Beleidsregels Buitenplanse afwijkingsbevoegdheid kruimelgevallen Wabo/Bor (2015)

Geldend van 21-05-2015 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Buitenplanse Afwijkingsbevoegdheid kruimelgevallen Wabo/Bor (2015)

Burgemeester en wethouders van Brummen hebben besloten om:

  • 1.

    in te stemmen met de Buitenplanse Afwijkingsbevoegdheid kruimelgevallen Wabo/Bor 2015 en deze daags na publicatie in werking te laten treden;

  • 2.

    gelijktijdig met inwerkingtreding van de Buitenplanse afwijkingsbevoegdheid kruimelgevallen Wabo/Bor 2015, de oude kruimelgevallenregelingen van 30 november 2008 en 11 januari 2011 vervallen te verklaren.

Beleidsregels afwijkingsbevoegdheid kruimelgevallen Wabo/Bor ex artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht

Inleiding

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden.

In artikel 2.12 van de Wabo is geregeld dat voor een activiteit als bedoeld in 2.1, eerste lid onder c (een activiteit in strijd met het bestemmingsplan) slechts een omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking OF

in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. Dat laatste heeft uitwerking gevonden in artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en wordt ook wel de 'planologische kruimelregeling' genoemd.

Een omgevingsvergunning voor boven bedoelde activiteiten ‘kan’ worden verleend en dat houdt in dat sprake is van een (discretionaire) bevoegdheid en geen plicht. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening (artikel 2.12 lid 1 Wabo).

Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van de uitoefening van die bevoegdheid beleidsregels vaststellen. Dergelijke beleidsregels, opgesteld krachtens artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, bevorderen een consistente en voortvarende afhandeling van de aanvragen om een omgevingsvergunning en voor de motivering kan dan verwezen worden naar de in beleidsregels neergelegde gedragslijn.

De gemeente Brummen heeft ten aanzien van de toepassing van de 'planologische Kruimelregeling' in het verleden via besluiten enkele uitspraken gedaan. Omdat het Bor op 1 november 2014 is gewijzigd, waarbij de bouw en gebruiksmogelijkheden aanzienlijk zijn verruimd, is een helder en aangepast toetsingscriterium in de vorm van onderhavig beleid nodig. Dit beleidsdocument vervangt de besluiten genomen op 30 oktober 2008 en 11 januari 2011.

Bij de beoordeling van verzoeken om af te wijken van het bestemmingsplan zullen voor wat betreft de afwijkingsmogelijkheden zoals genoemd in artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2 , Wabo voortaan de volgende beleidsregels worden toegepast.

Voor de begrippen en de volgorde is aangesloten bij artikel 4 Bijlage II Bor, tenzij in dit beleidsdocument een andere definitie is opgenomen.

Definities:

bebouwde kom: het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Perceel: al dan niet bebouwd terrein, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht Is ingericht ten dienst van het gebruik van dat gebouw.

HET BELEID BUITENPLANSE AFWIJKINGSBEVOEGDHEID KRUIMELGEVALLEN WABO/BOR GEMEENTE BRUMMEN

1. Algemene afwegingscriteria

Bij de toepassing van de beleidsregels geldt dat een verzoek om afwijking alleen wordt gehonoreerd  indien wordt voldaan aan de volgende kwalitatieve criteria:

  • 1.

    er sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening;

  • 2.

    er dient geen onevenredige aantasting plaats te vinden van het woon- en leefmilieu;

  • 3.

    er dient geen onevenredige aantasting plaats te vinden van de verkeersveiligheid;

  • 4.

    de sociale veiligheid mag niet in het geding zijn als gevolg van de afwijking;

  • 5.

    de brandveiligheid dient gewaarborgd te zijn;

  • 6.

    het straat- en bebouwingsbeeld mogen niet in negatieve zin worden beïnvloed;

  • 7.

    parkeren plaats moet vinden op eigen terrein;

  • 8.

    de afwijking mag de bestaande rechten van omliggende bedrijven niet in perken;

  • 9.

    het beoogde gebruik van de uitbreiding of het bijgebouw mag (in beginsel) niet afwijken van het bestaande gebruik van het hoofdgebouw, één en ander overeenkomstig de regels van het bestemmingsplan.

2. Uitgangspunten bij uitbreidingen behorende bij een woning binnen de bebouwde kom (1)

  • 1. de gezamenlijke oppervlakte van aan en/of uitbouwen en (vrijstaande) bijgebouwen mag afhankelijk van de totale perceelsgrootte niet meer bedragen dan hieronder aangegeven:

    totale oppervlakte perceel:

    maximaal gezamenlijke oppervlakte:

    tot 300 m²

    70 m²

    van 300 m² tot 500 m²

    70 m²

    van 500 m² tot 750 m²

    90 m²

    van 750 m² tot 1.000 m²

    100 m²

    van 1.000 m² en meer

    150 m²

  • 2. ten aanzien van (vrijstaande) bijgebouwen bij woningen geldt het volgende:

    • a.

      het bijgebouw dient minimaal 3 meter achter de voorgevel van de woning dan wel het verlengde daarvan te worden gebouwd;

    • b.

      het bouwwerk wordt gesitueerd op het erf behorende bij de woning;

    • c.

      voor de maximale goot en bouwhoogte wordt aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingplan.

  • 3. het bouwperceel (op grond van het bestemmingsplan) mag achter de voorgevellijn voor niet meer dan 60% worden bebouwd;

  • 4. conform onze beleidsregeling mantelzorgwoning 2014 kan van deze oppervlaktes worden afgeweken;

  • 5. de oppervlakte van een carport wordt niet in mindering gebracht op de oppervlakte aan (vrijstaande) bijgebouwen mits wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de oppervlakte van de carport bedraagt niet meer dan 30 m²

    • b.

      de bouwhoogte van de carport bedraagt niet meer dan 3 m;

    • c.

      de carport wordt niet vóór de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd;

    • d.

      de situering van de carport mag niet vóór het verlengde van de voorgevelrooilijn van de om de hoek gelegen hoofdgebouwen liggen;

  • 6. ten aanzien van aan en/ of uitbouwen aan de achterzijde van de woning geldt:

    • a.

      de woning mag over de volle breedte maximaal 4 meter diep uitgebreid worden, aangebouwd aan de oorspronkelijke achtergevel van de woning, mits het onbebouwde gedeelte van het erf achter de woning tot de bouwperceelgrens na de uitbreiding minimaal 5 meter bedraagt over de volle breedte van de woning;

    • b.

      de bouwhoogte mag maximaal 4 meter bedragen, maar niet hoger zijn dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw;

  • 7. ten aanzien van uitbreiding van een woning aan de zijzijde geldt dat:

    • a.

      deze niet breder mag zijn dan 50% van de breedte van de oorspronkelijke woning;

    • b.

      de uitbreiding van de woning aan de zijgevel maximaal 1,5 m diep mag zijn;

    • c.

      de bouwhoogte mag maximaal 4 meter bedragen, maar niet hoger zijn dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw;

    • d.

      de situering van de uitbreiding van de woning niet vóór het verlengde van de voorgevelrooilijn van de om de hoek gelegen hoofdgebouwen mag liggen;

  • 8. criteria bij erkers:

    • a.

      bij hoekwoningen geldt dat situering van de erker vóór het verlengde van de voorgevelrooilijn van de om de hoek gelegen hoofdgebouwen niet is toegestaan;

    • b.

      In afwijking van het voorgaande mag één zijde van de verlengde voorgevelrooilijn worden overschreden met een erker, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

      • a.

        de horizontale diepte mag maximaal 1,5 m bedragen;

      • b.

        voor zover de erker wordt gebouwd tegen de zijgevel van het hoofgebouw mag de breedte van de erker maximaal 2/3 van de breedte van de oorspronkelijke zijgevel bedragen;

      • c.

        voor zover de erker aan de voorgevel wordt gebouwd, mag de breedte van de erker aan de voorgevel maximaal 50% van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel bedragen;

      • d.

        de bouwhoogte mag maximaal 4 m bedragen, dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 m;

3. Uitgangspunten bij uitbreidingen van gebouwen, niet zijnde woningen en/of bijbehorende bouwwerken bij woningen (1)

Dit betreft een groot aantal categorie van gevallen en mogelijkheden. Specifieke regels zijn dus moeilijk te formuleren. De algemene afwegingscriteria zijn van toepassing. Verder geldt dat nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Slechts bij hoge uitzondering is het mogelijk dergelijke bijbehorende bouwwerken op te richten. Hierbij dient het gebruik van het bijbehorend bouwwerk in beginsel in overeenstemming te zijn met het bestaande gebruik, zoals dat op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Verder geldt dat het te bebouwen oppervlak op het bij het oorspronkelijke hoofdgebouw behorende achtererfgebied op niet meer dan 50%  van de oppervlakte van dit gebied mag uitkomen.

4. Uitgangspunten bij uitbreidingen behorende bij een woning buiten de bebouwde kom (1)

  • 1. de gezamenlijke oppervlakte van de (vrijstaande) bijgebouwen mag afhankelijk van de totale perceelsgrootte niet meer bedragen dan hieronder aangegeven:

    totale oppervlakte perceel:

    maximaal gezamenlijke oppervlakte:

    tot 300 m²

    75 m²

    van 300 m tot 750 m²

    90 m²

    van 750 m tot 1.000 m²

    100 m²

    van 1.000 m² en meer

    150 m²

  • 2. Ten aanzien van (vrijstaande) bijgebouwen bij woningen geldt het volgende:

    • a.

      het bijgebouw dient minimaal 3 meter achter de voorgevel van de woning dan wel het verlengde daarvan te worden gebouwd;

    • b.

      het bouwwerk wordt gesitueerd op het erf behorende bij de woning;

    • c.

      voor kassen geldt een bruto-vloeroppervlakte van niet meer dan 100 m².

  • 3. De reikwijdte van dit beleidsdocument sluit aan bij de wetgeving en de maximale bouwhoogte is 5 meter.

  • 4. het bouwperceel (op grond van het bestemmingsplan) mag voor niet meer dan 60% worden bebouwd;

  • 5. conform onze beleidsregeling mantelzorgwoning 2014 kan van deze oppervlaktes worden afgeweken;

  • 6. de oppervlakte van een carport wordt niet in mindering gebracht op de oppervlakte, mits wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de oppervlakte van de carport bedraagt niet meer dan 30 m² ;

    • b.

      de bouwhoogte van de carport bedraagt niet meer dan 3 m;

    • c.

      de carport wordt niet vóór de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd;

    • d.

      de situering van de carport mag niet vóór het verlengde van de voorgevelrooilijn van de om de hoek gelegen hoofdgebouwen liggen;

  • 7. Ten aanzien van aan en/of uitbouwen aan de achterzijde van de woning geldt:

    • a.

      de woning mag over de volle breedte maximaal 4 meter diep uitgebreid worden, aangebouwd aan de oorspronkelijke achtergevel van de woning, mits het onbebouwde gedeelte van het erf achter de woning tot de bouwperceelgrens na de uitbreiding minimaal 5 meter bedraagt over de volle breedte van de woning;

    • b.

      de bouwhoogte mag maximaal 4 meter bedragen, maar niet hoger zijn dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw.

  • 8. Ten aanzien van uitbreiding van een woning aan de zijzijde geldt dat:

    • a.

      deze niet breder mag zijn dan 50% van de breedte van de oorspronkelijke woning;

    • b.

      de uitbreiding van de woning aan de zijgevel maximaal 1,5 m diep mag zijn;

    • c.

      de bouwhoogte mag maximaal 4 meter bedragen, maar niet hoger zijn dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw;

    • d.

      de situering van de uitbreiding van de woning niet vóór het verlengde van de voorgevelrooilijn van de om de hoek gelegen hoofdgebouwen mag liggen;

  • 9. criteria bij erkers:

    • a.

      bij hoekwoningen geldt dat situering van het bouwwerk vóór het verlengde van de voorgevelrooilijn van de om de hoek gelegen hoofdgebouwen niet is toegestaan;

    • b.

      In afwijking van het voorgaande mag één zijde van de verlengde voorgevelrooilijn worden overschreden met een erker, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

      • a.

        de horizontale diepte mag maximaal 1,5 m bedragen;

      • b.

        voor zover de erker wordt gebouwd tegen de zijgevel van het hoofgebouw mag de breedte van de erker maximaal 2/3 van de breedte van de oorspronkelijke zijgevel bedragen;

      • c.

        voor zover de erker een onderdeel is van de erker die aan de voorgevel is gelegen, mag de breedte van de erker aan de voorgevel maximaal 50% van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel bedragen;

      • d.

        de bouwhoogte mag maximaal 4 m bedragen, dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 m.

5. Uitgangspunten bij uitbreidingen overige gebouwen, niet zijnde woningen en/of bijbehorende bouwwerken bij woningen buiten de bebouwde kom (1)

Dit betreft een groot aantal categorie van gevallen en mogelijkheden. Specifieke regels zijn dus moeilijk te formuleren. De algemene afwegingscriteria zijn van toepassing. Verder geldt dat nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Slechts bij hoge uitzondering is het mogelijk

bijbehorende bouwwerken op te richten. Hierbij dient het gebruik van het bijbehorend bouwwerk in beginsel (zie onder 9) in overeenstemming te zijn met het bestaande gebruik, zoals dat op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Verder geldt dat het bebouwingsoppervlak op het bij het oorspronkelijke hoofdgebouw behorende achtererfgebied op niet meer dan 50% van de oppervlakte van dit gebied mag uitkomen.

6. Uitgangspunten bij bouwen ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening (2)

Per geval bezien of aan deze mogelijkheid toepassing wordt gegeven.

7. Uitgangspunten bij een bouwwerk, geen gebouw zijnde (3)

  • 1. Ten aanzien van erfafscheidingen geldt het volgende:

    • a.

      de bouwhoogte mag maximaal 2 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn maximaal 1 meter mag bedragen.

    • b.

      In afwijking van het voorgaande mogen erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevellijn maximaal 2 meter hoog zijn mits het gaat om transparante hekwerken op ruime percelen en mits welstand akkoord i.

  • 2. ten aanzien van overige bouwwerken wordt per geval bezien of aan deze mogelijkheid toepassing wordt gegeven, waarbij het volgende in acht wordt gehouden:

    • a.

      bouwwerken mogen maximaal 50 m² groot zijn;

    • b.

      de bouwhoogte mag maximaal 10 meter bedragen.

8. Uitgangspunten bij een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw (4)

Het geldende welstandsbeleid (Nota ruimtelijke kwaliteit 2013) zal als uitgangspunt worden gehanteerd en de regels van het bestemmingsplan voor wat betreft goothoogte en dakhelling zijn niet van toepassing.

10. Uitgangspunten bij een antenne-installatie (incl. zendmast), mits niet hoger dan 40 m (5)

  • 1. De betreffende aanvraag om een omgevingsvergunning of het herzien van een bestemmingsplan dient volledig in overeenstemming te zijn met de bepalingen van het tussen de rijksoverheid, de VNG en de vijf operators gesloten convenant in het kader van het nationaal antennebeleid (vergunningsvrije antenne- installaties) datum 27 juni 2002 en het antennebeleid 2007. In deze documenten zijn afspraken gemaakt over:

    • a.

      de visuele inpasbaarheid;

    • b.

      het hanteren van het site-sharing beginsel;

    • c.

      de mogelijkheden van medegebruik van zendmasten van andere providers (site-sharing) moeten zijn uitgeput, tenzij dit uit een voldoende onderbouwde motivering technisch niet mogelijk blijkt of in redelijkheid niet verlangd kan worden, voordat medewerking aan het realiseren van een zendmastinstallatie op de nieuwe locatie wordt overwogen;

    • d.

      het aantonen van de noodzaak.

  • 2. In het plaatsingsplan zal het vorenstaande moeten worden meegenomen. Daarbij zal ook aandacht geschonken moeten worden aan de overige punten:

    • a.

      bij plaatsing op een woongebouw moet aannemelijk worden gemaakt dat de realisatie daarop noodzakelijk is. Dit is o.a. het geval wanneer er geen andere geschikte locatie is of wanneer de plaatsing voorkomt dat de provider op andere gebouwen (of elders in de buurt) meer antenne-installaties moet plaatsen;

    • b.

      de blootstellinglimieten dienen te worden aangegeven. Er moet worden voldaan aan de blootstellinglimieten zoals geadviseerd door de Nationale Gezondheidsraad, vastgesteld door de rijksoverheid en in overeenstemming met Europese regelgeving.

  • 3. Voorkeurslocaties waarmee rekening gehouden moet worden bij het plaatsen van een zendmastinstallatie/antenne:

    • a.

      conform de locaties genoemd in het antennebeleid 2007;

    • b.

      bij voorkeur geen solitaire grondopstelling;

    • c.

      Indien een zendmastinstallatie in het buitengebied wordt geplaatst, zo min mogelijk in de open ruimte maar aan, langs of in de rand;

    • d.

      bij voorkeur geen plaatsing in landschappelijk waardevolle gebieden;

    • e.

      geen plaatsing midden in woongebieden maar zoveel mogelijk aan/langs de rand;

    • f.

      geen plaatsing op woongebouwen (huur- of koopwoningen), gebouwen waarin permanent mensen worden verzorgd/ verpleegd of op schoolgebouwen;

    • g.

      bij voorkeur plaatsing op bedrijfs-, kantoor- en detailhandelsgebouwen en gebouwen voor maatschappelijke voorzieningen, zoals gemeentelijke gebouwen, politiebureau en brandweerkazerne;

    • h.

      in geval van plaatsing op locaties in de door de gemeente of het Rijk aangewezen beschermde dorpsgezichten, mag plaatsing niet leiden tot een onevenredige afbreuk aan de historisch gegroeide stedenbouwkundige structuur en de specifieke ruimtelijke kwaliteiten in dat gebied (bijv. gevelaanzichten);

    • i.

      aan plaatsing op of aan kerktorens en (andere) monumenten kan medewerking worden verleend, op voorwaarde dat de welstandscommissie en/of de monumentencommissie zich vooraf met het plaatsen van de zendmastinstallatie kan verenigen;

    • j.

      bij voorkeur plaatsing op of aan bestaande bedrijventerreinen en sportterreinen en bestaande infrastructuur; plaatsing in of op lichtmasten en reclamemasten in de middenberm van wegen en/of op bedrijventerreinen,

    • k.

      Indien een zendmastinstallatie langs de openbare weg wordt geplaatst, de zendmastinstallatie zoveel mogelijk visueel opnemen in het beeld van de langs de weg gelegen bos/groenstrook;

    • l.

      in principe kan medewerking worden verleend voor plaatsing op sportterreinen en in of aan zich daar bevindende lichtmasten of gebouwen;

    • m.

      bij voorkeur plaatsen op of aan hoogspanningsmasten, windmolens, reclamezuilen, lichtmasten en verkeersportalen bij wegen.

  • 4. Bij amateurzendinstallaties wordt een afweging gemaakt tussen de ruimtelijke aspecten en de vrijheid van meningsuiting (o.a. Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens)

10. Uitgangspunten bij een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling (6)

Omdat de verwachting is dat dit zeer sporadisch voorkomt per geval bezien of aan deze mogelijkheid toepassing wordt gegeven.

11. Uitgangspunten bij een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd (6)

Omdat de verwachting is dat dit zeer sporadisch voorkomt per geval bezien of aan deze mogelijkheid toepassing wordt gegeven.

12. Uitgangspunten bij het gebruik van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied (8)

Dit wordt per geval bezien. Daarbij is aandacht voor de verkeersveiligheid en de toegankelijkheid van het openbaar gebied.

13. Uitgangspunten gebruik bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten (9)

  • 1. Bouwwerken, zijnde een woning of woongebouw (incl. de daarbij behorende bouwwerken):

    • -

      Wijziging van gebruik is niet toegestaan.

  • 2. Bouwwerken, zijnde geen woning of woongebouw;

    • a.

      Wijzigen van het gebruik naar wonen of woningbouw is niet mogelijk met uitzondering van de volgende gevallen:

      • a.

        het wijzigen van gebruik naar wonen omvat een bestaande dienstwoning of agrarische (dienst) woning.

      • b.

        de aanvraag is in overeenstemming met de beleidsregeling mantelzorgwoning 2014.

      • b.

        De noodzaak dient te zijn aangetoond en de overweging om van het bestemmingsplan af te wijken dient zorgvuldig te zijn onderbouwd. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing verstaan wij dat het in ieder geval de volgende aspecten voldoende zijn onderbouwd;

        Het initiatief moet voldoen aan het gemeentelijk beleid, inhoudende dat het initiatief wordt beoordeeld op onder andere de volgende onderdelen:

        stedenbouw/welstand/landschap/archeologie/cultuur/ natuur/ecologie/parkeren/verkeer/milieu;

      • c.

        Wijziging van gebruik is niet toegestaan in geval van:

        • -

          een functieverandering naar een seksinrichting;

  • 3. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

    Er wordt geen afwijking van het bestemmingsplan verleend voor het veranderen van de bestaande functie(s) van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

  • 4. Logies functie voor werknemers

    De dringende noodzaak dient te zijn aangetoond waarbij de volgende uitgangspunten in acht dienen te worden genomen:

    • a.

      In het bestaande hoofdgebouw kunnen geen logiesfuncties worden ondergebracht, behalve het gebruik van de gemeenschappelijke voorzieningen, zoals een keuken en een badkamer;

    • b.

      Van de bestaande bijbehorende bouwwerken mag één bouwwerk voor een logiesfunctie worden gebruikt:

      • a.

        Dit bouwwerk moet binnen een straal van 10 meter van het hoofgebouw gelegen zijn (metend vanaf de voorgevel);

      • b.

        In het bouwwerk mag 1 logiesfunctie zijn ondergebracht ten behoeve van maximaal 4 (slaap)plaatsen;

      • c.

        Op het erf dient voldoende parkeerruimte aanwezig te zijn, waarbij ervan wordt uitgegaan dat per slaapplaats een parkeerplaats beschikbaar is;

      • d.

        Het bouwwerk dient te voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit;

      • e.

        De bouwverordening is onverkort van toepassing.

14. Uitgangspunten bij het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning (10)

Van deze mogelijkheid wordt geen gebruik gemaakt.

15. Ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10 van artikel 4 Bor, voor een termijn van ten hoogste tien jaar (11)

Het gaat hier om ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 2 t/m 14 zoals hierboven opgenomen (in de BOr betreffen dit de onderdelen 1 t/m 10). Het BOr heeft in artikel 4 nog onderdeel 11 toegevoegd. Het gaat hier om ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld onder de onderdelen 1 t/m 10 voor een termijn voor ten hoogste 10 jaar. Per geval wordt bekeken of medewerking verleend kan worden. Hierbij zijn de criteria zoals genoemd onder 1 van toepassing. De daar genoemde kwalitatieve criteria moeten in de aanvraag zijn beantwoord waarbij voor dit onderdeel ook de tijdelijkheid moet worden aangetoond. Ook dient aannemelijk te zijn dat de activiteit na de in de vergunning gestelde termijn zonder onomkeerbare gevolgen zal en kan worden beëindigd. Ander gebruik die elders in dit beleid worden uitgesloten (onder de onderdelen 1 t/m 14) komen ook voor een tijdelijke afwijking niet in aanmerking.

16. Hardheidsclausule

Voor wat betreft de toepassing zijn burgemeester en wethouders bevoegd om af te wijken van deze regeling, vooral wanneer deze voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

In het algemeen kan een beroep op de hardheidsclausule worden gedaan indien:

  • 1.

    Er bijzondere omstandigheden worden aangevoerd die tot medewerking in afwijking van het beleid noodzaken en er geen redelijke alternatieven bestaan om hierin te voorzien, mits de ruimtelijke consequenties beperkt blijven en geen (ongewenste) precedentwerking hoeft te worden gevreesd;

  • 2.

    Indien de aanvraag niet binnen het geldend beleid past maar als gevolg van het verzoek een beleidswijziging in de rede ligt.

17. In werkingtreding

Dit beleid treedt in werking op de eerste dag na de dag waarop zij op grond van de Algemene wet bestuursrecht is bekendgemaakt.

18. Titel

Het beleid kan worden aangehaald met de citeertitel: "Buitenplanse afwijkingsbevoegdheid kruimelgevallen Wabo/Bor 2015, gemeente Brummen".

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de B&W-vergadering van 28 april 2015
gemeentesecretaris, drs. E.V. Schmitz
burgemeester, A.J. van Hedel