Verordening individuele studietoeslag Asten 2015

Geldend van 01-01-2015 t/m 31-03-2022

Intitulé

VERORDENING INDIVIDUELE STUDIETOESLAG ASTEN 2015

De raad van de gemeente Asten;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 28 oktober 2014;

gehoord het advies van de Commissie Burgers d.d. 24 november 2014;

gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel c, derde lid, van de Participatiewet,

besluit:

vast te stellen de Verordening individuele studietoeslag Asten2015

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begrippen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    de wet: de Participatiewet 2015;

  • b.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • c.

    wet studiefinanciering: de wet studiefinanciering 2000 of de daaropvolgende wettelijke regeling.

Artikel 2 Indienen verzoek

Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.

HOOFDSTUK 2 INDIVIDUELE STUDIETOESLAG

Artikel 3 Doelgroep studietoeslag

  • 1. Een belanghebbende die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan een aanvraag indienen voor een individuele studietoeslag. Om hiervoor in aanmerking te komen is het vereist dat belanghebbende op de datum van de aanvraag aan de volgende voorwaarden voldoet, belanghebbende:

    a.is 18 jaar of ouder;

    • b.

      heeft recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering of heeft recht op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;

    • c.

      heeft geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet, en

    • d.

      is een persoon van wie is vastgesteld dat hij wegens met een arbeidshandicap of langdurige medische beperkingen niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

  • 2. Er wordt geen studietoelage verstrekt als er sprake is van andere inkomsten naast de studiefinanciering.

Artikel 4 De hoogte en duur van de toeslag

  • 1. De hoogte van de toeslag bedraagt 10% van het Wettelijk minimumloon dat voor hen geldt, afgerond op hele euro’s.

  • 2. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, zolang de belanghebbende recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, gedurende maximaal vier jaar.

Artikel 5 De frequentie van de betaling

Uitbetaling van de toeslag vindt maandelijks plaats.

HOOFDSTUK 3 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 6. Nadere uitvoeringsregels

Het college kan bij uitvoeringsbesluit nadere regels stellen in het belang van een zorgvuldige uitvoering van deze verordening.

Artikel 7 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald, indien strikte toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 

Artikel 8 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt na bekendmaking in werking op 1 januari 2015.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december 2014.
De raad voornoemd,
griffier,
mr. M.B.W. van Erp-Sonnemans
voorzitter,
mr. H.G. Vos

Toelichting individuele studietoeslag

Algemeen

De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de Participatiewet: de individuele studietoeslag. De toeslag wordt aangemerkt als een vorm van bijzondere bijstand (artikel 5 onderdeel d Participatiewet). Het betreft een nieuwe vorm van aanvullende inkomensondersteuning voor bepaalde groepen studerenden. Het verlenen van een individuele studietoeslag is een discretionaire bevoegdheid van het college (dit volgt uit artikel 36b lid 1 Participatiewet) en is bedoeld voor arbeidsgehandicapte studenten.

De gemeenteraad dient in een verordening regels vast te stellen over het verlenen van een individuele studietoeslag (artikel 8 lid 1 onderdeel c Participatiewet). Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag.

Verbeteren positie arbeidsmarkt arbeidsgehandicapten

De gedachte achter de individuele studietoeslag is dat het vooral voor mensen met een arbeidshandicap van belang is de positie op de arbeidsmarkt te verbeteren middels het behalen van een diploma. Werkgevers zijn volgens de wetgever vaak huiverig om mensen met een arbeidshandicap in dienst te nemen. De wetgever verwacht dat de drempel om een contract aan te bieden lager is als een werkgever ziet dat iemand met succes een studie heeft afgerond. Met het verstrekken van een individuele studietoeslag krijgen mensen met een arbeidshandicap een extra steun in de rug. Een studieregeling stimuleert mensen om toch de stap te zetten naar school te gaan of een studie te gaan volgen. Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan.

Uit de Memorie van Antwoord blijkt het volgende. Een vereiste voor de individuele studietoeslag is dat een student niet in staat is met voltijdse arbeid het Wettelijk minimumloon (WML) te verdienen. Dit leidt ertoe dat studenten die per uur wel het WML kunnen verdienen hier niet voor in aanmerking komen. Doel van de studietoeslag is om studenten met een beperking een bron van inkomsten te geven ter vervanging van inkomsten uit een bijbaan.

Achtergrond

Als studenten door een handicap/beperking geen bijbaantje kunnen nemen, is het redelijk een financiële compensatie te bieden. Om deze reden is ervoor gekozen dat mensen met alleen een medische urenbeperking niet voor een studietoeslag in aanmerking komen. Verder speelt nog mee dat de huidige bepaling aansluit bij de doelgroepbepaling van het instrument loonkostensubsidie.

Het is daarom voor gemeenten mogelijk gemaakt om, als is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, deze vaststelling ook te gebruiken om te bepalen of iemand op basis van dit vereiste in aanmerking komt voor de studietoeslag. Dit zorgt ervoor dat gemeenten geen apart beoordelingsinstrumentarium hoeven te ontwikkelen. Dit draagt in grote mate bij aan de uitvoerbaarheid van deze studietoeslag.

Prognose aantallen aanvragen

Het is niet goed te voorspellen hoeveel mensen uiteindelijk gebruik zullen gaan maken van deze regeling omdat het een nieuwe regeling betreft. Het is daarom verstandig om jaarlijks een inschatting te maken van het aantal mensen dat van deze regeling gebruik gaat maken in het komende jaar. Verder kan jaarlijks beoordeeld worden welk effect deze maatregel heeft. Blijven mensen die dit hebben ontvangen inderdaad vaker uit de bijstand of stromen ze allemaal toch volledig in zonder uitzicht op werk? De verordening kan worden aangepast als het budget (ernstig) overschreden wordt.

Vast te leggen regels in beleidsregels

In beleidsregels kan het college nadere regels stellen aan wie een individuele studietoeslag kan worden verstrekt. In de beleidsregels kunnen ook groepen worden uitgesloten van het recht op individuele studietoeslag.

De voorwaarden dat een belanghebbende recht moet hebben op studiefinanciering of een WTOS-tegemoetkoming, moet niet zodanig worden geïnterpreteerd dat belanghebbende ook daadwerkelijk studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het is voldoende dat hij recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming. Of recht hierop bestaat is afhankelijk van de gekozen opleiding, de leeftijd en het inkomen van een belanghebbende.

De artikelen 12, 43, 49 en 52 Participatiewet zijn niet van toepassing bij verlening van de individuele

inkomenstoeslag (artikel 36b lid 2 Participatiewet). Een individuele studietoeslag wordt op aanvraag

verleend (artikel 36b lid 1 Participatiewet). Artikel 43 Participatiewet is daarbij niet van toepassing

(artikel 36b lid 2 Participatiewet). De aanvraag moet worden ingediend bij het college. Een individuele studietoeslag kan niet als lening worden verstrekt als belanghebbende met de toeslag schulden wil aflossen. Artikel 49 Participatiewet is namelijk niet van toepassing op de individuele studietoeslag. Ook artikel 52 Participatiewet is niet van toepassing op de individuele studietoeslag. Dit maakt dat de individuele studietoeslag niet kan worden verstrekt in de vorm van een voorschot.

Artikelsgewijze toelichting

Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.

Artikel 1. Begrippen Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

Artikel 2. Indienen verzoek

Door personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet kan een verzoek om een individuele studietoeslag schriftelijk worden ingediend. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).

Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om een individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet.

Artikel 3. Doelgroep studietoeslag

Een belanghebbende die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan een aanvraag indienen voor een individuele studietoeslag. Artikel 36b lid 1 Participatiewet spreekt overigens zowel over verzoek als aanvraag. Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op de individuele omstandigheden van een belanghebbende - individuele inkomenstoeslag verlenen.

Hiervoor is vereist dat belanghebbende op de datum van de aanvraag:

  • -

    18 jaar of ouder is;

  • -

    recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming

onderwijsbijdrage en schoolkosten;

  • -

    geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet;

  • -

    en een persoon is van wie is vastgesteld dat hij wegens medische beperkingen niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Er wordt geen studietoelage verstrekt als er sprake is van andere inkomsten naast de studiefinanciering. In het tweede lid wordt aangegeven dat geen studietoeslag wordt verstrekt als de belanghebbende op grond van een andere studieregeling aanspraak kan maken op een financiële tegemoetkoming. Ook het UWV heeft een studieregeling. Dit is een voorliggende voorziening van de studietoeslag zoals bedoeld in deze verordening.

Artikel 4. De hoogte en duur van de toeslag

In dit artikel is de hoogte van de toeslag opgenomen. Aan een persoon die voldoet aan de voorwaarden voor een individuele toeslag wordt deze toegekend.

De toeslag bedraagt 10% van het wettelijk minimumloon dat voor de leeftijd van belanghebbende van toepassing is. Dat staat ongeveer gelijk aan één dag per week werken in een bijbaan. Hoe hoger de leeftijd, hoe hoger het bedrag dat betrokkenen ontvangen.

Bij de studieregeling jonggehandicapten, zoals deze onder de Wajong gold, is de toeslag gebaseerd op 25% van het wettelijk minimumloon (bruto). De gegevensset UWV van het aantal lopende uitkeringsgerechtigden nieuwe Wajong per ultimo 2013 in de studie regeling, geeft aan dat in Asten 3 personen gebruik maken van deze regeling. Gelet op de aard van de verstrekking dient de periodieke bijzondere bijstand belast te worden. Om die reden moet het percentage van het bruto loon altijd lager vastgesteld worden dan de 25%. De lasten voor de gemeenten staan in de laatste kolom.

Bedragen minimumloon (bruto) per 1 juli 2014

leeftijd

per maand

Netto klant 10%

Bruto gemeente

23 jaar en ouder

€ 1.495,20

€ 150

€ 235,50

22 jaar

€ 1.270,90

€ 127

€ 199,39

21 jaar

€ 1.084,00

€ 108

€ 169,56

20 jaar

€ 919,55

€ 92

€ 144,44

19 jaar

€ 785,00

€ 79

€ 124,03

18 jaar

€ 680,30

€ 68

€ 106,76