnensteden en wijkwinkelcentra geen ruimte gevonden kan worden.

Artikel 2.4.3. Grootschalige detailhandel

  • 1. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in nieuwe grootschalige detailhandelsvestigingen wanneer de locatie gelegen is in of aansluit op bestaande binnensteden en winkelcentra. Daarbij geldt dat grootschalige detailhandelsvestigingen met een regionale uitstraling uitsluitend mogen worden toegelaten in de stedelijke centra en nadat uit onderzoek is gebleken dat dit niet leidt tot een ontwrichting van de bestaande detailhandelsstructuur.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1, eerste volzin, kan in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen binnen de stedelijke centra een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub c Wro worden opgenomen ten behoeve van de vestiging van grootschalige detailhandel waarvoor in de binnensteden en wijkwinkelcentra geen ruimte gevonden kan worden.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in lid 1, eerste volzin, kan in bestemmingsplannen voor locaties elders binnen de stedelijke centra een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub c Wro worden opgenomen ten behoeve van de vestiging van grootschalige detailhandel in geval de grootschalige detailhandel thematisch aan deze perifere locatie is gebonden.

Artikel 2.4.4. Weidewinkels

Bestemmingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid tot vestiging van nieuwe weidewinkels.

Titel 2.5. Afvalstortlocaties radioactief afval

6

Artikel 2.5.1.

Bestemmingsplannen voorzien niet in het realiseren van nieuwe ondergrondse opslagmogelijkheden voor radioactief afval.

Artikel 2.5.2.

Bestemmingsplannen voorzien niet in het realiseren van nieuwe bovengrondse opslagmogelijkheden voor hoogradioactief afval.

Titel 2.6. Nationale Landschappen

7

Artikel 2.6.1. Begripsbepalingen

  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. Nationaal Landschap: door het Rijk aangewezen en globaal begrensde gebieden met (inter)-nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee cultuurhistorische en natuurlijke kenmerken;

  • b. kernkwaliteit: de essentiële landschappelijke of cultuurhistorische kenmerken van nationale landschappen of van een deel van een nationaal landschap die voor het Rijk aanleiding zijn geweest om over te gaan tot aanwijzing van het nationaal landschap;

  • c. Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta: het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 15 februari 2006 (nr. PS/2005/1363);

  • d. Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente: het Ontwikkelingsperspectief Noordoost-Twente zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 13 december 2006 (nr. PS/2006/867).

Artikel 2.6.2. Begrenzing

  • 1. Als Nationaal Landschap IJsseldelta is nader begrensd het gebied dat op kaart EHS, Overige natuur en Nationale Landschappen nr. 09295050 is aangegeven.

  • 2. Als Nationaal Landschap Noordoost-Twente is nader begrensd het gebied dat op kaart EHS, Overige natuur en Nationale Landschappen nr. 09295050 is aangegeven.

Artikel 2.6.3. Kernkwaliteiten

  • 1. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap IJsseldelta zijn:

    • a.

      de grote mate van openheid;

    • b.

      de historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek;

    • c.

      het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen;

    • d.

      de kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap.

    Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in tabel A in bijlage 7 van deze verordening.

  • 2. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:

    • a.

      het samenhangende complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen;

    • b.

      de grote mate van kleinschaligheid;

    • c.

      het groene karakter.

    Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in tabel B in bijlage 7 van deze Verordening.

Artikel 2.6.4. Nieuwe ontwikkelingen

Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen gebieden die in artikel 2.6.2 begrensd zijn als Nationaal Landschap als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten als benoemd in artikel 2.6.3 en zoals nader uitgewerkt in tabel A en tabel B in bijlage 7 van deze verordening.

Titel 2.7. Ecologische Hoofdstructuur

8

Artikel 2.7.1. Begripsbepalingen

  • 9

  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. compensatieplan: plan waarin overeenkomstig de eisen van artikel 2.7.5 de maatregelen worden vastgelegd die noodzakelijk zijn om de impact van ontwikkelingen binnen de EHS te compenseren en mitigeren;

  • b. Ecologische Hoofdstructuur (EHS): samenhangend netwerk van natuurgebieden met bestaande en potentiële natuurwaarden van (inter)nationaal belang met als doel het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, begrensd overeenkomstig artikel 2.7.2;

  • c. gebiedscategorie: typering zoals aangegeven op de kaart van een deelgebied van de EHS, bestaande uit:

    • i.

      Bestaand: gebieden getypeerd door de aanwezigheid van grote natuurwaarden en gebieden die zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en die zijn ingericht conform de natuurdoelen als omschreven in de bijlage ‘wezenlijke kenmerken en waarden EHS';

    • ii.

      Te realiseren: gebieden getypeerd door de geschiktheid voor verdere ontwikkeling van aanwezige of in potentie aanwezige natuurwaarden, maar die nog niet of niet geheel kunnen worden ingericht als natuur conform de natuurdoelen als omschreven in de bijlage ‘wezenlijke kenmerken enwaarden EHS' omdat de gronden nog niet zijn aangekocht, nog niet zijn afgewaardeerd en/of nog niet beschikbaar zijn voor de realisering van de EHS, bestaande uit de volgende  subcategorieën:

      ¿ - Netto begrensd: concreet begrensde nog te realiseren natuur;

      ¿ - Bruto begrensd: zoekgebied waarbinnen nog bepaald moet worden waar een vooraf vastgesteld aantal hectares natuur concreet zal worden gerealiseerd; 10

      ¿ - Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000: gebieden waar maatregelen genomen moeten worden om natuurwaarden in nabijgelegen N2000-gebieden te beschermen; 11

  • d. wezenlijke kenmerken en waarden: actuele en  potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied, zoals omschreven in de bijlage 10: Wezenlijke kenmerken en waarden EHS.

Artikel 2.7.2. Werkingsgebied

  • 12

  • 1. Het werkingsgebied van titel 2.7 wordt begrensd door de geometrische plaatsbepaling van de EHS op de digitale kaart ‘EHS' horende bij deze verordening.

  • 2. Provinciale Staten passen de begrenzing van de EHS aan  op ontwikkelingen waarvoor op grond van artikel 2.7.4 is afgeweken van het beschermingsregime van artikel 2.7.3.

  • 3. Bij de herbegrenzing als bedoeld in lid 2 geldt de voorwaarde dat  het areaal van de EHS per saldo ten minste gelijk blijft.

  • 4. De voorwaarde als bedoeld in lid 3 geldt niet bij aanpassing van de begrenzing van gebieden die aangeduid zijn als ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000' en ‘Bruto begrensd'.

Artikel 2.7.3. Beschermingsregime

  • 13

  • 1. Het beschermingsregime voor gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als gebiedscategorie ‘Bestaand' wordt vastgelegd in een bestemmingsplan of in beheersverordening. Voor de overige gebieden binnen de EHS geldt dat het beschermingsregime uitsluitend vastgelegd kan worden in een bestemmingsplan.

  • 2. Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Bestaand' moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden.

  • 3. Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Te realiseren':

    • a.

      moeten een bestemming krijgen die mede gericht is op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de actuele natuurwaarden van deze gebieden zolang deze gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd;

    • b.

      moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden indien de gronden zijn aangekocht en/of afgewaardeerd ten dienste van de realisering van de EHS en ook als zodanig beschikbaar zijn.

  • 4. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als EHS wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de  wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.

  • 5. De verplichtingen die voortvloeien uit lid 2 tot en met 4 houden in ieder geval in: behoud van areaal, kwaliteit en samenhang van de betrokken gebieden.

  • 6. GS kunnen nadere regels stellen aan de toelichting c.q onderbouwing van bestemmingsplannen en beheersverordeningen die betrekking hebben op gronden die vallen binnen de EHS en waaruit moet blijken op basis van welke gegevens, waarderingen en afwegingen tot vaststelling is besloten.

  • 7. De verplichtingen die voortvloeien uit voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op omgevingsvergunningen, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken.

  • 8. Daar waar op het moment van het van kracht worden van deze titel bestemmingen gelden die rechten en ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor bestaande functies binnen gebieden die aangeduid zijn als ‘Te realiseren', verplicht deze titel niet om deze bestaande rechten en ontwikkelingsmogelijkheden in te perken zolang de gronden niet zijn aangekocht of functiewijziging nog niet heeft plaatsgevonden.

  • 9. De verplichting op grond van lid 2 en 3 van dit artikel om een passende bestemming toe te kennen geldt niet voor bestaande functies waarvoor het bestemmingsplan dat geldt op het moment van inwerkingtreding van dit artikel, ontwikkelingsmogelijkheden toekent voor wat betreft bouwen en het aanbrengen van terreinverhardingen

Artikel 2.7.4. Afwijkingsmogelijkheden

  • 14

  • 1. De gemeenteraad is bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief grootschalige ontwikkelingen of een combinatie van ingrepen binnen de EHS af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.3 mits is aangetoond en verzekerd dat:

    • a.

      er sprake is van redenen van groot openbaar belang,

    • b.

      er geen reële alternatieven zijn,

    • c.

      voor zover de negatieve effecten tengevolge van de beoogde activiteit niet kunnen worden voorkomen, deze zo beperkt mogelijk worden gehouden,

    • d.

      overblijvende optredende schade of negatieve effecten op een toereikende maar tenminste op een gelijkwaardige wijze worden gecompenseerd. Het besluit hiertoe dient tegelijk genomen te worden met het besluit tot wijziging van de bestemming of de regels ter zake het gebruik van de grond.

  • 2. Voor de onderbouwing van het bepaalde in lid 1 sub c en d wordt een compensatieplan vastgesteld.

  • 3. De gemeenteraad is bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief kleinschalige ontwikkelingen binnen de EHS af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.3 mits is aangetoond en verzekerd dat deze wijziging:

    • a.

      de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in beperkte mate aantast,

    • b.

      per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS, of een vergroting van de oppervlakte van de EHS,

    • c.

      plaatsvindt na een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties.

  • 4. Wanneer het bestemmingsplan waarvoor een afwijking is toegepast als bedoeld in het eerste en derde lid onherroepelijk is geworden, doen burgemeester en wethouders hiervan melding bij Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.7.5. Compensatieplan

  • 15

  • 1.Uit het compensatieplan, zoals bedoeld in artikel 2.7.4, lid 2 blijkt in ieder geval dat:

    • a.

      de nadelige effecten zoveel mogelijk worden beperkt en -voor zover deze niet kunnen worden beperkt -voldoende worden gecompenseerd. In geval van afwijking op grond van artikel 2.7.4 lid 1 betekent dit dat er geen nettoverlies van areaal, kwaliteit en samenhang van de wezenlijke kenmerken en waarden plaatsvindt. In geval van afwijking op grond van artikel 2.7.4 lid 3 betekent dit dat per saldo een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden of vergroting van het areaal van de EHS plaatsvindt,

    • b.

      de compensatie door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie elders plaatsvindt,

    • c

      de compensatie op financiële wijze afdoende is geregeld als fysieke compensatie als bedoeld in lid b niet mogelijk is,

    • d.

      de tenuitvoerlegging van de compensatie planologisch is dan wel mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan dat voorziet in de betreffende ontwikkeling in het geval de compensatie binnen hetzelfde plangebied plaatsvindt,

    • e.

      de tenuitvoerlegging van de compensatie mogelijk is of mogelijk wordt gemaakt door (wijziging van) een ander bestemmingsplan dan het bestemmingsplan dat in de betreffende ontwikkeling voorziet in het geval dat de compensatie elders plaats vindt,

    • f.

      welke compensatiemaatregelen zullen getroffen, waarbij zowel de aard, omvang, kwaliteit, locatie als tijdvak van uitvoering van de maatregelen en voorzieningen worden beschreven,

    • g.

      de inrichting- en beheerskosten van de maatregelen en voorzieningen duurzaam geregeld zijn,

    • h.

      de compensatie uitvoerbaar is en daadwerkelijk gerealiseerd kan worden en

    • i.

      de wijze van monitoring en rapportage van de tenuitvoerlegging.

  • 2. Indien het compensatieplan betrekking heeft op de uitvoering van een combinatie van ingrepen bevat het plan in aanvulling op lid 1 in ieder geval:

    • a.

      een ruimtelijke visie waarin de plannen, projecten of handelingen in hun onderlinge samenhang worden gepresenteerd en waaruit blijkt dat het oppervlak natuur binnen de EHS minimaal gelijk blijft dan wel het EHS-areaal wordt vergroot,

    • b.

      waarborgen dat de plannen, projecten of handelingen conform de ruimtelijke visie als bedoeld in sub a in onderlinge samenhang worden gerealiseerd.

  • 3. Indien de compensatie bedoeld in het eerste en tweede lid voorziet in ontwikkelingen die gerealiseerd worden door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon, dan dient het compensatieplan specifieke waarborgen te bevatten dat de vereiste compensatie daadwerkelijk gerealiseerd zal worden. Deze waarborg dient tenminste te omvatten:

    • a.

      de wijze waarop financiële zekerheidsstelling is gerealiseerd voor uitvoering van de maatregelen en voorzieningen van het compensatieplan alsmede voor de financiering van het ontwikkelingsbeheer,

    • b.

      de uiterste termijn voor realisatie alsmede een effectieve boeteclausule die van toepassing is bij een niet tijdige of genoegzame tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit het compensatieplan.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de compensatie zoals bedoeld in dit artikel.

Titel 2.8. Bos en natuurgebieden buiten de EHS

16

Artikel 2.8.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

a. bestaande natuur: bestaande bos- en natuurgebieden buiten de EHS die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening in geldende bestemmingsplannen als zodanig zijn bestemd.

Artikel 2.8.2.

  • 1. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op bestaande natuur voorzien in een specifieke, daarop toegesneden bestemming die gericht is op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.

  • 2. Bestemmingsplannen als bedoeld in lid 1 voorzien niet in ontwikkelingen waardoor de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden worden aangetast.

  • 3. In afwijking van het gestelde onder 2 kunnen ontwikkelingen worden toegestaan die uit een oogpunt van zwaarwegende maatschappelijke belangen noodzakelijk zijn en waarin niet op een andere wijze kan worden voorzien, mits in voldoende mate in compensatie is voorzien.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen voor het bieden van compensatie als bedoeld in het vorige lid.

Titel 2.9. Reconstructiebeleid

17

Artikel 2.9.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

a. reconstructieplan: het Reconstructieplan Salland-Twente, zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 15 september 2004 (nr. PS/2004/738) en laatstelijk gewijzigd bij besluit van 1 juli 2009.

Artikel 2.9.2. Doorwerking reconstructieplan

  • 1. Bestemmingsplannen voor gebieden die zijn opgenomen in het reconstructieplan dienen, voor wat betreft de mogelijkheden van bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, in overeenstemming te zijn met het reconstructieplan.

  • 2. Voor zover aan het bepaalde in lid 1 nog niet is voldaan, geldt voor die vaststelling in afwijking van het bepaalde in artikel 4.1, tweede lid van de Wet ruimtelijke ordening, een termijn van zes maanden na inwerkingtreding van deze titel.

Artikel 2.9.3. Eisen toelichting

  • 1. Bestemmingsplannen voor gebieden die als landbouwontwikkelingsgebied zijn opgenomen in het reconstructieplan gaan vergezeld van een toelichting dan wel onderbouwing, waaruit blijkt op basis van welke gegevens, waarderingen en afwegingen tot vaststelling is besloten, een en ander in overeenstemming met de vereisten van het Reconstructieplan Salland-Twente.

  • 2. Bij de toelichting dan wel onderbouwing als bedoeld in lid 1 wordt in elk geval expliciet verwoord op welke wijze de regels met betrekking tot bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen op het reconstructieplan zijn afgestemd.

Titel 2.10. Glastuinbouwlocaties

18

Artikel 2.10.1.

Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien niet in nieuwe mogelijkheden voor de vestiging van glastuinbouwbedrijven buiten het daarvoor op de kaart Ontwikkelingsperspectieven nr. 009295055 als ‘glastuinbouw’ aangegeven glastuinbouwgebied de Koekoekspolder.

Titel 2.11. Cultuurhistorie

19

Artikel 2.11.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

a. cultuurhistorische waarden: het samenspel van historische landschappen, historisch geografische elementen en structuren, cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en archeologische vindplaatsen die iets vertellen over het verleden.

Artikel 2.11.2.

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

Titel 2.12. Verblijfsrecreatie

20

Artikel 2.12.1.

  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. recreatiewoning: een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, dat niet op wielen verplaatsbaar is en dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt voor toeristisch of recreatief gebruik. Onder recreatiewoningen worden niet verstaan groepsaccommodaties zoals kampeerboerderijen en jeugdherbergen;

  • b. recreatieverblijf: een gebouw of kampeermiddel dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt;

  • c. kampeermiddel: een tent, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of voertuig of gedeelte daarvan, voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend bestemd zijn of kunnen worden gebruikt voor toeristisch nachtverblijf;

  • d. bedrijfsmatige exploitatie: het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer dat in de recreatieve verblijven daadwerkelijk recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden.

Artikel 2.12.2.

  • 1. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien uitsluitend in de bouw van nieuwe recreatiewoningen indien en voor zover het betreft:

    • a.

      de nieuwbouw van een complex van recreatiewoningen waarvan het recreatieve gebruik door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd en tevens sprake is van een innovatief concept dan wel een kwaliteitsimpuls van bestaande recreatieterreinen waarvan de bouw van nieuwe recreatiewoningen onderdeel uitmaakt;

    • b.

      de locaties voor verblijfsrecreatie die als zodanig zijn aangegeven op kaart Recreatie nr. 09295051, waarbij geldt dat op locaties aangeduid met * alleen kleinschalige complexen zijn toegestaan, mits door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie verzekerd is dat er sprake zal zijn van recreatief gebruik.

  • 2. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op recreatiewoningen die worden gerealiseerd in het kader van de kwaliteitsimpuls Groene omgeving, voor zover deze recreatiewoningen voldoen aan de eis van op de verhuurgerichte, bedrijfsmatige exploitatie.

Artikel 2.12.3.

  • 1. De regels van bestemmingsplannen sluiten permanente bewoning van recreatiewoningen en recreatieverblijven uit.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan permanente bewoning van recreatiewoningen worden toegestaan met een daarop gericht persoonsgebonden overgangsrecht, een persoonsgebonden gedoogbeschikking of een persoonsgebonden ontheffing, voor zover deze recreatiewoningen vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan permanente bewoning van recreatiewoningen worden toegestaan met een daarop gericht objectgebonden overgangsrecht, voor zover deze recreatiewoningen vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet, voor zover op het moment van inwerkingtreding van deze verordening in een geldende bestemmingsplan voorzien was in een dergelijk objectgebonden overgangsrecht.

Artikel 2.12.4.

  • 21

  • 1. Bestemmingsplannen voorzien niet in wijziging van geldende bestemmingsplannen waarbij aan een recreatiewoning die op dat moment als zodanig is bestemd, een woonbestemming wordt toegekend.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan aan recreatiewoningen een woonbestemming worden toegekend voor zover deze recreatiewoningen al vóór of op 31 oktober 2003 permanent bewoond werden en deze permanente bewoning sindsdien onafgebroken is voortgezet voor zover:

    • • voldaan wordt aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 voor (bestaande) reguliere woningen;

    • • voldaan wordt aan relevante milieuwet- en regelgeving;

    • • de recreatiewoningen staan in stads- en dorpsrandgebieden voor zover het niet gaat om gebieden die zijn aangewezen als EHS en Nationaal Landschap.

Titel 2.13. Drinkwatervoorziening

22

Artikel 2.13.1. Begripsbepalingen

  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. waterwingebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden;

  • b. grondwaterbeschermingsgebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden;

  • c. grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden;

  • d. intrekgebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden;

  • e. intrekgebieden met stedelijke functies: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden;

  • f. stand still-principe: beginsel dat erop gericht is verslechtering van de grondwaterkwaliteit tegen te gaan en het vergroten van risico’s op verontreiniging van het grondwater te voorkomen;

  • g. stap vooruit-principe: beginsel dat erop gericht is de risico’s op verontreiniging van het grondwater te verminderen en de grondwaterkwaliteit te verbeteren;

  • h. methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming: de door Gedeputeerde Staten als zodanig vastgestelde methodiek;

  • i. niet-risicovolle functies: alle functies behalve harmoniërende functies en grotere of grootschalige risicovolle functies;

  • j. harmoniërende functies: functies die goed samengaan met de drinkwaterwinning;

  • k. grote en grootschalige risicovolle functies: functies die gelet op de risico’s voor de grondwaterkwaliteit én als zodanig, ongewenst zijn in grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden.

Artikel 2.13.2. Waterwingebieden

Bestemmingsplannen voorzien in een specifieke aanduiding voor waterwingebieden waarbij alleen functies zijn toegestaan die ten dienste staan aan de drinkwaterwinning.

Artikel 2.13.3. Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden

Bestemmingsplannen voorzien in een aanduiding voor grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden waarbij alleen functies worden toegestaan die harmoniëren met de functie voor de drinkwatervoorziening.

Artikel 2.13.4. Niet-risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 kunnen in grondwaterbeschermingsgebieden ook nieuwe niet-risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe.

Artikel 2.13.5. Niet-risicovolle functies en grote risicovolle functies in intrekgebieden

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 kunnen in intrekgebieden ook nieuwe niet-risicovolle en grote risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe.

Artikel 2.13.6. Grote of grootschalige risicovolle functies

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in artikel 2.13.4 en artikel 2.13.5, kunnen nieuwe grote of grootschalige risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden en nieuwe grootschalige risicovolle functies in intrekgebieden alleen worden toegestaan als dit noodzakelijk is vanuit een zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor redelijke alternatieven ontbreken en mits voldaan wordt aan het stap vooruit-principe.

Artikel 2.13.7. Grondwaterbeschermingsgebieden met een stedelijke functie

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in de artikelen 2.13.4 en 2.13.6 kunnen binnen grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies nieuwe grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze functies voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en aan het stap vooruit-principe.

Artikel 2.13.8. Intrekgebieden met stedelijke functies

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in de artikelen 2.13.5 en 2.13.6 kunnen binnen intrekgebieden met stedelijke functies nieuwe grotere of grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze functie voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en aan het stand still-principe.

Artikel 2.13.9. Toelichting op bestemmingsplan

Indien bij enig bestemmingsplan ingevolge dit hoofdstuk dient te zijn voldaan aan het stand still-principe of aan het stap vooruit-principe, wordt dat in de toelichting bij dat plan verantwoord op basis van toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming.

Titel 2.14. Watergebiedsreservering

23

Artikel 2.14.1. Primaire watergebieden

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op primaire watergebieden zoals op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 aangegeven, voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen die de rol van deze gebieden voor wateropvang belemmeren.

Artikel 2.14.2. Waterbergingsgebieden

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op waterbergingsgebieden die als zodanig op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 zijn aangegeven, regelen de instandhouding van de waterhuishoudkundige werken en voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen die de rol van deze gebieden voor wateropvang belemmeren.

Artikel 2.14.3. Gebieden met risico op overstroming (minder snel en ondiep onderlopende gebieden)

  • 1. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen de dijkringen 9: Vollenhove, 52: Oost-Veluwe, 53: Salland (wettelijk vastgelegde dijkringgebieden) en als zodanig op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 zijn aangegeven, voorzien alleen in nieuwe grootschalige ontwikkelingen binnen deze gebieden als in het desbetreffende bestemmingsplan zodanige voorwaarden worden gesteld dat de veiligheid ook op lange termijn voldoende is gewaarborgd.

  • 2. De toelichting bij bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden als bedoeld in lid 1, is voorzien van een overstromingsrisicoparagraaf die inzicht biedt in:

    • • de risico’s bij overstroming;

    • • de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken.

Artikel 2.14.4. Gebieden met risico op overstroming (snel en diep onderlopende gebieden)

  • 1. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen de dijkringen 10: Mastenbroek en 11: IJsseldelta (wettelijk vastgelegde dijkringgebieden) en als zodanig op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 zijn aangegeven, voorzien alleen in het realiseren van nieuwe bebouwing binnen deze gebieden als er sprake is van zwaarwegend maatschappelijk belang. Het desbetreffende bestemmingsplan stelt in dit geval zodanige voorwaarden dat de veiligheid ook op de lange termijn voldoende is gewaarborgd.

  • 2. In afwijking van het gestelde in lid 1 wordt de voorwaarde van zwaarwegend maatschappelijk belang, niet gesteld ten aanzien van agrarische functies en incidentele woonbebouwing.

  • 3. De toelichting op bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden als bedoeld in lid 1, is voorzien van een overstromingsrisicoparagraaf die inzicht biedt in:

    • • de risico’s bij overstroming;

    • • de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken.

Artikel 2.14.5. Essentiële watergangen

  • Bestemmingsplannen die betrekking hebben op essentiële waterlopen die op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 als zodanig zijn aangegeven, voorzien binnen stroken van 100 meter aan weerzijden van deze essentiële waterlopen niet in nieuwe ontwikkelingen die:

  • • de functie van deze waterlopen voor de waterafvoer beperken;

  • • de toekomstige verruiming van de waterloop ten behoeve van afvoer en berging van water onmogelijk maken.

Titel 2.15. Windturbines

24

Artikel 2.15.1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. windturbines: een door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt.

Artikel 2.15.2. Uitsluiting windturbines

  • Bestemmingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines binnen gebieden die:

  • • op grond van artikel 2.7.2. gerekend worden tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of

  • • op grond van artikel 2.6.2. worden aangemerkt als Nationaal Landschap of

  • • die vallen binnen de als zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven laagvliegroutes en funnel vliegveld Twente.

Artikel 2.15.3. Eis van clustering

  • 1. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op de groene omgeving voorzien uitsluitend in de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines in de vorm van windparken.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kunnen bestemmingsplannen voor de Groene omgeving individuele windturbines toestaan voor zover de tiphoogte daarvan niet meer bedraagt dan 25 meter.

Titel 2.16. Basisrecreatietoervaartnet

25

Artikel 2.16.1.

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het basisrecreatietoervaartnet zoals is aangegeven op kaart Recreatie nr. 09295051.

Titel 2.17. Fiets- en wandelroutestructuren

26

Artikel 2.17.1. Bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren

In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met bestaande bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren zoals aangegeven op kaart Recreatie nr. 09295051.

Titel 2.18. Externe Veiligheid

27

Artikel 2.18.1. Begripsbepalingen

  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. buisleiding gevaarlijke stoffen: als zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven regionale en hoofdtransportleidingen voor het transport van aardgas, olie, olieproducten, chemicaliën en CO2;

  • b. provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen: als zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven (vaar)wegen die vrijgegeven zijn en (mogelijk) aangewezen worden voor het transport van gevaarlijke stoffen over weg of water;

  • c. essentiële functies en gebouwen: functies en gebouwen die essentieel zijn voor het effectief kunnen bestrijden en beperken van gevolgen van crises, rampen en andere calamiteiten, zoals rampencoördinatiecentra, als traumacentra aangewezen ziekenhuizen, energiecentrales en infrastructuur die nodig is bij eventuele ontruimingen van een gebied;

  • d. kwetsbaar object: object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening;

  • e. beperkt kwetsbare objecten: objecten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel a van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening;

  • f. groepsrisico: cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van risicobron;

  • g. plaatsgebonden risico: risico op een plaats, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die bepaalde plaats zou verblijven, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval met een risicobron;

  • h. invloedsgebied: gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico;

  • i. exploitant: de instantie die verantwoordelijk is voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van de risicobron;

  • j. risicokaart: een geografische kaart waarop de in de provincie aanwezige risico’s zijn aangeduid als bedoeld in artikel 6a van de Wet Rampen en zware ongevallen.

Artikel 2.18.2. Buisleiding gevaarlijke stoffen en belemmeringenstroken

  • 28

  • 1. Bestemmingsplannen voorzien in een specifieke bestemming en/of aanduiding voor de in het plangebied aanwezige buisleidingen gevaarlijke stoffen en de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding.

  • 2. In het kader van het toekennen van de bestemming en/of aanduiding als bedoeld onder 1 wordt bepaald dat bouwwerken alleen zijn toegestaan na ontheffing gehoord de exploitant. Deze ontheffing kan alleen worden verleend voor zover de buisleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbare objecten worden toegelaten.

  • 3. In het kader van het toekennen van de bestemming en/of aanduiding als bedoeld onder 1 wordt een aanlegvergunningstelsel opgenomen voor werken of werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de buisleiding.

Artikel 2.18.3. Ontwikkelingen nabij buisleiding gevaarlijke stoffen

  • 29

  • 1. Bestemmingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object als is aangetoond dat de grenswaarde van 10-6 met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten in acht genomen wordt.

  • 2. Bestemmingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van een beperkt kwetsbaar object of van een buisleiding met gevaarlijke stoffen als rekening is gehouden met de richtwaarde van 10-6 met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten.

  • 3. In afwijking van het gestelde onder lid 2 kan overschrijding van de richtwaarde van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten worden toegestaan na ontheffing zoals bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub c Wro, mits:

    • • sprake is van een groot maatschappelijk belang en

    • • verzekerd is dat zodanige maatregelen worden getroffen dat een goed woon- en leefklimaat verzekerd is.

Artikel 2.18.4. Nieuwe ontwikkelingen en transport gevaarlijke stoffen

  • 30

  • 1. In de toelichting op bestemmingsplannen die betrekking hebben op wegen en vaarwegen die onderdeel uitmaken van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het uitgangspunt dat de provinciale samenhang en de continuïteit van dit routenetwerk moet worden geborgd.

  • 2. Bestemmingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in het invloedsgebied van een (vaar)weg die op de risicokaart is aangeduid als ‘route gevaarlijke stoffen’ nadat is aangetoond dat dit geen beperkingen zal opleveren voor de functie van de (vaar)weg als onderdeel van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen en advies is gevraagd van de regionale brandweer.

  • 3. Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld onder lid 2 stelt het bevoegd gezag, het bestuur van de regionale brandweer in wier gebied het bestemmingsplan ligt, in de gelegenheid advies uit te brengen over het groepsrisico en de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

  • 4. In de toelichting op een bestemmingsplan als bedoeld onder lid 2 wordt in elk geval vermeld:

    • a.

      de aanwezige en de op grond van het bestemmingsplan te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de ‘route gevaarlijke stoffen’ die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken;

    • b.

      het groepsrisico per kilometer (vaar)weg op het tijdstip waarop het bestemmingsplan wordt vastgesteld en de invloed van het bestemmingsplan op de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval van 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar;

    • c.

      de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast;

    • d.

      andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan;

    • e.

      de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de ‘route gevaarlijke stoffen’ om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet;

    • f.

      het plasbrandaandachtsgebied en de maatregelen die met betrekking tot dit gebied zijn getroffen om de effecten van een zwaar ongeval of ramp te beperken;

    • g.

      een samenvatting van het advies van de regionale brandweer over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van de ramp of het zware ongeval als bedoeld in de Wet Rampen en zware ongevallen, alsmede hulpverlening en zelfredzaamheid.

Artikel 2.18.5. Essentiële functies en gebouwen

  • 1. Bestemmingsplannen voorzien niet in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe essentiële functies en gebouwen binnen het invloedsgebied van inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en/of binnen het invloedsgebied van een als zodanig aangewezen route gevaarlijke stoffen of buisleiding gevaarlijke stoffen, tenzij aangetoond is dat zodanige maatregelen getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de essentiële functie naar zijn aard kan blijven functioneren in geval van een calamiteit.

  • 2. Bestemmingsplannen voorzien niet in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en van een als zodanig aangewezen route gevaarlijke stoffen of buisleiding gevaarlijke stoffen als zich binnen het invloedsgebied essentiële functies en gebouwen bevinden, tenzij aangetoond is dat zodanige maatregelen getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de essentiële functie naar zijn aard kan blijven functioneren in geval van een calamiteit.

Titel 2.19. Mobiliteit

31

Artikel 2.19.1. Begripsbepalingen

  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. hoofdinfrastructuur: weg-, vaarweg- en spoorverbindingen van en naar de stedelijke centra en streekcentra;

  • b. hoofdfietsverbindingen: hoogwaardig fietsnetwerk van en naar de stedelijke centra en streekcentra;

  • c. multimodale knooppunten: locaties waar de uitwisseling plaatsvindt tussen verkeersmodaliteiten (weg, water, spoor).

Artikel 2.19.2. Nieuwe ontwikkelingen

In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe grootschalige ontwikkelingen die bovenlokale verkeersbewegingen met zich meebrengen of effecten hebben op de verkeersafwikkeling op de hoofdinfrastructuur, wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen worden geprojecteerd nabij aansluitingen op hoofdinfrastructuur, hoofdfietsverbindingen en multimodale knooppunten.

Titel 2.20. Winlocaties grondstoffen

32

Artikel 2.20.1. Ontgrondingen

  • 1. Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe, multifunctionele ontgrondingslocaties, indien deze passen binnen het bestaande netwerk van zandwinningen en bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit.

  • 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1 regelt, voor zover mogelijk, dat de ontgrondingslocatie zodanig wordt geprojecteerd en ingericht dat tijdens de zandwinning de invloed op de omgevingskwaliteiten beperkt blijft en de locatie na het (gefaseerd) beëindigen van de zandwinning eenvoudig geschikt te maken is voor de beoogde nieuwe bestemming.

Artikel 2.20.2. Zoutwinningen

Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe zoutwinlocaties indien de zoutwinning kan worden ingepast in de structuur van landbouw, natuur en landschap.

Titel 2.21 ruimtelijke reservering luchthaven Twente

33

Artikel 2.21.1 begripsbepalingen

  • In dit artikel wordt verstaan onder:

  • a. geluidgevoelige functies: woningen, niet zijnde bedrijfswoningen en kwetsbare functies zoals scholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen;

  • b. bedrijfswoning: woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, slechts bestemd voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is;

  • c. ruimtelijke reservering luchthaven Twente: het als zodanig op kaart nr. 10395119 aangegeven gebied begrensd door contour 10,6 km2;

  • d. beperkingengebied luchthaven Twente: het als zodanig op kaart nr. 10395119 aangegeven gebied rond luchthaven Twente door contour van 8,0 km2;

  • e. bufferzone luchthaven Twente: het als zodanig op kaart kaart nr. 10395119  aangegeven gebied rond luchthaven Twente tussen contour 8,0 en 10,6 km2.

Artikel 2.21.2

  • 1. Bestemmingsplannen voorzien niet in nieuwe geluidgevoelige functies binnen de ruimtelijke reservering luchthaven Twente.

  • 2. In afwijking van het gestelde in lid 1 kan binnen de bufferzone luchthaven Twente de nieuwbouw van bedrijfswoningen worden toegestaan mits de nieuwe bedrijfswoning uit een oogpunt van de bedrijfsvoering noodzakelijk  is.

  • 3. In afwijking van het gestelde in lid 1 kan daarnaast binnen de bufferzone luchthaven Twente ook de bouw van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen worden toegestaan, mits is voldaan aan een van de volgende criteria:

    • a.

      met de bouw wordt een open plek tussen bestaande bebouwing opgevuld;

    • b.

      de bouw dient ter vervanging van bebouwing die al op die locatie aanwezig is;

    • c.

      de bouw dient ter vervanging van bestaande bebouwing elders binnen de bufferzone die op dit moment een hogere geluidbelasting als gevolg van het luchthavenluchtverkeer ondervindt dan op de nieuwe locatie het geval zal zijn.

Hoofdstuk 3. Grondwaterbescherming en bodem

Titel 3.1. Grondwaterbescherming, algemeen

34

Paragraaf 3.1.1. Begripsbepalingen en zorgplicht in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Artikel 3.1.1.1. Begrippen

  • In dit hoofdstuk en in de bijlagen bij dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a ) achtergrondwaarden, baggerspecie, bouwstof, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse Wonen en kwaliteitsklasse A, toepassen van bouwstoffen, toepassen van grond of baggerspecie, werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit;

  • b ) begraafplaatsen en terreinen voor de verstrooiing van as: begraafplaatsen of terreinen voor de verstrooiing van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging alsmede dierenbegraafplaatsen;

  • c ) betrokken grondwateronttrekker: de drijver van een onttrekkingsinrichting, als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet, uitsluitend of mede bestemd voor het onttrekken van grondwater voor de (openbare) drinkwatervoorziening, in wiens belang het betreffende gebied wordt beschermd;

  • d ) bijlage: bij deze verordening behorende bijlage;

  • e ) bodem: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet bodembescherming;

  • f ) bodemenergiesysteem: een gesloten of een open bodemenergiesysteem;

  • g ) bodemenergiesysteem gesloten: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van het bovengrondse deel van de installatie;

  • h ) bodemenergiesysteem open: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, met inbegrip van het bovengrondse deel van de installatie;

  • i ) buisleiding: buisleiding voor het transport van olie, chemicaliën en gas met uitzondering van een buisleiding voor het transport van aardgas, alsmede een buisleiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën;

  • j ) gebouw: een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet;

  • k ) gewasbeschermingsmiddel, biocide: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

  • l ) inrichting: inrichting, als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de wet die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht;

  • m ) lozing: het op of in de bodem brengen van koelwater, afvalwater dan wel overige vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen;

  • n ) lozen vanuit een particulier huishouden: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit lozing afvalwater huishoudens;

  • o ) mechanische ingreep: een werk op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten, waaronder begrepen boringen, grond- en funderingswerken;

  • p ) meststoffen, dierlijke meststoffen respectievelijk anorganische meststoffen, compost en kalkmeststoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Meststoffenwet respectievelijk het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

  • q ) milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning: gebieden als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de wet;

  • r ) NEN 3650: Norm van het Nederlands Normalisatie-instituut "Eisen voor buisleidingsystemen", uitgave augustus 2006;

  • s ) NTA 8000: Nederlandse technische afspraak van het Nederlands Normalisatie-instituut "Specificatie voor een risicomanagementsysteem (RMS) voor risico's van buisleidingsystemen voor het transport van gevaarlijke stoffen in de beheerfase", uitgave april 2009;

  • t ) omgevingsvergunning: omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo;

  • u ) schadelijke stoffen: stoffen of combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval, verwacht kan worden dat ze de bodem en het grondwater verontreinigen of kunnen verontreinigen, met inbegrip van de stoffen zoals opgenomen in bijlage 2.1;

  • v ) waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone: zones van milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning, die op de bij deze verordening behorende kaarten als zodanig zijn aangewezen;

  • w ) wet: Wet milieubeheer;

  • x ) Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 3.1.1.2. Zorgplicht

  • 1. Ieder die in een milieubeschermingsgebied met de functie waterwinning buiten een inrichting gedragingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat daardoor het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning kan worden geschaad, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die schade te voorkomen. Indien die schade niet kan worden voorkomen moet hij deze zoveel mogelijk beperken en ongedaan maken.

  • 2. Indien die schade zich voordoet of dreigt voor te doen, behoort tot de maatregelen als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de bedoelde gedragingen verricht of nalaat, onmiddellijk Gedeputeerde Staten en de betrokken grondwateronttrekker informeert.

Paragraaf 3.1.2. Gebiedsaanwijzing: waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Artikel 3.1.2.1. Milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning

  • 1. Als milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning worden aangewezen de gebieden die als zodanig zijn aangegeven op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053.

  • 2. Een milieubeschermingsgebied met de functie waterwinning kan bestaan uit verschillende zones, die als zodanig zijn aangewezen op de kaart, als bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      waterwingebied;

    • b.

      grondwaterbeschermingsgebied;

    • c.

      boringsvrije zone.

Artikel 3.1.2.2. Bevoegdheden Gedeputeerde Staten tot wijzigen grenzen gebieden

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen de grenzen van de gebieden, als bedoeld in artikel 3.1.2.1, wijzigen als er sprake is van:

    • a.

      wijzigingen op perceelsniveau;

    • b.

      verkleining of opheffing van een gebied bij (gedeeltelijke) sluiting van een drinkwaterwinning;

    • c.

      verkleining van een gebied bij voorzienbare sluiting van een drinkwaterwinning;

    • d.

      vergroting van een gebied als gevolg van uitbreiding van de vergunde capaciteit van een drinkwaterwinning met maximaal 1 miljoen m3 grondwater.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.4 van de wet worden eigenaren en gebruikers van de betreffende gronden in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over een grenswijziging als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. In aanvulling op het tweede lid wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een grenswijziging als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Gedeputeerde Staten duiden de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, als bedoeld in artikel 3.1.2.1, tweede lid, onder a en b, op afdoende wijze aan door middel van borden.

Titel 3.2. Grondwaterbescherming

35

Paragraaf 3.2.1. Waterwingebieden

Artikel 3.2.1.1. Regels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in waterwingebieden

  • 1. Het is verboden in een waterwingebied een inrichting, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op te richten.

  • 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de betrokken grondwateronttrekker, voor zover de inrichting noodzakelijk is voor de waterwinning.

  • 3. Het is verboden in een waterwingebied binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een lozing uit te voeren.

  • 4. Het is verboden in een waterwingebied binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een bodemenergiesysteem te installeren.

Artikel 3.2.1.2. Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen in waterwingebieden

  • 1. Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een waterwingebied in ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 3.

  • 2. Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.

Artikel 3.2.1.3. Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in waterwingebieden

  • 1. De in artikel 3.2.1.1 gestelde bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op een inrichting in een waterwingebied, waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

  • 2. Het is verboden in een waterwingebied een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, in werking te hebben, te veranderen of de werking te veranderen.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de voorschriften als bedoeld in het derde lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.

Artikel 3.2.1.4. Verboden in waterwingebieden, buiten inrichtingen

  • 1. Het is in een waterwingebied verboden om buiten inrichtingen:

    • a.

      schadelijke stoffen op of in de bodem te brengen, te hebben, te gebruiken of te vervoeren;

    • b.

      constructies of werken op of in de bodem op te richten, te hebben, of uit te voeren als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen kan ontstaan.

  • 2. Onder de in het eerste lid, onder a, bedoelde schadelijke stoffen worden in ieder geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, gewasbeschermingsmiddelen en biociden, meststoffen, IBC-bouwstoffen, grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit de achtergrondenwaarden overschrijdt, koelwater, afvalwater en overige vloeistoffen waarin schadelijke stoffen voorkomen.

  • 3. Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in ieder geval begrepen leidingen, installaties, opslagreservoirs, mechanische ingrepen, begraafplaatsen en terreinen voor het verstrooien van as, wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer, spoorwegen en waterwegen, recreatieve voorzieningen, gebouwen en bodemenergiesystemen.

Artikel 3.2.1.5. Vrijstellingen in waterwingebieden, buiten inrichtingen

  • 1. De in artikel 3.2.1.4, eerste lid, onder a en b, gestelde verboden gelden niet voor:

    • a.

      activiteiten van de betrokken grondwateronttrekker, voor zover de activiteiten noodzakelijk zijn voor de waterwinning;

    • b.

      activiteiten waarvoor Gedeputeerde Staten een vergunning hebben verleend op grond van de Waterwet of de Ontgrondingenwet dan wel een beschikking hebben gegeven op grond van de Wet bodembescherming en aan die vergunning of beschikking voorschriften hebben verbonden die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning;

    • c.

      activiteiten waarvoor de betrokken grondwateronttrekker een beheerplan heeft opgesteld dat is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten.

  • 2. Het in artikel 3.2.1.4, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, anders dan gewasbeschermingsmiddelen en biociden, bij woningen en andere gebouwen, bestemd voor of afkomstig van normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen weersinvloeden;

    • b.

      het hebben of gebruiken van schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

    • c.

      het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;

    • d.

      het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen weersinvloeden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat.

  • 3. Het in artikel 3.2.1.4, eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      constructies of werken die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening bestonden;

    • b.

      uitbreiding of wijziging van de constructies en werken bedoeld onder a voor zover de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen.

Artikel 3.2.1.6. Ontheffingen in waterwingebieden, buiten inrichtingen

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen, voor zover de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen, ontheffing verlenen van de in de artikelen 3.2.1.4 gestelde verboden voor:

    • a.

      activiteiten in verband met natuurontwikkeling en natuurbeheer;

    • b.

      activiteiten in verband met extensieve recreatie en educatie;

    • c.

      activiteiten van tijdelijke aard, in uitzonderlijke gevallen, voor maximaal vijf jaar, die van zwaarwegend maatschappelijk belang zijn en waarvoor geen alternatieven beschikbaar zijn.

  • 2. Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing.

Paragraaf 3.2.2. Grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel 3.2.2.1. Regels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

  • 1. Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in bijlage 2.2.

  • 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de betrokken grondwateronttrekker, voor zover de inrichting noodzakelijk is voor de waterwinning.

  • 3. Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een lozing uit te voeren.

  • 4. Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een bodemenergiesysteem te installeren.

Artikel 3.2.2.2. Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

  • 1. Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een  grondwaterbeschermingsgebied in ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 3.

  • 2. Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.

Artikel 3.2.2.3. Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

  • 1. De bepalingen in artikel 3.2.2.1 zijn van overeenkomstige toepassing op een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied, waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

  • 2. Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, in werking te hebben, te veranderen of de werking te veranderen.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de voorschriften als bedoeld in het derde lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.

Artikel 3.2.2.4. Regels voor grote en grootschalige projecten in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

  • 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen grote en grootschalige projecten tot stand te brengen, te wijzigen of uit te breiden, voor zover de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning toenemen.

  • 2. Onder projecten, als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval verstaan grote en grootschalige:

    • -

      dag- of verblijfsrecreatie;

    • -

      woningbouw (meer dan 10 respectievelijk 100 woningen);

    • -

      stedenbouw (winkelcentra, bedrijven voor horeca, handel en dienstverlening);

    • -

      autowegen (inclusief parkeerterreinen, transferia), waterwegen (inclusief havens), spoorwegen;

    • -

      bedrijventerreinen;

    • -

      buisleidingen.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verboden. Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.5 Regels voor meststoffen in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

  • 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen meststoffen op of in de bodem te brengen.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor dierlijke meststoffen, anorganische meststoffen, compost en kalkmeststoffen.

Artikel 3.2.2.6  Regels voor bouwstoffen, grond en baggerspecie in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

  • 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen IBC-bouwstoffen op of in de bodem te brengen.

  • 2. Het is in grondwaterbeschermingsgebieden verboden om buiten inrichtingen grond of baggerspecie op of in de bodem toe te passen.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de toepassing van grond of baggerspecie:

    • a.

      op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie

      1º de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel

      2º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

    • b.

      in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie

       1º de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel

       2º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

    • c.

      met een omvang van meer dan 5.000 m3 indien wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie

       1º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt bij een toepassing op of in de bodem;

       2º de maximale waarden kwaliteitsklasse A niet overschrijdt bij een toepassing in oppervlaktewater;

    • d.

      indien sprake is van verspreiding van de baggerspecie uit een watergang, die vrijkomt bij regulier onderhoud, over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen.

  • 4. De eisen als bedoeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, paragraaf 1 en 2 van het Besluit bodemkwaliteit zijn van toepassing op het derde lid, onder c.

  • 5. Degene die voornemens is een activiteit genoemd in het derde lid, onder c, uit te voeren doet een melding. Bij de melding wordt een rapport van locatiespecifiek onderzoek gevoegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.7 Regels voor lozingen in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

  • 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen een lozing uit te voeren;

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het lozen:

    • a.

      vanuit een particulier huishouden;

    • b.

      van afvloeiend hemelwater afkomstig van wegen, spoorwegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken alsmede van parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer, indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 4.

  • 3. Degene die voornemens is een activiteit genoemd in het tweede lid, onder b uit te voeren doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.8 Regels voor constructies in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

  • 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen constructies voor het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen op of in de bodem te hebben of tot stand te brengen, waaronder begrepen leidingen, installaties en opslagreservoirs.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor constructies:

    • a.

      voor de inzameling en het transport van afvalwater;

    • b.

      voor de opslag en het transport van schadelijke stoffen voor niet-bedrijfsmatige doeleinden;

    • c.

      inhoudende het tot stand brengen, wijzigen of uitbreiden van een buisleiding indien:

       1º gebruik wordt gemaakt van mantelbuizen conform NEN 3650 met een lekdetectiesysteem;

       2º markeringslint boven de buisleiding wordt aangebracht en

       3º een locatiespecifiek calamiteitenplan wordt opgesteld overeenkomstig NTA 8000, gericht op het voorkomen van verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning, waarbij in ieder geval wordt betrokken een geohydrologisch onderzoek met berekeningen van de verspreiding van de schadelijke stof in de bodem.

  • 3. Degene die voornemens is een activiteit genoemd in het tweede lid, onder c, uit te voeren doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.9 Regels voor mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

  • 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen mechanische ingrepen op of in de bodem uit te voeren dieper dan twee meter onder het maaiveld.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor mechanische ingrepen:

    • a.

      ten behoeve van een grondwateronttrekking, met het oog op de waterwinning;

    • b.

      waarvoor Gedeputeerde Staten een vergunning hebben verleend op grond van de Waterwet of de Ontgrondingenwet dan wel een beschikking hebben gegeven op grond van de Wet bodembescherming en aan die vergunning of beschikking voorschriften hebben verbonden die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning of

    • c.

      waarbij wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 5.

  • 3. Degene die voornemens is een activiteit genoemd in het tweede lid, onder c, uit te voeren doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.10 Regels voor bodemenergiesystemen in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen een bodemenergiesysteem te installeren.

Paragraaf 3.2.3. Boringsvrije zones

Artikel 3.2.3.1. Regels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in boringsvrije zones

  • 1. Het is verboden in een boringsvrije zone binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een lozing uit te voeren of een bodemenergiesysteem te installeren, voor zover deze activiteiten plaatsvinden:

    • a.

      dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg;

    • b.

      dieper dan vijfenzeventig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Engelse Werk te Zwolle;

    • c.

      dieper dan vijf meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve te Enschede en

    • d.

      dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep.

  • 2. Het in het eerste lid onder d. genoemde verbod geldt niet voor het installeren van een bodemenergiesysteem en het uitvoeren van een lozing die daarmee verband houdt, indien op basis van een boring ter plaatse van de voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat de slecht doorlatende laag dieper ligt dan vijftig meter onder het maaiveld en de activiteit wordt uitgevoerd tot maximaal de diepte waarop de top van de slecht doorlatende laag is aangetroffen.

Artikel 3.2.3.2. Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen in boringsvrije zones

  • 1. Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een boringsvrije zone in ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 3.

  • 2. Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.

Artikel 3.2.3.3. Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in boringsvrije zones

  • 1. De verboden in artikel 3.2.3.1, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een inrichting in een boringsvrije zone, waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

  • 2. Het is verboden in een boringsvrije zone binnen een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, een mechanische ingreep uit te voeren, op de wijze als bedoeld in artikel 3.2.3.1, eerste lid, onder a, b, c en d.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de voorschriften als bedoeld in het derde lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.

  • 5. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het eerste lid, voor het installeren van een bodemenergiesysteem en voor het uitvoeren van een lozing die daarmee verband houdt, dieper dan vijftig meter in de boringsvrije zone Salland Diep. Ontheffing kan worden verleend indien op basis van een boring ter plaatse van de voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat de slecht doorlatende laag dieper ligt dan vijftig meter onder het maaiveld. De ontheffing wordt verleend voor de activiteit tot maximaal de diepte waarop de top van de slecht doorlatende laag is aangetroffen. Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing.

Artikel 3.2.3.4. Regels in boringsvrije zones, buiten inrichtingen

  • 1. Het is in een boringsvrije zone verboden om buiten inrichtingen een lozing uit te voeren of een bodemenergiesysteem te installeren, voor zover deze activiteiten plaatsvinden:

    • a.

      dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg;

    • b.

      dieper dan vijfenzeventig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Engelse Werk te Zwolle;

    • c.

      dieper dan vijf meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve te Enschede of

    • d.

      dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep.

  • 2. Het is in een boringsvrije zone verboden om buiten inrichtingen een mechanische ingreep uit te voeren, op de wijze als bedoeld in artikel 3.2.3.4, eerste lid, onder a, b, c, en d.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor mechanische ingrepen:

    • a.

      ten behoeve van een grondwateronttrekking, met het oog op de waterwinning;

    • b.

      waarvoor Gedeputeerde Staten een vergunning hebben verleend op grond van de Waterwet of de Ontgrondingenwet dan wel een beschikking hebben gegeven op grond van de Wet bodembescherming en aan die vergunning of beschikking voorschriften hebben verbonden die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning of

    • c.

      waarbij wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 5.

  • 4. Degene die voornemens is een mechanische ingreep als bedoeld in het derde lid, onder c, uit te voeren doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

  • 5. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid, ten behoeve van het installeren van een bodemenergiesysteem, dieper dan vijftig meter in de boringsvrije zone Salland Diep. Ontheffing kan worden verleend indien op basis van een boring ter plaatse van de voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat de slecht doorlatende laag dieper ligt dan vijftig meter onder het maaiveld. De ontheffing wordt verleend voor de activiteit tot maximaal de diepte waarop de top van de slecht doorlatende laag is aangetroffen. Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing.

Paragraaf 3.2.4. Ontheffingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Artikel 3.2.4.1. Ontheffingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

  • 1. Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing indien de activiteit in strijd is met een geldend en onherroepelijk bestemmingsplan of met bij dat plan gestelde eisen, dan wel in strijd is met de Omgevingsvisie Overijssel.

  • 2. Gedeputeerde Staten stellen, in afwijking van artikel 7.1.9, de volgende personen en instanties in de gelegenheid advies uit te brengen met betrekking tot de ontwerp-beschikking:

    • a.

      de inspecteur als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer,

    • b.

      burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente,

    • c.

      het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap en

    • d.

      de betrokken grondwateronttrekker.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing verklaren indien er geen zienswijzen te verwachten zijn betreffende de bescherming van de waterwinning. Ze beslissen in dat geval binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 4. Ten behoeve van de ontheffingaanvraag wordt gebruikt gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

Paragraaf 3.2.5. Meldingen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Artikel 3.2.5.1. Meldingen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zone, buiten inrichtingen

  • 1. Een melding als bedoeld in de artikelen 3.2.2.6, vijfde lid, 3.2.2.7, derde lid, 3.2.2.8, derde lid en 3.2.2.9, derde lid en 3.2.3.4, vierde lid, wordt gedaan ten minste vier weken voor aanvang van de activiteit waarop de melding betrekking heeft aan Gedeputeerde Staten.

  • 2. Ten behoeve van de melding wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

  • 3. Indien met de activiteit niet is gestart binnen een jaar na de aanvangsdatum van de activiteit zoals aangegeven op het meldingsformulier, vervalt de gedane melding van rechtswege.

Artikel 3.2.5.2. Nadere eisen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones, buiten inrichtingen

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen in het belang van de waterwinning nadere eisen stellen met betrekking tot de voorschriften als bedoeld in de artikelen 3.2.2.6, vijfde lid, 3.2.2.7, derde lid, 3.2.2.8, derde lid en 3.2.2.9, derde lid en 3.2.3.4, vierde lid.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen de nadere eisen wijzigen, aanvullen of intrekken indien het belang van de waterwinning zich daartegen niet verzet.

  • 3. De voorschriften als bedoeld in de artikelen 3.2.2.6, vijfde lid, 3.2.2.7, derde lid, 3.2.2.8, derde lid en 3.2.2.9, derde lid en 3.2.3.4, vierde lid, en de nadere eisen gelden voor degene die de activiteit uitvoert.

Paragraaf 3.2.6. Vergoeding van kosten en schade in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Artikel 3.2.6.1. Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 4.3 juncto 4.2 van de Wabo met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 3, titel 3.2. paragrafen 3.2.1 tot en met 3.2.5 van deze verordening.

Artikel 3.2.6.2. Inhoud verzoek

  • Het verzoek om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens:

  • a. de bepalingen van hoofdstuk 3, titel 3.2, paragrafen 3.2.1 tot en met 3.2.5 van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de verzoeker zich voor kosten ziet gesteld of schade lijdt;

  • b. de aard en de omvang van de kosten of de schade;

  • c. de wijze waarop de kosten of de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 3.2.6.3. Advies van deskundigen

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking, als bedoeld in artikel 3.2.6.1.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen van de aangewezen deskundigen, als bedoeld in het eerste lid, het advies inwinnen omtrent een verzoek om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging. Indien Gedeputeerde Staten advies inwinnen zijn de bepalingen in het derde tot en met zesde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De verzoeker wordt in de gelegenheid gesteld aan de deskundigen zijn verzoek om vergoeding toe te lichten. Indien Gedeputeerde Staten voornemens zijn tot toekenning van een vergoeding uit eigen beweging, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.

  • 4. De betrokken grondwateronttrekker wordt in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over het verzoek of het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.

  • 5. De deskundigen brengen advies uit inzake:

    • a.

      de vraag of de kosten zijn gemaakt of de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 3, titel 3.2, paragrafen 3.2.1 tot en met 3.2.5 van deze verordening;

    • b.

      de omvang van de kosten of de schade;

    • c.

      de vraag of de kosten of de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven;

    • d.

      de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien;

    • e.

      de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten of de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt;

    • f.

      de hoogte van de toe te kennen vergoeding.

  • 6. De deskundigen brengen hun advies zo spoedig mogelijk uit aan Gedeputeerde Staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht en aan de betrokken grondwateronttrekker. Gedeputeerde Staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken.

Artikel 3.2.6.4. Betrokkenheid grondwateronttrekker

Indien Gedeputeerde Staten geen advies inwinnen van deskundigen, stellen zij de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek of het voornemen naar voren te brengen voordat zij een besluit nemen met betrekking tot het toekennen van een vergoeding.

Artikel 3.2.6.5. Inhoud verzoek ander bestuursorgaan

  • 1. Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid van de Wabo Gedeputeerde Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten of schade door het aan de vergunning verbinden van voorschriften op basis van de artikelen 3.2.1.2, 3.2.2.2 en 3.2.3.2 en bijlage 3, getiteld Algemene voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones, dient dat verzoek ten minste vergezeld te gaan van:

    • a.

      indien het bestuursorgaan een verzoek om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van dat verzoek en de daarbij gevoegde stukken;

    • b.

      indien de betrokken grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over het verzoek of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen;

    • c.

      indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de Wabo heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies;

    • d.

      het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding of, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven: een afschrift van die beschikking.

  • 2. Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de betrokken grondwateronttrekker is gevoegd, stellen Gedeputeerde Staten hem in gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen.

  • 3. Gedeputeerde staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk vier maanden na ontvangst van het verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.2.6.3, tweede lid, binnen zeven maanden na de ontvangst van het verzoek.

Artikel 3.2.6.6. Schadevergoedingsconvenant

In aanvulling op en ter uitwerking van het bepaalde in de artikelen 3.2.6.1 tot en met 3.2.6.5 gelden de bepalingen van een tussen de provincie, de betrokken grondwateronttrekker en de betrokken Overijsselse gemeenten gesloten convenant.

Titel 3.3. Bodem

Paragraaf 3.3.1. Bodemsanering

36

Artikel 3.3.1.1. Uitgebreide voorbereidingsprocedure

  • 37

  • 1. Op de voorbereiding van beschikkingen op grond van de artikelen 29, eerste lid, 37, eerste lid, en 39, tweede lid van de Wet bodembescherming is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 2. Indien kan worden aangenomen dat bij bodemsaneringen aan de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure geen behoefte bestaat, kunnen Gedeputeerde Staten, ambtshalve of op verzoek van de aanvrager van een beschikking, besluiten een verkorte procedure toe te passen, indien naar hun oordeel aan de navolgende voorwaarden voldaan is:

    • a.

      er is een beperkte groep belanghebbenden die als zodanig duidelijk aanwijsbaar is;

    • b.

      de aanvrager heeft ten genoegen van Gedeputeerde Staten voldoende informatie overgelegd over het (vermoedelijke) geval van ernstige bodemverontreiniging en de invloed daarvan op de directe omgeving.

Artikel 3.3.1.2. Melding van voorgenomen bodemsanering

38

Gedeputeerde Staten stellen een formulier vast voor een melding als bedoeld in artikel 28, lid 1 van de Wet bodembescherming.

Artikel 3.3.1.3. Inhoud saneringsplan

39

In het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, lid 2 van de Wet bodembescherming dienen in aanvulling op de eisen uit deze wet de gegevens te worden opgenomen zoals aangegeven in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

Artikel 3.3.1.4. Inhoud evaluatieverslag

40

In het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming dienen in aanvulling op de eisen uit deze wet de gegevens te worden opgenomen zoals aangegeven in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

Artikel 3.3.1.5. Inhoud nazorgplan

41

In een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming dienen in aanvulling op de eisen uit deze wet de gegevens te worden opgenomen zoals aangegeven in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

Artikel 3.3.1.6. Waterkwaliteitsbeheerder

42

De waterkwaliteitsbeheerder verschaft de informatie omtrent de resultaten van door hem uitgevoerde saneringen en de besteding van de daarvoor aan hem toegekende gelden, overeenkomstig de voorschriften die Gedeputeerde Staten stellen bij het verlenen van een bijdrage.

Paragraaf 3.3.2. Ontgrondingen

43

Artikel 3.3.2.1. Vrijstelling vergunningplicht

  • 1. Geen vergunning als bedoeld in de Ontgrondingenwet is vereist voor ontgrondingen voor de navolgende werken of werkzaamheden:

    • a.

      het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van rijkswaterstaatswerken en werken door of op last van de provincie Overijssel; 44

    • b.

      het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van een werk, waarvan het oppervlak is vastgelegd op de plankaart of op het inrichtingsplan van een onherroepelijk bestemmingsplan of van een onherroepelijk projectbesluit, als bedoeld in artikel 3.10 van Wet ruimtelijke ordening, waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau; 45

    • c.

      het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van een werk door of in opdracht van gemeenten of waterschappen, met inbegrip van de aanleg van waterpartijen indien minder dan 10.000 m³ vaste stoffen uit een of meer waterpartijen wordt ontgraven, en waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau; 46

    • d.

      het aanleggen, onderhouden, verbreden of verdiepen van watergangen, voor zover deze een bodembreedte krijgen van niet meer dan 5 meter, en een diepte van niet meer dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau; 47

    e. het aanleggen, verhogen, verzwaren of onderhouden van waterkeringen; 48

    • f.

      het uitvoeren van werkgebonden ontgrondingen gericht op: 49

    • • beheer en onderhoud ten behoeve van de instandhouding van bestaande natuur, of

    • • het ontwikkelen van nieuwe natuur, mits per werk minder dan 10.000 m³ vaste stoffen wordt ontgraven en waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau, indien uitgevoerd door of in opdracht van een natuurbeherende instantie of op grond van een specifieke daartoe verleende overheidssubsidie;

    • g.

      de normale uitoefening van het landbouw-, tuinbouw-, of bosbouwbedrijf, alsmede het planten of rooien van bomen, struiken of andere gewassen; 50

    • h.

      het maken, onderhouden, wijzigen of opruimen van waterputten, reservoirs, bassins, vijvers en soortgelijke werken, mits die zijn gelegen bij woningen of op agrarische bedrijfserven en de inhoud ervan niet meer bedraagt dan 500 m³ vaste stoffen; 51

    • i.

      het doen van archeologische opgravingen op grond van een vergunning ingevolge de Monumentenwet; 52

    • j.

      het aanleggen of wijzigen van gronddepotplaatsen met inbegrip van het ontgraven van de humeuze bovenlaag, alsmede het opruimen binnen 5 jaar na vulling ervan, en het aanleggen of wijzigen daarvan met betrekking tot bodem- en onderwaterbodemsanering als bedoeld in artikel 4, onder c van de Ontgrondingenwet;

    • k.

      het aanleggen of wijzigen van buitenmaneges, mits niet groter dan 1.500 m² en niet gelegen in landschappelijk of natuurwetenschappelijk gevoelige gebieden, en mits daarbij uitsluitend sprake is van omwisseling van deklaag en onderliggend zand waarbij niet dieper wordt gegraven dan 1 meter beneden het oorspronkelijke niveau;

    • l.

      het maken, onderhouden, wijzigen of opruimen van bouwwerken, kelders en graven, het doen van grondboringen en sonderingen, en het leggen, plaatsen, onderhouden, wijzigen of opruimen van buizen, kabels, palen en soortgelijke werken.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is voor de in dat lid genoemde ontgrondingen vergunning vereist als deze in hoofdzaak worden uitgevoerd om bodemmateriaal te verkrijgen.

Artikel 3.3.2.2. Meldingsplicht vrijgestelde ontgrondingen

  • 1. Indien bij een ontgronding als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, de te ontgraven hoeveelheid 10.000 m³ vaste stoffen of meer bedraagt, meldt de opdrachtgever van de ontgronding of de zakelijk of persoonlijk gerechtigde als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Ontgrondingenwet de voorgenomen ontgronding uiterlijk twee weken voor aanvang daarvan aan Gedeputeerde Staten.

  • 2. Ten behoeve van een melding als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikgemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

Artikel 3.3.2.3. Verkorte procedure

  • 1. Op de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Ontgrondingenwet voor ontgrondingen van eenvoudige aard is artikel 10, eerste tot en met derde lid van de Ontgrondingenwet niet van toepassing, indien daarbij andere belangen dan die van de aanvrager niet of nauwelijks zijn betrokken.

  • 2. Ontgrondingen van eenvoudige aard zijn:

    • a.

      ontgrondingen als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder b en c, voor zover niet vrijgesteld en niet dieper dan 5 meter beneden het oorspronkelijk niveau uitgevoerd;

    • b.

      ontgrondingen als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder c, voor zover het een niet vrijgestelde waterpartij betreft, die niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau wordt uitgevoerd;

    • c.

      watergangen als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder d, voor zover niet vrijgesteld, met een omvang van 10.000 m³ vaste stoffen of meer en niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau uitgevoerd;

    • d.

      ontgrondingen als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder f, voor zover gericht op de ontwikkeling van nieuwe natuur en niet vrijgesteld, waartoe een overheidssubsidie is verleend en die niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau wordt uitgevoerd, of

      - indien geen overheidssubsidie is verleend - tot een omvang van minder dan 10.000 m³ vaste stoffen;

    • e.

      ontgrondingen, niet vrijgesteld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder g en h, met een omvang van minder dan 10.000 m³ vaste stoffen en niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau uitgevoerd.

  • 3. De verkorte procedure, als bedoeld in het eerste lid, is bij wijziging van een vergunning eveneens van toepassing op:

    • a.

      verlenging van de in de vergunningsvoorschriften gestelde geldigheidstermijn van de vergunning en de daarmee samenhangende termijnen;

    • b.

      wijziging van de tenaamstelling van de vergunning;

    • c.

      wijziging van de in de vergunningsvoorschriften vastgelegde zekerheidsstelling;

    • d.

      alle overige eenvoudige wijzigingen van de vergunningsvoorschriften.

  • 4. De verkorte procedure, als bedoeld in het eerste lid, is eveneens van toepassing op de intrekking van de vergunning op verzoek van de vergunninghouder.

Hoofdstuk 4. Water

Titel 4.1. Begripsbepalingen

53

Artikel 4.1.1. Begripsbepalingen

  • In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van een waterschap in de provincie Overijssel;

  • b. beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de wet;

  • c. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van een waterschap in de provincie Overijssel;

  • d. de minister: de minister van Verkeer en Waterstaat;

  • e. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel tenzij in de verordening anders is bepaald;

  • f. peilbesluit: besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de wet;

  • g. projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de wet;

  • h. profiel van vrije ruimte: de ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering;

  • i. regionale waterkering: een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening;

  • j. regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de wet;

  • k. retourbemaling: het in een grondwaterlichaam brengen van onttrokken water, ter compensatie of vermindering van de gevolgen van het onttrekken van water;

  • l. het waterschap: de Waterschappen Groot-Salland, Regge en Dinkel, Reest en Wieden, Velt en Vecht

  • m. wet: de Waterwet.

Artikel 4.1.2. Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk van deze verordening is van toepassing op het gebied van het Waterschap Groot Salland, het Waterschap Reest en Wieden, het Waterschap Regge en Dinkel en het Waterschap Velt en Vecht, bedoeld in artikel 2 van het reglement van het waterschap.

Titel 4.2. Normen regionale keringen en wateroverlast, verdringingsreeks

54

Artikel 4.2.1. Aanwijzen regionale waterkeringen

Als regionale keringen gelden de regionale waterkeringen die zijn aangegeven op de kaart Regionale waterkeringen en peilbesluiten nr. 09295056.

Artikel 4.2.2. Veiligheidsnorm regionale waterkeringen

  • 1. Op kaart Regionale waterkeringen en peilbesluiten nr. 09295056 is voor elke regionale waterkering of voor elk deel daarvan de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop de regionale waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige het waterkerende vermogen bepalende factoren. 55

  • 2. Gedeputeerde Staten stellen een technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor de beheerder. 56

  • 3. Gedeputeerde Staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen en stellen ten behoeve van de beoordeling de maatgevende waterstanden vast. 57

  • 4. Gedeputeerde Staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de verschillende regionale waterkeringen voor de eerste keer moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid. 58

  • 5. Indien een regionale waterkering is gelegen in meer dan één provincie, kunnen Gedeputeerde Staten van die provincies besluiten dat het toezicht op die waterkering wordt uitgeoefend door Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen.

Artikel 4.2.3. Regionale verdringingsreeks onttrekking IJsselmeergebied

  • 59

  • 1. In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1 lid 1 onder 3° van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      onttrekking voor proces- en gietwater voor de glastuinbouw;

    • b.

      doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt;

    • c.

      beregening van akker- en tuinbouwgewassen.

  • 2. In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1 onder 4°van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      In geval van een doorspoeling van stedelijk en landelijk gebied ter voorkoming van botulisme en blauwalgen, in geval sprake is van een risico voor de volksgezondheid;

    • b.

      doorspoeling tegen verzilting en verontreiniging ten behoeve van beregening akker- en tuinbouw;

    • c.

      peilhandhaving klei- en zandgebieden;

    • d.

      peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur;

    • e.

      beregening gras/maïs;

    • f.

      doorspoeling tegen botulisme en blauwalgen voor zover de volksgezondheid niet in het geding is.

Artikel 4.2.3a Regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht

  • 60

  • 1. In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1 onder 3° van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      onttrekking voor proceswater;

    • b.

      doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit  proces- of gietwater onttrokken wordt

    • c.

      beregening van kapitaalintensieve gewassen

  • 2. In geval van een  watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1 onder 4°van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      doorspoelen in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid;

    • b.

      scheepvaart;

    • c.

      peilhandhaving en beregening ten behoeve van akkerbouw;

    • d.

      beregening gras/maïs;

    • e.

      peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur;

    • f.

      doorspoeling ten behoeve van aquatische ecologie (KRW).

Artikel 4.2.4. Normen wateroverlast

  • 61

  • 1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, een gemiddelde overstromingskans van eens in de 100 jaar en voor het overige gebied een gemiddelde overstromingskans van eens in de 10 jaar.

  • 2. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 en behoudens de gebieden van genoemd in lid 3 een gemiddelde overstromingskans van niet vaker dan:

    • a.

      eens in de 50 jaar voor glastuinbouw en hoogwaardig land- en tuinbouw, waarbij 1 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben;

    • b.

      eens in de 25 jaar voor akkerbouw, waarbij 1 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben;

    • c.

      eens in de 10 jaar voor grasland, waarbij 5 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.

  • 3. Voor de volgende gebieden wordt een andere daarbij vermelde gemiddelde overstromingskans vastgesteld:

    • a.

      eens in de 10 jaar, waarbij 30 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben voor de veenweidegebieden rond de Weerribben in het beheersgebied van het Waterschap Reest en Wieden, waarbij de begrenzing door het waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in artikel 4.4.4, is vastgelegd;

    • b.

      eens in de 10 jaar voor landbouwgronden in beekdalen in het beheergebied van het Waterschap Regge en Dinkel, waarbij de begrenzing door het waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in artikel 4.4.4, is vastgelegd;

    • c.

      eens in het jaar voor laaggelegen gebieden in het beheergebied van het Waterschap Regge en Dinkel, waarbij de begrenzing door het waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in artikel 4.4.4, is vastgelegd;

  • 4. Gedeputeerde Staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren.

  • 5. De bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren voldoen uiterlijk in 2015 voor de eerste keer aan de in het eerste, tweede en derde lid opgenomen normen; zo nodig kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van het dagelijks bestuur ontheffing van deze termijn verlenen.

Artikel 4.2.5. Verslag toetsing watersysteem

  • 62

  • 1. Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 4.2.2, lid 1 en 2, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.

  • 2. Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de veiligheidsnorm, technische leidraad en voorschriften bedoeld in artikel 4.2.2 en de legger bedoeld in artikel 4.5.1.

  • 3. Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen, bedoeld in artikel 4.2.4, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.

  • 4. Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de normen en voorschriften bedoeld in artikel 4.2.4 en de legger bedoeld in artikel 4.5.1.

  • 5. Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

  • 6. Gedeputeerde Staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, vast voor welk tijdstip de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste maal wordt uitgebracht en met welke frequentie de verslagen daarna wordt uitgebracht.

Titel 4.3. Toedeling beheer watersysteem en beheer en instandhouding vaarwegen

63

Artikel 4.3.1.

Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel 4 van het reglement van het waterschap.

Artikel 4.3.2. Toedeling beheer vaarwegen

64

Op de als bijlage 6 bij deze verordening behorende lijsten is aangegeven welk bestuursorgaan, niet zijnde een bestuursorgaan van het Rijk, is belast met het vaarwegbeheer.

Artikel 4.3.3. Begripsomschrijvingen

  • 65

  • In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. lijst A: de in bijlage 6 bij deze verordening behorende lijst met kaart van vaarwegen in beheer bij de provincie;

  • b. lijst B: de in bijlage 6 bij deze verordening behorende lijst met kaart van binnen de provincie gelegen vaarwegen in beheer bij andere overheidslichamen, het Rijk uitgezonderd;

  • c. minimaal benodigde vaarwegdiepte: de vaarwegdiepte op basis van de scheepstype indeling conform CEMT, of conform de klasse indeling volgens de BRTN, vermeerderd met de benodigde kielspeling;

  • d. schip: schip als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet;

  • e. vaarweg: elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A of lijst B;

  • f. vaarwegbeheer: de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken;

  • g. vaarwegbeheerder: het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld op lijst A of lijst B;

  • h. werk: elk kunstwerk of ander bouwwerk, waaronder begrepen oevers en oevervoorzieningen, boven, op, in, onder of langs een vaarweg gelegen.

Artikel 4.3.4. Belangenbescherming

  • 66

  • Deze titel en de daarop berustende bepalingen hebben tot doel:

  • a. regels te stellen in het belang van de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen en de bijbehorende werken;

  • b. aanvullende regels te stellen in het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen.

Artikel 4.3.5. Vaarwegdiepte en vaarwegonderhoud

  • 67

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen de minimaal benodigde vaarwegdiepten vaststellen van de vaarwegen op de lijsten A en B.

  • 2. De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de minimaal benodigde vaarwegdiepten, vastgesteld krachtens het eerste lid.

  • 3. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.3.6. Bedieningstijden van bruggen en sluizen

  • 68

  • 1. Gedeputeerde Staten stellen de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, behorende bij de vaarwegen op de lijsten A en B.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor spoorbruggen en voor bruggen en sluizen in beheer bij het Rijk.

  • 3. De beheerders van de bruggen en sluizen dragen er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden bediend op de door gedeputeerde staten vastgestelde tijden.

  • 4. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.3.7. Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer

  • 69

  • 1. Het besluit van een vaarwegbeheerder, tot het blijvend geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het openbaar verkeer van een vaarweg van lijst B voor alle schepen behoeft de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

  • 2. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.3.8. Absoluut verbod voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken

  • 70

  • Het is verboden:

  • a. het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij scheepvaartwegen te belemmeren;

  • b. de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de scheepvaartweg in gevaar te brengen;

  • c. vaste stoffen of voorwerpen in een vaarweg te brengen, dan wel vaste stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze op oevers te plaatsen of te hebben, dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken;

Artikel 4.3.9. Verboden met ontheffingsmogelijkheid voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken

  • 71

  • 1. Het is verboden om:

    • a.

      veranderingen aan te brengen aan de scheepvaartweg;

    • b.

      enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, onder of binnen een afstand van tien meter landinwaarts van de scheepvaartweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn.

      Dit verbod geldt niet voor het Giethoornse meer, de Beulakerwijde en de Belterwijde.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen van lid 1, indien de belangen, bedoeld in artikel 4.3.4 zich daartegen niet verzetten. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

    Een ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:

    • a.

      de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend;

    • b.

      de ontheffing gedurende twee jaar niet is gebruikt;

    • c.

      gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de houder verstrekte onjuiste gegevens;

    • d.

      de in het tweede lid bedoelde voorschriften of beperkingen niet of niet voldoende worden nageleefd;

    • e.

      op de voorbereiding van een besluit omtrent de beperking van de gebruiksmogelijkheid van een kanaal voor de scheepvaart is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.3.10. Regeling werken op de oever van vaarwegen

  • 1. Voor het aanbrengen, houden, veranderen of verwijderen van enig werk op de oever binnen een afstand van tien meter landinwaarts van de scheepvaartweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn kan volstaan worden met het inzenden van een ondertekend en volledig ingevuld meldingsformulier. Deze melding dient minimaal vier weken voor aanvang van de werken te geschieden.

  • 2. Indien de bruikbaarheid en/of instandhouding van de scheepvaartweg door enig werk in gevaar kan komen, zal voor het werk alsnog een ontheffing met voorschriften en beperkingen worden verleend. Gedeputeerde Staten brengen dit besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de melding ter kennis aan de meldingplichtige. In dat geval wordt het meldingsformulier behandeld als een aanvraag om ontheffing.

Artikel 4.3.11. Verhaalplicht

72

Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaartpolitiereglement, moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op aanwijzing van de vaarwegbeheerder worden verhaald indien onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt.

Titel 4.4. Regionaal waterplan en beheerplannen

73

Artikel 4.4.1. Inhoud regionaal waterplan

  • 1. Het regionaal waterplan bevat, naast het bepaalde in de artikelen 4.4 van de wet, één of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht.

  • 2. De ruimtelijke aspecten bedoeld in artikel 4.4, eerste lid van de wet worden in het regionaal waterplan aangeduid. 74

Artikel 4.4.2. Voorbereiding regionaal waterplan

  • 75

  • 1. Gedeputeerde Staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg met het dagelijks bestuur, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat en de colleges van Burgemeester en Wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.

  • 2. Gedeputeerde Staten raadplegen ter voorbereiding van het regionaal waterplan de minister van Verkeer en Waterstaat en Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies en de beheerder(s) van de grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen.

  • 3. Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.4.3. Uitwerking regionaal waterplan

  • 76

  • 1. In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels.

  • 2. Het besluit van Gedeputeerde Staten tot uitwerking van het regionaal waterplan maakt deel uit van het regionaal waterplan.

  • 3. Artikel 4.4.2 is van overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde besluit.

Artikel 4.4.4. Inhoud beheerplan

  • 77

  • 1. Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de wet, ten minste:

    • a.

      de beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt;

    • b.

      het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;

    • c.

      de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren;

    • d.

      een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode;

    • e.

      het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem voor de (landgebruiks)functies in het beheersgebied;

    • f.

      één of meer kaarten, waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken staan aangegeven.

    • g.

      één of meer kaarten, waarbij de gebieden van met de daarbij behorende normen als bedoeld in artikel 4.2.4, leden 2 en 3, staan aangegeven.

  • 2. Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin ten minste is opgenomen:

    • a.

      de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken;

    • b.

      een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid ,onder c, genoemde maatregelen.

Artikel 4.4.5. Raadplegen bij opstellen beheerplan

Het dagelijks bestuur raadpleegt, bij het opstellen van het beheerplan, ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterbeheerders, Gedeputeerde Staten en de colleges van Burgemeester en Wethouders van de binnen het plangebied liggende provincies en gemeenten alsmede de ten aanzien van grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen bevoegde Duitse autoriteiten.

Artikel 4.4.6. Voorbereiding beheerplan

  • 78

  • 1. Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De stukken worden ter inzage gelegd in ten minste het kantoor van het desbetreffende waterschap en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheerplan betrekking heeft.

  • 2. Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het beheerplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.

  • 3. Het dagelijks bestuur kan besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast bij het actualiseren van het maatregelenprogramma en het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem als bedoeld in artikel 4.4.4, lid 1, onder c en e, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.

  • 4. Een vastgesteld beheerplan wordt toegezonden aan de instanties als bedoeld in artikel 4.4.5 en aan de minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 4.4.7. Uitwerking beheerplan

  • 79

  • 1. In het beheerplan kan worden bepaald dat het dagelijks bestuur het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens de in het beheersplan gegeven regels.

  • 2. Het besluit van het dagelijks bestuur tot uitwerking van het beheerplan maakt deel uit van het beheerplan.

  • 3. Artikel 4.4.6 is van overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde besluit.

Artikel 4.4.8. Goedkeuring beheerplan

80

Indien het beheerplan in zijn geheel wordt herzien, wordt het beheerplan ter goedkeuring gestuurd naar Gedeputeerde Staten. Indien het een herziening van beperkte strekking betreft, wordt de herziening ter goedkeuring gestuurd naar Gedeputeerde Staten van de provincie waarop de herziening van het beheerplan betrekking heeft. Als bijlagen voegt het dagelijks bestuur toe het verslag van het bij de voorbereiding gevoerde overleg, de ingediende zienswijzen en de algemene beschouwingen van het algemeen bestuur daarover.

Artikel 4.4.9. Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan

81

Het dagelijks bestuur rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

Artikel 4.4.10. Nadere voorschriften voortgangsrapportage

82

Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 4.4.9.

Titel 4.5. Legger waterstaatswerken

83

Artikel 4.5.1. Legger waterstaatswerken

  • 84

  • 1. De legger bedoeld in artikel 5.1 van de wet bevat naast het bepaalde in het eerste en tweede lid van dat artikel in ieder geval:

    • a.

      het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen en regionale oppervlaktewaterlichamen;

    • b.

      een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkering, regionale oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onder a en artikel 5.1, lid 1 van de wet, geldt in geval van het meanderen van een oppervlaktewaterlichaam dat daarvoor in de legger ten minste wordt opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het minimale dwarsprofiel.

  • 3. In afwijking van artikel 5.1, eerste lid van de wet, wordt in het geval van bergingsgebieden ten minste opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het bergend vermogen.

  • 4. Op de overzichtskaart bedoeld in artikel 5.1, lid 1 van de wet is ten aanzien van de primaire en regionale waterkeringen tevens aangegeven het profiel van vrije ruimte.

  • 5. Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat artikel 5.1, lid 1 van de wet, gedurende een daarbij vast te stellen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan.

  • 6.Gedeputeerde Staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht bedoeld in artikel 5.1 van de wet met betrekking tot ligging, vorm, afmeting en constructie indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen.

Artikel 4.5.2. Aanwijzing verplichte peilbesluiten

85

Het algemeen bestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewateren in de gebieden die zijn aangegeven op de als kaart Regionale waterkeringen en peilbesluiten nr. 09295056 bij deze verordening behorende kaart of kaarten.

Artikel 4.5.3. Inhoud peilbesluit

  • 86

  • 1. Het peilbesluit bevat naast het bepaalde in het tweede lid van artikel 5.2 van de wet een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.

  • 2. Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen:

    • a.

      de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken;

    • b.

      een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie;

    • c.

      een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen.

Artikel 4.5.4. Openbare voorbereiding peilbesluit

87

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.5.5. Herziening peilbesluit

  • 88

  • 1. Een peilbesluit wordt ten minste eens in de tien jaren herzien.

  • 2. Gedeputeerde Staten, kunnen op verzoek van het algemeen bestuur van het waterschap eenmalig vrijstelling verlenen van de verplichting genoemd in het eerste lid voor ten hoogste 5 jaar.

  • 3. Indien het peilbesluit betrekking heeft op het grondgebied van meerdere provincies, dan wordt de vrijstelling verleend door Gedeputeerde Staten van de provincie, waarbinnen het grootste deel van het gebied, waarvoor het peilbesluit geldt, is gelegen.

Artikel 4.5.6. Projectprocedure voor waterstaatswerken

  • 89

  • Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen kunnen, mede op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap, paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de wet van toepassing verklaren op:

  • a. projectplannen tot de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen;

  • b. projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen.

Artikel 4.5.7. Toezending projectplannen

Projectplannen, als bedoeld in artikel 5.5 van de wet, behoeven de goedkeuring van Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen.

Een projectplan, dat betrekking heeft op een primaire of regionale waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijkring die tevens is gelegen op het grondgebied van een andere provincie of provincies wordt door het dagelijks bestuur tevens toegezonden aan Gedeputeerde Staten van die provincie of provincies.

Artikel 4.5.8. Waterakkoorden

Bij de voorbereiding van een waterakkoord, bedoeld in artikel 3.7 van de wet, raadpleegt het dagelijks bestuur het college van Burgemeester en Wethouders en Gedeputeerde Staten.

Titel 4.6. Handelingen in watersystemen: grondwateronttrekking en infiltratie

90

Artikel 4.6.1. Grondwaterregister

  • 91

  • 1. Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van water uit een grondwaterlichaam en infiltraties in een grondwaterlichaam worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen dan wel aan de dagelijkse besturen van de waterschappen worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt.

  • 2. Het dagelijks bestuur verstrekt aan Gedeputeerde Staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of infiltratie plaatsvindt de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen. Voorts wordt een overzicht verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt.

  • 3. De opgave, bedoeld in het vorige lid, wordt uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging verstrekt.

  • 4. Het dagelijks bestuur maakt voor de uitvoering van het gestelde in de vorige leden gebruik van het Landelijk Grondwater Register zoals dat is ondergebracht bij TNO/DINO (http://www.lgronline.nl/).

Artikel 4.6.2. Registratieplicht grondwateronttrekkingen en -infiltraties

92

Het algemeen bestuur kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid van het Waterbesluit niet toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 50.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 50.000 m3.

Artikel 4.6.3. Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister

  • 93

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting of infiltratie die niet ingevolge artikel 6.11, eerste lid van het Waterbesluit is opgegeven, ambtshalve in het register, genoemd in artikel 4.6.1, inschrijven.

  • 2. Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen. 

Artikel 4.6.4. Vergunningplicht reservering diepe pakket van Salland

  • 94

  • 1. Alle onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld en zijn gelegen in het gebied, aangegeven als boringsvrije zone diepe pakket van Salland op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053, zijn vergunningplichtig.

  • 2. Het algemeen bestuur van het Waterschap Groot Salland regelt bij verordening dat voor onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld en zijn gelegen in het gebied, aangegeven als boringsvrije zone diepe pakket van Salland op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053, een vergunningplicht geldt.

  • 3. Het dagelijkse bestuur van het Waterschap Groot Salland kan voor het gebied bedoeld in lid 2 slechts vergunning verlenen voor het onttrekken van grondwater als dit grondwater bedoeld is voor hoogwaardige industrieel gebruik waarop de Warenwet van toepassing is en waarvoor geen alternatief voorhanden is.

  • 4. Het algemeen bestuur van het Waterschap Groot Salland kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid van het Waterbesluit niet toepassen op de onttrekkingen waarvoor het dagelijkse bestuur op grond van het vorige lid vergunning verleent. 95

Artikel 4.6.5.Vrijstelling vergunningplicht

96

Een vergunning tot het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet, is niet vereist ten aanzien van inrichtingen waarbij de onttrokken hoeveelheid niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur en waarbij de onttrokken hoeveelheid totaal niet meer bedraagt dan 5.000 m3 per kwartaal en waarop het bepaalde in artikel 4.6.4, lid 1, niet van toepassing is. 

Artikel 4.6.6. Instelling commissie

97

Gedeputeerde Staten stellen een commissie van deskundigen in die is belast met het adviseren inzake verzoeken als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid van de wet.

Artikel 4.6.7. Verzoeken om vergoeding van schade of onderzoek 

[vervallen]

Artikel 4.6.8. Deskundigenadvies

[vervallen] 

Hoofdstuk 5. Verkeer

98

Titel 5.1. Wegen

Artikel 5.1.1. Toepassingsbereik

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op:

    • a.

      de wegen in beheer bij de provincie Overijssel;

    • b.

      situaties buiten de beheersgrens van deze wegen, indien het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is.

  • 2. In deze paragraaf worden mede tot de wegen gerekend de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar de aard van de weg daartoe behoort, een en ander voor zover in beheer bij de provincie.

Artikel 5.1.2. Verboden

  • Het is verboden:

  • 1. het voor het verkeer noodzakelijke uitzicht op en bij wegen te belemmeren;

  • 2. de veiligheid en de doorstroming van het verkeer op de weg in gevaar te brengen danwel beplanting of voorwerpen op, naast of boven de weg aan te brengen of te hebben die hinder of gevaar oplevert voor het beheer en onderhoud van de weg;

  • 3. een weg te gebruiken in strijd met het doel daarvan;

  • 4. veranderingen aan de weg aan te brengen;

  • 5. enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, of onder de weg.

Artikel 5.1.3. Ontheffing en melding

  • 1. Van de verboden, als bedoeld in artikel 5.1.2, onderdelen 3 tot en met 5 kan ontheffing worden verleend.

  • 2. De ontheffing bedoeld in het vorige lid wordt verleend door Gedeputeerde Staten, tenzij op grond van enige wet een ander orgaan bevoegd is.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot gevallen waarin met een melding kan worden volstaan.

  • 4. Voor werken die geschieden door of namens de provincie is geen ontheffing, als genoemd in het eerste lid, vereist.

  • 5. Een ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken indien:

    • a.

      dit in het belang van het gebruik van de wegen, dan wel ter bescherming van de wegen of kunstwerken nodig is;

    • b.

      de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet of niet behoorlijk worden nageleefd;

    • c.

      van de ontheffing gedurende een aaneengesloten periode van meer dan twee jaren geen gebruik is gemaakt;

    • d.

      de omstandigheden zodanig gewijzigd zijn dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend;

    • e.

      de ontheffing is verleend ten gevolge van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens.

  • 6. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot criteria voor de ontheffing voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg, dan wel het veranderen van het gebruik daarvan.

Titel 5.2 Luchthavens

Paragraaf 5.2.1 Algemeen

Artikel 5.2.1.1. Begripsbepaling

In deze titel wordt verstaan onder

a. wet: de Wet Luchtvaart.

Artikel 5.2.1.2. Reikwijdte 

  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op:

    • a.

      aanvragen tot het vaststellen of wijzigen van een luchthavenbesluit voor een luchthaven gelegen in Overijssel;

    • b.

      aanvragen tot het vaststellen of wijzigen van een luchthavenregeling voor een luchthaven gelegen in Overijssel.

  • 2. Een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit dan wel een luchthavenregeling kan door provinciale staten worden omgezet in en behandeld als een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenregeling dan wel een luchthavenbesluit, indien provinciale staten dat op grond van de ingediende gegevens of uit beleidsmatige overwegingen aangewezen achten.

  • 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het vaststellen van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling op grond van de bepalingen krachtens artikelen XIII, XIV en XV van de Wet van 18 december 2008, Stb. 561 (Regelgeving Burgerluchthavens en Militaire Luchthavens).

Artikel 5.2.1.3. Taak Gedeputeerde Staten

  • 1. Aanvragen tot vaststelling of wijziging van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.

  • 2. Gedeputeerde Staten zijn belast met de voorbereiding van een voorstel over een aanvraag voor Provinciale Staten, met inbegrip van het opstellen van een ontwerpvoorstel en het toepassing geven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen bij de voorbereiding van een voorstel toepassing geven aan artikel 3:18, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5.2.1.4. Indieningsvereiste

Aanvragen worden schriftelijk of digitaal in enkelvoud ingediend.

Artikel 5.2.1.5. Aanvragen

Gedeputeerde Staten stellen voor een aanvraag tot vaststelling of wijziging van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling een formulier vast. Daarin kunnen Gedeputeerde Staten gegevens vragen over de aanvrager, de beoogde locatie en mogelijke gevolgen voor de omgeving, en de beoogde wijze van exploitatie.

Artikel 5.2.1.6. Aanvraag verklaring veilig gebruik luchtruim

Gedeputeerde Staten dienen de aanvraag voor een verklaring van veilig gebruik van het luchtruim, als bedoeld in artikel 8.49 van de wet, in.

Paragraaf 5.2.2 Aanwijzing van luchthavens en voor deze luchthavens geldende besluiten of regelingen

5.2.2.1 - Algemeen

Artikel 5.2.2.1.1

Het gebruiksjaar betreft de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.

Artikel 5.2.2.1.2

Een luchthavenbesluit en een luchthavenregeling treden in werking met ingang van de dag na de dag van de bekendmaking ervan in het provinciaal blad.

5.2.2.2 - Luchthavenregeling Helihaven Isala klinieken

[Vervallen]

5.2.2.3 - Luchthavenregeling Helihaven Medisch Spectrum Twente

Artikel 5.2.2.3.1

  • In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a. wet: de Wet luchtvaart;

  • b. regeling: de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen;

  • c. luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • d. gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een natuurlijke of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij.

Artikel 5.2.2.3.2

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de helikopterluchthaven aan de Haaksbergerstraat 55 te Enschede, geografische positie is 52°12'55.72''N 006°53'28.55''E, zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart (bijlage 9).

Artikel 5.2.2.3.3

De exploitant van de luchthaven is de Stichting Ziekenhuis Medisch Spectrum Twente, gevestigd aan de Haaksbergerstraat 55, 7531 ER te Enschede.

Artikel 5.2.2.3.4

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant van de luchthaven en de gebruiker.

Artikel 5.2.2.3.5

  • 1. Onverminderd de bepalingen uit de wet en de regeling, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt door (meermotorige) helikopters met een All Up Weight (AUW) tot 5.000 kg, die conform het flight manual mogen opereren op een heliplatform met de afmeting van 22 bij 22 meter.

  • 2. De luchthaven mag uitsluitend worden gebruikt voor starts en landingen ten behoeve van medische doeleinden.

  • 3. De helihaven beschikt over brandklasse H1, waardoor er alleen helikopters met een LOA (Length over all) tot 15 meter gebruik mogen maken van de helihaven.

  • 4. Vluchten van en naar de helihaven dienen uitgevoerd te worden in Visual Meteorological Conditions.

  • 5. De beschikbare invliegrichtingen zijn 90° en 277° naar Final Approach and Take-off area (FATO). De beschikbare uitvliegrichtingen zijn 97° en 270° naar Final Approach and Take-off area (FATO).

Artikel 5.2.2.3.6

Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan Gedeputeerde Staten een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.

5.2.2.4 - Luchthavenregeling Zweefvliegterrein Lemelerveld

Artikel 5.2.2.4.1

  • In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a. wet: de Wet luchtvaart;

  • b. regeling: de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen;

  • c. luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • d. gebruiker: een natuurlijke of rechtspersoon die recreatieve vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

  • e. TMG (Touring Motor Glider): motorzweefvliegtuig met een integraal gemonteerde niet intrekbare motor en een niet intrekbare propeller, dat in staat is om op eigen kracht op te stijgen en te klimmen;

  • f. zweefvliegtuig: zweeftoestel met een vaste vleugel;

  • g. uniforme daglichtperiode: het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang, zoals geldt voor de positie 52.00 graden N en 05.00 graden O op zeeniveau;

  • h. Zelfstartend zweefvliegtuig: een zweefvliegtuig met een ingebouwde uitklapbare motor, waarmee het zweefvliegtuig zelfstandig kan starten. Als het zweefvliegtuig op hoogte is, wordt de motor gestopt en in de romp ingeklapt en vliegt en landt het zweeftoestel als een zweefvliegtuig.

Artikel 5.2.2.4.2

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de luchthaven aan de Langsweg 28 te Lemelerveld, gemeente Dalfsen, geografische positie is 52°28'04'' N 006°19'58'' E, zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart (bijlage 9).

Artikel 5.2.2.4.3

De exploitant van de luchthaven is Vereniging Aero Club ‘Salland', statutair gevestigd aan de Langsweg 28, 8152 EA te Lemelerveld.

Artikel 5.2.2.4.4

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant van de luchthaven en de gebruiker.

Artikel 5.2.2.4.5

  • 1. Onverminderd de bepalingen uit de wet en de regeling veilig gebruik luchthavens, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt voor:

    • -

      zweefvliegtuigen waaronder zelfstartende zweefvliegtuigen;

    • -

      vliegtuigen die noodzakelijk zijn voor het doen opstijgen van de zweefvliegtuigen (sleepvliegtuigen);

    • -

      TMG's.

  • 2. Het toegestane type TMG betreft de "Scheibe 25 C" of een gelijkwaardig type vliegtuig waarbij het maximale toegestane aantal starts en landingen 450 (900 vliegbewegingen) per gebruiksjaar betreft.

  • 3. Het maximale toegestane aantal starts van de zelfstarters is 100 per gebruiksjaar (100 vliegbewegingen).

  • 4. Het maximale toegestane aantal starts en landingen van de sleepvliegtuigen is 300 per gebruiksjaar (600 vliegbewegingen).

  • 5. Zondags voor 12 uur mag niet meer dan één start met de TMG plaatsvinden.

  • 6. Het gebruik of doen gebruiken van de luchthaven is alleen toegestaan gedurende de uniforme daglichtperiode in Visual Meteorological Conditions (VMC).

  • 7. De beschikbare in- en uitvliegrichtingen zijn 90°en 270°.

  • 8. De maximale lengte van de start- en landingsbaan bedraagt 1050 meter.

Artikel 5.2.2.4.6

  • 1. Binnen vier weken na het einde van elk van de vier kalenderkwartalen overlegt de exploitant aan GS een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende kwartaal waarbij de 4e kwartaalrapportage kan worden opgenomen in de jaarrapportage zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel.

  • 2. Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan Gedeputeerde Staten een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.

5.2.2.5 - Luchthavenregeling Helihaven De Koperen Hoogte Zwolle

Artikel 5.2.2.5.1

  • In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a. wet: de Wet luchtvaart;

  • b. regeling: de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen;

  • c. luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • d. gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een natuurlijke of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

  • e. uniforme daglichtperiode: het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang, zoals geldt voor de positie 52.00 graden N en 05.00 graden O op zeeniveau.

Artikel 5.2.2.5.2

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de helikopterluchthaven aan de Lichtmisweg 51 te Zwolle, geografische positie is 52°35'5.22''N 006°11'19.37''E, zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart (bijlage 9).

Artikel 5.2.2.5.3

De exploitant van de luchthaven is de Van der Most Beheer III B.V, gevestigd aan de Hoogeveenseweg 7F, 7777 TA te Hoogeveen.

Artikel 5.2.2.5.4

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant van de luchthaven en de gebruiker.

Artikel 5.2.2.5.5

  • 1. Onverminderd de bepalingen uit de wet en de regeling, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt door helikopters (type EC-120 met een Maximum Takeoff Weight (MTOW) van 1715 kg), of een gelijkwaardig type helikopter, met een bronvermogen dat gelijk of minder is.

  • 2. De luchthaven mag uitsluitend worden gebruikt voor starts en landingen ten behoeve van het eigen bedrijf van exploitant met een maximum van 4 vliegbewegingen per dag.

  • 3. Het is verboden zondags voor 13 uur starts en/of landingen uit te voeren op de luchthaven.

  • 4. Vluchten van en naar de helihaven dienen uitgevoerd te worden gedurende de uniforme daglichtperiode in Visual Meteorological Conditions.

  • 5.De beschikbare invliegrichtingen zijn 148° en 358° naar Final Approach and Take-off area (FATO). De beschikbare uitvliegrichtingen zijn 178° en 328° naar Final Approach and Take-off area (FATO).

  • 6. Alle vliegbewegingen van en naar deze locatie dienen vooraf te worden aangemeld bij de militaire verkeersleiding, te weten het Air Operations Control Station (AOCS) te Nieuw Milligen.

Artikel 5.2.2.5.6

  • 1. Binnen vier weken na het einde van elk van de vier kalenderkwartalen overlegt de exploitant aan GS een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende kwartaal waarbij de 4e kwartaalrapportage kan worden opgenomen in de jaarrapportage zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel.

  • 2. Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan GS een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.

5.2.2.6 - Luchthavenregeling Helihaven daklocatie Isala Klinieken

Artikel 5.2.2.6.1

  • In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder

  • a. wet: de Wet Luchtvaart

  • b. regeling: de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen

  • c. luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1 .1, eerste lid, van de Wet Luchtvaart

  • d. gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een natuurlijk of rechtspersoon die vluchten uitvoert niet zijnde een luchtvaartmaatschappij

Artikel 5.2.2.6.2

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de helikopterluchthaven aan de Dr. Van Heesweg nr.2 te Zwolle. De geografische positie van de helihaven is N52.51350o; E6.12235o, zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart (bijlage 1).

Artikel 5.2.2.6.3

De exploitant van de luchthaven is de Stichting Isala Klinieken, gevestigd aan de Dr. Van Heesweg 2, 8025 AS te Zwolle.

Artikel 5.2.2.6.4

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant van de luchthaven en de gebruiker.

Artikel 5.2.2.6.5

  • 1. Onverminderd de bepalingen uit de wet en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt door traumahelikopters (type EC-135 met een Maximum Takeoff Weight (MTOW) van 2910 kg), of een gelijkwaardig type helikopter, die conform het flight manual mogen opereren op een heliplatform met de afmetingen van 18 bij 18 meter.

  • 2. De luchthaven mag uitsluitend gebruikt worden voor starts en landingen voor medische doeleinden.

  • 3. De helihaven beschikt over brandklasse H1, waardoor er alleen helikopters met een LOA (Length over all) tot 15 meter gebruik mogen maken van de helihaven.

  • 4. Vluchten van en naar de helihaven dienen uitgevoerd te worden in Visual Meteorological Conditions.

  • 5. De beschikbare invliegrichtingen zijn 104o en 254o naar Final Approach and Take-off area (FATO). De beschikbare uitvliegrichtingen zijn 74o en 284o naar Final Approach and Take-off area (FATO).

Artikel 5.2.2.2.6

Binnen 4 weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan Gedeputeerde Staten een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.

Hoofdstuk 6. Toezicht en strafbepaling

99

Titel 6.1. Handhaving

Artikel 6.1.1. Aanwijzing toezichthouders

Gedeputeerde Staten kunnen personen aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

Artikel 6.1.2. Strafbepaling

Een gedraging in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1.1.2, paragraaf 3.2.1, paragraaf 3.2.2 en paragraaf 3.2.3 van deze verordening is een strafbaar feit.

Hoofdstuk 7. Ontheffing

100

Titel 7.1. Algemene bepalingen inzake ontheffingen

Artikel 7.1.1.

  • 101

  • 1. Van de bepalingen van deze verordening kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing verlenen voor zover dit is aangegeven en met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk.

  • 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag tot het geven van een ontheffing en van de beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing.

  • 3. Een ontheffing kan slechts worden aangevraagd door de gemeenteraad tenzij anders is bepaald.

Artikel 7.1.2.

102

Gedeputeerde Staten houden bij de beslissing op de aanvraag om ontheffing als bedoeld in hoofdstuk 2 in ieder geval rekening met de geldende provinciale structuurvisies, als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 7.1.3.

103

Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing indien door het stellen van beperkingen of voorschriften niet voldoende kan worden tegemoetgekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.

Artikel 7.1.4.

104

Een ontheffing van een bepaling van deze verordening kan in het belang dat beschermd wordt door die bepaling, onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing worden de voorschriften verbonden, die ter bescherming van dat belang nodig zijn.

Artikel 7.1.5.

  • 105

  • 1. Op aanvraag van de gemeenteraad kunnen Gedeputeerde Staten beperkingen waaronder de ontheffing is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan de ontheffing verbinden.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen – anders dan op aanvraag van de gemeenteraad – beperkingen waaronder een ontheffing is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een ontheffing verbinden in het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend.

Artikel 7.1.6.

  • 106

  • Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

  • a. de wijze van het gebruik van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen blijkt te hebben voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing is verleend;

  • b. Binnen een periode van twee jaar te rekenen van de datum van de ontheffing geen bestemmingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van de ontheffing.

Artikel 7.1.7.

Met betrekking tot de totstandkoming van een besluit op grond van artikel 7.1.6 zijn de artikelen 7.1.2 tot en met 7.1.4 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.1.8.

  • 107

  • Een aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval:

  • a. een beschrijving van de redenen waarom de ontheffing wordt gevraagd;

  • b. een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd;

  • c. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waarop de ontheffing betrekking heeft.

Artikel 7.1.9.

108

Gedeputeerde Staten stellen de raad van de naburige gemeenten alsmede het waterschap waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd gevolgen kan hebben, in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van die aanvraag om ontheffing respectievelijk over het voornemen een besluit te nemen op grond van artikel 7.1.1.

Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen

109

Titel 8.1. Overgangsrecht

Artikel 8.1.1. Overgangsrecht beschikkingen

110

1. Vergunningen en ontheffingen die zijn verleend onder de werking van de Verordening op de Fysieke leefomgeving Overijssel en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening, worden aangemerkt als vergunningen en ontheffingen krachtens deze verordening.

Artikel 8.1.2. Intrekking Verordening Fysieke Leefomgeving Overijssel

  • 111

  • 1. De Verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel en de hierop gebaseerde uitvoeringsbesluiten worden ingetrokken met uitzondering van:

    • a.

      hoofdstuk 4, paragraaf 1 (grondwateronttrekking) met het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit;

    • b.

      hoofdstuk 6, de artikelen 6.1 en 6.2, lid 1 en lid 2 (toezichthouders en strafbepalingen);

    • c.

      hoofdstuk 5, paragraaf 2 (scheepvaartwegen).

  • 2. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Waterwet worden de onderdelen a tot en met c van het eerste lid alsnog ingetrokken, met uitzondering van bijlage bij hoofdstuk 5, paragraaf 2.2, dagen en tijden, waarop de sluizen in en de bruggen over de provinciale vaarwegen voor de scheepvaart worden bediend.

  • 3. Ingetrokken worden:

    • • Verordening op de waterhuishouding 2002;

    • • Verordening waterkering Noord-Nederland.

Titel 8.2. Overgangsrecht hoofdstuk 2

Artikel 8.2.1. Overgangsrecht hoofdstuk ruimtelijke ordening

  • 112

  • 1. Het bepaalde in hoofdstuk 2 is niet van toepassing op ontwerpbestemmingsplannen die ter visie zijn gelegd maar nog niet zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding van deze verordening, voor zover daarover door de provinciale diensten positief is geadviseerd. 113

  • 2. De verplichting tot aanpassing van onherroepelijke bestemmingsplannen na 1 jaar zoals bedoeld in artikel 4.1, lid 2 Wro, is niet van toepassing indien de wijziging geen ander doel heeft dan aanpassing van de toelichting op het plan aan het bepaalde in hoofdstuk 2. 114

Artikel 8.2.2. Overgangsrecht EHS

  • 115

  • 1. Voor bestemmingsplannen die betrekking hebben op de Ecologische Hoofdstructuur zoals begrensd op basis van artikel 2.7.2 en die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening al langer dan 5 jaar onherroepelijk zijn, geldt in afwijking van de termijn in artikel 4.1, lid 2 Wro een termijn van 2 jaar voor aanpassing aan het gestelde in deze verordening.

  • 2. Voor bestemmingsplannen die betrekking hebben op de Ecologische Hoofdstructuur zoals begrensd op basis van artikel 2.7.2. en die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening korter dan 5 jaar onherroepelijk zijn, geldt in afwijking van de termijn in artikel 4.1, lid 2 Wro een termijn van 10 jaar na het onherroepelijk worden van deze bestemmingsplannen.

  • 3. Een besluit tot verlenging van de periode van tien jaar als bedoeld in artikel 3.1, lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening wordt niet genomen indien de in het bestemmingsplan aangewezen bestemmingen en de met het oog daarop gegeven regels geen of onvoldoende waarborgen bieden voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het betrokken gebieden die aangewezen zijn als EHS.

Titel 8.3. Inwerkingtreding

Artikel 8.3.1.

  • 116

  • 1. De geactualiseerde Omgevingsverordening zoals vastgesteld op 3 juli 2013 treedt in werking op 1 september 2013.

  • 2. [vervallen]

Titel 8.4. Citeertitel

Artikel 8.4.1.

117

Deze verordening kan worden aangehaald als: Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2013.

Titel 8.5 Actualisatie Omgevingsverordening - wijzigingsbevoegdheid bij kennelijke onjuistheden in teksten en kaartmateriaal

Artikel 8.5.1 Kennelijke onvolkomenheden

Gedeputeerde staten zijn bevoegd om kennelijke onjuistheden in de tekst van deze verordening en de kaarten die bij de verordening horen - en de digitale verbeelding daarvan - te corrigeren. 118

Bijlage 1 Lijst van specifieke regelingen in relatie tot de EHS

- Algemene eisen en generieke maatregelen ter zake van milieu-, water- en natuurkwaliteit die niet specifiek voor de EHS in het leven zijn geroepen maar wel bijdragen aan versterking daarvan.

- Natuurkwaliteit zoals vastgelegd in de natuurdoeltypenkaart van het natuurgebiedplan en de natuurdoelenkaart Overijssel waaronder ook de beheers- en uitvoeringsmaatregelen hieruit voorvloeiend (Gegadigdenkaart –grondaankopen-, probleemgebieden). Deelname aan dit instrumentarium is vrijwillig. 

- Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR): beoordeling op gebieden van communautair belang (liggen in de PEHS) en op soorten (geïmplementeerd in de Flora- en faunawet). Dit regime kent o.m. een compensatieplicht. 

- Natuurbeschermingswet: beoordeling op gebieden. Deels VHR- geïmplementeerd. Beschermde natuurmonumenten (liggen in de PEHS) is aparte categorie. Ook dit regime kent een eigen compensatieplicht. 

- Flora- en faunawet: art. 75 geeft een ontheffing/vergunningplicht voor plan- en projectbeoordelingen op soorten. Dit regime kent een eigen compensatieplicht. 

- Wet milieubeheer en besluit MER, ligging in nabijheid van kwetsbare natuur (Wav- en Natura 2000-gebieden) vraagt in de omgevingstoets om een nadere uitwerking.

- Wet ammoniak en veehouderij: aanwijzen van zeer kwetsbare gebieden (voor verzuring gevoelige gebieden in de PEHS). Dit regime kent een specifiek zoneringsbeleid.

- Geur/stank, nitraat fosfaat: NEC-richtlijn, IPPC, Wet geurhinder etc. Individuele beoordeling waarbij lokale milieuomstandigheden in verband met ligging nabij kwetsbare natuur (Wav- en Natura 2000-gebieden) om een extra afweging kan vragen.

- Reconstructiewet: in het Reconstructieplan is de EHS voor de zonering (extensiveringsgebieden) een van de elementen geweest.

- Boswet: verbod op kappen, vellen en dunnen van houtopstanden. Dit regime kent een eigen herplant- en compensatieplicht.

bijlage 2.1 Niet-limitatieve lijst met schadelijke stoffen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Niet-limitatieve lijst met schadelijke stoffen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.1, paragraaf 3.1.1, artikel 3.1.1.1, onder u van de Omgevingsverordening Overijssel.

  • o Organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit dergelijke verbindingen kunnen ontstaan.

  • o Organische fosforverbindingen.

  • o Organische tinverbindingen.

  • o Organische siliciumverbindingen die toxisch of persistent zijn en stoffen waaruit dergelijke verbindingen kunnen ontstaan, met uitzondering van die welke biologisch onschadelijk zijn of die snel worden omgezet in onschadelijke stoffen.

  • o Anorganische fosforverbindingen en elementair fosfor.

  • o Cyaniden.

  • o Chloriden, bromiden, fluoriden.

  • o Sulfaten.

  • o Ammoniak, nitrieten en nitraten.

  • o Minerale oliën en koolwaterstoffen.

  • o De volgende metalloïden en metalen alsmede verbindingen daarvan:

    • -

      kwik

    • -

      cadmium

    • -

      lood

    • -

      arsenicum

    • -

      antimoon

    • -

      tin

    • -

      beryllium

    • -

      uranium

    • -

      thallium

    • -

      tellurium

    • -

      zilver

    • -

      zink

    • -

      koper

    • -

      nikkel

    • -

      chroom

    • -

      selenium

    • -

      molybdeen

    • -

      borium

    • -

      vanadium

    • -

      kobalt

    • -

      barium

    • -

      titaan

  • o Stoffen die een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben.

  • o Stoffen met een schadelijke werking op de smaak en/of geur van het grondwater alsmede verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het water kunnen ontstaan en die het water ongeschikt voor menselijke consumptie maken.

  • o Biociden en derivaten daarvan.

Bijlage 2.2 Lijst met verboden inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

Categorieën van inrichtingen als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.1, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel.

(Bedrijven met een bodemindex B volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering", VNG, editie 2009).

Gebruikte afkortingen:

p.c.: productiecapaciteit

p.o.: productieoppervlak

v.c.: verwerkingscapaciteit

n.e.g.: niet elders genoemd

b.o.: bedrijfsoppervlak

o.c.: opslagcapaciteit 

Lijst met verboden inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

SBI-2008 

Nr. 

Omschrijving 

01

LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW

011,012,013

Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)

011,012,013,016

0

Tuinbouw:

011,012,013

1

- bedrijfsgebouwen

011,012,013

2

- kassen zonder verwarming

011,012,013

3

- kassen met gasverwarming

0113

4

- champignonkwekerijen (algemeen)

0113

5

- champignonkwekerijen met mestfermentatie

0163

6

- bloembollendroog- en prepareerbedrijven

06

AARDOLIE- EN AARDGASWINNING

061,062

0

Aardolie- en aardgaswinning:

061

1

- aardoliewinputten

062

2

- aardgaswinning incl. gasbeh.inst.:< 10.000.000 N m³/dag

062

3

- aardgaswinning incl. gasbeh.inst.>= 10.000.000 N m³/dag

08

WINNING VAN ZAND, GRIND, KLEI, ZOUT, E.D.

0893

Zoutwinningbedrijven

10,11

VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN

104101

0

Vervaardiging van ruwe plantaardige en dierlijke oliën en vetten:

1041011

1

- p.c. < 250.000 t/jaar

104101

2

- p.c. >= 250.000 t/jaar

104102

0

Raffinage van plantaardige en dierlijke oliën en vetten:

104102

1

- p.c. < 250.000 t/jaar

104102

2

- p.c. >= 250.000 t/jaar

1042

0

Margarinefabrieken:

1042

2

- p.c. >= 250.000 t/jaar

1081

0

Suikerfabrieken:

1081

1

- v.c. < 250.000 t/jaar

1081

2

- v.c. >= 250.000 t/jaar

110102

0

Vervaardiging van ethylalcohol door gisting:

110102

2

- p.c. >= 5.000 t/jaar

13

VERVAARDIGING VAN TEXTIEL

133

Textielveredelingsbedrijven

1393

Tapijt-, kokos- en vloermattenfabrieken

14

VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT

142,151

Bereiden en verven van bont; vervaardiging van artikelen van bont

15

VERVAARDIGING VAN LEER EN LEDERWAREN (EXCL. KLEDING)

151,152

Lederfabrieken

16

HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING VAN ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D.

16102

0

Houtconserveringsbedrijven:

16102

1

- met creosootolie

16102

2

- met zoutoplossingen

1621

Fineer- en plaatmaterialenfabrieken

58

UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA

1811

Drukkerijen van dagbladen

1812

Drukkerijen (vlak- en rotatie-diepdrukkerijen)

18129

Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen

1813

Grafische reproduktie en zetten

1814

Overige grafische aktiviteiten

19

AARDOLIE-/STEENKOOLVERWERK.IND.; BEWERKING SPUIT-/KWEEKSTOFFEN

191

Cokesfabrieken

19201

Aardolieraffinaderijen

19202

A

Smeeroliën- en vettenfabrieken

19202

B

Recyclingbedrijven voor afgewerkte olie

19202

C

Aardolieproduktenfabrieken n.e.g.

201,212,244

Splijt- en kweekstoffenbewerkingsbedrijven

20

VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUKTEN

2012

Kleur- en verstoffenfabrieken

2012

0

Anorg. chemische grondstoffenfabrieken:

2012

1

- niet vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'

2012

2

- vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'

20141

A0

Organ. chemische grondstoffenfabrieken:

20141

A1

- niet vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'

20141

A2

- vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'

20141

B0

Methanolfabrieken:

20141

B1

p.c. < 100.000 t/jaar

20141

B2

p.c. >= 100.000 t/jaar

20149

0

Vetzuren en alkanolenfabrieken (niet synth.):

20149

1

p.c. < 50.000 t/jaar

20149

2

p.c. >= 50.000 t/jaar

2015

Kunstmeststoffenfabrieken

2016

Kunstharsenfabrieken e.d.

202

0

Landbouwchemicaliënfabrieken:

202

1

- fabricage

202

2

- formulering en afvullen

203

Verf-, lak- en vernisfabrieken

2110

0

Farmaceutische grondstoffenfabrieken:

2110

1

productiecap. < 1.000 t/jaar

2110

2

productiecap. >= 1.000 t/jaar

2120

0

Farmaceutische produktenfabrieken:

2120

1

- formulering en afvullen geneesmiddelen

2041

Zeep-, was- en reinigingsmiddelenfabrieken

2051

Kruit-, vuurwerk- en springstoffenfabrieken

2052

0

Lijm- en plakmiddelenfabrieken:

1

- zonder dierlijke grondstoffen

2

- met dierlijke grondstoffen

205902

Fotochemische produktenfabrieken

205903

A

Chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken

205903

B

Overige chemische produktenfabrieken n.e.g.

2060

Kunstmatige synthetische garen- en vezelfabrieken

22

VERVAARDIGING VAN PRODUKTEN VAN RUBBER EN KUNSTSTOF

221101

Rubberbandenfabrieken

221102

0

Loopvlakvernieuwingsbedrijven:

2

- vloeropp. >= 100 m2

222

0

Kunststofverwerkende bedrijven:

222

2

- met fenolharsen

23

VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUKTEN

2351

0

Cementfabrieken:

2351

2

- p.c. >= 100.000 t/jaar

235202

0

Gipsfabrieken:

235202

2

- p.c. >= 100.000 t/jaar

23611

0

Betonwarenfabrieken:

23611

1

- zonder persen, triltafels en bekistingstrillers

23611

2

- met persen, triltafels of bekistingstrillers, p.c. < 100 t/dag

23611

3

- met persen, triltafels of bekistingstrillers, p.c. >= 100 t/dag

2365,2369

0

Vervaardiging van produkten van beton, (vezel)cement en gips:

2365,2369

2

- p.c. >= 100 t/dag

2399

A0

Bitumineuze materialenfabrieken

2399

A1

- p.c. < 100 t/uur

2399

A2

- p.c. >= 100 t/uur

2399

D0

Asfaltcentrales: p.c. < 100 ton/uur

2399

D1

- asfaltcentrales, p.c. >= 100 ton/uur

24

VERVAARDIGING VAN METALEN

241

0

Ruwijzer- en staalfabrieken:

241

1

- p.c. < 1.000 t/jaar

241

2

- p.c. >= 1.000 t/jaar

245

0

IJzeren- en stalenbuizenfabrieken:

245

1

- p.o. < 2.000 m2

245

2

- p.o. >= 2.000 m2

243

0

Draadtrekkerijen, koudbandwalserijen en profielzetterijen:

243

2

- p.o. >= 2.000 m2

244

A0

Non-ferro-metaalfabrieken:

244

A1

- p.c. < 1.000 t/jaar

244

A2

- p.c. >= 1.000 t/jaar

244

B0

Non-ferro-metaalwalserijen, -trekkerijen e.d.:

244

B1

- p.o. < 2.000 m2

244

B2

- p.o. >= 2.000 m2

2451,2452

0

IJzer- en staalgieterijen/-smelterijen:

2451,2452

1

- p.c. < 4.000 t/jaar

2451,2452

2

- p.c. >= 4.000 t/jaar

2453,2454

0

Non-ferro-metaalgieterijen/-smelterijen:

2435,2454

1

- p.c. < 4.000 t/jaar

2453,2454

2

- p.c. >= 4.000 t/jaar

25,31

VERVAARD. EN REPARATIE VAN PRODUKTEN VAN METAAL (EXCL. MACH./TRANSPORTMIDD.)

251,331

0

Constructiewerkplaatsen:

251,331

1

- gesloten gebouw

251,331

2

- in open lucht, p.o. < 2.000 m2

251,331

3

- in open lucht, p.o. >= 2.000 m2

2529,3311

0

Tank- en reservoirbouwbedrijven:

2529,3311

1

- p.o. < 2.000 m2

2529,3311

2

- p.o. >= 2.000 m2

2521,2530,3311

Vervaardiging van verwarmingsketels, radiatoren en stoomketels

255,331

A

Stamp-, pers-, dieptrek- en forceerbedrijven

255,331

B

Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d.

255,331

B1

Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d., p.o. < 200 m2

2561,3311

0

Metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven:

2561,3311

1

- algemeen

2561,3311

10

- stralen

2561,3311

11

- metaalharden m2

2561,3311

12

- lakspuiten en moffelen

2561,3311

2

- scoperen (opspuiten van zink)

2561,3311

3

- thermisch verzinken

2561,3311

4

- thermisch vertinnen

2561,3311

5

- mechanische oppervlaktebehandeling (slijpen, polijsten)

2561,3311

6

- anodiseren, eloxeren

2561,3311

7

- chemische oppervlaktebehandeling

2561,3311

8

- emailleren

2561,3311

9

- galvaniseren (vernikkelen, verchromen, verzinken, verkoperen e.d.)

2562,3311

1

Overige metaalbewerkende industrie

2562,3311

2

Overige metaalbewerkende industrie, inpandig, p.o. < 200 m2

259,331

A0

Grofsmederijen, anker- en kettingfabrieken:

259,331

A1

- p.o. < 2.000 m2

259,331

A2

- p.o. >= 2.000 m2

259,331

B

Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.

259,331

B

Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.; inpandig, p.o. < 200 m2

27,28,33

VERVAARDIGING VAN MACHINES EN APPARATEN

27,28,33

0

Machine- en apparatenfabrieken incl. reparatie:

27,28,33

1

- p.o. < 2.000 m2

27,28,33

2

- p.o. >= 2.000 m2

28,33

3

met proefdraaien verbrandingsmotoren >= 1 MW

26,27,33

VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKTR. MACHINES, APPARATEN EN BENODIGDHEDEN

271,331

Elektromotoren- en generatorenfabrieken incl. reparatie

271,273

Schakel- en installatiemateriaalfabrieken

272

Accumulatoren- en batterijenfabrieken

274

Lampenfabrieken

2790

Koolelektrodenfabrieken

26,33

VERVAARDIGING VAN AUDIO-, VIDEO-, TELECOMAPPARATEN EN BENODIGDHEDEN

261,263,264,331

Vervaardiging van audio-, video, en telecomapparatuur e.d. incl. reparatie

2612

Fabrieken voor gedrukte bedrading

29

VERVAARDIGING VAN AUTO'S, AANHANGWAGENS EN OPLEGGERS

291

0

Autofabrieken en assemblagebedrijven:

291

1

- p.o. < 10.000 m2

291

2

- p.o. >= 10.000 m2

29201

Carrosseriefabrieken

29202

Aanhangwagen- en opleggerfabrieken

30

VERVAARDIGING VAN TRANSPORTMIDDELEN (EXCL. AUTO'S, AANHANGWAGENS)

301,3315

0

Scheepsbouw- en reparatiebedrijven:

301,3315

1

- houten schepen

301,3315

2

- kunststof schepen

301,3315

3

- metalen schepen < 25 m

301,3315

4

- metalen schepen >= 25 m en/of proefdraaien motoren >= 1 MW

3831

Scheepssloperijen

302,317

0

Wagonbouw- en spoorwegwerkplaatsen:

302,317

1

- algemeen

302,317

2

- met proefdraaien van verbrandingsmotoren >= 1 MW

303,3316

0

Vliegtuigbouw- en reparatiebedrijven:

303,3316

1

- zonder proefdraaien motoren

303,3316

2

- met proefdraaien motoren

309

Rijwiel- en motorrijwielfabrieken

3099

Transportmiddelenindustrie n.e.g.

31

VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G.

310

1

Meubelfabrieken

321

Fabricage van munten, sieraden e.d.

38

VOORBEREIDING TOT RECYCLING

383201

Metaal- en autoshredders

383202

A0

Puinbrekerijen en -malerijen

383202

C

Afvalscheidingsinstallaties

35

PRODUKTIE EN DISTRIB. VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER

35

A0

Elektriciteitsproduktiebedrijven (electrisch vermogen >= 50 MWe):

35

A1

- kolengestookt (incl. meestook biomassa), thermisch vermogen > 75 MWth

35

A2

- oliegestookt, thermisch vermogen > 75 MWth

35

C0

Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen:

35

C1

- < 10 MVA

35

C2

- 10 - 100 MVA

35

C3

- 100 - 200 MVA

35

C4

- 200 - 1000 MVA

35

C5

- >= 1000 MVA

41,42,43

BOUWNIJVERHEID

41,42,43

0

Bouwbedrijven algemeen: b.o. > 2.000 m2

41,42,43

1

- bouwbedrijven algemeen: b.o. <= 2.000 m2

41,42,43

2

Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1.000 m2

41,42,43

3

- aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. <= 1.000 m2

45,47

HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BEZINESERVICE-STATIONS

451,452,454

Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven

45204

C

Autospuitinrichtingen

473

0

Benzineservicestations:

473

1

- met LPG > 1.000 m3/jaar

473

2

- met LPG < 1.000 m3/jaar

473

3

- zonder LPG

46

GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING

46711

0

Grth in vaste brandstoffen

46711

2

- kolenterminal, opslag opp. >= 2.000 m2

46712

0

Grth in vloeibare en gasvormige brandstoffen:

46712

1

- vloeistoffen, o.c. < 100.000 m3

46712

2

- vloeistoffen, o.c. >= 100.000 m3

46713

Grth minerale olieprodukten (excl. Brandstoffen)

46721

0

Grth in metaalertsen:

46721

1

46721

2

46751

Grth in chemische produkten

4677

0

Autosloperijen: b.o. > 1.000 m2

4677

1

- autosloperijen: b.o. <= 1.000 m2

4677

0

Overige groothandel in afval en schroot: b.o. > 1.000 m2

4677

1

- overige groothandel in afval en schroot: b.o. <= 1.000 m2

49

VERVOER OVER LAND

495

Pomp- en compressorstations van pijpleidingen

52

DIENSTVERLENING T.B.V. VERVOER

52241

0

Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. zeeschepen:

52241

2

- stukgoederen

52241

3

- ertsen, mineralen e.d., opslagopp. >= 2.000 m2

52241

5

- steenkool, opslagopp. >= 2.000 m2

52241

6

- olie, LPG, e.d.

52241

7

- tankercleaning

52242

0

Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart:

52242

10

- tankercleaning

52242

2

- stukgoederen

52242

3

- ertsen, mineralen e.d., opslagopp. < 2.000 m2

52242

4

- ertsen, mineralen e.d., opslagopp. >= 2.000 m2

52242

7

- steenkool, opslagopp. < 2.000 m2

52242

8

- steenkool, opslagopp. >= 2.000 m2

52242

9

- olie, LPG, e.d.

5223

A

Luchthavens

77

VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN

773

Verhuurbedrijven voor machines en werktuigen

63,69t/m71,73

OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING

74,77,78

80t/m82

812

Reinigingsbedrijven voor gebouwen

74203

Foto- en filmontwikkelingscentrales

84

OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN, SOCIALE VERZEKERINGEN

8422

Defensie-inrichtingen

37,38,39

MILIEUDIENSTVERLENING

381

B

Gemeentewerven (afvalinzameldepots)

381

C

Vuiloverslagstations

382

A0

Afvalverwerkingsbedrijven:

382

A2

- kabelbranderijen

382

A5

- oplosmiddelterugwinning

382

A6

- afvalverbrandingsinrichtingen, thermisch vermogen > 75 MW

382

A7

- verwerking fotochemisch en galvano-afval

382

C0

Composteerbedrijven:

382

C1

- niet-belucht v.c. < 5.000 ton/jaar

382

C2

- niet-belucht v.c. < 5.000 tot 20.000 ton/jaar

382

C3

- belucht v.c. < 20.000 ton/jaar

382

C4

- belucht v.c. > 20.000 ton/jaar

382

C5

- GFT in gesloten gebouw

59

CULTUUR, SPORT EN RECREATIE

931

B

Skelter- en kartbanen, open lucht, < 8 uur/week in gebruik

931

C

Skelter- en kartbanen, open lucht,>= 8 uur/week in gebruik

931

D

Autocircuits, motorcrossterreinen e.d., < 8 uur/week in gebruik

931

E

Autocircuits, motorcrossterreinen e.d., >= 8 uur/week in gebruik

932

G

Jachthavens met diverse voorzieningen

96

OVERIGE DIENSTVERLENING

96012

Chemische wasserijen en ververijen

OPSLAGEN

3.0

Brandbare vloeistoffen (in tanks):

3.1

- ondergronds, K1/K2/K3-klasse

3.2

- bovengronds, K1/K2-kl.: < 10 m3

3.3

- bovengronds, K1/K2-kl.: 10 - 1000 m3

3.4

- bovengronds, K3-klasse: < 10 m3

3.5

- bovengronds, K3-klasse: 10 - 1000 m3

10.0

Gier/drijfmest (gesloten opslag):

10.1

- oppervlakte < 350 m2

10.2

- oppervlakte 350 - 750 m2

10.3

- oppervlakte >= 750 m2

INSTALLATIES

28

vatenspoelinstallaties

31.0

Stookinstallaties > 900 kW thermisch vermogen:

31.6

- olie >= 75 MW

35

Motorbrandstofpompen zonder LPG

Bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Voorschriften voor inrichtingen, waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones, als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.1, artikel 3.2.1.3; paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.3 en paragraaf 3.2.3, artikel 3.2.3.3 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones, als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.1, artikel 3.2.1.2; paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.2 en paragraaf 3.2.3, artikel 3.2.3.2 van de Omgevingsverordening Overijssel.

3A Begripsbepalingen

  • In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • a. AS 6700:  Accreditatieschema Inspectie van vloeistofdichte voorzieningen, AS SIKB 6700, versie 1.0, uitgave juni 2011 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer;

  • b. CUR/PBV: Stichting civieltechnisch centrum uitvoering, research en regelgeving/projectbureau Plan Bodembeschermende Voorzieningen;

  • c. CUR/PBV-Aanbeveling 51: CUR/PBV-Aanbeveling 51 Milieutechnische ontwerpcriteria voor bedrijfsriolering,  uitgave augustus 1997;

  • d. CUR/PBV Rapport 2001-3: CUR/PBV Rapport 2001-3 Beheer bedrijfsriolering bodembescherming, uitgave 2001;

  • e. PGS:    Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen;

  • f. PGS 15:      Richtlijn PGS 15, getiteld ‘Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen', zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 15: 2005 (6-2005) en de errata van 28 juni 2005, 4 oktober 2007, 7 januari 2008, 3 april 2008, 15 mei 2008, 25 juni 2008, 15 september 2008, 21 november 2008, 11 december 2008 en 12 december 2008;

  • g. PGS 28:  Richtlijn PGS 28, getiteld ‘Vloeibare aardolieproducten, Afleverinstallaties en ondergrondse opslag', zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 28: 2000 (3-2005);

  • h. PGS 30:  Richtlijn PGS 30, getiteld ‘Vloeibare aardolieproducten, Buitenopslag in kleine installaties', zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 30: 1999 versie 0.1 (2-2009).

3b Aanwijzing van categorieën van gevallen, beperkingen en voorschriften, afwijkingen en nadere eisen

Nr.  

CATEGORIEEN VAN GEVALLEN

BEPERKINGEN EN VOORSCHRIFTEN

inhoudende de verplichting:

AFWIJKINGEN EN

NADERE EISEN 

Activiteiten in waterwingebieden en

grondwaterbeschermingsgebieden

 1.

zorgplicht

1.  dat ieder die in een milieubeschermingsgebied met de functie waterwinning binnen een inrichting gedragingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat daardoor het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning kan worden geschaad, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die schade te voorkomen. Indien die schade niet kan worden voorkomen moet hij deze zoveel mogelijk beperken en ongedaan maken.

2.  dat ingeval van een verontreiniging of van een dreigende verontreiniging van bodem of grondwater, tot de maatregelen als bedoeld in voorschrift 1 in ieder geval behoort dat degene die de bedoelde gedragingen verricht of nalaat, terstond het bevoegd gezag en de betrokken grondwateronttrekker informeert.

 2.

het op- en overslaan van

vloeibare en vaste

schadelijke stoffen en

vloeibare en vaste

afvalstoffen in emballage

de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen als bedoeld in PGS 15.

 3.

het op- en overslaan van

vaste schadelijke stoffen

en vaste afvalstoffen anders

dan in emballage 

1. dat voorzieningen dienen te worden aangebracht welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen en dat een regelmatige controle wordt uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van deze voorzieningen;

2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig dienen te worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen.

Bij bestaande en nieuwe

opslag in silo's, kelders

of vergelijkbare inpandige

vloeistofdichte constructies

(ter beoordeling van het

bevoegd gezag), is

voorschrift 2 niet van

toepassing. 

 4.

het op- en overslaan van 

vloeibare aardolie-

producten in ondergrondse

tanks 

1. extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen, zoals die in hoofdstuk 11 van PGS 28 zijn aangegeven;

2. de maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in paragraaf 6.6 en paragraaf 7.8 van PGS 28 zijn aangegeven;

3. dat het onklaar maken of verwijderen van de tank geschiedt overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit en dat het onklaar maken of verwijderen ten minste tien dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk wordt gemeld aan het bevoegd gezag.

Voorschrift 2 is niet van

toepassing indien aan de

tank een afleverinstallatie

met een doorzet van

10.000 liter of minder per

jaar is verbonden.

In dat geval dient

voorschrift 4.3.10 van 

PGS 30 te worden opgenomen.

 5.

het op- en overslaan van

vloeibare schadelijke

stoffen (niet zijnde

vloeibare aardolieproducten)

en vloeibare afvalstoffen

in ondergrondse tanks 

1. de bodem te monitoren op de aanwezigheid van de stoffen die zijn opgeslagen, door het nemen van grondwatermonsters overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument.

2. de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen die in PGS 28 zijn aangegeven;

3. dat het onklaar maken of verwijderen van de tank geschiedt overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit en dat het onklaar maken of verwijderen ten minste tien dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk wordt gemeld aan het bevoegd gezag.

 6.

het op- en overslaan

van vloeibare

aardolieproducten in

bovengrondse tanks 

1. extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen, zoals die in paragraaf 4.7 van PGS 30 zijn aangegeven.

2. dat het onklaar maken of verwijderen van de tank geschiedt overeenkomstig voorschrift 4.5.9 van PGS 30 en dat het onklaar maken of verwijderen ten minste tien dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk wordt gemeld aan het bevoegd gezag.

In afwijking van voorschrift 1

zijn de voorschriften 4.7.4 en

4.7.5 van PGS 30 niet van

toepassing indien aan de tank

een afleverinstallatie met een

doorzet van 10.000 liter of

minder per jaar is verbonden.

In dat geval dient voorschrift

4.3.10 van PGS 30 te worden opgenomen.

 7.

het op- en overslaan van

vloeibare schadelijke

stoffen (niet zijnde vloeibare

aardolieproducten) en

vloeibare afvalstoffen in

bovengrondse tanks

1. extra bodembeschermende maatre¬ge¬len en voorzieningen te treffen zoals die in hoofdstuk 4, voorschriften 4.7.2 en 4.7.3 van PGS 30 zijn aangegeven;

2. dat het onklaar maken of verwijderen van de tank geschiedt overeenkomstig voorschrift 4.5.9 van PGS 30 en dat het onklaar maken of verwijderen ten minste tien dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk wordt gemeld aan het bevoegd gezag.

 8.

het op - en overslaan van

vloeibare dierlijke mest

dat mestfoliebassins en mestzakken dienen te worden uitgevoerd

met een dubbele onderfolie, tussen de folies een drainagesysteem

dient te zijn aangebracht die aansluit op een inspectieput met als

doelen een regelmatige controle op het functioneren van de

voorziening en ontgassing van de ondergrond

in waterwingebieden

is deze activiteit niet

toegestaan

 9.

het op- en overslaan van

mestsoffen, niet zijnde

dierlijke mest

1. dat voorzieningen dienen te worden aangebracht welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen en dat een regelmatige controle wordt uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van deze voorzieningen;

2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen.

In waterwingebieden is

deze activiteit niet toegestaan. 

In grondwaterbeschermings

gebieden: indien de opslag

200 kilo of 1 m3 of minder is,

zijn de voorschriften niet van

toepassing.

 10.

 het opslaan van vaar-, vlieg-

of motorvoertuigen of

onderdelen daarvan

1. dat voorzieningen dienen te worden aangebracht welke

duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem

kunnen komen en dat een regelmatige controle wordt

uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van deze

voorzieningen;

2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig

worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen.

in waterwingebieden is

deze activiteit niet toegestaan

 11.

het gebruiken t.b.v. het

productieproces (in ruime zin)

van vloeibare aardolie

producten en andere

schadelijke stoffen 

1. dat voorzieningen dienen te worden aangebracht

welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen

in de bodem kunnen komen en dat een regelmatige

controle wordt uitgevoerd ten aanzien van het functioneren

van deze voorzieningen;

2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig

worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen.

 12.

Het tot stand brengen, hebben

of gebruiken van leidingen

t.b.v. het transport van

schadelijke stoffen, niet zijnde

afvalwater (productleidingen)

dat leidingen ten behoeve van het transport van

schadelijke stoffen, niet zijnde aardolieproducten en afvalwater,

zodanig worden aangelegd en onderhouden dat het gehele

stelsel duurzaam vloeistofdicht is en dat leidingen voor de

ingebruikname en vervolgens om de vijf jaar worden

geïnspecteerd op vloeistofdichtheid.

Indien het minder risicovolle

leidingen betreft, geldt met

betrekking tot de inspectie

een periode van 10 jaar.

 13.

Het tot stand brengen, hebben

of gebruiken van leidingen t.b.v.

het transport van afvalwater

(zoals bedrijfsriolering)

dat leidingen c.a. ten behoeve van het transport van afvalwater vloeistofdicht worden ontworpen overeenkomstig CUR/PBV Aanbeveling 51, worden onderhouden overeenkomstig CUR/PBV Rapport 2001-3 en worden geïnspecteerd op vloeistofdichtheid overeenkomstig AS 6700.

 14.

het tot stand brengen, hebben

of gebruiken van niet eerder

genoemde werken om schadelijke

stoffen te vervoeren, te bergen,

over te slaan of te storten

1. dat voorzieningen dienen worden aangebracht welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen en dat een regelmatige controle wordt uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van deze voorzieningen;

2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig dienen te worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen.

 15.

Het tot stand brengen, hebben

of gebruiken van wegen,

parkeerterreinen en andere terreinen

voor gemotoriseerd verkeer

1. terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer een aaneengesloten verharding hebben met bijvoorbeeld straatklinkers, asfalt of beton.

2. dat wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen ten behoeve van transportmaterieel, zoals vrachtwagens, tankauto's, bussen en dergelijke, of waar handelingen plaatsvinden met schadelijke stoffen moeten worden voorzien van een degelijke vloeistofdichte verharding;

3. dat wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer afwaterend liggen naar één of meer afvoerputten uitmondend op de riolering of een andere voorziening voor de inzameling of transport van afvalwater aangesloten op een doelmatig werkende zuiveringsvoorziening of een zuiveringstechnisch werk.'

4. dat de kwaliteit van het via een zuiveringsvoorziening te lozen afvloeiend hemelwater voldoet aan de streefwaarden voor ondiep grondwater zoals opgenomen in bijlage 1 bij de Circulaire  bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 3 april 2012.

5. dat een regelmatige controle wordt uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van voorzieningen en maatregelen.

Indien het gaat om een weg,

een parkeerplaats of een

ander terrein die openstaat

voor gemotoriseerd verkeer

die in beperkte mate wordt

gebruikt en waar geen

handelingen plaatsvinden

met schadelijke stoffen,

zijn de voorschriften 2 tot en

met 5 niet van toepassing. 

 16.

een lozing uitvoeren van

koelwater, afvalwater

en overige vloeistoffen

dat het niet is toegestaan een lozing op of in de bodem uit te voeren van koelwater, afvalwater en overige vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen.

Voor het lozen van afvloeiend

hemelwater afkomstig van

wegen,

parkeerterreinen of terreinen

voor gemotoriseerd verkeer

gelden de voorschriften als

bedoeld onder nr. 15.

 17.

het toepassen van

bouwstoffen, grond en

baggerspecie

1. dat geen IBC-bouwstoffen worden toegepast;

2. dat de toepassing van grond en baggerspecie in een werk slechts is toegestaan in de volgende gevallen:

a. bij toepassing op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie

1º de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel

2º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

b. bij toepassing in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie

1º de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel

2º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

c. met een omvang van meer dan 5.000 m3 indien wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie

1º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt bij een toepassing op of in de bodem;

2º de maximale waarden kwaliteitsklasse A niet overschrijdt bij een toepassing in oppervlaktewater;

d. indien sprake is van verspreiding van de baggerspecie uit een watergang, die vrijkomt bij regulier onderhoud, over de aan de watergang grenzende percelen met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen.

3. dat de eisen als bedoeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, paragraaf 1 en 2 van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn op voorschrift 2, onder c.

In waterwingebieden zijn toepassingen als bedoeld in de voorschriften 2a onder 2º, 2b onder 2º, 2c en 2d niet toegestaan en is voorschrift 3 niet van toepassing.

 18.

het verrichten van

mechanische ingrepen

in de bodem dieper dan

twee meter 

1. dat tijdens de mechanische ingreep geen verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan plaatsvinden;

2. dat de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende lagen na de ingreep niet groter is dan daarvoor;

3. dat zodanige voorzieningen moeten worden getroffen dat tijdens het gebruik en bij het tijdelijk niet gebruiken van het boorgat geen schadelijke stoffen via dit boorgat in de bodem kunnen komen;

4. dat bij het buiten gebruik stellen van een boorput of bij definitieve beëindiging van de werkzaamheden het ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afslui¬tend wordt aangevuld en geen verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan plaatsvinden.

5. dat aan de voorschriften 1 tot en met 4 in ieder geval wordt voldaan bij toepassing van de voorschriften in bijlage 5 bij de verordening.

 19.

het installeren van

bodemenergiesystemen

dat het niet is toegestaan een bodemenergiesysteem

te installeren

Activiteiten in boringsvrije zones

 20.

het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan:

50 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deven¬ter-Zutphenseweg te Deventer;

75 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones van de winning Engelse Werk te Zwolle;

5 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve te Enschede

50 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep

1. dat tijdens de mechanische ingreep geen verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan plaatsvinden;

2. dat de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende lagen na de ingreep niet groter is dan daarvoor;

3. dat zodanige voorzieningen moeten worden getroffen dat tijdens het gebruik en bij het tijdelijk niet gebruiken van het boorgat geen schadelijke stoffen via dit boorgat in de bodem kunnen komen;

4. dat bij het buiten gebruik stellen van een boorput of bij definitieve beëindiging van de werkzaamheden het ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afslui¬tend wordt aangevuld en geen verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan plaatsvinden.

5. dat aan de voorschriften 1 tot en met 4 in ieder geval wordt voldaan bij toepassing van de voorschriften in bijlage 5 bij de verordening. 

 21.

het installeren van een

bodemenergiesysteem in de

bodem op de wijze en in de

boringsvrije zones als bedoeld

in nr. 20

1. dat het niet is toegestaan een bodemenergiesysteem te installeren op de wijze zoals omschreven onder categorieën van gevallen, nr. 20.

2. dat het, in afwijking van voorschrift 1, is toegestaan een bodemenergiesysteem te installeren dieper dan 50 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep, indien op basis van een boring ter plaatse van de voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat de slecht doorlatende laag dieper ligt dan 50 meter. De activiteit kan worden uitgevoerd tot maximaal de diepte waarop de top van de slecht doorlatende laag is aangetroffen.

Degene die voornemens is de activiteit uit te voeren         binnen een niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting dient een ontheffing aan te vragen op grond van artikel 3.2.3.3, vijfde lid, van de verordening.

Degene die voornemens is de activiteit uit te voeren binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting doet  ten minste vier weken voor aanvang van de activiteit een melding aan het bevoegd gezag. Indien Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn, zijn de artikelen 3.2.5.1 en 3.2.5.2 van de verordening van toepassing. 

 22.

een lozing uitvoeren van 

koelwater, afvalwater en 

overige vloeistoffen, op de   

wijze en in de boringsvrije

zones als bedoeld in nr. 20

1. dat het niet is toegestaan een lozing op of in de bodem uit te voeren van koelwater, afvalwater en overige vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen, op de wijze zoals omschreven onder categorieën van gevallen, nr. 20.

2. dat het in afwijking van voorschrift 1 is toegestaan een lozing uit te voeren ten behoeve van een bodemenergiesysteem, als bedoeld in nr. 21, voorschrift 2.

Bijlage 4 Algemene voorschriften lozing afvloeiend hemelwater van wegen in grondwaterbeschermingsgebieden

Algemene voorschriften voor afvloeiend hemelwater afkomstig van wegen, spoorwegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken voor het verkeer alsmede van parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.7, tweede lid onder b van de Omgevingsverordening Overijssel

Doelvoorschriften:

  • 1. Voor het afvoeren van afvloeiend hemelwater afkomstig van verhardingen dienen zodanige maatregelen te worden genomen of voorzieningen te worden aangebracht dat deze vloeistoffen de bodem niet kunnen verontreinigen;

  • 2. Ten aanzien van het functioneren van voorzieningen en maatregelen, als bedoeld onder 1, moet een regelmatige controle worden uitgevoerd.

Aan doelvoorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1. het een weg, een parkeerplaats of een ander terrein die openstaat voor gemotoriseerd verkeer betreft, die in beperkte mate wordt gebruikt en waar geen handelingen plaatsvinden met schadelijke stoffen of

  • 2. het afvloeiend hemelwater afkomstig van een weg, een parkeerplaats of een ander terrein die openstaat voor gemotoriseerd verkeer wordt geloosd op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam buiten het grondwaterbeschermingsgebied of

  • 3. wordt aangetoond dat de opbouw van de bodem, waarop afvloeiend hemelwater afkomstig van een weg, een parkeerplaats of een ander terrein die openstaat voor gemotoriseerd verkeer wordt geloosd, zodanig is dat geen verontreiniging van de bodem en het grondwater is te verwachten, de kwaliteit van de bodem en van het grondwater periodiek wordt gecontroleerd en ingeval van verontreiniging gepaste maatregelen worden getroffen om die verontreiniging ongedaan te maken of

  • 4. wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer afwaterend liggen naar één of meer afvoerputten uitmondend op de riolering of een andere voorziening voor de inzameling of transport van afvalwater of uitmondend op een doelmatig werkend zuiveringstechnisch werk of een andere zuiveringsvoorziening. De kwaliteit van het via een zuiveringsvoorziening te lozen afvloeiend hemelwater voldoet aan de streefwaarden van ondiep grondwater zoals opgenomen in bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 3 april 2012.

Aan doelvoorschrift 2 wordt in elk geval voldaan indien:

  • 1. aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring een meetplan wordt overgelegd voor het controleren van de kwaliteit van de bodem en het grondwater als bedoeld in voorschrift 3.

  • 2. aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring een meetplan wordt overgelegd voor de toetsing van het correct functioneren van de zuiveringsvoorziening als bedoeld in voorschrift 4; dit plan geeft in elk geval informatie over het analyseprogramma.

Bijlage 5 Algemene voorschriften voor mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Algemene voorschriften voor mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.9, tweede lid onder c en artikel 3.2.3.4, derde lid, onder c van de Omgevingsverordening Overijssel

Doelvoorschriften:

  • 1. Tijdens de ingreep vindt geen verontreiniging van de bodem plaats of kan niet plaatsvinden;

  • 2. Na de ingreep is de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende lagen niet groter dan daarvoor;

  • 3. Er moeten zodanige voorzieningen worden getroffen dat tijdens het gebruik en bij het tijdelijk niet gebruiken van een boorgat geen schadelijke stoffen via dit boorgat in de bodem kunnen komen;

  • 4. Bij het buiten gebruik stellen van een pompput/peilbuis of bij beëindiging van de werkzaamheden wordt het ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afsluitend aangevuld en vindt geen verontreiniging van de bodem plaats of kan niet plaatsvinden.

  • Ten aanzien van boringen

Aan doelvoorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1. het voor de boring toe te passen werkwater of spoelwater van drinkwaterkwaliteit;

  • 2. voor het aanmaken van boorspoeling klei of bentoniet wordt toegepast. Het toepassen van andersoortige anorganische of organische hulpstoffen is niet toegestaan, uitgezonderd natriumhydroxide voor het reguleren van de zuurgraad;

  • 3. bassins, suppletiebakken en tanks voor de opslag van werkwater, spoelwater of boorspoeling geen schadelijke stoffen bevatten.

Aan doelvoorschrift 2 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1. de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen is vastgesteld aan de hand van een profielopname van de doorboorde grondkolom. Indien de boormethode dit onvoldoende nauwkeurig mogelijk maakt, wat bijvoorbeeld het geval is bij toepassing van spuit- of roterende boormethoden, dient het profiel door middel van een geofysisch boorgatonderzoek te worden vastgesteld;

  • 2. een boorgat zo spoedig mogelijk na het boren of tijdens het plaatsen van peilbuizen/putfilters wordt opgevuld. Daarbij dienen de slecht doorlatende lagen in het profiel van 0,5 m boven tot 0,5 m onder deze lagen te zijn afgedicht met klei, bijvoorbeeld expanderende of zwelklei.

Aan doelvoorschrift 3 wordt in ieder geval voldaan indien:

de in het boorgat geplaatste peilbuizen/putfilters aan de bovenzijde worden beschermd met afsluitbare straatpotten of putdeksels.

Aan doelvoorschrift 4 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1. peilbuizen en putfilters zo spoedig mogelijk na het buiten gebruik stellen van de put worden opgevuld. De zandvang en het filtergedeelte worden afgedicht met grof grindzand of grind;

  • 2. het boorgat en/of de buis van 0 tot 5 meter beneden het maaiveld wordt afgedicht met klei, bijvoorbeeld expanderende klei of zwelklei;

  • 3. de slecht doorlatende lagen in het profiel van 0,5 m boven tot 0,5 m beneden deze lagen worden afgedicht met zwelklei of expanderende klei. Indien een profielopname ontbreekt, moeten de peilbuizen en putfilters volledig worden opgevuld met deze klei;

  • 4. in het opvul- of afdichtingsmateriaal geen schadelijke stoffen voorkomen in concentraties boven de streefwaarden van grond zoals opgenomen in bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 3 april 2012.

  • Ten aanzien van grond- en funderingswerken:

Aan doelvoorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1. bij het toepassen van retourbemaling aan het terug te pompen water geen schadelijke stoffen worden toegevoegd;

  • 2. bij het injecteren in de bodem de te injecteren vloeistoffen niet schadelijk zijn;

  • 3. voor het inbrengen van palen worden gebruikt:

    • a.

      grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;

    • b.

      in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken;

    • c.

      boor- of schroefpalen, indien wordt aangetoond dat de paalsystemen genoemd onder a en b op de betreffende locatie niet toepasbaar zijn;

  • 4. voor het aanbrengen van een damwand of diepwand:

    • a.

      het materiaal van de damwand of diepwand geen verontreiniging van de bodem of het grondwater kan veroorzaken;

    • b.

      de gebruikte (dik)spoeling en vulvloeistoffen niet bestaan uit schadelijke stoffen, maar bijvoorbeeld uit bentoniet, kleicementmengsels of beton;

  • 5. voor het aanbrengen van een scherm:

    het materiaal van de platen, vliezen of folie niet bestaat uit schadelijke stoffen, maar bijvoorbeeld uit kunststoffolie HDPE al of niet in combinatie met bentoniet.

Aan doelvoorschrift 2 wordt in ieder geval voldaan indien:

de grond uit de ontgraving zoveel mogelijk op dezelfde plaats wordt teruggebracht in de ontgraving, zodat de slecht doorlatende bodemlagen die zijn doorboord, weer afsluitend en/of weerstandbiedend worden gemaakt.

Aan doelvoorschrift 4 wordt in ieder geval voldaan indien:

bij het verwijderen van een damwand, diepwand of scherm geen schadelijke stoffen worden toegepast.

Bijlage 6 Lijst van vaarwegen behorende bij de Waterverordening Overijssel

Lijst A

Naam vaarweg

Beheerder 

 1.

Vaarweg Beukers-Steenwijk (van het Meppelerdiep via het kanaal

Beukers-Steenwijk naar het kanaal Steenwijk-Ossenzijl)

prv Overijssel

 2.

Vaarweg Steenwijk-de Linde (van Steenwijk via het kanaal

Steenwijk-Ossenzijl en de Ossenzijlersloot naar de Linde)

prv Overijssel

 3.

Vaarweg mr. H.P. Linthorst Homansluis-Ossenzijlersloot (van de

Helomavaart via de Linde naar de Ossenzijlersloot)

prv Overijssel

 4.

Vaarweg Ossenzijlersloot-Schoterzijl (van de Ossenzijlersloot via de

Linde naar Kuinre-Nieuwe Kanaal-Tussenlinde-Worstsloot-Schoterzijl)

prv Overijssel

 5.

Vaarweg Giethoornse meer-kanaal Steenwijk-Ossenzijl (van vaarweg

nr. 7 via het Giethoornse meer, de Wetering, de Heuvengracht en de 

Kalenbergergracht naar vaarweg nr. 2)

prv Overijssel

 5a.

Vaarweg Valsche Trog-Wetering (van de Valsche Trog via het

Giethoornse meer naar de Wetering)

prv Overijssel

 6.

Vaarweg van kanaal Steenwijk-Ossenzijl naar de Wetering (van

vaarweg nr. 2 via het Steenwijkerdiep naar de Wetering)

prv Overijssel

 7.

Vaarweg Blauwe Hand-Blokzijl (keersluis)(van de Blauwe Hand via

het Beulakerwijde, de Walengracht, het Giethoornse meer, de Valsche

Trog, het Noorderdiep en de Havenkolk naar de keersluis  te Blokzijl) 

prv Overijssel

 8.

Vaarweg Zwartsluis-Walengracht (van het Zwartewater via de Whaa,

Arembergergracht, de Ronduite, het Beulakerwijde naar de Walengracht)

prv Overijssel

 9.

Vaarweg IJssel-Zwolsche Diep (van de IJssel via het Ganzendiep, de

Goot en het Scheepvaartgat naar het Zwolsche Diep) 

prv Overijssel

 10.

Giethoornse meer 

prv Overijssel

 11.

Beulakerwijde 

prv Overijssel

 12.

Belterwijde 

prv Overijssel

 77.

Kanaal Almelo-de Haandrik en het Overijsselse gedeelte van het

Coevorder-Vechtkanaal 

prv Overijssel

Lijst B

Locatie

Beheerder

13

Opvaart of vaart bij Pijlman

ws Reest en Wieden

14

Jurriesvaart

ws Reest en Wieden

15

Vaart bij Tietema

ws Reest en Wieden

16

Twaalf Dagmat

ws Reest en Wieden

17

Hamsgracht

ws Reest en Wieden

17a

Meentegat

ws Reest en Wieden

18

Bokvaart 

ws Reest en Wieden

19

Verlengde Bokvaart

ws Reest en Wieden

20

Heer van Diezenvaart 

ws Reest en Wieden

21

Roomsloot 

ws Reest en Wieden

22

Vaart bij Teunis Hoen 

ws Reest en Wieden

23

Bokvaart-Nijevaart 

ws Reest en Wieden

24

Hogewegsloot 

ws Reest en Wieden

25

Vlodder 

ws Reest en Wieden

26

Lokkenvaart 

ws Reest en Wieden

27

Moddergat 

ws Reest en Wieden

28

Vaart door Muggenbeet 

ws Reest en Wieden

29

Thijssengracht (ten westen van het kanaal Beukers-Steenwijk) 

ws Reest en Wieden

30

Thijssengracht (ten oosten van het kanaal Beukers-Steenwijk) 

Gem Steenwijkerland  

30a

Boksloot

Gem Steenwijkerland

31

Pinkesloot 

ws Reest en Wieden

32

Cornelisgracht 

Gem Steenwijkerland  

32a

Westelijke Vaart 

ws Reest en Wieden

33

Dwarsgracht 

Gem Steenwijkerland  

34

Vaartsloot 

ws Reest en Wieden

35

Bouwersgracht  

ws Reest en Wieden

36

Ettenlands Kanaal (ten oosten van de tonnen tot Vaartsloot)

ws Reest en Wieden

36a

De Korversgaten 

ws Reest en Wieden

37

Boschwijde 

ws Reest en Wieden

38

Schusloterwijde 

 ws Reest en Wieden 

39

Kleine Belterwijde 

ws Reest en Wieden

40

Diephoofd 

ws Reest en Wieden

41

Pikkersvaart 

ws Reest en Wieden

42

Verbinding Pikkersvaart 

ws Reest en Wieden

43

Schutsloot 

Gem Steenwijkerland  

44

Zandgracht 

ws Reest en Wieden

45

Dwarsheuven

ws Reest en Wieden

46

Schenkelvaart-noord (verbinding Dirkswijde-Mastenbroekerkolk)

ws Reest en Wieden

47

Verbinding Vossebelt-Venematen 

ws Reest en Wieden

48

Oostelijke Wetering 

ws Reest en Wieden

49

Garriet Geessen

ws Reest en Wieden

50

Schuine Vaart

ws Reest en Wieden

51

Baggervaart

ws Reest en Wieden

52

60 roe van het Svhuine tot Schutsloot

ws Reest en Wieden

53

Bartelsgat met vaart naar het Wijde

ws Reest en Wieden

54

Nederstouwe

ws Reest en Wieden

54a

Zuiderstouwe

ws Reest en Wieden

55

Noorderstouwe en Noordeinde

ws Reest en Wieden

56

Dorpsgracht

Gem Steenwijkerland

57

verbindingen Dorpsgracht-Bovenwijde (molenvaart, Smitsvaart,

Jan Balsvaart, Volkensvaart en Molsvaart)

Gem Steenwijkerland

58

Bovenwijde

Gem Steenwijkerland

58a

Vaart bij Woudsma

Gem Steenwijkerland

59

Meuleboezem (verbinding Molengat-Thijssengracht)

Gem Steenwijkerland

60

Jan Hoozengracht (tussen kanaal Beukers-Steenwijk en Dorpsgracht)

Gem Steenwijkerland

61

Paasloervaart

ws Reest en Wieden

61a

Klossegracht

ws Reest en Wieden

62

Hoosjesgracht

ws Reest en Wieden

63

Haagjesgracht

ws Reest en Wieden

64

Westelijke schutsloot

ws Reest en Wieden

65

Kerkgracht-Dwarssloot

ws Reest en Wieden

66

Molengracht

Gem Steenwijkerland

67

Bovenboersevaart

Gem Steenwijkerland

68

Zuidergracht

Gem Steenwijkerland

69

Zuideindigerwijde

ws Reest en Wieden

70

Mallegat 

ws Reest en Wieden

71

Hasselter stadsgrachten 

Gem Zwartewaterland

72

Zwartewater van Zwolle-IJsselkanaal tot Thorbeckegracht 

Gemeente Zwolle

73

Thorbeckegracht

Gemeente Zwolle

74

Almelo’s kanaal 

Gemeente Zwolle

75

Steenwijker Aa/Dolderkanaal 

ws Reest en Wieden

76

Kloostergracht (verbinding Dorpsgracht Giethoorn-Noord en ‘t Klooster 

Gem Steenwijkerland

78

Overijsselse Vecht (vanaf de Duitse grens tot en met de monding van

de rivier de Regge bij Ommen)

ws Velt en Vecht

79

Overijsselse Vecht (vanaf de monding van de rivier de Regge bij

Ommen tot aan de monding van het Zwarte Water)

ws Groot Salland 

Bijlage 7 Tabellen behorend bij artikel 2.6.3 (nadere uitwerking kernkwaliteiten nationale landschappen)

7A Nader uitgewerkte kernkwaliteiten nationaal landschap IJsseldelta

Kernkwaliteiten Landschap, cultuurhistorie, archeologie (volgens Omgevingsvisie Overijssel 2009)

Deelgebied

Hoofdkenmerken

Structuren

elementen

Polder Mastenbroek

Weidsheid 

geometrie

lange linten en weteringen

ontbrekende wegbeplanting

contrastrijke randen 

Boerderijen op terpen

Bajonetkruisingen

Kreken

Sloten

Kolken 

Kampereiland en de

buitenpolders

Mandjeswaard,

Polder de Pieper

en

zuiderzeepolder 

Openheid 

Reliëf

Onregelmatige vormen

Rivierarmen

Dijken

Kreken

Sloten

Kolken

Boerderijen op terpen

Rivierenlandschap 

Kleinschaligheid en

openheid 

Meanderende rivieren

Uiterwaarden'

Contrastrijke randen

Dijken

Historische kernen

Boerderijen

Kreken

Hanken

Rivierduinen

Kolken

Moeras 

Kernkwaliteit Natuur

Deelgebied 

Hoofdkenmerken

Waardevolle leefgebieden

Polder

Mastenbroek 

Veen- en kleibodem

Rust door geringe

ontsluiting

Ligging tussen

IJssel en Zwarte

Water

Graslanden

Rieten (kreken)

Sloten

Dijken

Kolken

Met bijzondere planten en dieren als:

- Zwanebloem

- Grutto (bv), purperreiger (vz), kolgans, kleine zwaan (wg)

- Goudplevier en watersnip (dt)

- 8 soorten (Hrl) zoogdieren

- Heidekikker (Rls)

- Grote en keine modderkruiper en bittervoorn (Hrl-vissen in sloten)

Kampereiland en

de buitenpolders

Mandjeswaard,

Polder de Pieper

en

Zuiderzeepolder 

Ligging langs

Zwarte Meer

Rust door geringe

ontsluiting

Graslanden

Kreken

Sloten

Wegbermen

Met bijzondere planten en dieren als:

- Eebies, veldgerst, zilte greppelrus

- Grutto (bv), kolgans en grauwe gans (wg), goudplevier

Rivierenlandschap

Overstromingen,

afzettingen en

erosie

Vochtige graslanden

Moerassen

Hanken en geulen

Kolken en plassen

Dijken

Met bijzonder planten en dieren als:

- Rivierfonteinkruid, margriet, cichorei, bitterkruid, kievitsbloem

- Kwartelkoning en ijsvogel (BV)

- Wilde zwaan, kleine zwaan, kolgans, meerkoet en smient (wg)

- Slobeend en grutto (dt), watervleermuis

Zwarte Meer en

Ketelmeer 

Omvangrijk moeras

Voedselrijk ondiep

water

Rust door geringe

ontsluiting

Moeras

Ondiep water

Vogeleiland

NURG eilanden

Keteleiland

Met bijzonder planten en dieren als:

- Dotterbloem, mattengebied, bittere veldkers

- Roerdomp, purperreiger, grote karekiet en baardman (bv)

- Lepelaar (zg), aalscholvers, wintertaling en  krakeend (dt)

- Grauwe ganzen, kolganzen en kleine zwanen (slaapplaatsen; wg)

- Watervleermuis, meervleermuis en otter

- Zeeforel, zeeprik, rivierprik, krabaal en meerval

bv=broedvogel; vz=voedselzoekend; wg=wintergasten; dt=doortrekkers; zg=zomergasten;

Hrl=Habitatrichtlijn; Rls=rode lijstsoort

7B Nader uitgewerkte kernkwaliteiten nationaal landschap Noordoost-Twente

Kernkwaliteiten Landschap, cultuurhistorie, archeologie (volgens Omgevingsvisie Overijssel 2009)

Landschapstype

Hoofdkenmerken

Structuren

nederzettingsvormen

Essenlandschap

(incl. stuwwallen)

Samenhangend systeem van

essen, flanken, lager

gelegen maten en fliergronden

Brongebieden en stuwwallen

Kleinschaligheid

Afwisselend em cotrastrijk,

volgend aan de organische

patronen van het natuurlijk

landschap

Essen zijn open met karakteristiek

reliëf en stijlranden

Spinragstructuur tussen de esdorpen

en erven

Kenmerkende bebouwing

rond de es (esdorpen) en

verspreide erven

Esdorpen, kern- en flank-

en kransesdorpen

Ordening vanuit de erven

en de essen

Grote erven, met grote

volumes en zware

beplanting (eiken

houtwallen)

Oude hoeven

landschap 

Contrastrijke landschappen

met veel variatie op de korte

afstand: open es, kleinschalige

flank met erf, kleinschalige

natte laagtes met veel houtwallen,

open heidevelden en –ontginningen.

Daartussen kleinere bovenlopen

van beken

Brongebieden en stuwwallen

Organisch, route van erf tot erf

Systeem van beken en bronnen

Verspreide individuele

erven, geen dorpen

Middelgrote erven, met

verschillende volumes en

zware beplantingen

120 bronsystemen  

Maten- en Flieren

Landschap 

Laaggelegen kleinschalig

landschap dat zich langs

beken, in de natuurlijke

laagten heeft ontwikkeld.

Coulissen van hakhoutstruweel,

open kamers van hooien en

weilanden, met hier en daar

een broekbos op de nattere plekken. 

Onregelmatige blokverkaveling,

soms in strokenverkaveling

Contramal van het

essenlandschap en het oude

hoevenlandschap en is daar

functioneel aan verbonden

Bomensingels op de

perceelscheidingen 

Vrijwel geen

nederzettingen

Jonge- heide en

Broekontginnings

landschap 

Relatief grote open

ruimtes, deels omzoomd

door boscomplex.

Vaak ïnbreidingslandchappen

met een rommelige driehoek

structuren als resultaat

Planmatig, rechtlijnig

lanen, bosjes vaak met

heiderelicten 

Erven liggen als blokken

aan de weg geschakeld

Wegen zijn lanen met

lange rechtstanden

Kleine erven met carré

erfbeplanting

Kernkwaliteit natuur

Deelgebied

Hoofdkenmerken

Waardevolle leefgebieden

Bronnen

Beken

Niet gemaaide beekdalen

Houtwallen

Kleinschalig cultuurlanschap

Poelen

Oude landgoedbossen

Heide, zandvlakte

Bergvennen

7 Natura 2000 gebieden in NL NOT Springendal en dal van de Mosbeek,

Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek, Bergvennen, Lemselermaten,

Beuninger Achterveld, Landgoederen Oldenzaal.

Met bijzondere planten en dieren als:

• beekoeverlibel

• grote gele kwikstaart ,goudveil,slanke sleutelbloem,beekprik

• zompsprinkhaan, kwartelkoning

• zomertortel, vliegend hert

• patrijs, steenuil, kerkuil, gorene specht

• boomkikker

• kenmerkende plantensoorten als slanke sleutelbloem, gele dovennetel, boswederik,

bosanemoon, muskuskruid, witte rapunzel en de schedegeelster en diersoorten zoals

de middelste bonte specht

• hazelworm, zandhagedis, nachtzwaluw

• dodaars

• 8 soorten (Hrl) zoogdieren

• Heidekikker (Rls)

• Grote en kleine modderkruiper en bittervoorn (Hrl-vissen in sloten)

Bijlage 8 Overzicht kaarten verordening

Kaart nr. 09295055 Ontwikkelingsperspectieven

Kaart nr. 09295046  Gebiedskenmerkenkaart, Natuurlijke laag

Kaart nr. 09295047 Gebiedskenmerkenkaart, Laag van het agrarisch cultuurlandschap

Kaart nr. 09295048 Gebiedskenmerkenkaart, Stedelijke laag

Kaart nr. 09295049 Gebiedskenmerkenkaart, Lust- en leisurelaag

Kaart nr. 09295050 EHS, overige natuur en nationale landschappen

Kaart nr. 09295051 Recreatie

Kaart nr. 09295052 Externe Veiligheid

Kaart nr. 09295053 Drinkwatervoorziening

Kaart nr. 09295054 Waterveiligheid

Kaart nr. 09295056 Regionale waterkeringen en peilbesluiten

Kaart nr. 10395119 Geluidscontouren gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente e.o.

Kaart nr. 12330419 Globale verdringingsreeks gebieden

Kaart nr. 12460426 Deelgebieden herijkte EHS

Bijlage 9 Kaarten luchthavenregelingen uit titel 5.2 Omgevingsverordening

Kaarten behorend bij de luchthavenregelingen uit Titel 5.2 van de Omgevingsverordening staan als download in de rechterkolom van de internetpagina.

Bijlage 10 Wezenlijke kenmerken en waarden van de Ecologische Hoofdstructuur

Op basis van artikel 2.7.1 lid d van de Omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden beschreven. Deze bijlage voorziet hierin.

Wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiele waarden, gebaseerd op de natuurdoelen van het gebied. Gedacht kan worden aan de natuurdoelen en -kwaliteit, geomorforlogische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van de bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde.

Informatie hierover is te vinden in dit doucment, op de website van de Provincie Overijssel en in het veld. De informatie is als volgt te vinden:

- De actuele natuurwaarden. Deze zijn per deelgebied weergegeven in de paragraaf "gebiedsbeschrijving" van dit document. Deze beschrijving is een globale beschrijving. Naast deze beschrijving is gedetailleerde informatie uit het veld noodzakelijk om de actulele situatie te beoordelen.

- De beoogde natuurdoelen inclusief de daarvoor benodigde omgevingscondities. Deze zijn per deelgebied in hoofdlijnen aangegeven in dit document in de paragraaf "streefbeeld" . 

- Naast de informatie beschikbaar in deze bijlage, zijn gebiedskenmerken  te vinden in de Catalogus Gebiedskenmerken.

- Voor de Natura 2000 gebieden is gedetaileerde informatie over deze gebieden te vinden op de website van de Provincie Overijssel.

De deelgebieden van de EHS zijn opgenomen op de kaart deelgebieden EHS behorend bij de Omgevingsverordening, nr. 12460426.

1. De Woldberg/De Eese

Gebiedsbeschrijving

In het uiterste noordoosten van Overijssel ligt op een uitloper van het Drentse keileemplateau het bosgebied van De Woldberg en het landgoed De Eese. . De Woldberg grenst aan het kleinschalige, eeuwenoude landschap van Paasloo - Steenwijkerwold. De Woldberg bestaat vooral uit bos en een kleinschalig cultuurlandschap. Hier komen houtwallen voor met Bosanemoon, Schedegeelster, Muskuskruid en eeuwenoude essenstoven. De graslanden behoren tot het kruidenrijk grasland (N12.02) en worden afgewisseld met poelen die van belang zijn voor o.a. de Kamsalamander.

De kern van het landgoed de Eese bestond eeuwenlang uit graslanden, houtwallen en bos. Het geheel was aan alle zijden omgeven door heide. Deze heide is in de 19e eeuw en begin 20e eeuw bebost met naald- en loofhout of omgezet in akkers en graslanden.. Bijzondere soorten van het gebied zijn o.a. Ruige veldbies en Stippelvaren.

Zowel de Woldberg als de Eese zijn belangrijk als leefgebied voor reptielen zoals Adder, Ringslang en Hazelworm.

Streefbeeld

In dit gebied wordt geen uitbreiding van de EHS voorzien.  De kwaliteit van de bestaande EHS kan versterkt worden door vergroten van de oppervlakte natuurlijk bos en vooral op het landgoed De Eese door versterking van de heiderestanten door het omvormen van productiebos of grasland naar heide (N7.01 en N6.04) zodat er in het bestaande bos corridors ontstaan en hierdoor uitwisseling van voor de heide kenmerkende dieren mogelijk wordt

2. Wieden-Weerribben

Gebiedsbeschrijving

Het deelgebied Wieden - Weerribben bestaat uit de Natura 2000 gebieden De Wieden en de Weerribben en een aantal aangrenzende gebieden. Het Natura 2000 gebied Wieden - Weerribben is ca. 7000 ha groot en vormt samen met de Natura 2000-gebieden Zwarte meer en Olde Maten één van de grootste moerasgebieden van Noordwest-Europa.  Het gebied was in de Middeleeuwen grotendeels een hoogveengebied. Door veenwinning vanaf de gouden eeuw (Blokzijl als uitvoer haven van turf naar Holland) zijn in het gebied smalle, lange wateren ontstaan, de petgaten, die begrensd zijn met smalle stroken niet vergraven grond, de legakkers of ribben. Door successie van open water via drijftillen, Krabbenscheervegetaties of Pluimzegge-moeras ontstond een landschap met rietlanden en trilvenen, die jaarlijks door boeren werden gemaaid. In de 20e eeuw nam op veel grond het beheer af, waardoor zich uit rietland en moeras elzenbroek-, berkenbroek- en wilgenbroekbossen, konden ontwikkelen. In de Wieden ontstonden in dit laagveengebied als gevolg van stormen grote meren.

De Wieden en Weerribben vormen zowel provinciaal als landelijk een belangrijk leefgebied voor bedreigde plant- en diersoorten. Belangrijk zijn de oppervlakten veenmosrietland, trilveen en blauwgrasland. De Weerribben is het belangrijkste leefgebied in ons land voor de Grote Vuurvlinder en van de Zilveren Maan. De Speerwaterjuffer (libel) komt alleen maar in dit gebied voor. Met succes is in het gebied de Otter opnieuw geïntroduceerd. Belangrijke plantensoorten in het laagveengebied zijn: Groenknolorchis, Slank Wollegras, Stijf Struisriet (Wieden), Schorpioenmos en Moerashoningzwam. Belangrijke broedvogels zijn de Purperreiger, Aalscholver, Porseleinhoen, Rietzanger en Krakeend. Ringslangen leven vooral in de Weerribben.

De ontwikkeling van de hoogwaterzone bij Giethoorn heeft laten zien dat uit voormalig landbouwgrond zich, onder natte, voedselrijke omstandigheden een nieuw broedbiotoop voor water- en moerasvogels kan ontwikkelen met o.a. vestigingen van Grote Zilverreiger en Purperreiger

Aan de noord- en westzijde van de Weerribben en langs de west-, zuid-, en oostzijde van de Wieden liggen veenweidegebieden, waarvan de actuele waarde sterk varieert. Het ontginningsgebied rondom Scheerwolde is ten opzichte van het westelijke gebied grootschaliger en wordt intensiever gebruikt door de landbouw. De actuele natuurwaarde van dit gebied is laag en zal met natuurontwikkeling sterk worden vergroot.

In de zuidwesthoek van het gebied ligt het keileemplateau van het Hoge Land van Vollenhove. Dit gebied wordt gekenmerkt door een netwerk van houtwallen en eikenhakhoutbosjes met daarin veel kenmerkende bossoorten zoals de Grote Muur, terwijl in de wallen Braamsluiper en Grasmus als broedvogel voorkomen. De Oldenhof betreft een landgoedbos met grote populaties van Bosgierstgras. In holle bomen komen kolonies van vleermuizen voor, waaronder de Rosse Vleermuis.

De Barsbekerbinnenpolder is een open, vrijwel onbebouwde polder met middeleeuws slotenpatroon. Het gebied is een van de belangrijke weidevogelgebieden in Overijssel. In sloten komen diverse bijzondere waterplanten voor. De slootkanten hebben een deel van hun soortenrijkdom verloren als gevolg van de bemesting.

Op de grens met de Noordoostpolder ligt het Vollenhovermeer, dit is ook aangewezen als vogelrichtlijngebied, de oevers van dit meer zijn begroeid met rietland en moerasvegetaties en er broeden diverse bijzondere rietvogels (o.a. Roerdomp)

Streefbeeld

Bestaande natuur

Noordwest Overijssel is een zeer gevarieerd en complex natuurgebied met een grote variatie aan beheertypen. Deze complexiteit is goed te zien op de beheertypenkaart van het natuurbeheerplan. In dit gebied vindt naast beheer van de bestaande natuurtypen zgn. cyclisch beheer plaats;  Om de verschillende verlandingsstadia duurzaam te kunnen laten voortbestaan, worden regelmatig dichtgegroeide trekgaten  opengetrokken, zodat de verlanding weer van voren af aan kan beginnen. Andere maatregelen zijn het ontbossen van half verlande petgaten met als doel het areaal aan trilveen uit te breiden, ondiep begreppelen van percelen om in verzuurde percelen het contact met het oppervlaktewater te herstellen, het schrapen van veenmosrietland waarbij de bovenste veenmoslaag wordt verwijderd, het instellen van een flexibel peilbeheer en verbeteren van de waterkwaliteit.

Nieuwe natuur

De te ontwikkelen nieuwe natuur heeft in de meeste gevallen een nauwe samenhang met de inrichting en het beheer van de bestaande natuur. De nieuw te ontwikkelen natuur is onderverdeeld in de hierna volgende grote deelgebieden met een overwegend vergelijkbaar streefbeeld.

Wieden Weerribben, Moeras en schraalland

Inrichting en beheer van de nieuw te ontwikkelen natuur hangt hier nauw samen met dat van de aangrenzende en inliggende  bestaande natuurgebieden. In deze gebieden liggen de meest kwetsbare beheertypen met de hoogste botanische waarden. Een afwisseling van Gemaaid rietland (N05.02), Trilveen (N06.02), Veenmosrietland (N06.01) en Hoog- en laagveenbos (N14.02) Moeras (N05.01), Nat schraalland (N10.01). Een groot verschil met het volgende deelgebied is dat in dit deelgebied naar verhouding meer trilveen, veenmosrietland en nat schraalland voorkomt. 

In de ook in dit deelgebied gelegen graslanden in en om de Weerribben en langs de Lage Weg is de doelstelling botanisch beheer gericht op Vochtig Hooiland (N10.02) en Nat schraalland (N10.01) en op de ontwikkeling van bloemrijke sloten en slootkanten met bijzondere water- en oeverplanten (fonteinkruiden, Bronmos, Waterscheerling).

In de overgangszone aan de oostkant van  het Hoge Land naar de Wieden wordt  Vochtig hooiland (N10.02), Nat schraalland (N10.01) en kruiden en faunarijk grasland (N12.02) ontwikkeld.

Wieden Weerribben, dynamische moerasnatuur

In de polders Wetering oost en west en polder Giethoorn wordt dynamische moerasnatuur (Moeras N05.01) nagestreefd in combinatie met waterberging. In de Beulakerpolder is dit inmiddels uitgevoerd, waar op korte termijn al heel interessante resultaten zijn bereikt (vestiging van o.a. Dodaars, Rietzanger). Door de waterberging ontstaat meer dynamiek in de waterstanden. Dynamische moerasnatuur (Moeras N05.01) kenmerkt zich door in tijd en ruimte wisselende habitats variërend van open zoetwaterplassen en - via processen van verlanding ontstane - beheertypen. Langs de bebouwing van de polder Wetering Oost wordt een strook opgehoogd. Langs deze strook wordt aan de kant van de nieuwe natuurgebieden relatief diep water (circa 0,8 m) aangelegd. Samen vormt het een overgangszone van circa 150 m tussen de nieuwe natuur en de bebouwing. Polder Wetering oost wordt - in samenhang met het naastgelegen Woldlakebos - een belangrijk rustgebied voor riet-, water- en moerasvogels, reigerachtigen en de Otter. In  de verbindingen naar de Rottige Meente en het Vollenhovermeer worden ook moerasgebieden ontwikkeld.

Wieden - Weerribben, vochtig weidevogelgrasland

De Barsbekerbinnenpolder en het Leeuwterveld zijn open gebieden met het doel Vochtig weidevogelgrasland (N13.01) gericht op weidevogelbeheer m.n. voor de (zeer) ‘kritische' weidevogelsoorten als Watersnip, Slobeend, Zomertaling, Kemphaan, Grutto en Tureluur. Hierbij hoort een waterpeil van ca. 5-25 cm beneden maaiveld met plaatselijk plas- dras situaties. Voor het behoud en versterking als broedgebied voor Grutto en Tureluur is een regelmatige bemesting met organische mest (bij voorkeur ruige stalmest) noodzakelijk. De ontwikkeling van plekken die in het voorjaar plas-dras staan komt de weidevogelstand direct ten goede. In Vochtig weidevogelgrasland (N13.01) worden op kleine schaal ook botanische waardevolle graslanden en bloemrijke sloten en slootkanten ontwikkeld evenals geleidelijke overgangen naar moeras (N05.01). Inrichting van weidevogelgebied dient zodanig plaats te vinden dat het open karakter behouden blijft.

De als nieuwe natuur begrensde weidevogelgebieden in Noordwest-Overijssel zijn vrijwel allemaal ook belangrijke gebieden voor overwinterende ganzen.

3. Reestdal

Gebiedsbeschrijving

Het betreft het Reestdal, de Vledder- en Leijer hooilanden, de oeverlanden langs het Meppelerdiep en de aansluitende verbindingszones naar het Vechtdal.

De Reest was een van de weinige echte hoogveenbeken in Nederland. In de oorspronkelijke situatie werd de Reest gevoed door het hoogveen¬gebied oostelijk van Dedemsvaart. Van dit hoogveengebied is niets overgebleven. De sponswerking van het uitgestrekte veengebied is met de ontginning in de loop van de 19e eeuw verdwenen waardoor de beek meer water is gaan vervoeren (hogere piekbelasting) en om deze reden is aan Drentse zijde een omleidingskanaal gegraven. Het Reestdal heeft een landschap dat sinds haar ontstaan in de Middeleeuwen maar weinig is veranderd. Haar behoud heeft direct te maken met haar ligging op de grens van de provincies Drenthe en Overijssel.

Binnen het beekdal kan een bovenloop, middenloop en benedenloop worden onderscheiden. De bovenloop (oostelijk van Dedemsvaart) is bochtig, de hoogteverschillen in het landschap zijn klein en de omgeving betreft landbouwgebied dat ontstaan is na de ontginning van het hoogveen. In de midden- en benedenloop (Meppel - Dedemsvaart) liggen hooilanden in het beekdal, terwijl de randen gekenmerkt worden door essen en hakhoutbosjes. De hooilanden worden deels gevoed met locale kwel. Waar deze kalkrijk is vinden we Dotterbloemhooilanden met Dotterbloem, Echte koekoeksbloem en Grote ratelaar  en waar langduriger overstromingen optreden ook zeggemoeras, met o.a. Scherpe zegge en Noordse zegge. Binnen Overijssel wordt het grootste en meest uitgestrekte complex aan Dotterbloemhooiland aangetroffen in het Reestdal. Uit onderzoek door het OBN team beekdallandschappen is gebleken dat in het Reestdal minimaal vier habitattypen voorkomen met een internationale betekenis voor bescherming. Op akkers wordt Rogge (Triticale) verbouwd met in zomer de blauwkleurende Korenbloem.

De Vledders- en Leijerhooilanden vormen een komvormige laagte bij IJhorst die aansluit bij het Reestdal, waar sprake is van locale kwel. In het gebied komen moerassige laagten voor met Kleine zegge-vegetaties (o.a. Draadzegge).

Het Meppelerdiep is in wezen de gekanaliseerde benedenloop van de Reest. Het landschap is hier open. Hier liggen een aantal waardevolle reservaten met vegetaties die behoren tot het Blauwgrasland, Dotterbloemhooiland, Grote zeggen-, Kleine zegge-vegetaties en met op de hogere koppen heischraal grasland met o.a. Borstelgras. De Meppelerdieplanden vormen in ons land het belangrijkste leefgebied van het Geel Schorpioenmos.

Door de grote afwisseling in landschapstypen heeft het Reestgebied een bijzondere fauna.  Van de Das komt een belangrijke populatie in de middenloop voor. Weidebeekjuffers vliegen met grote aantallen in de zomer boven de beek.

Het aangrenzende Staphorsterbos en de bossen in de verbindingzone naar het Vechtdal, worden gekenmerkt door de aanwezigheid van droge productiebossen, droge en natte heide en een aantal zwakgebufferde en zure vennen.   De Adder is een kenmerkende soort voor dit bos en heide gebied.  Voor deze soort is in het Staphorsterbos een corridor van Droge en Natte heide aangelegd in het kader van het project "Vipera verbindt".

Streefbeeld

De Reest wordt ontwikkeld als een natuurlijk laaglandbeekdal met een afwisselend kleinschalig landschap van Vochtig hooiland (N10.02), Nat schraalgrasland (N10.01), Kruiden en faunarijk grasland (N12.02) en op de esgronden Kruiden- en faunarijke akkers (N12.05). Om de kwaliteit hier te verhogen is vooral een verhoging van het waterpeil in de Reest en herstel van de vroeger vaak voorkomende inundaties nodig.  De Vledder- en Leijer hooilanden zijn een belangrijk kwelgebied met het doel de ontwikkeling van Vochtig hooiland (N10.02) en Nat schraalgrasland (N10.01), ook hier is een verhoging van de grondwaterstand nodig voor het bereiken van de beoogde natuurkwaliteit. 

In de bosgebieden is op lokale schaal omvorming van bos naar heide gewenst vanwege de versterking van de adderpopulatie.  

4. Oeverlanden Zwarte Water

Gebiedsbeschrijving

Dit deelgebied omvat het Natura 2000 gebied Oeverlanden Zwarte water en enkele direct aangrenzende natuurgebieden.  Deze uiterwaarden aan weerszijden van het Zwarte Water vormen het belangrijkste leefgebied van de Wilde kievitsbloem in Noordwest-Europa. In de hier aanwezige Kievitsbloemhooilanden komen naast de Wilde kievitsbloem kenmerkende soorten als Gulden boterbloem, Echte koekoeksbloem, Grote pimpernel en Kale vrouwenmantel voor. Belangrijk is dat regelmatig overstromingen plaatsvinden waardoor de Wilde kievitsbloem zich kan verjongen. Op de dijken komen schrale vegetaties voor met relatief veel Knolboterbloem. Delen van het gebied zijn nog van belang als weidevogelgebied maar het areaal is wel sterk afgenomen in de afgelopen 20 jaar. Op sommige locaties komen bijv. Slobeend, Zomertaling en Kwartelkoning voor. Ook broeden nog kleine aantallen Zwarte Sterns op de plaatselijk voorkomende Krabbenscheervegetaties. In de winter is het buitendijkse gebied belangrijk voor doortrekkende eenden, ganzen en zwanen. In het voorjaar worden onder water staande graslanden door grote groepen Grutto`s gebruikt als tussenstop naar de binnendijkse percelen waar gebroed wordt.

Aan de oostkant van het Zwarte water komt bij het Kievitsnest een kleine oppervlakte Blauwgrasland voor. Verder zijn de dotterbloemgraslanden kenmerkend voor dit gebied.

Streefbeeld

Op de oeverlanden Zwarte Water-Vecht wordt gestreefd naar halfnatuurlijke graslandvegetaties die primair van grote betekenis zijn voor de Wilde kievitsbloem. Daarnaast is er een belangrijke nevenfunctie de betekenis voor weidevogels en wintergasten. De beheertypen zijn Vochtig hooiland (N10.02), Overstromingsgrasland (N12.04), Vochtig weidevogelgrasland (N13.01), Moeras (N05.01) en Zoete Plas (N04.02).

De botanische doelen vergen een hooilandbeheer met nabeweiding; het weidevogelbeheer vereist een hoog waterpeil en in de natte perioden plas-dras situaties. Zowel voor de Kievitsbloemgraslanden als de weidevogeldoelstelling is het nodig dat zomerkades worden doorgestoken of verwijderd zodat een meer natuurlijk waterpeil mogelijk is. In de weidevogelgebieden is enige bemesting met organische mest (bij voorkeur ruige stalmest) noodzakelijk voor een goed bodemleven. Aanleg van natte laagtes die in de loop van het broedseizoen droogvallen en toename van de invloeden van de rivier (via vergraving van oude geulen) is wenselijk. Bij het Kievitsnest wordt het beheer van het in 2012 ingerichte natuurontwikkelingsproject mede gericht op de  ontwikkeling van Nat schraalgrasland en Blauwgrasland.

5. Zwarte Meer/Vossemeer

Gebiedsbeschrijving

Deze meren met oeverzones en een aantal eilanden in de IJsselmonding vormen een onderdeel van de N2000 gebieden Zwarte meer en Ketelmeer en Vossemeer. 

Het Zwarte Meer is ontstaan door afscheiding van een deel van het IJsselmeer na

inpoldering van de Noordoostpolder. Aan de oostkant wordt het meer gevoed door het Zwarte

Water dat water afvoert van de Overijsselse Vecht en het Meppelerdiep.  Het is

een relatief beschut vrij ondiep zoet meer (1 tot 2 meter) met rietlanden, ruigtes en open water. Alleen de vaargeul is dieper dan 2 meter.

Het nu onnatuurlijke peilbeheer van het IJsselmeer bepaald in grote mate de kwaliteit van de moerasvegetaties.  Streefpeilen in het IJsselmeer zijn voor het zomerpeil 0,20 m -NAP en voor het

winterpeil 0,40 m -NAP. Bij hoge standen bij Ramspol door windwerking op het IJsselmeer kan sinds 2002 deverbinding tussen Ketelmeer en Zwarte Meer met de balgstuw worden

afgesloten. Het doorzicht bepaald in sterke mate de aanwezigheid van waterplantenvegetaties. Vanaf de jaren  '90 is het doorzicht verbeterd.  Ondergedoken waterplantbegroeiingen van vooral Fonteinkruiden  komen vooral voor ten westen van het Ganzendiep, ten noordwesten van het Vogeleiland.   Langs de oevers zijn brede rietkragen en moerasvegetaties aanwezig. Rietvegetaties

domineren (van belang voor avifauna) met daarnaast Mattenbies en Kleine lisdodde

als dominante soorten. Plaatselijk komen grote zeggenmoerassen van voedselrijke

milieus voor, zoals die van Oeverzegge, Scherpe zegge of Liesgras.  De riet vegetaties  zijn door het onnatuurlijke peilbeheer weinig vitaal.  Hierdoor is de sterk bedreigde Grote Karekiet sterk in aantal afgenomen.

Aan de oostzijde van het Zwarte meer zijn in de oeverlanden  Kievitsbloemhooilanden aanwezig, die zich in positieve ontwikkelen,

In de IJsselmonding liggen een aantal eilanden.  Het Keteleiland ontstond in 1940 door het graven van het Kattendiep waardoor het werd afgescheiden van het Kampereiland.  Het bestaat uit kruidenrijke graslanden en rietvelden. Daarnaast zijn er een aantal nieuwe eilanden in de IJsselmonding opgespoten. Deze zijn  begroeid zijn met moerasbos en moerasvegetaties. Kenmerkend voor de IJsselmonding zijn de rivierfonteinkruidvegetaties die zich sterk uitbreiden.

Streefbeeld

Voor de kievitsbloem graslanden in de oeverlanden aan de oostkant van het meer is het nodig om het waterpeil te optimaliseren door het weghalen van hier aanwezige zomerkade

In de oeverzones met riet en moerasvegetaties is verjonging van het riet gewenst,  dit is nodig voor de instandhouding van o.a. de Grote Karekiet.  Hiervoor kunnen interne peilmaatregelen genomen worden en maatregelen als het schrapen van rietlanden zodat verjonging kan optreden.  Ook het vergroten van de oppervlakte zeer ondiep water kan leiden tot nieuwe vestiging van waterplantenvegetaties en jong rietland. 

6. Uiterwaarden IJssel

Gebiedsbeschrijving

IJsseluiterwaarden

Dit gebied bestaat uit het Natura 2000 gebied IJsseluiterwaarden, de nog aan te leggen Hoogwatergeul bij Kampen en enkele direct aan de IJssel grenzende natuurgebiedjes.

De IJsseluiterwaarden kennen belangrijke natuurwaarden die te maken hebben met de grote variatie in reliëf, bodemsamenstelling (zand, zavel, klei) en de rol die de jaarlijkse overstromingen spelen op vegetatie en vogelleven. Door deze overstromingen is in het voorjaar over groot oppervlak sprake van plas-dras situaties, wat grote aantallen watervogels en steltlopers trekt. Het gebied heeft dan ook een internationale betekenis voor doortrekkende en overwinterende vogelsoorten, zoals Kleine zwaan, Tafeleend en Kolgans.

Wat broedvogels betreft was het gebied één van de bolwerken voor weidevogels. Nog steeds komen of kwamen recent belangrijke concentraties voor in de Harculose buitenwaarden, Herxerwaarden, Oldenelerwaard en Koppelerwaard. Het gaat om Grutto, Tureluur en eendensoorten, terwijl in laat gemaaide hooilanden de Kwartelkoning met succes tot broeden komt. Diverse bijzondere soorten komen in het IJsseldal tot broeden zoals de Brilduiker en Lepelaar. De wilgenvloedbossen die o.a. in de Duurse waarden voorkomen, vormen potentieel broedgebied voor Visarend en Zeearend. De aanleg van de meestromende nevengeul in de Vreugdenrijkerwaard met  sterk glooiende oevers heeft aangetoond dat zich belangrijk leefgebied laat ontwikkelen met een grote betekenis voor pleisterende en broedende vogelsoorten, zoals Kluut en Visdief.

Het IJsseldal wordt gekenmerkt door een zogenaamde stroomdalflora van soorten die groeien op zandige en/of  licht zavelige, kalkrijke, droge standplaatsen met reliëf. Dit biotoop komt voor op oeverwallen en rivierduinen in de uiterwaarden en op de winterdijken. Het mooiste voorbeeld is het soortenrijke rivierduin van de Vreugdenrijkwaard met belangrijke populaties van Liggend ereprijs, Walstrobremraap, Moeslook, Veldsalie en Kleine ruit. Belangrijke dijkvegetaties met o.a. Grote wilde thijm, Tripmadam, Duifkruid en Trilgras komen voor bij Zalk, Welsum, Wijhe en Olst. Waar in de uiterwaarden in de loop van de zomer slikkige grond komt droog te liggen met massale vestiging van Slijkgroen en Echt vlooienkruid voor. Rode ogentroost profiteert ook van de ontwikkelingen. Al deze soorten hebben baat bij de natuurontwikkeling. In de Scherenwelle bij Wilsum is het enige goed ontwikkelde kievitsbloemhooiland langs de Ijssel te vinden. Ook komt hier het zeldzame Veenreukgras voor. 

De Enk

De Enk is een restant van één van de rivierarmen van de IJsseldelta. Het is een gevarieerd gebied met restanten van de IJssel, enkele kolken, rietlanden en natte graslanden. Hierin komen soorten voor als Waterviolier en Moeraswede¬rik. De Enk vormt één van de weinige leefgebieden van de Waterspitsmuis in de IJsseldelta. Dit gebied wordt onderdeel van de nieuwe hoogwatergeul bij Kampen.

Streefbeeld

IJsseluiterwaarden

Binnen de te ontwikkelen natuurgebieden in het stroomgebied van de IJssel worden beheertypen nagestreefd van het rivierengebied.

De provincies Gelderland en Overijssel hanteren voor de IJsseluiterwaarden de volgende uitgangspunten voor het streefbeeld:

- Bevorderen van de hydrologische en morfologische dynamiek waar dat mogelijk is. De mate van dynamiek hangt af van de kansen ter plekke.

- De IJssel krijgt een belangrijke functie als verbindingszone tussen de grote moerassen van de IJsseldelta en die van de Gelderse Poort. Dit betekent dat er op regelmatige afstand het beheertype Moeras (N05.01) behouden, dan wel ontwikkeld moet worden, ongeveer iedere 10 km een oppervlakte van 25 ha (model Rietzanger). 

- Op een aantal plaatsen snijdt de IJssel het Veluwemassief aan. In deze uiterwaarden (bijv. Hoenwaard bij Hattem) is sprake van een sterke kweldruk. Hier zijn bijzonder kansrijke situaties voor de ontwikkeling van kwelafhankelijke beheertypen.

- In de IJssel monden een groot aantal beken en weteringen uit. Er is nog zelden sprake van een natuurlijke aansluiting. Meestal eindigen deze wateren bij een gemaal op de winterdijk. Deze natte kruispunten verdienen een kwaliteitsverbetering, mede uit het oogpunt van vismigratie. 

- De IJssel wordt gekruist door diverse ecologische verbindingszones (EVZ's). Deze kunnen betrekking hebben op wateren (zie vorig uitgangspunt) of op bossen (model Das) en kleinschalig landschap met poelen (model Kamsalamander). De EVZ's krijgen bijzondere aandacht.

- Bijzondere aandacht voor grootschalige dynamische natuur (N01.03).

Daarbij wordt rekening gehouden met de volgende randvoorwaarden:

- Nieuwe natuur wordt ontworpen rekening houdend met de uitgangspunten van "Ruimte voor de Rivier". 

- Bijzondere natuurwaarden (bijv. stroomdalgraslanden) en geomorfologische waarden (bv. kronkelwaarden en rivierduinen) worden gespaard.

- (Delen van) de IJsseluiterwaarden vallen onder de Vogelrichtlijn, Wetlandsconventie en Natuurbeschermingswet. Hier moet rekening worden gehouden met de kwalificerende soorten. Zie daarvoor het (concept) Natura 2000 beheerplan Rijntakken.

1 De volgende uiterwaarden hebben als doelstelling de ontwikkeling van grootschalige natuur met begrazing: Het Engelse Werk, Harculose buitenwaard, Buitenwaarden Wijhe, Duursche waarden, Fontmonderwaarden, Roetwaard, Welsumerwaarden, Bolwerksweiden, Yperenbergplas, Ossenwaard, Keizers- en Stobbenwaarden, Onderdijkse waard, Vreugdenrijkerwaard.

Wat de grootschalige natuur in de Keizers- en Stobbenwaarden betreft. Hier wordt een meestromende geul ontwikkeld en op het hogere deel van de uiterwaard een Natuurderij voorzien.

Voor de omgeving van het Zalkerbos wordt gestreefd naar langdurige plas-drassituaties in winter en voorjaar, voor o.a. het Porseleinhoen. Voor de overige graslanden is het streefbeeld Droog soortenrijk grasland. Op één perceel wordt gestreefd naar herstel van de hier van oorsprong voorkomende soortenrijke akkers. Dit gebied is vanouds bekend om zijn zeldzame akkerflora. Uit ervaringen elders blijkt dat bij een goed beheer deze soorten zich weer uit de zaadbank kunnen hervestigen.

Bypass Kampen

In de bypass Kampen wordt langs de oevers voornamelijk Moeras en plaatselijk Vochtig hooiland en Kruiden- en faunarijk grasland ontwikkeld.. 

7. Olde Maten/Veerslootslanden

Gebiedsbeschrijving

De Olde Maten en Veerslootslanden zijn onderdelen van het gelijknamige Natrura 2000 gebied en liggen in het Staphorsterveld. Het Staphorsterveld is in de Middeleeuwen ontgonnen via een opstrekkende smalle verkaveling waarbij sloten de perceelsgrenzen vormen. Dit landschap is nog steeds goed herkenbaar, hoewel door verkavelingen vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw een netwerk van wegen is aangelegd en boerderij bouw in het veld heeft plaatsgevonden. Het Staphorsterveld is een overgangsgebied waar van oost naar west het veenpakket steeds dikker wordt en aan de westzijde ook klei op het veen is afgezet. Tot 1932 kwamen grootschalige overstromingen voor door stagnatie van de waterafvoer. Het gebied kent relatief hoge slootpeilen, maar van overstromingen is geen sprake meer. Het grootste deel van het veld is een regionaal kwelgebied, waar ijzer- en calciumrijk grondwater in de sloten uittreedt.

Het open polder gebied is van grote betekenis vanwege haar soortenrijke sloot- en slootkantvegetaties met o.a. Krabbenscheer en diverse soorten fonteinkruiden. De rijkste slootvegetaties komen binnen Overijssel hier over een grote lengte voor. De waarden nemen nog steeds af als gevolg van landbouwintensivering en veranderingen in het slootbeheer, waardoor slootkanten meer eutrofer worden en de waterkwaltiteit onder druk staat. Het Staphorsterveld is hèt leefgebied binnen Overijssel van de Grote pimpernel, Waterviolier en Grote boterbloem. Wat weidevogels betreft is het hèt bolwerk van de Wulp. De stand van de Grutto is de afgelopen 20 jaar sterk achteruit gegaan.

In het Staphorsterveld hebben vroeger grote oppervlakten Dotterbloemhooiland (N10.02) en Blauwgrasland (N10.01) gelegen. Een ook landelijk gezien belangrijk restant van het blauwgrasland komt voor in de Veerslootslanden. Hier komen belangrijke populaties voor van Knotszegge, Blonde zegge, Gewoon vleugeltjesbloem, Spaanse ruiter, Aardbeivlinder en Moerassprinkhaan. Op afgeplagd boerenland heeft zich binnen 10 jaar zowel veenmosrietland als blauwgrasland ontwikkeld met vestigingen van kenmerkende soorten uit het aangrenzend reservaat.

De Olde Maten betreft het meest westelijke deel van het Staphorsterveld. Door veenwinning zijn de sloten hier breder en worden boksloten genoemd. In de 20e eeuw zijn deze sloten geleidelijk verland tot (veenmos) rietlanden en plaatselijk ook trilvenen. Door het niet meer maaien van de rietlanden zijn de meeste verbost tot wilgen- en/of elzenbroekbos. Hierdoor is het karakter van het gebied sterk veranderd van open naar gesloten, met een gebied waar vroeger veel moerasvogels voorkwamen (o.a. Rietgors, Kleine karekiet, Rietzanger) naar gebied met vooral bosvogels (o.a. Fitis, Tuinfluiter, Buizerd).

Streefbeeld

Het inrichtingsplan Olde Maten/Veerslootslanden wordt in 2012/2013 uitgevoerd. De beoogde beheertypen zijn verwerkt op de beheertypenkaart. 

Via dit plan wordt het veenlandschap met soortenrijke schraallandvegetaties en verlandingsvegetaties in de boksloten versterkt .  De doelen zijn de ontwikkeling van Vochtig Hooiland (N10.02) en Nat schraalland (N10.01) (blauwgrasland), inclusief de ontwikkeling van bloemrijke sloten en slootkanten en een afwisseling van Zoete Plas (N04.02), Moeras (N05.01) en veenmosrietland (N06.01). De ontwikkeling van Nat schraalland (N10.01) (blauwgrasland) is met name voorzien rondom de Veerslootslanden waar het veenpakket minder dan een meter dik is, de kweldruk hoger dan 1 mm per etmaal en waar met geschikte maatregelen (afgraven bovengrond, verondiepen sloten die zandondergrond aansnijden, peilverhoging in Olde Maten) het kwelwater weer in de percelen `gedrukt` kan worden. De component open water (beheertype Zoete Plas, N04.02) wordt versterkt door het openmaken van de verlande boksloten. Tussen Meppelerdiep en het natuurgebied Olde Maten en tussen de Wieden en het Meppelerdiep wordt verbindende natte natuurstroken aangelegd, die bestaan uit Zoete Plas (N04.02) en Moeras (N05.01).

In het zuidelijk deel van de Olde Maten en aangrenzend deel van de Veerslootslanden wordt gestreefd naar herstel van de weidevogelpopulaties, vooral die van de Wulp en Grutto.

8. Stadsgaten/De Ruiten

Gebiedsbeschrijving

De Stadsgaten is een natuurgebied met als belangrijkste natuurwaarden Nat schraalgrasland, Blauwgrasland  en Hoog- en laagveen bos.

Het gebied de Ruiten is een gebied waar een dun pakket veen op zand is gelegen. In de sloten komt treedt grondwater uit (kwel). In de sloten komen dan ook plantensoorten voor die op kwel reageren (o.a. Waterviolier, Holpijp) en soorten voor die kenmerkend zijn voor het Dotterbloemgrasland (o.a. Kruipend Zenegroen, Dotterbloem). Daarnaast komen hier nog soorten voor die kenmerkend zijn voor blauwgraslanden met o.a. nog relatief grote populatie van de Blauwe Knoop.

Uit de aanwezigheid van o.a. Wateraardbei, Draadzegge en Stijf Struisriet in en langs de sloten blijkt de potentie van het gebied voor de ontwikkeling van kleine zegge-vegetaties (trilveen). De overwegend vochtige percelen hebben een geringe actuele waarde.

Streefbeeld

De Ruiten heeft een directe samenhang met de noordelijk gelegen Stadsgaten. Het wordt ontwikkeld als een open veenweide gebied met zeer soortenrijke natte schraalgraslanden met bloemrijke graslanden (beheertypen Vochtig Hooiland (N10.02) en Nat schraalland en Blauwgrasland (N10.01) en Kruiden en faunarijk grasland (N12.02) inclusief de ontwikkeling van bloemrijke sloten en slootkanten. Op recent afgeplagd cultuurgrasland ontwikkelt zich momenteel zowel Vochtige hooiland als Nat schraalland.

9. Lierder en Molenbroek

Gebiedsbeschrijving

Het Lierder- en Molenbroek is een tegen de IJssel gelegen komkleigebied.  Tegen de IJssel ligt het landgoed Windesheim met een afwisseling van kleibossen en graslanden. Het eind 18e eeuw geplante bos is het enige kleibos van formaat in Noord- en Oost-Nederland. Het gebied heeft een karakteristieke paddenstoelflora, met o.a. Zonnerussula, Prachtamaniet en Narcisamaniet.  Sneeuwklokjes komen veel voor en  in het oudste deel groeit Bosgierstgras.   Het oostelijk deel van de polder is een belangrijk weidevogelgebied.  De afgelopen jaren is de weidevogelstand hier door gerichte inrichtingsmaatregelen en inzet van de agrarische natuurvereniging "Lierder en Molenbroek bv"  en natuurorganisaties gegroeid.  Langs de Soestwetering komen ook een aantal percelen  Kievitsbloemhooiland voor. 

Streefbeeld

In dit gebied is geen verdere uitbreiding van de EHS voorzien. 

10. Landgoederen Salland

Gebiedsbeschrijving

Salland wordt globaal begrensd door de IJssel, de Vecht, de Sallandse Heuvelrug en de Schipbeek. In Salland zijn van oost naar west te onderscheiden de zandlandschappen (jonge ontginningen en kampen) en de rivierlandschappen (mengelgronden, kommen en oeverwallen). Vooral op de overgang van het zandlandschap naar het rivierenlandschap lag een groot aantal landgoederen en buitenplaatsen, deze zijn grotendeels onderdeel van de EHS.. Dwars door de dekzanden heen snijden de beekdalen. Hierin worden beek- en broekeerdgronden aangetroffen. Van oudsher is Salland hydrologisch een afwisselend gebied. Naast de droge dekzanden bestonden er nattere zones met kwelwater of stagnerend regenwater.

Van oudsher was de kwel het sterkst in een zone waar het grondwater afkomstig van de Veluwe en die van de Sallandse Heuvelrug gezamenlijk uittrad. Hier bevindt zich nu nog een aantal kwelgebieden (o.a. Lutttenbergerven,  Pleegsterweiden/Schoonheten, Gooiermars en Wolbroeken). Honderdvijftig jaar geleden was een groot gedeelte van het gebied nog een afwisseling van Heide, Schraalland, Akkers en Kamgrasweiden. De stuwwal was grotendeels bedekt met Droge heide, de zone aan de voet en de aangrenzende dekzandvlakte bestond grotendeels uit een nat gebied met hoogveentjes, Vochtige heides, Natte schraallanden en Berkenbroekbos. Voor het overige bepaalde de mens het landschap. Het kleinschalige kampen-essenlandschap bestond uit akkers met houtwallen. De beekdalen werden gebruikt als weide- en hooiland. De meeste bossen vormden een onderdeel van de landgoederen en zijn jonger dan 250 jaar.

De hoogste natuurwaarden zijn te vinden in de hierboven genoemde kwelgebieden zoals het  Luttenbergerven.  Dit  is een voor Sallandse begrippen groot complex nat schraalland met o.a. Vochtige schraalgraslanden, waaronder Blauwgrasland, Bloemrijke graslanden en zure broekbossen. Hier komen soorten voor als Blauwe knoop, Spaanse ruiter en Klokjesgentiaan en bijzondere paddenstoelflora van schraalland (wasplaten, blauwstaaltjes). Nieuw ingerichte natuur aan de oostkant ontwikkelt zich richting vochtig hooiland met o.a. Klokjesgentiaan als gevolg van het uitleggen van maaisel.

De Gooiermars betreft een gebied oostelijk van Deventer. Hier zijn waterschapsleidingen verbreed en schraallanden hersteld. Heel bijzonder is het veel voorkomen van Kruipend moerasscherm, een soort die buiten Zeeland vooral bij Deventer voorkomt. Sierlijke vetmuur en diverse soorten orchideeën zijn hier eveneens verschenen.

Streefbeeld

In dit gebied wordt komende jaren het gebied Gooiermars fors uitgebreid, door omvorming van landbouwgronden naar natuur.  De grondwaterstand wordt hier verhoogd en er wordt een mozaïek van bloemrijke graslanden en natte schraalgraslanden ontwikkeld.   In de rest van het gebied zijn geen uitbreidingsdoelstellingen voor de EHS.  In dit gebied is alleen beheer van de bestaande natuur aan de orde.  Kwaliteitsverbetering van de graslanden in de  bestaande natuur is mogelijk door het strikt toepassen van een beheer gericht op verschraling.

11.  Boetelerveld

Gebiedsbeschrijving

Het Natura 2000 gebied Boetelerveld wordt gekenmerkd door het voorkomen van het habitattype vochtige heide en op kleine oppervlakte ook aan grondwater gebonden zwak gebufferde wateren en, blauwgraslanden, heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen en pioniergemeenschappen van snavelbiezen. In de blauwgraslanden komen nog soorten als Blauwe zegge, Melkviooltje, Welriekende nachtorchis en Moeraswespenorchis voor. Daarnaast komt hier een redelijke oppervlakte loof- en naaldbos van arme zandgrond voor.

Een groot deel van deze habitattypen is afhankelijk van langdurig natte omstandigheden en voor een deel ook afhankelijk van de toestroming van (matig) basenrijk grondwater. Momenteel zijn de grondwaterstanden te laag waardoor de heide sterk is verdroogd en vergrast  met Pijpestrootje.

Streefbeeld

Herstel van de waterhuishouding van het Boetelerveld is nodig om de van grondwater afhankelijke habitattypen duurzaam te kunnen behouden.  Hiervoor moet om het natuurgebied een hydrologische bufferzone gerealiseerd worden waarin de grondwaterstand wordt verhoogd.  Een deel van deze zone zal ingericht worden als natuurgebied. Een deel van de bufferzone kan mogelijk binnen het landbouwgebied gerealiseerd worden via een vergoeding voor natschade. Bij de verdere uitwerking zal dit nader geconcretiseerd worden.

Naast deze aanpassing van de waterhuishouding van de omgeving is er ook een noodzaak om in het Boetelerveld de waterhuishouding aan te passen, door de aanwezige greppels te dempen en naaldbos, vanwege te veel verdamping, te kappen.

12.Vechtdal

Gebiedsbeschrijving

Dit deelgebied omvat het Vechtdal zelf en een aangrenzende hoger gelegen bos-  en natuurgebieden. Dit deelgebied is samen met het Reggedal en de Sallandse Heuvelrug het hart van de Ecologische hoofdstructuur in Overijssel. Een deel van het Vechtdal valt binnen het N2000 gebied Vecht en Beneden-Reggegebied.

De Vecht betreft een vrijwel geheel door regen gevoede rivier. Dat betekende tot het eind van de 19e eeuw dat het water in winter en voorjaar hoog kon staan, maar dat in droge zomers de rivier een heel laag peil had, waardoor het op allerlei plekken doorwaadbaar was. Bij lage peilen kon zand vanuit de bedding gaan stuiven en in de aangrenzende grasland worden afgezet. Voor het eind van de 19e eeuw was de Vecht een zeer sterk meanderende rivier met gering verval van 1,5 m per 10 km, met veel overgangen van de rivier naar aangrenzende koelanden. Bij de kanalisatie in de periode 1896 - 1907 werden 69 rivierarmen afgesneden en 7 stuwen gerealiseerd.

Eén van de belangrijkste biotopen van het Vechtdal vormen de koelanden. Deze eeuwenlang, extensief beweide, niet gescheurde of kunstmatig bemeste graslanden hebben een zeer grote waarde. De mooiste voorbeelden hiervan worden gekenmerkt door een fijnschalig reliëf met mierenhopen waar soorten als Zwolse anjer, Grote wilde tijm, voorjaarszegge en Geel walstro voorkomen. Dit biotoop is ook erg rijk aan grasland padde