Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten en Statencommissies van Noord-Holland 2015

Geldend van 06-09-2018 t/m heden

Intitulé

Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten en Statencommissies van Noord-Holland 2015

Provinciale Staten van Noord-Holland,

Besluiten vast te stellen:

Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten en Statencommissies van Noord-Holland 2015

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Provinciale Staten

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • a.

    voorzitter: de voorzitter van Provinciale Staten of diens vervanger;

  • b.

    amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpbeslissing, door de voorzitter naar de vorm geschikt bevonden om daarin direct te worden opgenomen;

  • c.

    subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, door de voorzitter naar de vorm geschikt bevonden om direct daarin te worden opgenomen;

  • d.

    motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;

  • e.

    voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering;

  • f.

    initiatiefvoorstel: een voorstel voor Provinciale Staten, gedaan door een lid van Provinciale Staten;

  • g.

    interpellatie: het stellen van vragen in de vergadering van Provinciale Staten als bedoeld in artikel 151, tweede lid, van de Provinciewet;

  • h.

    interruptie: een korte opmerking of vraag zonder inleiding;

  • i.

    fractiedebat: een debat tussen fracties of Statenleden onderling;

  • j.

    actualiteit: een onderwerp, geagendeerd op verzoek van één of meerdere leden, met een spoedeisend karakter.

Artikel 2 Elektronisch aanbieden/ publicatie

Waar in dit reglement sprake is van het verzenden dan wel ter kennis brengen van stukken aan de leden van Provinciale Staten of aan de leden van een Statencommissie, kan worden volstaan met elektronisch aanbieden van bedoelde stukken, tenzij het geheime karakter van de stukken zich daartegen verzet.

Artikel 3 De voorzitter

  • 1. De voorzitter is belast met:

    • a.

      het leiden van de vergadering;

    • b.

      het handhaven van de orde;

    • c.

      het doen naleven van het reglement van orde;

    • d.

      hetgeen de Provinciewet of dit reglement hem verder opdraagt.

  • 2. Provinciale Staten benoemen bij de aanvang van de zittingsperiode één of meer vicevoorzitters en stellen de volgorde voor waarnemen vast.

  • 3. De functie van vicevoorzitter is niet verenigbaar met die van commissievoorzitter.

Artikel 4 De griffier

  • 1. De griffier is in elke vergadering van Provinciale Staten aanwezig.

  • 2. Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een door Provinciale Staten daartoe aangewezen Staten- en commissie-adviseur.

  • 3. De griffier kan, indien hij daartoe door de voorzitter wordt uitgenodigd, bij de vergaderingen van Provinciale Staten aan de beraadslagingen deelnemen.

Artikel 5 De secretaris

Provinciale Staten kunnen Gedeputeerde Staten verzoeken de secretaris in de vergadering aanwezig te laten zijn en deel te laten nemen aan de beraadslagingen, als bedoeld in dit reglement.

Artikel 6 Het Presidium

  • 1. Er is een presidium dat belast is met de in dit reglement of anderszins door Provinciale Staten opgedragen werkzaamheden.

  • 2. Het presidium heeft in ieder geval de volgende taken:

    • a.

      het voorbereiden van de Statenagenda;

    • b.

      het uitoefenen van het bestuur van Provinciale Staten;

    • c.

      het opstellen van de raming voor de uitgaven van Provinciale Staten;

    • d.

      het beheren van de geldelijke middelen van Provinciale Staten;

    • e.

      het adviseren aan Provinciale Staten over de inschakeling van een of meer externe deskundigen;

    • f.

      het doen van voorstellen tot wijziging van het reglement van orde, de griffiers-instructie, provinciale verordeningen en overige procedurele en organisatorische aangelegenheden;

    • g.

      het toewijzen van kamers aan de fracties.

  • 3. Het presidium bestaat uit de voorzitter van Provinciale Staten, de vicevoorzitter van Provinciale Staten en de fractievoorzitters die zich bij een fractie met twee of meer leden kunnen laten vervangen door een fractievertegenwoordiger.

  • 4. De voorzitter van Provinciale Staten is voorzitter en de vicevoorzitter van Provinciale Staten is vicevoorzitter van het presidium.

  • 5. De voorzitter roept het presidium bijeen.

  • 6. Het presidium komt tevens bijeen indien tenminste drie leden van het presidium daartoe een verzoek bij de voorzitter hebben ingediend.

  • 7. Beraadslaging vindt alleen plaats als tenminste de helft van het aantal zetels in Provinciale Staten vertegenwoordigd is en in aanwezigheid van de voorzitter dan wel de vicevoorzitter.

  • 8. Tussen het presidium en de agendacommissie als bedoeld in artikel 9 heeft afhankelijk van de behoefte periodiek overleg plaats. Beide gremia sturen elkaar hun besluitenlijsten toe.

  • 9. De vergaderingen van het presidium zijn openbaar, tenzij:

    • a.

      artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is, of;

    • b.

      het presidium al dan niet op voorstel van de voorzitter anders beslist bij meerderheid van stemmen.

  • 10. Het presidium wordt ambtelijk ondersteund door een Staten- en commissieadviseur.

  • 11. De griffier is in elke vergadering van het presidium aanwezig en dient het presidium van advies.

  • 12. De vergaderingen van het presidium worden voorbereid door de voorzitter en de vicevoorzitter van Provinciale Staten en de commissie- en Statenadviseur die belast is met de ambtelijke ondersteuning van het presidium en de griffier.

Artikel 7 De stemming in het presidium

  • 1. Een besluit in het presidium wordt genomen bij meerderheid van stemmen.

  • 2. Elke fractie heft in het presidium zoveel stemmen als de fractie zetels heeft in Provinciale Staten.

  • 3. Bij het staken van stemmen beslist de voorzitter dan wel de vicevoorzitter.

  • 4. Per reguliere Statenvergadering brengt het presidium een lijst met ingekomen stukken en de wijze van afdoening ter kennis van Provinciale Staten.

Artikel 8 Aanwezigheid gedeputeerden

  • 1. Het presidium kan gedeputeerden uitnodigen om deel te nemen aan de beraadslagingen.

  • 2. Gedeputeerden die willen deelnemen aan beraadslagingen richten zich met een verzoek daartoe tot de voorzitter.

  • 3. De voorzitter stelt het presidium in kennis van zijn beslissing op het verzoek.

Artikel 9 De agendacommissie

  • 1. Er is een agendacommissie die zorgdraagt voor een efficiënte en onderling uniforme werkwijze van de Statencommissies.

  • 2. De agendacommissie kan voorstellen doen over:

    • a.

      de vergaderorde;

    • b.

      spreektijden;

    • c.

      de agendering van onderwerpen;

    • d.

      insprekers;

    • e.

      werkbezoeken;

    • f.

      trainingen van commissievoorzitters;

    • g.

      het aanwijzen van een leidende commissie als onderwerpen meer Statencommissies aangaan;

    • h.

      het opstellen van kwaliteitscriteria voor stukken die bestemd zijn voor de Statencommissies;

    • i.

      het terugsturen van voorstellen die niet voldoen aan de kwaliteitscriteria bedoeld onder h;

    • j.

      wijzigingen van dit reglement.

  • 3. De agendacommissie bestaat uit de vicevoorzitters van Provinciale Staten en de voorzitters van de Statencommissies.

  • 4. De vicevoorzitter van Provinciale Staten treedt op als voorzitter.

  • 5. De voorzitter van een Statencommissie kan zich bij verhindering laten vervangen door de vicevoorzitter van de Statencommissie.

  • 6. Een besluit wordt genomen bij meerderheid van stemmen.

  • 7. Bij het staken van stemmen beslist de voorzitter van de agendacommissie.

  • 8. De vergaderingen van de agendacommissie zijn openbaar, tenzij:

    • a.

      artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is, of;

    • b.

      de agendacommissie al dan niet op voorstel van de voorzitter dan wel de vicevoorzitter anders beslist bij meerderheid van stemmen.

  • 9. De agendacommissie wordt ambtelijk ondersteund door een Staten- en commissieadviseur.

  • 10. De griffier en de Staten- en commissieadviseurs zijn bij de vergaderingen van de agendacommissie aanwezig als adviseur.

Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden en fracties

Artikel 10 Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging

  • 1. Voor de toelating van nieuwe leden stellen Provinciale Staten een commissie in, bestaande uit drie leden van Provinciale Staten, die de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken van de te benoemen leden en de processen-verbaal van de stembureaus onderzoekt.

  • 2. De commissie brengt na haar onderzoek verslag uit aan Provinciale Staten en doet daarbij een voorstel. Een minderheidsstandpunt wordt gemeld in de notulen.

  • 3. Na de periodieke verkiezing van de Statenleden roept de voorzitter de toegelaten leden op om in de eerste vergadering van Provinciale Staten in nieuwe samenstelling, als bedoeld in artikel 18 van de Provinciewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

  • 4. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling legt het aspirant Statenlid in de vergadering van Provinciale Staten waarin over diens toelating wordt, beslist de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af.

Artikel 11 Fracties

  • 1. De leden van Provinciale Staten, die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd.

  • 2. Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in Provinciale Staten deze aanduiding als naam. Indien geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie in de eerste vergadering van Provinciale Staten in nieuwe samenstelling aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in Provinciale Staten wil voeren.

  • 3. De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens plaatsvervanger optreden worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.

  • 4. De fractie doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de voorzitter van:

    • a.

      een voorgenomen optreden van één of meer leden van een fractie als zelfstandige fractie;

    • b.

      een voorgenomen optreden van twee of meer fracties als één fractie;

    • c.

      de voorgenomen aansluiting van één of meer leden van een fractie bij een andere fractie.

  • 5. Met ingang van de eerstvolgende vergadering van Provinciale Staten ná de schriftelijke mededeling wordt uitgegaan van de gewijzigde situatie.

Hoofdstuk 3 Vergaderingen Provinciale Staten

Paragraaf 1 Algemeen

Artikel 12 Vergaderfrequentie

  • 1. Provinciale Staten stellen jaarlijks, doch uiterlijk in juli, op voorstel van het presidium hun vergaderschema vast.

  • 2. De voorzitter kan een andere dag en aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. De voorzitter voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie, overleg in het presidium.

Artikel 13 Oproep en verspreiding vergaderstukken

  • 1. De voorzitter zendt de leden van Provinciale Staten tenminste twee weekenden voor de vergadering een oproep toe onder vermelding van dag, tijdstip en plaats van de vergadering, tenzij deze termijn wegens spoedeisendheid niet gehaald kan worden.

  • 2. Met de oproep ontvangen de leden de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken. De agenda vermeldt de datum, aanvangstijd en plaats van de vergadering.

  • 3. Stukken als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Provinciewet, worden verzonden in een gesloten envelop, voorzien van het predicaat ‘geheim’. Deze gesloten envelop wordt in een envelop gestoken die voorzien is van de naam van de geadresseerde.

  • 4. Indien op stukken geheimhouding rust op grond van artikel 25, tweede lid, van de Provinciewet èn Gedeputeerde Staten daarom expliciet en gemotiveerd hebben verzocht, blijven de stukken in afwijking van het tweede lid onder de griffier die desgevraagd uitsluitend inzage verleent aan de leden van Provinciale Staten.

  • 5. Met uitzondering van de stukken bedoeld in het derde en vierde lid, worden stukken op het provinciehuis ter inzage gelegd en op de provinciale website gepubliceerd.

  • 6. Een gewijzigde voorlopige agenda dan wel aanvullende documenten en voorstellen worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee werkdagen voor aanvang van de vergadering aan de leden van Provinciale Staten gezonden, op de provinciale website gepubliceerd en op het provinciehuis ter inzage gelegd. De reden van die nazending wordt daarbij aangegeven.

Artikel 14 Agenda

  • 1. Voordat de oproep wordt verzonden, stelt het presidium de voorlopige agenda van de vergadering vast.

  • 2. Bij aanvang van de vergadering stellen Provinciale Staten de agenda vast, waarbij onderwerpen aan de agenda kunnen worden toegevoegd of afgevoerd en de volgorde van de agendapunten kan wijzigen.

  • 3. Na het vaststellen van de agenda worden actualiteiten behandeld en de volgorde na behandeling van de reguliere onderwerpen is als volgt: vragenuur, interpellaties, fractiedebatten en de behandeling van moties over niet op de agenda opgenomen onderwerpen.

  • 4. Provinciale Staten kunnen een onderwerp dat zij nog niet geschikt achten voor openbare beraadslaging neerleggen bij een Statencommissie ter verdere voorbereiding.

  • 5. Provinciale Staten kunnen nadere inlichtingen of advies aan Gedeputeerde Staten vragen over een onderwerp dat zij nog niet geschikt achten voor openbare beraadslaging.

Paragraaf 2 Orde der vergadering

Artikel 15 Presentielijst

Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van Provinciale Staten onmiddellijk de presentielijst.

Artikel 16 Zitplaatsen

  • 1. De voorzitter, de leden van Provinciale Staten en de griffier hebben een vaste zitplaats.

  • 2. Het presidium kan de indeling van de zitplaatsen herzien.

  • 3. De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de gedeputeerden, secretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn uitgenodigd.

Artikel 17 Opening vergadering; quorum

Wanneer een kwartier na het vastgestelde aanvangstijdstip niet het door de wet vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de Provinciewet.

Artikel 18 Primus bij hoofdelijke stemming

Alvorens de aangekondigde onderwerpen aan de orde te stellen deelt de voorzitter mede bij welk lid van Provinciale Staten de hoofdelijke stemming zal beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van de presentielijst aangewezen.

Artikel 19 Notulen

  • 1. de notulen worden opgesteld onder de zorg van de griffier.

  • 2. De notulen houden in:

    • a.

      de namen van de voorzitter, de griffier en de ter vergadering aanwezige leden, alsmede van de leden die afwezig waren en overige personen die het woord gevoerd hebben;

    • b.

      een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;

    • c.

      een zo getrouw mogelijke weergave van het ter vergadering gesprokene met vermelding van de namen van de aanwezigen die het woord voerden;

    • d.

      een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de leden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de leden die zich overeenkomstig de Provinciewet van stemming hebben onthouden;

    • e.

      de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties en (sub)amendementen;

    • f.

      bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van artikel 27 door Provinciale Staten is toegestaan deel te nemen aan de beraadslagingen.

  • 3. De concept-notulen van de voorgaande vergadering worden aan de leden van Provinciale Staten toegezonden, zo mogelijk gelijktijdig met de oproep. De concept-notulen worden gelijktijdig toegezonden aan de overige personen die het woord hebben gevoerd.

  • 4. Bij het begin van de vergadering worden de notulen van de vorige vergadering zo mogelijk vastgesteld.

  • 5. De leden, de voorzitter en, naar aanleiding van en met betrekking tot hun deelname aan de beraadslaging, leden van het college van Gedeputeerde Staten, de griffier en de secretaris kunnen een voorstel tot wijziging aan Provinciale Staten doen, indien de notulen onjuistheden bevatten of niet duidelijk weergeven hetgeen gezegd of besloten is.

  • 6. De vastgestelde notulen worden door de voorzitter en de griffier ondertekend.

Artikel 20 Spreekregels

  • 1. De leden van Provinciale Staten en overige aanwezigen spreken vanaf de spreekplaats en richten zich tot de voorzitter.

  • 2. De voorzitter kan toestaan dat de leden van Provinciale Staten en overige aanwezigen vanaf een andere plaats spreken.

Artikel 21 Volgorde sprekers

  • 1. De leden, die het voornemen hebben over punten vermeld op de agenda het woord te voeren, doen daarvan zo enigszins mogelijk voorafgaande aan de vergadering mededeling aan de griffier.

  • 2. Een lid voert slechts het woord na verzoek daartoe aan de voorzitter.

  • 3. De leden voeren het woord in de door de voorzitter te bepalen volgorde.

  • 4. De volgorde van sprekers kan worden gewijzigd, wanneer een lid van Provinciale Staten daartoe een verzoek indient.

Artikel 22 Spreektermijnen

  • 1. De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij Provinciale Staten anders beslissen.

  • 2. Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.

  • 3. Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren over hetzelfde onderwerp.

  • 4. Het derde lid geldt niet voor:

    • a.

      de rapporteur van een commissie;

    • b.

      het lid dat een (sub)amendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend over het desbetreffende onderwerp;

    • c.

      het lid dat een voorstel van orde indient.

Artikel 23 Spreektijd

Provinciale Staten stellen een spreektijdregeling vast.

Artikel 24 Handhaving orde en schorsing

  • 1. Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij:

    • a.

      de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren;

    • b.

      het gaat om interrupties.

  • 2. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden.

  • 3. Indien een spreker zich beledigend of onbetamelijk uitlaat, afwijkt van het aanhangige onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, kan hij door de voorzitter tot de orde worden geroepen. Indien de spreker zijn gedrag voortzet, kan de voorzitter hem gedurende de beraadslaging over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.

  • 4. De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en – indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord – de vergadering sluiten.

Artikel 25 Beraadslaging

Provinciale Staten kunnen op voorstel van de voorzitter of een lid van Provinciale Staten besluiten om over één of meer onderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk te beraadslagen.

Artikel 26 Schorsing

Op verzoek van een lid van Provinciale Staten of op voorstel van de voorzitter kunnen Provinciale Staten besluiten de beraadslaging voor een door de voorzitter te bepalen tijd te schorsen teneinde Gedeputeerde Staten of de leden van Provinciale Staten de gelegenheid te geven tot onderling beraad. De beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is en de voorzitter dit heeft aangegeven.

Artikel 27 Deelname aan de beraadslaging door anderen

  • 1. Provinciale Staten kunnen bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige leden van Provinciale Staten, zoals een lid van Gedeputeerde Staten, de griffier of de secretaris deelnemen aan de beraadslaging.

  • 2. Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of een lid van Provinciale Staten genomen alvorens met de beraadslaging over het aan de orde zijnde agendapunt wordt begonnen.

Artikel 28 Stemverklaring

Na het sluiten van de beraadslaging en voordat Provinciale Staten tot stemming overgaan, heeft ieder lid gedurende maximaal één minuut het recht zijn uit te brengen stem te motiveren door het afleggen van een stemverklaring.

Artikel 29 Beslissing

  • 1. Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging en vindt stemming plaats, tenzij Provinciale Staten anders beslissen.

  • 2. Over de bij het betreffende onderwerp horende moties en amendementen wordt eveneens op dat tijdstip gestemd, tenzij Provinciale Staten anders beslissen.

  • 3. Voordat de stemming over het onderwerp in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over de te nemen eindbeslissing.

Paragraaf 3 Procedures bij stemmingen

Artikel 30 Geen stemming

Indien geen stemming wordt verlangd stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen.

Artikel 31 Stemmen bij hand opsteken of elektronisch

  • 1. Tenzij de voorzitter of een lid hoofdelijke stemming verlangt, wordt gestemd bij hand opsteken of elektronisch.

  • 2. De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.

  • 3. Aanwezige leden kunnen hun stem of hun onthouding van stem laten optekenen in de notulen.

  • 4. Een vergissing kan worden rechtgezet totdat de voorzitter de uitslag van de stemming heeft medegedeeld. Een lid kan om aantekening van zijn vergissing vragen.

Artikel 32 Hoofdelijke stemming

  • 1. Ingeval de voorzitter dan wel een lid hoofdelijke stemming verlangt, roept de voorzitter of de griffier de leden van Provinciale Staten bij naam op om hun stem uit te brengen, te beginnen bij het lid dat daartoe is aangewezen overeenkomstig artikel 18. Vervolgens geschiedt de stemming naar volgorde van de presentielijst.

  • 2. Ieder aanwezig lid brengt vanaf zijn plaats zijn stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken zonder verdere toevoeging.

  • 3. Een vergissing bij hoofdelijke stemming kan worden rechtgezet totdat het volgende lid zijn stem heeft uitgebracht. Vanaf dat moment kan de uitgebrachte stem niet meer gewijzigd worden. Een lid kan om aantekening van zijn vergissing vragen.

  • 4. Aanwezige leden kunnen hun stem laten optekenen in de notulen.

  • 5. De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede en doet daarbij mededeling van het genomen besluit. Hij vermeldt het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen.

Artikel 33 Stemming over amendementen en moties

  • 1. Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd.

  • 2. Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement.

  • 3. Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de regel, dat het meest verstrekkende amendement of subamendement het eerst in stemming wordt gebracht.

  • 4. Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over de motie gestemd en vervolgens over het voorstel.

  • 5. Indien aangaande een aanhangig voorstel een amendement en een motie zijn ingediend, wordt eerst over het amendement en dan over de motie gestemd.

  • 6. De stemming over moties kan gedurende zes maanden worden aangehouden. Aangehouden moties kunnen vervolgens alleen met een inhoudelijke motivering van het presidium worden afgevoerd door Provinciale Staten.

Artikel 34 Stemming over personen

  • 1. Wanneer een stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen moet plaatshebben, benoemt de voorzitter vier leden tot stemopnemers.

  • 2. Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. Provinciale Staten kunnen op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje dan wel gebundeld worden aangeboden.

  • 3. Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de Provinciewet van stemming moet onthouden levert een stembriefje in vanaf zijn plaats. De stembriefjes zijn identiek.

  • 4. De stemming is nietig:

    • a.

      indien het getal van de in de bus gevonden stembriefjes groter is dan dat van de leden die de presentielijst hebben getekend en dit verschil van invloed heeft kunnen zijn op de uitslag;

    • b.

      indien het getal van de behoorlijk ingevulde stembriefjes minder bedraagt dan het voor de opening van de vergadering vereiste aantal leden.

  • 5. Indien het getal van de ingeleverde stembriefjes na telling door de stemopnemers minder bedraagt dan het voor de opening van de vergadering vereiste aantal leden bepaalt de voorzitter datum en tijdstip waarop opnieuw gestemd wordt.

  • 6. De inhoud van elk stembriefje wordt, indien een of meer van de leden dit verlangt, door een van de stemopnemers voorgelezen, door een ander nagezien en door beide overige stemopnemers opgetekend.

  • 7. Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de Provinciewet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan:

    • a.

      een blanco ingevuld stembriefje;

    • b.

      een ondertekend stembriefje;

    • c.

      een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de stemming verschillende vacatures betreft;

    • d.

      een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die waartoe de stemming is beperkt.

  • 8. In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslissen Provinciale Staten, op voorstel van de voorzitter

  • 9. Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd.

Artikel 35 Herstemming over personen

  • 1. Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.

  • 2. Wanneer ook bij deze tweede stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal plaatshebben.

  • 3. Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot.

Artikel 36 Beslissing door het lot

  • 1. Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke briefjes geschreven.

  • 2. Deze briefjes worden, nadat zij door de stemopnemers zijn gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud.

  • 3. Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen.

Hoofdstuk 4 Rechten van Statenleden

Artikel 37 Amendementen

  • 1. Ieder lid van Provinciale Staten kan tot het sluiten van de beraadslagingen amendementen indienen bij de voorzitter. Een amendement kan het voorstel inhouden om een geagendeerd voorstel in één of meer onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Er wordt alleen beraadslaagd over amendementen die ingediend zijn door leden van Provinciale Staten die de presentielijst hebben getekend.

  • 2. Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het amendement dat door een lid is ingediend, een subamendement voor te stellen.

  • 3. Het Statenlid dat het amendement heeft ingediend, geeft de strekking van het amendement weer.

  • 4. Elk amendement wordt schriftelijk bij de voorzitter ingediend, zo spoedig mogelijk vermenigvuldigd en aan de leden uitgereikt. De voorzitter kan, met het oog op het eenvoudige karakter, besluiten dat met voorlezing van het amendement wordt volstaan.

  • 5. Als het amendement naar aanleiding van de behandeling wordt aangepast, dan leest het Statenlid dat het amendement heeft ingediend, het dictum van het gewijzigde amendement voor.

  • 6. Een indiener van het amendement kan het amendement intrekken of wijzigen totdat de besluitvorming door Provinciale Staten heeft plaatsgevonden.

Artikel 38 Ontoelaatbare amendementen

  • 1. Provinciale Staten kunnen een amendement ontoelaatbaar verklaren indien het een strekking heeft, tegengesteld aan die van het voorstel waarop het betrekking heeft, of indien er tussen de materie van het amendement en die van het voorstel geen rechtstreeks verband bestaat.

  • 2. Een daartoe strekkend voorstel kan, zo nodig met onderbreking van de orde, worden gedaan door de voorzitter of door een van de leden.

Artikel 39 Overgenomen amendement

Vanaf het moment dat een amendement wordt overgenomen door Provinciale Staten maakt het onderdeel uit van het voorstel dat in stemming wordt gebracht.

Artikel 40 Moties

  • 1. Ieder lid van Provinciale Staten kan ter vergadering een motie indienen.

  • 2. Een motie wordt schriftelijk bij de voorzitter ingediend.

  • 3. Het Statenlid dat de motie heeft ingediend, leest het dictum van de motie voor.

  • 4. De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of voorstel plaats.

  • 5. Als de motie naar aanleiding van de behandeling wordt aangepast, dan leest het Statenlid dat de motie heeft ingediend, de gewijzigde motie voor.

  • 6. Een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp wordt ingediend bij de vaststelling van de agenda. De indiener van de motie krijgt van de voorzitter op dat moment de gelegenheid de motie toe te lichten.

  • 7. De spreektijdenregeling van Provinciale Staten is niet van toepassing op een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp.

Artikel 41 Interpellatie

  • 1. Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, uiterlijk op de vrijdag voorafgaand aan de Statenvergadering om 12.00 uur schriftelijk ingediend bij de voorzitter. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen vragen.

    2. De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van Provinciale Staten en de gedeputeerden.

    3. Bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. Om een interpellatie te kunnen houden is de instemming nodig van een vijfde deel van de leden van Provinciale Staten.

    4. Een interpellatie kan maximaal één uur duren.

    5. De voorzitter bepaalt de spreektijd voor de deelnemers aan de interpellatie.

    6. De voorzitter verleent aan de interpellant het woord om één of meer vragen aan Gedeputeerde Staten of de commissaris van de Koning te stellen en een toelichting daarop te geven.

    7. Na de beantwoording door Gedeputeerde Staten of de commissaris van de Koning krijgt de

    interpellant desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen.

    8. Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van Provinciale Staten het woord verlenen om hetzij aan de interpellant, hetzij aan Gedeputeerde Staten, hetzij aan de commissaris van de Koning vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.

    9. Indien de interpellatie de commissaris van de Koning betreft, wordt het voorzitterschap van de vergadering voor de duur van die interpellatie waargenomen door de vicevoorzitter.

Artikel 42 Initiatiefvoorstellen

  • 1. Een initiatiefvoorstel wordt schriftelijk en ondertekend ingediend bij de voorzitter met het verzoek het initiatiefvoorstel in behandeling te brengen.

  • 2. Voor het opstellen van het initiatiefvoorstel wordt zo mogelijk gebruik gemaakt van een daartoe bestemd sjabloon.

  • 3. De griffier brengt het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van Provinciale Staten en van Gedeputeerde Staten en neemt daarbij een tijdschema op met de beoogde behandeldata in de desbetreffende Statencommissie en in Provinciale Staten.

  • 4. Gedeputeerde Staten worden in de gelegenheid gesteld, binnen 6 weken na het indienen van een initiatiefvoorstel hun wensen en bedenkingen over het voorstel kenbaar te maken. Pas hierna kunnen Provinciale Staten een besluit nemen over het betreffende initiatiefvoorstel.

  • 5. Indien de reactie niet binnen de termijn van zes weken kan worden gegeven, stellen Gedeputeerde Staten de indiener hiervan gemotiveerd in kennis, conform de procedure die geldt voor het niet tijdig beantwoorden van schriftelijke vragen.

  • 6. Het initiatiefvoorstel wordt zo spoedig mogelijk nadat daarover door de desbetreffende Statencommissie advies is uitgebracht door Provinciale Staten behandeld.

Artikel 43 Collegevoorstel

  • 1. Een voorstel voor een verordening of een ander voorstel van het college van Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten, dat vermeld staat op de agenda van de Statenvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van Provinciale Staten.

  • 2. Als Provinciale Staten van oordeel zijn dat nader advies van Gedeputeerde Staten over een voorstel als bedoeld in het eerste lid nodig is, bepaalt het presidium in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

Artikel 44 Interpellaties

  • 1. Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, tenminste één werkdag voor de aanvang van de vergadering schriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen vragen.

  • 2. De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van Provinciale Staten en de gedeputeerden.

  • 3. Bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. Om een interpellatie te kunnen houden is de instemming nodig van een vijfde deel van de leden van Provinciale Staten.

  • 4. De interpellatie kan maximaal één uur duren.

  • 5. De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige leden van Provinciale Staten, de commissaris van de Koning en de gedeputeerden niet meer dan eenmaal, tenzij Provinciale Staten hen hiertoe verlof geven.

  • 6. Op de interpellatie is de spreektijdregeling als bedoeld in artikel 23 niet van toepassing.

  • 7. Indien de interpellatie de commissaris van de Koning betreft, wordt het voorzitterschap van de vergadering voor de duur van die interpellatie waargenomen door de vicevoorzitter.

Artikel 45 Schriftelijke vragen

  • 1. Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. Bij de vragen wordt aangegeven of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt verlangd.

  • 2. De vragen worden bij de voorzitter van Provinciale Staten ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van Provinciale Staten, het college van Gedeputeerde Staten en de commissaris van de Koning worden gebracht.

  • 3. Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn binnengekomen. Indien beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, stellen Gedeputeerde Staten de vragensteller hiervan gemotiveerd schriftelijk in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Op dit bericht is het bepaalde in het vierde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende vergadering van Provinciale Staten en bij mondelinge beantwoording in dezelfde vergadering van Provinciale Staten, na de behandeling van de op de agenda voorkomende onderwerpen nadere inlichtingen vragen omtrent het door Gedeputeerde Staten of de commissaris van de Koning gegeven antwoord, tenzij Provinciale Staten anders beslissen.

Artikel 46 Vragenuur

  • 1. Tijdens de Statenvergadering is er gelegenheid tot het stellen van vragen vreemd aan de orde van de dag.

  • 2. Het lid van Provinciale Staten dat tijdens het vragenuur vragen wil stellen, meldt dit onder aanduiding van het onderwerp tezamen met de te stellen vragen uiterlijk één werkdag voor aanvang van de vergadering, vóór 13.00 uur, bij de voorzitter.

  • 3. De voorzitter nodigt het lid van Gedeputeerde Staten uit op wiens portefeuille de vragen betrekking heeft en zendt hem van te voren de vragen toe.

  • 4. Het lid van Gedeputeerde Staten op wiens portefeuille de vragen betrekking heeft houdt zich beschikbaar voor de beantwoording van de vragen.

  • 5. De voorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen tijdens het vragenuur aan de orde worden gesteld.

  • 6. De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor de gedeputeerden, voor de commissaris van de Koning en voor de overige leden van Provinciale Staten.

  • 7. Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen aan Gedeputeerde Staten of de commissaris van de Koning te stellen en een toelichting daarop te geven.

  • 8. Na de beantwoording door Gedeputeerde Staten of de commissaris van de Koning krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen.

  • 9. Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van Provinciale Staten het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan Gedeputeerde Staten, hetzij aan de commissaris van de Koning vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.

  • 10. Tijdens het vragenuur kunnen geen moties worden ingediend en worden geen interrupties toegelaten.

Artikel 47 Fractiedebat

  • 1. Het verzoek tot het houden van een fractiedebat wordt tenminste twee werkdagen voor de aanvang van de vergadering schriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover een debat wordt verlangd alsmede de te stellen vragen.

  • 2. De voorzitter brengt het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van Provinciale Staten.

  • 3. Bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering wordt het voorstel in stemming gebracht. Om een fractiedebat te kunnen houden is instemming nodig van een vijfde deel van de leden van Provinciale Staten.

  • 4. De voorzitter bepaalt de spreektijd voor de deelnemers aan het debat.

  • 5. De voorzitter verleent aan de aanvrager van het debat het woord om één of meer vragen te stellen aan een fractie of een Statenlid en een toelichting daarop te geven.

  • 6. Na beantwoording van de vraag krijgt de aanvrager van het debat desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen.

  • 7. De voorzitter kan vervolgens aan andere leden van Provinciale Staten het woord verlenen om hetzij aan de aanvrager van het debat, hetzij aan de fractie of het lid van Provinciale Staten dat de vraag heeft beantwoord, vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.

Artikel 48 Actualiteit

  • 1. Het verzoek tot het houden van een actualiteit wordt uiterlijk op de vrijdag voorafgaand aan de Statenvergadering om 12.00 uur schriftelijk ingediend bij de voorzitter. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp en de reden van spoed.

    2. De voorzitter brengt het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van Provinciale Staten en de gedeputeerden.

    3. Het presidium toetst de actualiteit op spoedeisendheid en geeft hieromtrent een advies aan Provinciale Staten. Er is sprake van spoedeisendheid wanneer beraadslaging of besluitvorming in een volgende Statenvergadering overbodig of niet meer aan de orde zou zijn, bijvoorbeeld door besluitvorming van derden.

    4. Bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering wordt het voorstel in stemming gebracht. Om een actualiteit te kunnen houden, is instemming nodig van een vijfde deel van de leden van Provinciale Staten.

    5. Een actualiteit beslaat in de regel maximaal één pagina tekst, waarbij gebruik wordt gemaakt van het door de griffie verstrekte sjabloon.

    6. Een actualiteit kan gericht zijn op het verkrijgen van een uitspraak van Provinciale Staten door middel van het indienen van een motie.

    7. Een actualiteit wordt afgehandeld in dezelfde vergadering als die waarvoor de desbetreffende actualiteit is ingediend.

    8. De voorzitter bepaalt de spreektijd voor de deelnemers aan de actualiteit.

    9. De voorzitter verleent aan de aanvrager van de actualiteit het woord om de actualiteit aan de orde te stellen en desgewenst één of meer vragen aan Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten of de commissaris van de Koning te stellen.

    10. Desgewenst verleent de voorzitter het woord aan andere leden van Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten of de commissaris van de Koning voor een reactie of ter beantwoording van een vraag en vervolgens krijgt de aanvrager van de actualiteit desgewenst het woord om te reageren of aanvullende vragen te stellen.

    11. Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van Provinciale Staten het woord verlenen om te reageren op het onderwerp of hetzij aan de indiener, hetzij aan Gedeputeerde Staten, hetzij aan de commissaris van de Koning vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.

Artikel 49 Verslag en verantwoording

  • 1. Een lid van Provinciale Staten, een gedeputeerde, de commissaris van de Koning of de griffier, die door Provinciale Staten is aangewezen als lid van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, heeft het recht verslag te doen over zaken die in bedoeld algemeen bestuur aan de orde zijn. Een door Provinciale Staten gewenste bespreking van dit verslag kan de voorzitter doorverwijzen naar de desbetreffende commissie.

  • 2. Het verslag, genoemd in het eerste lid, wordt gedaan in aansluiting op de behandeling van de lijst van ingekomen stukken òf voor het sluiten van de vergadering.

  • 3. Ieder lid van Provinciale Staten kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, schriftelijke vragen stellen met inachtneming van artikel 45.

  • 4. Het ter verantwoording roepen van een persoon als bedoeld in het eerste lid over zijn wijze van functioneren behoeft de toestemming van Provinciale Staten. Artikel 48 is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op het verslag en de verantwoording met betrekking tot de vertegenwoordiging van de provincie in andere organisaties of instituties.

Hoofdstuk 5 Besloten vergadering

Artikel 50 Algemeen

Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering.

Artikel 51 Bijwonen besloten vergadering

  • 1. Het duocommissielid dat namens zijn fractie in een commissievergadering bij een onderwerp als woordvoerder is opgetreden, kan met toestemming van de Statengriffier het besloten deel van een vergadering van Provinciale Staten over dat onderwerp bijwonen.

  • 2. Het duocommissielid dient de woensdag voorafgaand aan die vergadering daartoe een schriftelijk verzoek in bij de Statengriffier.

  • 3. Indien de Statengriffier zich ervan heeft vergewist dat het duocommissielid in een commissievergadering over het onderwerp als woordvoerder is opgetreden, wordt het verzoek ingewilligd.

Artikel 52 Notulen

  • 1. De notulen van een besloten vergadering worden overeenkomstig artikel 12, derde lid, van dit reglement verzonden.

  • 2. Deze notulen worden zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering nemen Provinciale Staten een besluit over het al dan niet openbaar maken van deze notulen. De vastgestelde notulen worden door de voorzitter en de griffier ondertekend.

Artikel 53 Geheimhouding

  • 1. De notulen van een besloten vergadering worden overeenkomstig artikel 13, derde lid, van dit reglement verzonden.

  • 2. Als vóór het verstrijken van de geheimhoudingstermijn blijkt dat de geheimhouding dient voort te duren wegens een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, wordt in een vergadering de geheimhoudingstermijn verlengd met maximaal vijf jaar.

  • 3. Nadat Provinciale Staten de geheimhouding hebben opgeheven, nemen zij een besluit over het openbaar maken van de notulen van de besloten vergadering die op het desbetreffende onderwerp betrekking hebben. Als het gaat om geheimhouding die is opgelegd door GS, kunnen GS om advies worden gevraagd.

Hoofdstuk 6 Algemeen

Artikel 54 Toehoorders en pers

De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.

Artikel 55 Verstoring orde vergadering

De voorzitter kan personen laten verwijderen ingeval zij de orde van de openbare vergadering verstoren.

Artikel 56 Digitale middelen

Het in de vergadering tonen van beeld- en videomateriaal is niet toegestaan.

Artikel 57 Geluid- en beeldregistraties

Degenen die in de vergaderzaal tijdens een vergadering van Provinciale Staten geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen.

Hoofdstuk 7 Statencommissies

Artikel 58 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    Statencommissie: een commissie ingesteld door Provinciale Staten op grond van artikel 80 van de Provinciewet;

  • b.

    lid: lid van een commissie;

  • c.

    voorzitter: voorzitter van een commissie of diens vervanger;

  • d.

    griffier: griffier van Provinciale Staten of diens vervanger;

  • e.

    Staten- en commissieadviseur: de secretaris van een Statencommissie of diens vervanger.

  • f.

    vergadering: vergadering van een commissie.

  • g.

    duocommissielid: een lid van een fractie, niet zijnde lid van Provinciale Staten, die de eed (verklaring en belofte) als bedoeld in artikel 61, vierde lid, heeft afgelegd en die voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wordt deel uit te maken van de fractie.

Artikel 59 Instelling Statencommissies

  • 1. Provinciale Staten kunnen Statencommissies instellen en daaraan portefeuilles toedelen voor overleg en advisering op voorstel van het presidium. De instelling geldt voor de duur van de zittingsperiode van Provinciale Staten.

  • 2. Indien een onderwerp meerdere Statencommissies aangaat, beslist het presidium na advies of op voorstel van de betreffende commissievoorzitters welke commissie het onderwerp het meest aangaat. Deze Statencommissie behandelt het betreffende onderwerp en kan daarbij andere Statencommissies uitnodigen.

Artikel 60 Taken

  • 1. Een Statencommissie brengt gevraagd en ongevraagd advies uit aan Provinciale Staten.

  • 2. Ten behoeve van haar werkzaamheden kan een Statencommissie overleg voeren met Gedeputeerde Staten of de commissaris van de Koning, werkbezoeken afleggen, hoorzittingen houden en externe deskundigen inschakelen.

Artikel 61 Samenstelling

  • 1. Iedere Statenfractie is vertegenwoordigd in een Statencommissie volgens de volgende verdeelsleutel:

    - een fractie met maximaal 7 leden mag twee leden afvaardigen per commissie;

    - een fractie met 8 of meer leden tot maximaal 11 leden mag drie leden afvaardigen per commissie;

    - een fractie met 12 of meer leden mag 4 leden afvaardigen per commissie;

    - elke fractie vaardigt voor iedere Statencommissie tenminste 1 plaatsvervangend lid af, dat deelneemt aan de vergaderingen bij ontstentenis van een lid.

  • 2. De (plaatsvervangende) leden van een Statencommissie worden door de voorzitter van Provinciale Staten op voordracht van de fractievoorzitters benoemd.

  • 3. Iedere fractievoorzitter kan voor een Statencommissie één persoon als (plv.) lid voordragen die bij de vorige Statenverkiezingen wel verkiesbaar was voor diezelfde fractie maar niet in Provinciale Staten is gekozen. Voor het overige bestaan commissies uit Statenleden.

  • 4. Een duocommissielid legt, alvorens zijn functie als lid uit te oefenen, in handen van de voorzitter de volgende eed (verklaring en belofte) af:

    ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van een commissie van Provinciale Staten benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.

    Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.

    Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van een commissie van Provinciale Staten naar eer en geweten zal vervullen.

    Zo waarlijk helpe mij God Almachtig’.

    (Dat verklaar en beloof ik.’)

  • 5. Van het afleggen van de eed (verklaring en belofte) wordt een proces-verbaal opgemaakt.

  • 6. Op een duocommissielid zijn de artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 62 De commissievoorzitter

  • 1. De commissievoorzitter en zijn plaatsvervanger worden op voorstel van het presidium door Provinciale Staten uit hun midden benoemd.

  • 2. De commissievoorzitter telt niet mee bij de verdeelsleutel van de vertegenwoordiging van de Statenfracties in de commissie.

  • 3. De commissievoorzitter is belast met:

    • a.

      het leiden van de vergadering;

    • b.

      het handhaven van de orde;

    • c.

      het opstellen van de concept-agenda voor de commissievergadering;

    • d.

      het (doen) naleven van dit reglement.

Artikel 63 Zittingsduur en vacatures

  • 1. De zittingsperiode van een lid, de commissievoorzitter en hun plaatsvervangers eindigt in ieder geval aan het einde van de zittingsperiode van Provinciale Staten.

  • 2. De voorzitter van Provinciale Staten kan een lid ontslaan op voorstel van de fractie op wiens voordracht het lid is benoemd.

  • 3. Provinciale Staten kunnen op voorstel van het presidium de voorzitter of zijn plaatsvervanger ontslaan.

  • 4. Een lid, de commissievoorzitter en hun plaatsvervangers kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan de voorzitter van Provinciale Staten. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als een opvolger is benoemd.

  • 5. De voorzitter van de fractie van de (plaatsvervangend) commissievoorzitter draagt in eerste instantie een nieuwe (plaatsvervangend) commissievoorzitter ter benoeming voor.

  • 6. Indien door overlijden of ontslag een vacature ontstaat, beslist de voorzitter van Provinciale Staten zo spoedig mogelijk over de vervulling daarvan met inachtneming van artikel 61 en 62.

Artikel 64 Griffier en Staten- en commissieadviseur

  • 1. De griffier wijst ter ondersteuning van iedere commissie een Staten- en commissieadviseur van de Statengriffie aan.

  • 2. De Staten- en commissieadviseur is in iedere vergadering aanwezig.

  • 3. Bij verhindering of afwezigheid van de Staten- en commissieadviseur wordt deze vervangen door een daartoe door de griffier aangewezen medewerker.

  • 4. De griffier en de Staten- en commissieadviseur kunnen de commissie gevraagd en ongevraagd van advies dienen.

Artikel 65 Auditcommissie

  • 1. Ingeval Provinciale Staten een auditcommissie instellen, is elke fractie met vier of meer leden in Provinciale Staten vertegenwoordigd in de auditcommissie.

  • 2. Fracties met minder dan vier leden in Provinciale Staten kunnen gezamenlijk één lid afvaardigen voor de auditcommissie.

Artikel 66 Aanwezigheid commissaris van de Koning en Gedeputeerde Staten bij commissievergaderingen

  • 1. De commissievoorzitter kan de commissaris van de Koning dan wel één of meer gedeputeerden uitnodigen om in de vergadering aan de beraadslagingen deel te nemen.

  • 2. Indien de commissaris van de Koning dan wel een gedeputeerde niet is uitgenodigd voor een vergadering van de Statencommissie en wil deelnemen aan de beraadslagingen, doet hij hiertoe een verzoek aan de commissievoorzitter, die zo spoedig mogelijk daarop beslist.

  • 3. Bij aanvang van de vergadering kan de Statencommissie alsnog anders besluiten.

Artikel 67 Vergaderfrequentie

  • 1. De vergaderingen van een Statencommissie vinden plaats op basis van een door Provinciale Staten vastgesteld vergaderschema.

  • 2. Een Statencommissie vergadert voorts indien de commissievoorzitter het nodig oordeelt of indien tenminste twee fracties schriftelijk met opgaaf van redenen daarom verzoeken.

  • 3. De commissievoorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag of aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij voert hierover overleg met de Staten- en commissieadviseur.

Artikel 68 Oproep en verspreiding vergaderstukken

  • 1. De commissievoorzitter zendt de leden van de Statencommissie tenminste twee weekenden voor een vergadering een oproep onder vermelding van dag, tijdstip en plaats van de vergadering, tenzij deze termijn wegens spoedeisendheid niet gehaald kan worden.

  • 2. Met de oproep ontvangen de leden de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken. De agenda vermeldt de datum, aanvangstijd en plaats van de vergadering.

  • 3. Stukken als bedoeld in artikel 91, tweede lid, van de Provinciewet, worden verzonden in een gesloten envelop, voorzien van het predicaat ‘geheim’. Deze gesloten envelop wordt in een envelop gestoken die voorzien is van de naam van de geadresseerde.

  • 4. Indien op stukken geheimhouding rust op grond van artikel 91, tweede lid, van de Provinciewet èn Gedeputeerde Staten daarom expliciet en gemotiveerd hebben verzocht, blijven de stukken in afwijking van het derde lid onder de griffier die desgevraagd uitsluitend inzage verleend aan de leden van Provinciale Staten.

  • 5. Met uitzondering van de stukken bedoeld in het derde en vierde lid, worden stukken op het provinciehuis ter inzage gelegd. Daarbij worden burgers gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van hun spreekrecht als bedoeld in artikel 75 Provinciewet.

  • 6. Aanvullende documenten en voorstellen worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee werkdagen voor aanvang van de vergadering aan de leden van de Statencommissie gezonden en op de provinciale website gepubliceerd met uitzondering van de stukken bedoeld in het derde en vierde lid.

Artikel 69 De commissieagenda

  • 1. In spoedeisende gevallen kan de commissievoorzitter na het verzenden van de oproep en de voorlopige agenda tot uiterlijk twee werkdagen voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda opstellen.

  • 2. Bij aanvang van de vergadering stelt de Statencommissie de agenda vast, waarbij onderwerpen aan de agenda kunnen worden toegevoegd of afgevoerd en de volgorde van de agendapunten kan wijzigen. Als bij het vaststellen van de agenda blijkt, dat stukken die bij een agendapunt horen, minder dan twee weekeinden tevoren bij de leden van de commissie zijn gearriveerd en niet digitaal beschikbaar waren, dan kunnen deze door de Statencommissie van de agenda worden afgehaald.

  • 3. Wanneer een Statencommissie een onderwerp of voorstel onvoldoende voor de beraadslaging voorbereid acht, kan zij aan Gedeputeerde Staten of aan de commissaris van de Koning nadere inlichtingen of advies vragen. De Statencommissie bepaalt in welke vergadering het onderwerp of voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

Artikel 70 Presentielijst

Tijdens de vergadering tekent ieder lid de presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst door de voorzitter en de commissiegriffier door ondertekening vastgesteld.

Artikel 71 Quorum

  • 1. Een Statencommissie kan alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is.

  • 2. Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de commissievoorzitter dag en uur van de volgende vergadering.

  • 3. Voor de vergadering bedoeld in het tweede lid, geldt geen quorum tenzij nieuwe stukken of voorstellen geagendeerd staan.

Artikel 72 Spreekrecht burgers

  • 1. Na de opening van de vergadering kunnen derden, tezamen gedurende maximaal dertig minuten, het woord voeren over onderwerpen, waarover de Statencommissie een inhoudelijke bespreking voert.

  • 2. Het woord kan niet gevoerd worden over:

    • a.

      een besluit van het provinciebestuur waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft opengestaan;

    • b.

      benoemingen van personen;

    • c.

      een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend.

  • 3. Zodra de besluitvormende fase van een project aan de orde is, wordt niet langer ingesproken over eerdere fasen van het project.

  • 4. Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit ten minste één werkdag voor de aanvang van de vergadering aan de commissiegriffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp, waarover hij het woord wil voeren. Bovendien geeft hij aan of hij namens een groepering spreekt of op eigen titel.

  • 5. Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De commissievoorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De commissievoorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.

  • 6. De spreker voert het woord, nadat de commissievoorzitter hem dit heeft verleend. De commissievoorzitter of een lid doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de inspreker.

  • 7. Indien een agendapunt bij meerdere Statencommissies geagendeerd staat, kan een inspreker slechts in één commissie het woord voeren over het betreffende onderwerp.

Artikel 72a Inspreekhalfuur

  • 1. Als vast agendapunt staat het inspreekhalfuur aan het begin van de vergadering opgenomen. Tijdens dit agendapunt kunnen derden het woord voeren over onderwerpen die niet op de agenda van de commissie staan. Wel moet het onderwerp betrekking hebben op het beleidsveld van de commissie.

  • 2. Degene, die van het inspreekhalfuur gebruik wil maken, meldt dit ten minste één werkdag voor de aanvang van de vergadering aan de commissiegriffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, mailadres en telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het woord wil voeren. Bovendien geeft hij aan of hij namens een groepering spreekt of op eigen titel.

  • 3. Elke spreker krijgt maximaal drie minuten het woord. De commissievoorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers. De commissievoorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.

  • 4. De spreker voert het woord, nadat de commissievoorzitter hem dit heeft verleend. De commissievoorzitter geeft na inbreng van de spreker de leden van de commissie de gelegenheid voor een beknopte, verduidelijkende vraag.*

  • 5. Een spreker kan in niet meer dan één commissie inspreken over hetzelfde onderwerp.

Artikel 72b Rondvraag

  • 1. Tijdens de commissievergadering is er bij de rondvraag de gelegenheid tot het stellen van vragen.

  • 2. De vragen zijn beknopt en politiek van aard en worden (zoveel mogelijk drie werkdagen) van tevoren aangemeld bij de commissieadviseur. De voorzitter kan de vragensteller verzoeken om vragen die hier niet aan voldoen op een andere wijze in te dienen middels de daarvoor beschikbare instrumenten.

  • 3. Naar aanleiding van een rondvraag kan geen debat plaatsvinden.

Artikel 73 Notulen

  • 1. De notulen worden opgesteld onder de zorg van de Staten- en commissieadviseur.

  • 2. De notulen houden in:

    • a.

      de namen van de commissievoorzitter, de griffier, de Staten- en commissieadviseur, de commissaris van de Koning en de gedeputeerden, de provinciesecretaris en de leden, allen voor zover aanwezig, alsmede van de overige personen die het woord gevoerd hebben. Afzonderlijk wordt vermeld welke leden afwezig waren;

    • b.

      een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;

    • c.

      een zakelijke samenvatting van het besprokene met vermelding van de namen der aanwezigen die het woord voerden;

    • d.

      een samenvatting van het advies aan Provinciale Staten;

    • e.

      bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van het bepaalde in artikel 80 door de Statencommissie is toegestaan deel te nemen aan de beraadslagingen.

  • 3. Schriftelijke bijdragen van fracties die niet bij de vergadering vertegenwoordigd zijn worden niet aan het verslag van de vergadering toegevoegd.

  • 4. De concept-notulen van de voorgaande vergadering worden, zo mogelijk, aan de leden toegezonden gelijktijdig met de oproep voor de eerstvolgende vergadering. De concept-notulen worden op hetzelfde moment aan de overige personen die het woord gevoerd hebben, toegezonden.

  • 5. Bij het begin van de vergadering worden, zo mogelijk, de notulen van de vorige vergadering vastgesteld.

  • 6. De leden, de commissievoorzitter en, naar aanleiding van en met betrekking tot hun deelname aan de beraadslaging, de leden van het college van Gedeputeerde Staten, de griffier en de provinciesecretaris, kunnen een voorstel tot wijziging aan de Statencommissie doen, indien de concept-notulen onjuistheden bevatten of niet duidelijk weergeven hetgeen gezegd of besloten is. Een voorstel tot wijziging wordt vóór het vaststellen van de notulen bij de Staten- en commissieadviseur ingediend.

  • 7. De vastgestelde notulen worden door de commissievoorzitter en de Staten- en commissieadviseur ondertekend.

Artikel 74 Spreekregels

De voorzitter verleent het woord en de spreker richt zich tot de voorzitter.

Artikel 75 Spreektermijnen

  • 1. De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de commissievoorzitter anders beslist.

  • 2. Elke spreektermijn wordt afgesloten door de commissievoorzitter.

  • 3. Een lid per fractie mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel, waarbij het spreken over een voorstel van orde niet wordt meegerekend

Artikel 76 Spreektijd

Indien de commissievoorzitter van een spreektijdenregeling gebruik wil maken, maakt hij gebruik van de spreektijdenregeling voor Statencommissies die door Provinciale Staten is vastgesteld.

Artikel 77 Voorstellen van orde

  • 1. Zowel de voorzitter als de leden kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden toegelicht.

  • 2. Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.

  • 3. Over een voorstel van orde beslist de Statencommissie terstond.

Artikel 78 Handhaving orde en schorsing

  • 1. Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord tenzij;

    • a.

      de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren;

    • b.

      het gaat om interrupties.

  • 2. De commissievoorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden.

  • 3. Indien een spreker zich beledigend of onbetamelijk uitlaat, afwijkt van het aanhangige onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, kan hij door de commissievoorzitter tot de orde worden geroepen. Indien de spreker zijn gedrag voortzet, kan de commissievoorzitter hem gedurende de beraadslaging over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.

  • 4. De commissievoorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en – indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord – de vergadering sluiten.

  • 5. De Statencommissie kan op voorstel van de commissievoorzitter een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering ontzeggen, waarna het lid de vergadering onmiddellijk dient te verlaten.

  • 6. Bij herhaling van gedrag als bedoeld in het derde lid kan een lid voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd door de commissie.

Artikel 79 Beraadslaging

  • 1. De Statencommissie kan op voorstel van de commissievoorzitter of een lid besluiten om over één of meer onderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk te beraadslagen.

  • 2. Op voorstel van de commissievoorzitter of van een lid kan de Statencommissie besluiten de beraadslaging voor een door de commissievoorzitter te bepalen tijd te schorsen teneinde Gedeputeerde Staten of de leden de gelegenheid te geven tot onderling beraad. De beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is.

Artikel 80 Deelname aan de beraadslaging door anderen

  • 1. De Statencommissie kan bepalen dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.

  • 2. Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de commissievoorzitter of een lid genomen alvorens met de beraadslaging over het desbetreffende agendapunt wordt begonnen.

Artikel 81 Advies

  • 1. In een advies van de Statencommissie worden de standpunten van alle aanwezige fracties opgenomen.

  • 2. De Statencommissie kan aan Provinciale Staten adviseren om een besluit te nemen over een onderwerp of voorstel zonder beraadslaging.

Artikel 82 Instelling werkgroep

  • 1. De Statencommissie kan besluiten een werkgroep in te stellen, bestaande uit commissieleden, die de Statencommissie adviseert over een onderwerp.

  • 2. Een werkgroep heeft de status van een informeel overleg tussen commissieleden. Op het moment dat het wenselijk is formeel regels te stellen over de openbaarheid van vergaderingen en geheimhouding van stukken, wordt aan PS voorgesteld een commissie in te stellen als bedoeld in artikel 82 van de Provinciewet.

  • 3. Een werkgroep wordt ingesteld voor de periode van maximaal één jaar. De Statencommissie kan bepalen deze periode te verlengen.

  • 4. De Statencommissie stelt het presidium op de hoogte van de besluiten als bedoeld onder lid

  • 5. Dit reglement is van overeenkomstige toepassing op de werkgroep voorzover deze bepalingen niet strijdig zijn met het informele karakter van de werkgroep.

Artikel 83 Besloten vergaderingen

Hoofdstuk 5, met uitzondering van artikel 51, is van overeenkomstige toepassing op besloten vergaderingen van Statencommissies.

Artikel 84 Algemene bepalingen

De artikelen 54 (Toehoorders en pers), 55 (Verstoring orde vergadering) en 57 (Geluid- en beeldregistraties) zijn van overeenkomstige toepassing op vergaderingen van Statencommissies.

Artikel 85 Buitenlandse dienstreis

  • 1. Een buitenlandse dienstreis is alleen toegestaan indien de Statencommissie nut en noodzaak daarvan in een voorstel aan het presidium heeft aangetoond en het presidium het voorstel heeft goedgekeurd.

  • 2. Dienstreizen vinden in beginsel alleen binnen Europa plaats.

  • 3. Bezoeken aan Europese instellingen worden niet als buitenlandse dienstreis aangemerkt.

  • 4. De dienstreis dient twee maanden voordat deze plaatsvindt bij de Statengriffier aangemeld te worden.

  • 5. Voorstellen voor buitenlandse dienstreizen dienen, voorzien van een begroting, doel en tijdstip van de dienstreis, alsmede het aantal deelnemers, aan het presidium te worden voorgelegd, alvorens verplichtingen worden aangegaan.

  • 6. Indien tentoonstellingen of festiviteiten plaatsvinden in de te bezoeken regio’s, waardoor de verblijfkosten onevenredig toenemen, dient de dienstreis in een andere periode plaats te vinden, tenzij een bepaalde tentoonstelling of festiviteit het doel van de dienstreis is.

  • 7. Benodigde tickets en accommodaties worden door de Statengriffie geregeld en geadministreerd.

  • 8. Alleen vaste leden van de Statencommissie, het lid van het college van Gedeputeerde Staten en medewerkers van de Statengriffie kunnen aan een buitenlandse dienstreis deelnemen. Plaatsvervangende leden kunnen slechts deelnemen bij verhindering of ontstentenis van een vast lid.

  • 9. Door de deelnemers aan een buitenlandse dienstreis wordt deelgenomen aan een integraal gepubliceerd programma, tenzij zich omstandigheden voordoen die onder de annuleringsverzekering vallen.

  • 10. Het verlengen van de buitenlandse dienstreis is toegestaan, mits voorafgaand aan de buitenlandse dienstreis toestemming is verleend door de voorzitter van Provinciale Staten na overleg met de vice-voorzitter van Provinciale Staten. De extra kosten komen volledig voor rekening van het lid van de commissie.

  • 11. De Statengriffie meldt de deelnemers aan voor dekking onder de doorlopende reis- en annuleringsverzekering van de provincie. De verzekering is van kracht voor alle personen die in opdracht of op uitnodiging van de provincie reizen naar het buitenland en in het binnenland maken. De definitie van een reis is hier dat er zowel in het binnen- als het buitenland sprake is van een overnachting. Er moeten daarvan boekingsbewijzen zijn.

  • 12. De voorzitter van de commissie legt verantwoording af over de collectieve uitgaven tijdens de reis.

  • 13. De deelnemende commissieleden stellen een verslag van de buitenlandse dienstreis op.. Dit verslag wordt in ieder geval gezonden aan het presidium.

  • 14. Individuele Statenleden kunnen op grond van een besluit van Provinciale Staten, namens een Statencommissie afgevaardigd worden naar een congres of seminar in het buitenland. De kosten van deze dienstreis worden aan het individuele Statenlid vergoed overeenkomstig de Verordening rechtspositie gedeputeerden, Staten- en commissieleden. Het aanvraagformulier moet worden ondertekend door de voorzitter van de commissie. Van de dienstreis wordt een verslag opgesteld. Dit verslag wordt in ieder geval ter kennisname toegezonden aan het presidium en aan de desbetreffende commissie uit Provinciale Staten.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 86 Uitleg reglement

In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel over de toepassing van dit reglement, beslissen Provinciale Staten of de Statencommissie op voorstel van de voorzitter of de commissievoorzitter. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter of de commissievoorzitter beslissen.

Artikel 87 Intrekking

Het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten van Noord-Holland 2007 en het Reglement van orde voor Provinciale Statencommissies in Noord-Holland 2007 worden ingetrokken.

Artikel 88 Inwerkingtreding

Dit reglement treedt in werking na de dag van publicatie in het provinciaal blad.

Artikel 89 Citeertitel

Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van Provinciale Staten en Statencommissies van Noord-Holland 2015.

Ondertekening

Haarlem, 2 februari 2015,
Provinciale Staten van Noord-Holland,
J.W. Remkes, voorzitter.
J.J.M. Vrijburg, griffier.