Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Delft houdende regels omtrent re-integratie Participatiewet Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Delft 2015

Geldend van 06-01-2018 t/m heden

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Delft houdende regels omtrent re-integratie Participatiewet Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Delft 2015

De raad van de gemeente Delft;

heeft het voorstel gelezen van burgemeester en wethouders dd. 31 maart 2015;

en houdt rekening met artikel 6, 8 en 8a van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

en

en houdt rekening met de Verordening (EG) Nr. 8000/2008 van de Europese Commissie van 6 augustus 2008, betreffende de toepassing van artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag van werkgelegenheidssteun

en besluit

de ‘Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Delft 2015’ vast te stellen

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN.

Artikel 1 Begripsbepalingen .
  • 1.

    Deze verordening verstaat onder:

    • a.

      de wet: Participatiewet;

    • b.

      het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft;

    • c.

      de doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a van de wet, of als bedoeld in artikel 10d, tweede lid van de wet.

    • d.

      een uitkeringsgerechtigde: persoon vanaf 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd, die algemene bijstand ontvangt, ingevolge de wet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeids-ongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz);

    • e.

      een niet-uitkeringsgerechtigde: persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die geen recht heeft op een uitkering of arbeidsondersteuning op grond van de wet, of op grond van de overige wetten, zoals opgenomen in artikel 6, eerste lid onderdeel a van de wet. Met een niet-uitkeringsgerechtigde wordt gelijkgesteld de persoon die arbeid verricht waarmee volledig in de kosten van het bestaan kan worden voorzien, doch waarvoor een vorm van subsidie aan de werkgever wordt verleend. Van toepassing is artikel 10, tweede lid van de wet;

    • f.

      een Anw-gerechtigde: persoon die een nabestaanden- of halfwezen uitkering ontvangt op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw);

    • g.

      een belanghebbende: persoon die overeenkomstig artikel 10 van de wet aanspraak kan maken op een voorziening;

    • h.

      een arbeidsbeperkte: persoon van wie door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijke minimumloon;

    • i.

      de loonwaarde: waarde van de prestatie die de werknemer levert op de werkvloer in verhouding tot die van een reguliere werknemer in dezelfde functie. Van toepassing is artikel 6, eerste lid onderdeel g van de wet;

    • j.

      een participatieplaats: een participatieplaats als bedoeld in artikel 10a van de wet;

    • k.

      beschut werk: werk in een beschutte omgeving en onder aangepaste omstandigheden als bedoeld in artikel 10b van de wet;

    • l.

      sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening staan en die niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de overige in deze verordening aangehaalde wetten.

Artikel 2. Opdracht aan het college.
  • 1. Het college ondersteunt de doelgroep en biedt een voorziening die gericht is op arbeidsinschakeling of, als dat doel niet of nog niet bereikbaar is, sociale activering. Artikel 40, lid 1 van de wet en artikel 11 van de IOAW/IOAZ is hierop ook van toepassing.

  • 2. Bij het aanbieden van een voorziening maakt het college een afweging, waarbij het beoordeelt of de voorziening het doelmatigst is met het oog op arbeidsinschakeling. Hierbij houdt het college rekening met de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende.

  • 3. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van de belanghebbende. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die belanghebbende en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, zoals bedoeld in artikel 9, of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, zoals bedoeld in artikel 12.

  • 4. Het college stelt nadere regels vast wat wordt verstaan onder zorgtaken als bedoeld in het derde lid.

  • 5. Het college kan bij het bepalen van de wijze waarop de ondersteuning aan belanghebbenden wordt vormgegeven, prioriteiten stellen in verband met de beschikbare financiële middelen en de maatschappe-lijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen.

  • 6. Uitvoering van dit artikel vindt plaats binnen de middelen die de raad daarvoor beschikbaar stelt.

Artikel 3. Aanspraak.
  • 1. De doelgroep heeft aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op een voorziening, als het college de inzet daarvan noodzakelijk acht. Het college bepaalt welke voorziening of combinatie van voorzieningen wordt aangeboden.

  • 2. Het eerste lid is in de eerste vier weken na de melding om bijstand aan te vragen, bedoeld in artikel 44 van de wet, niet van toepassing op belanghebbenden zoals bedoeld in artikel 41, vierde lid van de wet.

  • 3. De aanspraak op een voorziening is beperkt tot personen die woonplaats hebben in de gemeente Delft. Wijzigt de woonplaats van de belanghebbende na aanvang van een voorziening, dan is het college bevoegd te bepalen of de voorziening toch kan worden voortgezet. Van toepassing is artikel 40, eerste lid van de wet en artikel 11 van de IOAW/IOAZ.

  • 4. Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning of een voorziening, als er sprake is van een voorliggende voorziening die naar het oordeel van het college in voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de aanvrager.

  • 5. Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond kan een reden zijn om aanspraak op een specifieke voorziening te weigeren.

Artikel 4. Beleidskaders.
  • 1. Periodiek, maar ten minste één keer per vier jaar, legt het college beleidskaders voor aan de raad om vast te stellen. Daarin komen in ieder geval de aard, de omvang en het financiële kader van de aan te bieden voorzieningen aan de orde.

  • 2. Periodiek, maar ten minste één keer per vier jaar, rapporteert het college aan de raad over de wijze waarop, en de mate waarin beleidskaders, zoals bedoeld in het eerste lid, zijn uitgevoerd.

HOOFDSTUK 2. VOORZIENINGEN.

Artikel 5. Algemene bepalingen over voorzieningen.
  • 1. In de beleidskaders zoals bedoeld in artikel 4 wordt vastgelegd welke voorzieningen het college in ieder geval kan aanbieden. Ook staan hierin de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

  • 2. Een voorziening wordt alleen ingezet, als het volgens het college niet mogelijk is zonder die voorziening algemeen geaccepteerde arbeid te vinden of terug te keren naar onderwijs dat het Rijk bekostigt.

  • 3. Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor die voorziening die beschikbaar, adequaat en toereikend is voor het doel dat daarmee beoogd wordt.

  • 4. Het college kan een voorziening beëindigen, als:

    • a.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt, zijn verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 en 17 van de wet, artikelen 13 en 37 van de IOAW/IOAZ niet nakomt;

    • b.

      de persoon die deelneemt aan de voorziening, niet meer behoort tot de doelgroep van de wet, de IOAW of de IOAZ;

    • c.

      de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt en hierdoor niet meer afhankelijk is van een uitkering;

    • d.

      naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

    • e.

      de voorziening niet langer noodzakelijk is voor arbeidsinschakeling of daaraan niet blijkt bij te dragen;

    • f.

      belanghebbende of werkgever onvoldoende medewerking verleent aan de tenuitvoerlegging van de voorziening;

    • g.

      de voorziening anderszins niet langer noodzakelijk is.

Artikel 6. Proefplaatsing.
  • 1. Het college kan aan een belanghebbende toestaan om, indien van toepassing met behoud van uitkering, op proef werkzaamheden te laten verrichten bij een werkgever, die daadwerkelijk de intentie heeft om een dienstverband met de belanghebbende aan te gaan, maar die in de dagelijkse praktijk wil toetsen of de belanghebbende geschikt is.

  • 2. Het college stelt nadere regels vast voor de voorwaarden die aan de proefplaatsing zijn verbonden.

Artikel 7. Werken met behoud van uitkering.
  • 1. Het college kan aan een belanghebbende toestaan met behoud van uitkering activiteiten te verrichten bij een werkgever.

  • 2. Het college stelt nadere regels vast voor de voorwaarden die aan het werken met behoud van uitkering zijn verbonden.

Artikel 8. Werkgeverscheque.
  • 1. Het college kan een financiële tegemoetkoming in de vorm van een werkgeverscheque verstrekken aan werkgevers, die met een belanghebbende een arbeidsovereenkomst sluiten die gericht is op arbeids-inschakeling in een reguliere setting.

  • 2. Het college stelt nadere regels vast voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 9. Loonwaarde en loonkostensubsidie.
  • 1. Het college kan ambtshalve of naar aanleiding van een schriftelijke aanvraag vaststellen of de belanghebbende die arbeidsmogelijkheden heeft, niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen en daarmee behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e van de wet of tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 10d, tweede lid van de wet.

  • 2. Het college kan advies inwinnen over het oordeel of de belanghebbende tot de doelgroep Loonkosten-subsidie behoort.

  • 3. Het college stelt de loonwaarde van de belanghebbende vast, indien een werkgever voornemens is met deze persoon een dienstbetrekking aan te gaan.

  • 4. Bij de vaststelling van de loonwaarde neemt het college in aanmerking of sprake is van beperkingen van lichamelijke, verstandelijke, psychische of andere aard, die naar verwachting leiden tot een arbeids-prestatie met een loonwaarde van niet meer dan 80% van het wettelijk minimumloon.

  • 5. Bij de vaststelling van de loonwaarde betrekt het college opgaven en inlichtingen van de belanghebbende en de werkgever, en/of de praktijkervaringen van de belanghebbende, bijvoorbeeld tijdens een stage of proefplaatsing, indien deze vooraf zijn gegaan aan de arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever.

  • 6. Het college maakt gebruik van een objectief loonwaardenmeetsysteem voor het beoordelen of de belanghebbende tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.

  • 7. Het college bepaalt de loonkostensubsidie nadat de hoogte van de loonwaarde is vastgesteld.

  • 8. De loonkostensubsidie bedraagt het verschil tussen de loonwaarde en het wettelijk minimumloon en bedraagt maximaal 70% van het wettelijk minimum loon en de aanspraak op vakantiebijslag op grond van artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met een bij ministeriële regeling nader te bepalen vergoeding voor werkgeverslasten.

  • 9. Het college kan in overleg met de werkgever vaststellen dat de vaststelling van de loonwaarde gedurende maximaal de eerste zes maanden van de dienstbetrekking achterwege kan blijven. In deze periode wordt een forfaitaire loonkostensubsidie verstrekt ter hoogte van 50 procent van het totale bedrag van het wettelijk minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag op grond van artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met een bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding voor werkgeverslasten

Artikel 10. Begeleiding op de werkplek.
  • 1. Belanghebbenden die behoren tot de doelgroep van de loonkostensubsidie, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e van de wet, hebben op grond van artikel 10da van de wet aanspraak op begeleiding op de werkplek.

  • 2. Het college geeft, in overleg met de werkgever, nadere invulling aan de vorm en inhoud van deze begeleiding.

Artikel 11. Werkvoorzieningen.
  • 1. Het college kan aan de belanghebbende, die arbeid verricht of gaat verrichten, werkvoorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid. Onder werkvoorzieningen worden verstaan:

    • a.

      vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de belanghebbende zijn werkplek kan bereiken;

    • b.

      hulpmiddelen voor belanghebbenden met o.a. een visuele, of motorische handicap;

    • c.

      hulpmiddelen voor het geschikt maken van de arbeidsplaats, voorzieningen ten behoeve van de productie- en werkmethoden en op het individu afgestemde hulpmiddelen;

    • d.

      jobcoaching bij het verrichten van de aan belanghebbende opgedragen taken.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen inzake de aard, inhoud en omvang van de voorzieningen.

Artikel 12. Beschut werk.
  • 1. Het college biedt ambtshalve of op verzoek de voorziening beschut werk, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat hij/zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, en deze persoon:

    • a.

      behoort tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, lid 1 onderdeel a van de Participatiewet, of

    • b.

      een uitkering ontvangt van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)

  • 2. Het college kan uit de personen uit de doelgroep een voorselectie maken en wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of belanghebbende uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

  • 3. De datum van het (positief) advies van het UWV is bepalend voor de volgorde van het aanbod van de voorziening beschut werk.

  • 4. Het aantal jaarlijks te realiseren dienstbetrekkingen is beperkt tot het aantal dat bij ministeriële regeling is vastgesteld.

  • 5. Het college kan extra dienstbetrekkingen realiseren, bovenop het aantal te realiseren dienstbetrekkingen, zoals genoemd in lid 4.

  • 6. Het college kan nadere regels opstellen om de volgorde te bepalen van het aanbod van de extra dienstbetrekkingen, zoals genoemd in lid 5.

  • 7. Om de in artikel 10b eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken kan het college ondersteunende voorzieningen, zoals genoemd in deze verordening inzetten.

  • 8. Het college kan een andere voorziening, zoals genoemd in deze verordening inzetten tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt.

  • 9. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de uitvoering van de voorziening beschut werk.

Artikel 13. Participatieplaats.
  • 1. Het college kan een belanghebbende van 27 jaar of ouder, overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.

  • 2. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van lid 1.

Artikel 14. Persoonsgebonden Re-integratiebudget.
  • 1. Het college kan aan personen die behoren tot de doelgroep, een subsidie verstrekken in de vorm van een op arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden re-integratiebudget.

  • 2. Het college stelt nadere regels vast voor de uitvoering van dit artikel.

HOOFDSTUK 3. OVERIGE BEPALINGEN.

Artikel 15. Premies.
  • 1. Het college kan een premie toekennen aan personen die behoren tot de doelgroep.

  • 2. Het college stelt nadere regels vast voor de hoogte en de verplichtingen die aan de premie worden verbonden.

Artikel 16. Eigen bijdrage.
  • 1. Het college kan bepalen dat een persoon die geen uitkeringsgerechtigde is, een eigen bijdrage moet betalen voor de ondersteuning en voorziening die hij ontvangt.

  • 2. Het college stelt de wijze waarop vast, de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder het deze eigen bijdrage oplegt.

Artikel 17. Terugvordering.
  • 1. Indien het college een voorziening heeft aangeboden aan een niet-uitkeringsgerechtigde of een Anw-gerechtigde, kan het college de kosten van de voorziening geheel of gedeeltelijk van de belanghebbende terugvorderen, indien:

    • a.

      de voorziening is verleend op basis van onjuist verstrekte gegevens; of

    • b.

      de belanghebbende zijn verplichtingen niet is nagekomen; of

    • c.

      de voorziening anderszins naar het oordeel van het college onverschuldigd is betaald.

HOOFDSTUK 4. SLOTBEPALINGEN.

Artikel 18. Bevoegdheid college.
  • 1. In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2. Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van deze verordening, als zij vindt dat de strikte toepassing ervan onrechtvaardig is.

Artikel 19. Hardheidsclausule.

1.Het college kan in individuele gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening. Dit kan als de toepassing daarvan tot onbillijkheden leidt.

Artikel 20. Intrekken oude verordening en overgangsrecht.
  • 1. Per 1 januari 2015 komt de ‘Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012’ te vervallen.

  • 2. De belanghebbende houdt recht op lopende voorzieningen verstrekt op grond van de ‘Re-integratie-verordening WWB, IOAW en IOAZ 2012’, totdat het college in het individuele geval een nieuw besluit heeft genomen.

Artikel 21. Ingangsdatum en citeertitel.
  • 1.

    Deze verordening gaat in op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2015.

  • 2.

    Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Delft 2015’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 4 juni 2015.
mr. drs. G.A.A. Verkerk ,burgemeester.
drs. R.G.R. Jeene ,griffier.

ALGEMENE TOELICHTING

Het college is verantwoordelijk voor de re-integratie van uitkeringsgerechtigden, niet-uitkerings-gerechtigden en Anw-gerechtigden. Het nieuwe artikel 8a van de Participatiewet verplicht de raad bij verordening regels vast te stellen over welke voorzieningen het college aanbiedt en wie onder welke voorwaarden voor die voorzieningen in aanmerking komen. De raad is verplicht in ieder geval regels te stellen met betrekking tot:

  • ·

    de scholing of opleiding, zoals bedoel in artikel 10a, vijfde lid van de Participatiewet;

  • ·

    de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid van de Participatiewet;

  • ·

    de participatievoorziening beschut werk, zoals bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet; en

  • ·

    voor welke vergoedingen naar hoogte en duur een werkgever in aanmerking komt bij ziekte van de werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d ontvangt (de no-riskpolis).

Daarnaast verplicht artikel 6, tweede lid van de Participatiewet de raad bij verordening regels te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie en de loonwaarde. Deze regels bepalen in ieder geval de wijze waarop wordt vastgesteld wie er tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort en de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld. Gekozen is deze regels met betrekking tot de loonkostensubsidie en de loonwaarde integraal op te nemen in de re-integratieverordening.

Het ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en het zo nodig aanbieden van voorzieningen is gericht op de kortste weg naar algemeen geaccepteerde arbeid. Het college stelt vast welke voorziening voor wie het meest geschikt is om het beoogde doel te behalen. Het uitgangspunt is een evenwichtige inzet van instrumenten, met lichtere instrumenten voor degenen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt en zwaardere instrumenten voor diegenen, die deze het meeste nodig hebben. Voor de belanghebbenden die niet binnen redelijke termijn bemiddeld kunnen worden naar algemene geaccepteerde arbeid, zet het college in op duurzaam participeren in de maatschappij, bijvoorbeeld door het verrichten van vrijwilligerswerk.

Bij de inzet van de re-integratievoorzieningen is er aandacht voor alle in de Participatiewet te onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet voor het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Het is afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Verder speelt een rol dat de arbeidsmarkt niet statisch is. Er doen zich continu ontwikkelingen voor, die om flexibele inzet van re-integratievoorzieningen vragen. Daarom wordt in deze verordening in diverse onderdelen opgenomen dat het college de bevoegdheid heeft om nadere regels te maken bij het inzetten van deze voorzieningen.

De wetgever heeft bepaald dat binnen elke arbeidsmarktregio een set aan basisvoorzieningen moet komen, voor ondersteuning aan werkgevers en werkzoekenden bij de plaatsing op een baan. Delft maakt samen met de gemeenten Den Haag, Rijswijk, Midden-Delfland en Westland onderdeel uit van de arbeidsmarktregio Haaglanden. Binnen deze arbeidsmarktregio is het geheel aan voorzieningen die aan werkgevers kunnen worden toegekend, gezamenlijk vormgegeven in de regionale toolbox. Hierbij is tevens de afstemming gezocht met de aangrenzende arbeidsmarktregio Zuid-Holland-Centraal (ZHC) en zijn de voorzieningen waar mogelijk afgestemd met die van het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (hierna: UWV). Zie voor meer informatie over de regionale toolbox de toelichting op artikel 5.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1. Begrippen.

Begrippen die al omschreven zijn in de Participatie-wet en de Algemene wet bestuursrecht worden niet afzonderlijk toegelicht in deze verordening.

Artikel 2. Opdracht aan het college.

Het college is verantwoordelijk voor het geven van re-integratieondersteuning gericht op arbeids-inschakeling. Dit is alle hulp die het college een persoon kan bieden om (weer) aan het werk te komen. Voor iemand die jonger is dan 27 jaar, kan dat ook hulp zijn om terug naar school te gaan. Het gaat dan om onderwijs dat door het Rijk wordt gefinancierd. Deze ondersteuning legt het college vast in een traject: een route om (weer) aan het werk of terug naar school te gaan. Het college is uiteindelijk verantwoordelijk voor de inhoud van het traject.

Belanghebbenden hebben recht op re-integratie-ondersteuning, maar het college bepaalt op welke manier en met welke middelen zij die onder-steuning geeft. Het college moet ervoor zorgen dat er middelen zijn om (weer) aan het werk of terug naar school te gaan (re-integratie-instrumenten). Daarbij houdt het college rekening met het beschikbare budget en met factoren zoals hoe de economie ervoor staat en of er veel of weinig werk is.

Het college zet re-integratie-instrumenten alleen in als iemand zonder die inzet geen algemeen geaccepteerd werk kan vinden of terug kan naar school. Ook moet uit onderzoek blijken dat diegene hiermee (uiteindelijk) aan het werk kan gaan of teruggaat naar school. Re-integratie moet de kortste weg zijn naar werk of school. Dat betekent: de minste tijd kosten om (weer) te gaan werken of terug te gaan naar school. Ook de inspanningen die het college levert om dat doel te bereiken, behoren daartoe.

Is werken (nog) geen mogelijkheid? Dan kan het college als doel ‘zelfstandige maatschappelijke participatie’ hebben. Dat wil zeggen: het streven om zo veel mogelijk zelfstandig mee te kunnen doen in de maatschappij. Ook hiervoor geldt dat het college een re-integratie-instrument alleen inzet, als zij verwacht dat het effect heeft.

Het college verdeelt de beschikbare financiën over de instrumenten die zij kan inzetten. Zij maakt hier jaarlijks een begroting voor, waarin zij de

beschikbare gelden verdeelt over de verschillende re-integratie-instrumenten. Is er niet voldoende geld beschikbaar voor het gevraagde re-integratie-instrument? Dan is dat geen reden om een aanvraag af te wijzen. Het kan wel een reden zijn om een specifieke voorziening af te wijzen. Het college moet dan kijken naar alternatieven.

Het college is er verantwoordelijk voor dat de beschikbare re-integratie-instrumenten zo goed en effectief mogelijk worden gebruikt. Bij de inzet ervan wil het college zo veel mogelijk rekening houden met de omstandigheden van de belanghebbende. Hierbij wordt specifiek gekeken of de belanghebbende tot de doelgroep loonkostensubsidie of beschut werk kan behoren. Ook worden de zorgtaken die een belanghebbende uitvoert hierbij betrokken. Wat het college precies onder zorgtaken verstaat wordt vastgelegd in een beleidsregel.

In artikel 40, eerste lid van de wet staat dat de aanspraak op voorzieningen (re-integratie-instrumenten) alleen geldt voor inwoners van Delft.

Artikel 3. Aanspraak

Het college moet voorzieningen aanbieden om (weer) aan het werk of terug naar school te gaan. Dit is haar verantwoordelijkheid. Bovendien staat er in de wet dat belanghebbenden aanspraak kunnen maken op re-integratieondersteuning van het college. Belanghebbenden mogen dus gebruikmaken van de re-integratie-ondersteuning die het college aanbiedt. Dat stimuleert de eigen verantwoordelijkheid.

Personen tot 27 jaar die zich hebben gemeld voor een bijstandsuitkering, kunnen pas vier weken na die melding aanspraak maken op re-integratie-ondersteuning van het college.

Het college beoordeelt het verzoek van iemand om gebruik te maken van re-integratieondersteuning en beoordeelt ook welk instrument zij daarbij inzet. Het college houdt daarbij zo veel mogelijk rekening met de wensen van de persoon:

Het college bekijkt eerst of ondersteuning om (weer) aan het werk of terug naar school te gaan nodig is. Daarna bepaalt het college uit welke onderdelen de ondersteuning bestaat. Het uiteindelijke aanbod van het college moet passen binnen de regels van deze re-integratie-verordening. Daarbij moet het college er ook rekening mee houden of er voldoende budget voor is. Of dat een belanghebbende aanspraak heeft op een andere regeling (voorliggende voorziening) om zijn re-integratie te financieren, bijvoorbeeld studiefinanciering.

De gemeente kan, om financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Hierbij kan de gemeente bij verordening subsidie- en budget-plafonds instellen. Als bij een bepaalde voorziening een plafond is bereikt zal de gemeente wel moeten bezien op welke andere wijze ondersteuning gegeven kan worden.

Artikel 4. Beleidskaders.

De raad stelt minimaal een keer per vier jaar een beleidsplan vast, waarin zij richtlijnen stelt voor de re-integratie van de doelgroep. In het beleidsplan wordt vastgelegd welke doelen de raad nastreeft en welke voorzieningen ingezet kunnen worden voor welke groepen. Dat is inclusief de financiële gevolgen daarvan.

Het tweede lid schrijft voor dat het college periodiek aan de raad rapporteert over de wijze waarop en de mate waarin de beleidskaders zijn uitgevoerd. Door het college periodiek verant-woording te laten afleggen over de effectiviteit van het beleid, ziet de raad wat de effecten zijn en kan de raad waar nodig bijstellen.

Artikel 5. Algemene bepalingen over voorzieningen.

In dit artikel zijn een aantal algemene bepalingen opgenomen, die van toepassing zijn op alle voorzieningen die in deze verordening staan vermeld. Deze bepalingen gelden ook voor re-integratievoorzieningen, die niet specifiek in de verordening zijn opgenomen, maar zijn vastgelegd in de onderliggende beleidsregels.

Het college zet alleen re-integratievoorzieningen in, als de belanghebbende zonder deze voor-ziening(en) geen algemeen geaccepteerde arbeid kan vinden. Voor belanghebbenden jonger dan 27 jaar kan het college ook voorzieningen inzetten die gericht zijn op terugkeer naar school.

Waar nodig zet het college tevens voorzieningen in zoals sociaal-medische advisering, (taal)scholing, kinderopvang en flankerende hulpverlening zoals schuldhulpverlening, indien dit bijdraagt aan het vergroten van de kans op succesvolle re-integratie.

Het college wil re-integratievoorzieningen zo efficiënt en effectief mogelijk inzetten. Om dit mogelijk te maken is het soms wenselijk om specifieke verplichtingen te stellen. In het eerste lid wordt deze mogelijkheid aan het college geboden.

In het vierde lid van artikel 5 is vastgelegd dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke situaties het dat kan doen. Onder het beëindigen van een voorziening valt ook het stopzetten van de loonkostensubsidie aan een werkgever.

Een voorziening wordt ook beëindigd, indien de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2 van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, artikel 35, vierde lid, onderdelen b en c en artikel 36, derde lid, onderdelen b en c van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren tot het moment dat het inkomen uit arbeid ten minste het minimum-loon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt.

De Participatiewet schrijft niet uitdrukkelijk voor welke voorzieningen het college moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt, maakt het college onderscheid tussen voorzieningen:

  • ·

    gericht op het plaatsen bij een werkgever;

  • ·

    gericht op het toeleiden naar de arbeidsmarkt;

  • ·

    gericht op het sociaal activeren van de belanghebbende.

Voorzieningen, gericht op plaatsing bij een werkgever

Het college zet deze voorzieningen in, om plaatsing van de belanghebbende bij de werkgever mogelijk te maken. Deze voorzieningen zijn in het kader van de eenduidige werkgeversdienstverlening binnen Haaglanden en Zuid-Holland Centraal regionaal afgestemd en opgenomen in de regionale toolbox.

Voorbeelden hiervan zijn:

Werkgeverscheque: financiële tegemoetkoming aan werkgevers bij het in dienstnemen van iemand met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

Begeleiding: inzet van jobcoach capaciteit.

Voorzieningen, gericht op het toeleiden naar de arbeidsmarkt

Het college kan diverse voorzieningen inzetten, die de kans op uitstroom naar algemeen geaccep-teerde arbeid vergroten. Voorbeelden hiervan zijn:

  • ·

    direct werktraject: een traject, bedoeld voor belanghebbenden met een korte afstand tot de reguliere arbeidsmarkt (uitstroom mogelijk binnen één tot drie maanden). Het direct werktraject bestaat onder andere uit (sollicitatie) trainingen en directe bemiddeling naar algemeen geaccepteerde arbeid door tussenkomst van het Werkgevers-servicepunt (WSP).

  • ·

    assessment: een kortdurend traject waarin de belanghebbende enkele weken werkzaam-heden verricht binnen een productie-omgeving. Gedurende deze periode worden de werknemers-vaardigheden van de belang-hebbende in kaart gebracht. De uitkomsten van het assessment worden onder andere gebruikt bij het vaststellen van het vervolg-traject.

  • ·

    werkervaringsplaatsen: op een werkervarings-plaats werkt de belanghebbende een aantal uren per week met behoud van uitkering en neemt daarnaast deel aan trainingsmodules, waarin gewerkt wordt aan zijn werknemers-vaardigheden. Doel van het traject is werk-ervaring opdoen, om zo de kans op uitstroom naar reguliere arbeid te vergroten.

  • ·

    individueel re-integratietraject: het college kan de belanghebbende op individuele gronden een re-integratietraject aanbieden als dat in die specifieke situatie het best passend is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kortdurend scholingstraject met daaraan gekoppeld een baangarantie of een traject waarbij specifiek rekening gehouden wordt met de beperkingen van een kandidaat.

  • ·

    overige trajecten: bijvoorbeeld (taal)scholing, gericht op werk.

Voorzieningen, gericht op het sociaal activeren van de belanghebbende

Het college kan voorzieningen inzetten om belanghebbende te activeren, maatschappelijk nuttige activiteiten te laten verrichten of sociaal isolement te voorkomen.

Voorbeelden hiervan zijn:

  • ·

    Aan de slag trajecten: Hierbij gaan deelnemers maatschappelijk nuttige activiteiten verrichten waarbij verwacht wordt dat er doorstroom-mogelijkheden naar werktrajecten zijn .

  • ·

    Sociale activeringstrajecten: deelnemen aan klussendienst, sociaal restaurant, recylcling en upcycling projecten, etc.

Het college stelt nadere regels vast over de aard, inhoud en omvang van de voorzieningen, voor zover deze niet zijn opgenomen in deze verordening.

Artikel 6. Proefplaatsing.

Dit artikel geeft het college de mogelijkheid iemand met behoud van uitkering werkactiviteiten te laten verrichten, die er op gericht zijn (weer) aan het werk te gaan. De belanghebbende doet op deze wijze arbeidsritme en ervaring op en de werkgever kan toetsen of de belanghebbende geschikt is voor de functie. De proefplaatsing kan worden ingezet bij een werkgever, die daad-werkelijk de intentie heeft de belanghebbende in dienst te nemen. De proefplaatsing duurt niet lager dan strikt noodzakelijk. In de regionale toolbox worden hier nadere afspraken over gemaakt. De proefplaatsing wort ook ingezet als er een loon-waardenmeeting op de werkplek wordt toegepast.

Op grond van artikel 10a, derde lid van de Participatiewet bedraagt de maximale duur van de proefplaatsing zes maanden.

Artikel 7. Werken met behoud van uitkering.

Dit artikel geeft het college de mogelijkheid iemand met behoud van uitkering werkactiviteiten te laten doen, die erop gericht zijn (weer) aan het werk te gaan. Het doel hiervan is dat iemand daarmee zo veel mogelijk in een werkritme komt/blijft en zijn kans op terugkeer naar de arbeidsmarkt vergroot. Een belanghebbende is verplicht om te blijven solliciteren. Bovendien kan het college hem begeleiden of een opleiding laten volgen. Het college legt de afspraken voor werken met behoud van uitkering vast in een overeen-komst. Hierin staan onder meer het doel van de activiteiten, de manier waarop een belang-hebbende wordt begeleid en de aansprakelijkheid.

Artikel 8. Werkgeverscheque.

Het college kan aan de werkgever een subsidie (werkgeverscheque) verstrekken, als er extra kosten gemaakt moeten worden bij het aanstellen van een voorgedragen kandidaat. Deze werk-geverscheque kan worden aangeboden ter compensatie van kosten die samenhangen met bijvoorbeeld scholing, tijdelijk lagere arbeids-productiviteit of begeleiding. In de regionale toolbox worden hier nadere afspraken over gemaakt.

Artikel 9. Loonwaarde en loonkostensubsidie.

Dit artikel geeft uitvoering aan het gestelde in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet. Overeenkomstig dit artikel dient de raad bij verordening regels vast te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie en de loonwaarde. Deze regels dienen in ieder geval te bepalen:

de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort en

de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld.

Het college kan naar aanleiding van een schriftelijke aanvraag of ambtshalve vaststellen wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel 10c van de Participatiewet). Tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren belang-hebbenden, die mogelijkheden tot arbeids-participatie hebben en van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn het wettelijke minimum loon (WML) te verdienen. Loonkostensubsidie kan worden ingezet bij:

  • ·

    beschut werk;

  • ·

    banen in het kader van de baanafspraak;

  • ·

    niet-geïndiceerden met een lage loonwaarde.

Als het college heeft vastgesteld dat een belang-hebbende behoort tot de doelgroep loon-kostensubsidie en er is een werkgever voornemens met deze belanghebbende een dienstbetrekking aan te gaan, dan moet het college in beginsel de loonwaarde van de belanghebbende vaststellen (artikel 10d, eerste lid Participatiewet). De loon-waarde is een vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de door een persoon uit de doelgroep loonkostensubsidie verrichte arbeid in een functie. De loonkosten-subsidie is gebaseerd op de loonwaarde die de belang-hebbende heeft. Als de loonwaarde bijvoorbeeld wordt vastgesteld op 60% in vergelijking met andere (nieuwe) werknemers in dezelfde functie, dan heeft de werkgever recht op een loon-kostensubsidie van 40% van het WML plus een bij een ministeriële regeling vastgestelde tegemoet-koming in de werkgeverslasten.

Het college bepaalt de manier waarop de loonwaarde wordt vastgesteld wanneer een werkgever voornemens is de belanghebbende in dienst te nemen. Binnen de arbeidsmarktregio moeten gemeenten en het UWV met eenzelfde meetmethodiek werken. Binnen de arbeidsmarkt-regio Haaglanden en ZHC is op basis van een Europese aanbesteding voor eenzelfde objectief loonwaardenmeetsysteem gekozen.

De loonwaardemeting vindt plaats in een praktijksituatie, bijvoorbeeld tijdens een proef-plaatsing of participatieplaats bij dezelfde werkgever. Bij de meting worden zowel de belanghebbende als de werkgever betrokken. Van beiden wordt medewerking verwacht aan het onderzoek. Het college legt de vastgestelde loonwaarde en de daaraan gekoppelde loon-kostensubsidie vast in een beschikking, waartegen zowel de betrokken belanghebbende als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. Het meten van de loonwaarde dient jaarlijks plaats te vinden, in geval van beschut werk volstaat een loonwaardenmeting om de drie jaar. De loonkostensubsidie kan zo nodig structureel worden ingezet.

Artikel 10. Begeleiding op de werkplek.

Werknemers die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hebben wettelijk aanspraak op begeleiding op de werkplek (artikel 10da Participatiewet). De ondersteuning moet nood-zakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werk-zaamheden zou kunnen verrichten.

Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. Verstrekking aan de werknemer of de werkgever kan plaatsvinden in natura of geld.

Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de inzet een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt.

Artikel 11. No-riskpolis.

Het college kan ten behoeve van belanghebbenden die een lagere loonwaarde hebben dan het WML of waarbij sprake is van situationeel en verwacht hoog ziekteverzuim, een no-riskpolis inzetten. De no-riskpolis beperkt het risico voor de werkgever bij ziekte of uitval van de werknemer.

De no-riskpolis wordt naar verwachting met ingang van 1 januari 2016 ondergebracht bij het UWV. Nieuwe wetgeving is hiervoor in de maak. Vooruitlopend op deze nieuwe wetgeving biedt het UWV in 2015 uitsluitend de no-riskpolis aan voor arbeidsbeperkten die geplaatst worden op een baan volgens de baanafspraak van het Sociaal Akkoord. Voor de doelgroep die zonder indicatie ‘arbeidsbeperkt’ van het UWV, maar die wel een lagere loonwaarde hebben en met een loonkosten-subsidie bij een werkgever worden geplaatst geldt deze no-riskpolis (vooralsnog) niet. Dit geldt ook voor plaatsing op een beschut werkplek.

Het college kan voor deze groep ook zelf een contract met een verzekeraar afsluiten, maar op moment van schijven zijn er geen aanbieders in de markt die een dergelijk product aanbieden.

Artikel 12. Werkvoorzieningen.

Werkvoorzieningen zijn bedoeld voor belang-hebbenden met een arbeidshandicap, die een voorziening nodig hebben om te kunnen werken. Hierbij kan men denken aan:

  • ·

    aanpassen werkplek door middel van meeneembare of niet meeneembare voorzieningen;

  • ·

    intermediaire voorzieningen; en

  • ·

    vervoersvoorzieningen.

De verstrekking van de intermediaire voorziening ‘doventolk’ wordt landelijk uitgevoerd. Voor de organisatie van andere hulpmiddelen bestaan (nog) geen landelijke afspraken. Binnen de arbeids-marktregio Haaglanden is besloten in 2015 ervaring op te gaan doen met deze voorzieningen. Dit geldt ook voor de vervoersvoorziening. Met betrekking tot deze voorziening zal onderzocht worden of aansluiting bij de vervoersvoorziening vanuit de SW-bedrijven, het leerlingenvervoer en/of de regiotaxi tot de mogelijkheden behoort.

Bij de invulling van de jobcoachvoorziening wordt, binnen de financiële kaders, zoveel mogelijk regionaal afgestemd. Het uitgangspunt is dat deze voorziening doelgericht en efficiënt wordt ingezet en dat de begeleiding van de werknemer zo snel mogelijk door de werkgever wordt overgenomen.

Artikel 13. Beschut werk.

Beschut werk is een nieuwe voorziening, bedoeld voor personen met een beperkt arbeidsvermogen, die alleen in een beschutte omgeving, met structurele begeleiding en/of een grote mate van werkplekaanpassing, werkzaamheden kunnen verrichten.

Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Het advies van het UWV is nagenoeg bindend: alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan het college besluiten het advies niet te volgen.

Het college voert eerst een voorselectie uit waarmee zij bepaalt welke personen in aanmerking kunnen komen voor een indicatie beschut werk. Hierbij maakt het college gebruik van een objectief meetinstrument. Het college maakt een voor-selectie uit belanghebbenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Bij deze voorselectie geeft het college in 2015 en 2016 prioriteit aan personen die tot 1 januari 2015 op de wachtlijst voor de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) stonden en jongeren die voor 1 januari 2015 zouden zijn ingestroomd in de Wajong.

Wanneer het college – op basis van het UWV-advies – heeft vastgesteld dat iemand behoort tot de doelgroep beschut werk, moet het college er zorg voor dragen dat hij of zij ook daadwerkelijk een dienstverband krijgt, waar in een beschutte werkomgeving en onder aangepaste omstandig-heden wordt gewerkt. Dit heeft tot gevolg dat het college alleen een indicatie aanvraagt bij het UWV, als er beschutte werkplekken beschikbaar zijn en de belanghebbende daadwerkelijk plaatsbaar is.

Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede afhankelijk van het beschikbare budget en van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers.

Artikel 14 Participatieplaats

en participatieplaats is bedoeld voor uitkerings-gerechtigden met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor uitkeringsgerechtigden, jonger dan 27 is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid van de Participatiewet).

Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Onder deze additionele werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 10a Participatiewet wordt verstaan: primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden, verricht naast of in aanvulling op de arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

Gedurende de participatieplaats staan niet de te verrichten werkzaamheden centraal, maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s zijn allemaal zaken waaraan gedurende de participatieplaats gewerkt kan worden. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatie-wet).

Participatieplaatsen onderscheiden zich van andere re-integratie-instrumenten door de grote afstand van de uitkeringsgerechtigde tot de arbeidsmarkt, het tijdsbeslag van de activiteiten en de duur van het traject. Uitkeringsgerechtigden die werkzaamheden verrichten op een participatie-plaats hebben op grond van de Participatiewet voor het eerst zes maanden na aanvang en vervolgens iedere zes maanden na aanvang recht op een premie. Voorwaarde hiervoor is dat de uitkeringsgerechtigde naar oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.

Het college stelt nadere regels vast omtrent de hoogte van de premie, dit in relatie met beschikbare budgetten, andere instrumenten en doelgroepen en de inzet van scholing als dat aan de orde is voor deelnemers die nog niet beschikken over een startkwalificatie.

Artikel 15 Persoonsgebonden re-integratiebudget

Het college kan een persoonsgebonden re-integratiebudget (PGB) geven aan een belang-hebbende. Met een PGB bepaalt iemand zelf hoe hij (weer) aan het werk gaat. De persoon krijgt hiermee dus meer eigen verantwoordelijkheid. Het college maakt wel regels over het gebruik van een PGB.

Artikel 16. Premies.

Het college kan een premie toekennen aan personen om deze personen te stimuleren een bepaald re-integratie instrument te volgen of te belonen bij een succesvolle afronding van het instrument. Het college stelt nadere regels vast voor de hoogte en de verplichtingen die aan een dergelijke premie worden verbonden.

Artikel 17. Eigen bijdrage.

Het college kan aan niet-uitkeringsgerechtigden en nabestaanden een eigen bijdrage vragen voor de re-integratievoorziening, gericht op het toeleiden naar werk. Dit om te stimuleren dat zij het re-integratietraject ook afmaken. Het college stelt nadere regels vast over de wijze waarop deze eigen bijdrage wordt berekend.

Artikel 18. Terugvordering.

Het college kan de kosten van een voorziening terugvorderen van een niet-uitkeringsgerechtigde of nabestaande, indien:

  • ·

    de voorziening is verleend op basis van onjuist verstrekte gegevens;

  • ·

    de niet-uitkeringsgerechtigde of nabestaande zijn verplichtingen niet is nagekomen; of

  • ·

    de voorziening anderszins naar het oordeel van het college onverschuldigd is betaald.

De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van een re-integratie-voorziening. Terugvordering dient in voorkomende gevallen te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.

Het college kan geen kosten terugvorderen van een uitkeringsgerechtigde. Als de uitkerings-gerechtigde zich niet aan zijn verplichtingen houdt, vindt verlaging van de uitkering plaats volgens de wet en de geldende maatregelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ.

Artikel 19. Bevoegdheid college.

In dit artikel staat dat het college besluit in alle gevallen die niet in deze verordening zijn geregeld. Ook kan het college bij uitzondering besluiten deze verordening niet toe te passen (artikel 18, eerste lid van de wet).

Artikel 20. Hardheidsclausule.

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 21. Intrekken oude verordening en overgangsrecht.

Indien aan een belanghebbende een re-integratie-voorziening is toegekend op grond van de ‘Re-integratieverordening WWB, IAOW en IAOZ 2012’, behoudt de belanghebbende zijn recht op deze voorziening, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

Artikel 22. Ingangsdatum en citeertitel.

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.