beleidsregels jeugdhulp gemeente Westerveld 2015

Geldend van 01-01-2015 t/m 31-12-2019

Intitulé

beleidsregels jeugdhulp gemeente Westerveld 2015

Beleidsregels jeugdhulp gemeente Westerveld 2015

Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Westerveld;

Besluit,

Gelet op de Jeugdwet, de Verordening Jeugdhulp 2015 Gemeente Westerveld, het Visiedocument ‘Als jeugd en toekomst tellen’, het Regionaal Transitiearrangement Drenthe (oktober 2013), het Transformatieplan Drenthe (juni 2014) en het Beleidsplan jeugdhulp gemeente Westerveld 2015-2016,

vast te stellen beleidsregels jeugdhulp gemeente Westerveld 2015:

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      deskundige(n): deskundigen die beschikken over deskundigheid als bedoeld in art. 2.1 besluit Jeugdwet;

    • b.

      familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met de bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;

    • c.

      professional: een professional in het bezit van een POD3-certificering die voor of namens het college handelt;

    • d.

      het college: het college van B&W van Westerveld, dan wel een functionaris die voor of namens het college handelt;

    • e.

      verordening: Verordening jeugdhulp Gemeente Westerveld;

    • f.

      verwijsformulier: een door het college vastgesteld formulier dat alle verwijzers bij voorkeur gebruiken voor de doorverwijzing van een jeugdige.

    • g.

      wet: de jeugdwet.

  • 2. Voor zover niet anders bepaald in deze beleidsregels, gelden de begrippen zoals omschreven in de wet en de verordening.

Artikel 2. Vormen van jeugdhulp

1.De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

a.Interventieniveau 1:

Dit betreft de vrij toegankelijke universele preventie, zoals voorlichting aan alle ouders en professionele opvoeders;

b.Interventieniveau 2:

Dit betreft de selectieve preventie, zoals adviesgesprekken en ouderavonden, groepsbijeenkomsten;

c.Interventieniveau 3:

Dit betreft lichte opvoedhulp, zoals individuele gesprekken (maximaal 5) via een bepaalde methodiek;

d.Interventieniveau 4:

Dit betreft intensieve opvoedhulp generalistische hulpverlening aan groepen ouders of individuele gezinnen.

2.De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

a.Interventieniveau 5:

Dit betreft ambulante hulpverlening, via een gericht aanbod van training of hulpverlening aan ouders en jeugdigen.

b.Interventieniveau 6:

Dit betreft intensieve ambulante behandeling of hulpverlening voor ouders met kinderen met zeer ernstige gedragsproblemen.

c.Interventieniveau 7:

Dit betreft het specialistische aanbod van zorg overdag voor ouders met kinderen met zeer ernstige gedragsproblemen, die overdag intensieve zorg en begeleiding nodig hebben.

d.Interventieniveau 8:

Dit betreft een specialistisch aanbod voor ouders met kinderen met zodanig ernstige gedragsproblemen, dat thuisblijven niet meer mogelijk is.

Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag

  • 1. Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag vormvrij melden.

  • 2. In de bevestiging van de melding informeert het college de jeugdige en ouders over de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen.

  • 3. In spoedeisende gevallen zet het college zo spoedig mogelijk passende spoedhulp in, waar nodig in combinatie met een passende tijdelijke maatregel en/of een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.

Artikel 4. Vooronderzoek

  • 1. In afwijking van het wettelijke woonplaatsbeginsel geldt binnen de regio Drenthe dat:

    • a.

      bij een verhuizing binnen de jeugdregio Drenthe tijdens de al gestarte jeugdhulp of maatregel de woonplaats niet opnieuw wordt bepaald;

    • b.

      de woonplaats opnieuw wordt bepaald bij een beoordeling tot verlenging.

  • 2. Het college verzamelt alle voor het gesprek relevante en toegankelijke informatie over de jeugdige en zijn situatie.

  • 3. Het college maakt zo spoedig mogelijk en tenminste binnen de termijn van 10 werkdagen na de melding, met de jeugdige of zijn ouders een afspraak voor het gesprek. Hierbij brengt het college de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan.

  • 4. De jeugdige of zijn ouders verschaffen aan het college alle overige gegevens die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken.

  • 5. De jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 6. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het tweede en derde lid.

Artikel 5. Gesprek

  • 1. De professional informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en het vervolg en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken, voor zover het college daar niet al toe bevoegd is.

  • 2. De professional onderzoekt in het gesprek met de jeugdige of zijn ouders - zo nodig met één of meer deskundigen - voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    • c.

      het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

    • d.

      de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;

    • e.

      de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening;

    • f.

      de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;

    • g.

      in voorkomende gevallen, als bedoeld in artikel 8.2.1 van de wet, dat een ouderbijdrage is verschuldigd en hoe deze bijdrage wordt geïnd.

    • h.

      de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;

    • i.

      hoe rekening wordt gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.

  • 3. De professional kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van het gesprek, als bedoeld in het voorgaande lid.

Artikel 6. Verslag

  • 1. Van het gesprek wordt een schriftelijk verslag gemaakt.

  • 2. Het college verstrekt het verslag binnen 15 werkdagen na het gesprek aan de jeugdige of zijn ouders, tenzij zij uitdrukkelijk hebben meegedeeld dit niet te wensen.

  • 3. Opmerkingen of aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd.

Artikel 7. Inzet interventieniveau 4

  • 1. De professional beslist op basis van het gestelde in de artikelen 4 t/m 6 over de inzet van interventieniveau 4.

  • 2. Indien en voor zover gebruik gemaakt wordt van een verwijsformulier, wordt dit ingevuld;

  • 3. Het ingevulde - en door de jeugdige en ouders ondertekende - verwijsformulier wordt als aanvraag voor een individuele voorziening beschouwd.

Artikel 8. Inzet niveau 5 of hoger

  • 1.

    Wanneer de professional oordeelt dat mogelijk een interventieniveau hoger dan 4 noodzakelijk is, roept de professional de benodigde deskundigheid in.

  • 2.

    Het inroepen van deskundigheid kan bestaan uit het consulteren van een deskundige en/of het organiseren van een of meerdere gesprekken met deskundige(n) samen met de jeugdige of zijn ouders.

  • 3.

    Wanneer besloten wordt een interventieniveau 5 of hoger in te zetten, wordt

    • a.

      een verwijsformulier als bedoeld in artikel 7 lid 2 en 3 ingevuld;

    • b.

      het besluit vastgelegd in een beschikking.

  • 4.

    Als aanvraag kan worden aangemerkt:

    • a.

      Een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend verwijsformulier als bedoeld in artikel 1 onder f juncto artikel 7 lid 3;

    • b.

      Een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend verslag, als bedoeld in artikel 6.

  • 5.

    Wanneer de professional overweegt een besluit te nemen dat de veiligheid van een kind betreft, is de professional verplicht:

    • a.

      een gedragswetenschapper bij de overweging te betrekken;

    • b.

      de overwegingen die leiden tot het besluit vast te leggen;

Het betreft in ieder geval besluiten betreffende:

  • ·

    Een signaal over een bedreiging van de veiligheid van een kind, afkomstig van een derde of van het kind zelf;

  • ·

    Interventie(s) om de bedreiging van de veiligheid van het kind op te heffen;

  • ·

    Een verzoek tot een maatregel van kinderbescherming;

  • ·

    Een aanvraag tot een (machtiging) uithuisplaatsing;

  • ·

    Een terugplaatsing van een uit huis geplaatst kind; en

  • ·

    De beëindigingen van de bemoeienis met kind en gezin.

Artikel 9. Inhoud van de beschikking.

  • 1. In aanvulling op artikel 5 van de Verordening Jeugdhulp 2015 wordt in de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening in ieder geval opgenomen:

    • a.

      welk interventieniveau maximaal is toegekend;

    • b.

      bij de duur van de voorziening wordt aangegeven dat:

      • i.

        bij een eerste toekenning de voorziening voor maximaal één jaar wordt toegekend;

      • ii.

        bij verlenging de voorziening ook voor een langere periode kan worden toegekend, waarbij ieder twee jaar een herbeoordeling plaatsvindt;

  • 2. Van het eerste lid onder b. kan worden afgeweken, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een herbeoordeling niet, of niet binnen genoemde termijn, tot een ander inzicht zal leiden.

Artikel 10. Regels voor PGB

  • 1. De hoogte van het pgb:

    • a.

      wordt bepaald aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan over hoe zij het pgb gaan besteden;

    • b.

      is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede zorg in te kopen;

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.

  • 2. Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet betaald worden uit het pgb.

  • 3. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk:

    • a.

      dat deze persoon een lager tarief krijgt betaald voor zijn diensten dan ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief;

    • b.

      dat deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt.

Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2015.

  • 2. Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Westerveld 2015”.

Toelichting

De beleidsregels zijn een nadere uitwerking van de Verordening Jeugdhulp 2015. Ook komen er afspraken in terug die in de regio Drenthe zijn gemaakt.

Een belangrijke grondslag voor de beleidsregels vormt artikel 4 lid 1 van de Verordening, welke haar basis vindt in artikel 2.9 van de Jeugdwet.

Het college stelt bij nadere regels over de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Het college geeft daarbij aan op welke wijze hij jeugdigen en ouders informeert over de mogelijkheid en het belang om in bepaalde gevallen een beroep op jeugdhulp te doen.

Artikelsgewijze toelichting:

Artikel 1. Begripsbepalingen

Naast de gehanteerde begrippen in de beleidsregels zijn ook de begrippen uit de verordening en de wet van toepassing zijn.

Lid 1, sub b

Familiegroepsplan

Het familiegroepsplan is in artikel 1.1 van de Jeugdwet gedefinieerd als: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. In artikel 4.1.2 van de Jeugdwet is bepaald dat de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling bij het uitvoeren van artikel 4.1.1 en indien sprake is van vroegsignalering van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als eerste de mogelijkheid biedt om, binnen redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Op grond van artikel 2.1, onder g, van de Jeugdwet maakt het familiegroepsplan onderdeel uit van het gemeentelijk beleid.

Deze bepalingen zijn een uitvloeisel van het amendement Voordewind/Ypma (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 83). Dit amendement beoogt ouders, familieleden en anderszins direct betrokkenen de mogelijkheid te geven om (ook in de preventieve fase) voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp mee te denken en te helpen aan een oplossing. Burgers zijn in veel gevallen zeer wel in staat verantwoordelijkheid te nemen voor problemen in eigen familie- of vriendenkring. Sociale samenhang draagt daarnaast bij aan het welzijn van kinderen.

Het familiegroepsplan speelt ook een rol in het gedwongen kader. De bepalingen in de verordening (zie artikel 5, eerste lid, en artikel 6, derde lid) omtrent het familiegroepsplan betreffen echter alleen het vrijwillig kader van jeugdhulp.

Lid 1, sub d

Het college

In een aantal artikelen wordt het college genoemd. In de praktijk gaat het om een medewerker die voor of namens het college handelt. Het college wordt dan genoemd, omdat niet in alle gevallen de werkzaamheden door een professional of deskundige uitgevoerd hoeven worden (bijvoorbeeld het vooronderzoek).

Lid 1, sub f

Verwijsformulier

Binnen het uitvoeringskader voor de jeugdregio Drenthe is een model verwijsformulier ontwikkeld, dat alle verwijzers gebruiken. Omdat verwijzers die buiten de directe invloedsfeer van de gemeente liggen de keuze hebben het formulier te gebruiken, zijn de woorden “bij voorkeur” toegevoegd.

Artikel 2. Vormen van Jeugdhulp

Dit artikel is een uitwerking van artikel 2 lid 3 van de verordening. Het is opgenomen om een beter beeld te krijgen bij het begrip “interventieniveaus”. In de beleidsregels is het niet mogelijk een gedetailleerd beeld te geven van de beschikbare zorg. Dit hangt mede af van de per gecontracteerde aanbieder te leveren jeugdhulp. Bovendien zou iedere wisseling in het aanbod leiden tot aanpassing van de beleidsregels.

Onderstaand overzicht biedt een beeld van de beschikbare jeugdhulp.

Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag

Omdat het belangrijk is de drempel voor een hulpvraag zo laag mogelijk te houden, is ervoor gekozen hulpvraag vormvrij te houden. Het melden kan bijvoorbeeld via internet, telefonisch, aan de balie etc. Voor zover relevant wordt de meldingsdatum beschouwd als hulpvraagdatum.

In de bevestiging van de melding wordt de mogelijkheid van het familiegroepsplan aangegeven.

Artikel 4. Vooronderzoek

In artikel 1.1 jo 2.3 Jeugd wet is het woonplaatsbegrip omschreven. Bij de start van jeugdhulp geldt dat de gemeente waar de jeugdige woont, de woonplaats is. Binnen de jeugdregio Drenthe is afgesproken dat bij een verhuizing binnen de regio tijdens de al gestarte jeugdhulp of maatregel de woonplaats niet opnieuw bepaald.

Bij verlenging van jeugdhulp of maatregel volgt wel een nieuwe bepaling van het woonplaatsbeginsel.

Hoewel niet expliciet geregeld geldt dat bij verhuizing buiten de regio uiteraard dat er afstemming plaatsvindt met de gemeente waar de jeugdige vandaan komt, dan wel naar verhuisd.

In aanloop naar de wet is veel gesproken over het woonplaatsbeginsel. Net zo belangrijk is artikel 1.3. lid 1 van de wet: het territoriumbeginsel: De wet is alleen van toepassing op jeugdigen die in Nederland verblijven.

In dit artikel is er voor gekozen dat het vooronderzoek niet per definitie door de professional verricht hoeft te worden. Vandaar dat “het college” wordt genoemd. In de praktijk kan het goed mogelijk zijn dat bijvoorbeeld als onderdeel van het vooronderzoek, een baliemedewerker een formulier meegeeft waarop staat welke stukken ingeleverd moeten worden voorafgaand aan een gesprek. Hiervoor hoeft dan niet een professional ingezet te worden. Ook een bepaling van het woonplaatsbeginsel kan bijvoorbeeld uitgevoerd worden door een ander dan de professional.

Lid 2 t/m5

Deze bepalingen zijn hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd.

Het tweede en vierde lid dienen ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek.

Het beleid is gericht op het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen (artikel 2.1, onder g, van de wet). Het kan zijn dat het nodig is enige vorm van ondersteuning te bieden bij het opstellen van een familiegroepsplan.

In het vooronderzoek kan worden beoordeeld of sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te treffen.

Lid 6

Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien.

Artikel 5. Gesprek

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat een goede analyse van de specifieke hulpvraag wordt gemaakt. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Zonodig kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken.

In het gesprek zou duidelijk moeten worden hoe ook de meest complexe individuele voorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt de procedure om te komen tot een individuele voorziening met allerlei waarborgen rond een deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in 24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel onderzoek en afweging aan ten grondslag ligt.

Lid 2

In de onderdelen a tot en met h zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen.

Het gestelde onder g is opgenomen als sprake is van een PGB. Het dient ertoe ouders te informeren. De hoogte van bijdrage in de kosten van een PGB wordt niet de beschikking opgenomen. Dat loopt via het door het college daartoe aangewezen bestuursorgaan, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. In artikel 8.2.3 van de wet is bepaald dat de ouderbijdrage door ‘het bestuursorgaan dat (door onze ministers) met (de vaststelling en) de inning is belast’ wordt vastgesteld en ten behoeve van de gemeente wordt geïnd (het CAK). De ouderbijdrage geldt op grond van art. 8.2.1 van de wet alleen in situaties van jeugdhulp buiten de thuissituatie.

Bij de afstemming in onderdeel h valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de AWBZ of de Zvw en een voorziening op het gebied van passend onderwijs.

Lid 3

Zoals in de toelichting bij artikel 4, lid 6 ook al is aangegeven kan het college afzien van een gesprek. Indien de hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien.

Artikel 6. Verslag

Zoals in het model staat vermeld, kunnen opmerkingen van de jeugdige of zijn ouders toegevoegd worden aan het verslag. Daarbij is nadrukkelijk bedoeld dat dit een toevoeging is en niet een wijziging van het oorspronkelijke verslag.

Artikel 7. Inzet interventieniveau 4

De professional (artikel 1 lid 1 onder c) die beslist op basis van een brede integrale analyse en vult - zo nodig - het verwijsformulier in.

Jeugdhulp op niveau 4 wordt aangemerkt als een overige voorziening, om die reden is het niet mogelijk om een pgb te verstrekken. Jeugdhulp op niveau 4 kan net als jeugdhulp op de niveaus 1 tot en met 3 slechts als zorg in natura worden ingezet.

Door ondertekening wordt het verwijsformulier beschouwd als aanvraag.

Artikel 8. Inzet niveau 5 of hoger

Deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de wet. Hierin is bepaald dat de gemeente in ieder geval regels stelt over de voorwaarden en de afwegingsfactoren bij een toekenning van een individuele voorziening. Een aanvraag is nodig om een beschikking af te geven. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van toepassing.

Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten wordt een ondertekend verslag of ondertekend verwijsformulier als aanvraag aangemerkt.

In het vierde lid is opgenomen dat er tenminste een gedragswetenschapper wordt betrokken bij besluitvorming over de veiligheid van het kind.

Uiteraard dienen dergelijke besluiten goed gedocumenteerd te worden. Niet alleen het besluit maar ook de overwegingen die tot het besluit geleid hebben, de datum en de namen van de betrokken deskundigen moeten vastgelegd worden.

Artikel 9. Inhoud van de beschikking

Op een (formele) aanvraag volgt een beschikking op te stellen, waartegen bezwaar en beroep mogelijk is.

Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb.

De verordening gaat in artikel 5 al uitgebreid in op de inhoud van de beschikking.

Daarom zijn in de beleidregels een paar aanvullende bepaling opgenomen over het interventieniveau en de duur van de voorziening.

Wanneer er geen twijfel bestaat over het verloop van de zorgvraag, zou een voorziening zelfs tot de leeftijd van 18 jaar kunnen worden toegekend. Hierbij wordt dan wel elke twee jaar een toetsmoment ingevoerd.

Via het tweede lid is de mogelijkheid opengelaten om hiervan af te wijken. Een een deskundig oordeel, bij voorkeur met een second opinion, is wenselijk. De uiterste grens is 18 jaar.

Artikel 10. Regels voor PGB

In de verordening zijn in artikel 5 en 6 regels opgenomen voor een pgb. De regels hier genoemd zijn een aanvulling hierop:

Lid 1 gaat noemt drie - cumulatieve – criteria voor het bepalen van de hoogte van het pgb.

Lid 2 geeft aan wie niet betaald mag worden uit het pgb. Voor alle duidelijkheid: het betreft hier zowel natuurlijke als rechtspersonen.

Lid 3 stelt eisen aan de inzet van personen uit de eigen omgeving. Het tarief moet lager zijn dan bij gebruik van een professionele kracht en de persoon moet aangegeven dat het hem niet te zwaar belast.

Artikel 11. Citeertitel en inwerkingtreding

Dit behoeft geen nadere toelichting. Het is niet nodig om een hardheidsclausule in te voegen nu het beleidsregels betreft en het college op grond van art.4:84 Awb al af kan wijken indien de beleidsregels onevenredig uitpakken voor een jeugdige gezien het doel van de beleidsregels.