Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam houdende regels omtrent de openbare orde en veiligheid (Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012)

Geldend van 01-01-2021 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam houdende regels omtrent de openbare orde en veiligheid (Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012)

De Raad van de gemeente Rotterdam,

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 september 2012; (raadsvoorstelnr. 1028979); raadsstuk 2012-2672;

gelet op de artikelen 149, 154 en 174 van de Gemeentewet;

overwegende:

  • -

    dat het van groot belang is dat de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam helder, actueel en werkbaar is;

  • -

    dat het noodzakelijk is de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam waar mogelijk verder te dereguleren;

  • -

    dat nieuw beleid, waaronder de Horecanota 2012-2016, het noodzakelijk maakt de regels Algemene plaatselijke verordening Rotterdam aan te passen;

besluit:

tot vaststelling van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

Artikel 1:2 Beslistermijn

Artikel 1:3 [gereserveerd]

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

Artikel 1:7 Geldigheidsduur vergunning of ontheffing

Artikel 1:7a Termijnen

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

Artikel 1.9 Lex Silencio Positivo [vervallen]

Artikel 1:10 Experimenteerartikel

Hoofdstuk 2. Openbare orde

Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

Artikel 2:1a Straatintimidatie

Afdeling 2. Betoging

Artikel 2:2 [gereserveerd]

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen, vergaderingen en samenkomsten op openbare plaatsen

Artikel 2:3a Regelmatige terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten

Artikel 2:4 [gereserveerd]

Artikel 2:5 [gereserveerd]

Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2:6 Beperking verspreiden van voorwerpen voor handelsreclamedoeleinden

Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2:7 [gereserveerd]

Artikel 2:8 [gereserveerd]

Artikel 2:9 Straatartiest

Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2:10 Plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg

Artikel 2:10a Weigerings- en intrekkingsgronden

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Artikel 2:12 Maken en veranderen van een uitweg

Afdeling 6. Veiligheid op de weg

Artikel 2:13 [gereserveerd]

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.

Artikel 2:17 [gereserveerd]

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurgebieden

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen [vervallen]

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

Artikel 2:22 [gereserveerd]

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

Artikel 2:23a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen

Afdeling 7. Evenementen

Artikel 2:24 Begripsbepaling

Artikel 2:25 Evenement en vergunning

Artikel 2:25a 0-evenementen

Artikel 2:25b Beslistermijn

Artikel 2:26 Openbare orde en veiligheid

Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Begripsbepalingen

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting

Artikel 2:28a Vrijstelling

Artikel 2:28b horecagebiedsplan en adviescommissie

Artikel 2:29 Openings- en sluitingstijden

Artikel 2:30 Sluiting van openbare inrichtingen

Artikel 2:30a Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

Artikel 2:30b Terrassen

Artikel 2:30c Beëindiging exploitatie en melding gewijzigde omstandigheden

Artikel 2:30d Wijziging beheer

Artikel 2:31 Verboden gedragingen

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen

Artikel 2:33 Schakelbepaling

Artikel 2:34 [gereserveerd]

Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de drank- en horecawet

Artikel 2:34a Begripsbepaling

Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen

Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven

Afdeling 9. Voor publiek openstaande gebouwen

Artikel 2:35 Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen

Artikel 2:36 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

Artikel 2:37 [gereserveerd]

Artikel 2:38 [gereserveerd]

Afdeling 10. Toezicht op speelautomatenhallen

Artikel 2:39 Begripsbepalingen

Artikel 2:39a Speelautomatenhallen

Artikel 2:40 Kansspelautomaten

Artikel 2:40a Gokken op de weg

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal

Artikel 2:42 Plakken en kladden

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen

Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen

Artikel 2:45 Bescherming groenvoorzieningen

Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

Artikel 2:47a Verbod gebieden of locaties

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik

Artikel 2:48a verbod gebruik lachgas

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als wapen

Artikel 2:50b Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

Artikel 2:51 [gereserveerd]

Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Artikel 2:53 Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen 

Artikel 2:54 [gereserveerd]

Artikel 2:55 [gereserveerd]

Artikel 2:56 [gereserveerd]

Artikel 2:57 Loslopende honden

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden

Artikel 2:59 Gevaarlijke en hinderlijke honden

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

Artikel 2:61 [gereserveerd]

Artikel 2:62 [gereserveerd]

Artikel 2:63 [gereserveerd]

Artikel 2:64 [gereserveerd]

Artikel 2:65 Bedelarij

Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2:66 Begripsbepaling

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 2:69 [gereserveerd]

Artikel 2:70 Verplaatst

Afdeling 13. Vuurwerk

Artikel 2:71 Begripsbepaling

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen.

Artikel 2:73 Verbod gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

Afdeling 14. Drugsoverlast

Artikel 2:74 Drugshandel op straat

Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik

Artikel 2:74b Weggooien van spuiten e.d.

Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:77a Gebruik lasers

Afdeling 16 Omgevingsverboden

Artikel 2:77b Wijkverboden

Artikel 2:77c Stadionomgevingsverbod

Afdeling 17. Woonoverlast

Artikel 2:78 Aanpak woonoverlast

Afdeling 18. Verhuurdersvergunning

Artikel 2:79 Begripsbepalingen

Artikel 2:80 Vergunning woningverhuur

Artikel 2:81 Aanwijzing vergunningplichtige woningverhuur

Artikel 2:82 Aanvraag vergunning

Artikel 2:83 Intrekking en wijziging van een vergunning

Artikel 2:84 Overgangsbepaling

Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie en seksbranche

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 3:1 Afbakening

Artikel 3:2 Begripsbepaling

Artikel 3:2a Nadere regels

Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf

Artikel 3:3 Vergunning

Artikel 3:4 Concentratie seksbedrijven

Artikel 3:5 0-beleid raamprostitutiebedrijven en maximering aantal seksbedrijven

Artikel 3:6 Aanvraag

Artikel 3:7 Weigeringsgronden

Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning

Artikel 3:9 Intrekkingsgronden

Artikel 3:9a Sluiting van een seksinrichting

Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden

Artikel 3:11 Verlenging vergunning

Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf

Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven

Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang

Artikel 3:13 Adverteren

Paragraaf 3.2 Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees

Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees

Artikel 3:15 Bedrijfsplan

Artikel 3:16 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf

Paragraaf 3.3 Raam- en straatprostitutie

Artikel 3:17 Verbod raam- en straatprostitutie

Paragraaf 3.4 Overgangsbepalingen

Artikel 3:18 Overgangsbepaling

Artikel 3.19 Overgangsbepaling bestemming bestaande seksinrichtingen

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting

Artikel 4:1 Begripsbepalingen

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten

Artikel 4:4a Geluidsplafond

Artikel 4:5 (geluid)hinder door onversterkte muziek vanuit inrichtingen

Artikel 4:6 Overige geluidhinder

Artikel 4:6a Mosquito

Artikel 4:6b Aanwijzen concentratiegebied voor horeca-inrichtingen

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7 Straatvegen

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Artikel 4:9a Gevelreiniging en -bewerking

Artikel 4:9b Verbod oplaten ballonnen

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10 Begripsbepalingen

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

Artikel 4:11a Aanvraag omgevingsvergunning

Artikel 4:11b Weigering/verlening vergunning

Artikel 4:11c Afstand van de erfgrenslijn

Artikel 4:11d Openbaarmaking

Artikel 4:11e Intrekken vergunning

Artikel 4:11f Bijzondere vergunningsvoorwaarden

Artikel 4:11g Herplant-/instandhoudingsplicht

Artikel 4:11h Schadevergoeding

Artikel 4:11i Waarde- en schadebepaling aan bomen

Artikel 4:11j Bestrijding iepziekte

Artikel 4:11k Voorwerpen aan/in houtopstand

Artikel 4:12 [gereserveerd]

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, caravans, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.

Artikel 4:14 [gereserveerd]

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

Artikel 4:16 [gereserveerd]

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:17 Begripsbepaling

Artikel 4:18 Nachtverblijf buiten kampeerterreinen

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 1. Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Begripsbepalingen

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

Artikel 5:6 Caravans, aanhangwagens e.d.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

Artikel 5:10 Overlastgevend parkeren van voertuigen

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

Artikel 5:12 Overlastgevend stallen en hinderlijk parkeren van (brom)fietsen, fietswrakken

Artikel 5.12a Vergunning deelmobiliteit

Afdeling 2. Collecteren

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen

Afdeling 3. Venten

Artikel 5:14 Begripsbepaling

Artikel 5:15 Ventverbod

Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting

Afdeling 4. Standplaatsen

Artikel 5:17 Begripsbepaling

Artikel 5:18 Standplaatsen

Artikel 5:18a Weigerings- en intrekkingsgronden

Artikel 5:19 [gereserveerd]

Artikel 5:20 [gereserveerd]

Artikel 5:21 [gereserveerd]

Artikel 5:21a Standplaatsvrije gebieden

Artikel 5:21b Overgangsrecht standplaatsvrije gebieden

Artikel 5:21c Inneming en ontruiming standplaats

Artikel 5:21d Standplaatsen grote voertuigen

Afdeling 5. Snuffelmarkten [vervallen]

Artikel 5:22 Begripsbepaling [vervallen]

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt [vervallen]

Afdeling 6. Openbaar water

Artikel 5:23a Toepassingsbereik

Artikel 5:24 Gebruik van openbaar water

Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen

Artikel 5:26 [gereserveerd]

Artikel 5:27 [gereserveerd]

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen

Artikel 5:30 Veiligheid op het water

Artikel 5:30a Zwemmen en baden elders dan in zee

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen

Artikel 5:31a Vaarverbod

Artikel 5:31b Verzamelen van visvoer

Afdeling 7. Strand en zee

Artikel 5:32 Motorvoertuigen, (brom)fietsen op strand en in duinterreinen

Artikel 5:33 Rij- en trekdieren op het strand

Artikel 5:33a Vaartuigen op en bij het strand en in de zee

Artikel 5:33b Zwemmen en baden in zee

Artikel 5:33c Verbod zich te bevinden op de blokken van de blokkendam

Artikel 5:33d Gevaarlijke speelwerktuigen

Artikel 5:33e Vrijstellingen

Artikel 5:33f Aanwijzen gebieden naaktrecreatie

Afdeling 8. Verbod vuur te stoken

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Afdeling 9. Verstrooiing van as

Artikel 5:35 Begripsbepaling

Artikel 5:36 Verboden plaatsen voor incidentele asverstrooiing

Artikel 5:37 Hinder of overlast

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling

Artikel 6:2 Toezicht en opsporing

Artikel 6:3 Binnentreden van woningen

Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 7:1 Intrekking APV Rotterdam

Artikel 7:2 Overgangsbepalingen regelingen

Artikel 7:3 Overgangsbepaling vergunningen en ontheffingen

Artikel 7:4 Inwerkingtreding

Artikel 7:5 Citeertitels

Toelichting

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Algemeen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

Artikel 1:2 Beslistermijn

Artikel 1:3 [gereserveerd]

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

Artikel 1:7 Termijnen

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

Artikel 1.9 Lex Silencio Positivo [vervallen]

Artikel 1:10 Experimenteerartikel

Hoofdstuk 2. Openbare orde

Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

Afdeling 2 Betoging

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

Artikel 2:3a Regelmatige terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten

Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2:9 Straatartiest

Afdeling 5

Artikel 2:10 Plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg

Artikel 2:10a Weigerings- en intrekkingsgronden

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

Afdeling 6 Veiligheid op de weg

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp

Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

Artikel 2:22 [gereserveerd]

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

Artikel 2:23a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen

Afdeling 7. Evenementen

Artikel 2:24 Begripsbepaling

Artikel 2:25 Evenementenvergunning

Artikel 2:25a 0-evenementen

Artikel 2:25b Beslistermijn

Artikel 2:26 Openbare orde en veiligheid

Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen

Algemene toelichting

Artikel 2:27 Begripsbepalingen

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting

Artikel 2:28a Vrijstelling

Artikel 2:28b horecagebiedsplan en adviescommissie

Artikel 2:29 Openings- en sluitingstijden

Artikel 2:30 Sluiting van openbare inrichtingen

Artikel 2:30a Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

Artikel 2:30b Terrassen

Artikel 2:30c Beëindiging exploitatie en melding gewijzigde omstandigheden

Artikel 2:30d Wijziging beheer

Artikel 2:31 Verboden gedragingen

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen

Artikel 2:33 Schakelbepaling

Artikel 2:34 [gereserveerd]

Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de drank- en horecawet

Artikel 2:34a Begripsbepaling

Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen

Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven

Afdeling 9. Voor publiek openstaande gebouwen

Artikel 2:35 Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen

Afdeling 10. Toezicht op speelautomatenhallen

Artikel 2:39a Speelautomatenhallen

Artikel 2:40 Kansspelautomaten

Artikel 2:40a Gokken op de weg

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal

Artikel 2:42 Plakken en kladden

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen

Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen

Artikel 2:45 Bescherming groenvoorzieningen

Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik

Artikel 2:48a verbod gebruik lachgas

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als wapen

Artikel 2:51 [gereserveerd]

Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Artikel 2:53 Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen 

Artikel 2:57 Loslopende honden

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden

Artikel 2:59 Gevaarlijke en hinderlijke honden

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

Artikel 2:62 [gereserveerd]

Artikel 2:63 [gereserveerd]

Artikel 2:64 [gereserveerd]

Artikel 2:65 Bedelarij

Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2:66 Begripsbepaling

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

Afdeling 13. Vuurwerk

Artikel 2:71 Begripsbepalingen

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen.

Artikel 2:73 Verbod gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

Afdeling 14. Drugsoverlast

Artikel 2:74 Drugshandel op straat

Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik

Artikel 2:74b Weggooien van spuiten e.d.

Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen en gebruik lasers

Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:77a Gebruik lasers

Afdeling 16 omgevingsverboden

Artikel 2:77b Wijkverbod

Artikel 2:77c Stadionomgevingsverbod

Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie en seksbranche

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 3:1 Afbakening

Artikel 3:2 Begripsbepaling

Artikel 3:2a Nadere regels

Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf

Artikel 3:3 Vergunning

Artikel 3:4 Concentratie seksbedrijven

Artikel 3:5 0-beleid raamprostitutiebedrijven en maximering aantal seksbedrijven

Artikel 3:6 Aanvraag

Artikel 3:7 Weigeringsgronden

Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning

Artikel 3:9 Intrekkingsgronden

Artikel 3:9a Sluiting van een seksinrichting

Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden

Artikel 3:11 Verlenging vergunning

Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf

Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven

Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang

Artikel 3:13 Adverteren

Paragraaf 3.2 Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees

Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees

Artikel 3:15 Bedrijfsplan

Artikel 3:16 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf

Paragraaf 3.3 Raam- en straatprostitutie

Artikel 3:17 Verbod raam- en straatprostitutie

Paragraaf 3.4 Overgangsbepalingen

Artikel 3:18 Overgangsbepaling

Artikel 3.19 Overgangsbepaling bestemming bestaande seksinrichtingen

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting

Artikel 4:1 Begripsbepalingen

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten

Artikel 4:4a Geluidsplafond

Artikel 4:5 (geluid)hinder door onversterkte muziek vanuit inrichtingen

Artikel 4:6 Overige geluidhinder

Artikel 4:6a Mosquito

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7 Straatvegen

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Artikel 4:9a Gevelreiniging en -bewerking

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10 Begripsbepalingen

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

Artikel 4:11a Aanvraag omgevingsvergunning

Artikel 4:11b Weigering/verlening vergunning

Artikel 4:11c Afstand van de erfgrenslijn

Artikel 4:11d Openbaarmaking

Artikel 4:11e Intrekken vergunning

Artikel 4:11f Bijzondere vergunningsvoorwaarden

Artikel 4:11g Herplant-/instandhoudingsplicht

Artikel 4:11h Schadevergoeding

Artikel 4:11i Waarde- en schadebepaling aan bomen

Artikel 4:11j Bestrijding iepziekte

Artikel 4:11k Voorwerpen aan/in houtopstand

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, caravans, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:17 Begripsbepaling

Artikel 4:18 Nachtverblijf buiten kampeerterreinen

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 1. Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Begripsbepalingen

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

Artikel 5:6 Caravans, aanhangwagens e.d.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

Artikel 5:10 Overlastgevend parkeren van voertuigen

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

Artikel 5:12 Overlastgevend stallen en hinderlijk parkeren van (brom)fietsen, fietswrakken

Artikel 5:12a Vergunning deelmobiliteit

Afdeling 2. Collecteren

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen

Afdeling 3. Venten

Artikel 5:14 Begripsbepaling

Artikel 5:15 Ventverbod

Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting

Afdeling 4. Standplaatsen

Artikel 5:17 Begripsbepaling

Artikel 5:18 Standplaatsen

Artikel 5:18a Weigerings- en intrekkingsgronden

Artikel 5:21 Gereserveerd

Artikel 5:21a Standplaatsvrije gebieden

Artikel 5:21b Overgangsrecht standplaatsvrije gebieden

Artikel 5:21d Standplaatsen grote voertuigen

Afdeling 5. Snuffelmarkten [Vervallen]

Artikel 5:22 Begripsbepaling [Vervallen]

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt [Vervallen]

Afdeling 6. Openbaar water

Artikel 5:23a Toepassingsbereik

Artikel 5:24 Gebruik van openbaar water

Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen

Artikel 5:30 Veiligheid op het water

Artikel 5:30a Zwemmen en baden elders dan in zee

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen

Artikel 5:31a Vaarverbod

Artikel 5:31b Verzamelen van visvoer

Afdeling 7. Strand en zee

Artikel 5:32 Motorvoertuigen, (brom)fietsen op strand en in duinterreinen

Artikel 5:33 Rij- en trekdieren op het strand

Artikel 5:33a Vaartuigen op en bij het strand en in de zee

Artikel 5:33b Zwemmen en baden in zee

Artikel 5:33c Verbod zich te bevinden op de blokken van de blokkendam

Artikel 5:33d Gevaarlijke speelwerktuigen

Artikel 5:33e Vrijstellingen

Artikel 5:33f Aanwijzen gebieden naaktrecreatie

Afdeling 8. Verbod vuur te stoken

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Afdeling 9. Verstrooiing van as

Artikel 5:36 Verboden plaatsen voor incidentele asverstrooiing

Artikel 5:37 Hinder of overlast

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs-, en slotbepaling

Artikel 6:1 Strafbepaling

Artikel 6:2 Toezicht en opsporing

Artikel 6:3 Binnentreden van woningen

Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 7:1 Intrekking APV Rotterdam

Artikel 7:2 Overgangsbepalingen regelingen

Artikel 7:3 Overgangsbepaling vergunningen en ontheffingen

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen
  • 1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    • -

      bebouwde kom: bebouwde kom waarvan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;

    • -

      bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;

    • -

      bouwwerk: hetgeen in artikel 1.1 van de Bouwverordening Rotterdam 2010 daaronder wordt verstaan;

    • -

      college: het college van burgemeester en wethouders;

    • -

      gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan;

    • -

      handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

    • -

      motorvoertuig: motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    • -

      openbaar water: wateren die -al dan niet met enige beperking- voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

    • -

      openbare plaats: plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties;

    • -

      rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

    • -

      weg:

      • a.

        voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen of paden behorende bermen of zijkanten, alsmede de aan de wegen of paden liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;

      • b.

        voor het publiek - al dan niet met enige beperking - toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen, stranden, duinen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;

      • c.

        voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages, arcades en galerijen,die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;

      • d.

        andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages, arcades, nissen en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.

  • 2. Onder vaartuigen worden in deze verordening en de daarop berustende bepalingen mede verstaan drijvende werktuigen, glijboten, luchtkussenvaartuigen, ponten, vlotten, pontons, amfibische voertuigen, zeilplanken en soortgelijke drijvende voorwerpen en schepen die uitsluitend of hoofdzakelijk als woning worden gebruikt of tot woning zijn bestemd. Onder vaartuigen worden tevens mede verstaan vaartuigen die tijdelijk of blijvend de mogelijkheid of geschiktheid hebben verloren om te varen of te drijven, en vaartuigen in aanbouw of casco´s van vaartuigen.

Artikel 1:2 Beslistermijn
  • 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen vier weken na de datum van ontvangst van de aanvraag, tenzij in deze verordening een andere beslistermijn is vastgesteld.

  • 2. In afwijking van het eerste lid beslist het bevoegde bestuursorgaan binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag voor een vergunning krachtens de artikelen 2:28, 2:36, 2:39a of 5:18.

  • 3. Het bestuursorgaan kan de termijn, bedoeld in het eerste lid met ten hoogste vier weken verlengen onderscheidenlijk de in het tweede lid bedoelde termijn met acht weken.

  • 4. In afwijking van het eerste en derde lid is artikel 3:9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing, indien wordt beslist op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:10, tweede lid, 2:11 of 4:11.

  • 5. In afwijking van het eerste en derde lid wordt, indien het een aanvraag betreft om een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:10, tweede lid, 2:11 of 4:11 voor “bevoegd bestuursorgaan” gelezen: bevoegd gezag.

Artikel 1:3

[gereserveerd]

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
  • 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning en ontheffing geldt alleen voor degene aan wie zij is verleend.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • c.

    indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

  • e.

    op grond van een van de in artikel 1:8, eerste lid, onder a tot en met d, bedoelde belangen;

  • f.

    indien de houder dit verzoekt.

Artikel 1:7 Geldigheidsduur vergunning of ontheffing
  • 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  • 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal potentiële aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:7a Termijnen

Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden
  • 1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd:

  • a. in het belang van de openbare orde;

  • b. in het belang van de openbare veiligheid;

  • c. in het belang van de volksgezondheid;

  • d. in het belang van de bescherming van het milieu;

  • e. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.

  • 2. Het bevoegde bestuursorgaan of het bevoegd gezag kan,onverminderd het elders in deze verordening bepaalde, een vergunning of ontheffing weigeren, indien de aanvrager voorschriften,verbonden aan een eerdere vergunning of ontheffing voor een soortgelijke activiteit of beperkingen waaronder zo’n vergunning of ontheffing is verleend,niet heeft nageleefd en het vermoeden gerechtvaardigd is dat indien de gevraagde vergunning of ontheffing wordt verleend, hij ook daaraan verbonden voorschriften of beperkingen waaronder zij zou worden verleend, niet zal naleven.

  • 3. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 1:9 Lex Silencio Positivo

[vervallen]

Artikel 1:10 Experimenteerartikel
  • 1.

    In dit artikel wordt verstaan onder experiment: tijdelijk afwijken van een of meer bepalingen in deze verordening met het oog op het verzamelen van gegevens om te beoordelen of de afwijking permanent of algemeen kan worden gemaakt.

  • 2.

    Het college of de burgemeester kan, ieder voor zover het een hem in deze verordening gegeven bevoegdheid betreft, besluiten tot het houden van een experiment.

3.Het college of de burgemeester kan niet bij wijze van experiment afwijken van de volgende onderdelen van deze verordening:

a.de hoofdstukken 1, 3, 6 en 7;

b.de afdelingen 2.1, 2.2 en 2.6 met uitzondering van artikel 2:14, de afdelingen 2.9 en 2.11 met uitzondering van de artikelen 2:42 en 2:58, de afdelingen 2.13 tot en met 2.16, afdeling 4.1 met uitzondering van artikel 4:6, en de afdelingen 4.2 en 4.3; en

c.de artikelen 2:31, 2:32, 2:40a, 5:23a, 5:28 tot en met 5:31a, 5:33b, 5:33c en 5:33d.

4.In het besluit, zoals genoemd in het tweede lid, wordt in ieder geval opgenomen:

a.het doel van het experiment;

b.de tijdsduur van het experiment;

c.van welke regels wordt afgeweken;

d.voor welk gebied het experiment geldt; en

e.de voorwaarden die het college of de burgemeester verbindt aan het experiment.

5.De raad wordt uiterlijk vier weken voor aanvang van het experiment door het college of de burgemeester geïnformeerd over het experiment.

6.Een experiment heeft een looptijd van ten hoogste een jaar.

7.Het experiment wordt geëvalueerd. Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van deze verordening, kan het college of de burgemeester besluiten, in afwijking van het zesde lid, het experiment met ten hoogste een jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van de verordening.

Hoofdstuk 2. Openbare orde

Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
  • 1.

    Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten, of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  • 2.

    Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 3.

    Het is verboden zich te begeven of te bevinden op wegen of weggedeelten, die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

  • 4.

    De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet openbare manifestaties.

  • 6.

    Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:1a Straatintimidatie

Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.

Afdeling 2. Betoging Artikel 2:2 Optochten [gereserveerd]

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen, vergaderingen en samenkomsten op openbare plaatsen
  • 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst als bedoeld in de Wet openbare manifestaties, te houden, is verplicht daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze zal worden gehouden, schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

  • 2. De burgemeester kan in bijzondere gevallen een mondelinge kennisgeving, gedaan binnen de termijn van 48 uur, in behandeling nemen.

  • 3. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, bevat:

    • a.

      naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst houdt;

    • b.

      het doel van de betoging, vergadering of samenkomst;

    • c.

      de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    • d.

      de plaats waar de betoging, vergadering of samenkomst wordt gehouden, en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    • e.

      voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    • f.

      maatregelen die degene die de betoging, vergadering of samenkomst houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  • 4. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Voorschriften, beperkingen of verboden met betrekking tot de betoging, vergadering of samenkomst door de burgemeester gesteld, onderscheidenlijk gegeven krachtens artikel 5 van de Wet openbare manifestaties worden in het bewijs vermeld.

Artikel 2:3a Regelmatige terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten

In afwijking van artikel 2:3 kan van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven. Artikel 2:4 [gereserveerd] Artikel 2:5[gereserveerd] Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2:6 Beperking verspreiden van voorwerpen voor handelsreclamedoeleinden

  • 1.

    Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken, leden of donateurs te werven, producten of monsters uit te delen, personen staande te houden ten behoeve van het uitvoeren van een enquête of een onderzoek met het kennelijke doel handelsreclame te maken op of aan door het college aangewezen wegen of weggedeelten daarvan.

  • 2.

    Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen of uren.

  • 3.

    De verspreider is verplicht de gedrukte stukken of afbeeldingen direct op te ruimen of te laten opruimen, indien deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor het publiek toegankelijk plaats door het publiek worden weggeworpen of achterblijven.

  • 4.

    Het verbod geldt niet voor het huis aan huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen.

  • 5.

    De burgemeester kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 6.

    Afspraken met evenementenorganisatoren kunnen het nodig maken beperkingen aan grootschalige reclame-uitingen op te leggen.

  • 7.

    Het college zal de raad vooraf in kennis stellen van een besluit tot het in werking stellen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 8.

    Op de ontheffing en vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de wegArtikel 2:7

[gereserveerd]

Artikel 2:8

[gereserveerd] Artikel 2:9 Straatartiest

  • 1.

    Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, straatmuzikant, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeelten.

  • 2.

    De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot nader door hem aan te duiden dagen en uren.

  • 3.

    De burgemeester kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het verbod.

  • 4.

    Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de wegArtikel 2:10 Plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college of de burgemeester de weg of weggedeelten anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 3.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      evenementen;

    • b.

      terrassen als bedoeld in artikel 2:30b;

    • c.

      standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    • d.

      uitstallingen van winkelwaren ten hoogste aan de voorgevel van de winkel gedurende de openingstijden van de betrokken winkel, indien de stoep ter plaatse, gemeten van de gevel tot en met de stoeprand, minimaal 3,50 meter breed is, op de stoep een obstakelvrije ruimte van minimaal 1,80 meter overblijft en de uitstalling maximaal 1 meter, gemeten uit de gevel van de winkel, en 1 meter hoog beslaat;

    • e.

      één reclame-uiting in het kader van verkoop of dienstverlening vanuit een winkel, die niet hoger is dan 1,25 meter en in geen enkele richting breder dan 0,85 meter, en is geplaatst gedurende de openingstijden en in de winkeluitstallingszone van de desbetreffende winkel als beschreven in onderdeel d;

    • f.

      andere door het college of de burgemeester aangewezen categorieën van gevallen.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, onder d en e, geldt het in het eerste lid gestelde verbod niet voor uitstallingen in door het college aangewezen gebieden, indien wordt voldaan aan daarbij gestelde regels met betrekking tot:

    • a.

      de situering, oppervlakte en omvang van de uitstalling, of

    • b.

      de constructie van de uitstalling.

  • 5.

    Het verbod geldt tevens niet voor voorwerpen door middel waarvan gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet, tenzij deze door hun omvang, vorm, constructie of bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar kunnen veroorzaken voor de bruikbaarheid of het doelmatig of veilig gebruik daarvan of een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg.

  • 6.

    Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.

  • 7.

    Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wet milieubeheer of het Provinciaal wegenreglement.

  • 8.

    Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:10a Weigerings- en intrekkingsgronden

Onverminderd artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:10 worden geweigerd of ingetrokken:

  • 1.

    indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar kan veroorzaken voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer of onderhoud van de weg;

  • 2.

    indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

  • 3.

    in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2. De vergunning wordt verleend:

    • a.

      als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of

    • b.

      door het college in de overige gevallen.

  • 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

  • 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, een keur van het betrokken waterschap, de Wegenverordening Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet of de Telecommunicatieverordening Rotterdam of de Leidingenverordening Rotterdam.

  • 5. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 2:12 Maken en veranderen van een uitweg
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

    • a.

      een uitweg te maken naar een weg in de zin van artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b.

      van een zodanige weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    • c.

      verandering te brengen in een bestaande uitweg naar een zodanige weg.

  • 2.

    Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, een keur van het betrokken waterschap of de Wegenverordening Zuid-Holland.

Afdeling 6. Veiligheid op de weg Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid [gereserveerd] Artikel 2:14 Winkelwagentjes

  • 1.

    Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt:

    • a.

      voorziet deze van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en

    • b.

      verwijdert of doet deze terstond verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

  • 2.

    Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.

  • 3.

    Het is verboden zich in door het college aangewezen gebieden met een winkelwagentje op of aan de weg te bevinden op een afstand van meer dan 100 meter van het bedrijf dat het winkelwagentje ter beschikking heeft gesteld of indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum op een afstand van meer dan 100 meter van het winkelcentrum.

  • 4.

    Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.

[gereserveerd]

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurgebieden

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurgebieden
  • 1. Het is verboden te roken in bossen, duinen of andere natuurgebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.

  • 2. Het is verboden in bossen, duinen of andere natuurgebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan in de open lucht brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, onder 3º, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
  • 1. Het is verboden op, aan of boven het voor het verkeer bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

[vervallen] Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • 1.

    De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2.

    Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:22

[gereserveerd]

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
  • 1. Het is verboden:

    • a.

      voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    • b.

      bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  • 2. Een ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onverwijld het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Vaarwegenverordening.

Artikel 2:23a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen
  • 1. Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

  • 2. Het verbod geldt niet op plaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen als kampeerplaats.

Afdeling 7. Evenementen

Artikel 2:24 Begripsbepaling
  • 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder evenement verstaan: een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    • a.

      bioscoopvoorstellingen;

    • b.

      markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    • c.

      kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    • d.

      verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in een openbare inrichting, waarvoor een vergunning krachtens artikel 2:28 geldt, mits die vergunning mede betrekking heeft op deze verrichting van vermaak;

    • e.

      betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    • f.

      activiteiten als bedoeld in artikel 2:9.

  • 2. Onder evenement wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen mede verstaan:

    • a.

      braderie;

    • b.

      feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    • c.

      optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3, op of aan de weg;

    • d.

      iedere markt met uitzondering van markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    • e.

      sportwedstrijden, sporttoernooien of sportgala’s die niet worden georganiseerd door een bij NOC*NSF aangesloten sportbond of een bij een dergelijke bond aangesloten vereniging;

    • f.

      huwelijksstoet van voertuigen op of aan de weg.

  • 3. In deze afdeling worden de volgende evenementen onderscheiden:

    • a.

      0-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 250 mensen;

    • b.

      A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;

    • c.

      A+-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de omgeving en het verkeer;

    • d.

      B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer;

    • e.

      C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer.

  • 4. Onder evenementenoverzicht wordt in deze afdeling verstaan een op basis van door de raad vastgestelde beoordelingscriteria door het college vast te stellen lijst met evenementen in de categorie B en C die in een kalenderjaar in aanmerking komen voor een evenementenvergunning.

  • 5. Onder organisator wordt in de afdeling verstaan een natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico het evenement is.

  • 6. Onder locatieprofiel wordt in deze afdeling verstaan een profiel van evenementenlocaties waarin de randvoorwaarden en regels bij het organiseren van evenementen op die locaties zijn vastgelegd.

Artikel 2:24a Evenementenoverzicht
  • 1. Het college is bevoegd tot het vaststellen van het evenementenoverzicht op basis van door de raad vastgestelde beoordelingscriteria.

  • 2. Het college stelt beleidsregels vast over de totstandkoming van het evenementenoverzicht.

Artikel 2:25 Evenementenvergunning
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een A-, A+-, B- of C-evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen.

  • 2. De burgemeester stelt de vergunningaanvraag buiten behandeling indien het B- of C-evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd niet is opgenomen op het evenementenoverzicht welke is vastgesteld voor het jaar waarin het evenement, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, plaats zal vinden.

  • 3. De burgemeester kan de vergunningaanvraag voor een A-evenement buiten behandeling stellen indien:

    • a.

      de aanvraag niet ten minste vier weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;

    • b.

      de vergunningaanvraag bedoeld is voor een evenement in de periode april tot en met september en de aanvraag is ingediend voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het evenement zal plaatsvinden.

  • 4. De burgemeester kan de vergunningaanvraag voor een A+- evenement buiten behandeling stellen indien:

    • a.

      de aanvraag niet ten minste acht weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;

    • b.

      de vergunningafgaand aan het kalenderjaar waarin het evenement zal plaatsvinden.

  • 5. De burgemeester kan de vergunningaanvraag buiten behandeling stellen indien de aanvraag van een B- of C-evenement niet voor 15 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenement plaatsvindt, is ingediend.

  • 6. De burgemeester weigert de vergunning voor een B- of C-evenement indien de organisator:

    • a.

      onder curatele staat, of

    • b.

      de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

  • 7. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel:

    • a.

      dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement;

    • b.

      de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd;

    • c.

      de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd;

    • d.

      het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat de activiteiten worden verricht of voortgezet;

    • e.

      de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt nodig is;

    • f.

      de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en betreffende hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet;

    • g.

      tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen;

    • h.

      het evenement niet past binnen het evenementenvergunningenbeleid en de locatieprofielen van Rotterdam;

    • i.

      de organisator in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • j.

      de aangevraagde tijd en locatie reeds bezet of gereserveerd is voor een andere activiteit op of aan de weg of het openbare water;

    • k.

      dit noodzakelijk is ter bescherming van gemeentelijke dan wel particuliere eigendommen, groenvoorzieningen of voorzieningen van openbaar nut.

  • 8. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter regulering van het evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op:

    • a.

      de plaats en het tijdstip van het evenement;

    • b.

      de benodigde technische voorzieningen;

    • c.

      de inrichting van het evenemententerrein, waaronder de op- en afbouw van het evenemententerrein;

    • d.

      het activiteitenprogramma;

    • e.

      een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

    • f.

      het verkeersplan;

    • g.

      het geluidsniveau van het programma tijdens het evenement;

    • h.

      voorkomen van calamiteiten;

    • i.

      de belangen bedoeld in artikel 1:8 en 2:25, zesde lid.

  • 9. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd.

  • 10. De aanvraag om een evenementenvergunning bevat ten minste:

    • a.

      de plaats waar het evenement wordt gehouden;

    • b.

      de datum en het tijdstip waarop het evenement wordt gehouden;

    • c.

      een opgave van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers;

    • d.

      de inrichting van het evenemententerrein, waaronder het op- en afbouwplan;

    • e.

      het activiteitenprogramma;

    • f.

      de maatregelen om mogelijke risico’s voor verstoring van de openbare orde en veiligheid te voorkomen;

    • g.

      het veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

    • h.

      de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen;

    • i.

      een verkeers- en mobiliteitsplan wanneer sprake is van een impact op het verkeer.

  • 11. Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken, dienen door de organisator onverwijld aan de burgemeester te worden gemeld.

  • 12. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  • 13. Dit artikel is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  • 14. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:25a 0-evenementen
  • 1. Het is verboden een 0-evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen als:

    • a.

      geen kennisgeving is gedaan overeenkomstig artikel 2.25a, vierde lid;

    • b.

      wordt afgeweken van de bij de kennisgeving verstrekte gegevens;

    • c.

      in strijd wordt gehandeld met de door de burgemeester gegeven voorschriften of beperkingen; of

    • d.

      de burgemeester het 0-evenement heeft verboden.

  • 2. Van een 0-evenement is sprake indien:

    • a.

      het een evenement in de openlucht betreft;

    • b.

      het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 250 personen;

    • c.

      het een evenement is dat plaatsvindt tussen 9.00 en 23.00 uur of op een zon- of feestdag tussen 13.00 uur en 23.00 uur;

    • d.

      het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A);

    • e.

      het niet plaatsvindt op de rijbaan, een fiets-, bromfiets- of parkeergelegenheid of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

    • f.

      het geen extra politiecapaciteit vergt;

    • g.

      slechts enkele kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van maximaal 25 m² per object;

    • h.

      er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;

    • i.

      er een organisator is.

  • 3. Van een 0-evenement is mede sprake indien het een huwelijksstoet van voertuigen op of aan de weg betreft.

  • 4. De organisator stelt de burgemeester ten minste vijf werkdagen voorafgaand aan het 0-evenement in kennis van het evenement door middel van het door de burgemeester vastgestelde kennisgevingsformulier.

  • 5. Toestemming voor het evenement is verleend indien:

    • a.

      na ontvangst van het kennisgevingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden, en

    • b.

      de organisator een ontvangstbevestiging, van het feit dat hij een kennisgeving heeft gedaan, kan tonen.

  • 6. De burgemeester kan naar aanleiding van de kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven in het belang van het verkeer, de veiligheid van personen of zaken, het voorkomen van hinder voor anderen dan de deelnemers en het voorkomen van strafbare feiten of wanordelijkheden.

Artikel 2:25b Beslistermijn
  • 1. In afwijking van artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester:

    • a.

      binnen vier weken voorafgaand aan het evenement, indien sprake is van een A-evenement; of

    • b.

      binnen acht weken voorafgaand aan het evenement, indien sprake is vaneen A+-, B- of C-evenement.

  • 2. Aanvragen voor een evenement, als bedoeld in het eerste lid, worden behandeld op volgorde van binnenkomst. Het tijdstip van ontvangst van de leges is bepalend voor de rangschikking.

Artikel 2:26 Openbare orde en veiligheid
  • 1. De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens, en na een evenement alle aanwijzingen geven die hij noodzakelijk acht ter handhaving van de openbare orde. De burgemeester bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie, brandweer en hulpverlening.

  • 2. De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop naar, tijdens, en na het evenement:

    • a.

      alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde;

    • b.

      het evenement onverwijld te beëindigen bij verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor;

    • c.

      een aanwijzing van de burgemeester onverwijld op te volgen;

    • d.

      ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde na een aanwijzing van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van de politie of brandweer geen publiek meer tot het evenement wordt toegelaten.

  • 3. Het is verboden bij een evenement:

    • a.

      de openbare orde te verstoren;

    • b.

      zich op of rondom het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde of veiligheid te verstoren of te bedreigen;

    • c.

      al dan niet op of rondom het evenemententerrein, op of aan de weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren;

    • d.

      zich op of rondom een evenemententerrein te begeven indien overeenkomstig het eerste, dan wel het tweede lid onder d opdracht is gegeven het evenemententerrein te verlaten;

    • e.

      een op grond van het eerste lid gegeven aanwijzing niet op te volgen;

    • f.

      zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.

  • 4. Het verbod, bedoeld in het derde lid, onderdeel f, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

  • 5. Een ieder is verplicht om ter ordelijk verloop van een evenement of bij enig voorval waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, een daartoe strekkende aanwijzing van een toezichthouder of een ambtenaar van de politie of brandweer zijn weg te vervolgen of aanwijzingen van andere aard in het belang van de openbare orde of veiligheid van personen en goederen dan wel ter beperking van gemeen gevaar, onverwijld en stipt op te volgen.

Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2.27 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    openbare inrichting:

    • inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de daarbij horende terrassen;

    • voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede de niet voor publiek toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg bereikbaar zijn, uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18 voor zover daar regelmatig of op gezette tijden:

      • i.

        gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken,

      • ii.

        amusement of ontspanning wordt aangeboden, met uitzondering van een speelautomatenhal, of

      • iii.

        gelegenheid wordt gegeven anders dan tegen betaling tot het verrichten van seksuele handelingen;

  • b.

    exploitant:

    natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden met uitzondering van de bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 Drank- en Horecawet;

  • c.

    beheerder:

    natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in de inrichting of het bedrijf;

  • d.

    kortlopende exploitatievergunning:

    exploitatievergunning die wordt verleend voor een locatie of pand voor de duur van maximaal 6 maanden in een jaar;

  • e.

    hoogdrempelige inrichting:

    inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen;

  • f.

    laagdrempelige inrichting:

    inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen;

  • g.

    kansspelautomaat:

    automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet op de kansspelen.

Artikel 2.28 Exploitatie openbare inrichting
  • 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2. In afwijking van artikel 1:7 wordt een exploitatievergunning verleend voor de duur van vijf jaar, tenzij bij de vergunning anders is bepaald.

  • 3. Een afschrift van de exploitatievergunning is in de openbare inrichting aanwezig.

  • 4. De exploitant en de beheerder voldoen aan de volgende eisen:

    • a.

      zij hebben de leeftijd van achttien jaar bereikt of indien aan de inrichting een drank- en horecawetvergunning is verstrekt de leeftijd van eenentwintig jaar;

    • b.

      zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

    • c.

      zij mogen niet onder curatele staan.

    • d.

      zij beschikken over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne indien voor de inrichting een drank- en horecawetvergunning is verstrekt.

  • 5. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 weigert de burgemeester de exploitatievergunning of trekt deze in indien:

    • a.

      de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer;

    • b.

      de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een horecagebiedsplan en voor dat gebied of de locatie geen advies aan de adviescommissie, als bedoeld in artikel 2:28b, wordt of is gevraagd;

    • c.

      de exploitant van de inrichting niet voldoet aan de in het vierde lid gestelde eisen;

  • 6. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen of schorsen, indien:

    • a.

      in of vanuit de openbare inrichting een feit of feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting nadelig zal worden beïnvloed;

    • b.

      door de exploitatie van de openbare inrichting de leefbaarheid in de omgeving van de openbare inrichting wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    • c.

      de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit de openbare inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    • d.

      de exploitant of de beheerder zich schuldig maakt aan discriminatie;

    • e.

      sprake is van een gewijzigde exploitatie, een wijziging in de exploitant of de beheerder en waarvoor geen melding als bedoeld in artikel 2:30c, derde lid, heeft plaatsgevonden;

    • f.

      er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • g.

      de exploitant of de beheerder het bij of krachtens de bepalingen in deze paragraaf geregelde overtreedt;

    • h.

      in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen of de in het exploitatieplan beschreven maatregelen;

    • i.

      de exploitant niet beschikt over een geldige inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • j.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde of op de vergunning vermelde in overeenstemming is of zal zijn;

    • k.

      de exploitatie strijdig is met of niet voldoet aan de beleidsregels zoals opgenomen in het horeca(vergunningen)beleid;

    • l.

      een beheerder van de inrichting niet voldoet aan de in het vierde lid gestelde eisen.

  • 7. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.28a Vrijstelling
  • 1. De burgemeester kan:

    • a.

      bepalen dat het exploiteren van categorieën van openbare inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van de exploitatievergunningplicht wordt vrijgesteld; of

    • b.

      voorschriften verbinden aan een vrijstelling als bedoeld onder a;

    • c.

      een locatie, pand of gebied aanwijzen waar de vrijstelling bedoeld onder a niet geldt;

  • 2. De exploitatie van een openbare inrichting waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a, van toepassing is, geschiedt zodanig dat daardoor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

Artikel 2:28b Horecagebiedsplan en adviescommissie
  • 1. Het college is bevoegd tot het vaststellen van horecagebiedsplannen.

  • 2. De burgemeester is met het oog op de vergunningverlening bevoegd voor een gebied een adviescommissie in te stellen.

Artikel 2:29 Optenings- en sluitingstijden
  • 1. De burgemeester merkt een openbare inrichting in de exploitatievergunning aan als ochtendhoreca, daghoreca, avondhoreca of nachthoreca.

  • 2. Het is de exploitant of de beheerder verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op andere tijdstippen dan:

    • a.

      van 04.00 uur tot 23.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als ochtendhoreca;

    • b.

      van 07.00 uur tot 23.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als daghoreca;

    • c.

      van 07.00 uur tot 01.00 uur en op vrijdag en zaterdag van 07.00 uur tot 02.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als avondhoreca;

    • d.

      van 00.00 uur tot 24.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als nachthoreca.

  • 3. Het is de exploitant of de beheerder verboden de tot de openbare inrichting behorende terrassen voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op andere tijdstippen dan:

    • a.

      van 07.00 uur tot 01.00 uur en op vrijdag en zaterdag van 07.00 uur tot 02.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als avondhoreca of nachthoreca.

    • b.

      van 07.00 uur tot 23.00 uur als de openbare inrichting is aangemerkt als ochtendhoreca of daghoreca.

  • 4. Vervallen.

  • 5. De burgemeester kan in de vergunning bepalen dat afwijkende openingstijden gelden.

  • 6. De exploitant van een openbare inrichting die beschikt over een exploitatievergunning kan maximaal vijftien festiviteiten per jaar houden, waarbij het de exploitant of beheerder is toegestaan de openbare inrichting, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten tot 07.00 uur, mits de exploitant op de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, voor de aanvang daarvan, doch uiterlijk om 22.00 uur, de burgemeester van de festiviteit kennis heeft gegeven.

  • 7. Het houden van een incidentele festiviteit als bedoeld in het zesde lid is niet mogelijk indien binnen de periode van zeven dagen voorafgaand aan de incidentele festiviteit in een straal van 100 meter rondom de inrichting reeds drie kennisgevingen voor het houden van incidentele festiviteiten zijn ontvangen.

  • 8. Kennisgeven vindt plaats volgens de procedure die op het daartoe door de burgemeester vastgestelde formulier is voorgeschreven.

  • 9. In afwijking van het zesde lid is het de exploitant van een openbare inrichting die beschikt over een kortlopende exploitatievergunning niet toegestaan incidentele festiviteiten te houden.

  • 10. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of het woon- of leefklimaat voor een of meer openbare inrichtingen, voor categorieën van openbare inrichtingen of voor de tot de openbare inrichting behorende terrassen de krachtens het tweede tot en met het vijfde lid geldende openings- en sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken, dan wel andere openings- en sluitingstijden vaststellen.

  • 11. De burgemeester kan, als naar zijn oordeel sprake is van een bijzondere omstandigheid, algemene ontheffing verlenen van de krachtens het tweede tot en met het vijfde lid geldende openings- en sluitingstijden voor een bepaald gebied of voor een of meer bepaalde openbare inrichtingen.

  • 12. De burgemeester kan een verbod opleggen een festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien naar zijn oordeel het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Artikel 2:30 Sluiting van openbare inrichtingen
  • 1. De burgemeester kan een openbare inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren:

    • a.

      indien die openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;

    • b.

      indien een van de in artikel 2:28, vijfde of zesde lid, genoemde situaties zich voordoet;

    • c.

      indien die openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften;

    • d.

      op grond van een van de in artikel 1:8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde belangen.

  • 2. Een besluit tot sluiting wordt op, in of nabij de toegang van de openbare inrichting aangebracht en blijft aangebracht zolang de sluiting van kracht is.

  • 3. Een sluiting kan op aanvraag van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de situatie die tot de sluiting heeft geleid, zal plaatsvinden.

  • 4. Het is de exploitant of de beheerder van de openbare inrichting verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven zolang de sluiting van kracht is.

  • 5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten openbare inrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

Artikel 2:30a Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
  • 1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder in de openbare inrichting aanwezig is.

  • 2. De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de openbare inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor door de burgemeester aangewezen openbare inrichtingen of categorieën van openbare inrichtingen.

Artikel 2:30b Terrassen
  • 1. Ingeval van een exploitatievergunningaanvraag die tevens van toepassing is voor een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen, beslist de burgemeester – gelet op de openbare orde en veiligheid ter plaatse hetgeen mede omvat de kwaliteit en het uiterlijk aanzien van de terrassen – tevens omtrent de ingebruikneming van de openbare weg.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1:6, 1:8 en 2:28, kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van de openbare weg weigeren of verbieden indien het de verwachting is dat het gebruik:

    • a.

      schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar kan veroorzaken voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    • b.

      een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    • c.

      afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.

  • 3. Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, is de exploitant van de openbare inrichting verplicht dit binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, te verwijderen.

  • 4. Het is verboden dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het eerste lid is toegestaan.

  • 5. De exploitant of de beheerder is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de openbare inrichting, doch in ieder geval onverwijld op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van het terras op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit of van dat terras afkomstig, worden verwijderd.

Artikel 2:30c Beëindiging exploitatie en melding gewijzigde omstandigheden
  • 1. De exploitatievergunning vervalt:

    • a.

      zodra de exploitant dan wel de exploitanten de exploitatie van de openbare inrichting heeft dan wel hebben beëindigd;

    • b.

      indien de openbare inrichting om andere redenen dan een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht gedurende twaalf aaneengesloten maanden niet wordt geëxploiteerd;

    • c.

      indien een nieuwe exploitatievergunning voor de openbare inrichting is verleend.

  • 2. Uiterlijk binnen een week na de beëindiging van de exploitatie door de exploitant dan wel exploitanten dan wel een van de exploitanten, geeft deze daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  • 3. De exploitant meldt elke verandering waardoor zijn openbare inrichting niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 2:28, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan de burgemeester.

Artikel 2:30d Wijziging beheer
  • 1. Indien een beheerder het beheer in de openbare inrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  • 2. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de exploitant of beheerder kan aantonen dat de nieuwe beheerder op de exploitatievergunning is bijgeschreven.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, kan het beheer tot op de aanvraag is beslist, tijdelijk worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de exploitant of beheerder een bevestiging van de burgemeester kan tonen waaruit blijkt dat die nieuwe beheerder ten behoeve van bijschrijving op de exploitatievergunning is aangemeld.

Artikel 2:31 Verboden gedragingen
  • 1. Het is een ieder verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren, dan wel strafbare feiten te plegen.

  • 2. Het is bezoekers verboden zich te bevinden in een openbare inrichting na sluitingstijd.

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen

In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33 Schakelbepaling

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw is als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2:27 tot en met 2:30d en de daarop berustende bepalingen.

Artikel 2:34

[gereserveerd]

Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de drank- en horecawet
Artikel 2:34a Begripsbepaling

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder paracommercieel rechtspersoon verstaan: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.

Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
  • 1. Een paracommercieel rechtspersoon kan maximaal 12 bijeenkomsten per jaar organiseren van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  • 2. Artikel 2:29 eerste tot en met het vijde lid is overeenkomstig van toepassing.

  • 3. Artikel 2:29 zesde lid is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde bijeenkomsten.

  • 4. Een paracommercieel rechtspersoon doet ten minste vijf werkdagen voorafgaand aan de bijeenkomst als bedoeld in het eerste lid hiervan melding aan de burgemeester.

  • 5. De burgemeester kan een paracommercieel rechtspersoon verbieden een bijeenkomst te organiseren als bedoeld in het eerste lid of aanvullende voorschriften stellen indien naar zijn oordeel:

  • a. dit in het belang is van de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid, dan wel het woon- en leefklimaat;

  • b. de bepalingen van het eerste tot en met het vierde lid worden overtreden;

  • c. bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid bedrijfsmatig worden georganiseerd;

  • d. artikel 20, eerste of tweede lid van de Drank- en Horecawet is overtreden.

Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven
  • 1.Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in een inrichting die in de hoofdzaak in het gebruik is door of zich richt op:

  • a. een jeugdorganisatie of –instelling;

  • b. een sportorganisatie of –instelling;

  • c. het verstrekken van geringe voedingsmiddelen;  

  • d. onderwijs;

  • 2. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken:

  • a. op een kampeer- of caravanterrein;

  • b. in een bioscoop.

  • 3. De burgemeester kan op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 4. De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

  • 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 9. Voor publiek openstaande gebouwen
Artikel 2:35 Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen
  • 1. De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  • 2. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  • 3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  • 4. Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw, erf, perceel of perceelsgedeelte of de ruimte waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.

  • 5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw, erf, perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  • 6. Op aanvraag van een belanghebbende kan:

    • a.

      een sluiting voor onbepaalde duur door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden;

    • b.

      een sluiting door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:36 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    • b.

      beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

    • c.

      bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  • 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

  • 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    • a.

      in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    • b.

      indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    • b.

      indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    • c.

      de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • d.

      indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    • e.

      indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    • f.

      indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • g.

      indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.

  • 5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a.

      de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    • b.

      het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    • c.

      het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • d.

      indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    • e.

      een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    • f.

      een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  • 6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  • 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:

    • a.

      door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of

    • b.

      door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of

    • c.

      de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of

    • d.

      de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

    • e.

      de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of

    • f.

      er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

    • g.

      er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of

    • h.

      de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of

    • i.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

    • j.

      de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.

  • 8. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.

  • 9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  • 10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

  • 11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.

  • 12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

  • 13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

  • 14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

  • 15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:37

[gereserveerd]

Artikel 2:38

[gereserveerd]

Afdeling 10. Toezicht op speelautomatenhallenArtikel 2:39 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    de wet: de Wet op de kansspelen;

  • b.

    Speelautomatenbesluit: Speelautomatenbesluit 2000;

  • c.

    speelautomaat: toestel als bedoeld in artikel 30, onder a, van de wet;

  • d.

    behendigheidsautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder b, van de wet;

  • e.

    kansspelautomaat: speelautomaat die geen behendigheidsautomaat is;

  • f.

    speelautomatenhal: inrichting als bedoeld in artikel 30 c, eerste lid, onder b, van de wet;

  • g.

    exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden;

  • h.

    beheerder: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in de inrichting of het bedrijf.

Artikel 2:39a Speelautomatenhallen
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.

  • 2.

    De burgemeester kan maximaal 12 speelautomatenhallenvergunningen verlenen.

  • 3.

    Een vergunning voor een speelautomatenhal wordt verleend voor de duur van vijf jaar.

  • 4.

    Aan de vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden, die betrekking hebben op:

    • a.

      de opening- en sluitingstijden;

    • b.

      het toezicht in de speelautomatenhal;

    • c.

      het aantal en type speelautomaten, alsmede het totaal aantal spelers bij volledige bezetting van de speelautomaten;

    • d.

      de wijze van exploitatie van de hal.

  • 5.

    De burgemeester weigert de vergunning indien:

    • a.

      het maximaal aantal vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend;

    • b.

      de beheerder(s) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt of de exploitant of de beheerder van de speelautomatenhal niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4 van het Speelautomatenbesluit;

    • c.

      de speelautomatenhal niet uitsluitend of rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is;

    • d.

      de speelautomatenhal is gelegen in de nabijheid van scholen, jeugd-, buurt- of clubhuizen;

    • e.

      naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelautomatenhal of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelautomatenhal;

    • f.

      de exploitatie van de speelautomatenhal in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

  • 6.

    De burgemeester kan de vergunning intrekken of wijzigen indien:

    • a.

      de exploitatie van een speelautomatenhal om een andere reden dan een bestuurlijke maatregel voor een periode langer dan zes maanden is of wordt onderbroken;

    • b.

      een van de in artikel 2:28, zesde lid, genoemde situaties zich voordoet;

    • c.

      een exploitant komt te overlijden, dan wel indien een

exploitant de exploitatie van zijn speelautomatenhal beëindigt.

  • 7.

    De vergunning vervalt, indien de beslissing op een aanvraag om een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand in werking is getreden.

  • 8.

    Artikel 2.30d is van overeenkomstige toepassing.

  • 9.

    Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40 Kansspelautomaten

1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.

2.In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:40a Gokken op de weg

Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze om geld of geldswaarde te spelen.

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet

gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet

gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 3.

    Het is verboden een krachtens artikel 17 van de Woningwet gesloten gebouw, open erf of terrein te betreden.

  • 4.

    De in het eerste, tweede en derde lid gestelde verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning, het lokaal of het gebouw wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42 Plakken en kladden
  • 1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  • 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg, op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is of op een op de weg staande roerende zaak:

    • a.

      een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken of aan te doen plakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    • b.

      op een andere wijze enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op degene die krachtens wettelijk voorschrift bevoegd is tot het verrichten van de betrokken handeling of voor degene die handelt bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.

  • 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  • 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering onverwijld ter inzage af te geven.

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
  • 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verf- of plakgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
  • 1. Het is verboden op de weg inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen
  • 1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:45 Bescherming groenvoorzieningen

1.Het is, behoudens op door het college aan te wijzen plaatsen, verboden in een voor publiek toegankelijk gemeentelijk bos, park, plantsoen, groenstrook of duin:

    • a.

      zich buiten de paden te bevinden, met uitzondering van de grasperken;

    • b.

      zich met een rij- of trekdier buiten een ruiterpad te bevinden;

    • c.

      Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 2.

    Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.
  • 1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening.

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
  • 1. Het is verboden:

    • a.

      op of aan de weg te klimmen, te liggen of zich anderszins te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, tram, metro, abri, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    • b.

      zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt;

    • c.

      zich op de weg binnen de voor een brug geplaatste afsluitingen te bevinden nadat een of meer van die afsluitingen zijn of worden gesloten, dan wel een afsluiting voor een brug te openen.

  • 2. Eenieder, die op een openbare plaats klimt, ligt of zich anderszins bevindt op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, tram, metro, abri, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair, zich op of aan de weg zodanig ophoudt dat aan weggebruikers of gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt, of zich op de weg binnen de voor een brug geplaatste afsluitingen bevindt nadat een of meer van die afsluitingen zijn of worden gesloten, dan wel een afsluiting voor een brug opent, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op degene die bevoegd is tot het verrichten van de betrokken handeling of voor degene die handelt bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht, of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:47a Verbod gebieden of locaties
  • 1. Het is verboden zich te bevinden in de door de burgemeester aangewezen gebieden of locaties.

  • 2. De burgemeester kan de gebieden of locaties aanwijzen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast of baldadigheid, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de volksgezondheid of de goede zeden.

  • 3. De burgemeester beperkt de werking van het verbod tot nader door hem aan te duiden perioden of tijden.

  • 4. Een gebied of locatie wordt aangewezen voor een periode van ten hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste drie maanden verlengen.

  • 5. Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      bewoners van woningen die zijn gelegen in het gebied of de locatie;

    • b.

      de betrokken toezichthouders, hulpverlenende diensten en personen die in het aangewezen gebied of op de aangewezen locatie noodzakelijke werkzaamheden verrichten;

    • c.

      door de burgemeester te bepalen categorieën van gevallen.

  • 6. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
  • 1. Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te gebruiken indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast veroorzaken.

  • 2. Het is verboden op de weg, die deel uit maakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;

    • b.

      de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:48a Lachtgasverbod
  • 1. Het is verboden op een openbare plaats lachgas te gebruiken indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.

  • 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.

  • 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
  • 1. Het is verboden hinder of overlast te veroorzaken, danwel zich zonder redelijk doel op te houden:

    • a.

      in een portiek, bordes, poort, nis of op een trap;

    • b.

      in, op of tegen een raamkozijn, gevel of drempel van een gebouw;

    • c.

      in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling, winkelcentrum, abri of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte.

  • 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als wapen
  • 1. Het is verboden op de weg of in voor publiek toegankelijke gebouwen messen of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te hebben.

  • 2. Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:50b Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
  • 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:51

[gereserveerd]

Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53 Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen
  • 1.

    Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

  • 2.

    Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.

3   Het is verboden op of aan de openbare weg dan wel in een voor publiek toegankelijke ruimte een persoon heimelijk te filmen of heimelijk te fotograferen door middel van een technisch hulpmiddel wanneer dit een aantasting van de eerbaarheid of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert.

Artikel 2:54

[gereserveerd] Artikel 2:55 [gereserveerd]

Artikel 2:56

[gereserveerd]

Artikel 2:57 Loslopende honden
  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    • a.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    • b.

      binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd;

    • c.

      Buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd.

    • d.

      op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  • 2. Het in het eerste lid, onderdeel b, gestelde verbod geldt niet op door het college aangewezen plaatsen.

  • 3. De in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, gestelde verboden zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

  • a.

    die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

  • b.

    die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
  • 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  • 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichting.

  • 5. Degene die zich met een hond op of aan de weg bevindt, is verplicht in door het college aangewezen gebieden een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen van de hond. De eigenaar of houder van de hond is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 6. Het college kan ontheffing verlenen van de in het vijfde lid gestelde verplichting.

  • 7. Op de ontheffingen is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:59 Gevaarlijke en hinderlijke honden
  • 1.

    Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  • 2.

    Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  • 3.

    Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    • a.

      vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    • b.

      door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    • c.

      zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

  • 5.

    De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort door aanhoudend geblaf of gejank.

  • 6.

    Het is de eigenaar of houder van een hond verboden een hond in strijd met een door de burgemeester opgelegd aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod op een openbare plaats of op het terrein van een ander te laten verblijven of lopen.

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
  • 1.

    Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben;

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels;

    • c.

      aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of

    • d.

      te voeren.

  • 2.

    Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:61 Wilde dieren

[gereserveerd]

Artikel 2:62 Loslopend vee

[gereserveerd]

Artikel 2:63 Duiven

[gereserveerd]

Artikel 2:64 Bijen

[gereserveerd]

Artikel 2:65 Bedelarij

Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: handelaar, als bedoeld in artikel 1 van het besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992, 36).

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
  • 1.

    De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

    • a.

      het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    • b.

      de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    • c.

      een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

    • d.

      de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    • e.

      de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  • 2.

    De burgemeester kan voor daarbij aangegeven categorieën van goederen vrijstelling verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichting.

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  • a.

    de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

  • 1°.

    dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

  • 2°.

    van een verandering van de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde adressen;

  • 3°.

    dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

  • 4°.

    dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  • b.

    de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  • c.

    aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  • d.

    een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

[gereserveerd]

Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven

[Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel 2:32]

Afdeling 13 Vuurwerk
Artikel 2:71 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit, niet zijnde fop- en schertsvuurwerk;

  • b.

    exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico het vuurwerkverkooppunt wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden;

  • c.

    beheerder: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in het vuurwerkverkooppunt;

  • d.

    fop- en schertsvuurwerk: fop- en schertsvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
  • 1.

    Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van de burgemeester.

  • 2.

    Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend voor de duur van 5 jaar.

  • 3.

    Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, indien:

    • a.

      in of vanuit het vuurwerkverkooppunt zich een feit voordoet of zich feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat in de omgeving van het vuurwerkverkooppunt nadelig zal worden beïnvloed;

    • b.

      de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het vuurwerkverkooppunt, dan wel toestaat of gedoogt dat in het vuurwerkverkooppunt strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde of het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed;

    • c.

      de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • d.

      de vestiging of de exploitatie van het vuurwerkverkooppunt in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer;

    • e.

      de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat kan zijn;

    • f.

      geen melding is gedaan op grond van het Vuurwerkbesluit.

  • 4.

    De vergunningaanvraag wordt ingediend door de exploitant van de inrichting.

  • 5.

    De vergunning is in de inrichting aanwezig.

  • 6.

    De vergunning vervalt:

    • a.

      indien de beslissing op een aanvraag om een nieuwe vergunning in werking is getreden;

    • b.

      zodra de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk wordt beëindigd.

  • 7.

    Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:73 Verbod gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 

Het is verboden om tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar consumentenvuurwerk tot ontbranding te brengen.

Afdeling 14. Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan de weg in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken.

Artikel 2:74b Weggooien van spuiten e.d.

Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.

Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebruik lasers
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 154a van de Gemeentewet, besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in de volgende artikelen groepsgewijs niet naleven: artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19, 2:23, 2:23a, 2:26, tiende, elfde en twaalfde lid, 2:47, 2:48, 2:50a en 2:73.

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan, overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
  • 1.

    De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  • 2.

    De burgemeester heeft de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, eveneens ten aanzien van voor een ieder toegankelijke parkeerterreinen.

Artikel 2:77a Gebruik lasers
  • 1.

    Het is verboden op of aan de weg, of op een openbare plaats zodanig met laserlicht te schijnen dat daardoor de openbare orde of veiligheid wordt verstoord of overlast wordt veroorzaakt.

  • 2.

    Het is verboden op de weg, een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, lasers, laserpennen of dergelijke apparatuur in bezit te hebben of met zich mee te voeren, anders dan voor professioneel gebruik.

Afdeling 16. Omgevingsverboden
Artikel 2:77b Wijkverbod
  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstoren de handelingen verricht een verbod opleggen om zich te bevinden op in dat verbod aangewezen gebied gedurende een in het verbod neergelegde periode.

  • 2.

    Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een wijkverbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een wijkverbod opleggen om zich gedurende een in dat wijkverbod genoemd tijdvak van ten hoogste 30 dagen te bevinden op in dat wijkverbod aangewezen gebied.

  • 3.

    Een wijkverbod krachtens het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien strafbare feiten of andere openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder wijkverbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd.

  • 4.

    De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde wijkverboden, indien dat in het verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  • 5.

    Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd wijkverbod.

Artikel 2:77c Stadionomgevingsverbod
  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of de bescherming van het woon- of leefklimaat aan een persoon een verbod opleggen om zich op te houden in de omgeving en nabijheid van het Feyenoordstadion “de Kuip”, het Spartastadion “het Kasteel” of het Excelsiorstadion “Woudestein” gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van vier uur voor de vastgestelde aanvangstijdstippen tot vier uur na de afloop van een voetbalwedstrijd georganiseerd door de betaald voetbal organisatie Feyenoord, Sparta of Excelsior waarbij het eerste elftal een thuiswedstrijd speelt, of een evenement.

  • 2.

    Het verbod geldt voor een bepaalde periode welke niet langer is dan twee jaar.

  • 3.

    De burgemeester beperkt het in het eerste lid gestelde verbod, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  • 4.

    Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod.

Afdeling 17. Woonoverlast
Artikel 2:78 Aanpak woonoverlast
  • 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  • 2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht, kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

Afdeling 18 Verhuurdersvergunning
Artikel 2:79 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    verhuurder: natuurlijk persoon of rechtspersoon die, al dan niet bedrijfsmatig, een woning in eigendom heeft en tegen vergoeding beschikbaar stelt dan wel in gebruik geeft;

  • b.

    woning: zelfstandige of onzelfstandige woonruimte;

  • c.

    woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden;

  • d.

    woningverhuur: al dan niet bedrijfsmatig tegen vergoeding beschikbaar stellen, dan wel in gebruik geven van een woning of een deel daarvan, al dan niet door tussenkomst van een woningbemiddelaar.

Artikel 2:80 Vergunning woningverhuur
  • 1. Het is verboden om in een door het college aangewezen gebied of gebouw alsmede voor door het college aangewezen verhuurders, zonder vergunning van het college een woning te verhuren. Indien het college een gebouw aanwijst, kan het zijn aanwijzing beperken tot een of meerdere woningen in dat gebouw.

  • 2. In afwijking van artikel 1:7 wordt een vergunning als bedoeld in het eerste lid verleend voor de duur van vijf jaar, tenzij bij de vergunning anders is bepaald.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het college een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren:

    • a.

      indien niet wordt voldaan aan de beleidsregels zoals opgenomen in het vergunningenbeleid;

    • b.

      ter voorkoming van onevenredige benadeling van huurders of gebruikers;

    • c.

      indien zich in of vanuit een gebouw of woning strafbare feiten hebben voorgedaan;

    • d.

      in het belang van het welzijn van huurders of gebruikers van de woning;

    • e.

      in het belang van de leefbaarheid of het woon- of leefklimaat;

    • f.

      indien de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming is;

    • g.

      indien de verhuurder in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  • 4. Op de vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:81 Aanwijzing vergunningplichtige woningverhuur
  • 1. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, vindt uitsluitend plaats als naar het oordeel van het college door of bij woningverhuur de leefbaarheid, de volksgezondheid, de openbare orde, de veiligheid of het welzijn van huurders of gebruikers ernstig onder druk staat, huurders of gebruikers onevenredig worden benadeeld of zich in of vanuit een gebouw of een of meerdere woningen in een gebouw strafbare feiten voordoen.

  • 2. Een aanwijzing voor een gebied geschiedt niet eerder dan nadat de gemeenteraad hierover is geïnformeerd.

Artikel 2:82 Aanvraag vergunning
  • 1. Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:80 wordt ingediend door de verhuurder door gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier.

  • 2. Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a.

      het adres en telefoonnummer van de aanvrager;

    • b.

      indien van toepassing het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • c.

      een verhuurdersplan.

  • 3. Indien het college het nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan worden verlangd dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

Artikel 2:83 Intrekking en wijziging van een vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het college een vergunning als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, intrekken of wijzigen indien naar het oordeel van het college:

  • a.

    in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften; of

  • b.

    zich een omstandigheid voordoet op grond waarvan de vergunning op grond van artikel 1:8 of artikel 2:80, derde lid, zou zijn geweigerd.

Artikel 2:84 Overgangsbepaling

Het verbod, bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, geldt voor de verhuurder die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds een woning verhuurt, voor die bestaande verhuuractiviteiten eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie en seksbranche

Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 3:1 Afbakening

De artikelen 1:2, 1:3 en 1:5 tot en met 1:7a zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3:2 Begripsbepaling

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • -

    advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;

  • -

    beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;

  • -

    bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

  • -

    escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;

  • -

    exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;

  • -

    klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;

  • -

    prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  • -

    prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  • -

    prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;

  • -

    raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;

  • -

    seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;

  • -

    seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;

  • -

    werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.

Artikel 3:2a Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen omtrent de uitoefening van seksbedrijven.

Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf
Artikel 3:3 Vergunning
  • 1. Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan beslist binnen twaalf weken op de aanvraag om een vergunning.

  • 3. De in het tweede lid gestelde termijn kan door het bevoegd bestuursorgaan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.

  • 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

  • 5. Een vergunning wordt voor één seksinrichting verleend.

  • 6. De vergunning voor een seksbedrijf wordt verleend voor de duur van vijf jaar tenzij in de vergunning anders staat vermeld. De vergunning wordt op naam van de exploitant gesteld en is niet overdraagbaar.

  • 7. De vergunning kan worden verlengd.

Artikel 3:4 Concentratie seksbedrijven

Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard.

Artikel 3:5 0-beleid raamprostitutiebedrijven en maximering aantal seksbedrijven
  • 1. Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.

  • 2. Het college kan een maximum stellen aan het aantal vergunningen voor een seksbedrijf dat kan worden verleend. Hierbij kan worden bepaald dat een maximum slechts geldt voor seksbedrijven van een nader aangewezen aard of in nader aangewezen delen van de gemeente.

Artikel 3:6 Aanvraag
  • 1. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld formulier.

  • 2. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke activiteit de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a.

      de persoonsgegevens van de exploitant;

    • b.

      het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • c.

      of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

    • d.

      het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    • e.

      het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

    • f.

      het telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    • g.

      een geldig identiteitsbewijs van de exploitant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht;

    • h.

      indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

    • i.

      een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;

    • j.

      bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;

    • k.

      indien van toepassing, de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

    • l.

      indien van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding waarop duidelijk is weergegeven het gebruik en de afmetingen van de aanwezige ruimten alsmede de brandpreventieve voorzieningen;

    • m.

      indien van toepassing, het aantal voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees.

  • 3. Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, b, c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.

  • 4. Als het bevoegde bestuursorgaan dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

Artikel 3:7 Weigeringsgronden
  • 1. Een vergunning wordt geweigerd indien:

    • a.

      de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

    • b.

      de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij;

    • c.

      de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

    • d.

      de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

    • e.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    • f.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

    • g.

      de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

    • h.

      de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500,- euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      • i.

        bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet arbeid vreemdelingen;

      • ii.

        de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

      • iii.

        artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen;

      • iv.

        de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      • v.

        de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      • vi.

        de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

    • i.

      er een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al bereikt is;

    • j.

      de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd of een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.

  • 2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt gelijk gesteld:

    • a.

      een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

    • b.

      vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375,- euro bedraagt.

  • 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

  • 5. Een vergunning kan worden geweigerd:

    • a.

      voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, onder a tot en met d, of tweede lid, onder a tot en met g, is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

    • b.

      indien niet is voldaan aan de bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    • c.

      indien de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

    • d.

      indien het bedrijfsplan niet voldoet aan het bepaalde bij artikel 3:15, eerste en tweede lid;

    • e.

      indien onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:16 gestelde verplichtingen zal naleven;

    • f.

      indien de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het seksbedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksbedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    • g.

      indien de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

    • h.

      er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet arbeid vreemdelingen.

Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning
  • 1. De vergunning vermeldt in ieder geval:

    • a.

      de exploitant;

    • b.

      de beheerder;

    • c.

      voor welke activiteit de vergunning is verleend;

    • d.

      het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    • e.

      het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    • f.

      het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend;

    • g.

      de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

    • h.

      de geldigheidsduur van de vergunning;

    • i.

      het nummer van de vergunning.

  • 2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend.

  • 3. Het is verboden te handelen in strijd met het tweede lid.

Artikel 3:9 Intrekkingsgronden
  • 1. De vergunning wordt ingetrokken indien:

    • a.

      de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

    • b.

      de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

    • c.

      zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h;

    • d.

      de vergunninghouder dat verzoekt;

    • e.

      de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.

  • 2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken:

    • a.

      Indien is gehandeld in strijd met de artikelen 3.7, vijfde lid, onder h, 3:10, 3:13, 3:14, 3:15 of 3:16 eerste lid en tweede lid, onderdeel b, aanhef en onder i;

    • b.

      indien is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

    • c.

      indien in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

    • d.

      indien een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

    • e.

      indien is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk van deze verordening gestelde bepalingen;

    • f.

      indien is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

    • g.

      in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    • h.

      indien de openbare orde gevaar loopt of het woon- en leefomgeving nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting;

    • i.

      zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid of de woon- en leefomgeving;

    • j.

      indien de veiligheid of de gezondheid van werkzame personen of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het seksbedrijf;

    • k.

      indien de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het seksbedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksbedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    • l.

      indien de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

    • m.

      indien er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

    • n.

      indien gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 3:9a Sluiting van een seksinrichting
  • 1. Het bevoegde bestuursorgaan kan een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren, indien het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning danwel een van de in artikel 3:9 tweede lid onder h, i en j, genoemde situaties zich voor doet.

  • 2. Het bevoegde bestuursorgaan maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  • 3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  • 4. Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven zolang de sluiting van kracht is.

  • 5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  • 6. Een sluiting kan op aanvraag van een belanghebbende door het bevoegde bestuursorgaan worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de situatie die tot de sluiting heeft geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden

De exploitant meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegd bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.

Artikel 3:11 Verlenging vergunning

Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:6, 3:7, 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegd bestuursorgaan al de beschikking heeft niet nogmaals overlegd dienen te worden.

Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf
Paragraaf 3.1

Regels voor alle seksbedrijven

Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang
  • 1. Het is de exploitant of de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 1.00 en 7.00 uur en in het weekeinde (zaterdagochtend en zondagochtend) tussen 2.00 en 7.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en het woon- of leefklimaat voor één of meer seksinrichtingen of categorieën van seksinrichtingen de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken dan wel andere sluitingstijden vaststellen.

  • 3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn.

  • 4. Het is de exploitant of de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.

Artikel 3:13 Adverteren

Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:

  • a.

    geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;

  • b.

    vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld in het eerste lid;

  • c.

    als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

Paragraaf 3.2

Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees

Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees

Het is een exploitant of de beheerder verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:

  • a.

    nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

  • b.

    in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen.

Artikel 3:15 Bedrijfsplan
  • 1. Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:

    • a.

      op het gebied van hygiëne;

    • b.

      ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;

    • c.

      ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

    • d.

      ter voorkoming van strafbare feiten.

  • 2. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat:

    • a.

      de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;

    • b.

      inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;

    • c.

      in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;

    • d.

      in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;

    • e.

      de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

    • f.

      de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

    • g.

      de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

    • h.

      de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;

    • i.

      de prostituee niet verplicht kan worden om zonder condoom te werken;

    • j.

      de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;

    • k.

      aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

    • l.

      de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

    • m.

      de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

    • n.

      de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

    • o.

      de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;

    • p.

      er voldoende toezicht plaatsvindt op het prostitutiebedrijf;

    • q.

      de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.

  • 3. Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.

  • 4. De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.

  • 5. In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.

  • 6. Het is verboden te handelen in strijd met het eerste, vierde en vijfde lid.

Artikel 3:16 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf
  • 1. De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat de seksinrichting van een prostitutiebedrijf daadwerkelijk is geopend. De exploitant of beheerder van een escortbedrijf houdt effectief toezicht gedurende de uren dat het escortbedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.

  • 2. De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:

    • a.

      de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;

    • b.

      er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval;

      • i.

        de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;

      • ii.

        de verhuuradministratie;

      • iii.

        de werkroosters van de beheerders;

    • c.

      de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

    • d.

      medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

    • e.

      dat onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;

  • 3. Het is verboden te handelen in strijd met het eerste en tweede lid.

Paragraaf 3.3

Raam- en straatprostitutie

Artikel 3:17 Verbod raam- en straatprostitutie
  • 1. Het is verboden:

  • a. door woorden, houding, gebaren of andere feitelijke gedragingen op of aan de weg, op of in publiek toegankelijke plaatsen, in deuropeningen, dan wel binnenshuis zichtbaar voor publiek, iemand tot prostitutie uitnodigen of uitlokken, dan wel op deze uitnodiging of uitlokking in te gaan;

  • b. op de weg ontuchtige handelingen te verrichten indien dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.

Paragraaf 3.4

Overgangsbepalingen

Artikel 3:18 Overgangsbepaling
  • 1. De verbodsbepaling bedoeld in artikel 3:14, onder a, is niet van toepassing ten aanzien van personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aantoonbaar werkzaam zijn als prostituee voor of bij een prostitutiebedrijf.

  • 2. Prostitutiebedrijven die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening beschikken over een geldige vergunning, dienen uiterlijk met ingang van 1 juli 2016 of bij de verlenging van hun vergunning als dat eerder is, aan de verplichtingen als bedoeld in de artikelen 3:15 en 3:16, tweede lid, onder b, te voldoen.

  • 3. Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de APV verleende en nog geldige vergunning, geldt na de inwerkingtreding van deze verordening als een vergunning krachtens hoofdstuk 3 van deze verordening.

  • 4. Een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening op grond van artikel 2:28, eerste lid, van de APV juncto artikel 2:27, lid a, sub 2, onder iii, van de APV verleende en nog geldige vergunning voor een inrichting waarvoor een vergunning op grond van hoofdstuk 3 vereist is, geldt na de inwerkingtreding van de verordening als een vergunning krachtens hoofdstuk 3.

Artikel 3.19 Overgangsbepaling bestemming bestaande seksinrichtingen

Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, van een bestaande seksinrichting, is het bepaalde in artikel 3:7, eerste lid, onder j, niet van toepassing.

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting
Artikel 4:1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • b.

    inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het besluit;

  • c.

    houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • d.

    collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • e.

    incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • f.

    onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
  • 1. De artikelen 2:17, 2:17a, 2:19, 2:19a en 2:20 van het besluit gelden niet voor ten hoogste zeven door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de door hem aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2. Artikel 3.148 van het besluit geldt niet voor ten hoogste zeven door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 3. In een aanwijzing krachtens het eerste of tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.

  • 4. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit onverwijld als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten
  • 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 10 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2:17, 2:17a, 2:19, 2:19a en 2:20 van het besluit met maximaal 15 dB(A) worden verhoogd, mits de houder van de inrichting ten minste 48 uur voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 10 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148 van het besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste 48 uur voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

  • 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, uiterlijk 48 uur voor aanvang van de festiviteit is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2:17, 2:19, 2:19a en 2:20 van het besluit – uiterlijk om 24.00 uur beëindigd met uitzondering van de vrijdag en de zaterdag. Hiervoor geldt dat het ten gehore brengen van extra muziek in de nacht van vrijdag op zaterdag en de nacht van zaterdag op zondag uiterlijk om 02.00 uur wordt beëindigd.

  • 7. De ontheffing van de geluidsnorm, bedoeld in het eerste lid, geldt ten hoogste 5 keer per jaar voor de buitenruimte van de inrichting, mits tevens toestemming is verleend voor het houden van een evenement. In afwijking van het eerste en zesde lid gelden in dat geval de geluidsnormen en tijden zoals bepaald in de toestemming voor het evenement.

  • 8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten

Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.

Artikel 4:4a Geluidsplafond

Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidhinder bij collectieve festiviteiten.

Artikel 4:5 (Geluid)hinder door onversterkte muziek vanuit inrichtingen

In afwijking van artikel 2.18, eerste lid, onder f, van het besluit wordt onversterkte muziek tussen 23 uur en 7 uur niet buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het geluidsniveau van een openbare inrichting.

Artikel 4:6 Overige geluidhinder
  • 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit milieubeheer op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen, al dan niet met een voer- of vaartuig te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan van het verbod een ontheffing verlenen.

  • 3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de Provinciale milieuverordening.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:6a Mosquito
  • 1. In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

  • 3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

  • 4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

  • 5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.

Artikel 4:6b Aanwijzen concentratiegebied voor horeca-inrichtingen

Het college kan delen van de gemeente aanwijzen als concentratiegebied voor horeca-inrichtingen als bedoeld in artikel 2:19a van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:7 Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doenHet is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg of in openbaar water zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen De beheerder van een sloot, ander water, niet-openbaar riool of put buiten een gebouw zorgt dat deze zich niet bevinden in een toestand die gevaar kan veroorzaken voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van dat gebouw of voor anderen.

Artikel 4:9a Gevelreiniging en -bewerking
  • 1. Het is verboden in de openlucht gevels te reinigen of te bewerken.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

    • a.

      de werkzaamheden goed afgeschermd plaatsvinden en op een zodanige wijze dat voor omwonenden, voorbijgangers of voor de omgeving geen schade of overmatige hinder wordt veroorzaakt;

    • b.

      de werkzaamheden plaatsvinden van maandag tot en met zaterdag tussen 7.00 uur en 19.00 uur, voor zover dit niet een erkende feestdag betreft.

Artikel 4:9b Verbod oplaten ballonnen
  • 1. In dit artikel wordt onder ballon mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, sfeerballon, geluks-lampion, Thaise wensballon, papierballon en geluksballon, dan wel een voorwerp dat door middel van open vuur of gas opstijgt en zonder sturing wegdrijft.

  • 2. Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen of te doen laten opstijgen.

  • 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op een luchtballon, zijnde een luchtvaartuig, of een ballon ten behoeve van wetenschappelijk of meteorologisch onderzoek.

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4:10 Begripsbepalingen
  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    • a.

      boom: houtachtig, overblijvend gewas dat één- of meerstammig is en niet onderdeel uitmaakt van overige houtopstand zoals bedoeld in onderdeel e van dit artikel;

    • b.

      bosplantsoen: al dan niet aangeplante bosachtige elementen, inclusief kruidengroei, grotendeels bestaande uit inheemse houtachtige soorten bomen en struiken;

    • c.

      houtopstand: boom of overige houtopstand;;

    • d.

      hakhout: boom of bomen of boomvormers die, na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

    • e.

      overige houtopstand: hakhout, houtwal, struweel en lintbeplanting in de vorm van bosheesters en beplanting van bosplantsoen, al dan niet met boomvormers, niet zijnde een boom, zoals bedoeld in onderdeel a van dit artikel;

    • f.

      iepenspintkever: insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.), Scolytus multistriatus (Marsh) of Scolytus pygmaeus;

    • g.

      iepziekte: aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

    • h.

      knotten: tot op de oude snoeiplaats verwijderen van aangegroeid takhout bij als cultuurboom gekweekte knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen

  • 2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan omzagen, rooien, met inbegrip van verplanten, met uitzondering van het ter plaatse lichten of laten zakken van bomen binnen een straal van één meter, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

  • 3. In afwijking van artikel 1:1 wordt in deze afdeling en de daarop berustende bepalingen onder bebouwde kom verstaan het grondgebied van de gemeente, met uitzondering van de gebieden met CBS-aanduiding 06-Botlek, 07-Europoort, 08-Maasvlakte en Maasvlakte 2.

  • 4. De bebouwde kom, bedoeld in het derde lid, wordt tevens aangewezen als bebouwde kom voor de toepassing van de Wet natuurbescherming.

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

  • a.

    een boom te vellen of te doen vellen indien de stamomtrek, of bij meerstammigheid de omtrek van de dikste stam, minimaal 50 centimeter is op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld;

  • b.

    een overige houtopstand te vellen of te doen vellen.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      bomen waarvan een natuurlijk persoon de zakelijk gerechtigde is;

    • b.

      bomen die behoren tot het populieren- of wilgengeslacht, als wegbeplantingen en éénrijige wegbeplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot;

    • c.

      fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

    • d.

      fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    • e.

      kweekgoed;

    • f.

      houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten de bebouwde kom tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:

1° geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, of

2° bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.

  • 3.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt evenmin voor:

    • a.

      houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het college of het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:11g en 4:11j;

    • b.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • c.

      het dunnen van een bosplantsoen;

    • d.

      het direct vellen van een houtopstand indien hiervoor door de burgemeester mondeling toestemming is gegeven vanwege acuut gevaar voor veiligheid van personen en zaken. De mondelinge toestemming wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan de aanvrager alsmede belanghebbenden toegezonden.

  • 4.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt evenmin voor knotten, indien:

    • a.

      eerder een vergunning als bedoeld in het eerste lid voor het knotten of kandelaberen is verleend;

    • b.

      het een periodieke handeling betreft die voortvloeit uit of samenhangt met de eerder verleende vergunning; en

    • c.

      de handeling wordt uitgevoerd met het doel de boom in een bestaande, specifieke cultuurvorm te handhaven.

Artikel 4:11a Aanvraag omgevingsvergunning

De vergunning wordt aangevraagd door degene, die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken, of diens gevolmachtigde.

Artikel 4:11b Weigering/verlening vergunning
  • 1. Het bevoegd gezag verleent de vergunning, indien deze wordt gevraagd teneinde te voldoen:

    • a.

      aan de verplichting ingevolge het bepaalde in Boek 5, artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek;

    • b.

      aan de wettelijke zorgplicht van de aanvrager;

    • c.

      aan de op grond van de artikelen 37 en 38 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) vastgestelde en voor Nederland geldende eisen.

  • 2. Het bevoegd gezag betrekt bij zijn besluit de toepasselijke gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan bij zijn besluit tevens de overeenkomstig artikel 4:11i vastgestelde waarde van de betrokken boom of bomen betrekken.

  • 4. Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorwaarden verlenen in het belang van:

    • a.

      natuur- en milieuwaarden;

    • b.

      landschappelijke waarden;

    • c.

      cultuurhistorische waarden;

    • d.

      waarden van stads- en dorpsschoon;

    • e.

      waarden voor recreatie en leefbaarheid.

  • 5. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van de in het vierde lid bedoelde belangen. De voorschriften kunnen inhouden dat binnen een daarbij aangegeven termijn en overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen vervangende beplanting moet worden aangebracht. Daarbij kan tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 6. Indien in een gemeentelijke bestemmings-, bomen-, groen- of landschapsplan is aangegeven dat de te vellen houtopstand als waardevol moet worden beschouwd, wordt aan de vergunning een voorschrift verbonden als bedoeld in het vijfde lid, tweede volzin.

  • 7. Indien de aanvraag voor een kapvergunning betrekking heeft op een gemeentelijke boom die voldoet aan de criteria genoemd in de bijlage van de vigerende Bomenstuctuurvisie (BSV), en daardoor als monumentale boom is geïdentificeerd, wordt behoudens het eerste lid alsmede, artikel 4:11, derde lid, onderdeel a, en de uitvoering van majeure publieke werken, de vergunning niet verleend.

Artikel 4:11c Afstand van de erfgrenslijn
  • 1. Het begrip “boom”, bedoeld in artikel 4:10, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op dit artikel.

  • 2. De afstand bedoeld in boek 5, artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek wordt, in afwijking van het eerste lid van dit artikel, vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.

Artikel 4:11d Openbaarmaking

Het college draagt zo spoedig mogelijk zorg voor publicatie van vergunningaanvragen en van door hem verleende vergunningen bedoeld in artikel 4:11, eerste lid, via www.rotterdam.nl, of in een lokaal dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.

Artikel 4:11e Intrekken vergunning

Het bevoegd gezag kan de kapvergunning intrekken indien blijkt dat daarvan binnen één jaar na afgifte geen gebruik is gemaakt. Artikel 4:11f Bijzondere vergunningsvoorwaarden

  • 1.

    Het bevoegd gezag kan aan een vergunning de voorwaarde verbinden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien uit een gemeentelijk bestemmings-, bomen-, groen- of landschapsplan blijkt dat de te vellen houtopstand als waardevol moet worden beschouwd, wordt altijd een herplantplicht opgelegd.

  • 2.

    Wordt een voorwaarde als bedoeld in het eerste lid aan de vergunning verbonden, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 3.

    Indien uitvoering van een herplantplicht niet mogelijk is of naar maatstaven van redelijkheid onvoldoende compensatie biedt voor het vellen van de houtopstand kan het college aan de ontheffing of vergunning het voorschrift verbinden, dat de houtopstand niet mag worden geveld alvorens een bedrag gelijk aan de herplantwaarde in het bomenfonds is gestort.

Artikel 4:11g Herplant- of instandhoudingsplicht
  • 1. Indien houtopstand waarvoor het in artikel 4:11 gestelde verbod geldt zonder omgevingsvergunning is geveld, of op andere wijze is tenietgegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen vervangende houtopstand op eigen terrein aan te brengen overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn.

  • 2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 3. Indien houtopstand waarvoor het in artikel 4:11 gestelde verbod geldt in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  • 4. Ook de rechtsopvolger van degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd is verplicht daaraan te voldoen.

  • 5. Een verplichting krachtens dit artikel kan voorschriften inhouden met betrekking tot bomen met een geringere stamomvang dan in artikel 4:10 is aangegeven.

Artikel 4:11h Schadevergoeding

Voor zover een zakelijk gerechtigde of degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is om over de houtopstand te beschikken, door de toepassing van artikel 4:11 of artikel 4:11g schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het college of het bevoegd gezag hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Artikel 4:11i Waarde- en schadebepaling aan bomen

  • 1.

    De bepaling van de waarde van bomen en de schade aan bomen vindt plaats volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging Taxateurs van Bomen.

  • 2.

    Het college kan regels stellen waarbij van deze richtlijnen wordt afgeweken.

Artikel 4:11j Bestrijding iepziekte
  • 1. Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college of het bevoegd gezag gevaar kunnen veroorzaken voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt, indien hij daartoe door het college of het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • a.

      indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

    • b.

      de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;

    • c.

      de niet-ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

  • 2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, met uitzondering van geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter.

  • 3. Het college of het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:11k Voorwerpen aan/in houtopstand

Het is verboden zonder vergunning van het college aan of in houtopstand voorwerpen aan te brengen.

Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege

[gereserveerd]

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlastArtikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, caravans, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.
  • 1.

    Het is verboden op een door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de volksgezondheid aangewezen plaats die is gelegen buiten een inrichting als aangewezen krachtens artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer in de openlucht en buiten de weg, een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      kampeermiddelen, vaartuigen, of andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebruikte voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    • d.

      mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, verzamelingen ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Verordening Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland of de Grondwaterbeschermingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen

[gereserveerd] Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  • 1.

    Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is, indien:

    • a.

      de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht;

    • b.

      de constructieve - of brandveiligheid in gevaar wordt gebracht;

    • c.

      hinder, overlast of gevaar voor de omgeving wordt veroorzaakt;

    • d.

      de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving in strijd is met redelijke eisen van welstand;

    • e.

      overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak ontstaat; of

    • f.

      de handelsreclame in strijd is met de openbare orde of de goede zeden.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor onverlichte:

    • a.

      opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;

    • b.

      opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid;

    • c.

      opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m² en waarvan de langste zijde korter dan 1 meter is, die betrekking hebben op een openbare verkoping of een aanbieding ten verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben en voor zover zij geplaatst zijn op, aan of bij de onroerende zaak;

    • d.

      opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd, zomede op naamborden, met dien verstande dat indien de onroerende zaak die gelegen is in: 1˚een door de raad aangewezen reclame-arme zone: de opschriften, aankondigingen of naamborden gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,50 m² en geen van alle een grotere afmeting in een richting hebben dan 1,00 meter en zijn aangebracht op of aan de onroerende zaak;

2˚ een door de raad aangewezen reclamezone: de opschriften, aankondigingen of naamborden tezamen niet groter dan 1,0 m² zijn en geen van alle een grotere afmeting in een richting hebben dan 2,00 meter en zijn aangebracht op of aan de onroerende zaak;

    • e.

      opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden op de bouwplaats, kleiner dan 6,0 m² en waarvan de langste zijde korter is dan 3,0 m, bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

    • f.

      opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.

  • 3.

    Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels geven omtrent:

    • a.

      de veiligheid van het verkeer, bedoeld in het eerste lid;

    • b.

      de constructieve - en brandveiligheid, bedoeld in het eerste lid;

    • c.

      hinder, overlast of gevaar voor de omgeving als bedoeld in het eerste lid;

    • d.

      redelijke eisen van welstand als bedoeld in het eerste lid; of

    • e.

      overlast voor gebruikers als bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Provinciale landschapsverordening.

  • 6.

    Het eerste lid, onder c en e, is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer.

  • 7.

    De in het eerste lid, onder b en d, gestelde verboden gelden niet voor bouwwerken.

  • 8.

    Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame

[gereserveerd] Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 BegripsbepalingIn deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:18 Nachtverblijf buiten kampeerterreinen1.Het is verboden ten behoeve van nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bescherming van natuur en landschap; of

    • b.

      de bescherming van een stadsgezicht.

  • 5.

    Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen
  • 1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing in door het college aangewezen plaatsen.

  • 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 1. Parkeerexcessen Artikel 5:1 BegripsbepalingenIn deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

  • b.

    parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990);

  • c.

    weg: weg in de zin van artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
  • 1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden binnen een door het college aangewezen gebied of periode:

    • a.

      drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen, of

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet langer dan een half uur vergen, gedurende die werkzaamheden;

    • b.

      voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
  • 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  • 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig:

  • a.

    waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, of

  • b.

    dat niet is voorzien van een voor het rijden met een zodanig voertuig wettelijk verplicht kenteken,

langer dan op zeven achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken
  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op

situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:6 Caravans, aanhangwagens e.d.
  • 1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, camper, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, te parkeren:

    • a.

      op door het college met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen wegen of weggedeelten, of

    • b.

      langer dan op drie achtereenvolgende dagen op door het college met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte aangewezen wegen of weggedeelten.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wegenverordening Zuid-Holland of de Verordening bescherming landschap en natuur Zuid-Holland.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen
  • 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen
  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren:

    • a.

      op een door het college met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen plaats;

    • b.

      op de weg bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op door het college met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte aangewezen wegen of weggedeelten.

  • 3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor een voertuig waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 5:21d.

  • 4. Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet gedurende het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

  • 5. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 8 uur tot 18 uur.

  • 6. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder a, en tweede lid gestelde verboden.

  • 7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

[vervallen]

Artikel 5:10 Overlastgevend parkeren van voertuigen
  • 1. Het is verboden een voertuig te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan geluidshinder of stankoverlast ondervinden.

  • 2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer.

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
  • 1. Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

  • 2. Het verbod geldt niet:

    • a.

      op de paden;

    • b.

      voor voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid;

    • c.

      voor voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:12 Overlastgevend stallen en hinderlijk parkeren van (brom)fietsen, fietswrakken
  • 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de volksgezondheid aangewezen wegen of weggedeelten fietsen of bromfietsen:

    • a.

      onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan, of

    • b.

      langer dan vier weken onbeheerd te laten staan.

  • 2. Het is verboden op of aan de weg fietsen of bromfietsen te parkeren:

    • a.

      op zodanige wijze voor of tegen een gebouw, dat daardoor voor een bewoner of gebruiker van dat gebouw de toegang of het uitzicht wordt belemmerd;

    • b.

      op zodanige wijze op een voetpad of trottoir, dat daardoor de doorgang wordt gehinderd of belemmerd;

    • c.

      op geleidelijnen die op de weg zijn aangebracht ten behoeve van visueel gehandicapten;

    • d.

      op zodanige wijze dat daardoor het in- en uitstappen bij tram, bus taxi of gehandicaptenplaats gehinderd of belemmerd wordt;

    • e.

      op zodanige wijze dat daardoor de functie van straatmeubilair gehinderd of belemmerd wordt;

    • f.

      tegen monumenten of gedenktekens; of

    • g.

      op een zodanige wijze dat daardoor de doorgang en opbouw op een markt wordt gehinderd of belemmerd.

  • 3. Het is verboden op of aan de weg een bromfiets of fiets te plaatsen of te hebben, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.

  • 4. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van ernstige overlast aangewezen wegen of weggedeelten fietsen of bromfietsen langer dan twee weken onbeheerd te laten staan.

Artikel 5:12a vergunning deelmobiliteit
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig voertuigen, met inbegrip van de uitgezonderde voertuigen, bedoeld in artikel 5:1 onderdeel a, voor gebruik door derden op de weg te plaatsen.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen categorieën voertuigen.

  • 3. De vergunning wordt aangevraagd onder gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier.

  • 4. Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a.

      het adres en telefoonnummer van de aanvrager;

    • b.

      het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • c.

      een exploitatieplan.

  • 5. Indien het college het nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  • 6. In afwijking van artikel 1:7 wordt de vergunning verleend voor de duur van vijf jaar, tenzij bij de vergunning anders is bepaald.

  • 7. Aanvragen voor een vergunning, als bedoeld in het eerste lid, worden behandeld op volgorde van binnenkomst. Het tijdstip van ontvangst van de leges is bepalend voor de rangschikking.

  • 8. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan het college de in het eerste lid bedoelde vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen, of schorsen, indien:

    • a.

      niet wordt voldaan aan de beleidsregels zoals opgenomen in het vergunningenbeleid;

    • b.

      het ter gebruik aanbieden van de voertuigen:

      • 1°.

        gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen of de verkeersveiligheid;

      • 2°.

        hinder veroorzaakt voor het woon- of leefklimaat;

      • 3°.

        een nadelige invloed heeft op het milieu;

      • 4°.

        onevenredig beslag legt op de openbare ruimte; of

      • 5°.

        afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.

    • c.

      in strijd is gehandeld met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.

  • 9. In afwijking van het eerste lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel reeds onder dit artikel vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten eerst drie maanden na inwerkingtreding van dit artikel of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

  • 10. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 2. CollecterenArtikel 5:13 Inzameling van geld of goederen
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

  • 2.

    Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 3.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

  • 4.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      instellingen die zijn vermeld op het landelijke collecte rooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving en die geld of goederen inzamelen in de aan hen door het Centraal Bureau Fondsenwerving toegewezen periode;

    • b.

      in de gemeente Rotterdam gevestigde verenigingen en stichtingen, die krachtens statuten en activiteiten een doel nastreven dat van algemeen belang is en die geld of goederen inzamelen buiten de periodes die door het Centraal Bureau Fondsenwerving zijn toegewezen aan gecertificeerde instellingen en zich hebben gemeld bij de gemeente.

  • 5.

    Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 3. VentenArtikel 5:14 Begripsbepaling
  • 1.

    In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  • 2.

    Onder venten wordt niet verstaan:

    • a.

      het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    • b.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22;

    • c.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15 Ventverbod
  • 1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  • 2. Het is verboden te venten op zondagen en maandag tot en met zaterdag tussen 21.00 uur en 09.00 uur.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op nader door het college aan te wijzen wegen, dagen of uren. Bij de aanwijzing van wegen, dagen of uren kan het college bepalen dat het verbod niet dan wel uitsluitend geldt voor het venten van producten of diensten die vallen in door hem aangewezen productcategorieën of categorieën van diensten.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting

1.Het verbod, bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, geldt niet voor:

  • a.

    het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet;

  • b.

    het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

  • c.

    het te koop aanbieden, afleveren of verkopen van goederen op een door het college ingestelde markt, op een evenement waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 2:25, of op een standplaats waarvoor een vergunning geldt krachtens artikel 5:18.

Afdeling 4. Standplaatsen Artikel 5:17 Begripsbepaling1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  • 2.

    Onder standplaats wordt niet verstaan:

  • a.

    een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

  • b.

    een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:25.

Artikel 5:18 Standplaatsen
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2. Een standplaatsvergunning wordt verleend voor de duur van vijf jaar.

  • 3. Een vergunning wordt alleen verleend aan natuurlijke personen.

  • 4. Per persoon wordt voor dezelfde periode niet meer dan één vergunning verleend.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Zuid-Holland, de Wet milieubeheer of de Woningwet.

  • 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:18a Weigerings- en intrekkingsgronden

Onverminderd artikel 1:8 kan het college een standplaatsvergunning weigeren of intrekken:

  • a.

    in het belang van de brandveiligheid;

  • b.

    in het belang van de verkeersvrijheid of verkeersveiligheid;

  • c.

    wegens strijd met een geldend bestemmingsplan;

  • d.

    in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente;

  • e.

    gelet op de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse;

  • f.

    gelet op de grootte of het uiterlijk van de verkoopinrichting;

  • g.

    wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende

[gereserveerd]

Artikel 5:20 [gereserveerd]

Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht

[gereserveerd] Artikel 5:21a Standplaatsvrije gebieden

  • 1.

    Het college kan standplaatsvrije gebieden aanwijzen waar geen standplaatsvergunning wordt verleend.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen voor het innemen van een standplaats op een oppervlakte van niet meer dan 2 m² in een krachtens het eerste lid aangewezen gebied met een mobiele verkoopinrichting met een inhoud van niet meer dan 2 m3 voor de verkoop van goederen.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen voor het innemen van een standplaats in een krachtens het eerste lid aangewezen gebied voor de verkoop van:

    • a.

      oliebollen van 1 november tot en met 31 januari;

    • b.

      kerstbomen van 6 december tot en met 24 december;

    • c.

      haring vanaf vlaggetjesdag tot 1 oktober;

    • d.

      ijs van 1 april tot en met 30 september;

    • e.

      verse sappen van 1 januari tot en met 31 december; of

    • f.

      strandstoelen van 1 april tot en met 30 september.

  • 4.

    Op de ontheffingen is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  • 5.

    Artikel 5:18, derde en vierde lid, en artikel 5:18a zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:21b Overgangsrecht standplaatsvrije gebieden
  • 1. Indien krachtens artikel 5:21a, eerste lid, een standplaatsvrij gebied wordt aangewezen, blijven de rechten van de houder van een eerder verleende standplaatsvergunning gedurende twee jaar na die aanwijzing onverlet, tenzij de vergunning op de gronden genoemd in artikel 5:18a eerder wordt geweigerd of is ingetrokken.

  • 2. In een krachtens artikel 5:21a, eerste lid, aangewezen standplaatsvrij gebied kunnen door het college locaties worden aangewezen waarbinnen voor de verkoop van goederen, aan de houder voor wie ten tijde van het nemen van een aanwijzingsbesluit een standplaatsvergunning gold, ontheffing kan worden verleend voor het innemen van een standplaats met een mobiele verkoopinrichting van niet meer dan 4 m², met dien verstande dat de inhoud niet meer dan 10 m³ mag bedragen.

  • 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:21c Inneming en ontruiming standplaats
  • 1. De vergunninghouder kan de standplaats uiterlijk een uur voor aanvang van de verkooptijd innemen en is verplicht de standplaats volledig te hebben ontruimd binnen een uur nadat de verkoop is beëindigd.

  • 2. Het college kan voor standplaatsen voor de verkoop van oliebollen, kerstbomen of haring ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 3. Indien de houder van een standplaatsvergunning een standplaats inneemt op een locatie waar tevens een B- of C-evenement, genoemd in het door het college op grond van artikel 2:24a vastgestelde evenementenoverzicht, plaatsvindt, is de houder van de standplaatsvergunning verplicht de mobiele verkoopinrichting op aangeven van het bevoegd gezag gedurende het evenement en gedurende de opbouw en afbraak van de bij het evenement behorende voorzieningen te verplaatsen naar een door het bevoegd gezag aangewezen locatie.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:21d Standplaatsen grote voertuigen
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college met een voertuig dat een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, standplaats op een openbare en in de open lucht gelegen plaats in te nemen, teneinde in of vanuit dat voertuig aan het publiek diensten te verlenen of te verstrekken, of van het publiek goederen in ontvangst te nemen.

  • 2.

    De artikelen 5:18a en 5:21a zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Een vergunning krachtens het eerste lid kan betrekking hebben op het innemen van een standplaats op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen gedurende een bepaalde periode.

  • 4.

    Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 5. Snuffelmarkten[Vervallen] Artikel 5:22 Begripsbepaling[Het begrip snuffelmarkt valt op grond van deze verordening onder het begrip evenement] Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt[vervallen]

Afdeling 6. Openbaar water
Artikel 5:23a Toepassingsbereik

Deze afdeling, met uitzondering van de artikelen 5:29 (reddingsmiddelen), 5:30 (Veiligheid op het water) en 5:30a (Zwemmen en baden elders dan in zee), is niet van toepassing in de haven als bedoeld in artikel 1.2, in samenhang met artikel 1.1 van de havenverordening Rotterdam 2020.

Artikel 5:24 Gebruik van openbaar water

Artikel 5:24 Gebruik van openbaar water
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in, of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor door het college aangewezen categorieën van voorwerpen.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

  • 4. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar kunnen veroorzaken voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement, de Vaarwegenverordening Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet, de Telecommunicatieverordening Rotterdam of de Havenbeheersverordening 2010.

  • 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen
  • 1. Het is verboden in door het college aan te wijzen gebieden of perioden:

    • a.

      met een vaartuig ligplaats in te nemen;

    • b.

      met een vaartuig langer dan drie achtereenvolgende dagen ligplaats te hebben of te houden op dezelfde plaats of binnen een nader door het college te bepalen afstand, hemelsbreed gemeten, daarvan;

    • c.

      met een vaartuig binnen drie dagen nadat het is verplaatst, opnieuw ligplaats in te nemen op dezelfde plaats of binnen een nader door het college te bepalen afstand, hemelsbreed gemeten, daarvan;

    • d.

      met een vaartuig langer dan twee achtereenvolgende uren aan een winkelsteiger ligplaats te hebben of te houden tussen 9 uur en 20 uur;

    • e.

      een vaartuig langer dan zes achtereenvolgende uren onbemand te laten;

    • f.

      een vaartuig te verbouwen of onderhoud aan de buitenzijde van een vaartuig te verrichten, anders dan geringe herstel- of onderhoudswerkzaamheden, die redelijkerwijs niet langer dan een half uur duren; of

    • g.

      in vaartuigen te overnachten.

  • 2. De verboden gelden niet voor vaartuigen die liggen:

    • a.

      in een haven;

    • b.

      op grond van de eigenaar van het vaartuig, of in het daartoe behorende water, mits het niet meer dan twee vaartuigen betreft en de afstand tot de oever niet meer bedraagt dan tien meter.

Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats

[gereserveerd] Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats[gereserveerd]

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers
  • 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  • 2. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement of de Vaarwegenverordening Zuid-Holland.

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 5:30 Veiligheid op het water

  • 1.

    Het is een ieder die zich in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Vaarwegenverordening Zuid-Holland.

Artikel 5:30a Zwemmen en baden elders dan in zee

Het is, elders dan in zee, verboden in openbaar water te zwemmen of te baden, behalve op de plaatsen en onder de voorwaarden door het college aangegeven.

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen
  • 1. Het is niet-rechthebbenden verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  • 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5:31a Vaarverbod
  • 1. Het is verboden zich met een vaartuig te bevinden in door het college aangewezen openbaar water.

  • 2. Het college kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 3. Op de vrijstelling of ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:31b Verzamelen van visvoer
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college vanuit een vaartuig in openbaar water wormen of insecten, wormachtige larven of insectenlarven dan wel ander natuurlijk visvoer te verzamelen.

  • 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 7. Strand en zee
Artikel 5:32 Motorvoertuigen, (brom)fietsen op strand en in duinterreinen
  • 1. Het is verboden zich met motorvoertuigen, bromfietsen of fietsen op voor het publiek toegankelijke delen van het strand of van de duinen te bevinden. Het verbod geldt voor wat betreft bromfietsen en fietsen niet voor de als zodanig aangegeven fietspaden.

  • 2. Het verbod geldt niet voor fietsen gedurende door het college aangegeven perioden of tijden.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:33 Rij- en trekdieren op het strand
  • 1. Het is verboden zich met rij- of trekdieren op het strand te bevinden gedurende de door het college daartoe aangegeven perioden of tijden.

  • 2. In bijzondere gevallen kan het college ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:33a Vaartuigen op en bij het strand en in de zee
  • 1. Het is verboden:

    • a.

      een vaartuig of een kitesurfuitrusting op het strand van Hoek van Holland of van het Noordzeestrand van de Maasvlakte 2 te brengen of te hebben;

    • b.

      zich met een vaartuig te bevinden in de zee voor Hoek van Holland tussen het strand en de denkbeeldige lijn welke wordt gevormd door de boeien HvH 1, HvH 3 en HvH 5;

    • c.

      zich met een vaartuig te bevinden in de zee voor het Noordzeestrand van de Maasvlakte 2 op een afstand van minder dan 150 meter vanaf de laagwaterlijn.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de door het college aangewezen vaartuigen, perioden, tijden of gebieden.

Artikel 5:33b Zwemmen en baden in zee

Het is verboden in zee te zwemmen of te baden aan het gedeelte van het strand, strekkende over een afstand van 100 meter in noordelijke richting vanaf het Noorderhoofd van de Nieuwe Waterweg. Artikel 5:33c Verbod zich te bevinden op de blokken van de blokkendamHet is verboden zich te bevinden op de blokken van de blokkendam, welke gelegen is:

  • a.

    tussen de Edisonbaai en het zandstrand van Maasvlakte 2;

  • b.

    in het verlengde van de Noorderpier.

Artikel 5:33d Gevaarlijke speelwerktuigen

Het is verboden op het strand, in zee of in de duinen speelwerktuigen zodanig te gebruiken, dat dit gevaar of hinder voor anderen oplevert of kan veroorzaken.

Artikel 5:33e Vrijstellingen

Artikel 5:33e VrijstellingenDe in deze afdeling gestelde verboden gelden niet met betrekking tot voertuigen, fietsen, dieren en vaartuigen, ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de verantwoordelijke minister aangewezen hulpverleningsdiensten, de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij en de Rotterdamse Vrijwillige Reddingsbrigade.

Artikel 5:33f Aanwijzen gebieden naaktrecreatie

Als geschikt voor naaktrecreatie worden aangewezen:

  • a.

    een strandgedeelte op Maasvlakte 2 met een lengte van circa 500 meter, welke loopt van het punt 90 meter ten zuiden van de meeste noordelijk strandopgang van het intensief recreatiestrand tot en met een punt 410 meter ten noorden van de meest noordelijke strandopgang;

  • b.

    een met borden aangegeven gedeelte van het strandgedeelte te Hoek van Holland, gelegen tussen het verlengde van het slag Stuifkenszand en de gemeentegrens met 's-Gravenzande, gerekend ongeveer 30 meter ten noorden vanaf het verlengde van het Stuifkenszand en ongeveer 50 meter ten zuiden vanaf de gemeentegrens met ’s-Gravenzande;

  • c.

    een met borden aangegeven gedeelte van het Strandbad aan de Kralingse Plas met een breedte van circa 100 meter en een diepte van circa 80 meter, gelegen aan de uiterste noordoostzijde van het Strandbad;

  • d.

    een met borden aangeduid terrein aan de noord(oost)oever van de Zevenhuizerplas, voor de periode dat deze locatie deel uit maakt van het grondgebied van de gemeente Rotterdam.

Afdeling 8. Verbod vuur te stoken
Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
  • 1.

    Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen als aangewezen krachtens artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor zover het betreft:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke,

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven,

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving kan veroorzaken.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 5.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt tevens voor de in het tweede lid, onder c, bedoelde handelingen gedurende door het college aangegeven perioden, tijden, of in door het college aangewezen gebieden.

  • 6.

    Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, onder 1° of 3°, van het Wetboek van Strafrecht of bij of krachtens Provinciale milieuverordening Zuid-Holland.

Afdeling 9. Verstrooiing van as Artikel 5:35 BegripsbepalingIn deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 5:36 Verboden plaatsen voor incidentele asverstrooiing

  • 1.

    Incidentele asverstrooiing is verboden:

    • a.

      op gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;

    • b.

      op verharde delen van de weg;

    • c.

      op kinderspeelplaatsen, ligweiden en openbare sport- en spelterreinen;

    • d.

      op of vanaf bruggen, sluiscomplexen, steigers en remmingwerken;

    • e.

      van 1 mei tot en met 30 september tussen 9 en 21 uur:

      • i.

        in openbaar water dat niet door de beroepsvaart wordt gebruikt;

      • ii.

        in zee op een afstand van minder dan 300 meter van de laagwaterlijn;

      • iii.

        op het strand.

  • 2.

    Het college kan regels stellen, inhoudende een verbod as te verstrooien gedurende een daarbij aangegeven termijn op daarbij aangegeven andere plaatsen dan bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus, op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de in het eerste lid, onder b tot en met e, gestelde verboden.

  • 4.

    Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:37 Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling

1.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak:

artikel 2:1 (samenscholing en ongeregeldheden);

artikel 2:1a (Straatintimidatie);

artikel 2:6 (beperking verspreiden van voorwerpen voor handelsreclamedoeleinden);

artikel 2:9 (straatartiest);

artikel 2:10 (plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg);

artikel 2:11 (omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg);

artikel 2:12 (maken en veranderen van een uitweg);

artikel 2:14 (winkelwagentjes);

artikel 2:15 (hinderlijke beplanting of voorwerp);

artikel 2:16 (openen straatkolken e.d.);

artikel 2:18 (rookverbod in bossen en natuurgebieden);

artikel 2:19 (gevaarlijk of hinderlijk voorwerp);

artikel 2:21 (voorzieningen voor verkeer en verlichting);

artikel 2:23 (veiligheid op het ijs);

artikel 2:23a (slaapverblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen);

artikel 2:25 (evenementenvergunning);

artikel 2:25a (0-evenementen);

artikel 2:26 (openbare orde en veiligheid);

artikel 2:28 (exploitatie openbare inrichting);

artikel 2:29 (openings- en sluitingstijden);

artikel 2:30 (sluiting van openbare inrichtingen);

artikel 2:30a (aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder);

artikel 2:30b (terrassen);

artikel 2:30c (beëindiging exploitatie);

artikel 2:30d (wijziging beheer);

artikel 2:31 (verboden gedragingen)

artikel 2:32 (handel in openbare inrichtingen);

artikel 2:34c (beperking voor horecabedrijven en slijtersbedrijven);

artikel 2:35 (sluiting voor het publiek openstaande gebouwen);

artikel 2:36 (Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat);

artikel 2:39a (vergunningplicht speelautomatenhal, aanvraag vergunning, intrekking vergunning)

artikel 2:40 (kansspelautomaten);

artikel 2:40a (gokken op de weg);

artikel 2:41 (betreden gesloten woning of voor publiektoegankelijk lokaal);

artikel 2:42 (plakken en kladden);

artikel 2:43 (vervoer plakgereedschap e.d.);

artikel 2:44 (vervoer inbrekerswerktuigen);

artikel 2:44a (vervoer geprepareerde voorwerpen);

artikel 2:45 (bescherming groenvoorzieningen);

artikel 2:46 (rijden over bermen e.d.);

artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op of aan de weg);

Artikel 2:47a (verbod gebieden en locaties)

artikel 2:48 (openlijk drankgebruik);

Artikel 2:48a (lachgasverbod);

artikel 2:49 (verboden gedrag bij of in gebouwen);

artikel 2:50 (hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten);

artikel 2:50a (messen en andere voorwerpen als wapen);

artikel 2:50b (verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties)

artikel 2:52 (overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterreinen e.d.);

artikel 2:53 (bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen);

artikel 2:57 (loslopende honden);

artikel 2:58 (opruimplicht hondenuitwerpselen);

artikel 2:59 (Gevaarlijke en hinderlijke honden);

artikel 2:60 (houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren);

artikel 2:65 (bedelarij);

artikel 2:72 (ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen);

artikel 2:73 (Verbod gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling)

artikel 2:74 (drugshandel op straat);

artikel 2:74a (openlijk drugsgebruik);

artikel 2:74b (weggooien van spuiten e.d.);

artikel 2:77a (gebruik lasers);

artikel 2:77b (wijkverboden);

artikel 2:77c (stadionomgevingsverbod);

artikel 2:80 (vergunning woningverhuur)

artikel 3:3 (vergunning);

artikel 3:8 (eisen met betrekking tot vergunning);

artikel 3:9a (sluiting van een seksinrichting);

artikel 3:12 (sluitingstijden seksinrichtingen;aanwezigheid; toegang);

artikel 3:13 (adverteren);

artikel 3:14 (leeftijd en verblijfstitel prostituees);

artikel 3:15 (bedrijfsplan);

artikel 3:16 (verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf);

artikel 3:17 (verbod raam- en straatprostitutie);

artikel 4:4a (geluidsplafond);

artikel 4:6 (geluidhinder algemeen);

artikel 4:7 (straatvegen);

artikel 4:8 (natuurlijke behoefte doen);

artikel 4:9 (toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen);

artikel 4:9a (gevelreiniging en –bewerking)

Artikel 4:9b (verbod oplaten ballonnen)

artikel 4:11g (herplant-/instandhoudingsplicht);

artikel 4:11j (bestrijding iepziekte);

artikel 4:11k (voorwerpen aan/in houtopstand);

artikel 4:13 (opslag voertuigen, vaartuigen, caravans, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.);

artikel 4:15 (handelsreclame op onroerende zaken);

artikel 4:18 (nachtverblijf buiten kampeerterreinen);

artikel 5:2 (parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.);

artikel 5:3 (te koop aanbieden van voertuigen);

artikel 5:4 (defecte voertuigen);

artikel 5:5 (voertuigwrakken);

artikel 5:6 (caravans, aanhangwagens e.d.);

artikel 5:7 (parkeren van reclamevoertuigen);

artikel 5:8 (parkeren van grote voertuigen);

artikel 5:10 (overlastgevend parkeren van voertuigen);

artikel 5:11 (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen);

artikel 5:12 (overlastgevend stallen en hinderlijk parkeren van (brom)fietsen, fietswrakken;

Artikel 5:12a (Vergunning deelmobiliteit)

artikel 5:13 (inzameling van geld of goed);

artikel 5:15 (venten);

artikel 5:18 (standplaatsen);

artikel 5:21a (standplaatsvrije gebieden);

artikel 5:21c (inneming en ontruiming standplaatsen);

artikel 5:21d (standplaatsen grote voertuigen);

artikel 5:24 (gebruik van openbaar water);

artikel 5:25 (ligplaats vaartuigen);

artikel 5:28 (beschadigen van waterstaatswerken en oevers);

artikel 5:29 (reddingsmiddelen);

artikel 5:30 (gevaar of hinder door baden of zwemmen);

artikel 5:30a (zwemmen en baden elders dan in zee);

artikel 5:31 (overlast aan vaartuigen);

artikel 5:31a (vaarverbod);

artikel 5:31b (verzamelen van visvoer);

artikel 5:32 (motorvoertuigen, (brom)fietsen op strand en in duinterreinen);

artikel 5:33 (rij- en trekdieren op het strand);

artikel 5:33a (vaartuigen op en bij het strand en in de zee);

artikel 5:33b (zwemmen en baden in zee);

artikel 5:33c (verbod zich te bevinden op de blokken van de blokkendam);

artikel 5:33d (gevaarlijke speelwerktuigen).

artikel 5:34 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken);

artikel 5:36 (verboden plaatsen voor incidentele asverstrooiing);

artikel 5:37 (Hinder of overlast);

artikel 6:2, tweede lid (bevelsbevoegdheid).

2.Overtreding van het bepaalde in de artikelen 2:67 en 2:68 wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht.

3.In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, tweede lid, 2:11, tweede lid onder a, 2:12, eerste lid, en 4:11, eerste lid.

Artikel 6:2 Toezicht en opsporing

1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens

deze verordening zijn belast:

    • a.

      de door het college of de burgemeester aangewezen ambtenaren van het cluster stadsbeheer;

    • b.

      andere door het college of de burgemeester aangewezen ambtenaren;

    • c.

      ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a en onderdeel c, van de Politiewet 2012;

    • d.

      ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee ten aanzien van de directe omgeving van Rotterdam The Hague Airport.

  • 2.

    Ambtenaren genoemd in het eerste lid, onder c en d, zijn bevoegd bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening en bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk worden geacht voor de handhaving van de openbare orde.

Artikel 6:3 Binnentreden van woningen

De ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 7:1 Intrekking APV Rotterdam 2008

De Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2008 wordt ingetrokken.

Artikel 7:2 Overgangsbepalingen regelingen

Door het bevoegde bestuursorgaan ter uitvoering van de APV Rotterdam 2008 vastgestelde regelingen berusten na het in werking treden van deze verordening op de overeenkomstige bepalingen daarvan zoals opgenomen in de bij deze verordening horende en daarvan deel uitmakende transponeringstabel.

Artikel 7:3 Overgangsbepaling vergunningen en ontheffingen
  • 1. Op een aanvraag om een vergunning of ontheffing krachtens de APV Rotterdam 2008, die is gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, wordt, totdat de beslissing daarop onherroepelijk is geworden, beslist overeenkomstig het ten tijde van de indiening van de aanvraag geldende recht.

  • 2. Op een bezwaarschrift of beroep tegen een besluit, krachtens de APV Rotterdam 2008 genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, wordt, totdat de beslissing daarop onherroepelijk is geworden, beslist overeenkomstig het ten tijde van het nemen van dat besluit geldende recht.

Artikel 7:4 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013, met uitzondering van artikelen 2:71 tot en met 2:73,die in werking treden op de eerste dag na de dagtekening van het gemeenteblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 7:5 Citeertitels

Deze verordening wordt aangehaald als: a. Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012; b. APV Rotterdam 2012.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 oktober 2012.

De griffier, De voorzitter,

J.G.A. Paans L.C. Bruijn, plv.

Dit gemeenteblad is uitgegeven op 19 oktober 2012 en ligt op werkdagen van 8.30 tot 16.00 uur ter inzage bij het Kenniscentrum Bestuursdienst Rotterdam (KBR), locatie Stadswinkel Centrum, Coolsingel 40 (zijde Doelwater, tegenover hoofdbureau politie)

(Zie ook: www.bds.rotterdam.nl – Gemeentebladen)

Toelichting

Algemeen

In het Programma Economie en Arbeidsmarkt heeft het college als doelstelling opgenomen dat eind 2014 voor ondernemers in Rotterdam een reductie van de administratieve lasten met 15% zal zijn gerealiseerd. Een dergelijke lastenreductie kan onder andere plaatsvinden door vergunningen te schrappen of te vervangen door minder belastende regels. De APV Rotterdam 2008 kende, zelfs na de forse dereguleringslag die in 2008 is gemaakt, nog een flink aantal vergunningen en ontheffingen en is dus als het gaat om realisering van de target van 15%, een interessante optie. Omdat er sedert vier jaar op tal van terreinen wijzigingen zijn opgetreden, is er voor gekozen de APV in zijn geheel opnieuw vast te stellen. Daarbij is het landelijke model van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) als uitgangspunt genomen, dit om op een aantal punten daadwerkelijk tot verdere deregulering te komen, maar ook om tot een APV te komen die zo veel mogelijk gelijkenis vertoont met de verordeningen die in omliggende gemeenten gelden. Dit geldt niet alleen voor de inhoud maar ook voor de nummering en de structuur van de verordening. Immers, voor regionaal opererende ondernemers, alsook voor politie en andere handhavers, biedt dit veel voordelen.

Overigens bleek het niet mogelijk of wenselijk het model onverkort te hanteren: een aantal artikelen blijft geënt op de APV Rotterdam 2008. Enerzijds vanwege de noodzaak maatwerk te kunnen bieden, omdat Rotterdam zo zijn eigen grotestadsproblematiek kent. Inherent hieraan is dat Rotterdam een op eigen leest geschoeid horeca- en evenementenbeleid heeft, een uitgekristalliseerde systematiek met betrekking tot het omgaan met het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg, eigen artikelen die zien op het voorkomen van drugsoverlast en in de APV opgenomen regelgeving met betrekking tot speelautomatenhallen (de VNG kent een apart model voor een speelautomatenhallenverordening).

Tevens is hoofdstuk 3 van de onderhavige APV, dat ziet op seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. ongewijzigd ten opzichte van die in de APV Rotterdam 2008. Hoofdstuk 3 zal nader worden aangepast in het kader van de inwerkingtreding van de nieuwe Prostitutiewet.

De Rotterdamse APV kent voorts met betrekking tot het bewaren van houtopstanden een eigen systematiek van gemeentelijke en particuliere bomen in plaats van een bomenlijst. Voor de Rotterdamse systematiek geldt dat deze, net als de bomenlijst, is uitgewerkt met het oog op de vermindering van de administratieve lasten.

Verder heeft de gemeente Rotterdam een uitgebreidere regelgeving met het oog op het tegengaan van overlast door fietsen (parkexcessen) en een historisch gegroeide eigen aanpak met betrekking tot venten en standplaatsen.

Anderzijds zijn artikelen uit de APV Rotterdam 2008 gehandhaafd, omdat Rotterdam in voorkomende gevallen heeft gekozen voor minder belastende regels dan in het model. Dit geldt voor artikel 2:3 (mondelinge kennisgeving van betogingen op openbare plaatsen in plaats van een schriftelijke kennisgeving), artikel 2:6 (in het kader van de beperking van het verspreiden van voorwerpen voor handelsreclamedoeleinden kent de Rotterdamse bepaling naast de mogelijkheid van ontheffing ook de mogelijkheid van een vrijstelling), artikel 2:9 (straatartiest: de Rotterdamse bepaling kent naast de mogelijkheid van ontheffing ook de mogelijkheid van een vrijstelling) en artikel 5:2 (Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.: het Rotterdamse artikel beperkt zich tot door het college aangewezen gebieden of perioden en is daardoor minder belastend).

Een tweede aanleiding om tot wijziging van de APV over te gaan, is gelegen in de vaststelling van de Horecanota 2012– 016, op 3 juli 2012. Deze Horecanota vergt introductie van een aantal voorzieningen in de APV, zoals de tijdelijke exploitatievergunning voor leegstaande panden. Tevens komt een aantal artikelen te vervallen, waaronder de mogelijkheid tot het aanvragen van een ontheffing van de reguliere geluidsregels bij incidentele festiviteiten, het zgn “geluidje” (oud artikel 4.1.3)

Tot slot is een aantal artikelen aangepast vanwege voortschrijdend inzicht, wijziging van de feitelijk te reguleren situatie, aanpassing aan gewijzigde landelijke regelgeving en zijn op een enkele plaats fouten hersteld. In het kader van wijziging van landelijke regelgeving kan worden gewezen op de herintroductie van de lokale vuurwerkvergunning, nodig vanwege het dusdanig dereguleren van de landelijke vergunning dat er in Rotterdam slechts één vergunningplichtig verkooppunt zou overblijven. De lokale vuurwerkvergunning koppelt een toelatingsregime aan een op langere termijn effect hebbende spreidingsbeleid, met als doel het woon- en leefklimaat in woonwijken te verbeteren door (een concentratie van) vuurwerkverkooppunten aldaar tegen te gaan.

Uitgangspunt van de APV Rotterdam 2012 is dat Rotterdam zijn voortrekkersrol als gemeente die werk maakt van de aanpak van regeldruk wederom waarmaakt. Om dit te bewerkstelligen, is optimaal gebruik gemaakt van alle dereguleringssignalen die beschikbaar zijn, zoals landelijk bekende best practices, voorstellen van de Kamer van Koophandel en bevindingen van de Commissie vertrouwensbenadering over het differentiëren in de benadering van goede en slechte nalevers, zowel bij vergunningverlening als in de sfeer van toezicht en handhaving.

De verordening bevat op een aantal punten minder belastende regels. Dit betreft onder andere:

  • -

    invoering van een meldingsplicht bij het wijziging van het beheer van horeca-inrichtingen, coffeeshops, sexinrichtingen.en speelautomatenhallen in plaats van wijziging van de vergunning;

  • -

    afschaffen van de vergunningplicht voor lokale inzamelaars van geld en goederen. In plaats daarvan wordt gewerkt met de digitale collectekalender;

  • -

    Het hanteren van het uitgangspunt dat elke vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd;

  • -

    de indieningstermijn voor de toestemming om een activiteit te mogen verrichten is verruimd;

  • -

    vergunningvrije evenementen kunnen plaatsvinden op trottoirs en pleinen;

  • -

    een simpele variant van de horeca-exploitatievergunning is geïntroduceerd bij vestiging in leegstaande panden voor maximaal 6 maanden.

Op het moment van inwerkingtreding is nog niet exact aan te geven wat de kwantitatieve effecten in termen van 15% reductie zijn, omdat hiervoor de meting conform het standaard kostenmodel noodzakelijk is. Deze zal aan het eind van deze collegeperiode in 2014 worden uitgevoerd. Zeker is dat dan zal blijken dat bovengenoemde wijzigingen zullen bijdragen aan de gewenste reductie.

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de definities kan het volgende worden opgemerkt.

Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.

Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).

Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.

Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6).

Weg Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt.

In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”:

  • a.

    de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna);

  • b.

    de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen.

Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Openbaar water Een 'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.

Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom.

Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.

Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de bouwverordening: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.

Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.

Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d.

Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid

geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.

Bevoegd gezag Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of veranderen van een weg (artikel 2:11) en het vellen van houtopstanden (artikel 4:11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. Zie verder de toelichting bij artikel 2:10.

De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:10, 2:11 en 4:11 van deze verordening.

Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering. Artikel 1:2 Beslistermijn

Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In artikel 1:2 is de beslistermijn vastgesteld op vier weken (eerste lid). Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen vier weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. Op grond van het derde lid kan de beslistermijn worden verlengd met een duur van vier weken. Ook deze termijn hebben we op vier weken gesteld (tweede lid).

Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Artikel ; 4:14 schort de termijn niet op, het is alleen een 'beleefdheidsvoorschrift' om te laten weten dat de termijn niet gehaald wordt. Het is dus geen besluit.

In afwijking van het eerste lid is de beslistermijn acht weken bij de aanvrager op grond van een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:28 en 2:39a of 5:18. Deze termijn is eenmaal – met berichtgeving aan de aanvrager – met acht weken te verlengen.

Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De termijnen van artikel 1:2 voldoen daaraan. Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting.

Wabo Het vierde lid is opgenomen, omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn voor een Wabo vergunning 8 weken en vervolgens niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd. De wegaanlegvergunning (art. 2:11) en de kapvergunning (art. 4:11) vallen onder de Wabo, en ook onder bepaalde omstandigheden het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (art. 2:10). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. Het vijfde lid is toegevoegd omdat voor de in het vierde lid van artikel 1.2 genoemde vergunningen de Wabo van toepassing is en daarin de term “het bevoegd gezag” gehanteerd wordt. Hiermee wordt de terminologie in overeenstemming gebracht met de Wabo.

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. De voorschriften mogen uitsluitend strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.

Dienstenrichtlijn Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningvoorwaarden is voldaan.

In de algemene strafbepaling die in deze APV is opgenomen (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat. Een kennisgeving is juridisch gezien van een andere orde dan een vergunning of ontheffing (want niet op rechtsgevolg gericht). Ook voor een kennisgeving die in het kader van vergunning- of ontheffingverlening aan een vergunning- of ontheffinghouder wordt verstrekt, geldt echter dat deze persoonsgebonden is.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel kunnen de bevoegdheid tot wijziging en intrekking beperken. Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).

Artikel 1:7 Termijnen

Artikel 1:7, eerste lid, bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Met betrekking tot bovengenoemd punt b.: Uit de Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige “herverdeling” van de schaarse vergunningen worden georganiseerd.

Met betrekking tot bovengenoemd punt c: Als een vergunning voor bepaalde tijd wordt verleend, moet worden beargumenteerd waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.

Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de toelichting onder artikel 1:8.

Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis.

Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.

Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2927) blijkt dat voor onbepaalde tijd verleende vergunningen zich niet altijd verdragen met het formele gelijkheidsbeginsel. Bij schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers het gevolg zijn dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Met het tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat gelding voor onbepaalde tijd en schaarse vergunningen zich niet met elkaar verdragen.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

Vergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vergunningstelsels kenden tot 2007 vervolgens een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de APV is ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het desbetreffende artikel genoemd.

Vestiging of tijdelijke overschrijding In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse dienstverrichter. De richtlijn staat toe dat er onderscheid wordt gemaakt tussen deze drie categorieën. Het zou in theorie kunnen dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan aan een buitenlandse ’tijdelijke grensoverschrijder’, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid niet wenselijk. Het is op dezelfde gronden evenmin gewenst een onderscheid aan te brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke grensoverschrijders, vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners). Anders zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen onderdanen. Alleen in het geval van prostitutie is daarop een uitzondering gemaakt. Zie daarvoor de toelichting bij hoofdstuk 3. Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk, maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën aanvragers dezelfde. Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt. Daarom is in de APV geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden. Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden beantwoord:

Overlast Vanouds is de APV een openbare orde en overlastverordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.

Verkeersveiligheid De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.

Veiligheid van personen en gezondheid Deze gronden waarop grond voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid) kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.

Zedelijkheid Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41.

Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) aan het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’ hebben. Voorzieningenniveau bij standplaatsen In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hoewel het concurrentiebelang maakt dat een appellant als belanghebbende kan worden aangemerkt en dit belang vrijwel altijd een rol speelt bij de beslissing om een zaak aan te spannen, is het reguleren van concurrentie geen belang van de overheid. Bijvoorbeeld: ABRvS 26-03-2014, ECLI:NL:RVS:2014:1101, m.n. rechtsoverweging 7.4. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18a). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing.

Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000 In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening kan worden overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Artikel 8.3, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000) bepaalt dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vw 2000 geen aanspraak kan maken op de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van o.m. gemeenten, voor zover die betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten.

Het tweede lid regelt de weigering van een vergunning of ontheffing.

In sommige gevallen is er sprake van regelmatig terugkerende vergunningen- of ontheffingsaanvragen, denk aan jaarlijkse evenementen zoals kermissen of collectes of aan verlengingen van reeds bestaande vergunningen. Het tweede lid biedt de mogelijkheid om de vergunning of ontheffing te weigeren indien het college op grond van een eerder (ten dele) niet naleven van voorschriften en beperkingen mag vermoeden dat ook nu de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zullen worden nagekomen.

Het is van belang dat voldoende gegevens van de aanvrager worden opgevraagd om zo te kunnen beoordelen of de gestelde voorschriften en beperkingen nu wel door de aanvrager voldoende kunnen worden nageleefd. Bijvoorbeeld als bij een evenement veel vuil is achtergebleven, zullen er voldoende waarborgen moeten zijn dat het evenementen terrein schoon wordt achtergelaten.

In de praktijk komt het voor dat een aanvraag dusdanig laat wordt ingediend dat een volledige, goede en tijdige beoordeling niet mogelijk is vóór het beoogde tijdstip van de activiteit. Voorheen konden deze aanvragen op grond van artikel 1:3 buiten behandeling worden gesteld. Juridisch is een weigering echter beter. Om die reden komt artikel 1:3 te vervallen en wordt conform het model van de VNG in artikel 1:8 een mogelijkheid tot weigering opgenomen

Artikel 1:9 Lex Silencio Positivo

[vervallen]

Artikel 1:10 Experimenteerartikel

In het Rotterdamse Coalitieakkoord 2014–2018 en het collegewerkprogramma is onder andere de wens opgenomen om samen met het maatschappelijk middenveld, de kennisinstellingen, de Rotterdamse ondernemers en met de Rotterdammers te experimenteren en te vernieuwen. Daarnaast worden tijdelijke initiatieven en experimenten bepleit, waarbij bezoekers en bewoners centraal staan. Om daadwerkelijk uitwerking te geven aan deze voornemens, is het nodig in de lokale regelgeving daarvoor ruimte te bieden.

Het experimenteerartikel 1:10 biedt het college of de burgemeester de mogelijkheid om proefondervindelijk bij wijze van experiment vast te stellen of verruiming van bepaalde regels uit de APV in algemene zin wenselijk of mogelijk is. Met het oog daarop kan bij wijze van experiment tijdelijk in afwijking van een of meer bepalingen in de APV meer ruimte worden geboden aan burgers en ondernemers.

Uit juridisch wetenschappelijk onderzoek blijkt dat geëxperimenteerd kan worden, indien het experiment met waarborgen omkleed is, tijdelijk en beperkt qua gebied. Hierbij is relevant dat de rechten van burgers niet beperkter mogen zijn dan de huidige bepalingen aangeven en dus slechts in positieve zin van de bepalingen uit de verordening mag worden afgeweken. Met andere woorden de burger mag bij wijze van een experiment op grond van dit artikel tijdelijk iets wel of hoeft tijdelijk iets niet.

De systematiek van artikel 1:10 voorziet erin dat het college of de burgemeester de bevoegdheid heeft om bij wijze van experiment tijdelijk (maximaal 1 jaar) en naar plaats beperkt van een aantal bepalingen in de APV af te wijken. De raad wordt uiterlijk vier weken voorafgaand aan het starten van het experiment geïnformeerd. Deze figuur is ontleend aan de voorhangprocedure bij de Tweede Kamer. Een experiment heeft ten doel om in de praktijk te testen of een wijziging van de regels in structurele zin wenselijk is en zal om die reden altijd gemonitord en geëvalueerd worden. Van te voren zal worden vastgesteld welke aspecten bij de monitoring en evaluatie meegenomen worden. Bij de voorbereiding en uitvoering van een experiment zullen de relevante partijen betrokken worden.

Het besluit tot het houden van een experiment vermeldt doel, tijdsduur, van welke regels wordt afgeweken en voor welk gebied het experiment geldt. In het besluit tot het houden van een experiment wordt voorts beschreven onder welke voorwaarden het college of de burgemeester ruimte bieden aan het experiment. Een voorbeeld kan dit verhelderen.

Waar een experiment betrekking heeft op een aanvraag van een vergunning voor het uitoefenen van een activiteit, kan deze vergunningplicht bij wijze van experiment vervangen worden door een algemene regel. Ook is het mogelijk dat er nog steeds een vergunning noodzakelijk is, maar dat de daaraan verbonden voorschriften minder belastend zijn dan de reguliere voorschriften. Voorts kan het zo zijn dat een bepaalde verplichting niet geldt, indien de burger of de ondernemer zich aan bepaalde nader te formuleren voorwaarden houden. Op naleving van de voorwaarden van het experiment wordt uiteraard toegezien. Er zijn immers nog steeds verplichtingen waaraan moet worden voldaan.

Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van deze verordening, kan besloten worden het experiment in afwachting van wijziging van de APV te verlengen met maximaal een jaar. Dit voorkomt dat deelnemers aan een experiment tijdelijk terugvallen op het strengere, te wijzigen regime.

In lijn met het coalitieakkoord is dit artikel vooral bedoeld om experimenten te faciliteren die naar verwachting een positieve uitwerking hebben op het vestigingsklimaat en de levendigheid en aantrekkelijkheid van de stad. Gezien de onderwerpen die de APV reguleert, biedt juist de APV perspectieven in dit opzicht. Voorbeelden van mogelijke experimenten zouden kunnen zijn: meer ruimte voor venters en standplaatshouders (o.a. foodtrucks), minder strenge reclameregels, pop-up locaties beter faciliteren of meer ruimte voor burgers om kleine 0-evenementen te organiseren. Overigens kan niet van alle bepalingen uit de APV worden afgeweken. Experimenten die zich richten op demonstraties, wijkverboden, seksinrichtingen, cameratoezicht, kap van bomen, vuurwerk, drugsoverlast zijn absoluut niet aan de orde. Strafbepalingen, definitiebepalingen en overgangsbepalingen zijn eveneens van de experimenteermogelijkheid uitgezonderd. Kortom, daar waar openbare orde, veiligheid en bescherming van het woon- of leefklimaat in het geding zijn, kan niet worden geëxperimenteerd.

Hoofdstuk 2. Openbare orde

Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden

In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

In het eerste lid van artikel 2:1 zijn gedragingen aangegeven die door hun dreigende karakter aanleiding kunnen zijn voor verstoring van de openbare orde.

Onder "samenscholing" verstaat Van Dale: "het groepsgewijze bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben". Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 Wetboek van Strafrecht (Sr.): “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”

Er zijn situaties denkbaar waarbij een samenscholing zonder meer overlastgevend is. In een dergelijke situatie hoeft de overlast die voortvloeit uit de samenscholing niet als zodanig te worden aangetoond. Hiervan is sprake, indien de verzameling van personen verband houdt met drugsgebruik, dan wel -handel. De politie zal in het concrete geval moeten beoordelen of hier sprake van is en men toekomt aan artikel 2:1. Een en ander op basis van ervaring en de concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties, het ruziën tussen aanbieders en afnemers etc.

Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.

In het tweede lid van artikel 2:1 is het verwijderingsbevel - gegeven door een politieambtenaar - opgenomen. Dit conform de jurisprudentie welke heeft bepaald dat een bevel ter handhaving van de openbare orde op grond van artikel 3 Politiewet 2012 in de gemeentelijke regelgeving moet zijn verankerd. Het gaat dus niet om nieuwe politiebevoegdheden. De vervolging van het niet opvolgen van een krachtens een APV-bepaling gegeven politiebevel vindt plaats op grond van artikel 6:1 APV Rotterdam 2012. Dit conform het standpunt van het college van Procureurs Generaal (oktober 2012) naar aanleiding van een advies van het wetenschappelijk bureau van het Openbaar Ministerie. Zij stelt dat vervolging louter op grond van artikel 6:1 mogelijk is.

Artikel 2:1a Straatintimidatie

Met dit artikel wordt beoogd verschillende vormen van straatintimidatie te verbieden. Het artikel strekt tot bescherming van de openbare orde en het voorkomen van overlast en heeft zowel betrekking op gedragingen van een individu, als van een groep. Het artikel vormt een aanvulling op hetgeen hieromtrent in het Wetboek van Strafrecht al strafbaar is gesteld (bijvoorbeeld belediging, art. 266 Sr). Het motief van deze strafrechtelijke regels is vooral gelegen in de bescherming van iemands eer en goede naam en de persoonlijke integriteit. Het motief van deze APV-bepaling is primair gelegen in het wegnemen van de effecten op de openbare orde als gevolg van intimiderend gedrag op straat. Straatintimidatie leidt tot hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid met als gevolg een verstoring van de normale gang van zaken van het gemeenschapsleven. De strafbaarstelling draagt eraan bij dat de openbare ruimte zoveel mogelijk gevrijwaard blijft van straatintimidatie.

Uit onderzoek is gebleken dat steeds meer groepen, waaronder vrouwen, in toenemende mate met uiteenlopende vormen van straatintimidatie worden geconfronteerd. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om uitschelden of uitjouwen, intimiderende of aanstootgevende gebaren, geluiden en gedragingen of onnodig opdringen.

Deze vormen van straatintimidatie zijn met name hinderlijk, bedreigend of emotioneel belastend voor de slachtoffers zelf, maar brengen eveneens gevoelens van onveiligheid voor omstanders met zich mee. Het gevolg van dit soort gedragingen in de openbare ruimte kan zijn dat bepaalde plekken worden gemeden. Daarmee hebben deze gedragingen dus een effect op de bewegingsvrijheid van personen. Ook kan het ertoe leiden dat mensen hun gedrag aanpassen door bijvoorbeeld hun kledingstijl te wijzigen. Behalve dat deze gedragingen een effect hebben op de bewegingsvrijheid, veroorzaken ze daarmee ook hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid en verstoren ze de rust in het openbare leven.

Straatintimidatie is niet enkel gericht op vrouwen. Ook groepen of andere personen kunnen last ondervinden van straatintimidatie. Een ieder moet vrij en veilig gebruik kunnen maken van de openbare ruimte. Daarom is gekozen voor een formulering waarmee straatintimidatie gericht op een ieder en niet alleen op vrouwen is strafbaar gesteld. Met deze bepaling wordt het tegelijkertijd mogelijk om op te treden tegen het uitjouwen of lastigvallen van opsporingsambtenaren, andere gezagsdragers of personen met een publieke taak. Uit onderzoek onder opsporingsambtenaren is namelijk gebleken dat deze groep bij de uitoefening van hun taak in toenemende mate wordt uitgejouwd of anderszins lastig gevallen. Ook deze gedragingen hebben een negatief effect op de openbare orde. Gezagdragers hebben immers als taak de openbare orde te handhaven. Indien zij worden gehinderd in dit werk, heeft dit automatisch een negatief effect op de openbare orde.

Bij overtreding van het Wetboek van Strafrecht kan uitsluitend diegene tot wie het gedrag zich primair richt, aangifte doen. Om uiteenlopende redenen doen deze slachtoffers dat lang niet altijd. De bepalingen in het Wetboek van Strafrecht bieden dus geen sluitend systeem om de negatieve effecten van deze gedragingen tegen te gaan. Door een bepaling in de APV op te nemen is het mogelijk om op te treden tegen dit soort ongewenst gedrag, ook al heeft het slachtoffer daarvan geen aangifte gedaan.

Afdeling 2. Betoging Artikelen 2:3 en 2:3a Deze artikelen vormen een uitwerking van enkele artikelen uit de WOM. Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten voor zover die op "openbare plaatsen" gehouden worden. Kortom, bijeenkomsten waarbij het uiten van meningen, gedachten of gevoelens als bedoeld in de Grondwet centraal staat.

Collectieve uitingen De WOM heeft betrekking op "collectieve uitingen". Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 van de Grondwet maken het mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de wetgever achtte daartoe geen behoefte aanwezig. Overigens genieten deze individuele uitingen wel de bescherming van artikel 7 van de Grondwet. Van een collectieve uiting kan volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen deelnemen (TK 1986-1987, 19427, nr. 5, p. 8).

Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8 WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.

Betoging Het begrip betoging behoeft enige nadere toelichting. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan van een "betoging" worden gesproken als: - een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en - de groep er op uit is een mening uit te dragen.

De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij een betoging gaat om het uitdragen van gemeenschappelijke beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied (TK 1987, 19 427, nr. 3, p. 8).Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting, openheid en groepsverband. Slechts een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 van de Grondwet heeft de regering erop gewezen, dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip "betoging" meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin van artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen.

De burgemeester blijft bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet. Bij betogingen waarbij ernstige vrees voorverstoring van de openbare orde bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve bevelen, zoals bedoeld in artikel 175, of de noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 van de Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval dus zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. Daarnaast kan de burgemeester naar aanleiding van de kennisgeving op grond van artikel 5 van de WOM voorschriften of beperkingen stellen.

Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2:6 Beperking verspreiden van voorwerpen voor handelsreclamedoeleinden

Gekozen is voor een opzet, waarbij de verspreiding is toegestaan behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het verbod raakt het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet. De vrijheid tot verspreiding van ideële reclame en van gedachten en gevoelens worden daarin beschermd. Het verbod in de aangewezen gebieden beperkt zich dan ook tot het maken van handelsreclame. De formulering van het verbod is evenwel zodanig opgesteld dat ook verspreiding “met het kennelijke doel” van het maken van handelsreclame is beperkt. Dit maakt het mogelijk om ook commerciële reclame-uitingen in combinatie met niet commerciële uitingen te beperken, indien het primaire doel is het maken van handelsreclame. In bepaalde gebieden of tijdens bepaalde gebeurtenissen (evenementen, optochten, demonstraties) is het wenselijk vanuit het oogpunt van overlasten milieu preventief op te treden met een tijdelijk verbod. Een absoluut verbod is daarom onwenselijk. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er 'geen gebruik van enige betekenis' overblijft. Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de Gemeentewet. Aanwijzing van de hele stad is niet mogelijk en niet wenselijk. Ook in gebieden waar het verbod geldt, kan het wenselijk zijn om het verspreiden beperkt toe te staan.

Het tweede lid biedt de mogelijkheid om het verbod voor die wegen te beperken tot nader aan te geven dagen en uren. Dit betekent ook dat bepaalde gebeurtenissen of evenementen aangewezen kunnen worden.

In het derde lid is een opruimplicht opgenomen. In het vierde lid is een algemene vrijstelling opgenomen van het verbod tot het verspreiden van huis aan huis verspreiding of bezorging. Dit artikel laat onverlet dat in het belang van de bescherming van het milieu (afvalpreventie) in de Afvalstoffenverordening bepalingen kunnen worden opgenomen ten aanzien van het huis-aan-huis verspreiden van ongeadresseerd reclamedrukwerk.

Het vijfde lid regelt dat de burgemeester vrijstelling kan verlenen van het verbod voor bepaalde categorieën en ontheffing kan verlenen in individuele gevallen. Artikel 7 Grondwet luidt als volgt: 1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. 2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending. 3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden. 4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2:9 Straatartiest

De activiteiten van de straatartiest (het betreft een breed begrip, ook bijvoorbeeld een exploitant van een draaiorgel valt hieronder), straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. De betekenis van het begrip 'openbaren van gedachten of gevoelens' moet blijkens jurisprudentie en blijkens de toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365,AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud)een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding.

Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:6 is dit uitgewerkt in een verbod met een ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt. In artikel 2:9 is dezelfde redactie gevolgd. Op grond van het derde lid kan de burgemeester vrijstelling of ontheffing van het verbod verlenen.

De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet.

De regeling in de Awb biedt ook de mogelijkheid de Lex Silencio Positivo actief van toepassing te verklaren. In dit artikel wordt dit gedaan voor straatartiesten. Doorgaans wordt het optreden als straatartiest niet als een hinderlijke activiteit ervaren. Er is derhalve een dwingende reden van algemeen belang aanwezig die deze activiteiten in de weg kunnen zitten. Paragraaf 4.1.3.3. wordt van toepassing verklaard.

Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2:10 Plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg

Artikel 2:10 geeft de burgemeester of het college de mogelijkheid greep te houden op situaties welke hinder of gevaar op kunnen leveren dan wel ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing van dit artikel moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen op de openbare weg van zuilen, containers, terrasmeubilair, billboards, reclame-uitingen, e.d., maar ook aan materialen, machines en afzettingen ten behoeve van bouw-, verbouw-, onderhouds-, reinigings- en herstelwerkzaamheden op de weg of op, aan of in gebouwen.

Wabo Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie,als bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik bestaat uit de opslag van roerende zaken.

Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is, valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsvergunning. Daarom is een nieuw tweedelid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de definitie in artikel 1:1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent.

Daarnaast blijft het eerste lid gehandhaafd, waarin staat dat het bevoegde bestuursorgaan (i.c. het college of de burgemeester) vergunning kan verlenen voor gebruik van de weg dat niet valt onder de Wabo, namelijk wanneer het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn bijvoorbeeld bloembakken, straatmeubilair, terrassen en dergelijke.

Het is niet ondenkbaar dat bij een en hetzelfde project – bijvoorbeeld een grootscheepse restauratie van monumentale panden – zowel de vergunning van het bevoegd bestuursorgaan (eerste lid) als de omgevingsvergunning (tweede lid) nodig is, waarbij dan de situatie kan ontstaan dat er twee bevoegde gezagen zijn. Met het oog op die gevallen kan overwogen worden om met toepassing van artikel 2.2, tweede lid van de Wabo alle activiteiten waarbij voorwerpen op of aan de weg worden geplaatst, onder de Wabo te brengen. Dat heeft als nadeel dat de zwaardere procedure van de Wabo in alle gevallen gevolgd moet worden. Wij verwachten dat deze situatie maar heel zelden zal voorkomen en hebben 2.2, tweede lid van de Wabo in de APV dan ook niet toegepast.

Het derde lid regelt dat het verbod niet geldt voor de volgende categorieën van gevallen.

Onder a: evenementen

Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van artikel 2.2.2, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel 2:10. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de voorschriften bij een vergunning voor een evenementkan immers ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd.

Onder b: terrassen horecabedrijf

Het in artikel 2:10 bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor terrassen behorend bij een inrichting, waarvoor door de burgemeester vergunning is verleend op grond van artikel 2:28. Zo’n terras maakt blijkens de definitie in artikel 2:27 deel uit van die inrichting. Daarom is hier een afbakeningsbepaling opgenomen. Voor de duidelijkheid: het gaat hierom een terras dat behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw.

In het geval een terras niet behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw of een in artikel 2:27 bedoelde inrichting en het terras is gelegen op de weg of een weggedeelte kunnen alleen de in artikel 2:10 bedoelde eisen worden gesteld en is het college het bevoegd gezag.

Onder c: standplaatsen

Hier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen waarop afdeling 5.4 van toepassing is.

Onder d: winkeluitstallingen

Met deze bepaling krijgen ondernemers enerzijds de gelegenheid geboden om uitstallingen en reclame-uitingen bij hun bedrijf te plaatsen, maar worden tegelijkertijd kaders aangegeven om een wildgroei van winkeluitstallingen te voorkomen en terug te dringen. Deze wildgroei is niet alleen uiterst publiekonvriendelijk is, maar doet ook afbreuk aan de gewenste kwaliteitsverbetering van de buitenruimte en het openbare gebied. Motieven achter dit artikellid zijn:

  • -

    het waarborgen van de verkeersvrijheid in de meest ruime zin van het woord; met name het voetgangersverkeer moet onbelemmerd kunnen plaatsvinden, alsook de doorgang van de verzorgende diensten (politie, brandweer en GGD);

  • -

    handhaving van de openbare orde;

  • -

    beperken of voorkomen van overlast.

In dit artikellid is vastgelegd dat reclameborden en andere reclameobjecten bij winkels eveneens onder het begrip 'winkeluitstalling' worden begrepen. Een winkeluitstalling kan dus bestaan uit goederen en één reclame-uiting.

Onder f: andere categorieën van gevallen. Op grond van dit onderdeel kan het college of de burgemeester categorieën van gevallen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid van artikel 2:10 niet geldt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het uitsteken van vlaggen, zonneschermen, gevelterrassen, voorwerpen of stoffen die kortstondig op de weg worden geplaatst in verband met laden of lossen of het verrichten van kleinschalige onderhoudswerkzaamheden op de weg. Verder kan gedacht worden aan bepaalde categorieën van activiteiten, zoals evenementen. Ook het plaatsen van verhuiscontainers en kleine containers ten behoeve van sloopafval gedurende een korte periode van maximaal 5 dagen valt onder deze vrijstelling, mits deze plaatsing het veilig en doelmatig gebruik van de weg niet belemmert en niet in strijd is met de Wegenverkeerswet.

De exacte categorieën staan in het Aanwijzingsbesluit dat terug te vinden is op www.bds.rotterdam.nl .

Vierde lid

Met het vierde lid heeft het college de mogelijkheid om in te spelen op afwijkende situaties waarbij een andere situering van de uitstallingszone wenselijk is (bijvoorbeeld in het midden van een straat in een winkelcentrum in plaats van langs de gevels) of grotere formaten of aantallen toe te staan.

Vijfde lid

Het verbod van artikel 2:10 is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningsstelsel voor zulke uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Hierbij kan gedacht worden aan voorwerpen die tijdens demonstraties worden gebruikt. Van belang is dat er dan daadwerkelijk gedemonstreerd wordt.

Het is op grond van artikel 2:1 wel verboden om uitingen te doen als daardoor het verkeer wordt gehinderd of in gevaar gebracht.

Zesde lid

Het vijfde lid regelt dat wanneer het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak handelt, zij geen vergunning op grond van artikel 2:10 nodig heeft. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.

Zevende lid

Regelt de afbakening met landelijke verkeerswetgeving.

Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken). De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 1:2. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen. In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1:8 van deze verordening. Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd om op de aanvraag te beslissen. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.

Eerste lid Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

Tweede lid Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.

Derde lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.

Vierde lid Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) Telecommunicatieverordening.

Vijfde lid Lex Silencio Positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) In de WABO is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Voor de duidelijkheid is dat hier nogmaals opgemerkt. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van de APV niet de vrijheid om te bepalen dat er geen Lex Silencio Positivo van toepassing is.

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

Uit de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State is duidelijk geworden dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop dient te gedogen. Artikel 14 van de Wegenwet wordt althans door de Afdeling rechtspraak op deze manier uitgelegd. Ten einde de bruikbaarheid van de weg te waarborgen is het echter, om redenen van orde en veiligheid, toegestaan een vergunning te eisen en daaraan voorschriften te verbinden.

Naast de weigeringsgronden gevaar voor de bruikbaarheid van de weg of het doelmatig en veilig gebruik van de weg, kunnen ook de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente en de natuurwaarden een reden zijn om de vergunning te weigeren. Bij de afweging in het kader van de vergunningverlening speelt het belang van het recht op het hebben van een uitweg een rol. Veelal zal de oplossing kunnen worden gezocht in het verbinden van voorschriften aan de vergunning. Als voorschrift aan de vergunning kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd worden. Aan een uitwegvergunning kan desgewenst ook een financiële voorwaarde worden verbonden.

Wabo

In de Wabo staat dat er een uitwegvergunning kan worden verleend, door dit op te nemen in de APV. De vergunning voor het maken van of anders gebruiken van een uitweg betreft dus een omgevingsvergunning. In de meeste gevallen is het college bevoegd gezag, maar in bijzondere gevallen kan het college van gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn deze vergunning af te geven en in zeer specifieke gevallen de minister. De in de Wabo genoemde beslis- en verdagingstermijnen zijn van toepassing op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Indien een verklaring van geen bedenkingen moet worden afgegeven wordt de beslissing niet eerder genomen dan nadat een verklaring van geen bedenkingen is afgegeven.

Afdeling 6. Veiligheid op de weg

Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204 m.nt. W.F. Prins).

Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg.

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

Het gebruik van winkelwagens op de openbare weg is toegestaan, maar de wagens moeten terstond na gebruik van de openbare weg worden verwijderd. Dit is zowel een verplichting voor de ondernemer, de eigenaar van de winkelwagentjes, als voor de consument. De verplichting voor de consument is opgenomen in het tweede lid. Deze bepaling beoogt op deze manier het rondzwerven van winkelwagens te verkleinen door de winkelbedrijven én de gebruiker te verplichten de gebruikte en achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen, dan wel terug te brengen.

Volgens artikel 2:14, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening kan het college gebieden aanwijzen waar het aan het winkelend publiek verboden is om een winkelwagen mee te nemen verder dan 100 meter vanaf de winkel of het winkelcentrum. De klant moet de winkelwagen na gebruik weer inleveren bij de winkel of bij een winkelwagenpunt. Klanten die het winkelwagentje in de aangewezen gebieden buiten een straal van 100 meter rond de winkel of het winkelcentrum meenemen, riskeren een boete.

Indien het desbetreffende winkelbedrijf vergunningplichtig is krachtens de Wet milieubeheer, kunnen voorschriften met betrekking tot winkelwagens worden verbonden aan de milieuvergunning.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp

Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.

Dit artikel ziet er op toe dat te allen tijde gebruik van de openbare nutsvoorzieningen kan worden gemaakt, zodat er bij calamiteiten snel opgetreden kan worden. Tevens kan met deze bepaling vandalistisch gedrag worden bestreden. Het verbod geldt – vanzelfsprekend – niet voor degene die handelingen verricht aan de nutsvoorzieningen in opdracht van de beheerder.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

De in artikel 2:18 opgenomen verboden hebben tot doel bosbranden e.d. te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod om te roken kan evenwel niet zover strekken, dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in of nabij een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is. Dat zou teveel ingrijpen in de particuliere sfeer van de burgers. Het college kan een periode aanwijzen gedurende welke het rookverbod van kracht is. Desgewenst kan het college op ad-hoc basis (bijvoorbeeld bij grote droogte) een periode aanwijzen.

In het derde lid van artikel 2:18 wordt verwezen naar een onderdeel van artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht, luidende: "Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan." Deze bepaling verbiedt het roken niet, mits dat maar met de nodige omzichtigheid en voorzorg geschiedt. Aangezien een dergelijke regeling niet of nauwelijks handhaafbaar is, is gekozen voor een stringent rookverbod als aanvulling op artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht. Hetzelfde geldt min of meer voor het tweede lid van artikel 2:18. Het enkele wegwerpen van bijvoorbeeld een brandende peuk is ingevolge dit tweede lid reeds strafbaar. Het is daarbij niet van belang of zulks al dan niet "met de nodige omzichtigheid en voorzorg" geschiedde. Was de nodige omzichtigheid en voorzorg i.c. niet aanwezig, dan is niet de APV, maar het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

Elektrische schrikdraadinstallaties worden niet meer uitsluitend in de agrarische sector gebruikt; ook particulieren blijken er toe over te gaan ter bescherming van hun (volks)tuin, volière en dergelijke tegen dieven schrikdraadinstallaties aan te leggen. Aan de deugdelijkheid daarvan zijn in het kader van deze verordening geen eisen gesteld. Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

De in het derde lid van artikel 2:21 genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifiek belang -waterstaatswerken, verkeersinstallaties, trafohuisjes en dergelijke – zich verzet tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.

In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van het desbetreffende onroerend goed al dan niet tijdelijk beperkt wordt.

Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van artikel 2:21 geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

Het bepaalde in artikel 2:23 geldt voor alle in de gemeente aanwezige voor het publiek toegankelijke ijsvlakten. Het is daarbij niet relevant onder wiens beheer (provincie, waterschap, gemeente) de desbetreffende ijsvlakte valt. Artikel 2:23a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelenHet slapen op de openbare weg wordt als hinder beschouwd en draagt bij aan de verloedering van de stad. De onderhavige bepaling is echter niet alleen bedoeld om het slapen op de openbare weg tegen te gaan, maar ook het zogenaamde "wildkamperen". Onder meer in Hoek van Holland heeft men vooral in de zomermaanden te kampen met de nodige overlast van toeristen die langs de weg in auto's, caravans, kampeerauto's e.d. overnachten. Aldus ontstaan al snel "informele campings". Ook het gebrek aan sanitaire voorzieningen draagt bij aan de verloedering ter plekke. Bij de handhaving van dit artikel staat voorop dat de eisen van proportionaliteit in acht worden genomen. Zo valt onder andere het slapen op de openbare weg door kinderen in een kinderwagen niet onder de reikwijdte van dit artikel.

Op grond van artikel 4:19 is het college bevoegd plaatsen aan te wijzen waar het is toegestaan buiten een kampeerterrein als bedoeld in artikel 4:18 te kamperen. De aangewezen plaats kan (mede) een weg betreffen. Overnachten op een aangewezen plaats zou in dat geval echter in strijd zijn met het bepaalde in dit artikel. Het tweede lid bepaalt daarom dat het verbod om te overnachten op een weg niet geldt op plaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen.

Afdeling 7. Evenementen

Artikel 2:24 Begripsbepaling

Bij een evenement kan in de praktijk gedacht worden aan incidentele dan wel tijdelijke, voor het publiek toegankelijke verrichtingen van kunst, wedstrijden, muziek, feesten, kermissen, circussen e.d. De omschrijving omvat alle activiteiten van vermaak, ongeacht of het publiek zelf deelneemt, met uitzondering van de activiteiten genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met f. In onderdeel e zijn samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties uitgezonderd van het evenementenbegrip. De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen.

Ingevolge het eerste lid, onder d, is voor evenementen in openbare inrichtingen geen evenementenvergunning nodig, mits de inrichting is vergund op grond van artikel 2:28, en voor zover die evenementen tot de toegestane exploitatievorm behoren. Een en ander doet niets af aan de voorschriften ten aanzien van geluidsoverlast, zoals omschreven in het Activiteitenbesluit milieubeheer en in hoofdstuk 4, afdeling 1 van deze APV. Deze voorschriften blijven onverkort van toepassing.

Voor evenementen op het terras van een openbare inrichting zal veelal een evenementenvergunning nodig zijn, omdat de activiteiten meestal niet zullen vallen binnen de toegestane exploitatievorm. Het terras maakt onderdeel uit van de inrichting, waardoor er voor het terras in principe dezelfde geluidsnormen gelden als voor in de inrichting. Geluid veroorzaakt op het terras meer geluidsoverlast dan geluid dat binnen wordt geproduceerd. Om meer geluid te mogen produceren op het terras dient er naast een evenementenvergunning tevens een kennisgeving worden gedaan om ontheffing van de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer te krijgen. In de evenementenvergunning kunnen aanvullende geluidsvoorschriften worden gesteld. De vrijstelling van een vergunningplicht voor het houden van een sportwedstrijd binnen gebouwen kan op gespannen voet komen te staan met andere belangen zoals openbare orde en veiligheid. Zo wijst de praktijk uit dat er bij sommige sportevenementen zoals freefight- of kickboxsgala’s een verhoogde kans bestaat op ongewenste situaties. Het is daarbij niet relevant of een dergelijk evenement wordt georganiseerd in een gebouw dat voor sportwedstrijden is bestemd of niet. Het is niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven van dergelijke sportevenementen. Er blijken steeds nieuwe varianten te worden ontwikkeld. Het onderscheid dat in het tweede lid, onderdeel e wordt gemaakt, is gebaseerd op het criterium of een organisator van het evenement is aangesloten bij het NOC*NSF. Erkenning door de georganiseerde sportwereld duidt op een maatschappelijke aanvaarding van de betreffende activiteit als sport en vormt daarmee de garantie dat de sport regulering kent. Deze sportwedstrijden worden niet beschouwd als evenement, waardoor geen aparte evenementenvergunning is vereist.

Een huwelijksstoet is een evenement. Onder een huwelijksstoet wordt verstaan een stoet of karavaan van voertuigen op of aan de weg met het oog op de viering van een (voorgenomen) verbintenis tussen twee personen voor het leven met een duurzaam karakter.

De vergunning wordt aangevraagd door de organisator van het evenement. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als organisator in de zin van de APV - al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon.

Artikel 2:24a Evenementenoverzicht

Rotterdam is zeer in trek als evenementenstad. Rotterdam streeft naar een divers en aantrekkelijk evenementenaanbod voor zoveel mogelijk verschillende Rotterdammers. Evenementen passen goed bij het dynamische karakter van de stad en trekken mede daardoor een groot en gevarieerd publiek. De evenementen vertellen samen het verhaal van de stad en dragen zo bij aan het (inter)nationale imago van de stad.

Het aanbod aan B- en C- evenementen is de laatste jaren sterk gegroeid en is daardoor groter dan de stad jaarlijks kwijt kan. Niet alle B- en C- evenementen kunnen hierdoor meer plaatsvinden in Rotterdam. Om te komen tot een goede spreiding en selectie van deze evenementen, een aantrekkelijk en divers evenementenaanbod, het inzichtelijk maken van de hoeveelheid evenementen, de locaties, data en tijdstippen van de evenementen en om iedereen een kans te bieden op het organiseren van deze evenementen, stelt het college jaarlijks dit overzicht met B- en C-evenementen vast. Goede spreiding in ruimte en tijd en van de lusten en lasten zorgt ervoor dat de stad deze evenementen aankan en dat de evenementen optimale aandacht van media en publiek krijgen.

De gemeenteraad stelt in verband met de verdeling van deze schaarste kaders vast voor de beoordeling voor de B- en C evenementen. Dit zijn de criteria deugdelijkheid van het plan, praktische uitvoerbaarheid, publieksbereik, aansluiting bij de stad, kwaliteit en het locatieprofiel. Op basis van deze criteria bepaalt het college welke B- en C- evenementen op het evenementenoverzicht worden geplaatst.

Het college stelt beleidsregels vast over de procedure van vaststelling en de totstandkoming van het evenementenoverzicht. Voor B- en C- evenementen geldt dat een plek op het evenementenoverzicht een voorwaarde is voor het in behandeling nemen van de vergunningaanvraag (artikel 2:25 tweede lid). De plaatsing van een evenement op het evenementenoverzicht brengt op zichzelf geen rechtens afdwingbaar recht op een evenementenvergunning met zich. Die toets is aan de burgemeester voorbehouden.

Artikel 2:25 Evenementenvergunning

Het is gewenst een regeling op te nemen die toeziet op het reguleren van evenementen. De laatste decennia worden op grote schaal openbare vermakelijkheden georganiseerd. Op deze evenementen komen veel bezoekers af en deze evenementen hebben afwisselend een beperkte of (zeer) grote uitstraling op de openbare orde. Als zodanig kunnen zij onderwerp van gemeentelijke regelgeving zijn.

De handhaving van de openbare orde en de bescherming van het woon- en leefklimaat rond dergelijke evenementen vereist - zo heeft de praktijk geleerd - een intensieve overheidsbemoeienis. Gelet op de gebeurtenissen rond evenementen in Rotterdam in het jaar 2009, zoals het Bevrijdingsfestival, maar bovenal de gebeurtenissen tijdens een evenement op het strand van Hoek van Holland kan worden geconstateerd dat de openbare ordeverstoringen rond evenementen een toenemend probleem is. Dit is aanleiding om het evenementenvergunningenbeleid aan te passen en een indeling te maken op basis van het risicomodel.

Een evenement is een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak.

Dit betekent onder meer dat evenementen die op “eigen terrein” plaatsvinden maar wel voor het publiek toegankelijk zijn eveneens als evenement kunnen worden aangemerkt. Er wordt onderscheid gemaakt in vijf soorten evenementen, afhankelijk van het effect van het evenement op het gemeenschapsleven. Hierbij wordt doormiddel van een risicoanalysemodel een evenement ingeschaald in een 0-evenement of een A-, A+-, B- of C-evenement. Op basis van de risicoscan worden evenementen ingedeeld in deze verschillende risiconiveaus. Het analysemodel houdt rekening met het risico, de complexiteit en de impact op de omgeving van het evenement. De risicoscan is gebaseerd op verschillende indicatoren die zijn gerubriceerd in drie profielen, te weten:

  • het publieksprofiel (bijvoorbeeld aantal en type bezoekers),

  • het ruimteprofiel (bijvoorbeeld openbare/afgesloten ruimte, ingeschatte geluidsoverlast, parkeer- of verkeersoverlast), en

  • het activiteitenprofiel (bijvoorbeeld tijdstip, politieke gevoeligheid).

De risicoscan wordt ingevuld op basis van de aanvraag en de concrete plannen van de organisator, de ervaringsgegevens (van onder meer vergelijkbare evenementen) en specifieke informatie vanuit de diensten.

Op basis van de risicoscan kan sprake zijn van een A-evenement welke een beperkte impact heeft op de omgeving en het verkeer. A+-evenementen zijn evenementen die een laag risico hebben maar een grote impact op de directe omgeving en het verkeer. Deze evenementen vragen om een uitgebreidere behandeling van de vergunningaanvraag. De burgemeester kan een A+-evenement in behandeling nemen als het evenement conform de risicoscan een A-evenement is en hiernaast aan een of meerdere van de volgende voorwaarden voldoet:

  • -

    het betreft een dynamisch evenement waarbij wegafsluitingen noodzakelijk zijn

  • -

    het betreft een evenement met muziek als hoofdactiviteit

  • -

    het betreft een meerdaags evenement met versterkt geluid

  • -

    het betreft een locatie waarvan bij de gemeente bekend is dat hier door de omgeving veel overlast wordt ervaren.’

Een B-evenement heeft een gemiddeld risico met een grote impact op de directe omgeving en gevolgen voor het verkeer.

C-evenementen hebben een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen.

De term “organiseren” uit het eerste lid heeft niet alleen betrekking op het houden van een evenement, maar ziet tevens toe op de voorbereiding en de afbouw van het evenement. Eveneens wordt gekeken naar de effecten voor de omgeving, zoals parkeren en mobiliteit.

Voor een goede regulering van het evenementenbeleid is het medenoodzakelijk dat er een aantal (kwaliteit)eisen wordt gesteld aan de organisator van het evenement. Het derde lid ziet toe op het feit dat een organisator van een B- of C-evenement niet onder curatele mag staan en de organisator tenminste de leeftijd moet hebben van 18 jaar. Indien hieraan niet is voldaan wordt er in beginsel geen evenementenvergunning afgegeven.

Het zevende lid ziet toe op de mogelijkheden om een evenementenvergunning te weigeren dan wel in te trekken of te wijzigen. Indien de bescherming van de openbare orde, dan wel de bescherming van de bezoekers van het evenement (niet langer) gegarandeerd kan worden, kan een vergunning worden geweigerd of alsnog worden ingetrokken. Gebeurtenissen, zoals op Koninginnedag 2009 in Apeldoorn, maar ook de dreiging van terroristische aanslagen, zijn feitelijkheden met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven dat het niet wenselijk is dat activiteiten van grote omvang in de stad worden voortgezet.

De aan de vergunning te verbinden voorschriften gesteld in het achtste lid kunnen onder meer betrekking hebben op de plaats, het tijdstip en de "inrichting" van het evenement, het maximaal toe te laten aantal bezoekers, de aard en de omvang van de door de organisator zelf te nemen maatregelen ter waarborging van openbare orde en veiligheid, de verkeersveiligheid, de verplichting de bereikbaarheid van het evenement per openbaar vervoer in openbare aankondigingen aan te geven, het activiteitenprogramma, het veiligheidsplan, een inzetschema met betrekking tot het aantal verkeersregelaars en hekken- en bordenplan, het geluidsniveau van het programma tijdens het evenement, maar ook op de belangen van artikel 1:8 en 2:25, zevende lid.

Met de “inrichting” wordt bedoeld de indeling van het evenemententerreinen de opstelling van de diverse voorzieningen ten behoeve van het evenement, zoals toiletten, (drang)hekken, podia en tribunes, maar ook gegevens over de op- en afbouw van het terrein. In het negende lid is bepaald dat bij de indiening van de vergunningaanvraag de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd dienen te worden. Op grond van artikel 2.1, derde lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen hoeft dan geen afzonderlijke gebruiksmelding meer gedaan te worden. Dit is een gebruiksvriendelijkere procedure voor de aanvrager.

Belangrijk is dat de organisator primair verantwoordelijk is voor een ordelijk en veilig verloop van zijn evenement en dat onder meer het overlast gevend nuttigen van alcohol en/of het gebruik van drugs in het publieke domein niet is toegestaan. Primair ligt de handhavende verantwoordelijkheid voor dit onderwerp binnen het evenemententerrein bij de organisator.

Het artikel waarborgt ook dat kan worden bezien of, en zo ja, in hoeverre de wenselijk geachte inzet van politie, GHOR, brandweer en gemeentelijke diensten in de planning van de totaal beschikbare bezetting kan worden ingepast. Voor de politieformatie geldt de voor de "resterende" reguliere politietaken minimaal noodzakelijke sterkte als belangrijkste criterium. In het uiterste geval - indien en voor zover de organisatoren niet bereid of in staat zijn om zélf genoegzaam in het treffen van noodzakelijke orde- en veiligheidsmaatregelen te voorzien en er tevens onvoldoende politiecapaciteit beschikbaar is - opent het artikel de mogelijkheid het evenement geheel, dan wel op een bepaalde plaats of tijd te verbieden.

Kleinere evenementen zijn al vergunningvrij. Deze vergunning ziet derhalve op grotere evenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.

Artikel 2:25a 0-evenementen

Voor het organiseren van kleine evenementen zoals een pleinfeest in de open lucht geldt een kennisgevingstermijn vijf werkdagen. Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die zich in de open lucht afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden. Het vervangen van vergunningvoorschriften door algemene regels in combinatie met het doen van een melding geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid, maar tegelijkertijd ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte. Een 0-evenement kan niet inpandig zijn in verband met andere noodzakelijke meldingen en vergunningen die in dit geval nodig zijn (onder andere in het kader van het Bouwbesluit 2012) en de daarmee samenhangende beslis- dan wel behandeltermijnen.

Een evenement kan met een melding worden afgedaan, indien aan alle in het artikel genoemde vereisten (cumulatief) wordt voldaan. Een huwelijksstoet bestaande uit voertuigen is kennisgevingsplichtig. In Rotterdam komt het met enige regelmaat voor dat huwelijksstoeten door de stad trekken. Steeds vaker komt het voor dat een huwelijksstoet in georganiseerd verband plaatsvindt en voor langere tijd door de stad rijdt met het oog op de viering van een huwelijk. In een aantal gevallen is dit gepaard gegaan met (geluids)overlast en asociaal rijgedrag, en opstoppingen in de stad. Daarmee zorgen huwelijksstoeten voor een verkeersimpact op de stad. Ook is niet altijd op voorhand duidelijk waar en wanneer huwelijksstoeten door de stad trekken, zodat een samenloop kan ontstaan met wegwerkzaamheden, demonstraties of andere evenementen in de stad. Om die reden geldt er sinds 2020 een kennisgevingsplicht voor huwelijksstoeten. De huwelijksstoeten die zich melden dienen zich onverkort aan de verkeersregels te houden. Ook mogen er geen wegen worden afgezet of geblokkeerd. De melder moet in ieder geval de start- en eindlocatie, de route, het verwachte aantal auto’s en de datum en het tijdstip van de huwelijksstoet vermelden. De toestemming is verleend indien de organisator een ontvangstbevestiging van zijn melding kan tonen en na ontvangt van het formulier geen tegenbericht is verzonden. Met deze ontvangstbevestiging wordt aangetoond dat de melding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Zonder deze ontvangstbevestiging kan een 0-evenement geen doorgang vinden.

Voor de goede orde wordt aangegeven dat een kennisgeving niet nodig is bij een spontane barbecue of kinderfeest in een park bij een eerste mooie lentedag. Ook kunnen naar aanleiding van de melding voorschriften of beperkingen worden gesteld of kan een verbod worden gegeven indien de openbare orde en veiligheid of de bescherming van het woon- en leefklimaat dit vereist. Indien een evenement niet past binnen de definitie van een 0-evenement blijft dit evenement vergunningplichtig.

Het feit dat een 0-evenement wordt toegestaan betekent niet dat automatisch ook een ontheffing op grond van artikel 35 van de Drank- en horecawet is verleend. Indien de organisator dat wenst, dient hij die apart aan te vragen. Met specifieke termijnen voor verkrijging van een dergelijke ontheffing dient rekening te worden gehouden.

Artikel 2:25b Beslistermijn

Om te kunnen waarborgen dat belanghebbende op een besluit van de burgemeester om een vergunning te weigeren of te verlenen een rechtsmiddel heeft, zijn deze termijnen van vergunningverlening opgenomen.

Artikel 2:26 Openbare orde en veiligheid

Het artikel 2:26 is ontleend aan de inhoud van (nood)bevoegdheden van de burgemeester, die in het verleden bij sommige grotere evenementen zijn uitgevaardigd. De in deze leden strafbaar gestelde gedragingen komen vooral bij grotere evenementen voor, zowel op het evenemententerrein als daarbuiten. De raad is bevoegd dergelijke gedragingen strafbaar te stellen, aangezien hij daardoor geen inbreuk maakt op wettelijke regelingen (de burgemeester is tot het maken van een dergelijke inbreuk wél bevoegd op grond van de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet). Het voordeel van een regeling door de raad is, dat de burgemeester in voorkomende gevallen minder frequent gebruik hoeft te maken van de noodmaatregelen als bedoeld in de voornoemde artikelen van de Gemeentewet.

Voor de toelichting bij het derde lid, onderdeel f, en het vierde lid, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:50a.

Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen

Algemene toelichting

Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. De exploitatievergunning wordt daarom door de burgemeester verleend.

Op openbare inrichtingen zijn naast de regels van de Drank- en Horecawet nog vele andere regels van toepassing. Onder andere de Wet milieubeheer, Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, Wet op de kansspelen, Opiumwet, Wet ruimtelijke ordening en Woningwet. Meer in het bijzonder geldt het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit besluit vervangt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.

De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op de horeca. Het drijven van een horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir, wel noodzakelijk en proportioneel is. Dat is hier het geval. Het belang van de openbare orde en veiligheid is een dwingende reden van algemeen belang en de gestelde eisen zijn ook evenredig (geschikt en noodzakelijk), zodat het vergunningstelsel en de voorwaarden ook gerechtvaardigd zijn. De openbare orde en veiligheid vormt eveneens de reden om van een lex silencio positivo af te zien. De wet BIBOB is van toepassing op het horecavergunningstelsel.

Artikel 2:27 Begripsbepalingen

Onder de begripsbepaling "openbare inrichting" vallen de inrichtingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Drank- en Horecawet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de daarbij horende terrassen en álle inrichtingen, waar anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaren kunnen worden verkregen of genuttigd. Ook afhaalcentra zijn openbare inrichtingen. Bij het aanbieden van amusement of ontspanning kan gedacht worden aan pool- en dart cafés, arcade- en kermishallen, maar ook aan het bieden van gelegenheid tot het roken met gebruik van een waterpijp.

Darkrooms, (homo)sauna’s en parenclubs waar gelegenheid wordt gegeven tot het verrichten van seksuele handelingen tussen bezoekers zonder dat daar een vergoeding tegenover staat, zijn openbare inrichtingen en vergunningplichtig. Hiertoe gelegenheid geven is een activiteit die bij de vergunning dient te worden aangevraagd. De activiteit dient binnen in de openbare inrichting plaats te vinden en niet zichtbaar te zijn vanaf de openbare weg. In de vergunning worden voorschriften opgenomen die zien op de hygiëne, adverteren en uitstraling van de inrichting. Voor wat betreft de hygiëne dienen de “Hygiënerichtlijnen voor Seksbedrijven” van het Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid (LCHV) te worden nageleefd. De actuele richtlijn is te raadplegen op de website van het LCHV.

Erotisch entertainment in een openbare inrichting is toegestaan, zolang het geen erotisch pornografische vertoning betreft of gepaard gaat met seksuele handelingen die voor een ander tegen betaling worden verricht. Vergunningen voor seksbedrijven, zoals seksbioscopen, videocabines, peepshows en prostitutiebedrijven zijn geregeld in Hoofdstuk 3 van de APV.

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting

In het eerste lid van dit artikel wordt het exploiteren van een inrichting zonder exploitatievergunning expliciet strafbaar gesteld. Uit artikel 1:5 van de APV vloeit voort dat de vergunning uitsluitend wordt verleend aan de exploitant. De exploitant is de vergunninghouder. De exploitatievergunning heeft een persoonsgebonden karakter en dat betekent dat de exploitatievergunning niet overdraagbaar is. In het concreet betekent dit dat bij een eventuele overname de rechtsopvolger van de vertrekkende exploitant niet vrij is om in afwachting van de uitkomst van zijn vergunningaanvraag de exploitatie voort te zetten. In de periode dat de vergunningaanvraag behandeld wordt, moet de inrichting gesloten zijn, tenzij uiteraard de vertrekkende exploitant de exploitatie pas beëindigt nadat op de nieuwe aanvraag is beslist of de nieuwe ondernemer over een voorlopige vergunning beschikt.

In het tweede lid wordt in afwijking van artikel 1:7 van de APV bepaald dat de vergunning voor de duur van vijf jaren wordt verleend. Een afwijking is hier proportioneel met het oog op de te beschermen belangen, namelijk de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefgenot rondom inrichtingen. De burgemeester kan echter ook de geldigheidsduur van de vergunning beperken. Zo maakt dit artikel het onder andere mogelijk om een voorlopige vergunning te verstrekken of een kortlopende vergunning voor panden of locaties.

Wanneer een horeca-inrichting wordt overgenomen kan het voor de ondernemer(s) aantrekkelijk zijn om de exploitatie zo spoedig mogelijk aan te vangen. Dit kan onder bepaalde voorwaarden met een voorlopige horecavergunning. Ook wanneer een bestaande exploitatievergunning niet op tijd is verlengd, zou een voorlopige horecavergunning uitkomst kunnen bieden. De voorlopige vergunning is een bijzondere vorm van de reguliere exploitatievergunning van artikel 2:28 waarop in principe dezelfde bepalingen uit de APV van toepassing zijn. De voorlopige vergunning kent in beginsel een afhandeltermijn van 5 werkdagen en is geldig totdat een beslissing is genomen op de aanvraag voor de reguliere exploitatievergunning. Een voorlopige horecavergunning wordt in ieder geval niet verleend:

- bij objectief vastgestelde overlastklachten van de huidige horeca-inrichting;

- als tegen de aanvrager of tegen de horeca-inrichting waarvoor hij een vergunning aanvraagt een bestuurlijke maatregel van kracht is dan wel een voornemen tot het nemen van een bestuurlijke maatregel bestaat;

- als over de bestaande exploitatie bestuurlijke procedures (waaronder bezwaar, beroep en/of een Bibob-onderzoek naar de bestaande exploitatie en/of aanvrager of zijn leidinggevenden) lopen, welke van invloed zijn op de besluitvorming;

- als de inrichting langer dan een jaar niet is geëxploiteerd;

- Indien sprake is van een aanvraag voor een coffeeshop, speelautomatenhal of seksbedrijf.

De afgelopen jaren heeft tijdelijke, seizoensgebonden en pop-up horeca in Rotterdam een grote vlucht genomen. Leegstaande panden, parkeergarages, verlaten loodsen en tijdelijke gebouwen in parken en/of bijzondere locaties in de stad lenen zich bij uitstek voor creatieve ondernemers die horeca en evenement in elkaar laten overvloeien. Een reguliere exploitatievergunning biedt in veel van deze gevallen onvoldoende mogelijkheid om snel en flexibel te kunnen verlenen. Om die reden kent Rotterdam ook een kortlopende vergunning. Deze exploitatievergunning wordt voor maximaal zes maanden voor een locatie of een pand verleend per jaar. Zo wordt voorkomen dat er via meerdere kortlopende vergunningen regulier wordt geëxploiteerd op een locatie of in een pand. Daarnaast past een periode van 6 maanden binnen de wettelijke kaders die onder andere gelden in het kader van de Wet Milieubeheer. Het is ook mogelijk dat de kortlopende exploitatievergunning wordt afgegeven voor een periode van minder dan 6 maanden. In het horecabeleid staat opgenomen wanneer en onder welke voorwaarden een kortlopende vergunning kan worden verleend.

De algemene weigerings- en intrekkingsgronden staan vermeld in de artikelen 1:6 en 1:8. Op grond van artikel 1:4 kunnen aan een vergunning voorschriften en beperkingen worden verbonden. In artikel 2:28 staan daarnaast de meer specifieke weigerings-, intrekkings- en schorsings- en wijzigingsgronden voor exploitatievergunningen. Dit kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of voor onbepaalde tijd. Een intrekking van de vergunning heeft in beginsel een permanent karakter en een schorsing in beginsel een tijdelijk karakter. In het vijfde lid staan de imperatieve (dwingende) weigerings- en intrekkingsgronden genoemd. Teneinde een betere afstemming te verkrijgen tussen planologische en openbare orde-eisen die aan de in deze paragraaf bedoelde inrichtingen worden gesteld, is in onderdeel a ‘strijd met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer’ opgenomen als imperatieve weigeringsgrond voor een exploitatievergunningsaanvraag. Aldus wordt voorkomen, dat de burgemeester gehouden is een exploitatievergunning te verlenen voor de exploitatie van een inrichting, die volgens het bestemmingsplan of een andere planologische regeling of de Wet milieubeheer verboden is. Deze koppeling van planologie en openbare orde is in overeenstemming met de geldende jurisprudentie terzake. Bij het oordeel of in casu hiervan sprake is, zal de burgemeester zich verlaten op het oordeel van het college (in de praktijk de portefeuillehouder ruimtelijke ordening).

In het vierde lid staan de eisen waaraan een exploitant of beheerder moeten voldoen, vermeld. Voor een goede regulering van het horecabeleid is het noodzakelijk dat er een aantal kwaliteitseisen aan de exploitant en de beheerders wordt gesteld. Zo mogen zij niet onder curatele staan en mag geen sprake zijn van ‘het in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn’. Indien niet aan deze eisen wordt voldaan, wordt de exploitatievergunning geweigerd dan wel ingetrokken (vijfde lid). Het niet voldoen aan de eis ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn’ vormt ook een reden om een lopende vergunning in te trekken. Naar analogie van de eisen zoals deze gesteld worden in de Drank- en Horecawet, vindt altijd een antecedententoets van de exploitant en beheerder plaats. Voor de reikwijdte van het begrip “niet in enig opzicht van slecht levensgedrag” moet aansluiting worden gevonden bij de terminologie van de Drank- en Horecawet. De toetsing aan deze eis is niet bij voorbaat aan regels gebonden. Derhalve is de burgemeester bij de beoordeling of er sprake is van slecht levensgedrag vrij in de wijze van beoordeling en zijn er geen beperkingen opgelegd aan de feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken bij dit oordeel (zie ook ABRvS 26 juni 2002, 200106008/1). Op basis van jurisprudentie is een onherroepelijke veroordeling niet noodzakelijk om in de terminologie van de APV te mogen spreken van in enig opzicht slecht levensgedrag (zie ook ABRvS 12 maart 2001, GS 151 (2001) 7141, 2).

Artikelen 16 en 20 van de Wet politiegegevens bieden de burgemeester bevoegdheid om bij het verstrekken van exploitatievergunningen over politiegegevens te beschikken en deze mee te wegen bij de te nemen beslissing. De burgemeester moet als verantwoordelijke voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid kunnen beschikken over alle relevante informatie over eventuele onveiligheid in voor publiek toegankelijke ruimten. Op basis van de Wet politiegegevens kan deze informatie ter kennisneming aan de burgemeester worden gegeven. Het initiatief van deze informatie-uitwisseling kan zowel bij de gemeente als bij de politie liggen. Op grond van de verstrekte politiegegevens kan een exploitatievergunning voor het exploiteren van een inrichting worden geweigerd dan wel worden ingetrokken of een inrichting worden gesloten.

De in het zesde lid van artikel 2:28 opgenomen weigerings-, intrekkings-, schorsings- en wijzigingsgronden spreken grotendeels voor zichzelf en komen tegemoet aan de eisen van de praktijk. Algemene achtergrond van deze bepalingen is de behoefte om de exploitanten of beheerders meer rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op hun doen en laten. Aan de exploitanten of beheerders worden strenge eisen gesteld voor wat betreft het exploiteren van een inrichting. Zo dienen zij te beschikken over het nodige "gezag" om baas in eigen inrichting te kunnen blijven. In die zin begrepen mag de klant geen koning zijn. Exploitanten of beheerders die terzake in gebreke blijven, lopen het ernstige risico, dat hun exploitatievergunning door de burgemeester wordt ingetrokken.

In het zesde lid van artikel 2:28 onder a, wordt in het kader van de openbare orde een ruimer omgevingsbegrip gehanteerd. De burgemeester heeft daardoor een lichtere bewijslast. Overigens leert de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de burgemeester op zich aannemelijk kan maken, dat aantasting van de woon- of leefsituatie in een gemeente wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van het totale aantal inrichtingen in zijn gemeente. Volgens de Afdeling ontslaat dat de burgemeester evenwel niet van de verplichting per inrichting aan te tonen of aannemelijk te maken, dat en in hoeverre door de aanwezigheid van die inrichting, dan wel door de manier van exploiteren ervan, de woon- of leefsituatie in de omgeving nadelig wordt beïnvloed. Een belangrijk hulpmiddel bij het motiveren van het gevoerde beleid kan een horecanota of een vergelijkbaar beleidsstuk zijn. Desgewenst kunnen hierin met opgave van redenen een maximumaantal te verlenen vergunningen worden vermeld alsmede horecaconcentratie- en horecastiltegebieden worden aangewezen (ontwikkelen, consolideren of verminderen).

Een nieuwe exploitatievergunning moet worden aangevraagd bij een wijziging van de exploitant (ook rechtsvorm) of bij wijziging/uitbreiding aan de inrichting. Dit betekent o.a. dat voor het bijschrijven van een exploitant en voor een wijziging in de ondernemersvorm een nieuwe exploitatievergunning vereist is. Een uitzondering hierop vormt het bijschrijven of wijziging van beheerders. Hiervan hoeft de exploitant alleen kennis te geven (artikel 2:30d). Bij een wijziging in activiteiten kan de vergunning worden gewijzigd (gewijzigde vergunning).

Indien de exploitant zijn verplichtingen uit hoofdstuk 2, afdeling 8 of uit de vergunning niet nakomt, kan dit reden zijn de exploitatievergunning te schorsen, wijzigen of in te trekken (sub g en h). Het zesde lid, sub j, is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning is vermeld.

Met betrekking tot het zesde lid, onderdeel f, geldt dat sinds 1 januari 2005 een aantal overtredingen uit de Wet arbeid vreemdelingen wordt aangemerkt als een beboetbaar feit in plaats van een strafbaar feit. Het is wenselijk om eveneens tegen deze beboetbare feiten te kunnen optreden, omdat een gezonde en goed functionerende horeca voorop staat. Hierbij is er geen plaats voor exploitanten die (herhaaldelijk) een wettelijk voorschrift overtreden.

De exploitatievergunning richt zich met name op bescherming van de openbare orde en vermindering van overlast voor de directe omgeving. Een lex silencio positivo is niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang.

Artikel 2:28a Vrijstelling

De burgemeester kan een (aanwijzings)besluit nemen waarbij hij categorieën van inrichtingen stadsbreed of per gebied kan vrijstellen van de vergunningplicht. Deze openbare inrichtingen kunnen dan zonder voorafgaande toestemming (vergunning) een inrichting exploiteren. Indien nodig kan op grond van het eerste lid, onder b, de burgemeester voorschriften verbinden aan van de vergunningplicht vrijgestelde inrichtingen. Dit kan onder meer de plicht inhouden zich bij vestiging te melden bij de gemeente (conform een kennisgeving). Artikel 2:28a, tweede lid, geeft als rechtstreekse norm dat de exploitatie van deze van de vergunning vrijgestelde inrichtingen de woon- en leefsituatie in de omgeving of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig mogen beïnvloeden. Indien nodig kan met het oog op de naleving van de in het tweede lid genoemde norm bestuursdwang worden aangezegd of een dwangsom worden opgelegd. De burgemeester kan ook gebieden, locaties en panden uitsluiten van een vrijstelling. Een inrichting die is vrijgesteld van de vergunningplicht is nog steeds een inrichting op grond van de APV. Dit betekent dat de regels in de APV, o.a. de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester, onverkort van toepassing zijn op deze inrichtingen.

Artikel 2:28b Horecagebiedsplan en adviescommissie

Om te zorgen dat Rotterdam een aantrekkelijke horecastad is en vooral blijft, stelt het college horecagebiedsplannen vast. Door per wijk of buurt een duidelijke visie of ambitie te hebben en daaraan voorwaarden te stellen, wordt het perspectief voor de ontwikkeling van horeca in de stad voor de komende jaren geschetst. Meer concreet wordt in deze plannen de gewenste ontwikkeling van horeca in de gebieden van de gemeente Rotterdam beschreven en op hoofdlijnen uitgewerkt. De balans tussen levendigheid en een prettig woon- en leefklimaat staat dan ook in alle plannen centraal. Rotterdam kent grofweg woongebieden, gemengde gebieden en uitgaansgebieden. Gebiedsplannen worden voor een aantal jaren door het college vastgesteld. De gebiedsplannen vormen (een van de) toetsingskaders voor de burgemeester bij de vergunningverlening. De praktijk leert echter dat niet alle mogelijke ontwikkelingen ondervangen kunnen worden met een horecagebiedsplan. Wanneer een ontwikkeling bijvoorbeeld simpelweg onvoorzien was, bijvoorbeeld doordat een gebouw nog niet gebouwd was, langdurige leegstand in winkelgebieden de prioriteit van de stad verandert of hardnekkige problematiek een nieuwe koers ten aanzien van horeca-ontwikkeling vereisen, dan kan de burgemeester zich laten adviseren door een door hem in te stellen adviescommissie. Deze adviescommissie heeft als taak aanvragen voor nieuwe exploitatievergunningen of wijzigingen van bestaande horeca-inrichtingen integraal en aan de hand van actuele lokale ontwikkelingen te beoordelen en de burgemeester hierover te adviseren. De burgemeester neemt uiteraard zelf het uiteindelijke besluit om een vergunning te verlenen of te weigeren. In dat geval kan hij op basis van een advies van een adviescommissie dus ook afwijken van hetgeen in het gebiedsplan is opgenomen (2:28, vijfde lid, sub b). In het horecabeleid heeft de burgemeester in beleidsregels opgenomen wanneer hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid om een horeca-adviescommissie in te stellen.

Artikel 2:29 Openings- en sluitingstijden

Met de inwerkingtreding van de Horecanota 2017-2021 wordt een nieuw vergunningstelsel in het leven geroepen. Het uitgangspunt van het nieuwe stelsel is het vergunnen van horeca-activiteiten. Voor wat betreft de openings- en sluitingstijden kent de Horecanota 2017-2021 in beginsel de volgende activiteiten (reguliere openings- en sluitingstijden):

1. Ochtendhoreca: openingstijden binnen van 04.00 uur tot 23.00 uur

2. Daghoreca: openingstijden binnen van 07.00 uur tot 23.00 uur

3. Avondhoreca: openingstijden binnen van 07.00 uur tot 01.00 uur op zondag t/m donderdag en openingstijden binnen van 07.00 uur tot 02.00 uur op vrijdag en zaterdag

4. Nachthoreca: vrije openings- en sluitingstijden binnen (24 uur)

En voor het gebruik van het terras (buitenruimte/ niet bebouwde deel van de inrichting):

5. gebruik terras van 07.00 uur tot 23.00 uur

6. gebruik terras van 07.00 uur tot 01.00 uur zondag t/m donderdag

gebruik terras van 07.00 uur tot 02.00 uur op vrijdag en zaterdag

De burgemeester bepaalt in de vergunning welke activiteit (ochtend-, dag-, avond- of nachthoreca) voor een openbare inrichting is toegestaan. De burgemeester is te allen tijde bevoegd om in individuele gevallen via de vergunning af te wijken van de reguliere openings- en sluitingstijden van een openbare inrichting door deze te verruimen of te beperken. De afwijkingsmogelijkheid uit het vijfde lid ziet ook op het tot de inrichting behorende terras. Optie 6 kan alleen aangevraagd worden door inrichtingen in combinatie met de activiteiten 3 of 4 (avond- en nachthoreca).

Op de consequenties van de invoering van de Wet milieubeheer voor de in deze paragraaf bedoelde inrichtingen - met name voor wat betreft de regeling van openings- en sluitingstijden - is in de algemene toelichting bij deze paragraaf reeds ingegaan. Hier zij daarnaar verwezen.

De kennisgevingsmogelijkheid, genoemd onder artikel 2:29, zesde lid, is ervoor bedoeld om ondernemers in zeer incidentele gevallen een ontheffing van de uniforme openings- en sluitingstijden te geven (in de praktijk ook wel ‘Verlaatje’ genoemd). Een exploitant van een inrichting kan door middel van een kennisgeving - met een maximum van vijftien maal per jaar - ontheffing krijgen van de uniforme openings- en sluitingstijden ten behoeve van incidentele festiviteiten in zijn inrichting. Dat kan een zelfgeorganiseerde festiviteit of bijzondere gebeurtenis zijn; het kan ook een door anderen georganiseerde festiviteit zijn. Een openbare inrichting met uitzondering van het terras mag dan tot 7.00 uur open zijn.

In het verleden diende voor een Verlaatje een ontheffing te worden aangevraagd. Dit diende twee weken van tevoren te geschieden en zorgde vervolgens voor weinig mogelijkheden tot spontaniteit. Omdat hier in de horeca wel vraag naar was, is de ontheffing gewijzigd in een kennisgeving. De kennisgeving moet vóór aanvang van de incidentele festiviteit worden gedaan en uiterlijk voor tien uur ’s avonds. Een “Verlaatje” is niet mogelijk indien in de zeven dagen voorafgaand aan de incidentele festiviteit in een straal van 100 meter rondom de inrichting reeds drie kennisgevingen voor het houden van incidentele festiviteiten zijn gedaan door een exploitant van een openbare inrichting. Op deze manier vindt een betere spreiding plaats van Verlaatjes over de stad en kan overlast als gevolg van Verlaatjes worden voorkomen. Op de exploitant rust de verplichting om de omgeving en de bewoners te informeren over het Verlaatje. Voor het doen van een kennisgeving dient een kraskaart (het door de burgemeester vastgestelde formulier) te worden aangeschaft. Indien de kennisgeving niet op de juiste wijze geschiedt, mag er geen gebruik worden gemaakt van het Verlaatje. De van de vergunningplicht vrijgestelde inrichtingen (als bedoeld in artikel 2:28a) komen niet in aanmerking voor een “Verlaatje”. Daarnaast is in het negende lid geregeld dat inrichtingen met een kortlopende vergunning in het kader van de handhaving van de openbare orde en het leefklimaat niet in aanmerking komen voor een “Verlaatje”. De incidentele festiviteiten moeten plaatsvinden in de inrichting. Voor incidentele en collectieve festiviteiten op het terras moet naast de kennisgeving, vanwege de invloed op het woon- en leefklimaat, ook altijd een evenementenvergunning worden aangevraagd. Indien een bepaalde (aangemelde) incidentele festiviteit of toekomstige incidentele festiviteiten als gevolg van de langere openingstijden in het concrete geval ongewenste cumulatie van hinder met zich meebrengen, dan kan de burgemeester het organiseren van die festiviteit en toekomstige festiviteiten verbieden of beperken (een maximum vaststellen) op grond van artikel 2:29, twaalfde lid. Een verbod kan ook indien de exploitatietijden zijn beperkt door een bestuurlijke maatregel.

De burgemeester kan op grond van artikel 2.29, vijfde en tiende lid, desgewenst (al dan niet tijdelijk) overgaan tot beperking en verbreding van openings- en sluitingstijden. Dit kan niet alleen voor een individuele inrichting (via de vergunning), maar ook voor meer inrichtingen (die al dan niet in één gebied liggen) of voor bepaalde categorieën van inrichtingen (via een aanwijzingsbesluit). De burgemeester zal van de bevoegdheid in artikel 2:29, tiende lid, gebruik maken, indien de handhaving van de openbare orde of de bescherming van het woon- of leefklimaat dat op enigerlei moment ergens in de stad vergen. Zo kan bijvoorbeeld een betere spreiding van het uitgaanspubliek over de stad of het geleidelijk vertrekken van bezoekers bijdragen aan het beperken van overlast en van positieve invloed zijn op de openbare orde. Daar waar het vierde lid alleen ziet op avondhoreca biedt artikel 2:29, tiende lid, een mogelijkheid om bijvoorbeeld een afkoelperiode in te voeren voor bepaalde inrichtingen en kan worden bewerkstelligd dat het horecabeleid voor Hoek van Holland beter kan aansluiten op het horecabeleid in het Westland.

De bepalingen kunnen door de burgemeester ook (al dan niet aanvullend op artikel 2:28 en 1:6) worden gehanteerd in het kader van een "bestuurlijke maatregel". Een exploitant, die zich niet aan de in deze afdeling en in zijn exploitatievergunning gestelde regels houdt, loopt de kans (tijdelijk) met een vroeger sluitingsuur te worden geconfronteerd.

Voor wat betreft de toepassing van artikel 2:29, zesde lid, en artikel 2:29, elfde lid, dient verwezen te worden naar hoofdstuk 4, afdeling 1, van deze verordening, waarin - ter nadere uitwerking van het bepaalde in het Activiteitenbesluit milieubeheer - is geregeld, dat de (geluid- en lichthinder)voorschriften niet gelden op een nader door het college te bepalen aantal dagen ten behoeve van "collectieve festiviteiten" en "incidentele festiviteiten". Het zal duidelijk zijn, dat het beleid terzake van het aanwijzen van deze dagen afgestemd moet worden op het beleid van de burgemeester inzake de kennisgeving voor vrijstelling van de openings- en sluitingstijden. Een algemene ontheffingsmogelijkheid voor bijzondere festiviteiten, als vervat in het elfde lid van artikel 2:29, kan in de praktijk niet worden gemist. Gedacht kan worden aan festiviteiten met een nationaal of stedelijk karakter, zoals bijvoorbeeld Koningsdag of het kampioenschap van een voetbalclub.

Artikel 2:30 Sluiting van openbare inrichtingen

De in het eerste lid van artikel 2:30, onder b, genoemde sluitingsgrond verschaft de burgemeester de mogelijkheid een inrichting (tijdelijk) te sluiten, zonder dat hij eerst dient over te gaan tot (gedeeltelijke) intrekking of schorsing van de exploitatievergunning. In een dergelijke situatie zouden dan theoretisch twee beroepsprocedures in dezelfde zaak naast elkaar kunnen worden aangespannen, hetgeen zo mogelijk vermeden dient te worden. Het kan daarnaast zo zijn, dat de burgemeester het om redenen van openbare orde nodig oordeelt een bepaalde inrichting tijdelijk te sluiten, zonder dat dit hoeft te leiden tot (tijdelijke) intrekking of schorsing van de exploitatievergunning.

In het geval dat de exploitant de exploitatie van een inrichting heeft beëindigd, vervalt de verleende exploitatievergunning van rechtswege. De burgemeester kan de betreffende inrichting dan sluiten op grond van onderdeel a: er wordt geëxploiteerd zonder exploitatievergunning.

In het derde lid van artikel 2:30 wordt de mogelijkheid geboden, dat de burgemeester een sluiting op verzoek van belanghebbende(n) opheft. In de praktijk sluit de burgemeester een inrichting meestal voor een bepaalde duur. Artikel 2:30 voorziet ook in de mogelijkheid voor belanghebbende(n) om aan de burgemeester tussentijdse opheffing van een tijdelijke sluiting te vragen. In de regel gaat de burgemeester daartoe over indien er voldoende garanties aanwezig zijn waardoor de kans op herhaling van de verstoring van de openbare orde tot het minimum zijn beperkt.

Artikel 2:30a Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is noodzakelijk tijdens de openingsuren van de inrichting. De exploitant is te allen tijde verantwoordelijk voor hetgeen zich in en rondom de inrichting afspeelt. Het aanwezig zijn wordt stringent getoetst. Dit betekent dat de aanwezige exploitant of beheerder al bij het doen van een boodschap de inrichting voor het publiek gesloten moet houden. Deze bepaling is tevens opgenomen om effectief tegen schijnbeheer op te kunnen treden.

Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, kan de inrichting door de burgemeester gesloten worden of kan de verleende exploitatievergunning ingetrokken worden. (Onder strafbare feiten worden in ieder geval begrepen, de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal en stroperij) en XXX (begunstiging) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie.

Op grond van het derde lid kan de burgemeester categorieën van inrichtingen of specifieke inrichtingen aanwijzen die uitgezonderd zijn van de verplichte aanwezigheidseis. De regels van de Awb zijn van toepassing op de wijze van bekendmaking.

Artikel 2:30b Terrassen

Artikel 2:30 b, vierde lid, is opgenomen teneinde verkapte uitbreiding van terrassen met vergunning en de daarmee samenhangende overlast tegen te gaan. Indien de uitvoering van werkzaamheden of evenementen noodzaken tot verwijdering van het terras, is de exploitant verplicht het terras binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn te verwijderen. Van alle ondernemers wordt verwacht dat zij hun inrichting, terras en directe omgeving schoon houden en overlast en wanorde beperken. Dit past bij verantwoord ondernemerschap en een samenleving die meer verantwoordelijkheid bij bewoners zelf legt. Concreet betekent het dat ondernemers gehouden zijn om afval afkomstig van de inrichting of het terras te verwijderen. Als afstand kan daarbij ongeveer 25 meter worden aangehouden.

Artikel 2:30c Beëindiging exploitatie en melding gewijzigde omstandigheden

De exploitatievergunning vervalt zodra alle exploitanten de exploitatie hebben beëindigd. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit de gegevens zoals bekend bij de Kamer van Koophandel. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt, dient dit op grond van het tweede lid te worden gemeld. De exploitatievergunning vervalt dan echter niet.

Om een actueel overzicht te behouden, is in het eerste lid, onder b opgenomen dat de exploitatievergunning van rechtswege vervalt, indien de inrichting langer dan twaalf maanden niet wordt geëxploiteerd. Indien voor de openbare inrichting in een pand of locatie een nieuwe vergunning wordt verleend, vervalt logischerwijs de oude vergunning.

Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De exploitant is derhalve verplicht wijzigingen te melden. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot het intrekken van de vergunning (artikel 2:28).

Artikel 2:30d Wijziging beheer

Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van groot belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen. Dit bericht dient door de exploitant goed te worden bewaard en op verzoek te worden getoond. Anders dan voorheen is het op grond van het tweede lid toegestaan dat het beheer tijdelijk wordt uitgeoefend door een nieuwe beheerder die kan aantonen dat hij als nieuwe beheerder op de exploitatievergunning is aangemeld. Zodra op het verzoek tot wijziging van beheer is beslist vervalt deze mogelijkheid van tijdelijk beheer. De beheerder is dan ofwel bijgeschreven en de ondernemer heeft hiervan bericht gehad ofwel de bijschrijving is geweigerd en dan is tijdelijk beheer niet langer toegestaan.

Artikel 2:31 Verboden gedragingen

Deze bepaling geeft onder a een (algemeen) verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren. Het verbod onder b richt zich tot de (potentiële) bezoeker(s) van de inrichting. Als een bezoeker zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, begaat hij een overtreding. Als een bezoeker geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen

Dit artikel betreft een verbod om heling en handel in gestolen goederen te voorkomen. Met de term ‘gebruikte of ongeregelde goederen’ worden dezelfde goederen bedoeld als in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht. Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.

Artikel 2:33 Schakelbepaling

Het begrip 'openbare inrichting' als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan.

Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de drank- en horecawet

Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen

De Drank- en Horecawet die per 1 januari 2013 is gewijzigd, verplicht gemeenten bij verordening regels te stellen ter voorkoming van oneerlijke mededinging, waaraan paracommerciële rechtspersonen (dorpshuizen, studentenverenigingen, sportverenigingen, schouwburgen, speeltuinverenigingen etc. die in eigen beheer horeca-faciliteiten exploiteren zich te houden hebben bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Het gaat om 1) alcoholhoudende drank 2) die anders dan om niet 3) verstrekt wordt door de paracommerciële rechtspersoon. Door het aantal bijeenkomsten per kalenderjaar te beperken tot een maximum van 12, blijven de activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard het hoofddoel van de rechtspersoon.

Het ‘high trust, high penalty’ principe dat in de horecanota is geïntroduceerd geldt hierbij als uitgangspunt.

Eerste en tweede lid

Met bijeenkomsten van persoonlijke aard wordt gedoeld op: bijeenkomsten die geen direct verband houden met de activiteiten van de desbetreffende paracommerciële instelling, zoals bruiloften, recepties, jubilea, verjaardagen, bedrijfsuitjes, koffietafels en dergelijke. Voor zover die bijeenkomsten direct verband houden met de activiteiten van de rechtspersoon, zoals het afscheid van de voorzitter van de vereniging, een borrel na het behalen van een kampioenschap, etc. vallen deze niet onder het bereik van deze bepaling.

Met bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, kan worden gedacht aan het verhuren van de ruimte van de rechtspersoon aan een externe/ derde partij om bijvoorbeeld een bijeenkomst te (laten) organiseren voor al dan niet leden van de vereniging of niet-betrokkenen bij de stichting. Een voorbeeld hiervan is het organiseren van een bijeenkomst van een politieke partij.

Het bedrijfsmatig organiseren van commerciële feesten gericht op derden waarbij alcoholhoudende drank wordt verstrekt, valt niet onder de hierboven beschreven bijeenkomsten en is niet toegestaan. Van het bedrijfsmatig organiseren van een feest is sprake indien er reclame voor het feest wordt gemaakt of als er een kaartverkoop is of anderszins entreegelden worden gerekend.

Derde lid

Het is niet toegestaan om in combinatie met bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid een verlaatje te krassen om oneerlijke mededinging en overlast tegen te gaan.

Vierde lid Door middel van een melding is de toezichthouder op de hoogte van het feit dat alcoholhoudende drank wordt verstrekt tijdens een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid. De toezichthouder kan in overleg met de paracommerciële rechtspersoon adviseren om extra maatregelen te treffen, bijvoorbeeld ten aanzien van de inzet van beveiliging. Daarnaast kan door middel van de melding worden nagegaan of en hoeveel bijeenkomsten er in een jaar hebben plaatsgevonden. Wat betreft de termijn en gelet op de wenselijke lastenverlichting is aansluiting gezocht bij de termijn die ook wordt gehanteerd bij kennisgevingsevenementen.

Overtredingen zijn strafbaar als overtredingen op grond van artikel 2, vierde lid, juncto artikel 1, onder 4º, van de Wet op de economische delicten. De desbetreffende artikelen zijn daarom niet in de opsomming van overtredingen in hoofdstuk 6 van de APV Rotterdam 2012 opgenomen.

In artikel 44 van de Drank- en Horecawet is voorts bepaald dat de minister en de burgemeester bestuursdwang kunnen toepassen ter handhaving van de verplichting om een toezichthouder alle medewerking te verlenen bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden ex artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Vijfde lid

Paracommerciële rechtspersonen krijgen aan de voorkant ruimte om alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid. Hier tegenover staat dat indien zich incidenten voordoen tijdens deze bijeenkomsten of de paracommerciële rechtspersoon zich niet aan de in dit artikel gestelde regels houden de burgemeester passende maatregelen kan nemen. Dit sluit aan bij het principe uit de horecanota: high trust, high penalty.

Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven

De genoemde inrichtingen worden niet primair bezocht om alcohol te nuttigen. Het doel van dit artikel is om tegen te gaan dat jeugdige bezoekers ongewild in aanraking komen met sterke drank in een niet-reguliere horeca-inrichting. Onder het eerste lid, onder c, bedoelde categorie vallen inrichtingen als lunchrooms en cafetaria's die over een Drank- en Horecawetvergunning beschikken.

Een ontheffing kan bijvoorbeeld worden verleend indien wordt aangetoond dat gedurende een bepaalde tijdsruimte niet of nauwelijks sprake is van jeugdige bezoekers.

In artikel 44 van de Drank- en Horecawet is voorts bepaald dat de minister en de burgemeester bestuursdwang kunnen toepassen ter handhaving van de verplichting om een toezichthouder alle medewerking te verlenen bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden ex artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

In het vierde lid wordt overeenkomstig artikel 25a, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Drank- en horecawet de burgemeester de bevoegdheid verleend om voorschriften aan de vergunning te verbinden of deze te beperken tot zwak-alcoholhoudende drank, als dit vanwege de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid en de volksgezondheid nodig is.

Afdeling 9. Voor publiek openstaande gebouwen

Artikel 2:35 Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen

Dit artikel is een aanvulling op de bevoegdheden van de burgemeester om op grond van de APV of artikel 13b van de Opiumwet overlastgevende inrichtingen, zoals horecabedrijven en seksinrichtingen, dan wel woningen te sluiten op grond van artikel 174a Gemeentewet.

De burgemeester kan met behulp van dit artikel optreden wanneer in een voor het publiek openstaand gebouw strafbare feiten plaatsvinden waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat nadelig wordt beïnvloed of wanneer ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals garages, autoverhuurbedrijven, uitzendbureaus, winkels of afhaalgelegenheden zoals pizzeria’s of snackbars, overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op enigerwijze toestaan. De burgemeester zal o.a. bij zijn oordeel aansluiting zoeken bij de in artikel 2:28 APV beschreven situaties. Tevens geeft het artikel de burgemeester de mogelijkheid om op te treden, indien er in of vanuit een pand (niet zijnde een woning) wordt gegokt, waarvoor geen toestemming is gegeven op grond van de Wet op de Kansspelen. Indien sprake is van een illegale gokpand staat vast dat zonder meer sprake is van een aantasting van de openbare orde (in ruime zin te verstaan). Gokpanden die tevens als woning in gebruik zijn, kunnen niet op basis van dit artikel uit de APV worden gesloten.

In het zesde lid van dit artikel wordt de mogelijkheid geboden, dat de burgemeester een sluiting voor (on)bepaalde duur op verzoek van een belanghebbende opheft. De burgemeester zal daartoe in de regel alleen over gaan op het moment dat er voldoende garanties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de openbare orde en veiligheid in de omgeving van het pand gewaarborgd is. Hiervan is geen sprake als er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de situatie die heeft geleid tot een sluiting.

Artikel 2:36  Tegengaan onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat

De aanpak van ondermijnende criminaliteit is één van de top prioriteiten van het Rotterdamse veiligheidsbeleid. Drugshandel, witwassen, (belasting)fraude, illegaal gokken, underground banking en uitbuiting zijn voorbeelden van criminele (economische) activiteiten die de samenleving kunnen ondermijnen. De aanpak van deze vorm van (georganiseerde) criminaliteit is een bijzonder lastige taak. De verwevenheid van boven- en onderwereld, alsmede de verhulling van de criminaliteit, bemoeilijken de bestrijding daarvan. Deze vormen van criminaliteit zijn niet altijd zichtbaar, maar tasten de fundering van de wijk aan. Ze bedreigen niet alleen de legale lokale economie maar zorgen ook voor een onveilig, niet leefbaar woon- en ondernemersklimaat.

Het risico bestaat dat malafide ondernemers zich vestigen in sectoren waar het toezicht van de overheid beperkter is. Rotterdam kent daarnaast gebieden die fysiek, sociaal en economisch achterblijven. Deze delen van Rotterdam zijn extra vatbaar voor criminele ondermijnende activiteiten. Dit in combinatie met brancheverschraling, leegstand en een hoog verloop van ondernemers maakt dat de leefbaarheid onder druk staat.

Om het vestigingsklimaat voor ondernemers te verbeteren en de ondermijnende criminaliteit te bestrijden kent Rotterdam de aanpak ondermijning. Dit betreft een integrale aanpak bestaande uit een combinatie van het stimuleren van positieve ontwikkelingen en het voorkomen, signaleren en terugdringen van ondermijnende criminaliteit. Zo worden kwetsbare straten weer in hun kracht gezet waarbij wordt gestuurd op kwalitatief goed ondernemerschap.

Om de aanpak ondermijning te versterken, is in de APV een artikel opgenomen gericht op het stimuleren van een gezond ondernemingsklimaat. Artikel 2:36 geeft de burgemeester de bevoegdheid om via een aanwijzing een vergunningplicht te introduceren voor panden, straten, gebieden of branches om een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat tegen te gaan. Uit juridisch wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de gemeenteraad bevoegd is op grond van de autonome verordenende bevoegdheid om openbare belangen zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemersklimaat te reguleren met een vergunningplicht. Het betreft hier geen vergunning in het belang van economische ordening, maar primair in het belang van openbare orde en veiligheid. Om die reden is de bevoegdheid belegd bij de burgemeester.

Deze vergunningplicht staat niet op zichzelf, maar maakt onderdeel uit van een brede aanpak gericht op het stimuleren van een gezond ondernemingsklimaat, van het Rotterdamse Veiligheidsprogramma #Veilig010 en van de Aanpak Ondermijnende Criminaliteit.

De mogelijkheid tot het instellen van een vergunningplicht voor ondernemers is een van de instrumenten voor de bestrijding van malafiditeit in het ondernemerschap. De gemeente kan controle uitoefenen op de naleving van de gestelde voorwaarden en handhaven bij overtreding. Van de mogelijkheid om een vergunningplicht te introduceren gaat bovendien een preventieve werking uit. Dit draagt bij aan het aantrekken van bonafide ondernemers en het weren van malafide ondernemers. Pandeigenaren worden zo gestimuleerd hun verantwoordelijkheid te nemen om bonafide ondernemers in hun panden te vestigen. Ook kan bij de aanvraag voor een vergunning de Wet Bibob worden ingezet. In 2013 is het toepassingsbereik van de Wet Bibob uitgebreid naar alle gemeentelijke vergunningen die worden afgegeven voor een bedrijfsmatige activiteit.

Het instrument van een vergunningplicht is overigens niet ongebruikelijk in een gemeente. Zo geldt voor horeca-inrichtingen een vergunningplicht, waarbij aan vergelijkbare voorwaarden wordt getoetst. Het gaat dan ook om voorwaarden waarvan in beginsel van ondernemers kan worden geëist dat zij daar aan voldoen.

Eerste lid

De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Voor de definitie van het begrip exploitant is aansluiting gezocht bij hoofdstuk 3. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven (zie ook artikel 2:35).

Tweede lid

De systematiek van artikel 2:36 gaat uit van een pand-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen.

De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Bij een gebiedsgewijze aanpak wordt de noodzaak van de aanwijzing mede bezien in samenhang met de andere maatregelen in een gebied. De vergunning wordt op grond van artikel 1.7 verleend voor de duur van het aanwijzingsbesluit.

De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet door deze bijvoorbeeld na concrete incidenten (strafbare feiten) van toepassing te verklaren op het pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat pand de leefbaarheid of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing). Daar waar strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken. Een aanwijzing die specifiek op een bepaald pand is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd zijn.

Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche of gebied kan op grond van het APV artikel een vergunningplicht voor een branche of gebied worden ingevoerd.

Een aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben, maar het gebied waarvoor een bepaalde branche wordt aangewezen, kan ook de gehele gemeente beslaan. Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden.

Tot slot kunnen (op voorhand) straten of gebieden aangewezen worden (preventieve aanwijzing). Bij een dergelijke aanwijzing gelden voor gevestigde en nieuwe ondernemers in die gebieden of straten een vergunningplicht. Dit kan gerechtvaardigd zijn nu de aanwijzing alleen plaatsvindt bij straten of gebieden waar de leefbaarheidsproblemen het grootst zijn en de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Het belang van de verbetering van de situatie in de gehele straat of het gebied kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen pand verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak.

De burgemeester wijst een pand, gebied of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als in dat gebied dan wel door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteiten naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren.

Derde lid

In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw, straat of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche.

Vierde en zevende lid

De algemene intrekkings- en weigeringsgronden staan vermeld in de artikelen 1:6 en 1:8. In deze leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4). Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij hoofdstuk 2, afdeling 8 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3.

Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Drank- en Horecawet (zie ook: hoofdstuk 2, afdeling 8).

Indien de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Sub i is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld.

Vijfde en zesde lid

In dit lid wordt de wijze van indiening van de aanvraag van een vergunning geregeld, alsmede welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd. De vereiste gegevens worden nodig geacht teneinde een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Zo moet er in ieder geval sprake zijn van een geldige inschrijving bij de KvK. Indien dat op enig moment niet meer het geval is, kan dit reden zijn om de vergunning in te trekken (zevende lid, sub h en i).

Als het bevoegd bestuursorgaan dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij om aanvullende gegevens verzoeken (zesde lid). Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen.

Achtste lid

Artikel 2:35 biedt de mogelijkheid overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten. Artikel 2:36 bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid wanneer sprake is van een vergunningplicht.

Elfde lid

Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen.

Veertiende lid

De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, geldt voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt.

Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken. Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan.

Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat met name gelet op de openbare orde en veiligheid er een dwingende reden van algemeen belang is en de gestelde eisen ook evenredig (geschikt en noodzakelijk) zijn, zodat het stelsel en de voorwaarden gerechtvaardigd zijn. De openbare orde en veiligheid vormt eveneens de reden om van een lex silencio positivo af te zien.

Afdeling 10. Toezicht op speelautomatenhallenArtikel 2:39a Speelautomatenhallen

Ten aanzien van speelautomatenhallen voert de gemeente Rotterdam een terughoudend beleid. Er worden maximaal twaalf speelautomatenhallen in Rotterdam toegelaten. Per inrichting is het totale aantal speelautomaten bepaald waarin tevens het aantal kansspelautomaten aan een maximum is gebonden.

De burgemeester kan volgens de Wet op de kansspelen slechts een vergunning voor de exploitatie van een speelautomatenhal afgeven, indien daartoe door de raad een verordening is vastgesteld. Bij de vaststelling van de verordening kan de raad niet concreet benoemen voor welke panden een vergunning kan worden verleend. Dit is een exclusieve bevoegdheid van de burgemeester. De vergunning voor een speelautomatenhal is geldig voor de duur van vijf jaar.

In dit artikel wordt het stringente beleid vorm gegeven. Het overtreden van artikel 2:39a wordt ingevolge artikel 6:1 gestraft met hechtenis ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

In het vijfde lid worden de weigeringgronden opgesomd.Strijd met het bestemmingsplanlevert een weigeringgrond op, omdat in artikel 2.39a een maximumstelsel is opgenomen. Via artikel 1:6 kan ook sprake zijn van een intrekkingsgrond bij strijd met het bestemmingsplan (intrekking in verband met gewijzigde omstandigheden of inzichten). Wel zij opgemerkt dat bij gebruikmaking daarvan de motivering aan zware eisen dient te voldoen. Het betreft immers omstandigheden waarop de betrokken exploitant doorgaans geen invloed kan uitoefenen. Voorts mag hij erop vertrouwen dat een aan hem verleende vergunning normaal gesproken in stand blijft temeer gelet op de financiële consequenties.

Het vereiste onder c dient om een speelautomatenhal duidelijk vanaf de openbare weg voor een ieder herkenbaar te maken. Tevens is het bedoeld om te voorkomen dat in een achteraf lokaal van een gebouw - waar bijvoorbeeld een horecabedrijf wordt uigeoefend - een speelautomatenhal wordt geëxploiteerd en deze automatenhal mede of uitsluitend via het andere bedrijf bereikbaar zou zijn.

Verwezen wordt nog naar de toegangseisen die in artikel 21 van het Speelautomatenbesluit 2000 zijn gesteld, wanneer in een hal zowel kansspel- als behendigheidsautomaten aanwezig zijn. Het criterium openbare orde is niet opgenomen in de APV met betrekking tot de exploitatie van speelautomatenhallen, aangezien de Wet op de kansspelen dit criterium reeds in verband met de weigeringsgronden voor een aanwezigheidsvergunning van speelautomaten noemt.

De strekking van dit artikel is het afwenden van een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van de leef- en woonsituatie in de naaste omgeving van de hal.

De jurisprudentie op artikel 30 (oud) en 30c van de Wet op de kansspelen geeft aan, dat bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een speelautomatenhal acht mag worden geslagen op de mogelijke gevolgen voor het woon-, winkel- en leefklimaat. In het bepaalde onder e komt tot uiting dat de vergunning dient te worden geweigerd, wanneer gevreesd moet worden dat de woon- en leefsituatie door de vestiging van een hal nadelig zal worden beïnvloed. Daarbij wordt rekening gehouden met het karakter van de straat en van de wijk/buurt waarin de speelautomatenhal is gelegen of zal komen te liggen. In de beoordeling van de aanvraag wordt de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan, betrokken. Het is ook mogelijk om een vergunning te weigeren, wanneer er sprake is van een aantasten van het karakter van een (deel van een) winkelstraat/-buurt/-centrum. Dit kan bij voorbeeld het geval zijn in een winkelstraat met winkels van een "exclusief" karakter. Door de vestiging van een speelautomatenhal zal er sprake (kunnen) zijn van een ontoelaatbaar spanningsveld, waardoor een te grote inbreuk mag worden gevreesd op de bestaande functie van de winkelstraat.

Daarnaast worden speelautomatenhallen conflicterend geacht met onderwijs- en sociaal-culturele activiteiten (onder d).

Onder f is als weigeringgrond opgenomen dat er geen sprake mag zijn van strijd met een geldend bestemmingsplan. Doel van dit lid is de koppeling van de vereiste vergunning met het planologisch regime.

De in deze bepaling genoemde gronden voor intrekking van een vergunning komen in hoofdzaak overeen met de intrekkingsgronden voor exploitatievergunningen bij openbare inrichtingen.

Met betrekking tot het zesde lid onder a gestelde geldt dat een onderbreking van de exploitatie voor een periode langer dan in de bepaling genoemd, niet in alle gevallen aanleiding hoeft te geven om de vergunning in te trekken. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan verbouwingen die langere tijd blijken te vergen.

Een lex silencio positivo is bij deze vergunning niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en vermindering van gokverslaving.

Artikel 2:40 Kansspelautomaten

Om te bepalen of sprake is van een hoog- of laagdrempelige inrichting dient te worden beoordeeld of sprake is van een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en Horecawet en of er zich in deze horecalokaliteit zelf geen andere activiteiten afspelen waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend. Over wat wordt beschouwd als een zelfstandige activiteit is veel jurisprudentie. Er moet in ieder geval gedacht worden aan het afhalen van etenswaren, dansen, zaalverhuur, bowlen of kegelen en het serveren van kleine etenswaren.

Waar precies de grens ligt tussen ondersteunende activiteiten en zelfstandige activiteiten is een sterk feitelijk oordeel en zal van geval tot geval bekeken moeten worden, gerelateerd aan de jurisprudentie.

Voor samengestelde inrichtingen geldt het volgende: Indien er sprake is van een laagdrempelige horeca-inrichting, waarbinnen zich een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet bevindt, dient te worden bekeken of de laagdrempelige gedeelten vanaf de openbare weg bereikt kunnen worden via de horecalokaliteit. Als dit het geval is, dan is de horecalokaliteit alsnog laagdrempelig en is het niet toegestaan kansspelautomaten te plaatsen.

In artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen is bepaald dat een inrichting laagdrempelig is, indien deze niet hoogdrempelig is.

In artikel 30c, tweede lid van de Wet op de kansspelen is bepaald dat bij verordening wordt aangegeven hoeveel kansspelautomaten kunnen worden opgesteld, met dien verstande dat voor een hoogdrempelige inrichting het aantal kansspelautomaten op twee wordt bepaald. In laagdrempelige inrichtingen mogen geen kansspelautomaten worden opgesteld

Artikel 2:40a Gokken op de weg

Artikel 2:40a Gokken op de weg

Deze bepaling kan worden gehanteerd in het kader van een beleid om verloedering van de openbare ruimte tegen te gaan. Het gaat hierbij om gokken op de openbare weg met kaarten, geld, dobbelstenen of andere voorwerpen (bijv. ook het "balletje-balletjespel"). Er is een duidelijke relatie tussen deze bepaling en bepalingen als artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op of aan de weg), artikel 2:48 (hinderlijk drankgebruik) of artikel 2:49 (Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen en in voor publiek toegankelijke ruimten).

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Eerste, tweede en derde lid Op grond van artikel 174a van de Gemeentewet, artikel 13b van de Opiumwet of artikel 17 van de Woningwet kan de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, dan wel een gebouw, open erf of terrein te sluiten, indien door gedragingen in de woning, het lokaal, het gebouw, op het erf of het terrein de openbare orde rond de woning, het lokaal, het gebouw, het erf of het terrein wordt verstoord. Het doel van een dergelijke sluiting is om de rust in de omgeving te herstellen. Hierbij is het niet wenselijk dat de woning, het lokaal, het gebouw, het erf of het terrein alsnog wordt betreden. Aangezien in de Gemeentewet, de Opiumwet of de Woningwet niet de rechtsgevolgen van de sluiting worden geregeld, verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Dit artikel omvat een dergelijk verbod. In de gevallen waarin de woning etc. niet is verzegeld of de verzegeling reeds is verbroken, is deze strafbepaling opgesteld die het verbiedt om een gesloten pand te betreden.

Vierde lid Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning, het gebouw of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.

Artikel 2:42 Plakken en kladden

Het eerste lid van dit artikel bevat een absoluut verbod om te krassen of te kladden. Juridisch is dit geen probleem, daar in deze terminologie reeds besloten ligt, dat het bij krassen of kladden niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IV (vgl. de toelichting bij hoofdstuk 1, artikel 1:1). Met deze bepaling kan worden opgetreden tegen het helaas wijd verbreide euvel van graffiti.

Ingevolge het tweede lid van artikel 2:42 is het plakverbod van toepassing niet alleen op onroerende, maar ook op roerende zaken (te denken valtonder meer aan bloembakken, glas- en papierbakken, containers van Stadsbeheer). Strafbaar zijn niet alleen de feitelijke plakkers, maar ook hun opdrachtgevers.

Het “op andere wijze aanbrengen” omvat mede het schoonmaken van een onroerende zaak of de openbare weg met sjablonen. De vereiste toestemming om afbeeldingen of aanduidingen aan te brengen is vooral bedoeld om particulieren een titel te geven om op te treden tegen degenen die teksten aanbrengen op hun eigendom, zonder dat daarvoor toestemming is gegeven. Als het gaat om overheidseigendom geldt deze systematiek ook maar het artikel biedt ruimte voor een gedifferentieerd beleid, waarin bijvoorbeeld rekening kan worden gehouden met de aard, omvang, locatie van de uiting en de kans op schade.

Het is de gemeentelijke wetgever niet toegestaan het aanplakken van biljetten e.d. geheel te verbieden. Wel mag de gemeentelijke wetgever het plakken zonder toestemming van de rechthebbende (dat kan ook de gemeente zijn als privaatrechtelijk rechtspersoon) strafbaar stellen. Dat is in artikel 2:42 gebeurd.

De gemeente dient in het kader van de waarborging van de vrijheid van meningsuiting te zorgen voor voldoende "vrije plakmogelijkheden" in de gemeente - bezien naar aantal, oppervlakte en plaats - opdat van “gebruik van enige betekenis” van het onderhavige middel van bekendmaking van meningsuitingen sprake kan zijn. Het hangt af van “bijzondere plaatselijke omstandigheden” of er nog gesproken kan worden van gebruik van enige betekenis. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.

Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen plak- en kladverbod vergroot. De Hoge Raad heeft een dergelijke zelfstandige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen geaccepteerd. Het onderhavige artikel verbiedt het vervoer van allerlei plak- en kladgereedschappen en -attributen (waaronder verfspuitbussen e.d., in gebruik bij graffiti-"kunstenaars") indien dit vervoer het kennelijk doel heeft om daarmee strafbare feiten te plegen. Dit kan op elk moment van de dag plaatsvinden. Iemand die met de genoemde voorwerpen over straat gaat, is in beginsel in overtreding, tenzij hij aannemelijk kan maken, dat de betreffende voorwerpen niet zijn/worden meegenomen om zich schuldig te maken aan het plakken en kladden als bedoeld in artikel 2:42. Een en ander verlicht de bewijslast voor de politie. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen

Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet. HR 07 06 1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989, NJ 1989. 687 (APV Nijmegen). Het bij zich dragen is niet aan tijd gebonden indien deze middelen zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen. Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen

Dit artikel beoogt het plegen van winkeldiefstallen of althans het meedragen van hulpmiddelen daarbij strafbaar te stellen. Vaak gebruiken plegers van winkeldiefstallen speciaal uitgeruste voorwerpen als tassen, jammers, magneten of elektronische voorwerpen die veiligheidspoortjes of veiligheidslabels dan wel andere hulpmiddelen om het plegen van diefstal te vergemakkelijken. Politie en beveiligers zijn in staat om met geoefend ‘oog’ de geprepareerde voorwerpen te herkennen. Met deze bepaling kan worden ingegrepen voordat de winkeldief zijn slag heeft geslagen. Artikel 2:45 Bescherming groenvoorzieningenIn de artikelen 2:45 en 4:11k zijn bepalingen, opgenomen ter bescherming van het openbaar groen. Het eerste lid van artikel 2:45 heeft zowel de handhaving van de openbare orde als de natuurbescherming als motief. Met name kan het berijden van grasvelden en paden die daarvoor niet geschikt zijn door rij- en trekdieren niet alleen de veiligheid van wandelaars en dergelijke in gevaar brengen, maar ook schade toebrengen aan het openbaar groen.

Er is voor gekozen hier de lex silencio positivo niet toe te passen, omdat het onwenselijk is dat personen hun gang zouden kunnen gaan wanneer te laat op hun verzoek is beslist.

Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.

Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van wegen. Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling ziet derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving, maar kan als toelaatbaar worden beschouwd naast deze wetgeving. Op basis van artikel 149 Gemeentewet is de gemeentelijke wetgever immers bevoegd tot het stellen van regels die andere belangen dan verkeersbelangen dienen, tenzij deze regels het stelsel van de wegenverkeerswetgeving doorkruisen. Dat is hier niet het geval. Het verbod heeft slechts betrekking op voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden. De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn voorzien van rubberbanden, blijkt in de praktijk vragen op te roepen. Die beperking is opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten. Verder wordt hiermee voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet wordt betreden. Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden in niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende groenstroken, wordt geregeld in artikel 5:11 (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen). Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

In een samenleving waarin een groot aantal mensen op een relatief klein grondgebied woont, zal men elkaar hinderen en overlast aandoen. Op basis van artikel 2:47 (en ook 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden. Tevens kan op deze wijze worden opgetreden tegen zwervers die op bankjes liggen. Artikel 424 Wetboek van Strafrecht stelt reeds "straatschenderij" strafbaar:"Hij die op of aan de openbare weg of op enige voor het publiektoegankelijke plaats tegen personen of goederen enige baldadigheid pleegt waardoor gevaar of nadeel kan worden teweeggebracht, wordt als schuldig aan straatschenderij, gestraft met geldboete van de eerste categorie (max. 225 euro)". Artikel 426bis van dat Wetboek verklaart strafbaar het belemmeren van anderen op de openbare weg: "Hij die wederrechtelijk op de openbare weg een ander in zijn vrijheid van beweging belemmert of meteen of meer anderen zich aan een ander tegen diens uitdrukkelijk verklaarde wil blijft opdringen of hem op hinderlijke wijze blijft volgen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie (max. 2250 euro)". Artikel 431 van het Wetboek van Strafrecht tenslotte stelt nachtelijk burengerucht strafbaar: "Met geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij die rumoer of burengerucht verwekt waardoor de nachtrust kan worden verstoord". Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Grote delen van de stad worden regelmatig geconfronteerd met overlast door personen die zich op de openbare weg - al dan niet in combinatie met drugs - te goed doen aan diverse soorten alcoholica en vervolgens passanten lastig vallen of andere met het gebruik van alcohol samenhangende overlast veroorzaken, zoals luid praten en schreeuwen, onderling ruzie maken en vechten, vervuiling van de omgeving, wildplassen etc.

Wat de mogelijkheden tot optreden betreft zij vermeld, dat de politie – als daadwerkelijke verstoring van de openbare orde zich voordoet - op grond van de artikel 6:2 bevelen tot verwijdering kan geven. Niet-naleving daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht en op grond van artikel 6:1.

Voorts zal in een aantal gevallen (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stuk gegooid) optreden mogelijk zijn op grond van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid; vgl. ook de toelichting bij artikel 2:47). De hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Om deze reden is behoefte aan aanvullende rechtsgronden.

In 2003 is een nieuw eerste lid toegevoegd. Voorheen bestond alleen de mogelijkheid om door het college gebieden aan te laten wijzen waar het verboden is om alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zicht te hebben.

Deze mogelijkheid staat nu in het tweede lid en geeft het college de mogelijkheid om bijvoorbeeld het gebied rondom het Feyenoordstadion aan te wijzen als gebied, waar het verboden is op straat alcoholhoudende drank te nuttigen. Ook andere gebieden kunnen worden aangewezen, zoals winkelcentra of stations. Sinds december 1994 heeft het college jaarlijks gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. In 2012 zijn deze gebieden opnieuw geïnventariseerd en vastgesteld. Op grond van de ervaringen in de diverse districten en gebieden blijkt dat de gebiedsaanwijzing beschouwd kan worden als een effectief middel ter bestrijding van overlast in gebieden waar zich regelmatig groepen ophouden, maar dat daarnaast behoefte bestaat aan een verbodsbepaling die zich richt tegen hinderlijk drankgebruik in het algemeen in de openbare ruimte. Hiermee kunnen overlastverschijnselen worden bestreden die niet tot bepaalde plaatsen beperkt zijn of waarvoor het instellen van een totaal verbod op het gebruik of bezit van alcohol vooralsnog als een te zwaar middel moet worden beschouwd. Hierbij kan gedacht worden aan gevallen van excessieve hinder van op straat drinkende personen tijdens een evenement of aan overlast door verspreidingseffecten uit gebieden waar wel een alcoholverbod in ingesteld. Om deze reden is in een nieuw eerste lid een generiek verbod opgenomen op grond waarvan kan worden opgetreden ingeval van overlast.

Toepassing van het tweede lid blijft beperkt tot door het collegeaangewezen gebieden. Deze gebieden worden om de drie jaar herzien.

Artikel 35 van de Drank- en Horecawet bepaalt, dat de burgemeester een ondernemer ontheffing kan verlenen van het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatig alcoholische drank te verstrekken, ten aanzien van het verstrekken van zwak alcoholische drank bij in het besluit aangewezen bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard.

Artikel 2:47a Verbod gebieden en locaties

Bij de gemeente en bij de politie komen regelmatig meldingen binnen van geluidsoverlast, hangjeugd en drugs-, lachgas- of alcoholgebruik op speel- of schoolpleinen, voetbalkooien, sportvelden of afgelegen parkeerterreinen in de avonduren. Op deze locaties is de overlast zeer lastig te bestrijden omdat op het moment dat toezichthouders ter plekke aankomen de overtredingen vaak niet meer constateerbaar zijn. Het bestaande APV-instrumentarium biedt in die situaties onvoldoende houvast om de overlast voor omwonenden effectief te bestrijden.

Met dit artikel krijgt de burgemeester de bevoegdheid om ter voorkoming van overlast, hinder of verstoringen van de openbare orde en veiligheid bepaalde locaties of gebieden tijdelijk af te sluiten voor het publiek. Het enkel ophouden in een door de burgemeester aangewezen gebied of locatie is dan voor toezichthouders voldoende om tot handhaving over te kunnen gaan.

Het instrument geldt als ultimum remedium in aanvulling op het bestaande instrumentarium om de openbare orde te handhaven en overlast in met name woonwijken tegen te gaan.

Eerste lid

Het eerste lid voorziet in een verbod zich te bevinden in de gebieden of de locaties die door de burgemeester zijn aangewezen. De inzet van de aanwijzingsbevoegdheid in het tweede lid is tweeledig. De bepaling is primair bedoeld om gebieden of locaties aan te wijzen waar stelselmatige overlast of hinder plaatsvindt. Zo kunnen bijvoorbeeld sportvelden, school- of speelpleinen, parkeerterreinen, parken of andere locaties in de nachtelijke uren worden aangewezen en is het verboden deze locaties te betreden of er te verblijven. Voorts kan deze bepaling worden ingezet bij incidentele en acute situaties van overlast of openbare orde problematiek.

Het instrument zal voornamelijk worden ingezet in de periodes wanneer de overlast het grootst is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de nachtelijke uren gedurende de lente- of zomermaanden. In de afgelopen periode is het gebieds- en locatieverbod in artikel 2.5 van de Noodverordening COVID-19 ingezet om overlast en incidenten op openbare plaatsen tegen te gaan. Met de onderhavige wijziging van de APV wordt voorzien in een bestendiger en breder inzetbaar instrument.

Tweede lid

In het tweede lid is bepaald dat de burgemeester de aanwijzingsbevoegdheid uitsluitend kan gebruiken wanneer als gevolg van de overlast of de verstoring van de openbare orde, de kwaliteit van de leefomgeving van de omwonenden van het aan te wijzen gebied, of de aan te wijzen locatie, in het geding is. Ook kan de bevoegdheid worden ingezet bij gevaar voor de veiligheid van personen of goederen, de volksgezondheid of de goede zeden.

De aanwijzing van een gebied vindt slechts plaats in aanvulling op het bestaande instrumentarium om onder andere geluidsoverlast, verboden drankgebruik, hinderlijk gedrag, lachgasgebruik of andere vormen van overlast of verstoring van de openbare orde tegen te gaan. Ook kan het artikel worden ingezet bij overmatige drukte. De aanwijzing van een gebied of locatie waar het verbod geldt, is in beginsel niet bedoeld om te worden ingezet op doorgaande wegen of andere gebieden of locaties waar een doorstroom van personen plaatsvindt.

Derde lid

Op basis van het derde lid bepaalt de burgemeester in het aanwijzingsbesluit gedurende welke perioden en tijdstippen het verbod van toepassing is. In de praktijk zal het vooral gaan om perioden of tijdstippen waarop die gebieden of locaties niet voor het daartoe bestemde doel worden gebruikt. Dit kan anders zijn, indien het instrument wordt ingezet om verstoringen van de openbare orde of acute situaties van overlast tegen te gaan.

Vijfde lid

Het vijfde lid bepaalt dat het verbod niet geldt voor direct omwonenden, toezichthouders, hulpverlenende diensten, personen die in het aangewezen gebied of op de aangewezen locatie noodzakelijke werkzaamheden verrichten en voor door de burgemeester te bepalen categorieën van gevallen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de categorie bestemmingsverkeer.

Zesde lid

Op grond van het zesde lid kan de burgemeester ontheffing verlenen van het verbod indien iemand een bijzonder belang heeft om in het aangewezen gebied of locatie te verblijven.

Artikel 2:48a Verbod gebruik lachgas

Grote delen van de stad worden regelmatig geconfronteerd met overlast door personen die op openbare plaatsen lachgas gebruiken. Sinds 2020 geldt in Rotterdam daarom een verbod op het gebruik van lachgas indien dit gepaard gaat met overlast. Dit verbod richt zich tegen hinderlijk lachgasgebruik in het algemeen in de openbare ruimte. Hiermee kan worden opgetreden tegen excessieve hinder of overlast van personen die op straat lachgas gebruiken.

Artikel 2:48a Lachgasverbod

Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd zijn met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder of overlast tot gevolg hebben. Dit verbod richt zich tegen hinderlijk lachgasgebruik in het algemeen in de openbare ruimte. Hiermee kan worden opgetreden tegen excessieve hinder of overlast van personen die op straat lachgas gebruiken.

Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid).

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen

Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47 (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen).

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip “weg”. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd. Het ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking gebracht. Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen. Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als wapen

Deze bepaling is van toepassing op messen en andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt. Het artikel heeft ten doel de bescherming van de openbare orde en veiligheid in heel Rotterdam. Het openlijk bezit van dergelijke wapens dient daarom op alle wegen in de gemeente verboden te worden. Om deze reden is gekozen voor het niet langer door het college laten aanwijzen van wegen. Het tweede lid grenst het verbod af van de op 1 september 1989 in werking getreden en in 2011 aangepaste Wet wapens en munitie. Deze wet verbiedt onder meer het dragen van steekwapens op de openbare weg of andere voor het publiektoegankelijke plaatsen, anders dan vervoer (dat wil zeggen: zodanig verpakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik kunnen worden aangewend). Ondanks de wetswijziging blijft een dergelijk APV artikel noodzakelijk.

Het APV artikel maakt direct optreden beter mogelijk, doordat het ook het openlijk bij zich dragen van een wapen strafbaar stelt. Afhankelijk van de omstandigheden vallen hieronder voorwerpen zoals dolkmessen, knuppels, flessen en tafelpoten. In die omstandigheden gaat het om de (directe) bescherming van de persoonlijke vrijheid of integriteit.

Artikel 2.50bVerbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

Het Openbaar Ministerie heeft bij de rechter civiele verboden gevraagd en gekregen tegen enkele motorclubs. Een groot aantal leden is gedurende een reeks van jaren betrokken bij tal van verboden en grotendeels ook ernstig verwijtbare criminele gedragingen. Deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen deze ontwrichten. Ze vormen een wezenlijke aantasting van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Door de frequentie van de (criminele) gedragingen van een groot aantal leden van deze organisaties, en als gevolg van de intimidatie die van het optreden door leden van een duidelijk herkenbare groep als deze uitgaat, is sprake van uitstraling van deze gedragingen naar een wijdere kring van niet-betrokken burgers. Het is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan.

Deelneming aan de voortzetting van dergelijke organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar gesteld in artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt echter pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is geworden. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog openstaan en niet zijn afgewikkeld, kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden. Om hiertegen toch te kunnen optreden is deze verbodsbepaling opgenomen in de APV.

Op grond van dit artikel is het verboden om op openbare plaatsen en voor het publiek openstaande gebouwen zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of ontbonden is vanwege strijd met de openbare orde. Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduidingen op motoren.

Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een anti-samenloopbepaling (tweede lid).

Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden gebracht.

Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt.

Artikel 2:53 Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen 

Dit artikel beschermt op verschillende manieren de privésfeer van burgers. Met dit artikel wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren verstoring van de privacy en persoonlijke levenssfeer te verbieden. 

Het eerste en tweede lid kan als aanvulling worden gezien op artikel 285b Wetboek van strafrecht (stalking), dat het inbreuk maken op de levenssfeer van een ander (om die ander te dwingen iets te doen, te dulden of vrees aan te jagen) strafbaar stelt. Anders dan bij het delict uit artikel 285b WvS is hier geen oogmerk vereist om iemand ergens toe brengen of van af te houden, dan wel vrees aan te jagen. Met dit lid kan bijvoorbeeld worden opgetreden tegen het ongewenst via een kijkgaatje begluren van personen in kleedhokjes.

Het derde lid is aanvullend op de artikelen 139f, 239, 246 en 441b Wetboek van Strafrecht en ziet op het heimelijk fotograferen en filmen van (delen van) personen waarbij de gefotografeerde of gefilmde personen er mogelijk geen weet van hebben dat zij worden gefilmd of gefotografeerd en waarbij het heimelijk fotograferen of filmen een aantasting van de eerbaarheid oplevert of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. Onder 'heimelijk' filmen of fotograferen wordt verstaan dat dit zonder instemming van de betrokkene heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft bepaald dat het heimelijk filmen of fotograferen niet als 'ontuchtige handeling' in de zin van artikel 246 Wetboek van Strafrecht kan worden gekwalificeerd (LJN: BW500, HR 10/04529, HR 10/05527). Dit leidde tot vrijspraak van een persoon die tijdens een evenement met een daarvoor geprepareerde tas met daarin een camera onder de rokken van dames foto's maakte. Het voyeuristische gedrag brengt volgens de HR wel een grove schending van de privacy met zich mee door binnen te dringen in de persoonlijke levenssfeer met visuele middelen, maar is dus in principe geen ontuchtige handeling. Dit kan onwenselijke situaties opleveren, waartegen met dit APV artikel alsnog kan worden opgetreden. Toepassing zal plaatsvinden in excessieve situaties of bij klachten van burgers over voyeurs. Een bepaling over heimelijk afluisteren is in verband met artikelen 139a en verder, 374bis en 441a van het Wetboek van Strafrecht niet nodig.

Artikel 2:57 Loslopende honden

Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond aangelijnd is, en op andere door het college aangewezen plaatsen zoals bijvoorbeeld kinderspeelplaatsen, zandbakken of het strand. Het college kan de aanwijzing naar dagen of uren beperken.

In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: - de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht; - het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; - het voorkomen van hinder en overlast voor weggebruikers; - het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, het strand, e.d.); - het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.

Artikel 2:57 kende tot 2002 geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden. Voor deze categorie in het derde lid een voorziening getroffen.

Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.

Ook artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden en katten op te vangen die ‘s nachts elders dan op het erf van de eigenaar of houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van artikel 4 bepaalt dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten van een en ander en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende veertien dagen na de datum van het bericht op te halen. Het ter plaatse doden van loslopende honden en katten is geregeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet op de dierenbescherming.

De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en katten wordt in twee opzichten beperkt: 1. De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven of in het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst is. 2. Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste staan. 3. De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie en de door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren van politie.

Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven.

De gemeente moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging van het dier op zich nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist.

Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een “gevonden dier”.

Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het geheel niet regelen.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden

Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Los daarvan staat het probleem al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen. Op grond van artikel 2:58 is de eigenaar of houder van een hondverplicht te allen tijde de uitwerpselen van zijn hond op te ruimen.

Er kunnen zich situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van de opruimplicht verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en eigenaren van gekwalificeerde geleidehonden. De verplichting van het eerste lid geldt daarom niet voor hen.

Het derde lid regelt dat binnen het gebied waar de opruimplicht geldt,plaatsen door het college aangewezen kunnen worden waar de eigenaar van een hond de uitwerpselen niet hoeft op te ruimen.

Op grond van het vierde lid kan het college voor individuele bijzondere gevallen ontheffing verlenen van hetgeen in het artikel wordt bepaald.

De eigenaar of houder van een hond is in aangewezen gebieden verplicht om daartoe geëigende middelen bij zich te dragen voor het opruimen van de uitwerpselen van zijn of haar hond. Dit betekent dus in de praktijk dat zodra de eigenaar of houder van een hond de openbare weg betreedt hij deze opruimmiddelen bij zich dient te hebben. De verplichting geldt zowel aan het beging als aan het einde van de uitlaatronde en ook op een hondenuitlaatplaats. Doeltreffende middelen zijn onder andere een speciaal hondenpoepzakje, een plastic of papieren zakje, een schepje danwel andere daartoe specifiek geschikte opruimmiddelen.

Artikel 2:59 Gevaarlijke en hinderlijke honden

Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.

Omdat de bevoegdheid tot het opleggen van een aanlijn- of muilkorfgebod een sterk openbare orde karakter heeft en daarbij vaak ook een snel handelen naar aanleiding van een incident vraagt, is besloten deze bevoegdheid bij de burgemeester te beleggen.

Op grond van het vijfde lid dient de eigenaar of houder van een hond te voorkomen dat zijn hond door aanhoudend geblaf of gejank hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust van omwonenden verstoort.

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer” op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd.

Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Wet natuurbescherming, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.

Het voeren van bepaalde dieren is opgenomen om het voeren van bijvoorbeeld meeuwen of duiven op bepaalde plaatsen te kunnen verbieden om daar zo nodig handhavend tegen te kunnen optreden.

Hier is van het toepassen van de lex silencio positivo afgezien. Dit vooral omdat in gevallen waarin dit artikel wordt toegepast vaak al enig ongenoegen leeft over de in de buurt ondervonden overlast. Een van rechtswege ontstane ontheffing en daardoor weer toenemende hinder zou de sfeer niet ten goede komen. Artikel 2:65 Bedelarij Uit onderzoek en politierapportages blijkt dat in Rotterdam – en in het bijzonder in het stadscentrum – in toenemende mate overlast van bedelaars wordt ondervonden. Wanneer men door een bedelaar wordt benaderd, ervaart een deel van de betrokkenen dit als bedreigend. Van de bedelaars, veelal harddrugsverslaafden, die actief zijn, gedraagt een aantal zich agressief en hinderlijk (volgen, aanklampen, de weg versperren e.d.) waardoor ergernis en overlast ontstaat bij voorbijgangers.

Omdat de strafbaarstelling van bedelarij in 2000 uit het Wetboek van Strafrecht is verdwenen, beschikt de politie thans nauwelijks over middelen om dit probleem aan te pakken.

Zolang geen strafbare feiten worden begaan, blijft het bij een waarschuwing en het wegsturen van de betrokkene, wat doorgaans weinig effect sorteert. Om adequaat tegen bedelarij en de daarmee samenhangende overlast te kunnen optreden, is deze gedraging alsnog in de APV verboden en strafbaar gesteld.

Blijkens de toelichting op het schrappen van artikel 432 uit het Wetboek van Strafrecht heeft de wetgever de mogelijkheid hiertoe in het belang van de openbare orde opengehouden. Het verbod in dit artikel heeft betrekking op bedelen om geld of andere zaken. De hinder en overlast die daarmee gepaard gaat kan bijvoorbeeld bestaan uit:

  • -

    het zich opdringen aan passanten;

  • -

    het aanklampen van passanten;

  • -

    het versperren van de doorgang van passanten;

  • -

    het volgen van passanten;

  • -

    het intimideren van passanten.

Het verbod heeft specifiek betrekking op het bedelen om geld of andere zaken. Dit verbod heeft nadrukkelijk geen betrekking op het voortbrengen van straatmuziek en de verkoop van de Straatkrant. Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Begripsbepaling De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden. Het Wetboek van strafrecht (WvSr.). bevat enkele bepalingen die de bestrijding van heling op het oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en 437quater. Het binnentreden bij handelaren is - ook zonder dat een strafbaar feit wordt vermoed - te allen tijde mogelijk op basis van artikel 552 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv). De in artikel 141 WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te oefenen vrije toegang tot alle vestigingen en andere plaatsen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar worden gebruikt. Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen. De politie kan voorwerpen in beslag nemen. Op grond van artikel 142 WvSv kunnen toezichthouders als buitengewone opsporingsambtenaren optreden. Zie daarover meer in de toelichting bij hoofdstuk 6. Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor buitengewone opsporingsambtenaren, naast de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 WvSv, bij de controle op de naleving van voorschriften inzake de helingbestrijding in het algemeen geen plaats. De in artikel 552 WvSv neergelegde binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene opsporingsambtenaren. Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat bekend is, welke handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd. Aan de verplichting ex artikel 437ter, tweede lid, WvSr om zich schriftelijk aan te melden bij de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar wordt in de huidige praktijk door veel handelaren niet voldaan. In dat geval zal de burgemeester gebruik moeten maken van de mogelijkheid de hem door artikelen 437 e.v. WvSr toegekende taken op te dragen aan door hem aan te wijzen ambtenaren.

Door capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn alle handelaren aan een regelmatige controle te onderwerpen. De controle zal zich moeten toespitsen op die branches waarin relatief veel gestolen goederen worden verhandeld en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de antiek , (brom)fiets en autohandel).

Handelaar Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht naar het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, KB 06-01-1992). Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de memorie van toelichting wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig zijn. In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde verkoopregister. Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het inkoopregister, welke is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven. Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.

In het eerste lid is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (“alle” goederen). Op grond van het tweede lid kan de burgemeester vrijstelling verlenen van bepaalde categorieën goederen, zodat deze niet hoeven te worden geregistreerd.

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen. Onderdeel a, onder 1° Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De gemeente Rotterdam heeft voor deze melding een digitaal loket ontwikkeld. Aanmelding dient te geschieden via dit digitale loket.

De wetgever heeft afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht is in onderdeel a, onder 1°, nader uitgewerkt.

Onderdeel a, onder 2° en 3° Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de registratie van de handelaren up to date houden.

Onderdeel a, onder 4° Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol.

De inhoud van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 WvSv.

Onderdeel b In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is. Door de bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister inzien.

Onderdeel d Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68, onderdeel d, voorziet hierin.

De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder d en f, WvSr. Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen, strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van vijf dagen, zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd. Afdeling 13 Vuurwerk

Artikel 2:71 Begripsbepalingen

Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en het bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Vuurwerkbesluit.

Het Vuurwerkbesluit beoogt de hele keten rond vuurwerk te regelen. Van het invoeren of produceren, tot transport, handel, opslag, bewerken en afsteken. De regels ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Het Vuurwerkbesluit kent regels voor zowel consumentenvuurwerk als professioneel vuurwerk. De regels voor professioneel vuurwerk zijn voor deze afdeling niet relevant.

Definitie consumentenvuurwerk

Voor de omschrijving van het begrip ‘consumentenvuurwerk’ is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit artikel 1.1.1, eerste lid, omschreven als: vuurwerk dat is ingedeeld in categorie F1, F2 of F3 en dat bij of krachtens dit besluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Vuurwerk in algemene zin is daar omschreven als: pyrotechnische artikelen ter vermaak. En pyrotechnisch artikel als: artikel dat explosieve stoffen of een explosief mengsel van stoffen bevat die tot doel hebben warmte, licht, geluid, gas of rook dan wel een combinatie van dergelijke verschijnselen te produceren door middel van zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties.

Het vuurwerk dat krachtens het Vuurwerkbesluit is aangewezen als consumentenvuurwerk is aangewezen in de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk.

De begripsomschrijving van consumentenvuurwerk in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit is een andere definitie dan in het Vuurwerkbesluit voor 2010. Daar was in het inmiddels vervallen artikel 1.1.2 alle vuurwerk dat door een particulier werd afgestoken, te koop werd aangeboden aan een particulier, werd aangetroffen bij een particulier, werd geïmporteerd of bewaard met de bedoeling het aan particulier ter beschikking te stellen, of was voorzien van de aanduiding “geschikt voor particulier gebruik” aangemerkt als consumentenvuurwerk.

Dezelfde opsomming is nu opgenomen in artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit. Artikel 1.2.2 regelt een verbod aan handelaren om professioneel en theatervuurwerk aan particulieren ter beschikking te stellen, en aan particulieren om zulk vuurwerk op te slaan, voor handen te hebben of af te steken.

In de praktijk is het verschil dat iemand die buiten de tijden waarop rond oud en nieuw vuurwerk mag worden afgestoken wordt betrapt op het afsteken van professioneel of theatervuurwerk, niet zoals voor 2010 strafbaar is voor het overtreden van zowel de APV als het Vuurwerkbesluit, maar alleen voor overtreding van het Vuurwerkbesluit. Het is van belang dat er op de juiste basis wordt beboet.

Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is voor particulier gebruik – aldus artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit – indien: a. het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier; b. het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of besteld door een particulier; c. het aangetroffen wordt bij een particulier; d. het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen of e. het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.

Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op: - vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed, zoals klappertjes voor speelgoedpistolen; - vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer is; - vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in Nederland wordt gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig.

Fop- en schertsvuurwerk Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1 van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel 2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.

Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels: - een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een particulier (artikel 2.3.2 lid 1); - dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2); - een verbod per levering meer dan 25 kilogram consumentenvuurwerk aan een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3); - een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen (artikel 2.3.4); - een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te stellen aan personen die jonger zijn dan 12 jaar, voor zover het betreft categorie 1, 16 jaar voor zover het betreft categorie 2 en 18 jaar voor zover het betreft categorie 3(artikel 2.3.5); - een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar (artikel 2.3.6). De bepalingen 2:72 en 2:73 zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van vuurwerk tijdens verkoopdagen

Verkoopvergunning consumentenvuurwerk Op basis van artikel 2:72 kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Deze vergunning is als gevolg van de versoepeling van landelijke regelgeving in 2012 opnieuw geïntroduceerd.

De landelijke aanpassing van het vuurwerkbesluit in 2012 houdt in dat bedrijven pas vanaf 10.000 kg vuurwerkopslag een vergunning nodig hebben. Hierdoor kunnen vuurwerkverkooppunten tot 10.000 kg zich vergunningvrij vestigen in Rotterdam. Dit kan een toename van het aantal verkooppunten in Rotterdam tot gevolg hebben. Het behoeft geen toelichting dat het gevaar voor de omgeving potentieel sterk wordt vergroot door de (10 maal) grotere hoeveelheid vuurwerk die in een bedrijf vergunningvrij opgeslagen mag worden.

Om deze lacune door de deregulering van het landelijke Vuurwerkbesluit te dichten en tevens te zorgen voor een evenwichtige spreiding van het aantal vuurwerkverkooppunten in de stad, wordt opnieuw een lokale vergunningplicht voor vuurwerkverkooppunten in de APV opgenomen.

De lokale vuurwerkvergunning koppelt een toelatingsregime aan een op langere termijn effect hebbend spreidingsbeleid, met als doel het woon- en leefklimaat in woonwijken te verbeteren door (een concentratie van) vuurwerkverkooppunten aldaar tegen te gaan.

Algemene weigeringsgronden in de zin van artikel1:8 in het kader van de onderhavige vergunning zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de openbare orde waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming van de kwetsbare medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door overlast dreigt te worden aangetast. De vergunning kan daarom worden geweigerd als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen, bejaardentehuizen, scholen en dierenasiels. In het laatste geval is er sprake van handhaving van de openbare orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming van overlast een spreidingsbeleid voor verkooppunten voeren of een maximaal af te geven aantal vergunningen vaststellen. Er is daarom niet voor gekozen om in het onderhavige artikel een maximum te verbinden aan het aantal te verlenen vergunningen. Met het spreidingsbeleid kan bijvoorbeeld een concentratie aan vuurwerkverkooppunten in een straat of woonwijk, wat een ongewenste situatie voor het woon- of leefklimaat kan zijn, worden tegengegaan. In afwijking van artikel 1:7 wordt de vergunning verleend voor de duur van 5 jaar.

Overigens betekent de introductie van een lokale vuurwerkvergunning voor de enkele exploitant die meer dan 10.000 kilogram vuurwerk opslaat, dat hij twee vergunningen nodig heeft. Dit is te rechtvaardigen vanwege het verschil in doelstellingen.

Koopzondag In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag. Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.

Derde lid In dit artikellid zijn in aanvulling op de artikelen 1:6 en 1:8 de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden opgenomen. Algemene achtergrond van deze bepalingen is de behoefte om de exploitanten of beheerders meer rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op hun doen en laten. Het derde lid vormt het sluitstuk op het handhavingsinstrumentarium. Wanneer een ondernemer de voorschriften of beperkingen van een aan hem verleende vergunning heeft overtreden, kan dit ertoe leiden dat aan hem geen nieuwe vergunning meer wordt verleend of zijn bestaande vergunning wordt ingetrokken. Dit kan ook indien in of vanuit de het vuurwerkverkooppunt zich een feit voordoet waardoor de openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat in de omgeving van het vuurwerkverkooppunt nadelig zal worden beïnvloed of gebleken is dat de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

Naar analogie van de eisen zoals deze gesteld worden in horecaparagraaf, vindt altijd een antecedententoets van de exploitant en beheerder plaats. De toetsing aan deze eis is niet bij voorbaat aan regels gebonden. Derhalve is de burgemeester bij de beoordeling of er sprake is van slecht levensgedrag vrij in de wijze van beoordeling en zijn er geen beperkingen opgelegd aan de feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken bij dit oordeel (zie ook ABRvS 26 juni 2002, 200106008/1).

Op basis van jurisprudentie is een onherroepelijke veroordeling niet noodzakelijk om in de terminologie van de APV te mogen spreken van in enig opzicht slecht levensgedrag (zie ook ABRvS 12 maart 2001, GS 151 (2001) 7141, 2). In navolging van de uitbreiding van het wetsvoorstel BIBOB, welke in 2013 in werking zal treden, zal ook een BIBOB-toets tot de mogelijkheden behoren.

Artikel 20 van de Wet politiegegevens biedt de bevoegdheid om bij het verstrekken van vergunningen over politiegegevens te beschikken en deze mee te wegen bij de te nemen beslissing. De burgemeester moet als verantwoordelijke voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid kunnen beschikken over alle relevante informatie over eventuele onveiligheid in voor publiek toegankelijke ruimten.

Geen vergunning wordt verleend indien de vestiging of de exploitatie van het vuurwerkverkooppunt in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. Dit vanwege de wens om in de toekomst de spreiding van vuurwerkverkooppunten middels bestemmingsplannen te realiseren.

Opgemerkt wordt nog dat artikel 2:35 ‘Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen’ een grondslag biedt voor een (tijdelijke) sluiting van een vuurwerkverkooppunt.

Vierde tot en met zesde lid De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:5 APV) en wordt verleend voor de aangevraagde locatie. Wanneer andere personen het bedrijf leiden, is een nieuwe toets door het college noodzakelijk. Een eenmaal verleende vergunning kan niet worden meegenomen naar een andere locatie. Dan zal een nieuwe toets moeten plaatsvinden. Met het begrip “drijver van de inrichting” wordt aangesloten bij de Wet milieubeheer en het Vuurwerkbesluit.

Gezien de veiligheidsaspecten, de grote toeloop die een vuurwerkhandel doorgaans met zich meebrengt en de scherpe concurrentie in deze branche is er van afgezien om hier een lex silencio positivo in te voeren.

Artikel 2:73 Verbod gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

In Rotterdam geldt sinds 2020 tijdens de jaarwisseling een verbod op het afsteken van consumentenvuurwerk, met uitzondering van fop- en schertsvuurwerk. Met dit vuurwerkverbod wordt benadrukt dat het afsteken van consumentenvuurwerk tot onaanvaardbare risico‘s, overlast, schade, incidenten en letsel leidt.

Met het vuurwerkverbod wil Rotterdam verstoringen van de openbare orde terugdringen en zorgdragen voor een veilig en leefbaar Oud en Nieuw voor iedereen. De verwachting is dat het vuurwerkverbod er ook toe zal leiden dat er minder vuurwerk in omloop zal zijn. Professionele vuurwerkshows zijn nog wel toegestaan.

Het Vuurwerkbesluit en de Wet milieubeheer zijn hogere regelingen waaraan een verbod op vuurwerk dient te worden getoetst. Deze regelingen bevatten regels vanuit het motief van de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu. Het motief van deze regelingen en het Rotterdamse vuurwerkverbod vallen niet samen. Het Rotterdamse vuurwerkverbod is primair ingegeven vanuit de ‘handhaving van de openbare orde, leefbaarheid en veiligheid’. Met het vuurwerkverbod wordt de overlast van het afsteken van vuurwerk (geluidhinder, brandgevaar, kans op letsel en kans op vandalisme) en de inbreuk op de openbare orde, leefbaarheid en veiligheid beperkt.

Afdeling 14: Drugsoverlast

Artikel 2:74 Drugshandel op straat

In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft. Artikel 3.3.2 beoogt een instrument te bieden in de strijd tegen de overlast,welke wordt veroorzaakt door het op geregelde tijdstippen en op bepaalde plaatsen of routes aanbieden en aannemen van verdovende middelen, met name harddrugs. In artikel 3.3.2 zijn zowel de aanbieders als de "aannemers" en "bemiddelaars" (drugrunners) strafbaar. Verder is artikel3.3.2 zó geredigeerd, dat het er niet toe doet, of privaatrechtelijk sprake is van koop of verkoop, schenking e.d. De vraag rijst waaruit het 'kennelijke doel' kan blijken. Dat dient te blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties, het ruziën tussen aanbieders en afnemers etc.

Toelichting (algemeen)

Vanuit de openbare orde optiek gezien draagt het gebruik van met name harddrugs en de daarbij behorende randverschijnselen in aanzienlijke mate bij aan de ongewenste verloedering van de stad. Helaas is groepsvorming van gebruikers en handelaren een permanent, maar overigens in frequentie, ernst en omvang variërend verschijnsel op de openbare weg geworden. Groepsvorming van drugsgebruikers en -handelaren behoeft op zich geen acuut gevaar op te leveren voor de woon- en leefomgeving en voor voorbijgangers. Zeker is wel dat deze groepsvorming bij passanten sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid, en dus overlast oproept. Voor het gemeentebestuur is er dan de taak iets te doen aan de overlastgevende aspecten van gebruik van en handel in drugs.

Daartoe is in deze APV een aantal bepalingen - specifiek gericht op deze problematiek - opgenomen. De hier bedoelde bepalingen vormen een aanvulling op andere bepalingen in deze APV inzake hinderlijk gedrag op of aan de openbare weg, welke bepalingen evenzeer kunnen worden gehanteerd in het kader van een beleid, gericht op het voorkomen en bestrijden van drugsoverlast. Met name worden genoemd:

-artikel 2:1: samenscholing en ongeregeldheden; - artikel 2:47: hinderlijk gedrag op openbare plaatsen; - artikel 2:48: verboden drankgebruik; - artikel 2:49: Verboden gedrag bij of in gebouwen; - artikel 2:50a: messen en andere voorwerpen als wapen. Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Vele druggebruikers gebruiken hun (hard) drugs - of treffen daartoe voorbereidingen - in het openbaar. Dit veroorzaakt veel gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij het publiek. Op basis van dit artikel kan de politie overgaan tot aanhouding van de betrokken gebruikers of deze van bepaalde - bij hen favoriete - plekken wegsturen. Ook kan de politie de voorwerpen waarmee de overtreding wordt gepleegd (hulpmiddelen, drugs) strafrechtelijk in beslag nemen.

In het kader van de hulpverlening komt het voor, dat ook "veldwerkers" van de GGD of van andere hulpverlenende instanties op de weg in het bezit zijn van voorwerpen of stoffen, die worden gehanteerd bij drugsgebruik. Deze veldwerkers vallen desondanks niet onder deze strafbepaling, omdat zij deze voorwerpen of stoffen "ambtshalve" bij zich hebben en daarmee geen overlast veroorzaken. Het in dit artikel gestelde verbod is in beginsel gerelateerd aan het (openlijk) gebruik van drugs en richt zich dus tot de druggebruikers.

Dat het artikel alleen ziet op het gebruik van drugs heeft ook te maken met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2011 [zaaknummer 201009884/1/H3].

De artikelen over drugsgebruik zijn opnieuw geredigeerd aan de hand van deze uitspraak. Een verbodsbepaling in de APV die ziet op het gebruik van drugs op de openbare weg blijft echter zeer wenselijk.

Voor een gemeentelijke verbodsbepaling is volgens de Afdeling geen ruimte, indien deze handelingen reeds verboden zijn op grond van artikel 3, aanhef en onder c, van de Opiumwet, en strafbaar gesteld op grond van artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet.

Op grond van de huidige redactie van artikel 2:74a bestaat er geen overlap bestaat met de artikel 2 en 3 van de Opiumwet. En dergelijke strafbepaling in de APV is gerechtvaardigd en niet in strijd met bovengenoemde uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, nu het artikel enkel ziet op het gebruik van drugs.

Artikel 2:74b Weggooien van spuiten e.d.

Artikel 2:74b verbiedt het zich ontdoen van attributen die bij gebruik van(hard) drugs worden gehanteerd. Aangezien deze attributen in deze tijd veelal gevaarvolle objecten zijn (m.n. injectiespuiten i.r.m. AIDS) is een algemeen verbod gesteld om deze op of aan de openbare weg achter te laten. Ook het weggooien van deze attributen in afvalbakken is op grond van artikel 2:74b niet toegestaan vanwege de risico's voor mensen die in afvalbakken graaien of deze ambtshalve moeten legen. Spuiten e.d. dienen aan het "eigen zorgkader" te worden toevertrouwd (medische diensten e.d.). Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebruik lasers Artikel 2:75 Bestuurlijke ophoudingAls gevolg van de wijziging van de Gemeentewet door toevoeging van de artikelen 154a, is voor de burgemeester de mogelijkheid gecreëerd om groepen personen voor de duur van maximaal 12 uren op te houden.

Bestuurlijk ophouden is het op een bepaalde plaats onderbrengen en vasthouden van groepen ordeverstoorders, met inbegrip van het overbrengen naar die plaats. Overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet oefent de burgemeester de bevoegdheid tot bestuurlijke ophouding pas uit in geval van groepsgewijze niet-naleving van door de raad, bij verordening vastgestelde en daartoe specifiek aangewezen voorschriften tot handhaving van de openbare orde of beperking van gevaar als bedoeld in artikel 175 Gemeentewet, en indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte wijze kan worden verzekerd.

Gelet op het bovenstaande heeft de raad een aantal artikelen, betrekking hebbende op de openbare orde en veiligheid, aangewezen op basis waarvan bij overtreding de burgemeester kan besluiten groepen bestuurlijk op te houden.

Bestuurlijk ophouden is een bestuursrechtelijk ultimum remedium. Bestuurlijk ophouden komt in beeld bij grootschalige verstoringen van de openbare orde, zoals bijvoorbeeld bij krakersrellen, demonstraties, risicowedstrijden of grootschalige evenementen. Tot toepassing mag niet lichtvaardig worden besloten. Andere middelen moeten niet toereikend zijn om de openbare orde te herstellen. Deze verstrekkende bevoegdheid zal inde praktijk dan ook niet eerder toegepast worden dan na overleg met de korpschef van de regiopolitie en de hoofdofficier van justitie(driehoeksoverleg).

Overeenkomstig artikel 154a, zevende lid, mag de ophouding niet langer duren dan de tijd die nodig is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving, met een maximum van 12 uren. In dat kader is het van belang dat de burgemeester met enige regelmaat toetst of de bestuurlijke ophouding nog noodzakelijk is.

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden

Op grond van artikel 151b van de Gemeentewet kan de raad de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden genoemd in de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: - vervoermiddelen te onderzoeken; - een ieder aan de kleding te onderzoeken; - te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.

De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Over deze feiten en omstandigheden wordt de burgemeester geïnformeerd door de korpschef. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dat strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. Alvorens de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde: - feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan; - zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers(privacy); - subsidiariteit en proportionaliteit; - breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter verhoging van leefbaarheid en veiligheid.

In artikel 151b van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting wordende voorwaarden voor het aanwijzen van veiligheidsrisicogebieden beschreven. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen

Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet heeft de raad de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verleend om, indien de handhaving van de openbare orde dit noodzakelijk maakt, te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

De invulling van het begrip ‘openbare plaats’ u