Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland 2014 (Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland 2014)

Geldend van 01-10-2014 t/m heden

Intitulé

Gedeputeerde staten van Noord-Holland van 8 juli 2014, van Zuid-Holland van 15 juli 2014 (Prov. Blad 2014, 2192) en van Utrecht van 1 juli 2014;

Overwegende dat het wenselijk is naar aanleiding van de resultaten van de toetsronde regionale keringen van 2012 het uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland geheel te herzien;

Gelet op de artikelen 2.1 en 2.4 van de Waterverordening Rijnland, de artikelen 2.2 en 2.5 van de Waterverordening waterschap Rivierenland, de artikelen 2.1 en 2.5 van de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, de artikelen 2.2 en 2.6 van de Waterverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009, de artikelen 2.2 en 2.4 van de Waterverordening Zuid-Holland, de artikelen 2.1 en 2.3 van de Waterverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier;

Besluiten, elk voor zover zij bevoegd zijn: 

vast te stellen het volgende besluit:

Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland 2014

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit uitvoeringsbesluit wordt verstaan onder:

 

  • a. dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Rijnland, het waterschap Rivierenland, het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, het hoogheemraadschap van Delfland en het waterschap Hollandse Delta en hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, elk voor zover een regionale waterkering bij het desbetreffende waterschap in beheer is;

  • b. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten die op grond van de waterverordening voor het desbetreffende waterschap bevoegd gezag zijn;

  • c. periodiek verslag: verslag als bedoeld in artikel 2.4 van de Waterverordening Rijnland, artikel 2.5 van de Waterverordening waterschap Rivierenland, artikel 2.5 van de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, artikel 2.6 van de Waterverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009, artikel 2.4 van de Waterverordening Zuid-Holland en artikel 2.3 van de Waterverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier;

  • d. regionale waterkering: waterkering die als zodanig is aangegeven in de kaartbijlage van de Waterverordening Rijnland, de Waterverordening waterschap Rivierenland, de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, de Waterverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009, de Waterverordening Zuid-Holland en de Waterverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier;

  • e.veiligheidsnorm: norm als bedoeld in artikel 2.1 van de Waterverordening Rijnland, artikel 2.2 van de Waterverordening waterschap Rivierenland, artikel 2.1 van de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, artikel 2.2 van de Waterverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009, artikel 2.2 van de Waterverordening Zuid-Holland en artikel 2.1 van de Waterverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier;

  • f. uitvoeringsprogramma’s: Samenhangend pakket van uitvoeringsactiviteiten en maatregelen gericht op de toetsing van de regionale waterkeringen en noodzakelijke verbetering van de regionale waterkeringen na afkeuring.

Artikel 2 Tijdstippen waarop regionale waterkeringen voldoen aan de veiligheidsnorm

1. De regionale waterkeringen die in het periodiek verslag van het desbetreffende waterschap in hetjaar 2009 zijn afgekeurd en waarvoor de verbetering in dat verslag als meest urgent is aangemerkt,voldoen in 2015 aan de veiligheidsnormen.

2. De regionale waterkeringen die in het periodiek verslag van het desbetreffende waterschap in dejaren 2009 en/of 2012 zijn afgekeurd, niet zijnde de regionale waterkeringen, bedoeld in het eerstelid, voldoen in 2020 aan de veiligheidsnormen.

3. De regionale waterkeringen die in het periodiek verslag, bedoeld in artikel 3, vierde lid, zijn afgekeurd, voldoen in 2030 aan de veiligheidsnorm.

4. Gedeputeerde staten kunnen op basis van een gemotiveerd verzoek van het dagelijks bestuurvoor de regionale waterkeringen, bedoeld in het eerste en tweede lid, een uitstel toestaan.

Artikel 3 Tijdstippen periodieke toetsronden

1. De regionale waterkeringen, met inbegrip van de niet waterkerende objecten en kunstwerken,zijn in 2024 getoetst.

2. De eerstvolgende volledige toetsing van de regionale waterkeringen na 2024 is in 2036 uitgevoerd.

3. De peildatum voor het beoordelen van alle faalmechanismen is de eerste dag van het jaar van toetsen.

4. Het dagelijks bestuur brengt vóór 1 januari 2025 het periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over het resultaat van de toetsing in 2024 en overlegt daarbij een overzicht van de noodzakelijke verbeteringsplannen voor de afgekeurde regionale waterkeringen.

Artikel 4 Uitvoeringsprogramma regionale waterkeringen

1. Het dagelijks bestuur overlegt aan gedeputeerde staten voor 1 januari 2015 een vastgesteld uit-voeringsprogramma 2015-2024. Het programma bevat in ieder geval :

  • a.de opzet van het nadere onderzoek voor regionale waterkeringen;

  • b.de aanpak van de verbetering van de afgekeurde regionale waterkeringen;

  • c.de aanpak van de inventarisatie en toetsing van niet waterkerende objecten en kunstwerkenin regionale waterkeringen;

  • d.de aanpak van de toetsing in de periode 2015 tot 2024;

  • e.een beschrijving van prioriteitsstelling, fasering en risicobeheersing van het programma;

  • f.een indicatie van de kosten van het programma gedurende de planperiode.

2. Het dagelijks bestuur brengt jaarlijks aan gedeputeerde staten verslag uit over de voortgang vanhet uitvoeringsprogramma, bedoeld in het eerste lid. In dat verslag wordt tevens melding gemaakt van bijzonderheden die naar voren zijn gekomen bij de uitgevoerde inspecties.

Artikel 5 Herziening van het uitvoeringsbesluit

Dit uitvoeringsbesluit wordt eenmaal in de twaalf jaren herzien. In ieder geval wordt dit uitvoeringsbesluit na de toetsronde, bedoeld in artikel 3, eerste lid, herzien.

Artikel 6 Intrekking uitvoeringsbesluit 2009 en overgangsbepaling

1. Het Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland 2009 wordt ingetrokken.

2. Het door gedeputeerde staten aan een waterschap op grond van artikel 1, tweede lid, van hetbesluit, genoemd in het eerste lid, verleend uitstel blijft van kracht.

Artikel 7 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2014.

Artikel 8 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland 2014.

Ondertekening

Haarlem, 8 juli 2014
Gedeputeerde Staten van Noord-Holland,
J.W. Remkes, voorzitter
G.E.A. van Craaikamp, provinciesecretaris
 
Den Haag, 15 juli 2014
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,
drs. J. Smit, voorzitter
drs. G.M. Smid-Marsman, plv. provinciesecretaris
 
Utrecht, 1 juli 2014
Gedeputeerde Staten van Utrecht,
dhr. W.I.I. van Beek, voorzitter
dhr. H. Goedhart, provinciesecretaris

Toelichting

Ter uitvoering van de Waterverordening Rijnland, de Waterverordening waterschap Rivierenland, de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, de Waterverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009, de Waterverordening Zuid-Holland, de Waterverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier dienen door gedeputeerde staten van Noord-Holland, van Zuid-Holland en van Utrecht elk voor zover ze bevoegd zijn nadere besluiten te worden genomen. Dat betreft besluiten betreffende a) het ‘tijdstip-op-orde’ van regionale waterkeringen en b) het periodiekverslag over de algemene waterstaatkundige toestand van de waterkering (tijdstip rapportage en frequentie). Deze besluiten dienen te worden genomen na overleg met de desbetreffende waterschappen.

Op 15 december 2009 is het Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland 2009 in werking getreden. In dit besluit zijn bepalingen opgenomen betreffende het tijdstip op orde, het tijdstip waarop de eerste gedetailleerde veiligheidstoetsing gereed moet zijn en het tijdstip waarop de legger en het beheerregister gereed moeten zijn. In overleg met de waterschappen is in 2009 afgesproken dat de rapportage behorende bij de eerste gedetailleerde veiligheidstoetsing aanleiding kan zijn om de bestaande afspraken over het tijdstip op orde en de toekomstige toetsmomenten te herzien. Op 12 december 2013 heeft hierover nader overleg plaatsgevonden tussen de provincies Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland en de betrokken waterschappen. Tijdens dit overleg zijn nadere afspraken gemaakt over het tijdstip op orde en de toetsfrequentie. Deze nadere afspraken vragen om een aanpassing van het uitvoeringsbesluit dat in 2009 in werking is getreden. In het voorliggende besluit zijn deze aanpassingen verwerkt.

Kern van de afspraken is dat de meest urgent te verbeteren regionale waterkeringen die bij de toetsronden in 2009 zijn afgekeurd in 2015 aan de veiligheidsnormen moeten voldoen. De waterkeringen die in 2009 zijn afgekeurd en niet als urgent te verbeteren waterkeringen zijn aangemerkt en de waterkeringen die nadien bij de toetsronde van 2012 zijn afgekeurd moeten in 2020 aan de veiligheidsnormen voldoen.Voor de toekomst is afgesproken dat een toetscyclus van 12 jaar wordt aangehouden. Dit houdt in dat er in 2024 en 2036 toetsronden afgerond worden. Overigens betekent dit niet dat tussentijds niet getoetst wordt. In de komende toetsronden zullen ook de niet-waterkerende-objecten (gebouwen, kabels, leidingenen bomen) en kunstwerken (sluizen en gemalen) die deel uitmaken van de waterkeringen worden getoetst. Alle waterkeringen moeten in 2030 voldoen aan de veiligheidsnormen.

Artikelsgewijze toelichting.

Artikel 2 Tijdstippen waarop regionale waterkeringen voldoen aan de veiligheidsnorm

In het Uitvoeringsbesluit regionale waterkeringen West-Nederland 2009 is vastgelegd dat de meest urgent te verbeteren regionale waterkeringen in 2015 aan de veiligheidsnormen moeten voldoen. Het beperken van de met het beheer van regionale waterkeringen samenhangende risico’s achten wij van een zodanig maatschappelijk belang dat wij deze datum in het uitvoeringsbesluit 2014 als tijdstip-op-orde hebben gehandhaafd voor deze categorie waterkeringen. Het is belangrijk dat de keringen die niet voldoen aan de veiligheidsnorm binnen een redelijke termijn aan de normen voldoen. Om die reden is voor de niet urgente regionale waterkeringen die bij de toetsingen van 2009 en/of 2012 met ‘onvoldoende’ zijn beoordeeld vastgelegd dat deze in 2020 aan de veiligheidsnormen moeten voldoen. Voor de regionale waterkeringen die bij het toetsingen van 2024 met ‘onvoldoende’ worden beoordeeld is bepaald dat deze in 2030 aan de veiligheidsnormen moeten voldoen. De opgave die volgt uit de gedetailleerde toetsing kan vragen om aanpassing van het vastgestelde ‘tijdstip op orde’. Daarom is in artikel 2 van dit uitvoeringsbesluit opgenomen dat voor de regionale keringen die in 2015 en 2020 op orde moeten zijn op basis van een gemotiveerd verzoek aan GS een uitloop mogelijk is. Een waterschap kan hiertoe een gemotiveerd verzoek indienen bij de desbetreffende provincie(s). Een gemotiveerd verzoek bestaat uit:

• een degelijke onderbouwing waarom de termijn niet gehaald kan worden;

• een aangepaste planning;

• benoeming van de risico’s;

• wijze waarop deze risico’s worden beheerst.

Redenen hiervoor kunnen zijn het aantal kilometer aan regionale keringen dat moet worden verbeterd, de capaciteit van de markt, de doorlooptijd van projecten en de kosten die deze verbeteringen met zich brengen en de invloed hiervan op de lasten voor de burger.

Artikel 3 tijdstippen periodieke toetsronden

Het is belangrijk dat er frequent getoetst wordt. Hiervoor is in het Uitvoeringsbesluit 2009 een toetsfrequentie vastgelegd van 12 jaar. Naar aanleiding van de toetsing van 2012 zien wij geen redenen om deze frequentie te wijzigen. Dit betekent dat de regionale waterkeringen in 2024, 2036, etc getoetst dienen te zijn. Als peildatum voor het toetsen wordt de eerste dag van het jaar van toetsen aangehouden. Voor de toetsing van 2024 is de peildatum dus 1 januari 2024, voor de toetsing van 2036 is de peildatum1 januari 2036, ect. Het verslag van deze gebiedsdekkende veiligheidstoetsing waarin waterkeringen, kunstwerken en niet waterkerende objecten op alle faalmechanismen zijn getoetst verwachten wij dus vóór 1 januari 2025, 1 januari 2037 etc.

Artikel 4 Uitvoeringsprogramma regionale waterkeringen

De uitvoering van de opgave die volgt uit artikel 2 en artikel 3 kan van grote impact zijn op de formatieen financiën van de beheerders. Om de waterschappen de ruimte te geven om de benodigde werkzaamheden efficiënt en doelmatig uit te voeren is vastgelegd om te gaan werken met een uitvoeringsprogramma regionale waterkeringen. In dit uitvoeringsprogramma beschrijft het waterschap hoe het in de periode 2015-2024 de benodigde werkzaamheden aan de regionale werkzaamheden gaat aanpakken. Dit uitvoeringsprogramma dient te worden aangeboden voor 1 januari 2015. In artikel 4 lid 1 is aangegeven uit welke onderdelen dit programma dient te bestaan. In artikel 4, lid 2, is vastgelegd dat het waterschap jaarlijks verslag uitbrengt van de voortgang van de werkzaamheden in het Uitvoeringsprogramma. Daarnaast brengt het waterschap hierbij bijzonderheden in beeld die zijn waargenomen bij de reguliere inspecties van de regionale waterkeringen. Het heeft de voorkeur dat deze voortgangsrapportage zoveel mogelijk aansluit op de rapportage over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan. Zoals voorgeschreven in de waterverordening voor elk van de waterschappen wordt deze ook jaarlijks toegestuurd aan gedeputeerde staten.

Artikel 5 Herziening van het uitvoeringsbesluit

In dit uitvoeringsbesluit zijn diverse afspraken vastgelegd over toetsronden, tijdstippen waarop de keringen op orde moeten zijn en het uitvoeringsprogramma. Toekomstige werkzaamheden op het gebied van de regionale waterkeringen kunnen aanleiding zijn om afspraken te herzien. In dit artikel is vastgelegd dat wij in ieder geval na afronding van de toetsing met de waterschappen in gesprek gaan over deze afspraken. Dit uitvoeringsbesluit is van toepassing op alle regionale waterkeringen die in de respectievelijke verordeningen als zodanig zijn aangewezen. Indien bij verordening het stelsel van regionale keringen wordt uitgebreid zal van geval tot geval in overleg met het betrokken waterschap worden bepaald of deze keringen onder het regime van het uitvoeringsbesluit 2014 zullen vallen.

Artikel 6 Intrekking uitvoeringsbesluit 2009 en overgangsbepaling

Met het vaststellen van het uitvoeringsbesluit 2014 is voor de komende jaren een nieuw kader gevormd voor het beheer van de regionale waterkeringen in West-Nederland. Het uitvoeringsbesluit 2009 kan hierdoor ingetrokken worden. Op basis van het uitvoeringsbesluit 2009 zijn tussen een aantal provincies en waterschappen nadere afspraken gemaakt over het tijdstip op orde. Deze afspraken zijn vastgelegd in een GS-besluit waarbij een gemotiveerd verzoek van een waterschap om uitstel is gehonoreerd. In het tweede lid is bepaald dat deze afspraken in stand blijven.