Omgevingsverordening Overijssel 2009

Geldend van 01-01-2017 t/m 01-05-2017

Intitulé

Omgevingsverordening Overijssel 2009

Algemene toelichting

0.1 Ambitie en sturingsfilosofie van de provincie Overijssel

De provincie Overijssel heeft als ambitie om samen met partners een vitale samenleving tot ontplooiing te laten komen in een mooi en vitaal landschap. Een samenleving waarin alle Overijsselaars zich thuis voelen en participeren. Met bloeiende steden en dorpen als motoren voor cultuur en werkgelegenheid, ingebed in een landschap, waarin wonen, natuur, landbouw en water elkaar versterken..­

Deze ambitie is nader uitgewerkt in de Omgevingsvisie Overijssel. Hierin is de provinciale visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in Overijssel weergegeven. De bestuursfilosofie daarbij is dat de provincie ernaar streeft om maatschappelijke resultaten te boeken waar inwoners van Overijssel belang aan hechten. Daartoe:

  • Pakken we complexe maatschappelijke uitdagingen integraal en samen met publieke, private en maatschappelijke partners in vitale coalities aan;

  • Bieden we bestuurlijke partners op het meest geëigende schaalniveau ruimte om op eigen gezag te handelen;

  • Beperken we bestuurlijke en ambtelijke drukte door eenvoudige en heldere regels.

Bewoners van Overijssel hebben aangegeven dat zij het stimuleren van de werkgelegenheid belangrijk vinden en gehecht zijn aan het Overijssels landschap en de natuur zoals deze nu is. De provincie heeft in de Omgevingsvisie de uitdaging opgepakt om een ontwikkelingsvisie te geven voor Overijssel, daarvoor ambities te formuleren en hierbij het instrumentarium te kiezen waarmee aan de ene kant ruimte wordt geboden aan sociaaleconomische ontwikkeling en tegelijkertijd de kwaliteit van het Overijssels landschap wordt versterkt. Een instrumentarium waarmee de provincie haar ambities realiseert en waarmee tegelijk partners ruimte hebben hun doelen te realiseren.

In de Omgevingsvisie zijn de onderwerpen benoemd die de provincie tot haar belang rekent. In figuur 1 in paragraaf 2.2.2. van de Omgevingsvisie zijn de provinciale ambities op hoofdlijnen samengevat. Een belangrijke wijziging ten opzichte van het huidige beleid is dat de provincie integraal en meer expliciet wil sturen op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. In de Omgevingsvisie is per thema nader uitgewerkt wat de provinciale ambities zijn en welke instrumenten daarvoor zullen worden ingezet.

0.1.1 Verordening in palet aan instrumenten

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van drie criteria:

  • Functioneren vitale coalitie en positie burger: met welk instrument kan een vitale coalitie zo goed mogelijk gevormd worden en is het in belang van de rechtsstaat?

  • Effectiviteit: met welk instrument kan het doel het best worden bereikt?

  • Doelmatigheid: welk instrument voorkomt onevenredige administratieve lasten en/of bestuurlijke drukte?

De instrumenten waaruit we kunnen kiezen, volgen uit de drie ‘productielijnen’ voor de provincie, zoals deze in onze visie op het middenbestuur, ‘de vitale coalitie van de provincie Overijssel’ zijn beschreven:

  • Visie (zie 3.3.1. van de Omgevingsvisie)

    o Omgevingsvisie zelf

    o Kennis verwerven en delen

  • Waarborg (zie 3.3.2. van de Omgevingsvisie)

    o Verordening (inclusief toezicht en handhaving en bijbehorende instrumenten als zienswijze, bezwaar en aanwijzing)

  • Realisatie (zie 3.3.3. van de Omgevingsvisie)

    o (Prestatie-)afspraken

    o Gebiedsontwikkelings- en uitvoeringsprojecten (inclusief bijv. inpassingsplan en projectbesluit)

    o Subsidies en fondsen

Op basis van bovenstaande criteria en productielijnen is in de Omgevingsvisie bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. De realisatieschema’s zijn het vertrekpunt geweest voor het opstellen van de verordening, waarbij de tekst van de Omgevingsvisie leidend is voor de inhoud en de vorm van de regels in de verordening. De verordening is dus één van de instrumenten die provincie inzet.

De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

0.1.2 Inzet van de verordening

In het kader van de Omgevingsvisie is bepaald voor welke onderwerpen de verordening wordt ingezet. Voor de wijze van regelen zijn de volgende aspecten als uitgangspunt gehanteerd (zie ook paragraaf 3.1. van de Omgevingsvisie):

  • Vitale coalities: realisatie door partnerschap

  • Effectief bestuur: decentralisatie en ruimte voor partners

  • Doelmatig bestuur: deregulering en helderheid

Dit betekent bijvoorbeeld dat we niet meer regelen dat strikt noodzakelijk, dat dubbelingen met andere regelgeving is vermeden en voorschriften zoveel mogelijk partners als gemeenten, waterschappen, bedrijven en particulieren in positie brengen om verantwoordelijkheid te nemen.

Verder wordt er niet meer geregeld wordt dan nodig is voor het belang zoals dat in de Omgevingsvisie is verwoord. Gemeenten krijgen zoveel mogelijk ruimte om daaraan een nadere invulling te geven. Wat elders geregeld wordt (in de komende AMvB Ruimte van het Rijk, in sectorale wet- en regelgeving of op andere plekken in de verordening zelf), wordt niet nog eens dubbel geregeld in deze verordening om extra regeldruk te voorkomen.

Voor de onderdelen die worden ‘overgenomen’ uit de verordening voor de Fysieke Leefomgeving (VFLO) geldt dat kritisch is nagegaan of een verdergaande deregulering mogelijk is. Daarbij wordt aangetekend dat bij de totstandkoming van de VFLO al een vergaande dereguleringsslag is gemaakt. In deze ronde zijn met name uitvoeringsbesluiten geschrapt die dubbelingen opleverden ten opzichte van de verordening zelf. Verder zijn procedurevoorschriften waar mogelijk vervangen door voorgeschreven formulieren.

Het uitgangspunt ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’ is ook toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in deze verordening. Waar mogelijk zijn afwijkingsmogelijkheden toegepast in plaats van ontheffingsbepalingen. Ook is zoveel mogelijk gekozen voor positief geformuleerde voorwaarden. In enkele gevallen was het niet goed mogelijk om een bepaling te formuleren als een ‘ja, mits-constructie’ en is een bepaling voor de benodigde juridische helderheid toch geformuleerd als een ‘nee, tenzij-constructie’.

Om te voorkomen dat procedures nodeloos ingewikkeld worden, is afgezien van de mogelijkheid om in het onderdeel dat zich richt op gemeentelijke ruimtelijke plannen (hoofdstuk 2) rechtstreekswerkende bepalingen op te nemen. Artikel 4.1. lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening biedt die mogelijkheid in de vorm van regels die moeten voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening in werking is getreden die is aangepast op de inhoud van deze verordening. Er is dus geen sprake van rechtstreekswerkende bepalingen in dit hoofdstuk waaraan bouwaanvragen getoetst zouden moeten worden zolang bestemmingsplannen niet zijn aangepast.

0.1.3 Status van de Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gegeven op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, water en bodem. De Omgevingsverordening Overijssel 2009 heeft de status van:

  • Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1. Wet ruimtelijke ordening

  • Milieuverordening in de zin van artikel 1.2. Wet milieubeheer

  • Waterverordening in de zin van de Waterwet

  • Verkeersverordening in de zin van artikel 57. van de Wegenwet en artikel 2A. van de Wegenverkeerswet.

Rechtsbescherming

De Omgevingsverordening Overijssel 2009 bevat algemene regels. Tegen het besluit tot vaststelling van algemene regels staan geen bezwaar- en beroepsmogelijkheden open. Wel kunnen belanghebbenden in procedures tegen bijvoorbeeld bestemmingsplannen, de onverbindendheid van de Omgevingsverordening inroepen.

De Omgevingsverordening voorziet in de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen. In hoofdstuk 7 is bepaald aan welke (algemene) voorwaarden een verzoek om ontheffing moet voldoen. Wanneer een ontheffing is verleend of geweigerd, kan hiertegen door belanghebbenden bezwaar en beroep worden ingesteld. De procedure daarvoor is geregeld in de Algemene Wet Bestuursrecht en in andere specifieke wetgeving die aan de Omgevingsverordening ten grondslag ligt. Overigens worden inwoners van Overijssel betrokken volgens de openbare voorbereidingsprocedure bij de wijziging van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening.

0.1.4 Opbouw naar doelgroepen

Hoewel het logisch lijkt om de Omgevingsverordening te rubriceren op thema’s is een dergelijke indeling niet handig gelet op het feit dat de ruimtelijke verordening, de waterverordening en de milieuverordening zich tot verschillende doelgroepen richten. Voor het thema water bijvoorbeeld geldt dat naast de (deels verplichte) regelingen in de waterverordening en de milieuverordening, er aanvullend ook via de ruimtelijke verordening bescherming van bepaalde belangen geregeld worden (o.a. primaire watergebieden, grondwaterbeschermingsgebieden).

De ruimtelijke verordening is gericht op gemeenten, de waterverordening is met name gericht op waterschappen en de milieuverordening richt zich op burgers, bedrijven en instellingen. Het is ongewenst dat gemeenten of waterschappen de hele verordening door moeten lopen om voorschriften te vinden die zij bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel een waterplan in acht moeten nemen. Het risico is te groot dat daarbij een bepaling over het hoofd wordt gezien.

Dit leidt ertoe dat - hoewel de benaming Omgevingsverordening weliswaar doet vermoeden dat er een integrale regeling wordt geboden voor de diverse onderwerpen waarvoor de provincie normstellend wil optreden - de Omgevingsverordening feitelijk een kaft vormt met daarbinnen 5 verschillende ‘verordeningen’ gericht op verschillende doelgroepen, die onderling zijn afgestemd om dubbelingen te voorkomen. Het gaat dan om de ruimtelijke verordening (hoofdstuk 2), de milieuverordening (hoofdstuk 3), de waterverordening (hoofdstuk 4) en de verkeersverordening (hoofdstuk 5). De overige hoofdstukken bevatten algemene bepalingen.

0.1.5 Hoofdstukindeling

De opbouw naar doelgroepen levert de volgende hoofdstukindeling op:

De regeling van de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving die opgenomen was in de provinciale Verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel (VFLO) wordt gewijzigd en vereenvoudigd ondergebracht in hoofdstuk 1. Met de regeling wordt voldaan aan de eis in artikel 9.1. Wro. In dit hoofdstuk staan verder enkele bepalingen die op het totaal van de Omgevingsverordening van toepassing zijn. Hier wordt nog eens expliciet vermeld dat hoofdstuk 2 (de ruimtelijke verordening) geen direct werkende bepalingen bevat. Verder wordt ter voorkoming van misverstanden duidelijk gemaakt dat de instructies in hoofdstuk 2 niet alleen gelden voor bestemmingsplannen, maar ook voor beheerverordeningen en projectbesluiten.

In hoofdstuk 2 is de ruimtelijke verordening te vinden die zich richt tot gemeenteraden en instructies bevat over de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wro biedt in artikel 4.1.

In hoofdstuk 3 is de ‘milieuverordening’ te vinden die zich richt op burgers, bedrijven en instellingen. Met dit onderdeel wordt invulling gegeven aan verplichtingen op grond van de Wet Milieubeheer en de Ontgrondingenwet. Hoewel het betreffende onderdeel als ‘milieuverordening’ te boek staat, betreft het de onderwerpen grondwaterbescherming en grondwateronttrekking, bodemsanering en ontgrondingen, dus onderwerpen op het terrein van water en bodem. Deze onderwerpen zijn tot dusver geregeld in de Provinciale Verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel (VFLO). Voor het onderdeel grondwateronttrekking is geconstateerd dat deze regeling zal vervallen op het moment dat de Waterwet in werking treedt (eind dit jaar). Vanaf dat moment voorziet de waterverordening (hoofdstuk 4) in een regeling voor grondwateronttrekking (titel 4.6). Daarom is er voor gekozen om de huidige regeling voor grondwateronttrekking niet (tijdelijk) over te nemen in hoofdstuk 3 van de verordening, maar voor dit onderdeel vooralsnog de huidige VFLO te handhaven.

In hoofdstuk 4 is de waterverordening opgenomen. Met dit onderdeel wordt voldaan aan de verplichting van de komende Waterwet. Hoofdstuk 4 is gebaseerd op de IPO-modelverordening en richt zich met name tot waterschappen. Het bijzondere van dit hoofdstuk is dat er sprake is van een uitgestelde inwerkingtreding (in verband de komende Waterwet) en van verschillende varianten (met het oog op provinciegrensoverschrijdende waterschappen die volgens landelijk afspraak met 1 verordening te maken krijgen).

In hoofdstuk 5 is het onderdeel van de huidige VFLO is (vrijwel ongewijzigd) opgenomen dat betrekking heeft op de aansluiting op en het gebruik van provinciale (vaar)wegen en is gericht op weggebruikers en ‘aanwonenden’.

De overige hoofdstukken bevatten procedurele en inwerkingtredingsbepalingen. Hoofdstuk 6 gaat over toezichthouders en strafbepalingen. Hoofdstuk 7 regelt de procedure voor het aanvragen van ontheffingen. Om misverstanden te voorkomen wordt hier nog eens expliciet verklaard dat dit hoofdstuk geen algemene ontheffingsmogelijkheid bevat. Ook regelt dit hoofdstuk niet de rechtsbescherming voor derden. Er bestaat de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen het verlenen of weigeren van een ontheffing, maar de procedure daarvan is al geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In hoofdstuk 8 wordt ook de inwerkingtreding geregeld. Afgezien van de uitgestelde inwerkingtreding voor hoofdstuk 4, is als datum van inwerkingtreding 1 september 2009 opgenomen.

Bij de verordening zijn enkele bijlagen gevoegd, die informatie bevatten waarnaar in de voorschriften wordt verwezen, maar die zich er niet voor lenen in die voorschriften zelf op te nemen.

0.2 Ruimtelijke verordening

0.2.1 Wro: scheiding beleid en normstelling

Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Deze wet vervangt de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) die dateerde van 1965 en als verouderd gold. De nieuwe wet biedt het wettelijke kader en de wettelijke instrumenten voor het (uit)voeren van ruimtelijk beleid. De nieuwe wet heeft daarmee net zoals de WRO, een instrumenteel karakter en doet geen beleidsinhoudelijke uitspraken over wat een goede ruimtelijke ordening is.

Ten opzichte van de oude WRO is met name voor de provincie veel veranderd. De provincie is niet langer aangewezen als instantie die (breed) toezicht moet houden op gemeenten maar zal zich onder de nWro moeten beperken tot de behartiging van provinciale ruimtelijke belangen. Daar staat tegenover dat de provincie evenals het Rijk zelfstandige instrumenten krijgt om die belangen te realiseren. De provincie krijgt met ingang van 1 juli 2008 dus niet alleen een andere rol, maar krijgt ook nieuwe instrumenten in handen die binnen de kaders die de nWro aangeeft kunnen worden ingezet.

De Wro gaat uit van een scheiding van beleid en normstelling. De hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijke beleid moet in één of meerdere structuurvisies worden vastgelegd en voorzien worden van een uitvoeringsparagraaf. Op basis van het overgangsrecht heeft het geldende streekplan de status van structuurvisie gekregen. Voor structuurvisies geldt dat zij bijna geheel vorm- en procedurevrij zijn en alleen de overheidslaag zelf binden. Om de doorwerking van het provinciale beleid veilig te stellen door middel van normering, zal de provincie het juridische instrumentarium moeten in zetten dat in de Wro hiervoor beschikbaar wordt gesteld.

0.2.2 Instrumenten onder de Wro

De Wro biedt de provincie de diverse nieuwe instrumenten:

In de eerste plaats biedt de Wro de provincie instrumenten om de uitvoering van het beleid zelf ter hand te nemen. Het gaat dan om de volgende instrumenten:

  • het provinciale bestemmingsplan dat in de Wro ‘inpassingsplan’ wordt genoemd,

  • het provinciale projectbesluit waarbij ontheffing van het geldende bestemmingsplan wordt verleend ten behoeve van een bouwplan,

  • de coördinatieregeling die het mogelijk maakt om vergunningen parallel te schakelen en

  • het instrumentarium van het grondbeleid (voorkeursrecht, onteigening en grondexploitatiebevoegdheden).

De provincie beschikt op grond van de Wro over de volgende instrumenten voor de beleidsdoorwerking vooraf:

  • de provinciale ruimtelijke verordening en

  • de proactieve aanwijzing.

De ruimtelijke verordening is een instructie van Provinciale Staten (PS) gericht aan gemeenteraden om de inhoud van en de toelichting op gemeentelijke bestemmingsplannen binnen een jaar in overeenstemming te brengen met de inhoud van de verordening. PS kunnen bij het vaststellen van de verordening gevallen aanwijzen waarvoor een andere termijn geldt. De proactieve aanwijzing is een instructie aan één of enkele gemeenten om een gemeentelijk bestemmingsplan met een bepaalde inhoud vast te stellen. Niet juridische instrumenten voor de doorwerking vooraf zijn beleidsregels, bestuursafspraken (prestatieafspraken) en het vooroverleg over gemeentelijke ruimtelijke plannen.

Voor de beleidsdoorwerking achteraf kunnen de volgende juridische instrumenten worden ingezet:

  • zienswijzen op ontwerpbestemmingsplannen

  • beroep tegen vastgestelde bestemmingsplannen en

  • de reactieve aanwijzing waarmee een (deel van) een bestemmingsplan wegens strijd met het provinciaal belang buitenwerking kan worden gesteld.

    Reactieve aanwijzing

    Bij de behandeling van de Invoeringswet Wro in de Eerste Kamer is door de minister gesteld dat het instrument van reactieve aanwijzing alleen kan worden ingezet op onderwerpen waarvoor vooraf kaders zijn gesteld in de provinciale ruimtelijke verordening. Er is alleen uitzondering op deze regel mogelijk voor onderwerpen die niet goed geregeld kunnen worden in de verordening of alleen op een wijze die onevenredig veel bestuurslasten met zich mee zou brengen. Deze stelling name betekent dat er in de praktijk een zwaarder accent komt te liggen bij de provinciale verordening om de doorwerking van het provinciale beleid veilig te stellen.

0.2.3 Sturen en samenwerken onder de nieuwe Wro

In het Lentedocument – Sturen en samenwerken onder de nieuwe Wro (2008) is de provinciale sturingsfilosofie op basis van de Wro weergegeven. Voor de provincie Overijssel is uitgangspunt dat gemeenten primair de instantie zijn die in bestemmingsplannen de gewenste goede ruimtelijke ordening juridisch vastleggen. Daarbij gaat de provincie er vanuit dat de gemeenten rekening zullen houden met het provinciale belang. Door middel van voorkantsturing zal de provincie tijdig helder maken op welke wijze volgens haar rekening moet worden gehouden met dat provinciale belang. Als overleg niet leidt tot het veiligstellen van het provinciaal belang, zal de provincie haar juridisch instrumentarium inzetten. Daarbij is op voorhand geen enkel instrument uitgesloten. Dit betekent dat de provincie zienswijzen zal indienen bij de gemeenteraad en beroep op de Afdeling Bestuursrechtsopraak zal instellen tegen gemeentelijke (ontwerp)plannen die in strijd zijn met het provinciaal belang, maar zo nodig een reactieve aanwijzing zal geven waarmee het betreffende bestemmingsplan buiten werking wordt gesteld. De provincie zal waar nodig door middel van de provinciale ruimtelijke verordening instructies geven aan gemeenteraden om bestemmingsplannen aan te passen aan de inhoud van de verordening. De provincie zal alleen overgaan tot het vaststellen van inpassingsplannen (= provinciale bestemmingsplannen) als een gemeente niet bereid is of (tijdig) in staat blijkt een bestemmingsplan vast te stellen hoewel het provinciaal belang daarom vraagt.

De provincie zet als volgt in op het realiseren van provinciaal belang:

  • Accent op samenwerking, overleg en voorkantsturing

  • Realisatie door (voor-)overleg en (prestatie-)afspraken

  • Bij strijdigheid: zienswijze geven, eventueel gevolgd door reactieve aanwijzing/beroep.

De verordening wordt ingezet als dit selectief en doelmatig is, van belang voor de positie van de burger, als het Rijk dit eist of ter verkoming van extra regels in een Algemene Maatregel van Bestuur. Overige instrumenten zoals het inpassingsplan, het projectbesluit en de proactieve aanwijzing zet de provincie selectief in.

De verordening is dus één van de instrumenten ter realisatie van beleidsambities van provinciaal belang. In de Omgevingsvisie Overijssel wordt de inzet van dit instrument bepaald, maar ook van de andere instrumenten zoals (prestatie-)afspraken, gebiedsontwikkeling/uitvoeringsprojecten, subsidies en fondsen en kennis verwerven en delen.

0.2.4 Principebesluit tot inzet van de ruimtelijke verordening

De Wro introduceert dus een nieuw sturingsinstrument voor de provincie, te weten de provinciale ruimtelijke verordening. Met een dergelijke verordening kan het provinciaal bestuur regels stellen die gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen in acht moeten nemen. De verordening komt samen met andere instrumenten in plaats van het recht op goedkeuring van bestemmingsplannen dat de provincie onder de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening had. Een groot verschil tussen het nieuwe en het oude systeem is, dat de regels in de provinciale verordening vooraf worden gesteld, terwijl de goedkeuring van bestemmingsplannen achteraf plaatsvond, nadat de gemeenten de bestemmingsplannen hadden vastgesteld.

In de Startnotitie Omgevingsvisie Overijssel van 21 augustus 2007 hebben GS besloten tot de voorbereiding van één integrale omgevingsvisie waarin richting wordt gegeven aan de ruimtelijke ontwikkeling in Overijssel en tegelijk ruimte wordt geboden aan gemeenten voor lokale keuzes. In de Startnotitie is een nieuwe sturingsfilosofie op basis van de nieuwe Wro aangekondigd en dat de provincie gaat sturen op ruimtelijke kwaliteit.

In de Startnotitie is geconcludeerd dat de doorwerking van het provinciale beleid onder de Wro bereikt wordt door de inzet van de nieuwe instrumenten die de provincie onder deze wet ter beschikking staan. In de Startnotitie is vanuit het uitgangspunt van deregulering en ontbureaucratisering ervoor gekozen om de bestaande beleidsregels bijeen te brengen in één Omgevingsverordening.

0.2.5 AMvB Ruimte

In de AMvB Ruimte, waarvan de eerste tranche naar verwachting in werking treedt in 2010, stelt het Rijk de doorwerking van nationale belangen veilig in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Rijk doet dit voor een deel door rechtstreeks regels te stellen aan de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen. Voor een deel worden deze regels getrapt gegeven, namelijk via een opdracht aan Provinciale Staten om een nadere uitwerking van deze regels te geven in de provinciale verordening. Deze getrapte regeling stelt de provincie in staat om vanuit provinciaal belang een inkleuring te geven aan de nationale belangen die in het Rijksbeleid ‘indirect’ zijn geformuleerd. Hiermee wordt bedoeld dat het Rijksbeleid een algemeen beleidskader en doel vaststelt, maar dat een nadere uitwerking en detaillering door de provincies wordt verlangd.

De eerste tranche van de AMvB Ruimte die naar verwachting medio 2010 in werking zal treden bevat de volgende onderwerpen die voor Overijssel relevant zijn:

  • Bundeling van verstedelijking en economische activiteiten t.b.v. optimale benutting bestaand bebouwd gebied

  • Regime van beleidslijn grote rivieren voor buitendijks gebied en reservering voor lange termijn locaties voor ruimte voor de rivier

  • Vrijwaringszone t.b.v. de mogelijke versterking van de primaire waterkering rond het IJsselmeergebied en een planologisch regime voor buitendijkse ontwikkelingen

  • Planologische borging van ruimtelijke aanspraken t.b.v. regionale watersystemen

  • Ecologische hoofdstructuur

  • Nationale Landschappen

  • Planologisch kader recreatiewoningen en vastleggen basisrecreatietoervaartnet

Voor deze onderwerpen geldt dat de verplichting om deze onderwerpen te regelen in de verordening pas formeel gaat gelden op het moment dat AMvB Ruimte van kracht wordt. De inhoud van de AMvB is nog in discussie met IPO en VNG. In deze Omgevingsverordening wordt voorzichtig voorgesorteerd op de inhoud van de concept-AMvB. Uitgangspunt daarbij is dat alvast geregeld wordt wat op basis van de Ontwerp Omgevingsvisie gerekend wordt tot het provinciale belang en past bij het beoogde detailniveau van de regeling.

In hoofdstuk 2 is een regeling opgenomen van voor de SER-ladder, programmering van woningbouw en bedrijventerreinen, een kader wordt geboden voor Rood-voor-Rood, Rood-voor-Groen, en VAB-beleid (via de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving), de EHS wordt geregeld volgens de huidige afspraken met het Rijk en de Nationale Landschappen worden beschermd. De mogelijkheden voor nieuwe recreatiewoningen zijn conform het provinciale beleid meer ingeperkt dan het Rijk gaat doen. Daar staat tegenover dat geen poging wordt gedaan om de zeer gedetailleerde regeling voor het basisrecreatietoervaartnet (BRTN) in de verordening een plek te geven, omdat het Rijk dat straks rechtsreeks laat vastleggen in bestemmingsplannen.

Aan het lijstje kan het onderwerp GDV/PDV worden toegevoegd, omdat hierover recentelijk bestuurlijke afspraken zijn gemaakt tussen de provincies en de Minister van VROM.

Door deze onderwerpen alvast op te pakken in deze tranche van de Omgevingsverordening wordt invulling gegeven aan de afspraken die gemaakt zijn in het kader van Mooi Nederland.

Er bestaat een risico dat deze regeling weer aangepast moet worden als blijkt dat deze niet strookt met de precieze opdracht in de AMvB Ruimte.

0.3 Milieuverordening

Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) is het opstellen van een milieuverordening verplicht. Deze milieuverordening omvat in ieder geval:

  • Regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden (grondwaterbeschermingsgebieden) (artikel 1.2. Wm)

  • Regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden (stiltegebieden) (artikel 1.2. Wm)

Voor deze onderwerpen is op dit moment een regeling getroffen in de verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel (VFLO) zij het dat voor het onderdeel ‘stiltegebieden’ een leeg artikel geldt. Voor (potentiële) stiltegebieden geldt dat er vanuit wordt gegaan dat deze voldoende bescherming krijgen door ligging binnen de EHS. In de Omgevingsvisie is daarom nadrukkelijk afgezien van het aanwijzen van stiltegebieden. Het opnieuw opnemen van een leeg artikel over stiltegebieden in de Omgevingsverordening wordt niet zinvol geacht.

Ten opzichte van de huidige VFLO is een dereguleringsslag geleverd, waarbij uitvoeringsbesluiten zijn geschrapt en procedurevoorschriften waar mogelijk vervangen zijn door voorgeschreven formulieren. Waar uitvoeringsvoorschriften niet gemist kunnen worden, zijn deze ondergebracht in een bijlage bij hoofdstuk 3.

Nieuw ten opzichte van de VFLO zijn de volgende onderdelen:

  • De aanwijzing van de boringsvrije zone Salland Diep. Daarvoor zijn de volgende regels opgenomen:

    o Algemene voorschriften voor mechanische ingrepen (boringen e.d.) dieper dan 50 meter onder het maaiveld en

    o Een absoluut verbod op nieuwe bodemenergiesystemen dieper dan 50 meter (bestaande systemen mogen aanwezig blijven);

  • Voor de boringsvrije zone Engelse Werk te Zwolle geldt nu een verbod op ingrepen en bodemenergiesystemen dieper dan 75 meter. Tot dusver gold een verbod tot ingrepen dieper dan 50 meter. De beschermende kleilaag ligt hier echter op een diepte van 75/80 meter. De gemeente Zwolle heeft gevraagd om verruiming van de regeling om bodemenergiesystemen mogelijk te kunnen maken tot 75/80 meter. Overigens wordt de boringsvrije zone Engelse Werk bijna geheel overlapt door de nieuwe boringsvrije zone Salland Diep.

  • De regels voor bouwstoffen, grond en bagger zijn aangepast vanwege de inwerkingtreding van het nieuwe Besluit bodemkwaliteit. Daarbij is een onderzoeksplicht en een meldingsplicht opgenomen voor grootschalige toepassingen (meer dan 5000 m3) waarbij licht verontreinigde grond en bagger wordt gebruikt, bijv. bij verondieping van zandwinplassen.

De regels die in de VFLO waren opgenomen voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen zijn geschrapt omdat landelijke regelgeving is aangescherpt.

0.4 Waterverordening

Op grond van de Waterwet zijn de volgende onderdelen in de waterverordening verplicht:

  • Regionale waterkeringen (2.4. Waterwet)

  • Waterkwantiteit (2.8. Waterwet)

  • Toedeling vaarwegbeheer (3.2. Waterwet)

  • Regionale waterplannen (3.11., 4.5. en 4.7. Waterwet)

  • Beheersplannen betreffende regionale wateren (3.10., 4.5. en 4.7. Waterwet)

  • Peilbesluiten (5.2. Waterwet)

  • Grondwateronttrekkingen (8.1. jo 6.4. Waterwet)

  • Handhaving

0.4.1 Afstemming waterverordening

In IPO-verband zijn afspraken gemaakt over de inhoudelijke afstemming van de waterverordeningen van provincies die te maken hebben met provinciegrensoverschrijdende waterschappen. Om te voorkomen dat een waterschap te maken krijgt met verschillende waterverordeningen, is afgesproken dat de provincie waarin het kleinste deel van het grondgebied van het waterschap valt de waterverordening ‘overneemt’ van de provincie waarin het grootste deel valt. Dit vergt niet alleen afstemming over de inhoud van de waterverordening met buurprovincies, maar ook een afstemming van het moment dat overgegaan wordt tot vaststelling/inwerkingtreding.

Hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening richt zich op het regionale waterbeheer en de taakuitoefening van de waterschappen Groot-Salland, Vechtstromen en Reest en Wieden. Voor de waterschappen Rijn en IJssel, Zuiderzeeland en Vallei en Veluwe geldt dat zij een klein deel van hun werkgebied in Overijssel hebben liggen. Op grond van de afspraken in IPO-verband zal voor het waterschap Zuiderzeeland de waterverordening van Flevoland van toepassing worden verklaard. Voor de waterschappen Rijn en IJssel en Vallei en Veluwe zijn de waterverordeningen die de betrokken provincies voor elk waterschap afzonderlijk heeft gemaakt van toepassing . Met de provincie Drenthe is de afspraak gemaakt dat voor Vechtstromen en Reest en Wieden de waterverordening van de provincie Overijssel (hoofdstuk 4 van deze Omgevingsverordening) van toepassing is.

0.5 Verkeer

In hoofdstuk 5 is het onderdeel van de huidige VFLO ongewijzigd opgenomen dat betrekking heeft op de aansluiting op en het gebruik van provinciale (vaar)wegen en is gericht op weggebruikers en ‘aanwonenden’.

0.6 Toezicht en strafbepaling

Dit hoofdstuk is nodig om de rol van de provincie als toezichthouder uit te kunnen oefenen door de aanwijzing van toezichthouders en de mogelijkheid van strafbaarstelling te regelen. Dergelijke bepalingen waren ook al opgenomen in de verordening voor de Fysieke Leefomgeving.

0.7 Ontheffingsbepalingen

Op een aantal punten in de verordening is voorzien in ontheffingsmogelijkheden voor GS om te zorgen voor de nodige flexibiliteit. Benadrukt wordt dat de ontheffingen gekoppeld zijn aan de aard van het betreffende hoofdstuk. Dit betekent dat de ontheffing in hoofdstuk 2 een vrijstelling inhoud voor een gemeenteraad van de opdracht die in de verordening in algemene zin aan gemeenteraden wordt gegeven om hun bestemmingsplannen in overeenstemming te brengen met de inhoud van de verordening. De ontheffing in hoofdstuk 3 maken onder voorwaarden specifieke activiteiten mogelijk binnen gebieden waarvoor een algemeen geformuleerd verbod geldt (bijvoorbeeld activiteiten waardoor schadelijke stoffen in het grondwater terecht zouden kunnen komen). De ontheffingen in hoofdstuk 4 richten zich niet alleen op waterschappen, maar op een ieder die veranderingen wil aanbrengen aan bepaalde scheepvaartwegen en werken wil uitvoeren in de oevers van scheepvaartwegen. In hoofdstuk 7 zijn de procedurebepalingen ten aanzien van ontheffingsaanvragen opgenomen.

0.8 Overgangs- en slotbepalingen

In hoofdstuk 8 van de Omgevingsverordening worden in het algemeen overgangsbepalingen geformuleerd, die voorkomen moeten worden dat geldende besluiten opnieuw ter discussie komen en dat aanvragers lopende een procedure geconfronteerd worden met nieuw recht. De bepalingen van de ruimtelijke verordening richten zich in hoofdzaak richten op nieuwe ontwikkelingen. Dit betekent dat de verordening pas op dat moment doorwerkt in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Voor de Ecologische Hoofdstructuur geldt een specifieke overgangsbepaling, waarbij de wettelijke termijn tot aanpassing van 1 jaar is verruimd.

0.8.1 Uitgestelde inwerkingtreding

Hoofdstuk 4 van is gebaseerd op de model-watererordening van het IPO. Dit model is afgestemd op de Waterwet die naar verwachting eind 2009 in werking zal treden. Om te voorkomen dat bepalingen die opgenomen zijn op basis van de Waterwet inwerking treden voordat de wet zelf in werking treedt, is in hoofdstuk 9 geregeld dat hoofdstuk 4 pas op dat moment in werking treedt.

In hoofdstuk 4 zijn onderwerpen geregeld die tot dusver in de Provinciale Verordening voor de Fysieke Leefomgeving waren geregeld. Deze verordening wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening ingetrokken. Om te voorkomen dat er op dit punt een gat valt, worden de onderdelen uit de Provinciale Verordening voor de Fysieke Leefomgeving die straks geregeld worden in hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening vooralsnog niet ingetrokken. Het gaat om hoofdstuk 4 paragraaf 1 (grondwateronttrekking) en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit, om hoofdstuk 6 artikel 6.1. (aanwijzing toezichthouders) en artikel 6.2. (strafbepalingen) en hoofdstuk 5 paragraaf 2 (scheepvaartwegen).

0.9 Wijze van publicatie

De Verordening zal analoog worden vastgesteld, maar ook digitaal beschikbaar komen. Met name voor het sturen op ruimtelijke kwaliteit is een digitale en interactieve wijze van benaderen voor de praktijk handiger dan het hanteren van alle fysieke kaarten die onderdeel uitmaken van de verordening. Het systeem met kaartlagen maakt het mogelijk om verschillende gegevens eenvoudig te combineren en af te wegen.

Aan de verordening zal een eigen set kaarten worden toegevoegd die met name voor het helder definiëren van het toepassingsbereik van bepalingen onmisbaar zijn. De kaarten zijn gemaakt op een schaal van 1:100.000 en zullen op papier na publicatie op provinciehuis en gemeentehuizen ter inzage liggen. Daarnaast zijn de kaarten online te raadplegen op de website http://www.omgevingsvisie.nl/.

Hoofdstuk 1. Algemeen

Titel 1.1. Algemene begrippen

Artikel 1.1.1.
  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. Omgevingsvisie Overijssel: provinciale integrale visie voor de fysieke leefomgeving zoals vastgesteld door Provinciale Staten Overijssel op 1 juli 2009;

  • b. bestemmingsplan: plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening;

  • c. beheersverordening: verordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening;

  • d. projectbesluit: besluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 1.1.2.

Waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen, moeten deze instructies ook geacht worden gericht te zijn op projectbesluiten en beheersverordeningen.

Artikel 1.1.3.

Waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van de inhoud van bestemmingsplannen, zijn deze instructies gericht aan de gemeenteraad en werken deze niet rechtstreeks door bij de afgifte van bouwvergunningen, aanlegvergunningen en ontheffingen.

Titel 1.2. Adviescommissie

1

Artikel 1.2.1. Instelling en taken Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving
  • 1. Er is een Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving (PCFL), hierna te noemen de commissie.

  • 2a. De commissie vervult de advies- en overlegtaken inzake het provinciaal beleid zoals bepaald in artikel 8, lid 2 van de Wet op de waterhuishouding, artikel 2.41 van de Wet milieubeheer en artikel 9.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

  • 2b. Daarnaast adviseert de commissie aan Provinciale Staten en/of Gedeputeerde Staten over aangelegenheden betreffende de waterhuishouding, het milieubeheer, de ruimtelijke ordening, de volkshuisvesting en de stedelijke vernieuwing in Overijssel, indien en voor zover in enig wettelijk voorschrift een dergelijk advies wordt voorgeschreven dan wel daarom door Gedeputeerde Staten dan wel Provinciale Staten wordt gevraagd.

  • 3. Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten kunnen gezamenlijk nadere regels geven omtrent de taak en werkwijze van de commissie.

Artikel 1.2.2. Samenstelling van de commissie
  • De commissie bestaat uit de volgende leden:

  • a. een onafhankelijke voorzitter;

  • b. een vertegenwoordiger van het Ministerie van VROM, Directoraat Generaal Ruimte;

  • c. de VROM-inspecteur Oost;

  • d. een vertegenwoordiger van Rijkswaterstaat, directie Oost-Nederland;

  • e. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, directie Oost;

  • f. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Economische Zaken;

  • g. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Defensie;

  • h. een vertegenwoordiger van Het Oversticht, genootschap tot bevordering en instandhouding van het landelijk en stedelijk schoon in de provincie Overijssel;

  • i. een vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschappen en Monumenten;

  • j. twee vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse gemeenten, afdeling Overijssel, waarvan één lid uit de kring van de vijf grote gemeenten en één lid uit de kring van de overige gemeenten;

  • k. een vertegenwoordiger van de gezamenlijke Overijsselse waterschappen (Overijssels Dijkgraven Overleg);

  • l. een vertegenwoordiger van Vitens NV;

  • m. een vertegenwoordiger van de LTO-Noord;

  • n. een vertegenwoordiger van de samenwerkende Kamers van Koophandel in Overijssel;

  • o. een vertegenwoordiger van de werkgevers- en werknemersorganisaties in Overijssel;

  • p. een vertegenwoordiger van Natuur en Milieu Overijssel;

  • q. een vertegenwoordiger van de besturen van de erkende particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties in Overijssel;

  • r. een vertegenwoordiger van een organisatie die de zorg voor integrale veiligheid tot haar taak heeft;

  • s. een vertegenwoordiger van de Recron;

  • t. een vertegenwoordiger van de ANWB Oost;

  • u. een vertegenwoordiger van het Overijssels Particulier Grondbezit;

  • v. een vertegenwoordiger van de Universiteit Twente.

Artikel 1.2.3. Benoeming en lidmaatschap van de commissie
  • 1. Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten bereiden gezamenlijk de benoeming voor van de onafhankelijke voorzitter van de commissie.

  • 2. De voorzitter van de commissie wordt benoemd door Gedeputeerde Staten.

  • 3. Benoeming op grond van het tweede lid geldt tevens als benoeming door Provinciale Staten.

  • 4. Gedeputeerde Staten stellen Provinciale Staten spoedig van elk benoemingsbesluit in kennis.

Hoofdstuk 2. Ruimtelijke ordening

Titel 2.1. Sturen op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid

2

Artikel 2.1.1. Begripsbepalingen
  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is;

  • b. gebiedskenmerken: de verschillende typen landschappen en hun kenmerkende eigenschappen zoals beschreven in de Catalogus Gebiedskenmerken, die als bijlage deel uitmaakt van deze verordening en aangegeven op de kaarten:

    • • Gebiedskenmerkenkaart, Natuurlijke laag nr. 09295046;

    • • Gebiedskenmerkenkaart, Laag van het agrarisch cultuurlandschap nr. 09295047;

    • • Gebiedskenmerkenlaag, Stedelijke laag nr. 09295048;

    • • Gebiedskenmerkenkaart, Lust- en leisurelaag nr. 09295049;

  • c. ontwikkelingsperspectieven: de als zodanig op kaart Ontwikkelingsperspectieven nr. 09295055 aangegeven gebieden waarvoor in de Omgevingsvisie Overijssel 2009 beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities zijn geformuleerd op basis van voor deze gebieden geldende opgaven en kansen;

  • d. versterken van ruimtelijke kwaliteit: het leggen van nieuwe verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen waarbij bestaande kwaliteiten worden benut en waar mogelijk nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd;

  • e. kwaliteitsontwikkeling: is het proces waarbij elk project/elke ontwikkeling bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving;

  • f. bestaand bebouwd gebied: de gronden die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/artikel 10 BRO;

  • g. stedelijke functies: wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen, met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen;

  • h. groene omgeving: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied;

  • i. bestaande erven: bestaande en/of als zodanig bestemde bouwvlakken ten behoeve van woningen, voorzieningen en bedrijven in de groene omgeving, daarbij inbegrepen de bouwvlakken voor dergelijke functies die voorzien zijn in voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/ artikel 10 BRO;

  • j. stedelijke ontwikkelingen: het realiseren van stedelijke functies zoals woningbouw, bedrijventerreinen, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve en religieuze voorzieningen met de daarbij behorende infrastructuur met bijbehorende groen en water en het hiertoe bouwrijp maken van gronden;

  • k. niet aan de Groene omgeving gebonden bedrijvigheid: niet-agrarische bedrijvigheid die niet functioneel aan de Groene omgeving is gebonden;

  • l. stedelijke netwerken: de Netwerkstad Zwolle Kampen, de Netwerkstad Twente en de Stedendriehoek;

  • m. streekcentra: de kernen Steenwijk en Hardenberg.

  • n. herstructurering: het proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie van het terrein gehandhaafd blijft;

  • o. transformatie: het proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie wordt omgezet naar een andere functie;

  • p. schuifruimte: nieuwe locaties voor wonen of bedrijventerreinen ten behoeve van de uitplaatsing van functies in het kader van herstructurering;

  • q. lokaal gewortelde bedrijvigheid: bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaaleconomische structuur/voorzieningen.

Artikel 2.1.2. Principe van concentratie
  • 1. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen.

  • 2. In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van stedelijke voorzieningen om te voldoen aan een bovenregionale behoefte voor zover deze bestemmingsplannen gebieden betreffen die onderdeel uitmaken van stedelijke netwerken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt niet voor gebieden die vallen binnen nationale landschappen als bedoeld in artikel 2.6.2.

  • 3. In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen van de streekcentra voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van voorzieningen ter voldoening van een regionale behoefte.

  • 4. In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw en bedrijventerrein om te voldoen aan (een deel van) de behoefte van een buurgemeente op basis van afspraken die door samenwerkende gemeenten zijn gemaakt en die passen binnen een woonvisie als bedoeld in artikel 2.2.2 en/of een bedrijventerreinenvisie als bedoeld in artikel 2.3.2.

Artikel 2.1.3. SER-ladder voor de Stedelijke omgeving
  • Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;

  • • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Artikel 2.1.4. Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
  • Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in andere dan stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • • dat (her)benutting van bestaande bebouwing in de groene omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;

  • • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Artikel 2.1.5. Ruimtelijke kwaliteit
  • 1. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

  • 2. In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagen-benadering die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing.

  • 3. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.

  • 4. Gemeenteraden mogen gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied geldt, wanneer:

    • • er sprake is sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen en

    • • voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt niet voor gevallen waarin sprake is van ontwikkelingen die volgens het bepaalde in de onderdelen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 MER-plichtig zijn.

  • 5. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken normerende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze normerende uitspraken.

  • 6. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken richtinggevende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze richtinggevende uitspraken.

  • 7. Van het gestelde onder 5 mag gemotiveerd worden afgeweken wanneer:

    • • er sprake is van zwaarwegende sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen en

    • • voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken.

  • 8. Van het gestelde onder 6 mag worden afgeweken mits voldoende gemotiveerd is dat de kwaliteitsambitie zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken in gelijke mate gerealiseerd wordt.

Artikel 2.1.6. Kwaliteitsimpuls Groene omgeving
  • 1. Bestemmingsplannen voor de groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

  • 2. In afwijking van het gestelde onder lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan de vestiging van nieuwe agrarische bouwpercelen worden toegestaan als:

    • • een ondernemer zijn landbouwbedrijf verplaatst voor het realiseren van publieke belangen;

    • • een ondernemer op de huidige locatie geen ontwikkelingsmogelijkheden meer heeft en een volwaardig agrarisch bedrijf verplaatst naar een locatie waar wel ontwikkelingsmogelijkheden zijn. Op voorwaarde dat het agrarisch bouwperceel als bestemming op de uitplaatsingslocatie(s) in Overijssel wordt opgeheven. Deze voorwaarde geldt niet als er sprake is van een verplaatsing van een intensieve tak van een gemengd landbouwbedrijf naar een Landbouwontwikkelingsgebied of als de uitplaatsingslocatie herbenut zal worden door een volwaardig agrarisch bedrijf.

  • 3. In aanvulling op het gestelde onder 1 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Ecologische Hoofdstructuur (EHS), de voorwaarde dat de compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.

Titel 2.2. Woningbouw

3

Artikel 2.2.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

a. woonvisie: gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe het woningbouwprogramma binnen de gemeente zal worden ingevuld en dat tot stand komt in onderlinge afstemming met buurgemeenten.

Artikel 2.2.2. Nieuwe woningbouwlocaties
  • 1. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien in de totstandkoming van nieuwe woningbouwlocaties voor zover de nieuwe woningbouwlocatie naar aard, omvang en locatie in overeenstemming is met een woonvisie waarover overeenstemming is bereikt met de buurgemeenten en met Gedeputeerde Staten van Overijssel.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van overeenstemming met buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.

Artikel 2.2.3. Vervangende overeenstemming provincie
  • 1. In het geval dat schriftelijk is onderbouwd dat in redelijkheid geen overeenstemming kon worden bereikt met een buurgemeente, treedt de overeenstemming met Gedeputeerde Staten in de plaats van de verplichte overeenstemming met buurgemeenten zoals bepaald in artikel 2.2.2.

  • 2. Gedeputeerde Staten besluiten tot overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is aangetoond dat de woningbouw past binnen de provinciale visie op de woningbouwprogrammering.

Artikel 2.2.4.

Vervalt.

Titel 2.3. Werklocaties (Bedrijventerreinen en kantoren(locaties))

4

Artikel 2.3.1. Begripsbepalingen
  • In deze titel wordt verstaan onder:

  • a. bedrijventerreinenvisie: gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe de bedrijfsterreinenprogrammering binnen de gemeente zal worden ingevuld en dat tot stand komt in onderlinge afstemming met buurgemeenten.

  • b. bedrijventerrein: werklocaties voor bedrijvigheid en bij de bedrijven behorende kantoorruimte.

  • c. kantorenvisie: gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe de kantorenprogrammering binnen de gemeente zal worden ingevuld en dat tot stand komt in overleg en samenwerking met marktpartijen en in onderlinge afstemming met buurgemeenten.

  • d. ruimtelijk-economische onderbouwing: gemeentelijk document waarin vanuit ruimtelijke-economische overwegingen een onderbouwing is gegeven van de behoefte met betrekking tot de realisering van nieuwe zelfstandige kantoren en dat tot stand komt in overleg en samenwerking met marktpartijen en in onderlinge afstemming met buurgemeenten.

  • e. kantorenlocatie: werklocatie met zelfstandige kantoren.

Artikel 2.3.2 Nieuwe bedrijventerreinenlocaties
  • 1. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien uitsluitend in de totstandkoming van nieuwe bedrijventerreinen indien de nieuwe bedrijventerreinen naar aard, omvang en locatie in overeenstemming zijn met de gemeentelijke bedrijventerreinenvisie waarover overeenstemming is bereikt met de buurgemeenten en metGedeputeerde Staten van Overijssel.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van overeenstemming met buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.

  • 3. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op die bestemmingsplannen waarvoor geldt dat de provinciale diensten in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/10 BRO een positief advies hebben uitgebracht over het voorontwerp.

2.3.3 Nieuwe kantoren en kantorenlocaties
  • 1. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien niet in de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoren en/of kantorenlocaties.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan met een bestemmingsplan of projectbesluit medewerking worden verleend aan de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoren als in een ruimtelijk-economische onderbouwing is aangetoond dat:

    • a.

      er behoefte is aan extra kantoorruimte waarin niet kan worden voorzien vanuit de bestaande capaciteit aan kantoorruimte;

    • b.

      de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben ingestemd met de conclusie dat er behoefte is aan extra kantoorruimte zoals voorzien in het bestemmingsplan of projectbesluit;

  • 3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van instemming van buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.

  • 4. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op die bestemmingsplannen waarvoor geldt dat de provinciale diensten in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/10 BRO een positief advies hebben uitgebracht over het voorontwerp.

2.3.4 Vervangende overeenstemming provincie
  • 1. In het geval dat schriftelijk is onderbouwd dat in redelijkheid geen overeenstemming kon worden bereikt met een buurgemeente, treedt de overeenstemming met Gedeputeerde Staten in de plaats van de verplichte overeenstemming met buurgemeenten zoals bepaald in artikel 2.3.2. en 2.3.3.

  • 2. Gedeputeerde Staten besluiten tot overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is aangetoond dat de ontwikkeling van bedrijventerrein past binnen de provinciale visie op de bedrijventerreinenprogrammering.

  • 3. Gedeputeerde Staten besluiten tot overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is aangetoond dat de ontwikkeling van nieuwe kantoren past binnen de provinciale visie op de ontwikkeling van de (regionale) kantorenmarkt.

Titel 2.4. Detailhandel

5

6

Artikel 2.4.1. Begripsbepalingen
  • In deze titel wordt verstaan onder:

  • a. stedelijke centra: steden binnen de stedelijke netwerken Zwolle Kampen, Netwerkstad Twente en Stedendriehoek;

  • b. streekcentra: de kernen Steenwijk en Hardenberg;

  • c. volumineuze detailhandel: winkelformules die vanwege de omvang en aard van het assortiment een groot oppervlak nodig hebben, zoals showrooms voor auto's, boten en caravans, bouwmarkten, tuincentra, wooninrichtingszaken;

  • d. grootschalige detailhandel: winkelformules met een zeer groot winkelvloeroppervlak dat (hoog)-frequent wordt bezocht en waarin een aanbod plaatsvindt van niet-volumineuze goederen;

  • e. weidewinkel: zelfstandige detailhandelsvestingen aan de rand van bestaand bebouwd gebied van steden en dorpen of in de groene omgeving. Onder weidewinkel wordt niet verstaan detailhandel in de vorm van ‘verkoop bij de boer'.

Artikel 2.4.2 volumineuze detailhandel
  • 1. Bestemmingsplannen voorzien niet in de nieuwe mogelijkheid om detailhandel uit te oefenen op bedrijventerreinen.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen de mogelijkheid worden geboden voor de vestiging van volumineuze detailhandel voor de lokale behoefte waarvoor in binnensteden en wijkwinkelcentra geen ruimte gevonden kan worden.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in lid 2 kan in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen in streekcentra en stedelijke centra de mogelijkheid geboden worden voor de vestiging van volumineuze detailhandel met een regionale uitstraling, mits met een ruimtelijke onderbouwing:

    • a.

      de behoefte aannemelijk is gemaakt;

    • b.

      aangetoond is dat de vestiging niet leidt tot een onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau in de betreffende regio en het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de betreffende kernen;

    • c.

      aangetoond is dat er regionale afstemming heeft plaatsgevonden over de voorgenomen vestiging met de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.4.3. Grootschalige detailhandel
  • 1. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in nieuwe grootschalige detailhandelsvestigingen wanneer de locatie gelegen is in of aansluit op bestaande binnensteden en wijkwinkelcentra.

  • 2. Grootschalige detailhandelsvestigingen met een regionale uitstraling mogen uitsluitend worden toegelaten in de binnensteden en wijkwinkelcentra van de stedelijke centra, nadat met een ruimtelijke onderbouwing:

    • a.

      de behoefte aannemelijk is gemaakt;

    • b.

      aangetoond is dat de vestiging niet leidt tot een onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau in de betreffende regio en het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de betreffende kernen;

    • c.

      aangetoond is dat er regionale afstemming heeft plaatsgevonden over de voorgenomen vestiging met de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in lid 2, eerste volzin, kan in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen binnen de stedelijke centra een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub c Wro worden opgenomen ten behoeve van de vestiging van grootschalige detailhandel waarvoor in de binnensteden en wijkwinkelcentra geen ruimte gevonden kan worden.

  • 4. In afwijking van het bepaalde in lid 2, eerste volzin, kan in bestemmingsplannen voor locaties elders binnen de stedelijke centra een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub c Wro worden opgenomen ten behoeve van de vestiging van grootschalige detailhandel in geval de grootschalige detailhandel thematisch aan deze perifere locatie is gebonden.

Artikel 2.4.4. Weidewinkels
  • 1. Bestemmingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid tot vestiging van nieuwe weidewinkels.

Titel 2.5. Afvalstortlocaties radioactief afval

7

Artikel 2.5.1.

Bestemmingsplannen voorzien niet in het realiseren van nieuwe ondergrondse opslagmogelijkheden voor radioactief afval.

Artikel 2.5.2.

Bestemmingsplannen voorzien niet in het realiseren van nieuwe bovengrondse opslagmogelijkheden voor hoogradioactief afval.

Titel 2.6. Nationale Landschappen

8

Artikel 2.6.1. Begripsbepalingen
  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. Nationaal Landschap: door het Rijk aangewezen en globaal begrensde gebieden met (inter)-nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee cultuurhistorische en natuurlijke kenmerken;

  • b. kernkwaliteit: de essentiële landschappelijke of cultuurhistorische kenmerken van nationale landschappen of van een deel van een nationaal landschap die voor het Rijk aanleiding zijn geweest om over te gaan tot aanwijzing van het nationaal landschap;

  • c. Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta: het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 15 februari 2006 (nr. PS/2005/1363);

  • d. Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente: het Ontwikkelingsperspectief Noordoost-Twente zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 13 december 2006 (nr. PS/2006/867).

Artikel 2.6.2. Begrenzing
  • 1. Als Nationaal Landschap IJsseldelta is nader begrensd het gebied dat op kaart EHS, Overige natuur en Nationale Landschappen nr. 09295050 is aangegeven.

  • 2. Als Nationaal Landschap Noordoost-Twente is nader begrensd het gebied dat op kaart EHS, Overige natuur en Nationale Landschappen nr. 09295050 is aangegeven.

Artikel 2.6.3. Kernkwaliteiten
  • 1. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap IJsseldelta zijn:

    • a.

      de grote mate van openheid;

    • b.

      de historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek;

    • c.

      het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen;

    • d.

      de kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap.

    Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in tabel A in bijlage 7 van deze verordening.

  • 2. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn:

    • a.

      het samenhangende complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen;

    • b.

      de grote mate van kleinschaligheid;

    • c.

      het groene karakter.

    Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in tabel B in bijlage 7 van deze Verordening.

Artikel 2.6.4. Nieuwe ontwikkelingen

Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen gebieden die in artikel 2.6.2 begrensd zijn als Nationaal Landschap als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten als benoemd in artikel 2.6.3 en zoals nader uitgewerkt in tabel A en tabel B in bijlage 7 van deze verordening.

Titel 2.7. Ecologische Hoofdstructuur

9

Artikel 2.7.1. Begripsbepalingen
  • 10

  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. compensatieplan: plan waarin overeenkomstig de eisen van artikel 2.7.5 de maatregelen worden vastgelegd die noodzakelijk zijn om de impact van ontwikkelingen binnen de EHS te compenseren en mitigeren;

  • b. Ecologische Hoofdstructuur (EHS): samenhangend netwerk van natuurgebieden met bestaande en potentiële natuurwaarden van (inter)nationaal belang met als doel het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, begrensd overeenkomstig artikel 2.7.2;

  • c. gebiedscategorie: typering zoals aangegeven op de kaart van een deelgebied van de EHS, bestaande uit:

    • i.

      Bestaand: gebieden getypeerd door de aanwezigheid van grote natuurwaarden en gebieden die zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en die zijn ingericht conform de natuurdoelen als omschreven in de bijlage ‘wezenlijke kenmerken en waarden EHS';

    • ii.

      Te realiseren: gebieden getypeerd door de geschiktheid voor verdere ontwikkeling van aanwezige of in potentie aanwezige natuurwaarden, maar die nog niet of niet geheel kunnen worden ingericht als natuur conform de natuurdoelen als omschreven in de bijlage ‘wezenlijke kenmerken enwaarden EHS' omdat de gronden nog niet zijn aangekocht, nog niet zijn afgewaardeerd en/of nog niet beschikbaar zijn voor de realisering van de EHS, bestaande uit de volgende subcategorieën:

      ¿ - Netto begrensd: concreet begrensde nog te realiseren natuur;

      ¿ - Bruto begrensd: zoekgebied waarbinnen nog bepaald moet worden waar een vooraf vastgesteld aantal hectares natuur concreet zal worden gerealiseerd; 11

      ¿ - Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000: gebieden waar maatregelen genomen moeten worden om natuurwaarden in nabijgelegen N2000-gebieden te beschermen; 12

  • d. wezenlijke kenmerken en waarden: actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied, zoals omschreven in de bijlage 10: Wezenlijke kenmerken en waarden EHS.

Artikel 2.7.2. Werkingsgebied
  • 13

  • 1. Het werkingsgebied van titel 2.7 wordt begrensd door de geometrische plaatsbepaling van de EHS op de digitale kaart ‘EHS' horende bij deze verordening.

  • 2. Provinciale Staten passen de begrenzing van de EHS aan op ontwikkelingen waarvoor op grond van artikel 2.7.4 is afgeweken van het beschermingsregime van artikel 2.7.3.

  • 3. Bij de herbegrenzing als bedoeld in lid 2 geldt de voorwaarde dat het areaal van de EHS per saldo ten minste gelijk blijft.

  • 4. De voorwaarde als bedoeld in lid 3 geldt niet bij aanpassing van de begrenzing van gebieden die aangeduid zijn als ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000' en ‘Bruto begrensd'.

Artikel 2.7.3. Beschermingsregime
  • 14

  • 1. Het beschermingsregime voor gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als gebiedscategorie ‘Bestaand' wordt vastgelegd in een bestemmingsplan of in beheersverordening. Voor de overige gebieden binnen de EHS geldt dat het beschermingsregime uitsluitend vastgelegd kan worden in een bestemmingsplan.

  • 2. Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Bestaand' moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden.

  • 3. Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Te realiseren':

    • a.

      moeten een bestemming krijgen die mede gericht is op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de actuele natuurwaarden van deze gebieden zolang deze gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd;

    • b.

      moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden indien de gronden zijn aangekocht en/of afgewaardeerd ten dienste van de realisering van de EHS en ook als zodanig beschikbaar zijn.

  • 4. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als EHS wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.

  • 5. De verplichtingen die voortvloeien uit lid 2 tot en met 4 houden in ieder geval in: behoud van areaal, kwaliteit en samenhang van de betrokken gebieden.

  • 6. GS kunnen nadere regels stellen aan de toelichting c.q onderbouwing van bestemmingsplannen en beheersverordeningen die betrekking hebben op gronden die vallen binnen de EHS en waaruit moet blijken op basis van welke gegevens, waarderingen en afwegingen tot vaststelling is besloten.

  • 7. De verplichtingen die voortvloeien uit voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op omgevingsvergunningen, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken.

  • 8. Daar waar op het moment van het van kracht worden van deze titel bestemmingen gelden die rechten en ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor bestaande functies binnen gebieden die aangeduid zijn als ‘Te realiseren', verplicht deze titel niet om deze bestaande rechten en ontwikkelingsmogelijkheden in te perken zolang de gronden niet zijn aangekocht of functiewijziging nog niet heeft plaatsgevonden.

  • 9. De verplichting op grond van lid 2 en 3 van dit artikel om een passende bestemming toe te kennen geldt niet voor bestaande functies waarvoor het bestemmingsplan dat geldt op het moment van inwerkingtreding van dit artikel, ontwikkelingsmogelijkheden toekent voor wat betreft bouwen en het aanbrengen van terreinverhardingen

Artikel 2.7.4. Afwijkingsmogelijkheden
  • 15

  • 1. De gemeenteraad is bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief grootschalige ontwikkelingen of een combinatie van ingrepen binnen de EHS af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.3 mits is aangetoond en verzekerd dat:

    • a.

      er sprake is van redenen van groot openbaar belang,

    • b.

      er geen reële alternatieven zijn,

    • c.

      voor zover de negatieve effecten tengevolge van de beoogde activiteit niet kunnen worden voorkomen, deze zo beperkt mogelijk worden gehouden,

    • d.

      overblijvende optredende schade of negatieve effecten op een toereikende maar tenminste op een gelijkwaardige wijze worden gecompenseerd. Het besluit hiertoe dient tegelijk genomen te worden met het besluit tot wijziging van de bestemming of de regels ter zake het gebruik van de grond.

  • 2. Voor de onderbouwing van het bepaalde in lid 1 sub c en d wordt een compensatieplan vastgesteld.

  • 3. De gemeenteraad is bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief kleinschalige ontwikkelingen binnen de EHS af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.3 mits is aangetoond en verzekerd dat deze wijziging:

    • a.

      de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in beperkte mate aantast,

    • b.

      per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS, of een vergroting van de oppervlakte van de EHS,

    • c.

      plaatsvindt na een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties.

  • 4. Wanneer het bestemmingsplan waarvoor een afwijking is toegepast als bedoeld in het eerste en derde lid onherroepelijk is geworden, doen burgemeester en wethouders hiervan melding bij Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.7.5. Compensatieplan
  • 16

  • 1. het compensatieplan, zoals bedoeld in artikel 2.7.4, lid 2 blijkt in ieder geval dat:

    • a.

      Uit de nadelige effecten zoveel mogelijk worden beperkt en -voor zover deze niet kunnen worden beperkt -voldoende worden gecompenseerd. In geval van afwijking op grond van artikel 2.7.4 lid 1 betekent dit dat er geen nettoverlies van areaal, kwaliteit en samenhang van de wezenlijke kenmerken en waarden plaatsvindt. In geval van afwijking op grond van artikel 2.7.4 lid 3 betekent dit dat per saldo een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden of vergroting van het areaal van de EHS plaatsvindt,

    • b.

      de compensatie door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie elders plaatsvindt,

    • c

      de compensatie op financiële wijze afdoende is geregeld als fysieke compensatie als bedoeld in lid b niet mogelijk is,

    • d.

      de tenuitvoerlegging van de compensatie planologisch is dan wel mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan dat voorziet in de betreffende ontwikkeling in het geval de compensatie binnen hetzelfde plangebied plaatsvindt,

    • e.

      de tenuitvoerlegging van de compensatie mogelijk is of mogelijk wordt gemaakt door (wijziging van) een ander bestemmingsplan dan het bestemmingsplan dat in de betreffende ontwikkeling voorziet in het geval dat de compensatie elders plaats vindt,

    • f.

      welke compensatiemaatregelen zullen getroffen, waarbij zowel de aard, omvang, kwaliteit, locatie als tijdvak van uitvoering van de maatregelen en voorzieningen worden beschreven,

    • g.

      de inrichting- en beheerskosten van de maatregelen en voorzieningen duurzaam geregeld zijn,

    • h.

      de compensatie uitvoerbaar is en daadwerkelijk gerealiseerd kan worden en

    • i.

      de wijze van monitoring en rapportage van de tenuitvoerlegging.

  • 2. Indien het compensatieplan betrekking heeft op de uitvoering van een combinatie van ingrepen bevat het plan in aanvulling op lid 1 in ieder geval:

    • a.

      een ruimtelijke visie waarin de plannen, projecten of handelingen in hun onderlinge samenhang worden gepresenteerd en waaruit blijkt dat het oppervlak natuur binnen de EHS minimaal gelijk blijft dan wel het EHS-areaal wordt vergroot,

    • b.

      waarborgen dat de plannen, projecten of handelingen conform de ruimtelijke visie als bedoeld in sub a in onderlinge samenhang worden gerealiseerd.

  • 3. Indien de compensatie bedoeld in het eerste en tweede lid voorziet in ontwikkelingen die gerealiseerd worden door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon, dan dient het compensatieplan specifieke waarborgen te bevatten dat de vereiste compensatie daadwerkelijk gerealiseerd zal worden. Deze waarborg dient tenminste te omvatten:

    • a.

      de wijze waarop financiële zekerheidsstelling is gerealiseerd voor uitvoering van de maatregelen en voorzieningen van het compensatieplan alsmede voor de financiering van het ontwikkelingsbeheer,

    • b.

      de uiterste termijn voor realisatie alsmede een effectieve boeteclausule die van toepassing is bij een niet tijdige of genoegzame tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit het compensatieplan.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de compensatie zoals bedoeld in dit artikel.

Titel 2.8. Bos en natuurgebieden buiten de EHS

17

Artikel 2.8.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

a. bestaande natuur: bestaande bos- en natuurgebieden buiten de EHS die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening in geldende bestemmingsplannen als zodanig zijn bestemd.

Artikel 2.8.2.
  • 1. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op bestaande natuur voorzien in een specifieke, daarop toegesneden bestemming die gericht is op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.

  • 2. Bestemmingsplannen als bedoeld in lid 1 voorzien niet in ontwikkelingen waardoor de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden worden aangetast.

  • 3. In afwijking van het gestelde onder 2 kunnen ontwikkelingen worden toegestaan die uit een oogpunt van zwaarwegende maatschappelijke belangen noodzakelijk zijn en waarin niet op een andere wijze kan worden voorzien, mits in voldoende mate in compensatie is voorzien.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen voor het bieden van compensatie als bedoeld in het vorige lid.

Titel 2.9. Reconstructiebeleid

18

Artikel 2.9.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

a. reconstructieplan: het Reconstructieplan Salland-Twente, zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 15 september 2004 (nr. PS/2004/738) en laatstelijk gewijzigd bij besluit van 1 juli 2009.

Artikel 2.9.2. Doorwerking reconstructieplan
  • 1. Bestemmingsplannen voor gebieden die zijn opgenomen in het reconstructieplan dienen, voor wat betreft de mogelijkheden van bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, in overeenstemming te zijn met het reconstructieplan.

  • 2. Voor zover aan het bepaalde in lid 1 nog niet is voldaan, geldt voor die vaststelling in afwijking van het bepaalde in artikel 4.1, tweede lid van de Wet ruimtelijke ordening, een termijn van zes maanden na inwerkingtreding van deze titel.

Artikel 2.9.3. Eisen toelichting
  • 1. Bestemmingsplannen voor gebieden die als landbouwontwikkelingsgebied zijn opgenomen in het reconstructieplan gaan vergezeld van een toelichting dan wel onderbouwing, waaruit blijkt op basis van welke gegevens, waarderingen en afwegingen tot vaststelling is besloten, een en ander in overeenstemming met de vereisten van het Reconstructieplan Salland-Twente.

  • 2. Bij de toelichting dan wel onderbouwing als bedoeld in lid 1 wordt in elk geval expliciet verwoord op welke wijze de regels met betrekking tot bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen op het reconstructieplan zijn afgestemd.

Titel 2.10. Glastuinbouwlocaties

19

Artikel 2.10.1.

Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien niet in nieuwe mogelijkheden voor de vestiging van glastuinbouwbedrijven buiten het daarvoor op de kaart Ontwikkelingsperspectieven nr. 009295055 als ‘glastuinbouw’ aangegeven glastuinbouwgebied de Koekoekspolder.

Titel 2.11. Cultuurhistorie

20

Artikel 2.11.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

a. cultuurhistorische waarden: het samenspel van historische landschappen, historisch geografische elementen en structuren, cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en archeologische vindplaatsen die iets vertellen over het verleden.

Artikel 2.11.2.

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

Titel 2.12. Verblijfsrecreatie

21

Artikel 2.12.1.
  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. recreatiewoning: een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, dat niet op wielen verplaatsbaar is en dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt voor toeristisch of recreatief gebruik. Onder recreatiewoningen worden niet verstaan groepsaccommodaties zoals kampeerboerderijen en jeugdherbergen;

  • b. recreatieverblijf: een gebouw of kampeermiddel dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt;

  • c. kampeermiddel: een tent, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of voertuig of gedeelte daarvan, voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend bestemd zijn of kunnen worden gebruikt voor toeristisch nachtverblijf;

  • d. bedrijfsmatige exploitatie: het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer dat in de recreatieve verblijven daadwerkelijk recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden.

Artikel 2.12.2.
  • 1. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien uitsluitend in de bouw van nieuwe recreatiewoningen indien en voor zover het betreft:

    • a.

      de nieuwbouw van een complex van recreatiewoningen waarvan het recreatieve gebruik door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd en tevens sprake is van een innovatief concept dan wel een kwaliteitsimpuls van bestaande recreatieterreinen waarvan de bouw van nieuwe recreatiewoningen onderdeel uitmaakt;

    • b.

      de locaties voor verblijfsrecreatie die als zodanig zijn aangegeven op kaart Recreatie nr. 09295051, waarbij geldt dat op locaties aangeduid met * alleen kleinschalige complexen zijn toegestaan, mits door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie verzekerd is dat er sprake zal zijn van recreatief gebruik.

  • 2. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op recreatiewoningen die worden gerealiseerd in het kader van de kwaliteitsimpuls Groene omgeving, voor zover deze recreatiewoningen voldoen aan de eis van op de verhuurgerichte, bedrijfsmatige exploitatie.

Artikel 2.12.3.
  • 1. De regels van bestemmingsplannen sluiten permanente bewoning van recreatiewoningen en recreatieverblijven uit.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan permanente bewoning van recreatiewoningen worden toegestaan met een daarop gericht persoonsgebonden overgangsrecht, een persoonsgebonden gedoogbeschikking of een persoonsgebonden ontheffing, voor zover deze recreatiewoningen vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan permanente bewoning van recreatiewoningen worden toegestaan met een daarop gericht objectgebonden overgangsrecht, voor zover deze recreatiewoningen vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet, voor zover op het moment van inwerkingtreding van deze verordening in een geldende bestemmingsplan voorzien was in een dergelijk objectgebonden overgangsrecht.

Artikel 2.12.4.
  • 22

  • 1. Bestemmingsplannen voorzien niet in wijziging van geldende bestemmingsplannen waarbij aan een recreatiewoning die op dat moment als zodanig is bestemd, een woonbestemming wordt toegekend.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan aan recreatiewoningen een woonbestemming worden toegekend voor zover deze recreatiewoningen al vóór of op 31 oktober 2003 permanent bewoond werden en deze permanente bewoning sindsdien onafgebroken is voortgezet voor zover:

    • • voldaan wordt aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 voor (bestaande) reguliere woningen;

    • • voldaan wordt aan relevante milieuwet- en regelgeving;

    • • de recreatiewoningen staan in stads- en dorpsrandgebieden voor zover het niet gaat om gebieden die zijn aangewezen als EHS en Nationaal Landschap.

Titel 2.13. Drinkwatervoorziening

23

Artikel 2.13.1. Begripsbepalingen
  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. waterwingebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden;

  • b. grondwaterbeschermingsgebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden;

  • c. grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden;

  • d. intrekgebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden;

  • e. intrekgebieden met stedelijke functies: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden;

  • f. stand still-principe: beginsel dat erop gericht is verslechtering van de grondwaterkwaliteit tegen te gaan en het vergroten van risico’s op verontreiniging van het grondwater te voorkomen;

  • g. stap vooruit-principe: beginsel dat erop gericht is de risico’s op verontreiniging van het grondwater te verminderen en de grondwaterkwaliteit te verbeteren;

  • h. methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming: de door Gedeputeerde Staten als zodanig vastgestelde methodiek;

  • i. niet-risicovolle functies: alle functies behalve harmoniërende functies en grotere of grootschalige risicovolle functies;

  • j. harmoniërende functies: functies die goed samengaan met de drinkwaterwinning;

  • k. grote en grootschalige risicovolle functies: functies die gelet op de risico’s voor de grondwaterkwaliteit én als zodanig, ongewenst zijn in grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden.

Artikel 2.13.2. Waterwingebieden

Bestemmingsplannen voorzien in een specifieke aanduiding voor waterwingebieden waarbij alleen functies zijn toegestaan die ten dienste staan aan de drinkwaterwinning.

Artikel 2.13.3. Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden

Bestemmingsplannen voorzien in een aanduiding voor grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden waarbij alleen functies worden toegestaan die harmoniëren met de functie voor de drinkwatervoorziening.

Artikel 2.13.4. Niet-risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 kunnen in grondwaterbeschermingsgebieden ook nieuwe niet-risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe.

Artikel 2.13.5. Niet-risicovolle functies en grote risicovolle functies in intrekgebieden

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 kunnen in intrekgebieden ook nieuwe niet-risicovolle en grote risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe.

Artikel 2.13.6. Grote of grootschalige risicovolle functies

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in artikel 2.13.4 en artikel 2.13.5, kunnen nieuwe grote of grootschalige risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden en nieuwe grootschalige risicovolle functies in intrekgebieden alleen worden toegestaan als dit noodzakelijk is vanuit een zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor redelijke alternatieven ontbreken en mits voldaan wordt aan het stap vooruit-principe.

Artikel 2.13.7. Grondwaterbeschermingsgebieden met een stedelijke functie

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in de artikelen 2.13.4 en 2.13.6 kunnen binnen grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies nieuwe grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze functies voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en aan het stap vooruit-principe.

Artikel 2.13.8. Intrekgebieden met stedelijke functies

In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in de artikelen 2.13.5 en 2.13.6 kunnen binnen intrekgebieden met stedelijke functies nieuwe grotere of grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze functie voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en aan het stand still-principe.

Artikel 2.13.9. Toelichting op bestemmingsplan

Indien bij enig bestemmingsplan ingevolge dit hoofdstuk dient te zijn voldaan aan het stand still-principe of aan het stap vooruit-principe, wordt dat in de toelichting bij dat plan verantwoord op basis van toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming.

Titel 2.14. Watergebiedsreservering

24

Artikel 2.14.1. Primaire watergebieden

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op primaire watergebieden zoals op kaart Waterveiligheid nr.140305 aangegeven, voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen die de rol van deze gebieden voor wateropvang belemmeren.

Artikel 2.14.2. Waterbergingsgebieden

Bestemmingsplannen die betrekking hebben op waterbergingsgebieden die als zodanig op kaart Waterveiligheid nr. 140305 zijn aangegeven, regelen de instandhouding van de waterhuishoudkundige werken en voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen die de rol van deze gebieden voor wateropvang belemmeren.

Artikel 2.14.3. Gebieden met risico op overstroming (minder snel en ondiep onderlopende gebieden)
  • 1. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen de dijkringen 9: Vollenhove, 52: Oost-Veluwe, 53: Salland (wettelijk vastgelegde dijkringgebieden) en als zodanig op kaart Waterveiligheid nr. 140305 zijn aangegeven, voorzien alleen in nieuwe grootschalige ontwikkelingen binnen deze gebieden als in het desbetreffende bestemmingsplan zodanige voorwaarden worden gesteld dat de veiligheid ook op lange termijn voldoende is gewaarborgd.

  • 2. De toelichting bij bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden als bedoeld in lid 1, is voorzien van een overstromingsrisicoparagraaf die inzicht biedt in:

    • • de risico’s bij overstroming;

    • • de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken.

Artikel 2.14.4. Gebieden met risico op overstroming (snel en diep onderlopende gebieden)
  • 1. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen de dijkringen 10: Mastenbroek en 11: IJsseldelta (wettelijk vastgelegde dijkringgebieden) en als zodanig op kaart Waterveiligheid nr. 140305 zijn aangegeven, voorzien alleen in het realiseren van nieuwe bebouwing binnen deze gebieden als er sprake is van zwaarwegend maatschappelijk belang. Het desbetreffende bestemmingsplan stelt in dit geval zodanige voorwaarden dat de veiligheid ook op de lange termijn voldoende is gewaarborgd.

  • 2. In afwijking van het gestelde in lid 1 wordt de voorwaarde van zwaarwegend maatschappelijk belang, niet gesteld ten aanzien van agrarische functies en incidentele woonbebouwing.

  • 3. De toelichting op bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden als bedoeld in lid 1, is voorzien van een overstromingsrisicoparagraaf die inzicht biedt in:

    • • de risico’s bij overstroming;

    • • de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken.

Artikel 2.14.5. Essentiële watergangen
  • Bestemmingsplannen die betrekking hebben op essentiële waterlopen die op kaart Waterveiligheid nr. 140305 als zodanig zijn aangegeven, voorzien binnen stroken van 100 meter aan weerzijden van deze essentiële waterlopen niet in nieuwe ontwikkelingen die:

  • • de functie van deze waterlopen voor de waterafvoer beperken;

  • • de toekomstige verruiming van de waterloop ten behoeve van afvoer en berging van water onmogelijk maken.

Titel 2.15. Windturbines

25

Artikel 2.15.1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. windturbines: een door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt.

Artikel 2.15.2. Uitsluiting windturbines
  • Bestemmingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines binnen gebieden die:

  • • op grond van artikel 2.7.2. gerekend worden tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of

  • • op grond van artikel 2.6.2. worden aangemerkt als Nationaal Landschap of

  • • die vallen binnen de als zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven laagvliegroutes en funnel vliegveld Twente.

Artikel 2.15.3. Eis van clustering
  • 1. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op de groene omgeving voorzien uitsluitend in de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines in de vorm van windparken.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kunnen bestemmingsplannen voor de Groene omgeving individuele windturbines toestaan voor zover de tiphoogte daarvan niet meer bedraagt dan 25 meter.

Titel 2.16. Basisrecreatietoervaartnet

26

Artikel 2.16.1.

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het basisrecreatietoervaartnet zoals is aangegeven op kaart Recreatie nr. 09295051.

Titel 2.17. Fiets- en wandelroutestructuren

27

Artikel 2.17.1. Bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren

In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met bestaande bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren zoals aangegeven op kaart Recreatie nr. 09295051.

Titel 2.18. Externe Veiligheid

28

Artikel 2.18.1. Begripsbepalingen
  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. buisleiding gevaarlijke stoffen: als zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven regionale en hoofdtransportleidingen voor het transport van aardgas, olie, olieproducten, chemicaliën en CO2;

  • b. provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen: als zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven (vaar)wegen die vrijgegeven zijn en (mogelijk) aangewezen worden voor het transport van gevaarlijke stoffen over weg of water;

  • c. essentiële functies en gebouwen: functies en gebouwen die essentieel zijn voor het effectief kunnen bestrijden en beperken van gevolgen van crises, rampen en andere calamiteiten, zoals rampencoördinatiecentra, als traumacentra aangewezen ziekenhuizen, energiecentrales en infrastructuur die nodig is bij eventuele ontruimingen van een gebied;

  • d. kwetsbaar object: object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening;

  • e. beperkt kwetsbare objecten: objecten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel a van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening;

  • f. groepsrisico: cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van risicobron;

  • g. plaatsgebonden risico: risico op een plaats, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die bepaalde plaats zou verblijven, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval met een risicobron;

  • h. invloedsgebied: gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico;

  • i. exploitant: de instantie die verantwoordelijk is voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van de risicobron;

  • j. risicokaart: een geografische kaart waarop de in de provincie aanwezige risico’s zijn aangeduid als bedoeld in artikel 6a van de Wet Rampen en zware ongevallen.

Artikel 2.18.2. Buisleiding gevaarlijke stoffen en belemmeringenstroken
  • 29

  • 1. Bestemmingsplannen voorzien in een specifieke bestemming en/of aanduiding voor de in het plangebied aanwezige buisleidingen gevaarlijke stoffen en de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding.

  • 2. In het kader van het toekennen van de bestemming en/of aanduiding als bedoeld onder 1 wordt bepaald dat bouwwerken alleen zijn toegestaan na ontheffing gehoord de exploitant. Deze ontheffing kan alleen worden verleend voor zover de buisleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbare objecten worden toegelaten.

  • 3. In het kader van het toekennen van de bestemming en/of aanduiding als bedoeld onder 1 wordt een aanlegvergunningstelsel opgenomen voor werken of werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de buisleiding.

Artikel 2.18.3. Ontwikkelingen nabij buisleiding gevaarlijke stoffen
  • 30

  • 1. Bestemmingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object als is aangetoond dat de grenswaarde van 10-6 met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten in acht genomen wordt.

  • 2. Bestemmingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van een beperkt kwetsbaar object of van een buisleiding met gevaarlijke stoffen als rekening is gehouden met de richtwaarde van 10-6 met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten.

  • 3. In afwijking van het gestelde onder lid 2 kan overschrijding van de richtwaarde van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten worden toegestaan na ontheffing zoals bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub c Wro, mits:

    • • sprake is van een groot maatschappelijk belang en

    • • verzekerd is dat zodanige maatregelen worden getroffen dat een goed woon- en leefklimaat verzekerd is.

Artikel 2.18.4. Nieuwe ontwikkelingen en transport gevaarlijke stoffen
  • 31

  • 1. In de toelichting op bestemmingsplannen die betrekking hebben op wegen en vaarwegen die onderdeel uitmaken van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het uitgangspunt dat de provinciale samenhang en de continuïteit van dit routenetwerk moet worden geborgd.

  • 2. Bestemmingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in het invloedsgebied van een (vaar)weg die op de risicokaart is aangeduid als ‘route gevaarlijke stoffen’ nadat is aangetoond dat dit geen beperkingen zal opleveren voor de functie van de (vaar)weg als onderdeel van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen en advies is gevraagd van de regionale brandweer.

  • 3. Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld onder lid 2 stelt het bevoegd gezag, het bestuur van de regionale brandweer in wier gebied het bestemmingsplan ligt, in de gelegenheid advies uit te brengen over het groepsrisico en de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

  • 4. In de toelichting op een bestemmingsplan als bedoeld onder lid 2 wordt in elk geval vermeld:

    • a.

      de aanwezige en de op grond van het bestemmingsplan te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de ‘route gevaarlijke stoffen’ die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken;

    • b.

      het groepsrisico per kilometer (vaar)weg op het tijdstip waarop het bestemmingsplan wordt vastgesteld en de invloed van het bestemmingsplan op de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval van 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar;

    • c.

      de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast;

    • d.

      andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan;

    • e.

      de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de ‘route gevaarlijke stoffen’ om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet;

    • f.

      het plasbrandaandachtsgebied en de maatregelen die met betrekking tot dit gebied zijn getroffen om de effecten van een zwaar ongeval of ramp te beperken;

    • g.

      een samenvatting van het advies van de regionale brandweer over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van de ramp of het zware ongeval als bedoeld in de Wet Rampen en zware ongevallen, alsmede hulpverlening en zelfredzaamheid.

Artikel 2.18.5. Essentiële functies en gebouwen
  • 1. Bestemmingsplannen voorzien niet in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe essentiële functies en gebouwen binnen het invloedsgebied van inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en/of binnen het invloedsgebied van een als zodanig aangewezen route gevaarlijke stoffen of buisleiding gevaarlijke stoffen, tenzij aangetoond is dat zodanige maatregelen getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de essentiële functie naar zijn aard kan blijven functioneren in geval van een calamiteit.

  • 2. Bestemmingsplannen voorzien niet in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en van een als zodanig aangewezen route gevaarlijke stoffen of buisleiding gevaarlijke stoffen als zich binnen het invloedsgebied essentiële functies en gebouwen bevinden, tenzij aangetoond is dat zodanige maatregelen getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de essentiële functie naar zijn aard kan blijven functioneren in geval van een calamiteit.

Titel 2.19. Mobiliteit

32

Artikel 2.19.1. Begripsbepalingen
  • In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. hoofdinfrastructuur: weg-, vaarweg- en spoorverbindingen van en naar de stedelijke centra en streekcentra;

  • b. hoofdfietsverbindingen: hoogwaardig fietsnetwerk van en naar de stedelijke centra en streekcentra;

  • c. multimodale knooppunten: locaties waar de uitwisseling plaatsvindt tussen verkeersmodaliteiten (weg, water, spoor).

Artikel 2.19.2. Nieuwe ontwikkelingen

In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe grootschalige ontwikkelingen die bovenlokale verkeersbewegingen met zich meebrengen of effecten hebben op de verkeersafwikkeling op de hoofdinfrastructuur, wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen worden geprojecteerd nabij aansluitingen op hoofdinfrastructuur, hoofdfietsverbindingen en multimodale knooppunten.

Titel 2.20. Winlocaties grondstoffen

33

Artikel 2.20.1. Ontgrondingen
  • 1. Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe, multifunctionele ontgrondingslocaties, indien deze passen binnen het bestaande netwerk van zandwinningen en bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit.

  • 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1 regelt, voor zover mogelijk, dat de ontgrondingslocatie zodanig wordt geprojecteerd en ingericht dat tijdens de zandwinning de invloed op de omgevingskwaliteiten beperkt blijft en de locatie na het (gefaseerd) beëindigen van de zandwinning eenvoudig geschikt te maken is voor de beoogde nieuwe bestemming.

Artikel 2.20.2. Zoutwinningen

Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe zoutwinlocaties indien de zoutwinning kan worden ingepast in de structuur van landbouw, natuur en landschap.

Titel 2.21 ruimtelijke reservering luchthaven Twente

34

Artikel 2.21.1 begripsbepalingen
  • In dit artikel wordt verstaan onder:

  • a. geluidgevoelige functies: woningen, niet zijnde bedrijfswoningen en kwetsbare functies zoals scholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen;

  • b. bedrijfswoning: woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, slechts bestemd voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is;

  • c. ruimtelijke reservering luchthaven Twente: het als zodanig op kaart nr. 10395119 aangegeven gebied begrensd door contour 10,6 km2;

  • d. beperkingengebied luchthaven Twente: het als zodanig op kaart nr. 10395119 aangegeven gebied rond luchthaven Twente door contour van 8,0 km2;

  • e. bufferzone luchthaven Twente: het als zodanig op kaart kaart nr. 10395119 aangegeven gebied rond luchthaven Twente tussen contour 8,0 en 10,6 km2.

Artikel 2.21.2
  • 1. Bestemmingsplannen voorzien niet in nieuwe geluidgevoelige functies binnen de ruimtelijke reservering luchthaven Twente.

  • 2. In afwijking van het gestelde in lid 1 kan binnen de bufferzone luchthaven Twente de nieuwbouw van bedrijfswoningen worden toegestaan mits de nieuwe bedrijfswoning uit een oogpunt van de bedrijfsvoering noodzakelijk is.

  • 3. In afwijking van het gestelde in lid 1 kan daarnaast binnen de bufferzone luchthaven Twente ook de bouw van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen worden toegestaan, mits is voldaan aan een van de volgende criteria:

    • a.

      met de bouw wordt een open plek tussen bestaande bebouwing opgevuld;

    • b.

      de bouw dient ter vervanging van bebouwing die al op die locatie aanwezig is;

    • c.

      de bouw dient ter vervanging van bestaande bebouwing elders binnen de bufferzone die op dit moment een hogere geluidbelasting als gevolg van het luchthavenluchtverkeer ondervindt dan op de nieuwe locatie het geval zal zijn.

Hoofdstuk 3. Grondwaterbescherming en bodem

Titel 3.1. Grondwaterbescherming, algemeen

35

Paragraaf 3.1.1. Begripsbepalingen en zorgplicht in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Artikel 3.1.1.1. Begrippen
  • In dit hoofdstuk en in de bijlagen bij dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a ) achtergrondwaarden, baggerspecie, bouwstof, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse Wonen en kwaliteitsklasse A, toepassen van bouwstoffen, toepassen van grond of baggerspecie, werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit;

  • b ) begraafplaatsen en terreinen voor de verstrooiing van as: begraafplaatsen of terreinen voor de verstrooiing van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging alsmede dierenbegraafplaatsen;

  • c ) betrokken grondwateronttrekker: de drijver van een onttrekkingsinrichting, als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet, uitsluitend of mede bestemd voor het onttrekken van grondwater voor de (openbare) drinkwatervoorziening, in wiens belang het betreffende gebied wordt beschermd;

  • d ) bijlage: bij deze verordening behorende bijlage;

  • e ) bodem: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet bodembescherming;

  • f ) bodemenergiesysteem: een gesloten of een open bodemenergiesysteem;

  • g ) bodemenergiesysteem gesloten: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van het bovengrondse deel van de installatie;

  • h ) bodemenergiesysteem open: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, met inbegrip van het bovengrondse deel van de installatie;

  • i ) buisleiding: buisleiding voor het transport van olie, chemicaliën en gas met uitzondering van een buisleiding voor het transport van aardgas, alsmede een buisleiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën;

  • j ) gebouw: een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet;

  • k ) gewasbeschermingsmiddel, biocide: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

  • l ) inrichting: inrichting, als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de wet die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht;

  • m ) lozing: het op of in de bodem brengen van koelwater, afvalwater dan wel overige vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen;

  • n ) lozen vanuit een particulier huishouden: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit lozing afvalwater huishoudens;

  • o ) mechanische ingreep: een werk op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten, waaronder begrepen boringen, grond- en funderingswerken;

  • p ) meststoffen, dierlijke meststoffen respectievelijk anorganische meststoffen, compost en kalkmeststoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Meststoffenwet respectievelijk het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

  • q ) milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning: gebieden als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de wet;

  • r ) NEN 3650: Norm van het Nederlands Normalisatie-instituut "Eisen voor buisleidingsystemen", uitgave augustus 2006;

  • s ) NTA 8000: Nederlandse technische afspraak van het Nederlands Normalisatie-instituut "Specificatie voor een risicomanagementsysteem (RMS) voor risico's van buisleidingsystemen voor het transport van gevaarlijke stoffen in de beheerfase", uitgave april 2009;

  • t ) omgevingsvergunning: omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo;

  • u ) schadelijke stoffen: stoffen of combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval, verwacht kan worden dat ze de bodem en het grondwater verontreinigen of kunnen verontreinigen, met inbegrip van de stoffen zoals opgenomen in bijlage 2.1;

  • v ) waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone: zones van milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning, die op de bij deze verordening behorende kaarten als zodanig zijn aangewezen;

  • w ) wet: Wet milieubeheer;

  • x ) Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 3.1.1.2. Zorgplicht
  • 1. Ieder die in een milieubeschermingsgebied met de functie waterwinning buiten een inrichting gedragingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat daardoor het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning kan worden geschaad, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die schade te voorkomen. Indien die schade niet kan worden voorkomen moet hij deze zoveel mogelijk beperken en ongedaan maken.

  • 2. Indien die schade zich voordoet of dreigt voor te doen, behoort tot de maatregelen als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de bedoelde gedragingen verricht of nalaat, onmiddellijk Gedeputeerde Staten en de betrokken grondwateronttrekker informeert.

Paragraaf 3.1.2. Gebiedsaanwijzing: waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Artikel 3.1.2.1. Milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning
  • 1. Als milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning worden aangewezen de gebieden die als zodanig zijn aangegeven op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053.

  • 2. Een milieubeschermingsgebied met de functie waterwinning kan bestaan uit verschillende zones, die als zodanig zijn aangewezen op de kaart, als bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      waterwingebied;

    • b.

      grondwaterbeschermingsgebied;

    • c.

      boringsvrije zone.

Artikel 3.1.2.2. Bevoegdheden Gedeputeerde Staten tot wijzigen grenzen gebieden
  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen de grenzen van de gebieden, als bedoeld in artikel 3.1.2.1, wijzigen als er sprake is van:

    • a.

      wijzigingen op perceelsniveau;

    • b.

      verkleining of opheffing van een gebied bij (gedeeltelijke) sluiting van een drinkwaterwinning;

    • c.

      verkleining van een gebied bij voorzienbare sluiting van een drinkwaterwinning;

    • d.

      vergroting van een gebied als gevolg van uitbreiding van de vergunde capaciteit van een drinkwaterwinning met maximaal 1 miljoen m3 grondwater.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.4 van de wet worden eigenaren en gebruikers van de betreffende gronden in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over een grenswijziging als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. In aanvulling op het tweede lid wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een grenswijziging als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Gedeputeerde Staten duiden de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, als bedoeld in artikel 3.1.2.1, tweede lid, onder a en b, op afdoende wijze aan door middel van borden.

Titel 3.2. Grondwaterbescherming

36

Paragraaf 3.2.1. Waterwingebieden

Artikel 3.2.1.1. Regels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in waterwingebieden
  • 1. Het is verboden in een waterwingebied een inrichting, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op te richten.

  • 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de betrokken grondwateronttrekker, voor zover de inrichting noodzakelijk is voor de waterwinning.

  • 3. Het is verboden in een waterwingebied binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een lozing uit te voeren.

  • 4. Het is verboden in een waterwingebied binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een bodemenergiesysteem te installeren.

Artikel 3.2.1.2. Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen in waterwingebieden
  • 1. Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een waterwingebied in ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 3.

  • 2. Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.

Artikel 3.2.1.3. Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in waterwingebieden
  • 1. De in artikel 3.2.1.1 gestelde bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op een inrichting in een waterwingebied, waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

  • 2. Het is verboden in een waterwingebied een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, in werking te hebben, te veranderen of de werking te veranderen.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de voorschriften als bedoeld in het derde lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.

Artikel 3.2.1.4. Verboden in waterwingebieden, buiten inrichtingen
  • 1. Het is in een waterwingebied verboden om buiten inrichtingen:

    • a.

      schadelijke stoffen op of in de bodem te brengen, te hebben, te gebruiken of te vervoeren;

    • b.

      constructies of werken op of in de bodem op te richten, te hebben, of uit te voeren als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen kan ontstaan.

  • 2. Onder de in het eerste lid, onder a, bedoelde schadelijke stoffen worden in ieder geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, gewasbeschermingsmiddelen en biociden, meststoffen, IBC-bouwstoffen, grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit de achtergrondenwaarden overschrijdt, koelwater, afvalwater en overige vloeistoffen waarin schadelijke stoffen voorkomen.

  • 3. Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in ieder geval begrepen leidingen, installaties, opslagreservoirs, mechanische ingrepen, begraafplaatsen en terreinen voor het verstrooien van as, wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer, spoorwegen en waterwegen, recreatieve voorzieningen, gebouwen en bodemenergiesystemen.

Artikel 3.2.1.5. Vrijstellingen in waterwingebieden, buiten inrichtingen
  • 1. De in artikel 3.2.1.4, eerste lid, onder a en b, gestelde verboden gelden niet voor:

    • a.

      activiteiten van de betrokken grondwateronttrekker, voor zover de activiteiten noodzakelijk zijn voor de waterwinning;

    • b.

      activiteiten waarvoor Gedeputeerde Staten een vergunning hebben verleend op grond van de Waterwet of de Ontgrondingenwet dan wel een beschikking hebben gegeven op grond van de Wet bodembescherming en aan die vergunning of beschikking voorschriften hebben verbonden die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning;

    • c.

      activiteiten waarvoor de betrokken grondwateronttrekker een beheerplan heeft opgesteld dat is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten.

  • 2. Het in artikel 3.2.1.4, eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, anders dan gewasbeschermingsmiddelen en biociden, bij woningen en andere gebouwen, bestemd voor of afkomstig van normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen weersinvloeden;

    • b.

      het hebben of gebruiken van schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

    • c.

      het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;

    • d.

      het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen weersinvloeden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat.

  • 3. Het in artikel 3.2.1.4, eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      constructies of werken die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening bestonden;

    • b.

      uitbreiding of wijziging van de constructies en werken bedoeld onder a voor zover de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen.

Artikel 3.2.1.6. Ontheffingen in waterwingebieden, buiten inrichtingen
  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen, voor zover de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen, ontheffing verlenen van de in de artikelen 3.2.1.4 gestelde verboden voor:

    • a.

      activiteiten in verband met natuurontwikkeling en natuurbeheer;

    • b.

      activiteiten in verband met extensieve recreatie en educatie;

    • c.

      activiteiten van tijdelijke aard, in uitzonderlijke gevallen, voor maximaal vijf jaar, die van zwaarwegend maatschappelijk belang zijn en waarvoor geen alternatieven beschikbaar zijn.

  • 2. Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing.

Paragraaf 3.2.2. Grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel 3.2.2.1. Regels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden
  • 1. Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in bijlage 2.2.

  • 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor de betrokken grondwateronttrekker, voor zover de inrichting noodzakelijk is voor de waterwinning.

  • 3. Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een lozing uit te voeren.

  • 4. Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een bodemenergiesysteem te installeren.

Artikel 3.2.2.2. Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden
  • 1. Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied in ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 3.

  • 2. Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.

Artikel 3.2.2.3. Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden
  • 1. De bepalingen in artikel 3.2.2.1 zijn van overeenkomstige toepassing op een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied, waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

  • 2. Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, in werking te hebben, te veranderen of de werking te veranderen.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de voorschriften als bedoeld in het derde lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.

Artikel 3.2.2.4. Regels voor grote en grootschalige projecten in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen
  • 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen grote en grootschalige projecten tot stand te brengen, te wijzigen of uit te breiden, voor zover de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning toenemen.

  • 2. Onder projecten, als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval verstaan grote en grootschalige:

    • -

      dag- of verblijfsrecreatie;

    • -

      woningbouw (meer dan 10 respectievelijk 100 woningen);

    • -

      stedenbouw (winkelcentra, bedrijven voor horeca, handel en dienstverlening);

    • -

      autowegen (inclusief parkeerterreinen, transferia), waterwegen (inclusief havens), spoorwegen;

    • -

      bedrijventerreinen;

    • -

      buisleidingen.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verboden. Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.5 Regels voor meststoffen in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen
  • 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen meststoffen op of in de bodem te brengen.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor dierlijke meststoffen, anorganische meststoffen, compost en kalkmeststoffen.

Artikel 3.2.2.6 Regels voor bouwstoffen, grond en baggerspecie in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen
  • 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen IBC-bouwstoffen op of in de bodem te brengen.

  • 2. Het is in grondwaterbeschermingsgebieden verboden om buiten inrichtingen grond of baggerspecie op of in de bodem toe te passen.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de toepassing van grond of baggerspecie:

    • a.

      op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie

      1º de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel

      2º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

    • b.

      in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie

      1º de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel

      2º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

    • c.

      met een omvang van meer dan 5.000 m3 indien wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie

      1º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt bij een toepassing op of in de bodem;

      2º de maximale waarden kwaliteitsklasse A niet overschrijdt bij een toepassing in oppervlaktewater;

    • d.

      indien sprake is van verspreiding van de baggerspecie uit een watergang, die vrijkomt bij regulier onderhoud, over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen.

  • 4. De eisen als bedoeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, paragraaf 1 en 2 van het Besluit bodemkwaliteit zijn van toepassing op het derde lid, onder c.

  • 5. Degene die voornemens is een activiteit genoemd in het derde lid, onder c, uit te voeren doet een melding. Bij de melding wordt een rapport van locatiespecifiek onderzoek gevoegd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.7 Regels voor lozingen in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen
  • 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen een lozing uit te voeren;

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het lozen:

    • a.

      vanuit een particulier huishouden;

    • b.

      van afvloeiend hemelwater afkomstig van wegen, spoorwegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken alsmede van parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer, indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 4.

  • 3. Degene die voornemens is een activiteit genoemd in het tweede lid, onder b uit te voeren doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.8 Regels voor constructies in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen
  • 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen constructies voor het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen op of in de bodem te hebben of tot stand te brengen, waaronder begrepen leidingen, installaties en opslagreservoirs.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor constructies:

    • a.

      voor de inzameling en het transport van afvalwater;

    • b.

      voor de opslag en het transport van schadelijke stoffen voor niet-bedrijfsmatige doeleinden;

    • c.

      inhoudende het tot stand brengen, wijzigen of uitbreiden van een buisleiding indien:

      1º gebruik wordt gemaakt van mantelbuizen conform NEN 3650 met een lekdetectiesysteem;

      2º markeringslint boven de buisleiding wordt aangebracht en

      3º een locatiespecifiek calamiteitenplan wordt opgesteld overeenkomstig NTA 8000, gericht op het voorkomen van verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning, waarbij in ieder geval wordt betrokken een geohydrologisch onderzoek met berekeningen van de verspreiding van de schadelijke stof in de bodem.

  • 3. Degene die voornemens is een activiteit genoemd in het tweede lid, onder c, uit te voeren doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.9 Regels voor mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen
  • 1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen mechanische ingrepen op of in de bodem uit te voeren dieper dan twee meter onder het maaiveld.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor mechanische ingrepen:

    • a.

      ten behoeve van een grondwateronttrekking, met het oog op de waterwinning;

    • b.

      waarvoor Gedeputeerde Staten een vergunning hebben verleend op grond van de Waterwet of de Ontgrondingenwet dan wel een beschikking hebben gegeven op grond van de Wet bodembescherming en aan die vergunning of beschikking voorschriften hebben verbonden die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning of

    • c.

      waarbij wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 5.

  • 3. Degene die voornemens is een activiteit genoemd in het tweede lid, onder c, uit te voeren doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

Artikel 3.2.2.10 Regels voor bodemenergiesystemen in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen

Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen een bodemenergiesysteem te installeren.

Paragraaf 3.2.3. Boringsvrije zones

Artikel 3.2.3.1. Regels voor omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in boringsvrije zones
  • 1. Het is verboden in een boringsvrije zone binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, een lozing uit te voeren of een bodemenergiesysteem te installeren, voor zover deze activiteiten plaatsvinden:

    • a.

      dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg;

    • b.

      dieper dan vijfenzeventig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Engelse Werk te Zwolle;

    • c.

      dieper dan vijf meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve te Enschede en

    • d.

      dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep.

  • 2. Het in het eerste lid onder d. genoemde verbod geldt niet voor het installeren van een bodemenergiesysteem en het uitvoeren van een lozing die daarmee verband houdt, indien op basis van een boring ter plaatse van de voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat de slecht doorlatende laag dieper ligt dan vijftig meter onder het maaiveld en de activiteit wordt uitgevoerd tot maximaal de diepte waarop de top van de slecht doorlatende laag is aangetroffen.

Artikel 3.2.3.2. Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen in boringsvrije zones
  • 1. Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een boringsvrije zone in ieder geval de voorschriften die zijn aangegeven in bijlage 3.

  • 2. Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorschriften als bedoeld in het eerste lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.

Artikel 3.2.3.3. Regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in boringsvrije zones
  • 1. De verboden in artikel 3.2.3.1, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een inrichting in een boringsvrije zone, waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

  • 2. Het is verboden in een boringsvrije zone binnen een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, een mechanische ingreep uit te voeren, op de wijze als bedoeld in artikel 3.2.3.1, eerste lid, onder a, b, c en d.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de voorschriften als bedoeld in het derde lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.

  • 5. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het eerste lid, voor het installeren van een bodemenergiesysteem en voor het uitvoeren van een lozing die daarmee verband houdt, dieper dan vijftig meter in de boringsvrije zone Salland Diep. Ontheffing kan worden verleend indien op basis van een boring ter plaatse van de voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat de slecht doorlatende laag dieper ligt dan vijftig meter onder het maaiveld. De ontheffing wordt verleend voor de activiteit tot maximaal de diepte waarop de top van de slecht doorlatende laag is aangetroffen. Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing.

Artikel 3.2.3.4. Regels in boringsvrije zones, buiten inrichtingen
  • 1. Het is in een boringsvrije zone verboden om buiten inrichtingen een lozing uit te voeren of een bodemenergiesysteem te installeren, voor zover deze activiteiten plaatsvinden:

    • a.

      dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg;

    • b.

      dieper dan vijfenzeventig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Engelse Werk te Zwolle;

    • c.

      dieper dan vijf meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve te Enschede of

    • d.

      dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep.

  • 2. Het is in een boringsvrije zone verboden om buiten inrichtingen een mechanische ingreep uit te voeren, op de wijze als bedoeld in artikel 3.2.3.4, eerste lid, onder a, b, c, en d.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor mechanische ingrepen:

    • a.

      ten behoeve van een grondwateronttrekking, met het oog op de waterwinning;

    • b.

      waarvoor Gedeputeerde Staten een vergunning hebben verleend op grond van de Waterwet of de Ontgrondingenwet dan wel een beschikking hebben gegeven op grond van de Wet bodembescherming en aan die vergunning of beschikking voorschriften hebben verbonden die nodig zijn ter bescherming van de waterwinning of

    • c.

      waarbij wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 5.

  • 4. Degene die voornemens is een mechanische ingreep als bedoeld in het derde lid, onder c, uit te voeren doet een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 3.2.5.1 van toepassing.

  • 5. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid, ten behoeve van het installeren van een bodemenergiesysteem, dieper dan vijftig meter in de boringsvrije zone Salland Diep. Ontheffing kan worden verleend indien op basis van een boring ter plaatse van de voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat de slecht doorlatende laag dieper ligt dan vijftig meter onder het maaiveld. De ontheffing wordt verleend voor de activiteit tot maximaal de diepte waarop de top van de slecht doorlatende laag is aangetroffen. Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing.

Paragraaf 3.2.4. Ontheffingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Artikel 3.2.4.1. Ontheffingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones
  • 1. Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing indien de activiteit in strijd is met een geldend en onherroepelijk bestemmingsplan of met bij dat plan gestelde eisen, dan wel in strijd is met de Omgevingsvisie Overijssel.

  • 2. Gedeputeerde Staten stellen, in afwijking van artikel 7.1.9, de volgende personen en instanties in de gelegenheid advies uit te brengen met betrekking tot de ontwerp-beschikking:

    • a.

      de inspecteur als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer,

    • b.

      burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente,

    • c.

      het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap en

    • d.

      de betrokken grondwateronttrekker.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing verklaren indien er geen zienswijzen te verwachten zijn betreffende de bescherming van de waterwinning. Ze beslissen in dat geval binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 4. Ten behoeve van de ontheffingaanvraag wordt gebruikt gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

Paragraaf 3.2.5. Meldingen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Artikel 3.2.5.1. Meldingen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zone, buiten inrichtingen
  • 1. Een melding als bedoeld in de artikelen 3.2.2.6, vijfde lid, 3.2.2.7, derde lid, 3.2.2.8, derde lid en 3.2.2.9, derde lid en 3.2.3.4, vierde lid, wordt gedaan ten minste vier weken voor aanvang van de activiteit waarop de melding betrekking heeft aan Gedeputeerde Staten.

  • 2. Ten behoeve van de melding wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

  • 3. Indien met de activiteit niet is gestart binnen een jaar na de aanvangsdatum van de activiteit zoals aangegeven op het meldingsformulier, vervalt de gedane melding van rechtswege.

Artikel 3.2.5.2. Nadere eisen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones, buiten inrichtingen
  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen in het belang van de waterwinning nadere eisen stellen met betrekking tot de voorschriften als bedoeld in de artikelen 3.2.2.6, vijfde lid, 3.2.2.7, derde lid, 3.2.2.8, derde lid en 3.2.2.9, derde lid en 3.2.3.4, vierde lid.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen de nadere eisen wijzigen, aanvullen of intrekken indien het belang van de waterwinning zich daartegen niet verzet.

  • 3. De voorschriften als bedoeld in de artikelen 3.2.2.6, vijfde lid, 3.2.2.7, derde lid, 3.2.2.8, derde lid en 3.2.2.9, derde lid en 3.2.3.4, vierde lid, en de nadere eisen gelden voor degene die de activiteit uitvoert.

Paragraaf 3.2.6. Vergoeding van kosten en schade in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Artikel 3.2.6.1. Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 4.3 juncto 4.2 van de Wabo met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 3, titel 3.2. paragrafen 3.2.1 tot en met 3.2.5 van deze verordening.

Artikel 3.2.6.2. Inhoud verzoek
  • Het verzoek om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens:

  • a. de bepalingen van hoofdstuk 3, titel 3.2, paragrafen 3.2.1 tot en met 3.2.5 van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de verzoeker zich voor kosten ziet gesteld of schade lijdt;

  • b. de aard en de omvang van de kosten of de schade;

  • c. de wijze waarop de kosten of de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 3.2.6.3. Advies van deskundigen
  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking, als bedoeld in artikel 3.2.6.1.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen van de aangewezen deskundigen, als bedoeld in het eerste lid, het advies inwinnen omtrent een verzoek om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging. Indien Gedeputeerde Staten advies inwinnen zijn de bepalingen in het derde tot en met zesde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De verzoeker wordt in de gelegenheid gesteld aan de deskundigen zijn verzoek om vergoeding toe te lichten. Indien Gedeputeerde Staten voornemens zijn tot toekenning van een vergoeding uit eigen beweging, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.

  • 4. De betrokken grondwateronttrekker wordt in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over het verzoek of het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.

  • 5. De deskundigen brengen advies uit inzake:

    • a.

      de vraag of de kosten zijn gemaakt of de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 3, titel 3.2, paragrafen 3.2.1 tot en met 3.2.5 van deze verordening;

    • b.

      de omvang van de kosten of de schade;

    • c.

      de vraag of de kosten of de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven;

    • d.

      de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien;

    • e.

      de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten of de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt;

    • f.

      de hoogte van de toe te kennen vergoeding.

  • 6. De deskundigen brengen hun advies zo spoedig mogelijk uit aan Gedeputeerde Staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht en aan de betrokken grondwateronttrekker. Gedeputeerde Staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken.

Artikel 3.2.6.4. Betrokkenheid grondwateronttrekker

Indien Gedeputeerde Staten geen advies inwinnen van deskundigen, stellen zij de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek of het voornemen naar voren te brengen voordat zij een besluit nemen met betrekking tot het toekennen van een vergoeding.

Artikel 3.2.6.5. Inhoud verzoek ander bestuursorgaan
  • 1. Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid van de Wabo Gedeputeerde Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten of schade door het aan de vergunning verbinden van voorschriften op basis van de artikelen 3.2.1.2, 3.2.2.2 en 3.2.3.2 en bijlage 3, getiteld Algemene voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones, dient dat verzoek ten minste vergezeld te gaan van:

    • a.

      indien het bestuursorgaan een verzoek om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van dat verzoek en de daarbij gevoegde stukken;

    • b.

      indien de betrokken grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over het verzoek of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen;

    • c.

      indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de Wabo heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies;

    • d.

      het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding of, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven: een afschrift van die beschikking.

  • 2. Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de betrokken grondwateronttrekker is gevoegd, stellen Gedeputeerde Staten hem in gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen.

  • 3. Gedeputeerde staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk vier maanden na ontvangst van het verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.2.6.3, tweede lid, binnen zeven maanden na de ontvangst van het verzoek.

Artikel 3.2.6.6. Schadevergoedingsconvenant

In aanvulling op en ter uitwerking van het bepaalde in de artikelen 3.2.6.1 tot en met 3.2.6.5 gelden de bepalingen van een tussen de provincie, de betrokken grondwateronttrekker en de betrokken Overijsselse gemeenten gesloten convenant.

Titel 3.3. Bodem

Paragraaf 3.3.1. Bodemsanering

37

Artikel 3.3.1.1. Uitgebreide voorbereidingsprocedure
  • [Vervallen]

Artikel 3.3.1.2. Melding van voorgenomen bodemsanering

38

Gedeputeerde Staten stellen een formulier vast voor een melding als bedoeld in artikel 28, lid 1 van de Wet bodembescherming.

Artikel 3.3.1.3. Inhoud saneringsplan

39

In het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, lid 2 van de Wet bodembescherming dienen in aanvulling op de eisen uit deze wet de gegevens te worden opgenomen zoals aangegeven in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

Artikel 3.3.1.4. Inhoud evaluatieverslag

40

In het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming dienen in aanvulling op de eisen uit deze wet de gegevens te worden opgenomen zoals aangegeven in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

Artikel 3.3.1.5. Inhoud nazorgplan

41

In een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming dienen in aanvulling op de eisen uit deze wet de gegevens te worden opgenomen zoals aangegeven in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

Artikel 3.3.1.6. Waterkwaliteitsbeheerder

42

De waterkwaliteitsbeheerder verschaft de informatie omtrent de resultaten van door hem uitgevoerde saneringen en de besteding van de daarvoor aan hem toegekende gelden, overeenkomstig de voorschriften die Gedeputeerde Staten stellen bij het verlenen van een bijdrage.

Paragraaf 3.3.2. Ontgrondingen

43

Artikel 3.3.2.1. Vrijstelling vergunningplicht
  • 1. Geen vergunning als bedoeld in de Ontgrondingenwet is vereist voor ontgrondingen voor de navolgende werken of werkzaamheden:

    • a.

      het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van rijkswaterstaatswerken en werken door of op last van de provincie Overijssel;

    • b.

      het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van een werk, waarvan het oppervlak is vastgelegd op de plankaart of op het inrichtingsplan van een onherroepelijk bestemmingsplan of van een onherroepelijk projectbesluit, als bedoeld in artikel 3.10 van Wet ruimtelijke ordening, waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau; 44

    • c.

      het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van een werk door of in opdracht van gemeenten of waterschappen, met inbegrip van de aanleg van waterpartijen indien minder dan 10.000 m³ vaste stoffen uit een of meer waterpartijen wordt ontgraven, en waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau; 45

    • d.

      het aanleggen, onderhouden, verbreden of verdiepen van watergangen, voor zover deze een bodembreedte krijgen van niet meer dan 5 meter, en een diepte van niet meer dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau; 46

    e. het aanleggen, verhogen, verzwaren of onderhouden van waterkeringen; 47

    • f.

      het uitvoeren van werkgebonden ontgrondingen gericht op: 48

    • • beheer en onderhoud ten behoeve van de instandhouding van bestaande natuur, of

    • • het ontwikkelen van nieuwe natuur, mits per werk minder dan 10.000 m³ vaste stoffen wordt ontgraven en waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau, indien uitgevoerd door of in opdracht van een natuurbeherende instantie of op grond van een specifieke daartoe verleende overheidssubsidie;

    • g.

      de normale uitoefening van het landbouw-, tuinbouw-, of bosbouwbedrijf, alsmede het planten of rooien van bomen, struiken of andere gewassen; 49

    • h.

      het maken, onderhouden, wijzigen of opruimen van waterputten, reservoirs, bassins, vijvers en soortgelijke werken, mits die zijn gelegen bij woningen of op agrarische bedrijfserven en de inhoud ervan niet meer bedraagt dan 500 m³ vaste stoffen; 50

    • i.

      het doen van archeologische opgravingen op grond van een vergunning ingevolge de Monumentenwet; 51

    • j.

      het aanleggen of wijzigen van gronddepotplaatsen met inbegrip van het ontgraven van de humeuze bovenlaag, alsmede het opruimen binnen 5 jaar na vulling ervan, en het aanleggen of wijzigen daarvan met betrekking tot bodem- en onderwaterbodemsanering als bedoeld in artikel 4, onder c van de Ontgrondingenwet;

    • k.

      het aanleggen of wijzigen van buitenmaneges, mits niet groter dan 1.500 m² en niet gelegen in landschappelijk of natuurwetenschappelijk gevoelige gebieden, en mits daarbij uitsluitend sprake is van omwisseling van deklaag en onderliggend zand waarbij niet dieper wordt gegraven dan 1 meter beneden het oorspronkelijke niveau;

    • l.

      het maken, onderhouden, wijzigen of opruimen van bouwwerken, kelders en graven, het doen van grondboringen en sonderingen, en het leggen, plaatsen, onderhouden, wijzigen of opruimen van buizen, kabels, palen en soortgelijke werken. 52

    • 2.

      In afwijking van het eerste lid is voor de in dat lid genoemde ontgrondingen vergunning vereist als deze in hoofdzaak worden uitgevoerd om bodemmateriaal te verkrijgen.

Artikel 3.3.2.2. Meldingsplicht vrijgestelde ontgrondingen
  • 1. Indien bij een ontgronding als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, de te ontgraven hoeveelheid 10.000 m³ vaste stoffen of meer bedraagt, meldt de opdrachtgever van de ontgronding of de zakelijk of persoonlijk gerechtigde als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Ontgrondingenwet de voorgenomen ontgronding uiterlijk twee weken voor aanvang daarvan aan Gedeputeerde Staten.

  • 2. Ten behoeve van een melding als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikgemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier, onder bijvoeging van de daarin gevraagde gegevens.

Artikel 3.3.2.3. Verkorte procedure
  • 1. Op de voorbereiding van een beschikking als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Ontgrondingenwet voor ontgrondingen van eenvoudige aard is artikel 10, eerste tot en met derde lid van de Ontgrondingenwet niet van toepassing, indien daarbij andere belangen dan die van de aanvrager niet of nauwelijks zijn betrokken.

  • 2. Ontgrondingen van eenvoudige aard zijn:

    • a.

      ontgrondingen als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder b en c, voor zover niet vrijgesteld en niet dieper dan 5 meter beneden het oorspronkelijk niveau uitgevoerd;

    • b.

      ontgrondingen als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder c, voor zover het een niet vrijgestelde waterpartij betreft, die niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau wordt uitgevoerd;

    • c.

      watergangen als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder d, voor zover niet vrijgesteld, met een omvang van 10.000 m³ vaste stoffen of meer en niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau uitgevoerd;

    • d.

      ontgrondingen als bedoeld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder f, voor zover gericht op de ontwikkeling van nieuwe natuur en niet vrijgesteld, waartoe een overheidssubsidie is verleend en die niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau wordt uitgevoerd, of

      - indien geen overheidssubsidie is verleend - tot een omvang van minder dan 10.000 m³ vaste stoffen;

    • e.

      ontgrondingen, niet vrijgesteld in artikel 3.3.2.1, lid 1, onder g en h, met een omvang van minder dan 10.000 m³ vaste stoffen en niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau uitgevoerd.

  • 3. De verkorte procedure, als bedoeld in het eerste lid, is bij wijziging van een vergunning eveneens van toepassing op:

    • a.

      verlenging van de in de vergunningsvoorschriften gestelde geldigheidstermijn van de vergunning en de daarmee samenhangende termijnen;

    • b.

      wijziging van de tenaamstelling van de vergunning;

    • c.

      wijziging van de in de vergunningsvoorschriften vastgelegde zekerheidsstelling;

    • d.

      alle overige eenvoudige wijzigingen van de vergunningsvoorschriften.

  • 4. De verkorte procedure, als bedoeld in het eerste lid, is eveneens van toepassing op de intrekking van de vergunning op verzoek van de vergunninghouder.

Hoofdstuk 4. Water

Titel 4.1. Begripsbepalingen

53

Artikel 4.1.1. Begripsbepalingen
  • In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van een waterschap in de provincie Overijssel;

  • b. beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de wet;

  • c. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van een waterschap in de provincie Overijssel;

  • d. de minister: de minister van Infrastructuur en Milieu;

  • e. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel tenzij in de verordening anders is bepaald;

  • f. peilbesluit: besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de wet;

  • g. projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de wet;

  • h. profiel van vrije ruimte: de ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering;

  • i. regionale waterkering: een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening;

  • j. regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de wet;

  • k. retourbemaling: het in een grondwaterlichaam brengen van onttrokken water, ter compensatie of vermindering van de gevolgen van het onttrekken van water;

  • l. het waterschap: de Waterschappen Groot-Salland, Vechtstromen en Reest en Wieden;

  • m. wet: de Waterwet.

Artikel 4.1.2. Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk van deze verordening is van toepassing op het gebied van het Waterschap Groot Salland, het Waterschap Vechstromen en het Waterschap Reest en Wieden, bedoeld in artikel 2 van het reglement van het waterschap.

Titel 4.2. Normen regionale keringen en wateroverlast, verdringingsreeks

54

Artikel 4.2.1. Aanwijzen regionale waterkeringen

Als regionale keringen gelden de regionale waterkeringen die zijn aangegeven op de kaart Regionale waterkeringen en peilbesluiten nr. 09295056.

Artikel 4.2.2. Veiligheidsnorm regionale waterkeringen
  • 1. Op kaart Regionale waterkeringen en peilbesluiten nr. 09295056 is voor elke regionale waterkering of voor elk deel daarvan de veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand waarop de regionale waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige het waterkerende vermogen bepalende factoren. 55

  • 2. Gedeputeerde Staten stellen een technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor de beheerder. 56

  • 3. Gedeputeerde Staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen en stellen ten behoeve van de beoordeling de maatgevende waterstanden vast. 57

  • 4. Gedeputeerde Staten stellen na overleg met het dagelijks bestuur het tijdstip vast waarop de verschillende regionale waterkeringen voor de eerste keer moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid. 58

  • 5. Indien een regionale waterkering is gelegen in meer dan één provincie, kunnen Gedeputeerde Staten van die provincies besluiten dat het toezicht op die waterkering wordt uitgeoefend door Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen.

Artikel 4.2.3. Regionale verdringingsreeks onttrekking IJsselmeergebied
  • 59

  • 1. In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1 lid 1 onder 3° van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      onttrekking voor proces- en gietwater voor de glastuinbouw;

    • b.

      doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt;

    • c.

      beregening van akker- en tuinbouwgewassen.

  • 2. In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1 onder 4°van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      In geval van een doorspoeling van stedelijk en landelijk gebied ter voorkoming van botulisme en blauwalgen, in geval sprake is van een risico voor de volksgezondheid;

    • b.

      doorspoeling tegen verzilting en verontreiniging ten behoeve van beregening akker- en tuinbouw;

    • c.

      peilhandhaving klei- en zandgebieden;

    • d.

      peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur;

    • e.

      beregening gras/maïs;

    • f.

      doorspoeling tegen botulisme en blauwalgen voor zover de volksgezondheid niet in het geding is.

Artikel 4.2.3a Regionale verdringingsreeks onttrekking Twentekanalen/Overijsselse Vecht
  • 60

  • 1. In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1 onder 3° van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      onttrekking voor proceswater;

    • b.

      doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt

    • c.

      beregening van kapitaalintensieve gewassen

  • 2. In geval van een watertekort of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1 onder 4°van het Waterbesluit bedoelde behoeften bij het beheer van de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      doorspoelen in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid;

    • b.

      scheepvaart;

    • c.

      peilhandhaving en beregening ten behoeve van akkerbouw;

    • d.

      beregening gras/maïs;

    • e.

      peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur;

    • f.

      doorspoeling ten behoeve van aquatische ecologie (KRW).

Artikel 4.2.4. Normen wateroverlast
  • 61

  • 1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, dat in een ruimtelijk plan is bestemd voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, een gemiddelde overstromingskans van eens in de 100 jaar en voor het overige gebied een gemiddelde overstromingskans van eens in de 10 jaar.

  • 2. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 en behoudens de gebieden van genoemd in lid 3 een gemiddelde overstromingskans van niet vaker dan:

    • a.

      eens in de 50 jaar voor glastuinbouw en hoogwaardig land- en tuinbouw, waarbij 1 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben;

    • b.

      eens in de 25 jaar voor akkerbouw, waarbij 1 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben;

    • c.

      eens in de 10 jaar voor grasland, waarbij 5 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.

  • 3. Voor de volgende gebieden wordt een andere daarbij vermelde gemiddelde overstromingskans vastgesteld:

    • a.

      eens in de 10 jaar, waarbij 30 procent van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben voor de veenweidegebieden rond de Weerribben in het beheersgebied van het Waterschap Reest en Wieden, waarbij de begrenzing door het waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in artikel 4.4.4, is vastgelegd;

    • b.

      eens in de 10 jaar voor landbouwgronden in beekdalen in het beheergebied van het Waterschap Vechtstromen, waarbij de begrenzing door het waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in artikel 4.4.4, is vastgelegd;

    • c.

      eens in het jaar voor laaggelegen gebieden in het beheergebied van het Waterschap Vechtstromen, waarbij de begrenzing door het waterschap in het waterbeheerplan, zoals vermeld in artikel 4.4.4, is vastgelegd;

  • 4. Gedeputeerde Staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren.

  • 5. De bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren voldoen uiterlijk in 2015 voor de eerste keer aan de in het eerste, tweede en derde lid opgenomen normen; zo nodig kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van het dagelijks bestuur ontheffing van deze termijn verlenen.

Artikel 4.2.5. Verslag toetsing watersysteem
  • 62

  • 1. Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 4.2.2, lid 1 en 2, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.

  • 2. Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de veiligheidsnorm, technische leidraad en voorschriften bedoeld in artikel 4.2.2 en de legger bedoeld in artikel 4.5.1.

  • 3. Het dagelijks bestuur brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen, bedoeld in artikel 4.2.4, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.

  • 4. Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de normen en voorschriften bedoeld in artikel 4.2.4 en de legger bedoeld in artikel 4.5.1.

  • 5. Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

  • 6. Gedeputeerde Staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur, vast voor welk tijdstip de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste maal worden uitgebracht en met welke frequentie de verslagen daarna worden uitgebracht.

Titel 4.3. Toedeling beheer watersysteem en beheer en instandhouding vaarwegen

63

Artikel 4.3.1.

Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel 4 van het reglement van het waterschap.

Artikel 4.3.2. Toedeling beheer vaarwegen

64

Op de als bijlage 6 bij deze verordening behorende lijsten is aangegeven welk bestuursorgaan, niet zijnde een bestuursorgaan van het Rijk, is belast met het vaarwegbeheer.

Artikel 4.3.3. Begripsomschrijvingen
  • 65

  • In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. lijst A: de in bijlage 6 bij deze verordening behorende lijst met kaart van vaarwegen in beheer bij de provincie;

  • b. lijst B: de in bijlage 6 bij deze verordening behorende lijst met kaart van binnen de provincie gelegen vaarwegen in beheer bij andere overheidslichamen, het Rijk uitgezonderd;

  • c. minimaal benodigde vaarwegdiepte: de vaarwegdiepte op basis van de scheepstype indeling conform CEMT, of conform de klasse indeling volgens de BRTN, vermeerderd met de benodigde kielspeling;

  • d. schip: schip als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet;

  • e. vaarweg: elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover vermeld op lijst A of lijst B;

  • f. vaarwegbeheer: de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken;

  • g. vaarwegbeheerder: het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast en als zodanig is vermeld op lijst A of lijst B;

  • h. werk: elk kunstwerk of ander bouwwerk, waaronder begrepen oevers en oevervoorzieningen, boven, op, in, onder of langs een vaarweg gelegen.

Artikel 4.3.4. Belangenbescherming
  • 66

  • Deze titel en de daarop berustende bepalingen hebben tot doel:

  • a. regels te stellen in het belang van de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen en de bijbehorende werken;

  • b. aanvullende regels te stellen in het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarwegen.

Artikel 4.3.5. Vaarwegdiepte en vaarwegonderhoud
  • 67

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen de minimaal benodigde vaarwegdiepten vaststellen van de vaarwegen op de lijsten A en B.

  • 2. De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de minimaal benodigde vaarwegdiepten, vastgesteld krachtens het eerste lid.

  • 3. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.3.6. Bedieningstijden van bruggen en sluizen
  • 68

  • 1. Gedeputeerde Staten stellen de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, behorende bij de vaarwegen op de lijsten A en B.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor spoorbruggen en voor bruggen en sluizen in beheer bij het Rijk.

  • 3. De beheerders van de bruggen en sluizen dragen er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden bediend op de door gedeputeerde staten vastgestelde tijden.

  • 4. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.3.7. Onttrekken van een vaarweg aan het openbaar scheepvaartverkeer
  • 69

  • 1. Het besluit van een vaarwegbeheerder, tot het blijvend geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het openbaar verkeer van een vaarweg van lijst B voor alle schepen behoeft de goedkeuring van Provinciale Staten.

  • 2. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.3.8. Absoluut verbod voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken
  • 70

  • Het is verboden:

  • a. het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij scheepvaartwegen te belemmeren;

  • b. de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de scheepvaartweg in gevaar te brengen;

  • c. vaste stoffen of voorwerpen in een vaarweg te brengen, dan wel vaste stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze op oevers te plaatsen of te hebben, dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken;

Artikel 4.3.9. Verboden met ontheffingsmogelijkheid voor provinciale vaarwegen (lijst A) en de bijbehorende werken
  • 71

  • 1. Het is verboden om:

    • a.

      veranderingen aan te brengen aan de scheepvaartweg;

    • b.

      enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, onder of binnen een afstand van tien meter landinwaarts van de scheepvaartweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn.

      Dit verbod geldt niet voor het Giethoornse meer, de Beulakerwijde en de Belterwijde.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen van lid 1, indien de belangen, bedoeld in artikel 4.3.4 zich daartegen niet verzetten. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

    Een ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:

    • a.

      de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend;

    • b.

      de ontheffing gedurende twee jaar niet is gebruikt;

    • c.

      gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de houder verstrekte onjuiste gegevens;

    • d.

      de in het tweede lid bedoelde voorschriften of beperkingen niet of niet voldoende worden nageleefd;

    • e.

      op de voorbereiding van een besluit omtrent de beperking van de gebruiksmogelijkheid van een kanaal voor de scheepvaart is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 3. Voor werken die geschieden door of namens de provincie is geen ontheffing, als genoemd in het tweede lid, vereist.

Artikel 4.3.10. Regeling werken op de oever van vaarwegen
  • 1. Voor het aanbrengen, houden, veranderen of verwijderen van enig werk op de oever binnen een afstand van tien meter landinwaarts van de scheepvaartweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn kan volstaan worden met het inzenden van een ondertekend en volledig ingevuld meldingsformulier. Deze melding dient minimaal vier weken voor aanvang van de werken te geschieden.

  • 2. Indien de bruikbaarheid en/of instandhouding van de scheepvaartweg door enig werk in gevaar kan komen, zal voor het werk alsnog een ontheffing met voorschriften en beperkingen worden verleend. Gedeputeerde Staten brengen dit besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de melding ter kennis aan de meldingplichtige. In dat geval wordt het meldingsformulier behandeld als een aanvraag om ontheffing.

Artikel 4.3.11. Verhaalplicht

72

Onverminderd artikel 7.11 van het Binnenvaartpolitiereglement, moeten schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen op aanwijzing van de vaarwegbeheerder worden verhaald indien onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt.

Titel 4.4. Regionaal waterplan en beheerplannen

73

Artikel 4.4.1. Inhoud regionaal waterplan
  • 1. Het regionaal waterplan bevat, naast het bepaalde in de artikelen 4.4 van de wet, één of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht.

  • 2. De ruimtelijke aspecten bedoeld in artikel 4.4, eerste lid van de wet worden in het regionaal waterplan aangeduid. 74

Artikel 4.4.2. Voorbereiding regionaal waterplan
  • 75

  • 1. Gedeputeerde Staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg met het dagelijks bestuur, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat en de colleges van Burgemeester en Wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten.

  • 2. Gedeputeerde Staten raadplegen ter voorbereiding van het regionaal waterplan de minister en Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies en de beheerder(s) van de grensoverschrijdende of grensvormende watersystemen.

  • 3. Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.4.3. Uitwerking regionaal waterplan
  • 76

  • 1. In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels.

  • 2. Het besluit van Gedeputeerde Staten tot uitwerking van het regionaal waterplan maakt deel uit van het regionaal waterplan.

  • 3. Artikel 4.4.2 is van overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde besluit.

Artikel 4.4.4. Inhoud beheerplan
  • 77

  • 1. Het beheerplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.6 van de wet, ten minste:

    • a.

      de beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt;

    • b.

      het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de functies en doelstellingen die aan de watersystemen zijn toegekend;

    • c.

      de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren;

    • d.

      een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen of heffingen in de planperiode;

    • e.

      het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem voor de (landgebruiks)functies in het beheersgebied;

    • f.

      één of meer kaarten, waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken staan aangegeven.

    • g.

      één of meer kaarten, waarbij de gebieden met de daarbij behorende normen als bedoeld in artikel 4.2.4, leden 2 en 3, staan aangegeven.

  • 2. Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin ten minste is opgenomen:

    • a.

      afwegingen die aan het plan ten grondslag liggen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken;

    • b.

      een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de maatregelen die in het eerste lid, onder c, zijn genoemd.

Artikel 4.4.5. Raadplegen bij opstellen beheerplan

Het dagelijks bestuur raadpleegt, bij het opstellen van het beheerplan, ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterbeheerders, Gedeputeerde Staten en de colleges van Burgemeester en Wethouders van de binnen het plangebied liggende provincies en gemeenten alsmede de ten aanzien van grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen bevoegde Duitse autoriteiten.

Artikel 4.4.6. Voorbereiding beheerplan
  • 78

  • 1. Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De stukken worden ter inzage gelegd in ten minste het kantoor van het desbetreffende waterschap en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheerplan betrekking heeft.

  • 2. Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het beheerplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.

  • 3. Het dagelijks bestuur kan besluiten dat de procedure die in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is geregeld, niet wordt toegepast bij het actualiseren van het maatregelenprogramma en het aanpassen van het gewenste grond- en oppervlaktewaterregiem als bedoeld in artikel 4.4.4, lid 1, onder c en e, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat.

  • 4. Een vastgesteld beheerplan wordt toegezonden aan de instanties als bedoeld in artikel 4.4.5 en aan de minister.

Artikel 4.4.7. Uitwerking beheerplan
  • 79

  • 1. In het beheerplan kan worden bepaald dat het dagelijks bestuur het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens de in het beheersplan gegeven regels.

  • 2. Het besluit van het dagelijks bestuur tot uitwerking van het beheerplan maakt deel uit van het beheerplan.

  • 3. Artikel 4.4.6 is van overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde besluit.

Artikel 4.4.8. Goedkeuring beheerplan

[vervallen]

Artikel 4.4.9. Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan

80

Het dagelijks bestuur rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan Gedeputeerde Staten over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

Artikel 4.4.10. Nadere voorschriften voortgangsrapportage

81

Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 4.4.9.

Titel 4.5. Legger waterstaatswerken

82

Artikel 4.5.1. Legger waterstaatswerken
  • 83

  • 1. De legger bedoeld in artikel 5.1 van de wet bevat naast het bepaalde in het eerste en tweede lid van dat artikel in ieder geval:

    • a.

      het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen en regionale oppervlaktewaterlichamen;

    • b.

      een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkering, regionale oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onder a en artikel 5.1, lid 1 van de wet, geldt in geval van het meanderen van een oppervlaktewaterlichaam dat daarvoor in de legger ten minste wordt opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het minimale dwarsprofiel.

  • 3. In afwijking van artikel 5.1, eerste lid van de wet, wordt in het geval van bergingsgebieden ten minste opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het bergend vermogen.

  • 4. Op de overzichtskaart bedoeld in artikel 5.1, lid 1 van de wet is ten aanzien van de primaire en regionale waterkeringen tevens aangegeven het profiel van vrije ruimte.

  • 5. Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat artikel 5.1, lid 1 van de wet, gedurende een daarbij vast te stellen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen waterkeringen of onderdelen daarvan.

  • 6. Gedeputeerde Staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht bedoeld in artikel 5.1 van de wet met betrekking tot ligging, vorm, afmeting en constructie indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen.

Artikel 4.5.2. Aanwijzing verplichte peilbesluiten

84

Het algemeen bestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewateren in de gebieden die zijn aangegeven op de als kaart Regionale waterkeringen en peilbesluiten nr. 09295056 bij deze verordening behorende kaart of kaarten.

Artikel 4.5.3. Inhoud peilbesluit
  • 85

  • 1. Het peilbesluit bevat naast het bepaalde in het tweede lid van artikel 5.2 van de wet een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.

  • 2. Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen:

    • a.

      de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken;

    • b.

      een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie;

    • c.

      een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen.

Artikel 4.5.4. Openbare voorbereiding peilbesluit

86

Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 4.5.5. Herziening peilbesluit
  • 87

  • 1. Een peilbesluit wordt ten minste eens in de tien jaren herzien.

  • 2. Gedeputeerde Staten, kunnen op verzoek van het algemeen bestuur van het waterschap eenmalig vrijstelling verlenen van de verplichting genoemd in het eerste lid voor ten hoogste 5 jaar.

  • 3. Indien het peilbesluit betrekking heeft op het grondgebied van meerdere provincies, dan wordt de vrijstelling verleend door Gedeputeerde Staten van de provincie, waarbinnen het grootste deel van het gebied, waarvoor het peilbesluit geldt, is gelegen.

Artikel 4.5.6. Projectprocedure voor waterstaatswerken
  • 88

  • Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen kunnen, mede op verzoek van het dagelijks bestuur, paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de wet van toepassing verklaren op:

    • a.

      projectplannen tot de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen;

    • b.

      projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen.

Artikel 4.5.7. Toezending projectplannen

Projectplannen, als bedoeld in artikel 5.5 van de wet, behoeven de goedkeuring van Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen.

Een projectplan, dat betrekking heeft op een primaire of regionale waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijkring die tevens is gelegen op het grondgebied van een andere provincie of provincies wordt door het dagelijks bestuur tevens toegezonden aan Gedeputeerde Staten van die provincie of provincies.

Artikel 4.5.8. Waterakkoorden

Bij de voorbereiding van een waterakkoord, bedoeld in artikel 3.7 van de wet, raadpleegt het dagelijks bestuur het college van Burgemeester en Wethouders en Gedeputeerde Staten.

Titel 4.6. Handelingen in watersystemen: grondwateronttrekking en infiltratie

89

Artikel 4.6.1. Grondwaterregister
  • 90

  • 1. Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin inrichtingen of werken, bestemd voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen of aan de dagelijkse besturen van de waterschappen worden verstrekt. Voorts worden daarin de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt, vermeld.

  • 2. Het dagelijks bestuur verstrekt aan Gedeputeerde Staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of infiltratie van water plaatsvindt de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen. Voorts wordt een overzicht verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt.

  • 3. De opgave, bedoeld in het vorige lid, wordt uiterlijk op 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging verstrekt.

  • 4. Het dagelijks bestuur maakt voor de uitvoering van het gestelde in de vorige leden gebruik van het Landelijk Grondwater Register zoals dat is ondergebracht bij TNO/DINO (http://www.lgronline.nl/).

Artikel 4.6.2. Registratieplicht grondwateronttrekkingen en -infiltraties

91

Het algemeen bestuur kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid van het Waterbesluit niet toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 50.000 m3 per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 50.000 m3.

Artikel 4.6.3. Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister
  • 92

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting of infiltratie die niet ingevolge artikel 6.11, eerste lid van het Waterbesluit is opgegeven, ambtshalve in het register, genoemd in artikel 4.6.1, inschrijven.

  • 2. Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen.

Artikel 4.6.4. Vergunningplicht reservering diepe pakket van Salland
  • 93

  • 1. Alle onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld en zijn gelegen in het gebied, aangegeven als boringsvrije zone Salland Diep op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053, zijn vergunningplichtig.

  • 2. Het algemeen bestuur van het Waterschap Groot Salland regelt bij verordening dat voor onttrekkingen van grondwater op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld en zijn gelegen in het gebied, aangegeven als boringsvrije zone Salland Diep op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053, een vergunningplicht geldt.

  • 3. Het dagelijkse bestuur van het Waterschap Groot Salland kan voor het gebied bedoeld in lid 2 slechts vergunning verlenen voor het onttrekken van grondwater als dit grondwater bedoeld is voor hoogwaardige industrieel gebruik waarop de Warenwet van toepassing is en waarvoor geen alternatief voorhanden is.

  • 4. Het algemeen bestuur van het Waterschap Groot Salland kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid van het Waterbesluit niet toepassen op de onttrekkingen waarvoor het dagelijkse bestuur op grond van het vorige lid vergunning verleent. 94

Artikel 4.6.5.Vrijstelling vergunningplicht

[Vervallen]

Artikel 4.6.6. Instelling commissie

[Vervallen]

Artikel 4.6.7. Verzoeken om vergoeding van schade of onderzoek

[vervallen]

Artikel 4.6.8. Deskundigenadvies

[vervallen]

Hoofdstuk 5. Verkeer

95

Titel 5.1. Wegen

Artikel 5.1.1. Toepassingsbereik
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op:

    • a.

      de wegen in beheer bij de provincie Overijssel;

    • b.

      situaties buiten de beheersgrens van deze wegen, indien het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is.

  • 2. In deze paragraaf worden mede tot de wegen gerekend de daarin gelegen kunstwerken en wat verder naar de aard van de weg daartoe behoort, een en ander voor zover in beheer bij de provincie.

Artikel 5.1.2. Verboden
  • Het is verboden:

  • 1. het voor het verkeer noodzakelijke uitzicht op en bij wegen te belemmeren;

  • 2. de veiligheid en de doorstroming van het verkeer op de weg in gevaar te brengen danwel beplanting of voorwerpen op, naast of boven de weg aan te brengen of te hebben die hinder of gevaar oplevert voor het beheer en onderhoud van de weg;

  • 3. een weg te gebruiken in strijd met het doel daarvan;

  • 4. veranderingen aan de weg aan te brengen;

  • 5. enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, of onder de weg.

Artikel 5.1.3. Ontheffing en melding
  • 96

  • 1. Van de verboden, als bedoeld in artikel 5.1.2, onderdelen 3 tot en met 5 kan ontheffing worden verleend.

  • 2. De ontheffing bedoeld in het vorige lid wordt verleend door Gedeputeerde Staten, tenzij op grond van enige wet een ander orgaan bevoegd is.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot gevallen waarin met een melding kan worden volstaan.

  • 4. Voor werken die geschieden door of namens de provincie is geen ontheffing, als genoemd in het eerste lid, vereist.

  • 5. Een ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken indien:

    • a.

      dit in het belang van het gebruik van de wegen, dan wel ter bescherming van de wegen of kunstwerken nodig is;

    • b.

      de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet of niet behoorlijk worden nageleefd;

    • c.

      van de ontheffing gedurende een aaneengesloten periode van meer dan twee jaren geen gebruik is gemaakt;

    • d.

      de omstandigheden zodanig gewijzigd zijn dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou worden verleend;

    • e.

      de ontheffing is verleend ten gevolge van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens.

  • 6. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot criteria voor de melding voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg, dan wel het veranderen van het gebruik daarvan.

Titel 5.2 Luchthavens

Paragraaf 5.2.1 Algemeen

Artikel 5.2.1.1. Begripsbepaling

In deze titel wordt verstaan onder

a. wet: de Wet Luchtvaart.

Artikel 5.2.1.2. Reikwijdte
  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op:

    • a.

      aanvragen tot het vaststellen of wijzigen van een luchthavenbesluit voor een luchthaven gelegen in Overijssel;

    • b.

      aanvragen tot het vaststellen of wijzigen van een luchthavenregeling voor een luchthaven gelegen in Overijssel.

  • 2. Een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit dan wel een luchthavenregeling kan door provinciale staten worden omgezet in en behandeld als een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenregeling dan wel een luchthavenbesluit, indien provinciale staten dat op grond van de ingediende gegevens of uit beleidsmatige overwegingen aangewezen achten.

  • 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het vaststellen van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling op grond van de bepalingen krachtens artikelen XIII, XIV en XV van de Wet van 18 december 2008, Stb. 561 (Regelgeving Burgerluchthavens en Militaire Luchthavens).

Artikel 5.2.1.3. Taak Gedeputeerde Staten
  • 1. Aanvragen tot vaststelling of wijziging van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling worden ingediend bij Gedeputeerde Staten.

  • 2. Gedeputeerde Staten zijn belast met de voorbereiding van een voorstel over een aanvraag voor Provinciale Staten, met inbegrip van het opstellen van een ontwerpvoorstel en het toepassing geven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen bij de voorbereiding van een voorstel toepassing geven aan artikel 3:18, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5.2.1.4. Indieningsvereiste

Aanvragen worden schriftelijk of digitaal in enkelvoud ingediend.

Artikel 5.2.1.5. Aanvragen

Gedeputeerde Staten stellen voor een aanvraag tot vaststelling of wijziging van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling een formulier vast. Daarin kunnen Gedeputeerde Staten gegevens vragen over de aanvrager, de beoogde locatie en mogelijke gevolgen voor de omgeving, en de beoogde wijze van exploitatie.

Artikel 5.2.1.6. Aanvraag verklaring veilig gebruik luchtruim

Gedeputeerde Staten dienen de aanvraag voor een verklaring van veilig gebruik van het luchtruim, als bedoeld in artikel 8.49 van de wet, in.

Paragraaf 5.2.2 Aanwijzing van luchthavens en voor deze luchthavens geldende besluiten of regelingen

5.2.2.1 - Algemeen

Artikel 5.2.2.1.1

Het gebruiksjaar betreft de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.

Artikel 5.2.2.1.2

Een luchthavenbesluit en een luchthavenregeling treden in werking met ingang van de dag na de dag van de bekendmaking ervan in het provinciaal blad.

5.2.2.2 - Luchthavenregeling Helihaven Isala klinieken

[Vervallen]

5.2.2.3 - Luchthavenregeling Helihaven Medisch Spectrum Twente

Artikel 5.2.2.3.1
  • In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a. wet: de Wet luchtvaart;

  • b. regeling: de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen;

  • c. luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • d. gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een natuurlijke of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij.

Artikel 5.2.2.3.2

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de helikopterluchthaven aan de Haaksbergerstraat 55 te Enschede, geografische positie is 52°12'55.72''N 006°53'28.55''E, zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart (bijlage 9).

Artikel 5.2.2.3.3

De exploitant van de luchthaven is de Stichting Ziekenhuis Medisch Spectrum Twente, gevestigd aan de Haaksbergerstraat 55, 7531 ER te Enschede.

Artikel 5.2.2.3.4

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant van de luchthaven en de gebruiker.

Artikel 5.2.2.3.5
  • 1. Onverminderd de bepalingen uit de wet en de regeling, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt door (meermotorige) helikopters met een All Up Weight (AUW) tot 5.000 kg, die conform het flight manual mogen opereren op een heliplatform met de afmeting van 22 bij 22 meter.

  • 2. De luchthaven mag uitsluitend worden gebruikt voor starts en landingen ten behoeve van medische doeleinden.

  • 3. De helihaven beschikt over brandklasse H1, waardoor er alleen helikopters met een LOA (Length over all) tot 15 meter gebruik mogen maken van de helihaven.

  • 4. Vluchten van en naar de helihaven dienen uitgevoerd te worden in Visual Meteorological Conditions.

  • 5. De beschikbare invliegrichtingen zijn 90° en 277° naar Final Approach and Take-off area (FATO). De beschikbare uitvliegrichtingen zijn 97° en 270° naar Final Approach and Take-off area (FATO).

Artikel 5.2.2.3.6

Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan Gedeputeerde Staten een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.

5.2.2.4 - Luchthavenregeling Zweefvliegterrein Lemelerveld

Artikel 5.2.2.4.1
  • In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a. wet: de Wet luchtvaart;

  • b. regeling: de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen;

  • c. luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • d. gebruiker: een natuurlijke of rechtspersoon die recreatieve vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

  • e. TMG (Touring Motor Glider): motorzweefvliegtuig met een integraal gemonteerde niet intrekbare motor en een niet intrekbare propeller, dat in staat is om op eigen kracht op te stijgen en te klimmen;

  • f. zweefvliegtuig: zweeftoestel met een vaste vleugel;

  • g. uniforme daglichtperiode: het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang, zoals geldt voor de positie 52.00 graden N en 05.00 graden O op zeeniveau;

  • h. Zelfstartend zweefvliegtuig: een zweefvliegtuig met een ingebouwde uitklapbare motor, waarmee het zweefvliegtuig zelfstandig kan starten. Als het zweefvliegtuig op hoogte is, wordt de motor gestopt en in de romp ingeklapt en vliegt en landt het zweeftoestel als een zweefvliegtuig.

Artikel 5.2.2.4.2

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de luchthaven aan de Langsweg 28 te Lemelerveld, gemeente Dalfsen, geografische positie is 52°28'04'' N 006°19'58'' E, zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart (bijlage 9).

Artikel 5.2.2.4.3

De exploitant van de luchthaven is Vereniging Aero Club ‘Salland', statutair gevestigd aan de Langsweg 28, 8152 EA te Lemelerveld.

Artikel 5.2.2.4.4

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant van de luchthaven en de gebruiker.

Artikel 5.2.2.4.5
  • 1. Onverminderd de bepalingen uit de wet en de regeling veilig gebruik luchthavens, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt voor:

    • -

      zweefvliegtuigen waaronder zelfstartende zweefvliegtuigen;

    • -

      vliegtuigen die noodzakelijk zijn voor het doen opstijgen van de zweefvliegtuigen (sleepvliegtuigen);

    • -

      TMG's.

  • 2. Het toegestane type TMG betreft de "Scheibe 25 C" of een gelijkwaardig type vliegtuig waarbij het maximale toegestane aantal starts en landingen 450 (900 vliegbewegingen) per gebruiksjaar betreft.

  • 3. Het maximale toegestane aantal starts van de zelfstarters is 100 per gebruiksjaar (100 vliegbewegingen).

  • 4. Het maximale toegestane aantal starts en landingen van de sleepvliegtuigen is 300 per gebruiksjaar (600 vliegbewegingen).

  • 5. Zondags voor 12 uur mag niet meer dan één start met de TMG plaatsvinden.

  • 6. Het gebruik of doen gebruiken van de luchthaven is alleen toegestaan gedurende de uniforme daglichtperiode in Visual Meteorological Conditions (VMC).

  • 7. De beschikbare in- en uitvliegrichtingen zijn 90°en 270°.

  • 8. De maximale lengte van de start- en landingsbaan bedraagt 1050 meter.

Artikel 5.2.2.4.6
  • 1. Binnen vier weken na het einde van elk van de vier kalenderkwartalen overlegt de exploitant aan GS een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende kwartaal waarbij de 4e kwartaalrapportage kan worden opgenomen in de jaarrapportage zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel.

  • 2. Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan Gedeputeerde Staten een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.

5.2.2.5 - Luchthavenregeling Helihaven De Koperen Hoogte Zwolle

Artikel 5.2.2.5.1
  • In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a. wet: de Wet luchtvaart;

  • b. regeling: de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen;

  • c. luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • d. gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een natuurlijke of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

  • e. uniforme daglichtperiode: het gedeelte van het etmaal tussen vijftien minuten voor zonsopgang en vijftien minuten na zonsondergang, zoals geldt voor de positie 52.00 graden N en 05.00 graden O op zeeniveau.

Artikel 5.2.2.5.2

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de helikopterluchthaven aan de Lichtmisweg 51 te Zwolle, geografische positie is 52°35'5.22''N 006°11'19.37''E, zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart (bijlage 9).

Artikel 5.2.2.5.3

De exploitant van de luchthaven is de Van der Most Beheer III B.V, gevestigd aan de Hoogeveenseweg 7F, 7777 TA te Hoogeveen.

Artikel 5.2.2.5.4

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant van de luchthaven en de gebruiker.

Artikel 5.2.2.5.5
  • 1. Onverminderd de bepalingen uit de wet en de regeling, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt door helikopters (type EC-120 met een Maximum Takeoff Weight (MTOW) van 1715 kg), of een gelijkwaardig type helikopter, met een bronvermogen dat gelijk of minder is.

  • 2. Het maximale aantal toegestane vluchten bedraagt 250 per jaar (= 500 vliegbewegingen, zijnde starts of landingen).

  • 3. Het is verboden zondags voor 13 uur starts en/of landingen uit te voeren op de luchthaven.

  • 4. Vluchten van en naar de helihaven dienen uitgevoerd te worden gedurende de uniforme daglichtperiode in Visual Meteorological Conditions.

  • 5. De beschikbare invliegrichtingen zijn 148° en 358° naar Final Approach and Take-off area (FATO). De beschikbare uitvliegrichtingen zijn 178° en 328° naar Final Approach and Take-off area (FATO).

  • 6. Alle vliegbewegingen van en naar deze locatie dienen vooraf te worden aangemeld bij de militaire verkeersleiding, te weten het Air Operations Control Station (AOCS) te Nieuw Milligen.

  • 7. De laagvliegroute 10A van het ministerie van Defensie mag alleen op een hoogte van meer dan 150 meter boven maaiveld worden gekruist, indien en zodra het gebruik daarvan wordt hervat.

  • 8. De toegangswegen naar het heliplatform en de bluswatervoorziening dienen te zijn uitgevoerd conform de handleiding Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (NVBR, 2012). Deze moet ten alle tijd worden vrijgehouden ten behoeve van de hulpverleningsdiensten.

Artikel 5.2.2.5.6
  • 1. Binnen vier weken na het einde van elk van de vier kalenderkwartalen overlegt de exploitant aan GS een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende kwartaal waarbij de 4e kwartaalrapportage kan worden opgenomen in de jaarrapportage zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel.

  • 2. Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan GS een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.

Artikel 5.2.2.5.7

Indien aanvragen worden ingediend voor het tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van terreinen voor het opstijgen en landen met helikopters binnen een afstand van 1 kilometer vanaf het luchthavengebied worden hiervoor geen ontheffingen verleend.

5.2.2.6 - Luchthavenregeling Helihaven daklocatie Isala Klinieken

Artikel 5.2.2.6.1
  • In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder

  • a. wet: de Wet Luchtvaart

  • b. regeling: de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen

  • c. luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1 .1, eerste lid, van de Wet Luchtvaart

  • d. gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een natuurlijk of rechtspersoon die vluchten uitvoert niet zijnde een luchtvaartmaatschappij

Artikel 5.2.2.6.2

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de helikopterluchthaven aan de Dr. Van Heesweg nr.2 te Zwolle. De geografische positie van de helihaven is N52.51350o; E6.12235o, zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart (bijlage 1).

Artikel 5.2.2.6.3

De exploitant van de luchthaven is de Stichting Isala Klinieken, gevestigd aan de Dr. Van Heesweg 2, 8025 AS te Zwolle.

Artikel 5.2.2.6.4

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant van de luchthaven en de gebruiker.

Artikel 5.2.2.6.5
  • 1. Onverminderd de bepalingen uit de wet en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt door traumahelikopters (type EC-135 met een Maximum Takeoff Weight (MTOW) van 2910 kg), of een gelijkwaardig type helikopter, die conform het flight manual mogen opereren op een heliplatform met de afmetingen van 18 bij 18 meter.

  • 2. De luchthaven mag uitsluitend gebruikt worden voor starts en landingen voor medische doeleinden.

  • 3. De helihaven beschikt over brandklasse H1, waardoor er alleen helikopters met een LOA (Length over all) tot 15 meter gebruik mogen maken van de helihaven.

  • 4. Vluchten van en naar de helihaven dienen uitgevoerd te worden in Visual Meteorological Conditions.

  • 5. De beschikbare invliegrichtingen zijn 104o en 254o naar Final Approach and Take-off area (FATO). De beschikbare uitvliegrichtingen zijn 74o en 284o naar Final Approach and Take-off area (FATO).

Artikel 5.2.2.2.6

Binnen 4 weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de exploitant aan Gedeputeerde Staten een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het gebruiksjaar.

Hoofdstuk 6. Toezicht en strafbepaling

97

Titel 6.1. Handhaving

Artikel 6.1.1. Aanwijzing toezichthouders

Gedeputeerde Staten kunnen personen aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

Artikel 6.1.2. Strafbepaling

Een gedraging in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1.1.2, paragraaf 3.2.1, paragraaf 3.2.2 en paragraaf 3.2.3 van deze verordening is een strafbaar feit.

Hoofdstuk 7 Natuur

Titel 7.1 Algemeen
Artikel 7.1.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare.

    b. faunabeheerplan: door Gedeputeerde Staten goedgekeurd faunabeheerplan dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 3.12, eerste en derde tot en met zesde lid, van de Wet en dat is goedgekeurd overeenkomstig artikel 3.12, zevende lid, van de Wet.

    c. taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door of namens Gedeputeerde Staten aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken door of namens Gedeputeerde Staten aangewezen.

    d. Wet: de Wet natuurbescherming.

  • b.

    faunabeheerplan: door Gedeputeerde Staten goedgekeurd faunabeheerplan dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 3.12, eerste en derde tot en met zesde lid, van de Wet en dat is goedgekeurd overeenkomstig artikel 3.12, zevende lid, van de Wet.

  • c.

    taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door of namens Gedeputeerde Staten aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken door of namens Gedeputeerde Staten aangewezen.

  • d.

    Wet: de Wet natuurbescherming.

Titel 7.2 Gebiedsbescherming
Artikel 7.2.1 Vrijstelling beweiden en bemesten

[Toelichting: De vrijstelling van de vergunningplicht voor beweiden en bemesten is een voortzetting van de bestaande landelijke vrijstelling, zoals die was neergelegd in artikel 3a van het Besluit Vergunningen Natuurbeschermingswet 1998. De vrijstelling ziet op het weiden van alle soorten vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen: dierlijke meststoffen, overige organische meststoffen en kunstmest.

Verwacht wordt dat de kwaliteit van habitats door beweiding of bemesting niet zal verslechteren.

In het kader van de Meststoffenwet zijn de normen voor bemesten de afgelopen jaren al

aanzienlijk aangescherpt. Zo kan er minder mest per hectare worden uitgereden en zijn de stikstofgebruiksnormen verlaagd. In het programma aanpak stikstof 2015–2021 is bovendien

rekening gehouden met de stikstofdepositie als gevolg van bestaande beweiding en bemesting,

en vastgesteld dat deze depositie in het licht van de voorziene maatregelen in het programma

niet leidt tot verslechtering van de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitats en leefgebieden van soorten in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen.]

Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet is niet van toepassing op:

  • a.

    Het weiden van vee.

  • b.

    Het op of in de bodem brengen van meststoffen.

Titel 7.3 Houtopstanden

[Toelichting: In de Wet wordt het huidige beschermingsregime zoals vastgelegd in de Boswet gehandhaafd. De uitoefening van de bevoegdheden komen echter bij de provincie te liggen. Provinciale Staten kunnen hier regels voor stellen. Deze betreffen het stellen van regels over de meldingsplicht, de bosbouwkundige wijze van de herplantplicht en de vrijstelling van de meldings- en herplantplicht.]

Artikel 7.3.1 Eisen aan de melding van een veiling

[Toelichting: Gedeputeerde Staten dienen zich aan de hand van de gegevens die de initiatiefnemer verstrekt, een goed beeld te kunnen vormen van de aard en omvang van de houtopstand en de reden van de velling. Gedeputeerde Staten zullen hiertoe een formulier vaststellen waarin de genoemde gegevens verwerkt kunnen worden.]

Ter voldoening aan de meldingsplicht als bedoeld in artikel 4.2 tweede lid van de Wet, stelt de melder bij een melding in ieder geval de volgende gegevens ter beschikking aan Gedeputeerde Staten:

  • a.

    Naam-, adres- en woonplaatsgegevens, contactgegevens en indien van toepassing bedrijfsgegevens van de melder. Indien de melder niet de eigenaar is, ook voornoemde gegevens van de eigenaar.

  • b.

    Gegevens over de te vellen houtopstand: topografische en kadastrale locatie, de oppervlakte van de velling, de boomsoort, de leeftijd, en indien relevant het aantal bomen.

  • c.

    De reden van de velling.

Artikel 7.3.2 Termijnen voor meldingen

[Toelichting : Gedeputeerde Staten beoordelen binnen een termijn van zes weken of de velling is toe-gestaan of dat Gedeputeerde Staten een verbod ingevolge artikel 4.2, derde lid, van de Wet opleggen.Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om af te wijken van de (wacht) termijn van zes weken. Hiertoe zullenGedeputeerde Staten op basis van artikel 4.5, derde lid, van de Wet een beleidsregel en een formuliervaststellen waarmee de toestemming om af te wijken van de in dit artikel geregelde wachttermijn kanworden aangevraagd.]

  • 1.

    Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet, wordt niet minder dan 6 weken vooraf-gaand aan de velling gedaan en niet langer dan 1 jaar voorafgaand aan de velling.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van het eerste lid de melder toestaan om eerder dan 6weken na melding, als bedoeld in artikel 7.3.1, te starten met de velling.

Artikel 7.3.3 Wijze van melden

[Toelichting: Het digitale formulier kunt u vinden op: http://www.overijssel.nl/loket/vergunningen-0/]Een melding als bedoeld in artikel 4.2 eerste lid, van de Wet wordt niet anders gedaan dan via een doorof namens Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld formulier of vastgestelde elektronische wijze.

Artikel 7.3.4 Eisen aan herbeplanting op dezelfde grond

Toelichting: Het doel van de eisen aan herbeplanting is om de hoofddoelstelling, het niet achteruit latengaan van de oppervlakte houtopstanden in Nederland, vorm te geven. Daarnaast is ook de kwaliteitvan de houtopstanden van belang. Daarbij wordt gelet op de doelstellingen die de betreffende houtop-stand kent. Van belang is bijvoorbeeld dat de houtopstand de functies voor natuur, landschap, houtpro-ductie en recreatie in zekere mate evenwichtig kan vervullen. Gelet op deze punten, dient het begrip“bosbouwkundig verantwoord”, breed uitgelegd te worden. Het gaat niet alleen om de houtteeltkundigekwaliteit van de houtopstand, maar ook om de natuur- en landschappelijke waarde.

De Boswet stelde in de toelichting dat de herplant in verhouding diende te staan tot het gevelde. Dezekoppeling wordt nu ook weer aangebracht. Derhalve is in dit artikel onder sub f gesteld dat de houtop-stand vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden moet kunnen vertegenwoordigen.Hiermee wordt niet bedoeld dat er precies dezelfde soorten geplant moeten worden als er voor develling aanwezig waren; wel is het de bedoeling dat een houtopstand die ecologische waarden verte-genwoordigden ook na herplant weer ecologische waarden kan herbergen. Hierbij is het toegestaanecologische waarden uit te wisselen. Zo kan een inheemse loofboomsoort vervangen worden door eenandere inheemse loofboom soort. Het is echter niet te de bedoeling om een soortenrijk loofbos te ver-vangen door soortenarme populierenplantage.

Het vellen van een houtopstand kan een grote impact op de omgeving hebben. Het is daarom van belangdeze op zo kort mogelijke termijn te herstellen, zodat de functie die de houtopstand vervult ook snelweer hersteld wordt. Derhalve worden er eisen gesteld aan de oppervlakte, de te kiezen soorten (hetkunnen vormen van een volwaardige duurzame houtopstand) en de tijd waarbinnen een nieuwehoutopstand een gesloten kronendak moet vormen. Dit laatste betekent dat er voldoende en kwalitatiefgoed plantmateriaal gebruikt dient te worden of dat er voldoende zaailingen aanwezig zijn. Snelgroeiende soorten behoeven minder plantmateriaal per hectare.]Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van de Wet, voldoetin elk geval aan de volgende eisen:

  • a.

    De oppervlakte van de herplant is ten minste even groot als de gevelde oppervlakte.

  • b.

    De nieuwe houtopstand kan gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse uitgroeientot een volwaardige en duurzame houtopstand.

  • c.

    De nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 tot 10 jaar een gesloten kronendak vormen.

    [Toelichting: In dit kader gelden bij een herplant de volgende richtlijnen:

    • bij aanplant met (2 of 3 jarig) bosplantsoen een plantverband van maximaal 2 x 2 meter;

    • met populier en wilg een plantverband van maximaal 8 x 8 meter indien de aanplant bestaat uit bewortelde stek;

    • met veren een plantverband van maximaal 4 x 4 meter;

    • bij laanbomen langs wegen een onderlinge afstand van maximaal 8 meter.]

  • d.

    Het gebruik van sierheesters, tuinsoorten en soorten die naar oordeel van Gedeputeerde Staten eengevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse is niet toegestaan.

    [Toelichting: Met het oog op een evenwichtige functievervulling worden sierheesters, tuinsoorten ensoorten die een gevaar vormen voor de biodiversiteit uitgesloten. Bij het laatste wordt gedacht aansoorten als Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), die gezien het woekerende karakter inheemsevegetaties volledig kan verdringen. Gezien de vele soorten die er zijn, in combinatie met meestal zeerspecifieke gebiedsomstandigheden komen Gedeputeerde Staten hier een hoge mate van beoordelings-vrijheid toe. Zij zullen dit van geval tot geval beoordelen.]

  • e.

    Herplant binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schadetoebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel2.1, vierde lid, van de Wet.

    [Toelichting: Het kunnen vormen van een duurzame en volwaardige houtopstand behelst dat soortendie gebruikt worden volledig tot wasdom kunnen komen op de bodem waarin ze geplant worden. Hetplanten van meer-eisende naaldbomen (fijnspar, douglas) op droge arme zandgronden zal bijvoorbeeldniet leiden tot een duurzame houtopstand, omdat bomen voortijdig zullen afsterven en/of niet tot vollewasdom kunnen komen. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het gebruik van beuk op bodems met hogestagnerende grondwaterstanden.]

  • f.

    De herbeplante houtopstand kan op termijn vergelijkbare ecologische en landschappelijk waardenvertegenwoordigen en dient derhalve kwalitatief en kwantitatief in redelijke verhouding te staan tot degevelde of teniet gegane houtopstand.

    [Toelichting: Wat een redelijke verhouding is zal worden beoordeeld aan de hand van jurisprudentie.Onder redelijke verhouding wordt bijvoorbeeld verstaan dat boomvormers niet alleen maar vervangenmogen worden door struikvormers.]

  • g.

    Indien sprake is van herbeplanting door natuurlijke verjonging wordt aan een bosbouwkundig ver-antwoorde herbebossing voldaan als de verjonging uit kan groeien tot een volwaardige houtopstanden deze houtopstand vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden kan vertegenwoordigen.

    [Toelichting: Bij deze natuurlijke herbebossing dient er voldoende natuurlijke verjonging aanwezig tezijn. Insteek hierbij is dat na het vellen zich binnen een periode van 5 à 10 jaar weer een gesloten kro-nendak kan ontwikkelen. Deze beoordeling is niet direct soort afhankelijk. Bepalend hierbij is de plaatswaar de gevelde houtopstand zich bevond en de verschijningsvorm van de opstand].

Artikel 7.3.5 Eisen aan herbeplanting op andere grond
  • 1.

    Herplant op andere grond wordt niet toegestaan als het één of meer van de volgende gevallen betreft:

    • a.

      Indien hierdoor de oppervlakte van een boskern afneemt.

      [Toelichting: Hier geldt het nee, tenzij- principe, waarbij het uitgangspunt is dat een boskern beschermd is. Door deze minimale aaneengesloten oppervlakte bos kan zich een bosklimaat met de daarbij behorende ecologische waarden ontwikkelen. Onder bijzondere omstandigheden, zoals aangegeven in vijfde lid van dit artikel, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken mits door middel van de herplant op de andere grond een andere boskern wordt versterkt of op de plaats van compensatie een hoge natuur of landschappelijke waarde kan worden bewerkstelligd.]

    • b.

      Indien de betreffende houtopstand deel uit maakt van een instandhoudingsdoel als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wet.

    • c.

      Indien het naar het oordeel van Gedeputeerde Staten gaat om een oude bosgroeiplaats waarbij sprake is van een goed ontwikkelde bosbodem.

      [Toelichting: Oude bosgroeiplaatsen zijn zeldzaam in Nederland. Op deze plaatsen is sprake van een langdurige ongestoorde ontwikkeling van de bosbodem. De bodem krijgt hierdoor specifieke kenmerken die gunstig zijn voor soorten die slechts groeien in langdurig ongestoorde bossystemen. Om deze reden dienen deze bodems bescherming te krijgen en is het niet mogelijk om houtopstanden op deze bodems elders te compenseren. Het is aan Gedeputeerde Staten om te beoordelen of op deze bodems ook een kapverbod aan de orde kan zijn. Het bepalen of het gaat om een oude bosbodem kan op verschillende manieren. Via (oude) topografische kaarten, kadastrale kaarten en/of foto’s kan dit veelal worden vastgesteld. Deze gegevens kunnen ondersteund worden door vegetatiegegevens of gegevens over het voorkomen van nadere soorten, waaruit blijkt dat er sprake is van soorten die kenmerkend zijn voor oude bosbodems of oude minimaal verstoorde bossystemen.]

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt herplant op andere grond wel toegestaan als de houtopstand moet wijken om een werk overeenkomstig een bestemmingsplan, dat voldoet aan Hoofdstuk 2 van deze verordening, mogelijk te maken.

    [Toelichting: Indien op grond van de Wet ruimtelijke ordening wordt besloten dat een houtopstand dient te verdwijnen voor andere doelen, ligt het niet in de rede vanuit de Wet natuurbescherming een andere afweging te maken. Wel dient een houtopstand gecompenseerd te worden. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met vereisten die in de omgevingsverordening voor natuurcompensatie voor het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) en bos en natuur buiten het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) zijn opgenomen. Het uitvoeren van een werk overeenkomstig een bestemmingsplan sluit qua inhoud aan zoals deze ook onder de Boswet gold. Er moet sprake zijn van werkzaamheden die specifiek nodig zijn om invulling te kunnen geven aan het bestemmingsplan, zoals het oprichten van bouwwerken, waarbij de houtopstand of bosgroeiplaats onevenredig wordt aangetast. Het kan bijvoorbeeld gaan om het aanleggen van sportvelden. Het gaat niet om het kunnen uitvoeren van activiteiten, of alleen het toepassen van een ander grondgebruik of bodemcultuur, zoals het vellen en compenseren van houtopstanden die in landelijk gebied staan en die geveld worden om agrarische activiteiten (beter) uit te kunnen voeren.]

  • 3.

    Herplant op andere grond voldoet tevens aan de volgende eisen:

    • a.

      De herplant vindt op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaats als bedoeld in artikel 7.3.4 van deze verordening.

    • b.

      De herplant is gelegen in de provincie Overijssel.

    • c.

      De andere grond is onbeplant en vrij van herplantplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet.

      [Toelichting: indien reeds sprake is van een herplantplicht op een bepaalde locatie kan hier niet nogmaals gecompenseerd worden omdat daarmee de totale bosoppervlakte zou verkleinen.]

    • d.

      De andere grond is vrij van (natuur)compensatieverplichtingen die ontstaan zijn uit hoofde van andere wet- en regelgeving én die het gevolg is van andere vellingen.

      [Toelichting: indien reeds sprake is van een herplantplicht op een bepaalde locatie kan hier niet nogmaals gecompenseerd worden, omdat daarmee de totale bosoppervlakte zou verkleinen. Zo is het ook niet toegestaan om te compenseren op plaatsen waar reeds compensatieverplichtingen voor andere gevallen liggen, die ontstaan zijn uit wet- en regelgeving. Wel is het toegestaan om verplichtingen tot compensatie uit hoofde van de Wet, die ontstaan als compensatie voor soorten of beschermde gebieden te combineren, zolang het dezelfde activiteit betreft.]

    • e.

      Beplanting van de andere grond gaat niet ten koste van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden.

      [Toelichting: Het bebossen van heideterreinen of andere hoogwaardige natuurterreinen is derhalve niet toegestaan. Het gaat daarbij over het algemeen over percelen waar reeds een natuurbestemming op ligt, maar ook weidevogelgebieden e.d. vallen hieronder. Gedeputeerde Staten kijken bij de beoordeling hiervan naar het voorkomen van bijzondere soorten en habitats.]

    • f.

      De andere grond is van gelijke kwaliteit.

      [Toelichting: Kwaliteit in de zin van ecologisch potentieel.]

    • g.

      De oppervlakte van de compensatiegrond is gelijk aan de gevelde of tenietgegane oppervlakte houtopstand.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten kunnen aan de ontheffing als bedoel in artikel 4.5, eerste lid, van de Wet, eisen stellen aan de te gebruiken soorten, verschijningsvorm, locatie en oppervlakte.

  • 5.

    Op grond van bijzondere omstandigheden kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van de vereisten zoals aangeven in artikel 7.3.4 en het eerste lid onder a van dit artikel. Hieraan kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

    [Toelichting: specifiek bij de artikelen 7.3.4 en het eerste lid onder a van dit artikel hebben Gedeputeerde Staten een bevoegdheid om in bijzondere omstandigheden af te kunnen wijken. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan landinrichtingsprojecten waar een nieuwe structuur van het landschap wordt nagestreefd en waarbij de landschappelijke kwaliteit niet afneemt. Ook zouden Gedeputeerde Staten van deze afwijkingsbevoegdheid gebruik kunnen maken als een vergelijkbaar landschapselement elders op een geschikte locatie wordt teruggebracht, waarbij landschap en ecologie in tact blijven.]

Artikel 7.3.6 Vijstelling herplantplicht

De verplichting ingevolge artikel 4.3, eerste lid, van de Wet is niet van toepassing voor:

  • a.

    Het herstel van oevers van natuurlijke, bestaande vennen over een breedte 30 meter gerekend vanaf bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn.

    [Toelichting: onder de Boswet was het bestaand beleid om voor het herstel van vennen een ontheffing van de herplantplicht te verlenen. Deze regeling wordt door middel van een vrijstelling hier gecontinueerd. Doel ervan is om venherstel mogelijk te maken en de beschaduwing van venoevers te verminderen, daar dit grote positieve effecten heeft op de natuurwaarden. De maatvoering van 30 meter vanaf de gemiddelde voorjaarswaterlijn moet gezien worden als een gemiddelde voor het hele ven. Het is dus toegestaan om de zone rond het ven lokaal breder of smaller te maken].

  • b.

    Het door natuurlijke ontwikkelingen blijvend teniet gaan van houtopstanden in de volgende gevallen:

    • 1.

      vernatting door natuurlijke processen en/of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen;

    • 2.

      op natuurlijke wijze teniet gaan van bossen op gronden die van nature geen bosvorming kennen.

[Toelichting: Er zijn gevallen denkbaar waarbij houtopstanden spontaan teniet gaan en waarbij het niet redelijk is dat eigenaren verantwoordelijk/aansprakelijk zijn voor herplant elders, omdat ter plaatse geen bosvorming meer mogelijk is. Zo brengt het vernatten van bossen soms met zich mee dat het bestaande bos afsterft. Als het bos niet te nat wordt zal zich in de meeste gevallen daarna spontaan een nieuwe houtopstand vestigen. In de gevallen waarin dit niet gebeurt, omdat de terreinen te nat worden, is het niet redelijk dat de eigenaar gedwongen wordt elders de houtopstand te compenseren. Dit geldt zowel voor vernatting door natuurlijke processen als voor vernatting door het actief nemen van anti-verdrogingsmaatregelen (GGOR, Beheerplan Natura 2000, Gebiedsanalyse PAS). Tot slot zijn er ook gronden denkbaar waarop van nature geen bosvorming zou plaatsvinden. Daarbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan veengebieden. Op dergelijke bodemtypen wordt ook vrijstelling verleend van de herplantplicht, als de houtopstand spontaan teniet gaat.

Indien bovengenoemde situaties zich voordoen in Natura 2000-gebieden vallen ze meestal onder de vrijstellingsgronden van artikel 4.4 van de Wet.]

Titel 7.4 Soortenbescherming

[Toelichting: Op grond van de Flora- en faunawet en bijbehorende Regeling vrijstelling dier- en plantensoorten (een ministeriële regeling) was een aantal soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet. Deze soorten mochten opzettelijk worden gevangen en gedood indien dit nodig was in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud. Het betrof algemeen voorkomende soorten die niet in hun voortbestaan werden bedreigd en ook niet het gevaar liepen in hun voortbestaan te worden bedreigd. Een aantal van deze soorten wordt nu ook door de Wet natuurbescherming beschermd. Het betreft hier uitsluitend soorten die zijn beschermd op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Wet, de zogenaamde nationaal beschermde soorten. Deze soorten zijn niet beschermd op grond van de in artikel 3.5, van de Wet genoemde bijlagen bij de Habitatrichtlijn en internationale verdragen. Daarom is op grond van artikel 3.10, tweede lid, van de Wet een vrijstelling voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud mogelijk.

De soorten die onder deze titel vallen, zijn soorten die onder het regime van de Flora- en faunawet waren vrijgesteld en op grond van de Wet als nationale soorten zijn beschermd. Voor deze soorten handhaaft de provincie Overijssel de vrijstellingen die onder de Flora- en faunawet golden. Deze soorten komen algemeen voor en de populaties van deze soorten verkeren in een gunstige staat van instandhouding. Tevens is het, juist bij soorten die zeer algemeen voorkomen, niet gewenst dat voor elke ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of elke ingreep in het kader van beheer en onderhoud een ontheffing aangevraagd moet worden. Soms is het ook in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna nodig om dieren te vangen. Bijvoorbeeld bij het overzetten van amfibieën. Uiteraard blijft wel de algemene zorgplicht (artikel 1.12 van de Wet) van toepassing. Dit betekent dat het opzettelijk vangen en doden van de vrijgestelde diersoorten zoveel mogelijk voorkomen moet worden. Tevens moet er worden bekeken of voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, dan wel het bestendig beheer en onderhoud niet op een andere manier uitgevoerd kan worden waardoor opzettelijk vangen en/of doden niet nodig is.]

Artikel 7.4.1 Bestrijding schade
  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, onder a van de Wet is het toegestaan omde in bijlage 7.4.I bij deze paragraaf aangewezen soorten opzettelijk te doden, en te vangen. Tevensis het in afwijking van het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, onder b van de Wet toegestaan de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

  • 2.

    Het eerste lid is alleen van toepassing voor zover de handeling niet reeds op grond van een door de minister goedgekeurde gedragscode als bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, van de Wet is vrijgesteld.

  • 3.

    De in het eerste lid genoemde vrijstellingen gelden ten behoeve van de in bijlage 7.4.I, bij de betreffende soort genoemde belangen, voor de gehele provincie Overijssel, onder gebruik van de hier genoemde middelen en onder de hierin genoemde voorschriften en beperkingen.

    [Toelichting: de in bijlage 7.4.I bij de betreffende soort genoemde belangen betreffen de belangen uit artikel 3.10, tweede lid, van de Wet.]

  • 4.

    Van de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen kan alleen gebruik gemaakt worden indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat.

Titeldeel 7.5 Bestrijding schade
Artikel 7.5.1 Aanwijzing soorten

[Toelichting: Hiermee wordt het bestaande beleid zoals dat gold onder de Flora- en faunawet voortgezet.]

In bijlage 7.5.I en 7.5.II bij deze verordening worden de soorten aangewezen als bedoeld in artikel 3.15, derde lid, van de Wet.

Artikel 7.5.2 Vrijstelling verbodsbepalingen
  • 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1, vierde lid, van de Wet is het aan grondgebruikers toegestaan om de in bijlage 7.5.I aangewezen schadesoorten opzettelijk te storen op de door hen gebruikte gronden, dan wel in of aan door hen gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende belangrijke schade aan gewassen op deze gronden, of in het omringende gebied.

    [Toelichting: Het betreft soorten die in de provincie Overijssel belangrijke economische schade veroorzaken en niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd. Bij het aanwijzen van soorten die opzettelijk gestoord mogen worden, is aangesloten bij de soorten die onder het regime van de Flora- en faunawet op grond van de provinciale Verordening Beheer en schadebestrijding dieren verontrust mochten worden.

    Voor de haas en de woelrat was in de provinciale Verordening Beheer en schadebestrijding dieren een vrijstelling voor het verontrusten opgenomen. Op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het echter niet verboden deze twee soorten opzettelijk te verontrusten. Vrijstelling is daarom niet aan de orde.]

  • 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet is het aan grondgebruikers toegestaan om de in bijlage 7.5.II aangewezen schadesoort te doden of te vangen op de door hen gebruikte gronden, dan wel in of aan door hen gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende belangrijke schade aan gewassen op deze gronden, of in het omringende gebied. Dit geldt uitsluitend voor percelen waarop schade optreedt of dreigt.

    [Toelichting: Hoewel het in de rede ligt bij een algemene vrijstelling terughoudend om te gaan met het verlenen van het vrijstelling om dieren te doden, heeft de praktijk uitgewezen dat alleen het opzettelijk verontrusten van de roek niet effectief is. Dat wil zeggen dat hier geen schadevoorkomend of beperkend effect van uitgaat, zodat het niet als een bevredigende oplossing kan worden aangemerkt. Daarom is het toegestaan om de roek onder voorwaarden ook te doden en te vangen. De roek mag alleen worden gedood met het geweer en alleen indien:

    - De dieren zich buiten het gebied in een straal van 500 meter van een aanwezige roekenkolonie bevinden en;

    - er niet meer dan maximaal 5 dieren per dag per schadeperceel worden gevangen en gedood.

    Dit is conform de oude regeling uit de Flora- en faunawet.]

  • 3. De in het eerste en tweede lid genoemde vrijstelling geldt voor de gehele provincie Overijssel.

  • 4. De in het tweede lid genoemde vrijstelling geldt onder gebruik van de, in bijlage 7.5.II bij de betreffende soort genoemde middelen en onder de hierin genoemde voorschriften en beperkingen.

    [Toelichting: Middelen waarmee vogels gedood mogen worden, moeten op grond van artikel 3.3, vijfde lid, van de Wet bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen. Het geweer is in het Besluit natuurbescherming aangewezen als een middel waarmee vogels gedood mogen worden De roek wordt niet in haar voortbestaan bedreigd. Tevens loopt de roek niet het gevaar in haar voortbestaan te worden bedreigd. Handelingen als bedoeld in het eerste en tweede lid worden verricht overeenkomstig het Faunabeheerplan.]

  • 5. Van de in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstelling kan alleen gebruik gemaakt worden indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat.

  • 6. Indien de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15, zevende lid, van de Wet de vrijstelling door een ander laat uitoefenen dient deze persoon de schriftelijke en gedagtekende toestemming bij zich te dragen en op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage te geven.

  • 7. Gedeputeerde Staten kunnen de werking van deze verordening opschorten indien bijzondere weersomstandigheden hier, naar hun oordeel, aanleiding toe geven.

Titeldeel 7.6 Tegemoetkoming faunaschade

[Toelichting: Artikel 6.1 van de Wet bepaalt dat Gedeputeerde Staten in voorkomende gevallen tegemoetkomingen verlenen in geleden schade door natuurlijk in het wild levende:

a. vogels van vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of

b. dieren die worden genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of de bijlage, onderdeel A, bij deze Wet.

Ter invulling van deze bevoegdheid stellen Gedeputeerde Staten beleidsregels vast.

De gezamenlijke provincies hebben ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan BIJ12, de uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg. Uit oogpunt van efficiëntie hebben Gedeputeerde Staten gekozen voor een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis. Zo wordt uniformiteit in de uitvoering over heel Nederland nagestreefd. In een afzonderlijk mandaatbesluit hebben Gedeputeerde Staten de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen gemandateerd aan BIJ12.]

Artikel 7.6.1 De aanvraag om tegemoetkoming
  • 1. Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij Gedeputeerde Staten ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.

    [Toelichting: In dit artikel wordt de elektronische wijze van indiening van een aanvraag om tegemoetkoming in schade veroorzaakt door in het wild levende beschermde vogels of dieren geregeld. Op grond van artikel 4:1 Algemene wet bestuursrecht moet de voorwaarde van elektronische indiening van een aanvraag bij wettelijk voorschrift worden geregeld. Het digitale formulier kunt u vinden op www.faunaschade.nl]

  • 2. De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen 7 werkdagen, nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.

  • 3. Schade welke niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij Gedeputeerde Staten is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

    [Toelichting: Vereist is dat de schade zo spoedig mogelijk (binnen 7 werkdagen) bij Gedeputeerde Staten wordt gemeld. In de praktijk zal dit bij BIJ12 moeten worden gemeld. BIJ12 is dan in de gelegenheid een taxateur ter plaatse een onderzoek naar de schadeveroorzakende diersoorten en de omvang van de schade te laten instellen. Een consulent faunazaken van of namens Gedeputeerde Staten (BIJ12) kan dan ook adviseren hoe verdergaande schade kan worden voorkomen of beperkt. Aanvragen die later dan 7 werkdagen na constatering van de schade zijn ingediend worden afgewezen. Onder werkdagen worden verstaan: maandag tot en met vrijdag met uitzondering van algemeen erkende feestdagen als bedoeld in de Algemene termijnenwet.]

Artikel 7.6.2 Taxatie van de schade
  • 1. De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur.

    [Toelichting: Dit artikel regelt in samenhang met de beleidsregel Natuur de wijze waarop de schade wordt vastgesteld. Gedeputeerde Staten of diens uitvoeringsorganisatie, BIJ12, heeft een raamovereenkomst met taxatiebureaus die schade veroorzaakt door in het wild levende beschermde dieren taxeren.]

  • 2. Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar Gedeputeerde Staten.

    [Toelichting: De taxateur zal zijn bevindingen direct na de eindtaxatie bij de grondgebruiker achter laten of deze zo spoedig mogelijk toesturen. Voorzien is in de mogelijkheid dat de aanvrager zijn opmerkingen over de taxatie kan vermelden, dat de taxateur die opmerkingen van commentaar voorziet en dat de aanvrager kennis kan nemen van het commentaar van de taxateur. Onder werkdagen worden verstaan: maandag tot en met vrijdag met uitzondering van algemeen erkende feestdagen als bedoeld in de Algemene termijnenwet.]

Titeldeel 7.7 Faunabeheereenheid

[Toelichting: Faunabeheereenheden vervullen een essentiële rol in het faunabeheer, omdat zij zorgen voor een maatschappelijke en gebiedsgerichte inbedding ervan. De daadwerkelijke uitvoering van het faunabeheer wordt gedaan door jachtaktehouders die verenigd zijn in de wildbeheereenheden (WBE’s). Aan de WBE’s worden eisen gesteld in titel 7.9.

In het bestuur van de faunabeheereenheden zijn in ieder geval de jachthouders uit het werkgebied van de faunabeheereenheid en maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort, vertegenwoordigd. Provinciale Staten dienen bij verordening regels te stellen waaraan in hun provincie werkzame faunabeheereenheden dienen te voldoen. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op de omvang en begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid.

Voor de inwerkingtreding van de Wet waren de regels waaraan een faunabeheereenheid dient te voldoen opgenomen in het Besluit faunabeheer; een algemene maatregel van bestuur op grond van de Flora- en faunawet. De eisen die in deze regeling waren opgenomen, blijken in de praktijk goed te werken. Daarom zijn deze eisen in de provinciale regeling overgenomen.]

Artikel 7.7.1 Doel faunabeheereenheid

In een faunabeheereenheid werken jachthouders samen ten behoeve van het opstellen van en het uitvoering geven aan het faunabeheerplan.

Artikel 7.7.2 Eisen aan faunabeheereenheid

[Toelichting: Deze eisen zijn een voortzetting van de eisen die onder de Flora- en faunawet golden. In Overijssel is één faunabeheereenheid opgericht die de gehele provincie tot haar werkgebied heeft. Eén faunabeheereenheid voor de gehele provincie heeft een aantal voordelen, namelijk:

  • -

    Het beheer van diersoorten en de schadebestrijding kan effectief worden georganiseerd;

  • -

    Er is één aanspreekpunt voor de provincie, voor degenen die het faunabeheer en de schadebestrijding uitvoeren en voor de grondgebruikers. Hierdoor is een effectieve afstemming tussen provinciaal beleid en de uitvoering van het faunabeheer en de schadebestrijding mogelijk.]

De binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht:

  • a.

    hebben een oppervlakte van ten minste 5000 hectare;

  • b.

    vormen tenminste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van het samenwerkingsverband en

  • c.

    zijn aaneengesloten.

Artikel 7.7.3 Werkgebied

Het werkgebied van het samenwerkingsverband strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere faunabeheereenheid uitstrekt.

Artikel 7.7.4 Samenstelling bestuur faunabeheereenheid

[Toelichting: De wet stelt in artikel 3.12, negende lid, sub d dat Provinciale Staten regels kunnen stellen aan de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties in het bestuur van een faunabeheereenheid. De uitwerking hiervan vindt plaats in dit artikel.

In artikel 3.12, tweede lid van de Wet is geregeld dat maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort, vertegenwoordigd zijn in het bestuur van de faunabeheereenheid.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het aan de faunabeheereenheid zelf is om binnen de provinciale kaders te bepalen welke maatschappelijke organisaties in haar bestuur worden vertegenwoordigd.

Het bestuur van de faunabeheereenheid bestaat uit vertegenwoordigers van de agrarische sector, de jachtaktehouders, particuliere grondeigenaren en de terreinbeherende organisaties.

Vanuit het oogpunt van het creëren van maatschappelijk draagvlak wordt een extra bestuurszetel beschikbaar gesteld voor een vertegenwoordiger van een maatschappelijke organisatie, zoals omschreven in artikel 3.12, tweede lid, van de Wet.

Met deze regeling wordt aangesloten bij de huidige bestuurssamenstelling van het bestuur van de faunabeheereenheid en wordt tevens voorzien in het wettelijke vereiste van vertegenwoordiging van een maatschappelijke organisatie.

Naast de verplichte vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties in het bestuur van de faunabeheereenheid, kan het bestuur te allen tijde externe deskundigheid inwinnen van andere organisaties dan de in het bestuur vertegenwoordigde maatschappelijke organisaties en van wetenschappers op het gebied van faunabeheer. Deze adviseurs vormen geen onderdeel van het bestuur en kunnen dus niet meestemmen bij de besluitvorming, maar kunnen wel deelnemen aan de bestuursvergadering en het bestuur adviseren. De wettelijke bepalingen bieden voldoende houvast voor de faunabeheereenheid om externe deskundigheid in te schakelen. Op provinciaal niveau worden hiervoor geen aanvullende regels gesteld.

Indien in de toekomst blijkt dat de eisen aan de bestuurssamenstelling niet meer voldoen, kunnen de eisen worden aangepast door wijziging van dit artikel. Hierbij zal er wel sprake moeten zijn van een evenwichtige vertegenwoordiging van alle betrokken partijen in de faunabeheereenheid.]

  • 1.

    In het bestuur zijn vier bestuurszetels beschikbaar ten behoeve van de vertegenwoordiging van jachthouders. Deze zijn als volgt verdeeld:

    • -

      één zetel namens de terreinbeheerders,

    • -

      één zetel namens het particulier grondbezit,

    • -

      één zetel namens het jachtbedrijf, en

    • -

      één zetel namens de agrarische sector.

  • 2.

    In het bestuur is één bestuurszetel beschikbaar ten behoeve van de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties, zoals omschreven in artikel 3.12, tweede lid, van de Wet.

  • 3.

    Het bestuur van de faunabeheereenheid wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter.

Titeldeel 7.8 Eisen faunabeheerplan
Titel 7.8 Eisen faunabeheerplan

[Toelichting: Eisen aan een faunabeheerplan waren voorheen opgenomen in de Flora- en faunawet en het Besluit faunabeheer (een algemene maatregel van bestuur). Deze eisen hadden uitsluitend betrekking op populatiebeheer. In de Wet is de reikwijdte van een faunabeheerplan uitgebreid tot schadebestrijding en jacht. De bevoegdheid eisen te stellen aan faunabeheerplannen is op grond van artikel 3.12, negende lid, van de Wet gedecentraliseerd aan provincies.

Een faunabeheerplan voorziet in een samenhangende aanpak van populatiebeheer door

faunabeheereenheden, schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht op de door de minister aangewezen wildsoorten. Het door het bestuur van de faunabeheereenheid vast te stellen faunabeheerplan vervult hiermee een centrale rol in faunabeheer. Provinciale Staten stellen in deze verordening vast aan welke eisen een faunabeheerplan moet voldoen. Een faunabeheerplan behoeft vervolgens nog de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.]

Artikel 7.8.1 Doelsteliing Faunabeheerplan

Het faunabeheerplan is gericht op het duurzaam beheer van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren en de uitoefening van de jacht met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4 °, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1 ° tot en met 3 ° en artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met h, van de Wet.

Artikel 7.8.2 Reikwijdte Faunabeheerplan

[Toelichting: Uitgangspunt van het systeem van faunabeheer is dat er in een bepaald gebied gedurende een langere periode integraal beheer wordt gevoerd. Om dat te bereiken moet een faunabeheerplan gelden voor een deel van het werkgebied van de faunabeheereenheid dat groot genoeg is om een verantwoord en duurzaam faunabeheer te kunnen voeren in samenhang met schadebestrijding en de uitoefening van de jacht.

De eis dat een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid is een continuering van de eis zoals deze op basis van het Besluit faunabeheer gold.]

Het faunabeheerplan geldt voor tenminste 5000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.

Artikel 7.8.3 Geldigheidsduur Faunabeheerplan

[Toelichting: Op grond van het voorheen geldende Besluit faunabeheer gold dat een faunabeheerplan een geldigheidsduur heeft van ten hoogste 5 jaar (artikel 11 Besluit faunabeheer). Deze eis is met de intrekking van het Besluit faunabeheer komen te vervallen. Gelet op de samenhangende aanpak van populatiebeheer, schadebestrijding en de uitoefening van de jacht waarin een faunabeheerplan voorziet, is het van belang dat een faunabeheerplan voor verschillende jaren geldig is. Daarom wordt aangesloten op de looptijd van een faunabeheerplan ten tijde van het Besluit faunabeheer.]

  • 1.

    In het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste 5 jaren heeft.

  • 2.

    De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

Artikel 7.8.4 Eisn aan Faunabeheerplan - beheer en schadebestrijding

[Toelichting: De eisen die in dit artikel gesteld zijn, zijn grotendeels dezelfde eisen die voorheen golden op grond van artikel 10 van het Besluit faunabeheer. Zoals in het algemeen deel toegelicht, heeft een faunabeheerplan, naast populatiebeheer, ingevolge de Wet een bredere functie en tevens betrekking op schadebestrijding en de uitoefening van de jacht. De regels voor de jacht zijn in artikel 7.8.5 geregeld.

Voor schadebestrijding en populatiebeheer fungeert een faunabeheerplan als basis voor ontheffingverlening en opdrachtverlening.]

Het faunabeheerplan bevat tenminste de volgende gegevens:

  • a.

    de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid;

  • b.

    een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;

  • c.

    kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer en schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;

  • d.

    een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer en schadebestrijding, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4 °, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1 ° tot en met 3 ° en artikel 3.10, tweede lid, aanhef en onderdeel b tot en met d, van de Wet die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou worden overgegaan;

  • e.

    een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel d bedoelde belangen in de 5 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van een faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;

  • f.

    de huidige en gewenste stand van de in onderdeel c bedoelde diersoorten;

  • g.

    per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel f, te bereiken en schade te voorkomen;

  • h.

    per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel e, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel d bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

  • i.

    voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;

  • j.

    een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;

  • k.

    voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen;

  • l.

    een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.

Artikel 7.8.5 Eisen aan een faunabeheerplan - uitoefening jacht

[Toelichting: In de Wet maakt jacht, naast populatiebeheer en schadebestrijding.

onderdeel uit van een faunabeheerplan. Provinciale Staten zijn op grond van artikel 3.12, negende lid, van de Wet, bevoegd om regels te stellen aan een faunabeheerplan.

De jacht vindt plaats overeenkomstig een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd faunabeheerplan. De faunabeheereenheid stelt een faunabeheerplan op. De door Provinciale Staten gestelde regels vormen het kader bij de goedkeuring door Gedeputeerde Staten van een faunabeheerplan.

Tijdens de parlementaire behandeling is veelvuldig gesproken over de jacht. Het voorstel om een gedetailleerd afschotplan als onderdeel van een faunabeheerplan op te nemen en de verplichting voor jagers om bij de uitoefening van de jacht overeenkomstig het afschotplan te handelen zijn komen te vervallen. In plaats daarvan fungeert een faunabeheerplan als een koepel voor zowel schadebestrijding als jacht. De invulling van een faunabeheerplan, waar het gaat om de jacht, wordt in eerste instantie overgelaten aan de faunabeheereenheid.

De maatstaf die in de Wet is opgenomen is de verplichting voor de jachthouder om de redelijke wildstand in zijn jachtveld te handhaven of te bereiken. Bij het bepalen van de inspanningen die nodig zijn om een redelijke wildstand te handhaven of te bereiken, wordt door de jachthouder een goedgekeurd faunabeheerplan in acht genomen. Uit de parlementaire behandeling van de Wet (Memorie van toelichting (II, 2011-2012, 33 348, nr.3), Nota naar aanleiding van het verslag (II, 2014-2015, 33 348, nr. 9) en Memorie van antwoord (I, 2015-2016, 33 348, D)) blijkt dat het begrip redelijke wildstand zowel betrekking heeft op het beperken van schade als op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Welke wildstand redelijk is, hangt af van de schadehistorie, de draagkracht van de aanwezige populaties en de behoefte van de grondgebruikers in en rondom het jachtveld. De jachthouder is zelf verantwoordelijk voor de handhaving van de redelijke wildstand in zijn jachtveld en het voorkómen van schade door in zijn jachtveld aanwezig wild. Deze verantwoordelijkheid is neergelegd in artikel 3.20, derde lid, van de Wet. De afweging moet dan ook door de jachthouder in het jachtveld worden gemaakt.

Op grond van artikel 3.12, vijfde lid, van de Wet moet een faunabeheerplan worden onderbouwd door trendtellingen van de populaties van in het wild levende dieren in het gebied waarop een faunabeheerplan van toepassing is. Een faunabeheerplan moet informatie bevatten over de trend van de wildsoorten in Overijssel.

Een faunabeheerplan vormt het afwegingskader voor de jachthouder voor de bepaling van een redelijke wildstand en de eventuele inspanningen die hij moet verrichten om de redelijke wildstand te handhaven of te bereiken. De jachthouder verstrekt op grond van een wettelijke verplichting gegevens over het afschot (art. 3.13, eerste lid, van de Wet). De provinciale eisen over de redelijke wildstand hebben betrekking op de gegevens die in een faunabeheerplan moeten worden opgenomen voor de bepaling van de redelijke wildstand. Deze gegevens kunnen per wildsoort en naar (deel)gebied variëren. De gegevens zelf worden in een faunabeheerplan opgenomen ten behoeve van de afweging over de redelijke wildstand door de jachthouder in zijn jachtveld. De jachthouder bepaalt met inachtneming van een faunabeheerplan, wat in zijn jachtveld nodig is om een redelijke wildstand te handhaven of te bereiken. De faunabeheereenheid geeft op basis van het in onderdeel c vereiste afwegingskader voor redelijke wildstand in een faunabeheerplan een afwegingskader aan de jachthouder op basis waarvan deze een inschatting van de redelijke wildstand in zijn jachtveld kan maken. Dit maakt een transparante afweging mogelijk.]

Het faunabeheerplan bevat met betrekking tot de uitoefening van de jacht minimaal de volgende gegevens:

  • a.

    Kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt. Voor zover deze exacte gegevens ontbreken kan worden volstaan met een schatting van deze populaties en trendgegevens van deze populaties.

  • b.

    Een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan.

  • c.

    Een afwegingskader voor de redelijke wildstand aan de hand waarvan de individuele jachthouder dit in zijn jachtveld kan bepalen.

Artikel 7.8.6 Goedkeuring

[Toelichting: De door Provinciale Staten gestelde regels vormen het kader bij de goedkeuring door Gedeputeerde Staten van een faunabeheerplan.]

  • 1.

    Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, van de Wet in aanmerking te komen, voldoet het faunabeheerplan aan de artikelen 7.8.1 tot en met 7.8.5

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 7.8.3.

Titel 7.9 Wildbeheereenheden

[Toelichting: Op grond van de Wet geldt dat jachthouders met een jachtakte zich met anderen verplicht organiseren in een wildbeheereenheid, ter uitvoering van een door de faunabeheereenheid vastgesteld faunabeheerplan. In de Wet hebben de wildbeheereenheden een meer prominente rol gekregen dan in de Flora- en faunawet. Het zijn over het algemeen de wildbeheereenheden die uitvoering zullen geven aan een faunabeheerplan. Zij zullen in de praktijk de beheerdaden verrichten op grond van de provinciale ontheffing voor beheer en schadebestrijding. Daarnaast adviseren de wildbeheereenheden de faunabeheereenheid over de inhoud van een faunabeheerplan en leveren zij – op basis van tellingen en een afschotregistratie – de gegevens aan ten behoeve van een faunabeheerplan.

De toekenning van deze taken en verantwoordelijkheden aan de wildbeheereenheden vindt haar rechtvaardiging in het feit dat deze samenwerkingsverbanden bij uitstek streekgebonden zijn. Om de wildbeheereenheden deze taken effectief te kunnen laten uitvoeren, bepaalt de Wet dat alle jachthouders met een jachtakte lid zijn van een wildbeheereenheid (artikel 3.14, eerste lid, van de Wet). De wildbeheereenheden zijn gehouden uitvoering te geven aan een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd faunabeheerplan.]

Artikel 7.9.1 Eisen werkgebied

[Toelichting: De werkgebieden van de wildbeheereenheden dienen van voldoende omvang te zijn voor een effectieve invulling van de werkzaamheden. De provincies stellen bij verordening regels aan de omvang van de werkgebieden. Van belang is daarbij de grootte van de leefgebieden van de diersoorten die worden beheerd op grond van het faunabeheerplan. Als de werkgebieden van de wildbeheereenheden te klein zijn, zal de uitvoering van het beheer onvoldoende samenhangend zijn en onvoldoende kunnen worden gecoördineerd. In het grootste deel van de wildbeheereenheden van Overijssel wordt populatiebeheer van reewild uitgevoerd. Voor een samenhangend beheer van het ree is een minimale oppervlakte van 5000 hectare een vaak gehanteerde maatstaf. Ook voor andere diersoorten die veelvuldig schade veroorzaken, biedt deze oppervlakte voordelen voor samenhangend en doeltreffend beheer en schadebestrijding.

In deze verordening is bepaald dat het werkgebied van een wildbeheereenheid aangesloten moet zijn en geheel binnen de provincie Overijssel dient te liggen. Provincies hanteren verschillende regels voor faunabeheer en schadebestrijding. Bij grensoverschrijdende wildbeheereenheden zou dit ertoe leiden dat er in één wildbeheereenheid verschillende regels gelden. Dit ziet de provincie als ongewenst.]

De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten gebied van minimaal 5000 hectare dat geheel binnen de provincie Overijssel ligt.

Artikel 7.9.2 Tijdelijke ontheffing eisen werkgebied

[Toelichting: Omdat er enkele wildbeheereenheden bij de inwerkingtreding van de Wet mogelijk nog niet voldoen aan de eisen uit artikel 7.9.1 (een werkgebied van 5000 hectare, aaneengesloten en niet grensoverschrijdend), kunnen Gedeputeerde Staten - als overgangsmaatregel - ontheffing verlenen van deze eisen, om de betreffende wildbeheereenheden de gelegenheid te geven de samenwerking te zoeken met een naburige wildbeheereenheid.]

Gedeputeerde Staten kunnen – als overgangsmaatregel – op schriftelijk verzoek van de wildbeheereenheid ontheffing verlenen van de eisen in artikel 7.9.1, voor de duur van ten hoogste 2 jaar.

Artikel 7.9.3 Begrenzing werkgebied

Het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, strekt zich niet uit over het gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt. De wildbeheereenheid draagt zorg voor publicatie van de begrenzing van het werkgebied op de website van de Faunabeheereenheid Overijssel.

Artikel 7.9.4 Verplichte aansluiting jachtaktehouders

[Toelichting: In art. 3.14, eerste lid, van de Wet is bepaald dat jachthouders met een jachtakte zich verplicht moeten organiseren in een wildbeheereenheid. De wildbeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging. In Overijssel liggen meerdere wildbeheereenheden. Met artikel 7.9.4 van deze verordening wordt beoogd te regelen bij welke wildbeheereenheid of wildbeheereenheden de jachthouder zich aan dient te sluiten.]

Artikel 7.9.5 Gegevensverzameling

[Toelichting: In een faunabeheerplan is geregeld welke gegevens verzameld dienen te worden ter onderbouwing van ontheffingen en opdrachten voor faunabeheer. Deze gegevens worden voor een belangrijk deel verzameld door de wildbeheereenheden en hun leden.]

De wildbeheereenheid neemt, in het kader van het faunabeheerplan, deel aan trendtellingen van diersoorten, afschotregistratie en de registratie van dood gevonden dieren, voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid uitstrekt.

Artikel 7.9.6 Beëindiging lidmaatschap

[Toelichting: Het niet handelen conform een faunabeheerplan kan aanleiding zijn om het lidmaatschap van een wildbeheereenheid te beëindigen. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de jachthouder die het betreft, aangezien deze in de regel dan geen jachtakte kan verkrijgen. Het is het bestuur van de wildbeheereenheid dat kan beslissen om het lidmaatschap te beëindigen voor een te bepalen periode. Ten aanzien van het voornemen voor een dergelijke beslissing wordt door het bestuur van de wildbeheereenheid een advies ingewonnen bij het bestuur van de faunabeheereenheid. Het is immers de faunabeheereenheid die, op grond van feiten, kan beoordelen of het handelen van een lid van een wildbeheereenheid in strijd is met een door de faunabeheereenheid opgesteld faunabeheerplan.]

Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan door het bestuur van de wildbeheereenheid worden opgezegd wanneer het lid niet handelt conform het faunabeheerplan, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord het bestuur van de faunabeheereenheid.

Artikel 7.9.7 Geschillenregeling

[Toelichting: De wildbeheereenheden hebben een gezamenlijke geschillenregeling om onder meer geschillen ten aanzien van beëindiging van het lidmaatschap te behandelen.]

De wildbeheereenheden stellen een gezamenlijke geschillenregeling in. Deze geschillenregeling voorziet in ieder geval in de behandeling van geschillen die voortvloeien uit bestuursbesluiten zoals bedoeld in artikel 7.9.6.

Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen

107

Titel 8.1. Overgangsrecht

Artikel 8.1.1. Overgangsrecht beschikkingen

108

1. Vergunningen en ontheffingen die zijn verleend onder de werking van de Verordening op de Fysieke leefomgeving Overijssel en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening, worden aangemerkt als vergunningen en ontheffingen krachtens deze verordening.

Artikel 8.1.2. Intrekking Verordening Fysieke Leefomgeving Overijssel
  • 109

  • 1. De Verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel en de hierop gebaseerde uitvoeringsbesluiten worden ingetrokken met uitzondering van:

    • a.

      hoofdstuk 4, paragraaf 1 (grondwateronttrekking) met het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit;

    • b.

      hoofdstuk 6, de artikelen 6.1 en 6.2, lid 1 en lid 2 (toezichthouders en strafbepalingen);

    • c.

      hoofdstuk 5, paragraaf 2 (scheepvaartwegen).

  • 2. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Waterwet worden de onderdelen a tot en met c van het eerste lid alsnog ingetrokken, met uitzondering van bijlage bij hoofdstuk 5, paragraaf 2.2, dagen en tijden, waarop de sluizen in en de bruggen over de provinciale vaarwegen voor de scheepvaart worden bediend.

  • 3. Ingetrokken worden:

    • • Verordening op de waterhuishouding 2002;

    • • Verordening waterkering Noord-Nederland.

Titel 8.2. Overgangsrecht hoofdstukken 2 en 4

Artikel 8.2.1. Overgangsrecht hoofdstuk ruimtelijke ordening
  • 110

  • 1. Het bepaalde in hoofdstuk 2 is niet van toepassing op ontwerpbestemmingsplannen die ter visie zijn gelegd maar nog niet zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding van deze verordening, voor zover daarover door de provinciale diensten positief is geadviseerd. 111

  • 2. De verplichting tot aanpassing van onherroepelijke bestemmingsplannen na 1 jaar zoals bedoeld in artikel 4.1, lid 2 Wro, is niet van toepassing indien de wijziging geen ander doel heeft dan aanpassing van de toelichting op het plan aan het bepaalde in hoofdstuk 2. 112

Artikel 8.2.2. Overgangsrecht EHS
  • 113

  • 1. Voor bestemmingsplannen die betrekking hebben op de Ecologische Hoofdstructuur zoals begrensd op basis van artikel 2.7.2 en die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening al langer dan 5 jaar onherroepelijk zijn, geldt in afwijking van de termijn in artikel 4.1, lid 2 Wro een termijn van 2 jaar voor aanpassing aan het gestelde in deze verordening.

  • 2. Voor bestemmingsplannen die betrekking hebben op de Ecologische Hoofdstructuur zoals begrensd op basis van artikel 2.7.2. en die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening korter dan 5 jaar onherroepelijk zijn, geldt in afwijking van de termijn in artikel 4.1, lid 2 Wro een termijn van 10 jaar na het onherroepelijk worden van deze bestemmingsplannen.

  • 3. Een besluit tot verlenging van de periode van tien jaar als bedoeld in artikel 3.1, lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening wordt niet genomen indien de in het bestemmingsplan aangewezen bestemmingen en de met het oog daarop gegeven regels geen of onvoldoende waarborgen bieden voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het betrokken gebieden die aangewezen zijn als EHS.

Artikel 8.2.3 Overgangsrecht bodemenergiesystemen
  • 114

  • 1. Voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water ten behoeve van een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b. van de Waterwet, waarbij de te onttrekken hoeveelheid niet meer bedraagt dan 10 m³ per uur en 5.000 m³ per kwartaal en waarbij het systeem vóór de datum van inwerkingtreding van deze wijziging van de verordening is geïnstalleerd en aan Gedeputeerde Staten is gemeld krachtens artikel 6.6 van de Waterwet, blijft het recht van toepassing zoals dat gold vóór die datum.

  • 115

  • 2. Het onderhoud aan een open bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid moet mechanisch uitgevoerd worden. Chemische regeneratie is alleen toegestaan wanneer mechanische putreiniging niet mogelijk is en indien vooraf goedkeuring is verleend door Gedeputeerde Staten. Chemische regeneratie moet zodanig worden uitgevoerd dat er geen restverontreiniging achterblijft in de bodem. Het water dat wordt opgepompt tijdens het chemisch regenereren, mag niet worden geretourneerd in de bodem. Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorschriften verbinden aan de goedkeuring ter voorkoming van verontreiniging van bodem en grondwater bij chemische regeneratie.

  • 116

  • 3. Het voornemen om het in werking hebben van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid te beëindigen, en de datum van afdichting van de bronnen en waarnemingsfilters, worden ten minste vier weken voor de beëindiging aan Gedeputeerde Staten gemeld.

  • 117

  • 4. Zo spoedig mogelijk na de beëindiging van het in werking hebben van een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid wordt het systeem, zonder daarbij het ondergrondse deel te verwijderen, zodanig opgevuld dat de werking van de oorspronkelijke waterscheidende lagen wordt hersteld.

  • 118

  • 5. Na buitengebruikstelling van een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid wordt binnen een maand na de afdichting een verslag van de afdichting aan Gedeputeerde Staten toegezonden.

  • 119

Titel 8.3. Inwerkingtreding

Artikel 8.3.1.
  • 120

  • 1. De geactualiseerde Omgevingsverordening zoals vastgesteld op 3 juli 2013 treedt in werking op 1 september 2013.

  • 2. [vervallen]

  • 3. Op 1 januari 2015 vervalt artikel 4.6.5 en treedt artikel 8.2.3 in werking, tenzij Gedeputeerde Staten vóór die datum besluiten een eerdere datum van inwerkingtreding vast te stellen. De overige artikelen in deze verordening treden in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in het provinciaal Blad (ook op www.ruimtelijkeplannen.nl).

Titel 8.4. Citeertitel

Artikel 8.4.1.

121

Deze verordening kan worden aangehaald als: Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2013.

Titel 8.5 Actualisatie Omgevingsverordening - wijzigingsbevoegdheid bij kennelijke onjuistheden in teksten en kaartmateriaal

Artikel 8.5.1 Kennelijke onvolkomenheden

Gedeputeerde staten zijn bevoegd om kennelijke onjuistheden in de tekst van deze verordening en de kaarten die bij de verordening horen - en de digitale verbeelding daarvan - te corrigeren. 122

Bijlage 1 Lijst van specifieke regelingen in relatie tot de EHS

- Algemene eisen en generieke maatregelen ter zake van milieu-, water- en natuurkwaliteit die niet specifiek voor de EHS in het leven zijn geroepen maar wel bijdragen aan versterking daarvan.

- Natuurkwaliteit zoals vastgelegd in de natuurdoeltypenkaart van het natuurgebiedplan en de natuurdoelenkaart Overijssel waaronder ook de beheers- en uitvoeringsmaatregelen hieruit voorvloeiend (Gegadigdenkaart –grondaankopen-, probleemgebieden). Deelname aan dit instrumentarium is vrijwillig.

- Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR): beoordeling op gebieden van communautair belang (liggen in de PEHS) en op soorten (geïmplementeerd in de Flora- en faunawet). Dit regime kent o.m. een compensatieplicht.

- Natuurbeschermingswet: beoordeling op gebieden. Deels VHR- geïmplementeerd. Beschermde natuurmonumenten (liggen in de PEHS) is aparte categorie. Ook dit regime kent een eigen compensatieplicht.

- Flora- en faunawet: art. 75 geeft een ontheffing/vergunningplicht voor plan- en projectbeoordelingen op soorten. Dit regime kent een eigen compensatieplicht.

- Wet milieubeheer en besluit MER, ligging in nabijheid van kwetsbare natuur (Wav- en Natura 2000-gebieden) vraagt in de omgevingstoets om een nadere uitwerking.

- Wet ammoniak en veehouderij: aanwijzen van zeer kwetsbare gebieden (voor verzuring gevoelige gebieden in de PEHS). Dit regime kent een specifiek zoneringsbeleid.

- Geur/stank, nitraat fosfaat: NEC-richtlijn, IPPC, Wet geurhinder etc. Individuele beoordeling waarbij lokale milieuomstandigheden in verband met ligging nabij kwetsbare natuur (Wav- en Natura 2000-gebieden) om een extra afweging kan vragen.

- Reconstructiewet: in het Reconstructieplan is de EHS voor de zonering (extensiveringsgebieden) een van de elementen geweest.

- Boswet: verbod op kappen, vellen en dunnen van houtopstanden. Dit regime kent een eigen herplant- en compensatieplicht.

bijlage 2.1 Niet-limitatieve lijst met schadelijke stoffen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Niet-limitatieve lijst met schadelijke stoffen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.1, paragraaf 3.1.1, artikel 3.1.1.1, onder u van de Omgevingsverordening Overijssel.

  • o Organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit dergelijke verbindingen kunnen ontstaan.

  • o Organische fosforverbindingen.

  • o Organische tinverbindingen.

  • o Organische siliciumverbindingen die toxisch of persistent zijn en stoffen waaruit dergelijke verbindingen kunnen ontstaan, met uitzondering van die welke biologisch onschadelijk zijn of die snel worden omgezet in onschadelijke stoffen.

  • o Anorganische fosforverbindingen en elementair fosfor.

  • o Cyaniden.

  • o Chloriden, bromiden, fluoriden.

  • o Sulfaten.

  • o Ammoniak, nitrieten en nitraten.

  • o Minerale oliën en koolwaterstoffen.

  • o De volgende metalloïden en metalen alsmede verbindingen daarvan:

    • -

      kwik

    • -

      cadmium

    • -

      lood

    • -

      arsenicum

    • -

      antimoon

    • -

      tin

    • -

      beryllium

    • -

      uranium

    • -

      thallium

    • -

      tellurium

    • -

      zilver

    • -

      zink

    • -

      koper

    • -

      nikkel

    • -

      chroom

    • -

      selenium

    • -

      molybdeen

    • -

      borium

    • -

      vanadium

    • -

      kobalt

    • -

      barium

    • -

      titaan

  • o Stoffen die een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben.

  • o Stoffen met een schadelijke werking op de smaak en/of geur van het grondwater alsmede verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het water kunnen ontstaan en die het water ongeschikt voor menselijke consumptie maken.

  • o Biociden en derivaten daarvan.

Bijlage 2.2 Lijst met verboden inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

Categorieën van inrichtingen als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.1, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel.

(Bedrijven met een bodemindex B volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering", VNG, editie 2009).

Gebruikte afkortingen:

p.c.: productiecapaciteit

p.o.: productieoppervlak

v.c.: verwerkingscapaciteit

n.e.g.: niet elders genoemd

b.o.: bedrijfsoppervlak

o.c.: opslagcapaciteit

Lijst met verboden inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

SBI-2008

Nr.

Omschrijving

01

LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW

011,012,013

Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)

011,012,013,016

0

Tuinbouw:

011,012,013

1

- bedrijfsgebouwen

011,012,013

2

- kassen zonder verwarming

011,012,013

3

- kassen met gasverwarming

0113

4

- champignonkwekerijen (algemeen)

0113

5

- champignonkwekerijen met mestfermentatie

0163

6

- bloembollendroog- en prepareerbedrijven

06

AARDOLIE- EN AARDGASWINNING

061,062

0

Aardolie- en aardgaswinning:

061

1

- aardoliewinputten

062

2

- aardgaswinning incl. gasbeh.inst.:< 10.000.000 N m³/dag

062

3

- aardgaswinning incl. gasbeh.inst.>= 10.000.000 N m³/dag

08

WINNING VAN ZAND, GRIND, KLEI, ZOUT, E.D.

0893

Zoutwinningbedrijven

10,11

VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN

104101

0

Vervaardiging van ruwe plantaardige en dierlijke oliën en vetten:

1041011

1

- p.c. < 250.000 t/jaar

104101

2

- p.c. >= 250.000 t/jaar

104102

0

Raffinage van plantaardige en dierlijke oliën en vetten:

104102

1

- p.c. < 250.000 t/jaar

104102

2

- p.c. >= 250.000 t/jaar

1042

0

Margarinefabrieken:

1042

2

- p.c. >= 250.000 t/jaar

1081

0

Suikerfabrieken:

1081

1

- v.c. < 250.000 t/jaar

1081

2

- v.c. >= 250.000 t/jaar

110102

0

Vervaardiging van ethylalcohol door gisting:

110102

2

- p.c. >= 5.000 t/jaar

13

VERVAARDIGING VAN TEXTIEL

133

Textielveredelingsbedrijven

1393

Tapijt-, kokos- en vloermattenfabrieken

14

VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT

142,151

Bereiden en verven van bont; vervaardiging van artikelen van bont

15

VERVAARDIGING VAN LEER EN LEDERWAREN (EXCL. KLEDING)

151,152

Lederfabrieken

16

HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING VAN ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D.

16102

0

Houtconserveringsbedrijven:

16102

1

- met creosootolie

16102

2

- met zoutoplossingen

1621

Fineer- en plaatmaterialenfabrieken

58

UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA

1811

Drukkerijen van dagbladen

1812

Drukkerijen (vlak- en rotatie-diepdrukkerijen)

18129

Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen

1813

Grafische reproduktie en zetten

1814

Overige grafische aktiviteiten

19

AARDOLIE-/STEENKOOLVERWERK.IND.; BEWERKING SPUIT-/KWEEKSTOFFEN

191

Cokesfabrieken

19201

Aardolieraffinaderijen

19202

A

Smeeroliën- en vettenfabrieken

19202

B

Recyclingbedrijven voor afgewerkte olie

19202

C

Aardolieproduktenfabrieken n.e.g.

201,212,244

Splijt- en kweekstoffenbewerkingsbedrijven

20

VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUKTEN

2012

Kleur- en verstoffenfabrieken

2012

0

Anorg. chemische grondstoffenfabrieken:

2012

1

- niet vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'

2012

2

- vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'

20141

A0

Organ. chemische grondstoffenfabrieken:

20141

A1

- niet vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'

20141

A2

- vallend onder 'post-Seveso-richtlijn'

20141

B0

Methanolfabrieken:

20141

B1

p.c. < 100.000 t/jaar

20141

B2

p.c. >= 100.000 t/jaar

20149

0

Vetzuren en alkanolenfabrieken (niet synth.):

20149

1

p.c. < 50.000 t/jaar

20149

2

p.c. >= 50.000 t/jaar

2015

Kunstmeststoffenfabrieken

2016

Kunstharsenfabrieken e.d.

202

0

Landbouwchemicaliënfabrieken:

202

1

- fabricage

202

2

- formulering en afvullen

203

Verf-, lak- en vernisfabrieken

2110

0

Farmaceutische grondstoffenfabrieken:

2110

1

productiecap. < 1.000 t/jaar

2110

2

productiecap. >= 1.000 t/jaar

2120

0

Farmaceutische produktenfabrieken:

2120

1

- formulering en afvullen geneesmiddelen

2041

Zeep-, was- en reinigingsmiddelenfabrieken

2051

Kruit-, vuurwerk- en springstoffenfabrieken

2052

0

Lijm- en plakmiddelenfabrieken:

1

- zonder dierlijke grondstoffen

2

- met dierlijke grondstoffen

205902

Fotochemische produktenfabrieken

205903

A

Chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken

205903

B

Overige chemische produktenfabrieken n.e.g.

2060

Kunstmatige synthetische garen- en vezelfabrieken

22

VERVAARDIGING VAN PRODUKTEN VAN RUBBER EN KUNSTSTOF

221101

Rubberbandenfabrieken

221102

0

Loopvlakvernieuwingsbedrijven:

2

- vloeropp. >= 100 m2

222

0

Kunststofverwerkende bedrijven:

222

2

- met fenolharsen

23

VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUKTEN

2351

0

Cementfabrieken:

2351

2

- p.c. >= 100.000 t/jaar

235202

0

Gipsfabrieken:

235202

2

- p.c. >= 100.000 t/jaar

23611

0

Betonwarenfabrieken:

23611

1

- zonder persen, triltafels en bekistingstrillers

23611

2

- met persen, triltafels of bekistingstrillers, p.c. < 100 t/dag

23611

3

- met persen, triltafels of bekistingstrillers, p.c. >= 100 t/dag

2365,2369

0

Vervaardiging van produkten van beton, (vezel)cement en gips:

2365,2369

2

- p.c. >= 100 t/dag

2399

A0

Bitumineuze materialenfabrieken

2399

A1

- p.c. < 100 t/uur

2399

A2

- p.c. >= 100 t/uur

2399

D0

Asfaltcentrales: p.c. < 100 ton/uur

2399

D1

- asfaltcentrales, p.c. >= 100 ton/uur

24

VERVAARDIGING VAN METALEN

241

0

Ruwijzer- en staalfabrieken:

241

1

- p.c. < 1.000 t/jaar

241

2

- p.c. >= 1.000 t/jaar

245

0

IJzeren- en stalenbuizenfabrieken:

245

1

- p.o. < 2.000 m2

245

2

- p.o. >= 2.000 m2

243

0

Draadtrekkerijen, koudbandwalserijen en profielzetterijen:

243

2

- p.o. >= 2.000 m2

244

A0

Non-ferro-metaalfabrieken:

244

A1

- p.c. < 1.000 t/jaar

244

A2

- p.c. >= 1.000 t/jaar

244

B0

Non-ferro-metaalwalserijen, -trekkerijen e.d.:

244

B1

- p.o. < 2.000 m2

244

B2

- p.o. >= 2.000 m2

2451,2452

0

IJzer- en staalgieterijen/-smelterijen:

2451,2452

1

- p.c. < 4.000 t/jaar

2451,2452

2

- p.c. >= 4.000 t/jaar

2453,2454

0

Non-ferro-metaalgieterijen/-smelterijen:

2435,2454

1

- p.c. < 4.000 t/jaar

2453,2454

2

- p.c. >= 4.000 t/jaar

25,31

VERVAARD. EN REPARATIE VAN PRODUKTEN VAN METAAL (EXCL. MACH./TRANSPORTMIDD.)

251,331

0

Constructiewerkplaatsen:

251,331

1

- gesloten gebouw

251,331

2

- in open lucht, p.o. < 2.000 m2

251,331

3

- in open lucht, p.o. >= 2.000 m2

2529,3311

0

Tank- en reservoirbouwbedrijven:

2529,3311

1

- p.o. < 2.000 m2

2529,3311

2

- p.o. >= 2.000 m2

2521,2530,3311

Vervaardiging van verwarmingsketels, radiatoren en stoomketels

255,331

A

Stamp-, pers-, dieptrek- en forceerbedrijven

255,331

B

Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d.

255,331

B1

Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d., p.o. < 200 m2

2561,3311

0

Metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven:

2561,3311

1

- algemeen

2561,3311

10

- stralen

2561,3311

11

- metaalharden m2

2561,3311

12

- lakspuiten en moffelen

2561,3311

2

- scoperen (opspuiten van zink)

2561,3311

3

- thermisch verzinken

2561,3311

4

- thermisch vertinnen

2561,3311

5

- mechanische oppervlaktebehandeling (slijpen, polijsten)

2561,3311

6

- anodiseren, eloxeren

2561,3311

7

- chemische oppervlaktebehandeling

2561,3311

8

- emailleren

2561,3311

9

- galvaniseren (vernikkelen, verchromen, verzinken, verkoperen e.d.)

2562,3311

1

Overige metaalbewerkende industrie

2562,3311

2

Overige metaalbewerkende industrie, inpandig, p.o. < 200 m2

259,331

A0

Grofsmederijen, anker- en kettingfabrieken:

259,331

A1

- p.o. < 2.000 m2

259,331

A2

- p.o. >= 2.000 m2

259,331

B

Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.

259,331

B

Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.; inpandig, p.o. < 200 m2

27,28,33

VERVAARDIGING VAN MACHINES EN APPARATEN

27,28,33

0

Machine- en apparatenfabrieken incl. reparatie:

27,28,33

1

- p.o. < 2.000 m2

27,28,33

2

- p.o. >= 2.000 m2

28,33

3

met proefdraaien verbrandingsmotoren >= 1 MW

26,27,33

VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKTR. MACHINES, APPARATEN EN BENODIGDHEDEN

271,331

Elektromotoren- en generatorenfabrieken incl. reparatie

271,273

Schakel- en installatiemateriaalfabrieken

272

Accumulatoren- en batterijenfabrieken

274

Lampenfabrieken

2790

Koolelektrodenfabrieken

26,33

VERVAARDIGING VAN AUDIO-, VIDEO-, TELECOMAPPARATEN EN BENODIGDHEDEN

261,263,264,331

Vervaardiging van audio-, video, en telecomapparatuur e.d. incl. reparatie

2612

Fabrieken voor gedrukte bedrading

29

VERVAARDIGING VAN AUTO'S, AANHANGWAGENS EN OPLEGGERS

291

0

Autofabrieken en assemblagebedrijven:

291

1

- p.o. < 10.000 m2

291

2

- p.o. >= 10.000 m2

29201

Carrosseriefabrieken

29202

Aanhangwagen- en opleggerfabrieken

30

VERVAARDIGING VAN TRANSPORTMIDDELEN (EXCL. AUTO'S, AANHANGWAGENS)

301,3315

0

Scheepsbouw- en reparatiebedrijven:

301,3315

1

- houten schepen

301,3315

2

- kunststof schepen

301,3315

3

- metalen schepen < 25 m

301,3315

4

- metalen schepen >= 25 m en/of proefdraaien motoren >= 1 MW

3831

Scheepssloperijen

302,317

0

Wagonbouw- en spoorwegwerkplaatsen:

302,317

1

- algemeen

302,317

2

- met proefdraaien van verbrandingsmotoren >= 1 MW

303,3316

0

Vliegtuigbouw- en reparatiebedrijven:

303,3316

1

- zonder proefdraaien motoren

303,3316

2

- met proefdraaien motoren

309

Rijwiel- en motorrijwielfabrieken

3099

Transportmiddelenindustrie n.e.g.

31

VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G.

310

1

Meubelfabrieken

321

Fabricage van munten, sieraden e.d.

38

VOORBEREIDING TOT RECYCLING

383201

Metaal- en autoshredders

383202

C

Afvalscheidingsinstallaties

35

PRODUKTIE EN DISTRIB. VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER

35

A0

Elektriciteitsproduktiebedrijven (electrisch vermogen >= 50 MWe):

35

A1

- kolengestookt (incl. meestook biomassa), thermisch vermogen > 75 MWth

35

A2

- oliegestookt, thermisch vermogen > 75 MWth

35

C0

Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen:

35

C1

- < 10 MVA

35

C2

- 10 - 100 MVA

35

C3

- 100 - 200 MVA

35

C4

- 200 - 1000 MVA

35

C5

- >= 1000 MVA

41,42,43

BOUWNIJVERHEID

41,42,43

0

Bouwbedrijven algemeen: b.o. > 2.000 m2

41,42,43

1

- bouwbedrijven algemeen: b.o. <= 2.000 m2

41,42,43

2

Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. > 1.000 m2

41,42,43

3

- aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. <= 1.000 m2

45,47

HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BEZINESERVICE-STATIONS

451,452,454

Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven

45204

C

Autospuitinrichtingen

473

0

Benzineservicestations:

473

1

- met LPG > 1.000 m3/jaar

473

2

- met LPG < 1.000 m3/jaar

473

3

- zonder LPG

46

GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING

46711

0

Grth in vaste brandstoffen

46711

2

- kolenterminal, opslag opp. >= 2.000 m2

46712

0

Grth in vloeibare en gasvormige brandstoffen:

46712

1

- vloeistoffen, o.c. < 100.000 m3

46712

2

- vloeistoffen, o.c. >= 100.000 m3

46713

Grth minerale olieprodukten (excl. Brandstoffen)

46721

0

Grth in metaalertsen:

46721

1

46721

2

46751

Grth in chemische produkten

4677

0

Autosloperijen: b.o. > 1.000 m2

4677

1

- autosloperijen: b.o. <= 1.000 m2

4677

0

Overige groothandel in afval en schroot: b.o. > 1.000 m2

4677

1

- overige groothandel in afval en schroot: b.o. <= 1.000 m2

49

VERVOER OVER LAND

495

Pomp- en compressorstations van pijpleidingen

52

DIENSTVERLENING T.B.V. VERVOER

52241

0

Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. zeeschepen:

52241

2

- stukgoederen

52241

3

- ertsen, mineralen e.d., opslagopp. >= 2.000 m2

52241

5

- steenkool, opslagopp. >= 2.000 m2

52241

6

- olie, LPG, e.d.

52241

7

- tankercleaning

52242

0

Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart:

52242

10

- tankercleaning

52242

2

- stukgoederen

52242

3

- ertsen, mineralen e.d., opslagopp. < 2.000 m2

52242

4

- ertsen, mineralen e.d., opslagopp. >= 2.000 m2

52242

7

- steenkool, opslagopp. < 2.000 m2

52242

8

- steenkool, opslagopp. >= 2.000 m2

52242

9

- olie, LPG, e.d.

5223

A

Luchthavens

77

VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN

773

Verhuurbedrijven voor machines en werktuigen

63,69t/m71,73

OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING

74,77,78

80t/m82

812

Reinigingsbedrijven voor gebouwen

74203

Foto- en filmontwikkelingscentrales

84

OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN, SOCIALE VERZEKERINGEN

8422

Defensie-inrichtingen

37,38,39

MILIEUDIENSTVERLENING

381

B

Gemeentewerven (afvalinzameldepots)

381

C

Vuiloverslagstations

382

A0

Afvalverwerkingsbedrijven:

382

A2

- kabelbranderijen

382

A5

- oplosmiddelterugwinning

382

A6

- afvalverbrandingsinrichtingen, thermisch vermogen > 75 MW

382

A7

- verwerking fotochemisch en galvano-afval

382

B

Vuilstortplaatsen

382

C0

Composteerbedrijven:

382

C1

- niet-belucht v.c. < 5.000 ton/jaar

382

C2

- niet-belucht v.c. < 5.000 tot 20.000 ton/jaar

382

C3

- belucht v.c. < 20.000 ton/jaar

382

C4

- belucht v.c. > 20.000 ton/jaar

382

C5

- GFT in gesloten gebouw

59

CULTUUR, SPORT EN RECREATIE

931

B

Skelter- en kartbanen, open lucht, < 8 uur/week in gebruik

931

C

Skelter- en kartbanen, open lucht,>= 8 uur/week in gebruik

931

D

Autocircuits, motorcrossterreinen e.d., < 8 uur/week in gebruik

931

E

Autocircuits, motorcrossterreinen e.d., >= 8 uur/week in gebruik

932

G

Jachthavens met diverse voorzieningen

96

OVERIGE DIENSTVERLENING

96012

Chemische wasserijen en ververijen

OPSLAGEN

3.0

Brandbare vloeistoffen (in tanks):

3.1

- ondergronds, K1/K2/K3-klasse

3.2

- bovengronds, K1/K2-kl.: < 10 m3

3.3

- bovengronds, K1/K2-kl.: 10 - 1000 m3

3.4

- bovengronds, K3-klasse: < 10 m3

3.5

- bovengronds, K3-klasse: 10 - 1000 m3

10.0

Gier/drijfmest (gesloten opslag):

10.1

- oppervlakte < 350 m2

10.2

- oppervlakte 350 - 750 m2

10.3

- oppervlakte >= 750 m2

INSTALLATIES

28

vatenspoelinstallaties

31.0

Stookinstallaties > 900 kW thermisch vermogen:

31.6

- olie >= 75 MW

35

Motorbrandstofpompen zonder LPG

Bijlage 3 Voorschriften en instructies voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Voorschriften voor inrichtingen, waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones, als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.1, artikel 3.2.1.3; paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.3 en paragraaf 3.2.3, artikel 3.2.3.3 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Instructieregels voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones, als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.1, artikel 3.2.1.2; paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.2 en paragraaf 3.2.3, artikel 3.2.3.2 van de Omgevingsverordening Overijssel.

3A Begripsbepalingen

  • In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • a. AS 6700: Accreditatieschema Inspectie van vloeistofdichte voorzieningen, AS SIKB 6700, versie 1.0, uitgave juni 2011 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer;

  • b. CUR/PBV: Stichting civieltechnisch centrum uitvoering, research en regelgeving/projectbureau Plan Bodembeschermende Voorzieningen;

  • c. CUR/PBV-Aanbeveling 51: CUR/PBV-Aanbeveling 51 Milieutechnische ontwerpcriteria voor bedrijfsriolering, uitgave augustus 1997;

  • d. CUR/PBV Rapport 2001-3: CUR/PBV Rapport 2001-3 Beheer bedrijfsriolering bodembescherming, uitgave 2001;

  • e. PGS: Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen;

  • f. PGS 15: Richtlijn PGS 15, getiteld ‘Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen', zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 15: 2005 (6-2005) en de errata van 28 juni 2005, 4 oktober 2007, 7 januari 2008, 3 april 2008, 15 mei 2008, 25 juni 2008, 15 september 2008, 21 november 2008, 11 december 2008 en 12 december 2008;

  • g. PGS 28: Richtlijn PGS 28, getiteld ‘Vloeibare aardolieproducten, Afleverinstallaties en ondergrondse opslag', zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 28: 2000 (3-2005);

  • h. PGS 30: Richtlijn PGS 30, getiteld ‘Vloeibare aardolieproducten, Buitenopslag in kleine installaties', zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 30: 1999 versie 0.1 (2-2009).

3b Aanwijzing van categorieën van gevallen, beperkingen en voorschriften, afwijkingen en nadere eisen

Nr.

CATEGORIEEN VAN GEVALLEN

BEPERKINGEN EN VOORSCHRIFTEN

inhoudende de verplichting:

AFWIJKINGEN EN

NADERE EISEN

Activiteiten in waterwingebieden en

grondwaterbeschermingsgebieden

1.

zorgplicht

1. dat ieder die in een milieubeschermingsgebied met de functie waterwinning binnen een inrichting gedragingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat daardoor het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning kan worden geschaad, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die schade te voorkomen. Indien die schade niet kan worden voorkomen moet hij deze zoveel mogelijk beperken en ongedaan maken.

2. dat ingeval van een verontreiniging of van een dreigende verontreiniging van bodem of grondwater, tot de maatregelen als bedoeld in voorschrift 1 in ieder geval behoort dat degene die de bedoelde gedragingen verricht of nalaat, terstond het bevoegd gezag en de betrokken grondwateronttrekker informeert.

2.

het op- en overslaan van

vloeibare en vaste

schadelijke stoffen en

vloeibare en vaste

afvalstoffen in emballage

de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen als bedoeld in PGS 15.

3.

het op- en overslaan van

vaste schadelijke stoffen

en vaste afvalstoffen anders

dan in emballage

1. dat voorzieningen dienen te worden aangebracht welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen en dat een regelmatige controle wordt uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van deze voorzieningen;

2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig dienen te worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen.

Bij bestaande en nieuwe

opslag in silo's, kelders

of vergelijkbare inpandige

vloeistofdichte constructies

(ter beoordeling van het

bevoegd gezag), is

voorschrift 2 niet van

toepassing.

4.

het op- en overslaan van

vloeibare aardolie-

producten in ondergrondse

tanks

1. extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen, zoals die in hoofdstuk 11 van PGS 28 zijn aangegeven;

2. de maatregelen en voorzieningen te treffen zoals die in paragraaf 6.6 en paragraaf 7.8 van PGS 28 zijn aangegeven;

3. dat het onklaar maken of verwijderen van de tank geschiedt overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit en dat het onklaar maken of verwijderen ten minste tien dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk wordt gemeld aan het bevoegd gezag.

Voorschrift 2 is niet van

toepassing indien aan de

tank een afleverinstallatie

met een doorzet van

10.000 liter of minder per

jaar is verbonden.

In dat geval dient

voorschrift 4.3.10 van

PGS 30 te worden opgenomen.

5.

het op- en overslaan van

vloeibare schadelijke

stoffen (niet zijnde

vloeibare aardolieproducten)

en vloeibare afvalstoffen

in ondergrondse tanks

1. de bodem te monitoren op de aanwezigheid van de stoffen die zijn opgeslagen, door het nemen van grondwatermonsters overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument.

2. de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen die in PGS 28 zijn aangegeven;

3. dat het onklaar maken of verwijderen van de tank geschiedt overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument door een bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit en dat het onklaar maken of verwijderen ten minste tien dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk wordt gemeld aan het bevoegd gezag.

6.

het op- en overslaan

van vloeibare

aardolieproducten in

bovengrondse tanks

1. extra bodembeschermende maatregelen en voorzieningen te treffen, zoals die in paragraaf 4.7 van PGS 30 zijn aangegeven.

2. dat het onklaar maken of verwijderen van de tank geschiedt overeenkomstig voorschrift 4.5.9 van PGS 30 en dat het onklaar maken of verwijderen ten minste tien dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk wordt gemeld aan het bevoegd gezag.

In afwijking van voorschrift 1

zijn de voorschriften 4.7.4 en

4.7.5 van PGS 30 niet van

toepassing indien aan de tank

een afleverinstallatie met een

doorzet van 10.000 liter of

minder per jaar is verbonden.

In dat geval dient voorschrift

4.3.10 van PGS 30 te worden opgenomen.

7.

het op- en overslaan van

vloeibare schadelijke

stoffen (niet zijnde vloeibare

aardolieproducten) en

vloeibare afvalstoffen in

bovengrondse tanks

1. extra bodembeschermende maatre¬ge¬len en voorzieningen te treffen zoals die in hoofdstuk 4, voorschriften 4.7.2 en 4.7.3 van PGS 30 zijn aangegeven;

2. dat het onklaar maken of verwijderen van de tank geschiedt overeenkomstig voorschrift 4.5.9 van PGS 30 en dat het onklaar maken of verwijderen ten minste tien dagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk wordt gemeld aan het bevoegd gezag.

8.

het op - en overslaan van

vloeibare dierlijke mest

dat mestfoliebassins en mestzakken dienen te worden uitgevoerd

met een dubbele onderfolie, tussen de folies een drainagesysteem

dient te zijn aangebracht die aansluit op een inspectieput met als

doelen een regelmatige controle op het functioneren van de

voorziening en ontgassing van de ondergrond

in waterwingebieden

is deze activiteit niet

toegestaan

9.

het op- en overslaan van

mestsoffen, niet zijnde

dierlijke mest

1. dat voorzieningen dienen te worden aangebracht welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen en dat een regelmatige controle wordt uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van deze voorzieningen;

2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen.

In waterwingebieden is

deze activiteit niet toegestaan.

In grondwaterbeschermings

gebieden: indien de opslag

200 kilo of 1 m3 of minder is,

zijn de voorschriften niet van

toepassing.

10.

het opslaan van vaar-, vlieg-

of motorvoertuigen of

onderdelen daarvan

1. dat voorzieningen dienen te worden aangebracht welke

duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem

kunnen komen en dat een regelmatige controle wordt

uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van deze

voorzieningen;

2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig

worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen.

in waterwingebieden is

deze activiteit niet toegestaan

11.

het gebruiken t.b.v. het

productieproces (in ruime zin)

van vloeibare aardolie

producten en andere

schadelijke stoffen

1. dat voorzieningen dienen te worden aangebracht

welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen

in de bodem kunnen komen en dat een regelmatige

controle wordt uitgevoerd ten aanzien van het functioneren

van deze voorzieningen;

2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig

worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen.

12.

Het tot stand brengen, hebben

of gebruiken van leidingen

t.b.v. het transport van

schadelijke stoffen, niet zijnde

afvalwater (productleidingen)

dat leidingen ten behoeve van het transport van

schadelijke stoffen, niet zijnde aardolieproducten en afvalwater,

zodanig worden aangelegd en onderhouden dat het gehele

stelsel duurzaam vloeistofdicht is en dat leidingen voor de

ingebruikname en vervolgens om de vijf jaar worden

geïnspecteerd op vloeistofdichtheid.

Indien het minder risicovolle

leidingen betreft, geldt met

betrekking tot de inspectie

een periode van 10 jaar.

13.

Het tot stand brengen, hebben

of gebruiken van leidingen t.b.v.

het transport van afvalwater

(zoals bedrijfsriolering)

dat leidingen c.a. ten behoeve van het transport van afvalwater vloeistofdicht worden ontworpen overeenkomstig CUR/PBV Aanbeveling 51, worden onderhouden overeenkomstig CUR/PBV Rapport 2001-3 en worden geïnspecteerd op vloeistofdichtheid overeenkomstig AS 6700.

14.

het tot stand brengen, hebben

of gebruiken van niet eerder

genoemde werken om schadelijke

stoffen te vervoeren, te bergen,

over te slaan of te storten

1. dat voorzieningen dienen worden aangebracht welke duurzaam voorkomen dat schadelijke stoffen in de bodem kunnen komen en dat een regelmatige controle wordt uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van deze voorzieningen;

2. dat vloeistoffen afkomstig van verhardingen zodanig dienen te worden afgevoerd dat deze niet in de bodem terecht kunnen komen.

15.

Het tot stand brengen, hebben

of gebruiken van wegen,

parkeerterreinen en andere terreinen

voor gemotoriseerd verkeer

1. terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer een aaneengesloten verharding hebben met bijvoorbeeld straatklinkers, asfalt of beton.

2. dat wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen ten behoeve van transportmaterieel, zoals vrachtwagens, tankauto's, bussen en dergelijke, of waar handelingen plaatsvinden met schadelijke stoffen moeten worden voorzien van een degelijke vloeistofdichte verharding;

3. dat wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer afwaterend liggen naar één of meer afvoerputten uitmondend op de riolering of een andere voorziening voor de inzameling of transport van afvalwater aangesloten op een doelmatig werkende zuiveringsvoorziening of een zuiveringstechnisch werk.'

4. dat de kwaliteit van het via een zuiveringsvoorziening te lozen afvloeiend hemelwater voldoet aan de streefwaarden voor ondiep grondwater zoals opgenomen in bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 3 april 2012.

5. dat een regelmatige controle wordt uitgevoerd ten aanzien van het functioneren van voorzieningen en maatregelen.

Indien het gaat om een weg,

een parkeerplaats of een

ander terrein die openstaat

voor gemotoriseerd verkeer

die in beperkte mate wordt

gebruikt en waar geen

handelingen plaatsvinden

met schadelijke stoffen,

zijn de voorschriften 2 tot en

met 5 niet van toepassing.

16.

een lozing uitvoeren van

koelwater, afvalwater

en overige vloeistoffen

dat het niet is toegestaan een lozing op of in de bodem uit te voeren van koelwater, afvalwater en overige vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen.

Voor het lozen van afvloeiend

hemelwater afkomstig van

wegen,

parkeerterreinen of terreinen

voor gemotoriseerd verkeer

gelden de voorschriften als

bedoeld onder nr. 15.

17.

het toepassen van

bouwstoffen, grond en

baggerspecie

1. dat geen IBC-bouwstoffen worden toegepast;

2. dat de toepassing van grond en baggerspecie in een werk slechts is toegestaan in de volgende gevallen:

a. bij toepassing op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie

1º de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel

2º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

b. bij toepassing in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie

1º de achtergrondwaarden niet overschrijdt dan wel

2º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;

c. met een omvang van meer dan 5.000 m3 indien wordt aangetoond dat de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie

1º de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt bij een toepassing op of in de bodem;

2º de maximale waarden kwaliteitsklasse A niet overschrijdt bij een toepassing in oppervlaktewater;

d. indien sprake is van verspreiding van de baggerspecie uit een watergang, die vrijkomt bij regulier onderhoud, over de aan de watergang grenzende percelen met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen.

3. dat de eisen als bedoeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, paragraaf 1 en 2 van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn op voorschrift 2, onder c.

In waterwingebieden zijn toepassingen als bedoeld in de voorschriften 2a onder 2º, 2b onder 2º, 2c en 2d niet toegestaan en is voorschrift 3 niet van toepassing.

18.

het verrichten van

mechanische ingrepen

in de bodem dieper dan

twee meter

1. dat tijdens de mechanische ingreep geen verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan plaatsvinden;

2. dat de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende lagen na de ingreep niet groter is dan daarvoor;

3. dat zodanige voorzieningen moeten worden getroffen dat tijdens het gebruik en bij het tijdelijk niet gebruiken van het boorgat geen schadelijke stoffen via dit boorgat in de bodem kunnen komen;

4. dat bij het buiten gebruik stellen van een boorput of bij definitieve beëindiging van de werkzaamheden het ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afslui¬tend wordt aangevuld en geen verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan plaatsvinden.

5. dat aan de voorschriften 1 tot en met 4 in ieder geval wordt voldaan bij toepassing van de voorschriften in bijlage 5 bij de verordening.

19.

het installeren van

bodemenergiesystemen

dat het niet is toegestaan een bodemenergiesysteem

te installeren

Activiteiten in boringsvrije zones

20.

het verrichten van mechanische ingrepen in de bodem dieper dan:

50 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deven¬ter-Zutphenseweg te Deventer;

75 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones van de winning Engelse Werk te Zwolle;

5 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve te Enschede

50 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep

1. dat tijdens de mechanische ingreep geen verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan plaatsvinden;

2. dat de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende lagen na de ingreep niet groter is dan daarvoor;

3. dat zodanige voorzieningen moeten worden getroffen dat tijdens het gebruik en bij het tijdelijk niet gebruiken van het boorgat geen schadelijke stoffen via dit boorgat in de bodem kunnen komen;

4. dat bij het buiten gebruik stellen van een boorput of bij definitieve beëindiging van de werkzaamheden het ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afslui¬tend wordt aangevuld en geen verontreiniging van de bodem plaatsvindt of kan plaatsvinden.

5. dat aan de voorschriften 1 tot en met 4 in ieder geval wordt voldaan bij toepassing van de voorschriften in bijlage 5 bij de verordening.

21.

het installeren van een

bodemenergiesysteem in de

bodem op de wijze en in de

boringsvrije zones als bedoeld

in nr. 20

1. dat het niet is toegestaan een bodemenergiesysteem te installeren op de wijze zoals omschreven onder categorieën van gevallen, nr. 20.

2. dat het, in afwijking van voorschrift 1, is toegestaan een bodemenergiesysteem te installeren dieper dan 50 meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep, indien op basis van een boring ter plaatse van de voorgenomen activiteit wordt aangetoond dat de slecht doorlatende laag dieper ligt dan 50 meter. De activiteit kan worden uitgevoerd tot maximaal de diepte waarop de top van de slecht doorlatende laag is aangetroffen.

Degene die voornemens is de activiteit uit te voeren binnen een niet-omgevingsvergunningplichtige inrichting dient een ontheffing aan te vragen op grond van artikel 3.2.3.3, vijfde lid, van de verordening.

Degene die voornemens is de activiteit uit te voeren binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting doet ten minste vier weken voor aanvang van de activiteit een melding aan het bevoegd gezag. Indien Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn, zijn de artikelen 3.2.5.1 en 3.2.5.2 van de verordening van toepassing.

22.

een lozing uitvoeren van

koelwater, afvalwater en

overige vloeistoffen, op de

wijze en in de boringsvrije

zones als bedoeld in nr. 20

1. dat het niet is toegestaan een lozing op of in de bodem uit te voeren van koelwater, afvalwater en overige vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen, op de wijze zoals omschreven onder categorieën van gevallen, nr. 20.

2. dat het in afwijking van voorschrift 1 is toegestaan een lozing uit te voeren ten behoeve van een bodemenergiesysteem, als bedoeld in nr. 21, voorschrift 2.

Bijlage 4 Algemene voorschriften lozing afvloeiend hemelwater van wegen in grondwaterbeschermingsgebieden

Algemene voorschriften voor afvloeiend hemelwater afkomstig van wegen, spoorwegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken voor het verkeer alsmede van parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.7, tweede lid onder b van de Omgevingsverordening Overijssel

Doelvoorschriften:

  • 1. Voor het afvoeren van afvloeiend hemelwater afkomstig van verhardingen dienen zodanige maatregelen te worden genomen of voorzieningen te worden aangebracht dat deze vloeistoffen de bodem niet kunnen verontreinigen;

  • 2. Ten aanzien van het functioneren van voorzieningen en maatregelen, als bedoeld onder 1, moet een regelmatige controle worden uitgevoerd.

Aan doelvoorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1. het een weg, een parkeerplaats of een ander terrein die openstaat voor gemotoriseerd verkeer betreft, die in beperkte mate wordt gebruikt en waar geen handelingen plaatsvinden met schadelijke stoffen of

  • 2. het afvloeiend hemelwater afkomstig van een weg, een parkeerplaats of een ander terrein die openstaat voor gemotoriseerd verkeer wordt geloosd op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam buiten het grondwaterbeschermingsgebied of

  • 3. wordt aangetoond dat de opbouw van de bodem, waarop afvloeiend hemelwater afkomstig van een weg, een parkeerplaats of een ander terrein die openstaat voor gemotoriseerd verkeer wordt geloosd, zodanig is dat geen verontreiniging van de bodem en het grondwater is te verwachten, de kwaliteit van de bodem en van het grondwater periodiek wordt gecontroleerd en ingeval van verontreiniging gepaste maatregelen worden getroffen om die verontreiniging ongedaan te maken of

  • 4. wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen die openstaan voor gemotoriseerd verkeer afwaterend liggen naar één of meer afvoerputten uitmondend op de riolering of een andere voorziening voor de inzameling of transport van afvalwater of uitmondend op een doelmatig werkend zuiveringstechnisch werk of een andere zuiveringsvoorziening. De kwaliteit van het via een zuiveringsvoorziening te lozen afvloeiend hemelwater voldoet aan de streefwaarden van ondiep grondwater zoals opgenomen in bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 3 april 2012.

Aan doelvoorschrift 2 wordt in elk geval voldaan indien:

  • 1. aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring een meetplan wordt overgelegd voor het controleren van de kwaliteit van de bodem en het grondwater als bedoeld in voorschrift 3.

  • 2. aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring een meetplan wordt overgelegd voor de toetsing van het correct functioneren van de zuiveringsvoorziening als bedoeld in voorschrift 4; dit plan geeft in elk geval informatie over het analyseprogramma.

bijlage 5

Algemene voorschriften voor mechanische ingrepen in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.2, paragraaf 3.2.2, artikel 3.2.2.9, tweede lid onder c en artikel 3.2.3.4, derde lid, onder c van de Omgevingsverordening Overijssel

Doelvoorschriften:

  • 1. Tijdens de ingreep vindt geen verontreiniging van de bodem plaats of kan niet plaatsvinden;

  • 2. Na de ingreep is de mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende lagen niet groter dan daarvoor;

  • 3. Er moeten zodanige voorzieningen worden getroffen dat tijdens het gebruik en bij het tijdelijk niet gebruiken van een boorgat geen schadelijke stoffen via dit boorgat in de bodem kunnen komen;

  • 4. Bij het buiten gebruik stellen van een pompput/peilbuis of bij beëindiging van de werkzaamheden wordt het ontstane boorgat of de ontgraving afdoende afsluitend aangevuld en vindt geen verontreiniging van de bodem plaats of kan niet plaatsvinden.

  • Ten aanzien van boringen

Aan doelvoorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1. het voor de boring toe te passen werkwater of spoelwater van drinkwaterkwaliteit;

  • 2. voor het aanmaken van boorspoeling klei of bentoniet wordt toegepast. Het toepassen van andersoortige anorganische of organische hulpstoffen is niet toegestaan, uitgezonderd natriumhydroxide voor het reguleren van de zuurgraad;

  • 3. bassins, suppletiebakken en tanks voor de opslag van werkwater, spoelwater of boorspoeling geen schadelijke stoffen bevatten.

Aan doelvoorschrift 2 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1. de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen is vastgesteld aan de hand van een profielopname van de doorboorde grondkolom. Indien de boormethode dit onvoldoende nauwkeurig mogelijk maakt, wat bijvoorbeeld het geval is bij toepassing van spuit- of roterende boormethoden, dient het profiel door middel van een geofysisch boorgatonderzoek te worden vastgesteld;

  • 2. een boorgat zo spoedig mogelijk na het boren of tijdens het plaatsen van peilbuizen/putfilters wordt opgevuld. Daarbij dienen de slecht doorlatende lagen in het profiel van 0,5 m boven tot 0,5 m onder deze lagen te zijn afgedicht met klei, bijvoorbeeld expanderende of zwelklei.

Aan doelvoorschrift 3 wordt in ieder geval voldaan indien:

de in het boorgat geplaatste peilbuizen/putfilters aan de bovenzijde worden beschermd met afsluitbare straatpotten of putdeksels.

Aan doelvoorschrift 4 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1. peilbuizen en putfilters zo spoedig mogelijk na het buiten gebruik stellen van de put worden opgevuld. De zandvang en het filtergedeelte worden afgedicht met grof grindzand of grind;

  • 2. het boorgat en/of de buis van 0 tot 5 meter beneden het maaiveld wordt afgedicht met klei, bijvoorbeeld expanderende klei of zwelklei;

  • 3. de slecht doorlatende lagen in het profiel van 0,5 m boven tot 0,5 m beneden deze lagen worden afgedicht met zwelklei of expanderende klei. Indien een profielopname ontbreekt, moeten de peilbuizen en putfilters volledig worden opgevuld met deze klei;

  • 4. in het opvul- of afdichtingsmateriaal geen schadelijke stoffen voorkomen in concentraties boven de streefwaarden van grond zoals opgenomen in bijlage 1 bij de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 3 april 2012.

  • Ten aanzien van grond- en funderingswerken:

Aan doelvoorschrift 1 wordt in ieder geval voldaan indien:

  • 1. bij het toepassen van retourbemaling aan het terug te pompen water geen schadelijke stoffen worden toegevoegd;

  • 2. bij het injecteren in de bodem de te injecteren vloeistoffen niet schadelijk zijn;

  • 3. voor het inbrengen van palen worden gebruikt:

    • a.

      grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;

    • b.

      in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken;

    • c.

      boor- of schroefpalen, indien wordt aangetoond dat de paalsystemen genoemd onder a en b op de betreffende locatie niet toepasbaar zijn;

  • 4. voor het aanbrengen van een damwand of diepwand:

    • a.

      het materiaal van de damwand of diepwand geen verontreiniging van de bodem of het grondwater kan veroorzaken;

    • b.

      de gebruikte (dik)spoeling en vulvloeistoffen niet bestaan uit schadelijke stoffen, maar bijvoorbeeld uit bentoniet, kleicementmengsels of beton;

  • 5. voor het aanbrengen van een scherm:

    het materiaal van de platen, vliezen of folie niet bestaat uit schadelijke stoffen, maar bijvoorbeeld uit kunststoffolie HDPE al of niet in combinatie met bentoniet.

Aan doelvoorschrift 2 wordt in ieder geval voldaan indien:

de grond uit de ontgraving zoveel mogelijk op dezelfde plaats wordt teruggebracht in de ontgraving, zodat de slecht doorlatende bodemlagen die zijn doorboord, weer afsluitend en/of weerstandbiedend worden gemaakt.

Aan doelvoorschrift 4 wordt in ieder geval voldaan indien:

bij het verwijderen van een damwand, diepwand of scherm geen schadelijke stoffen worden toegepast.

Bijlage 6 Lijst van vaarwegen behorende bij de Waterverordening Overijssel

Lijst A

Naam vaarweg

Beheerder

1.

Vaarweg Beukers-Steenwijk (van het Meppelerdiep via het kanaal

Beukers-Steenwijk naar het kanaal Steenwijk-Ossenzijl)

prv Overijssel

2.

Vaarweg Steenwijk-de Linde (van Steenwijk via het kanaal

Steenwijk-Ossenzijl en de Ossenzijlersloot naar de Linde)

prv Overijssel

3.

Vaarweg mr. H.P. Linthorst Homansluis-Ossenzijlersloot (van de

Helomavaart via de Linde naar de Ossenzijlersloot)

prv Overijssel

4.

Vaarweg Ossenzijlersloot-Schoterzijl (van de Ossenzijlersloot via de

Linde naar Kuinre-Nieuwe Kanaal-Tussenlinde-Worstsloot-Schoterzijl)

prv Overijssel

5.

Vaarweg Giethoornse meer-kanaal Steenwijk-Ossenzijl (van vaarweg

nr. 7 via het Giethoornse meer, de Wetering, de Heuvengracht en de

Kalenbergergracht naar vaarweg nr. 2)

prv Overijssel

5a.

Vaarweg Valsche Trog-Wetering (van de Valsche Trog via het

Giethoornse meer naar de Wetering)

prv Overijssel

6.

Vaarweg van kanaal Steenwijk-Ossenzijl naar de Wetering (van

vaarweg nr. 2 via het Steenwijkerdiep naar de Wetering)

prv Overijssel

7.

Vaarweg Blauwe Hand-Blokzijl (keersluis)(van de Blauwe Hand via

het Beulakerwijde, de Walengracht, het Giethoornse meer, de Valsche

Trog, het Noorderdiep en de Havenkolk naar de keersluis te Blokzijl)

prv Overijssel

8.

Vaarweg Zwartsluis-Walengracht (van het Zwartewater via de Whaa,

Arembergergracht, de Ronduite, het Beulakerwijde naar de Walengracht)

prv Overijssel

9.

Vaarweg IJssel-Zwolsche Diep (van de IJssel via het Ganzendiep, de

Goot en het Scheepvaartgat naar het Zwolsche Diep)

prv Overijssel

10.

Giethoornse meer

prv Overijssel

11.

Beulakerwijde

prv Overijssel

12.

Belterwijde

prv Overijssel

77.

Kanaal Almelo-de Haandrik

prv Overijssel

Lijst B

Locatie

Beheerder

13

Opvaart of vaart bij Pijlman

ws Reest en Wieden

14

Jurriesvaart

ws Reest en Wieden

15