Gemeenschappelijke regeling Meerinzicht

Geldend van 01-01-2016 t/m 12-08-2016

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling Meerinzicht

Regeling op grond van artikel 1 Wet gemeenschappelijke regelingen[1]

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

 

Overwegende

  • a.

    dat voornoemde colleges op 22 december 2011 door middel van ondertekening van een intentieverklaring, met elkaar hebben afgesproken om te gaan werken aan het vormgeven van een samenwerkingsverband op tenminste de bedrijfsvoeringstaken;

  • b.

    dat met het onderbrengen van taken op het gebied van bedrijfsvoering en op het gebied van heffing en invordering van gemeentelijke belastingen in het samenwerkingsverband Meerinzicht, bedrijfseconomische en kwaliteitsvoordelen worden gerealiseerd en de kwetsbaarheid van de individuele gemeenten wordt verminderd;

  • c.

    dat in het samenwerkingsverband voortvarend en op basis van gelijkwaardigheid en vertrouwen wordt gewerkt aan het leveren van een kwalitatief hoogwaardige bedrijfsvoering voor alle betrokken gemeenten;

  • d.

    dat – gelet op de voornoemde overwegingen - de gemeenschappelijke regeling Meerinzicht is getroffen;

  • e.

    dat een aantal technische aanpassingen aan deze regeling noodzakelijk is gebleken, zoals het expliciet opnemen van de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken als bevoegdheid, het anticiperen op de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen (verwachte inwerkingtredingsdatum 1 januari 2015) en het opnemen van een bepaling met betrekking tot de financiële zekerheid (kredietwaardigheid) van Meerinzicht op verzoek van de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG)

  • f.

    dat deze aanpassingen geen verandering aanbrengen in de gemeentelijke autonomie;

 

 

Gelet op

 

het bepaalde in de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet (waaronder artikel 232 Gemeentewet) en artikel 30, lid 8 van de Wet waardering onroerende zaken;

 

de verleende toestemming van de gemeenteraden van Ermelo, Harderwijk en Zeewolde als bedoeld in artikel 1, tweede lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

 

 

Besluiten

 

De Gemeenschappelijke regeling Meerinzicht, zoals ondertekend op 16 december 2013 te wijzigen, waarbij de wijziging inhoudt dat die regeling vervangen wordt door de hierna volgende regeling;

[1] De raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeester van twee of meer gemeenten kunnen afzonderlijk of tezamen, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van die gemeenten.

Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1
  • 1. In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      de regeling: deze gemeenschappelijke regeling;

    • b.

      de wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • c.

      het openbaar lichaam: het openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de regeling;

    • d.

      college(s): de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten;

    • e.

      gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincies Gelderland en Flevoland

    • f.

      Meerinzicht: het openbaar lichaam Meerinzicht;

    • g.

      algemeen bestuur: het algemeen bestuur van Meerinzicht;

    • h.

      dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van Meerinzicht;

    • i.

      voorzitter: de voorzitter van Meerinzicht;

    • j.

      directeur: de door het dagelijks bestuur benoemde directeur;

    • k.

      heffingsambtenaar: een door het dagelijks bestuur op grond van artikel 232, vierde lid, sub a van de Gemeentewet en artikel 30, achtste lid van de Wet waardering onroerende zaken aangewezen ambtenaar van Meerinzicht, als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet en als bedoeld in artikel 1, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken;

    • l.

      invorderingsambtenaar: een door het dagelijks bestuur op grond van artikel 232, vierde lid, sub b van de Gemeentewet aangewezen ambtenaar van Meerinzicht, als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet;

    • m.

      ambtenaar belastingen : een door het dagelijks bestuur op grond van artikel 232, vierde lid, sub c van de Gemeentewet aangewezen ambtenaar van Meerinzicht, als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel d, van de Gemeentewet bevoegd tot de heffing of de invordering van belastingen, en tot de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken;

    • n.

      belastingdeurwaarder: een door het dagelijks bestuur op grond van artikel 232, vierde lid, sub d van de Gemeentewet aangewezen ambtenaar van Meerinzicht als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet, dan wel een als belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet;

    • o.

      nadere regels: de nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordeningen;

    • p.

      belastingen: de belastingen, rechten, leges en heffingen, die de gemeente heft als bedoeld in de Gemeentewet, alsmede de belastingen krachtens andere wetten als bedoeld in artikel 219, eerste lid van de Gemeentewet, waaronder de afvalstoffenheffing op grond van artikel 15.33 Wet milieubeheer;

    • q.

      belastingverordeningen: de verordening tot heffing en invordering van belastingen als bedoeld in artikel 216 Gemeentewet;

    • r.

      kwijtscheldingsregels: de door of namens de raden van de deelnemende gemeenten vastgestelde regels als bedoeld in artikel 255, leden 3 en 4 van de Gemeentewet;

    • s.

      grondgebied: het grondgebied van de deelnemers aan de regeling;

    • t.

      deelnemer: de aan de regeling deelnemende colleges.

  • 2. Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, komen voor zover mogelijk in die artikelen in de plaats van de gemeente, de raad, burgemeester en wethouders en de burgemeester, de inspecteur, de ontvanger, de ambtenaar van de rijksbelasting en de belastingdeurwaarder, onderscheidenlijk het openbaar lichaam, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter, de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar belastingen en de belastingdeurwaarder.

Hoofdstuk 2. Het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam

Artikel 2
  • 1. Er is een openbaar lichaam, genaamd openbaar lichaam Meerinzicht.

  • 2. Het openbaar lichaam is rechtspersoon als bedoeld in artikel 8 lid 1 van de wet, genaamd Meerinzicht.

  • 3. Het openbaar lichaam is gevestigd in Ermelo.

  • 4. Het gebied waarvoor deze regeling geldt omvat het grondgebied van de deelnemers.

Artikel 3

Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit:

  • 1.

    Het algemeen bestuur;

  • 2.

    Het dagelijks bestuur;

  • 3.

    De voorzitter.

Artikel 4
  • 1. Het bestuur van Meerinzicht wordt ondersteund door een directieteam, bestaande uit de gemeentesecretarissen van de deelnemende gemeenten of hun plaatsvervangers en de directeur als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder j. van de regeling.

  • 2. Uit het directieteam wordt een ambtelijke secretaris aangewezen, niet zijnde de directeur, die het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter als bedoeld in artikel 3 van de regeling behulpzaam is bij de vervulling van hun taak.

  • 3. De taken en bevoegdheden van het directieteam worden nader geregeld in een door het dagelijks bestuur vast te stellen directiestatuut.

Hoofdstuk 3. Belangen, taken, bevoegdheden en bijdragen

Artikel 5

De regeling is ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van de belangen van de colleges inzake de uitvoeringstaken op het gebied van de volgende taakvelden:

  • a.

    Informatisering en automatisering;

  • b.

    personeel en organisatie;

  • c.

    facilitaire zaken/documentaire informatievoorziening/gebouwbeheer/inkoop;

  • d.

    de heffing en invordering van belastingen. Voorts de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, waaronder tevens wordt begrepen de administratie van vastgoedgegevens en het verstrekken van vastgoedgegevens en het beheer van de basisregistratie Wet waardering onroerende zaken;

  • e.

    financiën & administratie;

  • f.

    juridische zaken;

  • g.

    communicatie;

  • h.

    gegevensmanagement.

Zulks met inachtneming van hetgeen in of krachtens deze regeling nader is bepaald met betrekking tot de taken en bevoegdheden van het openbaar lichaam.

Artikel 6
  • 1. Aan het openbaar lichaam komen ter behartiging van zijn belangen, de taken toe die betrekking hebben op de taakvelden genoemd in artikel 5. Hieronder tevens begrepen coördinerende, adviserende en ondersteunende taken ten behoeve van deze taakvelden.

  • 2. Ter uitvoering van de in het eerste lid opgenomen taken, die fasegewijs naar Meerinzicht overgaan, worden meerjarige dienstverleningsovereenkomsten afgesloten tussen het openbaar lichaam als dienstverlenende instantie en de deelnemers als afnemende instanties. De dienstverleningsovereenkomst bestaat uit een ‘collectief’ en ‘individueel’ deel.

  • 3. In het collectieve deel van de dienstverleningsovereenkomst worden de afspraken tussen het openbaar lichaam en de deelnemers met betrekking tot het standaardwerk vastgelegd.

  • 4. In het individuele deel van de dienstverleningsovereenkomst verstrekt elke deelnemer zijn individuele opdracht aan het openbaar lichaam. Het gaat dan om maatwerk en/of meerwerk.

  • 5. De in artikel 5 genoemde taken kunnen worden uitgebreid met andere taken bij afzonderlijk eensluidend besluit van alle colleges.

Artikel 7
  • 1. Aan de bestuursorganen van het openbaar lichaam worden geen publiekrechtelijke bevoegdheden overgedragen, anders dan de bevoegdheden genoemd in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder o,p en q. van de regeling en de bevoegdheden van de ambtenaren als bedoeld in de artikelen 21 tot en met 24 van de regeling: overige bevoegdheden worden in mandaat, dan wel op grond van een machtiging of volmacht uitgeoefend.

  • 2. Colleges beslissen ieder afzonderlijk over het vestigen van vertegenwoordigingsbevoegdheid door het verlenen van mandaat en volmacht aan de bestuursorganen van het openbaar lichaam.

Artikel 8

Het openbaar lichaam is niet bevoegd tot:

  • a.

    het vestigen van pand- en hypotheekrechten;

  • b.

    het afgeven van garanties of andere waarborgen;

  • c.

    het in eigendom of erfpacht aannemen of uitgeven onroerende zaken;

  • d.

    het oprichten van en het deelnemen in een rechtspersoon;

  • e.

    dienstverlening aan private partijen, tenzij alle colleges daar expliciet toestemming voor hebben gegeven.

Artikel 9
  • 1. Colleges dragen bij aan de kosten van het goed functioneren van het openbaar lichaam en het uitoefenen van de hem opgedragen taken op basis van een afgesproken verdeelsleutel. Dit leidt tot de volgende verhouding:

    foto

    De verdeelsleutel wordt vastgesteld voor een periode van 10 jaar of zoveel te eerder partijen met elkaar overeenkomen de kostenverdeling aan te passen.

  • 2. In de bijdrage bedoeld in lid 1 zijn de kosten voor het uitvoeren van de bedrijfsvoeringstaken, als vernoemd onder artikel 6 lid 1 en 3, opgenomen;

  • 3. De colleges betalen bij wijze van voorschot halfjaarlijks de in de begroting opgenomen verschuldigde bijdrage, te weten op 1 januari en 1 juli.

Hoofdstuk 4. Het Algemeen bestuur

Artikel 10
  • 1. Aan het hoofd van het openbaar lichaam staat het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur is verantwoordelijk voor het functioneren van het openbaar lichaam.

  • 2. Het algemeen bestuur bestaat uit zes leden van de colleges. De colleges wijzen elk uit hun midden twee leden en twee plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur aan.

  • 3. De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur geschiedt voor dezelfde periode als waarvoor de colleges worden benoemd en vindt plaats in de eerste vergadering of uiterlijk binnen zes weken na de eerste vergadering van de nieuwe zittingsperiode van de colleges.

  • 4. Een lid van het algemeen bestuur treedt af op het moment van tussentijds verlies van de hoedanigheid van lid van het college.

  • 5. De leden van het algemeen bestuur treden tegelijk af op de dag waarop de nieuw aangewezen leden van het algemeen bestuur in functie treden.

  • 6. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter van het algemeen bestuur, alsmede de voorzitter van het college dat hen heeft aangewezen, op de hoogte. Leden van het algemeen bestuur die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.

  • 7. De leden van het algemeen bestuur kunnen door het college dat hen heeft aangewezen ontslag worden verleend. Het ontslag gaat onmiddellijk in.

  • 8. Als tussentijds een plaats in het algemeen bestuur vrij komt, voorziet het betreffende college zo spoedig mogelijk opnieuw in de aanwijzing van een nieuw lid van het algemeen bestuur. Het vijfde lid is dan niet van toepassing.

Artikel 11
  • 1. Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks ten minste tweemaal en voorts als de voorzitter dat nodig oordeelt of ten minste twee andere leden van het algemeen bestuur dit verzoeken.

  • 2. Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen en overige werkzaamheden.

  • 3. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.

  • 4. Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen waarin de in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur genoemde belangen op de in dat artikel bedoelde wijze kunnen worden geschaad.

  • 5. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, worden de deuren gesloten wanneer een derde deel der aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur besluit vervolgens (in beslotenheid) of hij met gesloten deuren zal beraadslagen.

Artikel 12
  • 1. Op basis van gelijkwaardigheid hebben de leden van het algemeen bestuur ieder één stem.

  • 2. Besluiten worden genomen met unanimiteit van stemmen.

  • 3. Voorts zijn de artikelen 28 en 31, eerste lid, van de Gemeentewet van toepassing op besluiten van het algemeen bestuur.

Artikel 13
  • 1. Alle bevoegdheden in het kader van deze regeling, die niet aan een ander orgaan zijnopgedragen, behoren aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur kan het uitoefenen van deze bevoegdheden overdragen aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

  • 2. Naast de uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van het elders in dezeregeling bepaalde is het algemeen bestuur in elk geval belast met en bevoegd tot:

    • a.

      het vaststellen en wijzigen van de begroting;

    • b.

      het vaststellen van de rekening;

    • c.

      het vaststellen van resultaatbestemming;

    • d.

      het vaststellen van de kaders van het werkplan en het strategisch organisatieplan van het openbaar lichaam;

    • e.

      het vaststellen van de tarieven van het openbaar lichaam;

    • f.

      het vaststellen van verordeningen omtrent het financieel beheer.

Hoofdstuk 5. Dagelijks bestuur

Artikel 14
  • 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen, in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling.

  • 2. Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt zodra het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt of wanneer het lid van het dagelijks bestuur ontslag neemt of wordt verleend.

  • 3. De leden van het dagelijks bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter van het algemeen bestuur op de hoogte. Leden van het dagelijks bestuur die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.

  • 4. De leden van het dagelijks bestuur kunnen door het algemeen bestuur ontslag worden verleend of worden geschorst. Het ontslag gaat onmiddellijk in.

  • 5. De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen, die door ontslag, overlijden of anderszins openvallen, vindt plaats uiterlijk één maand na dat openvallen.

Artikel 15
  • 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of ten minste twee andere leden van het dagelijks bestuur dit verzoeken.

  • 2. De artikelen 56 tot en met 59 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16
  • 1. Ieder lid in het dagelijks bestuur, inclusief de voorzitter, heeft één stem in het dagelijks bestuur.

  • 2. Besluiten worden genomen met unanimiteit van stemmen, tenzij in de regeling anders is bepaald.

Artikel 17
  • 1. Het dagelijks bestuur is bevoegd tot:

    • a.

      het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging enbeslissing zal worden voorgelegd;

    • b.

      het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur;

    • c.

      het opstellen van bedrijfs- en beleidsplannen van het openbaar lichaam;

    • d.

      het opstellen van het werkplan en het strategisch organisatieplan van het openbaar lichaam;

    • e.

      het beheer van de financiële administratie van het openbaar lichaam;

    • f.

      de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

    • g.

      het uitoefenen van de taken als genoemd in artikel 5;

    • h.

      het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles, wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit;

    • i.

      het besluiten namens Meerinzicht, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratieve beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;

    • j.

      het houden van een gedurig toezicht op al hetgeen het openbaar lichaam aangaat;

    • k.

      het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen;

    • l.

      het aangaan van geldleningen met inachtneming van de begroting van Meerinzicht en de financiële regelingen;

    • m.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van het personeel;

    • n.

      het regelen van de rechtspositie en arbeidsvoorwaarden van de directeur en het personeel;

    • o.

      het aanwijzen van een of meer ambtenaren van Meerinzicht als heffingsambtenaar, als invorderingsambtenaar of als ambtenaar belastingen;

    • p.

      het aanwijzen van een of meer ambtenaren van Meerinzicht of een gerechtsdeurwaarder als bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet als belastingdeurwaarder;

    • q.

      het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de belastingaanslag met inachtneming van het gemeentelijk beleid hieromtrent. Artikel 255, vijfde lid van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing;

    • r.

      het vaststellen van regels over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam.

  • 2. Het dagelijks bestuur oefent, indien het algemeen bestuur ingevolge artikel 13, eerste lid, daartoe besluit, de desbetreffende aan het algemeen bestuur toekomende bevoegdheden uit.

  • 3. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 4. Zij geven gevraagd en ongevraagd aan het algemeen bestuur alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig zijn.

  • 5. Zij geven - tezamen dan wel afzonderlijk - aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of één of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen.

  • 6. Het reglement van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de leden 3, 4 en 5 bepaalde.

Hoofdstuk 6. Voorzitter

Artikel 18
  • 1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen.

  • 2. Het voorzitterschap van het dagelijks bestuur eindigt zodra het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt of wanneer het lid van het algemeen bestuur ontslag neemt of wordt verleend.

  • 3. De voorzitter is voorzitter van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

  • 4. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door een door het dagelijks bestuur uit zijn midden aan te wijzen lid van dit bestuur.

  • 5. De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en van het dagelijksbestuur uitgaan. De voorzitter kan de ondertekening opdragen aan een ander lid van het dagelijks bestuur of aan een ambtenaar werkzaam bij het openbaar lichaam.

  • 6. De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. Indien het college van waaruit de voorzitter afkomstig is, partij is in een geding waarbij het openbaar lichaam betrokken is, oefent een ander door het dagelijks bestuur aan te wijzen lid van dat bestuur deze bevoegdheid uit.

Hoofdstuk 7. Informatieplicht

Artikel 19
  • 1. De leden van het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de colleges ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur van het openbaar lichaam gevoerde en te voeren beleid nodig is.

  • 2. De leden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verstrekken aan de colleges alle inlichtingen die door één of meer leden van die colleges worden verlangd.

  • 3. Het reglement van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de vorige leden bepaalde.

Hoofdstuk 8. Personeel

Artikel 20
  • 1. De benoeming, schorsing en ontslag van personeelsleden van het openbaar lichaam als ambtenaar, dan wel volgens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, geschiedt door het dagelijks bestuur met gewone meerderheid van stemmen, met inachtneming van de door het algemeen, bestuur vastgestelde formatie.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, besluit het dagelijks bestuur met unanimiteit over de benoeming, schorsing en ontslag van de directeur van het openbaar lichaam.

  • 3. Op het personeel in dienst van het openbaar lichaam is de CAR/UWO voor gemeenteambtenaren van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21 De heffingsambtenaar
  • 1. De heffingsambtenaar oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit welke bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken toegekend zijn aan de inspecteur of de daarmee gelijkgestelde ambtenaar.

  • 2. Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het voorgaande lid neemt de heffingsambtenaar de gemeentelijke regelgeving en het gemeentelijk beleid op dit gebied in acht.

Artikel 22 De invorderingsambtenaar
  • 1. De invorderingsambtenaar oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit welke bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen en de Gemeentewet toegekend zijn aan de ontvanger of de daarmee gelijkgestelde ambtenaar. Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het voorgaande lid neemt de invorderingsambtenaar de gemeentelijke regelgeving en het gemeentelijk beleid, waaronder de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende deelnemer in acht. De invorderingsambtenaar beslist niet tot het voeren van een executieprocedure in eerste aanleg en hoger beroep dan nadat hij het dagelijks bestuur schriftelijk van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld.

Artikel 23 De ambtenaar belastingen van Meerinzicht
  • 1. De ambtenaar belastingen van Meerinzicht oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit welke bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet en de Wet milieubeheer toegekend zijn aan de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het voorgaande lid neemt de ambtenaar belastingen van Meerinzicht de gemeentelijke regeling en het gemeentelijk beleid op dit gebied in acht.

Artikel 24 De belastingdeurwaarder
  • 1. De belastingdeurwaarder oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit welke bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet en de Wet milieubeheer toegekend zijn aan de belastingdeurwaarder.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het voorgaande lid neemt de belastingdeurwaarder de gemeentelijke regelgeving en het gemeentelijk beleid op dit gebied in acht.

Hoofdstuk 9. Financiële bepalingen

Artikel 25 Begroting
  • 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting uiterlijk op 15 juli vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

  • 2. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.

  • 3. Het dagelijks bestuur maakt een ontwerpbegroting op, voorzien van een financiële en beleidsmatige toelichting (inclusief de kaders (kadernota)) en zendt deze voor 15 april in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 4. De ontwerpbegroting wordt door de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaar stelling wordt openbaar kennis gegeven.

  • 5. De gemeenteraden vergaderen niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving over de ontwerpbegroting. Zij kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt deze zienswijzen, voorzien van zijn reactie, toe aan de ontwerpbegroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 6. Na vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij de gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 7. Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.

Artikel 26 Jaarrekening
  • 1. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 2. Artikel 25 leden 2, 3 en 7 van de regeling zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het dagelijks bestuur de voorlopige jaarrekening vóór 15 april van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, zendt aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

  • 3. Vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.

  • 4. In de rekening wordt het door elk van de colleges over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen.

  • 5. Verrekening van het verschil tussen hetgeen op grond van artikel 9, derde lid, van deze regeling is begroot en bevoorschot enerzijds en hetgeen op basis van de rekening is verschuldigd anderzijds vindt plaats zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de rekening.

Artikel 27
  • 1. De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 2. Indien aan het algemeen bestuur van het openbaar lichaam blijkt dat een deelnemende gemeente weigert deze uitgaven in de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.

  • 3. Bij opheffing van het openbaar lichaam stelt het algemeen bestuur een liquidatieplan op dat voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

Hoofdstuk 10. Archief

Artikel 28
  • 1. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, overeenkomstig een door het algemeen bestuur met inachtneming van artikel 41, tweede lid van de Archiefwet 1995 vast te stellen regeling.

  • 2. De aan de uitvoering van het eerste lid verbonden kosten komen ten laste van het openbaar lichaam.

  • 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden is Ermelo de archiefbewaarplaats.

Hoofdstuk 11. Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 29
  • 1. Toetreding tot deze regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende besluiten van de colleges, alsmede het potentiële toetredende college, na verkregen toestemming van de desbetreffende gemeenteraad.

  • 2. Het algemeen bestuur doet daartoe een voorstel en geeft daarin aan of, en zo ja, welke voorwaarden aan de toetreding zijn verbonden.

  • 3. De colleges stellen een toetredingssom vast voor de toetreding tot deze regeling.

  • 4. De toetreding gaat in op een in overleg tussen het algemeen bestuur en het toetredende college te bepalen tijdstip, dat niet ligt voor het tijdstip dat de in het eerste lid genoemde besluiten zijn genomen.

Artikel 30
  • 1. Een gemeente kan uittreden door toezending van het daartoe strekkende besluit van zijn college aan het algemeen bestuur, doch niet eerder dan na zes jaar na inwerkingtreding van de regeling.

  • 2. Het algemeen bestuur besluit binnen drie maanden na ontvangst van het besluit zoals bedoeld in het eerste lid over de voorwaarden waaronder een college kan uittreden. De uittreding gaat in op 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur het besluit zoals genoemd in het eerste lid heeft ontvangen, tenzij door het algemeen bestuur een kortere datum is bepaald.

  • 3. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding en kan aan de uittreding onder andere financiële- en personele voorwaarden verbinden. Tot deze financiële voorwaarden behoort in elk geval de bepaling, dat een uittredende college van het jaar van uittreding af aan het openbaar lichaam blijft betalen een bijdrage in de jaarlijkse (vaste) exploitatielasten, waaronder de personele kosten, van het openbaar lichaam. De bijdrage is niet meer verschuldigd, zodra het algemeen bestuur beslist, dat de uit de uittreding voortgekomen kostenstijging op voldoende wijze is gecompenseerd. De bijdrage kan gekwantificeerd worden in een eenmalige uittredingssom.

  • 4. Het dagelijks bestuur ziet toe op de uittreding en de vereffening van de financiële verplichtingen.

  • 5. Het uittredende gemeente kan geen recht doen gelden op de overdracht van enig eigendom van het openbaar lichaam. Aanvullende afspraken hierover kunnen worden gemaakt in de uittredingsvoorwaarden conform lid 3.

Artikel 31
  • 1. De regeling kan tussentijds worden gewijzigd of opgeheven wanneer alle deelnemende colleges daartoe besluiten.

  • 2. College(s) en het algemeen bestuur zijn bevoegd een wijziging in de regeling aan de overige colleges in overweging te geven via een daartoe strekkend voorstel. Het dagelijks bestuur zendt het voorstel van het algemeen bestuur toe aan de colleges.

  • 3. Ingeval van opheffing van de regeling stelt het algemeen bestuur vooraf, na overleg met de colleges en met inachtneming van artikel 27 van de regeling, een liquidatieplan vast waarin in ieder geval wordt aangegeven wat de gevolgen zijn die de beëindiging heeft voor het personeel en de wijze waarop het positieve of negatieve saldo van het openbaar lichaam over de colleges wordt verdeeld.

  • 4. Het dagelijks bestuur is belast met de vereffening van de financiële en personele verplichtingen.

  • 5. Zo nodig blijven de organen van de regeling na het tijdstip van opheffing in functie totdat de liquidatie is voltooid.

Hoofdstuk 12. Geschillenregeling

Artikel 32
  • 1. Geschillen omtrent de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, tussen colleges of tussen één of meer colleges en het bestuur van het openbaar lichaam, worden door gedeputeerde staten beslist.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de beslissing van het geschil het desbetreffende bestuur opdragen een besluit te nemen, met inachtneming van het in hun beslissing bepaalde en binnen een daartoe te stellen termijn. Indien binnen de gestelde termijn het besluit niet is genomen, geschiedt dit door gedeputeerde staten.

  • 3. In spoedeisende gevallen kunnen gedeputeerde staten bij de beslissing van het geschil in de plaats van het desbetreffende bestuur een besluit als bedoeld in het tweede lid nemen.

Artikel 33

Indien de colleges in meer dan één provincie zijn gelegen, worden de bevoegdheden van gedeputeerde staten met betrekking tot het openbaar lichaam uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie, waarin de plaats van vestiging is gelegen. Gedeputeerde staten plegen hierbij overleg met gedeputeerde staten van elke andere provincie waarin de colleges zijn gelegen. Besluiten die aan gedeputeerde staten dienen te worden meegedeeld, worden tevens meegedeeld aan gedeputeerde staten van elke andere betrokken provincie.

Hoofdstuk 13. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 34
  • 1. Deze gewijzigde regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015, met dien verstande dat inwerkingtreding niet eerder kan plaats vinden dan na bekendmaking.

  • 2. Bekendmaking geschiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, tweede lid van de wet.

  • 3. Het college van Ermelo draagt zorg voor de in artikel 26 van de wet bedoelde toezending.

  • 4. Besluiten welke zijn genomen door de heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar en belastingdeurwaarder van de deelnemende bestuursorganen, gelden als besluiten van de in artikel 17 aangewezen ambtenaren. Procedures gericht tegen deze besluiten dan wel reeds lopende procedures worden door de ambtenaren genoemd in artikel 17 van de Regeling behandeld.

  • 5. Besluiten op grond van de door deze wijziging vervangen gemeenschappelijke regeling gelden als besluiten op grond van deze regeling.

  • 6. Met ingang van 1 januari 2016 komt artikel 10, tweede lid van de regeling als volgt te luiden: “Het algemeen bestuur bestaat uit zes leden van de colleges. De colleges wijzen elk uit hun midden twee leden en twee plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur aan”.

Artikel 35

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 36
  • 1. De begroting wordt voor de eerste maal vastgesteld voor de periode aanvangende op de dag waarop de regeling in werking treedt, tot het einde van het kalenderjaar, dan wel, wanneer het algemeen bestuur dit bepaalt, tot het einde van het volgende kalenderjaar.

  • 2. De eerste rekening heeft betrekking op de periode waarvoor de eerste begroting geldt.

Artikel 37

Deze regeling kan worden aangehaald onder de titel: “Gemeenschappelijke regeling Meerinzicht”.

Ondertekening

Het college van burgemeester en wethouders van Ermelo,
A.M. Weststrate, A.A.J. Baars,
secretaris, burgemeester,
Het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk,
Naam , naam,
secretaris, burgemeester,
et college van burgemeester en wethouders van Zeewolde,
Naam, Naam,
secretaris, burgemeester,