Coffeeshop beleid

Geldend van 09-04-2009 t/m 11-09-2013

Intitulé

Coffeeshop beleid

COFFEESHOPBELEID

1.0 Inleiding

De beIeidsregel coffeeshops is door de burgemeester vastgesteld in 1993 en gewijzigd in 1998 en 2004. Indien een coffeeshop voldoet aan de criteria gesteld in deze beleidsregel zal de burgemeester tegen de verkoop van cannabis ingevolge artikel 13b Opiumwet niet optreden. Deze beleidsregel is in 2008 na evaluatie aangepast aan de gewijzigde wetgeving.

1.1 Stand van zaken

Bij besluit van 23 maart 1993 heeft de raad ingestemd met de beleidsregel van de burgemeester ten aanzien van coffeeshops. Uitgangspunt van dit beleid is de bescherming van het woon- en leefklimaat, het tegengaan van overconcentratie en voorkoming van aantasting van de openbare orde.

Het college heeft in 2002 besloten het maximumaantal te gedogen coffeeshops van 6 naar 5 terug te brengen. In augustus 2006 is coffeeshop Zero Zero in de Kamperstraat gesloten.

Hieronder een overzicht van de huidige coffeeshops in Zwolle.

  • -

    Sky-High, Van Karnebeekstraat 41;

  • -

    Het Binnenhof, Steenstraat 6;

  • -

    The New Balance, Derde Bredehoek 1;

  • -

    Dino's, Thomas à Kempisstraat 72;

  • -

    De Tulp, Kamperstraat 39

1.2 Inhoud nota

In deze beleidsnotitie zal eerst een overzicht worden gegeven van de regelgeving en het (landelijke) beleid dat op dit moment geldt.

Vervolgens worden de gedoogcriteria uiteengezet waaraan de Zwolse coffeeshops moeten voldoen. Het hoofdstuk 'Controle' beschrijft het handhavingsarrangement Damocles.

2.0 Regelgeving

2.1 Opiumwet

Artikel 13b (wet Damocles genoemd) van de Opiumwet biedt de burgemeester de mogelijkheid om bestuursrechtelijk op te treden indien er een overtreding van de Opiumwet is geconstateerd. Op basis van dit artikel is het o.a. mogelijk dat er panden, inclusief woningen en niet voor publiek toegankelijke ruimten, gesloten worden. Artikel 13b is niet van toepassing bij overtredingen van teelt, de vervaardiging of het vervoer van drugs. Dit is een exclusieve bevoegdheid van het Openbaar Ministerie op grond van artikel 3 Opiumwet.

2.2 Richtlijnen Openbaar Ministerie AHOJG-criteria

Door het College van Procureurs-Generaal is op 11 september 1996 een (nieuwe) Opiumwetrichtlijn vastgesteld. De belangrijkste punten voor het coffeeshopbeleid uit deze richtlijn:

  • -

    AHOJG-pluscriteria

    • ·

      geen affichering

    • ·

      geen harddrugs

    • ·

      geen overlast

    • ·

      geen verkoop aan jeugdigen beneden de 18 jaar

    • ·

      geen verkoop van meer dan 5 gram

    • ·

      geen verkoop in combinatie met alcohol

  • -

    maximaal 500 gram softdrugs in voorraad;

  • -

    de bestrijding van grootschalige nederwietteelt krijgt prioriteit;

  • -

    het belang van de bescherming van de jeugd wordt benadrukt. Dealers, die in de buurt van scholen handelen en/of drugs aan jeugdigen verkopen, kunnen hogere strafeisen tegemoet zien;

  • -

    verbod op het toelaten van jeugdigen (<18 jaar) in coffeeshops;

  • -

    geen alcohol en geen gokkasten in coffeeshops;

  • -

    geen verkoop softdrugs in horeca;

  • -

    daadwerkelijk optreden tegen verkoop van softdrugs buiten een coffeeshop;

  • -

    lokaal coffeeshopbeleid afspreken in de lokale driehoek;

  • -

    geen coffeeshops in de nabijheid van scholen;

  • -

    scherpere preventieve toetsing via eisen exploitanten;

  • -

    stringentere controle AHOJG-criteria;

  • -

    vervolging coffeeshops die zich toeleggen op verkoop van handels- of gebruiksvoorraden voor export;

  • -

    geen gerichte opsporing als coffeeshop zich aan de gemeentelijke en strafrechtelijke voorwaarden houden.

2.3 Wet Victor

Op grond van de Wet Victor kan worden opgetreden in het traject na sluiting van een pand. Via deze wet zijn enkele wijzigingen in de Gemeentewet, de Onteigeningswet, de Woningwet, het Burgerlijk Wetboek en de Opiumwet geregeld. Daarbij moet worden gedacht aan automatische ontbinding van de huurovereenkomst, het gedwongen laten opknappen of in beheer nemen van woningen tot en met het uiterste middel van onteigening. Een en ander kan ertoe leiden dat na een sluiting van het pand door de burgemeester goed beheer en daarmee verhuur en gebruik van het betreffende pand gemakkelijker kan plaatsvinden. Onteigening van panden is op grond van artikel 77 Onteigeningswet mogelijk.

2.4 Wet BIBOB

De gemeente Zwolle heeft de Wet BIBOB ondermeer van toepassing verklaard op de vergunningverlening voor horeca en coffeeshops Dit betekent voor de coffeeshophouder dat deze bij aanvraag van de exploitatievergunning horecabedrijf aan een scherpere toetsing wordt onderworpen.

2.5 Algemene Plaatselijke Verordening

Coffeeshops zijn verplicht een exploitatievergunning aan te vragen op grond van artikel 2.3.1.2 van de Algemene plaatselijke verordening Zwolle (APV). Weigering van de vergunning kan plaatsvinden met een beroep op het belang van de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu. Deze weigeringsgronden zijn benoemd in artikel 1.8 van de APV. Voorts wordt de vergunning geweigerd indien vergunningverlening in strijd is met het geldende bestemmingsplan of wanneer de aanvrager geen recente verklaring omtrent gedrag overlegt. Om de belangen zoals genoemd in 1.8. APV te beschermen kunnen voorschriften aan de exploitatievergunning worden verbonden. Kan de bescherming van de genoemde belangen niet worden gewaarborgd door het stellen van voorschriften dan dient de exploitatievergunning te worden geweigerd. Ter beperking van overlast kunnen in de af te geven exploitatievergunning nadere voorschriften worden gesteld over o.a.:

  • -

    sluitingsuur;

  • -

    portiers;

  • -

    schoonhouden omgeving;

  • -

    toezicht;

  • -

    maximum aantal bezoekers;

  • -

    aanwezigheid leidinggevende;

  • -

    voorkomen van parkeeroverlast.

3.0 Gedoogcriteria

3.1 Definities

Coffeeshop

Een coffeeshop is een alcoholvrije horeca-inrichting waar handel in cannabisproducten plaatsvindt en de exploitant, zijnde een natuurlijk persoon, in het bezit is van een gedoogbeschikking en een horeca-exploitatievergunning. Deze bedrijven kunnen ook andere namen voeren, zoals koffieshops, theehuis, milkshake-bar of iets dergelijks. Voor de verzamelterm "coffeeshop" is gekozen omdat deze term voor de aanduiding van een inrichting waar tevens softdrugs worden verhandeld het meeste is ingeburgerd.

Cannabisproducten

Producten als vermeld in lijst II onderdeel B behorende bij artikel 3 van de Opiumwet (zogenaamde softdrugs). Cannabisproducten zijn hasj (de hars van een hennepplant) en marihuana (de verkruimelde bladen van de hennepplant). De producten worden ook wel aangeduid als (Neder)-wiet, weed, stickie, joint, en dergelijke. Spacecake valt ook onder de definitie omdat hierin cannabis is verwerkt.

Gedoogbeschikking

Een besluit met voorschriften van de burgemeester waardoor, indien aan de voorschriften wordt voldaan, tegen het exploiteren van een coffeeshop niet wordt opgetreden. De beschikking wordt op naam van de exploitant, zijnde een natuurlijk persoon, en voor één locatie verleend en is niet overdraagbaar.

3.2 Geen verkoop vanuit winkels

De verkoop van cannabisproducten vanuit winkels is niet toegestaan.

3.3 Geen verkoop van harddrugs

In coffeeshops en overige horeca is de handel in of het voorhanden zijn van harddrugs verboden.

3.4 De maximale transactie

De exploitant mag maximaal 5 gram cannabisproducten per dag aan een zelfde klant verkopen. Van de verkoop dient een registratie te worden bijgehouden, waarin de hoeveelheid verkochte cannabisproducten vermeld dient te worden.

3.5 Niet meer dan 500 gram handelsvoorraad

In de coffeeshop mag niet meer dan 500 gram cannabisproducten handelsvoorraad aanwezig zijn.

3.6 Alleen verkoop tegen contante betaling

De cannabisproducten mogen niet gratis verstrekt worden en moeten direct afgerekend worden. Stempel- of zegelkaarten, verkoop op rekening, ruilen tegen goederen, onderpand dan wel in ruil tegen het verrichten van werkzaamheden of anderszins is niet toegestaan. Een prijslijst moet duidelijk zichtbaar aanwezig zijn.

3.7 Boekhouding

Exploitanten van coffeeshops zijn belasting verschuldigd over hun inkomsten. Geldstromen die samenhangen met de reële omzetten van coffeeshops die zich houden aan de door het Openbaar Ministerie gestelde eisen worden niet gerekend tot de ongebruikelijke transacties in de zin van de wet Meldpunt Ongebruikelijke Transacties. In de gedoogbeschikking zijn bepalingen opgenomen betreffende de boekhoudplicht met als doel de handelsvoorraad en de maximale transactie per klant te controleren. Een leidinggevende dient zich aan de belastingwetgeving te houden. Dit is zijn eigen verantwoordelijkheid. In de gedoogbeschikking wordt hierop gewezen.

3.8 Geen affichering

3.Coffeeshops mogen geen reclame maken anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit. Dit betekent geen enkele reclame aan de gevel of verwijsborden met daarop aangegeven dat er softdrugs wordt verkocht bijvoorbeeld door middel van een hennepblad. Reclame in huis-aan-huisbladen, kabelkrant, gidsen, op het internet, flyers, freecards, etc. is niet toegestaan evenals bijvoorbeeld het sponsoren van een sportclub door middel van shirtreclame. Bij de opsporing zal hieraan aparte aandacht besteed worden. Reclame is strafbaar op grond van artikel 3b van de Opiumwet.

3.9 Geen toegang aan personen beneden de leeftijd van 18 jaar

De exploitant van de coffeeshop is strafbaar indien personen beneden de 18 jaar in de coffeeshop worden aangetroffen. De exploitant kan dit voorkomen door een legitimatieplicht voor bezoekers in te stellen.

3.10 Verbod verkoop aan personen beneden de leeftijd van 18 jaar

De exploitant is strafbaar indien hij/zij aan personen beneden de 18 jaar in of buiten de coffeeshop softdrugs verkoopt. Doorverkoop aan minderjarigen van softdrugs uit de coffeeshop moet door exploitant voorkomen worden.

3.11 De exploitatievergunning

Door het verlenen van deze vergunning is het mogelijk om, voorafgaand aan de vestiging van een alcoholvrij horecabedrijf, bij de beslissing op een aanvraag een aantal overwegingen te betrekken. Dit kan betekenen dat er eisen gesteld worden ter bescherming van de belangen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu. In de voorschriften van de exploitatievergunning kan opgenomen worden dat de exploitant dient toe te zien op het gedrag van de komende en gaande bezoekers.

3.12 Eisen exploitant en beheerders

Aan exploitant en beheerders worden op basis van het coffeeshopbeleid dezelfde eisen gesteld als de eisen genoemd in artikel 8 van de Drank- en Horecawet. De criteria zijn vermeld in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999. Dit houdt in dat aan de hand van justitiële documentatie wordt bezien of een exploitant/beheerder de laatste 5 jaar een veroordeling heeft gehad verband houdende onder andere met de Drank- en Horecawet, Opiumwet, wet op de Kansspelen, heling, rijden onder invloed, discriminatie. De exploitant(en) en/of beheerder(s) mogen alleen natuurlijke personen zijn. Rechtspersonen zijn niet toegestaan als beheerder en/of exploitant.

Een verzoek om een gedoogbeschikking zal geweigerd worden indien geen verklaring omtrent het gedrag (VOG) van de exploitant en beheerders uiterlijk 3 maanden voor de datum waarop het verzoek om een gedoogbeschikking is ingediend is afgegeven.

De houder van de exploitatievergunning en gedoogschikking dan wel een beheerder/bedrijfsleider dient tijdens de openingstijden van de coffeeshop aanwezig te zijn.

3.13 Geen overlast

Een nadere uitleg van het begrip overlast in het kader van het coffeeshopbeleid is nodig omdat niet iedere klacht omtrent overlast kan leiden tot de onmiddellijke sluiting van een coffeeshop. Veel hangt af van de aard, de frequentie en de ernst van de overlast. Immers de coffeeshops worden gelijkgeschakeld met horecabedrijven en deze bedrijven brengen vaak enige hinder voor de omgeving met zich mee als gevolg van bijvoorbeeld geluidhinder door de komende en gaande bezoekers. Zolang de hinder rond een coffeeshop niet groter of anders is dan bij een gemiddeld horecabedrijf, is er geen sprake van overlast en dus ook geen overtreding van dit criterium. Daarnaast is het zo dat de rechter eisen stelt aan de motivering van sluitingsbevelen en andere bestuurlijke maatregelen. De bewijsvoering voor het optreden tegen overlast moet dan ook bestaan uit deugdelijke bewijsstukken zoals politierapporten, processen-verbaal, verklaringen en klachten van omwonenden en dergelijke. Concreet betekent dit dat er bij overlastsituaties rond een coffeeshop eerst een dossier opgebouwd moet worden dat voldoende bewijsmateriaal en argumenten bevat om een sluiting te kunnen rechtvaardigen. De overlast moet objectief en overtuigend blijken en moet voldoende ernstig zijn om op te wegen tegen de in het geding zijnde belangen van de coffeeshopexploitant. Gevoelens van onveiligheid, die niet ondersteund worden door controleerbare en verifieerbare feiten, zijn meestal niet genoeg. Klachten van burgers omtrent hinder en overlast, die niet bevestigd worden door eigen waarneming van politiemensen en ander bewijs van de politie vormen geen solide basis.

3.14 Het maximumstelsel

Ter voorkoming van wildgroei van het aantal coffeeshops is gekozen voor een maximumstelsel. Bij het bepalen van een maximum aantal coffeeshops staat enerzijds de beheersbaarheid van de (cumulatieve) overlast voorop. Anderzijds dient de criminalisering, verschuiving en de vervaging van de scheiding van de markten voorkomen te worden. Het maximumstelsel impliceert dat overschrijding van het maximum niet toegestaan is. Voorts impliceert het dat overschrijding van dit maximum per definitie overlast oplevert voor het woon- en leefklimaat. Door toepassing van deze constructie is al snel een sluiting te bewerkstelligen van zich illegaal vestigende verkooppunten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

3.Het maximum aantal te gedogen verkooppunten van softdrugs is sinds 2002 gesteld op 5.

3.15 Vrije toegankelijkheid

Een coffeeshop dient vrij toegankelijk te zijn.

Verkoop en gebruik van softdrugs achter gesloten deuren levert eerder argwaan op bij omwonenden dan een niet overlast veroorzakende open handel in een vrij toegankelijke inrichting. Controlerende en toezichthoudende taken worden door handel achter gesloten deuren belemmerd omdat men als opsporingsambtenaar nu eenmaal niet makkelijk binnenkomt tegen de wil van de rechthebbende in die gevallen dat er van verdenking van strafbare feiten nog geen sprake is. Ter wering van ongewenste klanten en ter controle van de leeftijd kan de exploitant, net als bij horecabedrijven, een portier aanstellen.

3.16 Geen alcohol

In verkooppunten van softdrugs mag geen alcohol verkocht worden.

3.17 Geen verkoop van smartproducten

De verkoop van hallucinogene paddestoelen, andere ecodrugs en smart products in coffeeshops is verboden.

3.18 Een kansspelautomaten

Coffeeshops worden ingevolge het kansspelbeleid van de gemeente Zwolle gekarakteriseerd als zijnde laagdrempelige inrichtingen. In laagdrempelige inrichtingen zijn met de benodigde aanwezigheidsvergunning uitsluitend twee behendigheidsautomaten toegestaan.

3.19 Cannabisvoorlichting

De exploitant van de coffeeshop en beheerders zoals vermeld in de gedoogbeschikking dienen aantoonbaar deskundig te zijn op het gebied van problematisch drugsgebruik en drugsverslaving en beschikken over een bewijs hiervan, afgegeven door een verslavingszorginstelling. In de coffeeshop dient op een zichtbare plaats voorlichtingsmateriaal over het gebruik van cannabis aanwezig te zijn waarin aandacht wordt gegeven aan de gevaren van cannabisgebruik en de mogelijkheden ten aanzien van de hulpverlening. Daarnaast dient de coffeeshophouder bij klanten ten aanzien waarvan wordt gesignaleerd dat er sprake is van risicovol gebruik en/of verslaving, actief deze gevaren onder de aandacht van de betreffende klanten te brengen en deze op de mogelijkheden van hulpverlening te wijzen.

3.20 Sluitingstijd

Coffeeshops hebben niet de mogelijkheid om een ontheffing van het sluitingsuur aan te vragen. Dit betekent dat coffeeshops ingevolge artikel 2.3.1.4 van de Algemene plaatselijke verordening Zwolle om 01.00 uur gesloten dienen te zijn. De burgemeester is bevoegd in het belang van de openbare orde en zedelijkheid een vroeger sluitingsuur vast te stellen.

3.21 Geen vestiging in de nabijheid van scholen en afstandcriterium

Vestiging van een coffeeshop in de nabijheid van scholen is niet toegestaan. Ter uitvoering van de afspraken die tussen het Rijk en de VNG zijn gemaakt dienen gemeenten een afstandcriterium van 250 meter tussen een school en een coffeeshop aan te houden. Onder school wordt verstaan een school voor voortgezet onderwijs (VMBO, HAVO,VWO of Gymnasium. Om de afstand tussen een coffeeshop en een school te bepalen geldt de reëel af te leggen afstand te voet over de openbare weg tussen de voordeur van de coffeeshop tot de hoofdingang van de school.

3.22. Geen terrassen

Bij coffeeshops worden geen terrassen toegestaan. Dit om te voorkomen dat publiek ongewild in aanmerking komt met softdrugs en om te voorkomen dat de drempel te laag wordt

3.23 Het bestemmingsplan

Een pand waarin een coffeeshop is gevestigd dient een horecabestemming te hebben. Voor de binnenstad van Zwolle geldt het bestemmingsplan Beschermd stadsgezicht. De coffeeshops die vallen binnen het bestemmingsplan Beschermd stadsgezicht hebben de bestemming horecadoeleinden 2B (een horecabedrijf dat tot hoofddoel dan wel nevenactiviteit heeft het verstrekken van niet-alcoholische dranken en het verstrekken van voor consumptie ter plaatse bereide etenswaren).

3.24 Geen verbinding tussen coffeeshop en woning

Het is niet toegestaan dat een coffeeshop in verbinding staat met een woning.

3.25 Termijn gedoogbeschikking

De gedoogbeschikking wordt voor onbepaalde tijd verleend. Indien een coffeeshop of de exploitant niet meer aan de voorschriften voldoet kan de gedoogbeschikking worden ingetrokken.

3.26 Wachtlijst aanvragers gedoogbeschikking

De gemeente Zwolle, afdeling Vergunningen, houdt een wachtlijst bij van personen die schriftelijk hebben aangegeven in aanmerking te willen komen voor een gedoogbeschikking voor een coffeeshop. De plaatsing en volgorde op de wachtlijst wordt bepaald aan de hand van datum en tijdstip van aanmelding. Wanneer met inachtneming van het maximumstelsel voor coffeeshops de mogelijkheid zich voordoet voor vestiging van een nieuwe coffeeshop wordt de persoon die als eerste op de wachtlijst is geplaatst door de gemeente in de gelegenheid gesteld een formele aanvraag voor een gedoogbeschikking in te dienen. Wanneer deze afziet van het indienen van een aanvraag dan wordt de eerstvolgende persoon op de wachtlijst in de gelegenheid gesteld een formele aanvraag in te dienen.

4.0 Controle

De controle vindt op de volgende manieren plaats:

  • -

    iedere coffeeshop zal minimaal twee à drie keer per jaar door de politie gecontroleerd worden;

  • -

    bij klachten omtrent overlast en bij meldingen en signalen omtrent andere misstanden en incidenten rond coffeeshops zal de politie reageren in de vorm van het onderzoeken van dergelijke informatie en indien nodig daartegen optreden;

  • -

    de controlerapporten worden besproken in het lokale driehoeksoverleg;

  • -

    in ernstige overlastsituaties zal er een lokaal driehoeksoverleg worden belegd om afspraken te maken over de aanpak.

Deze controle wordt door de politie geregistreerd en besproken in het lokale driehoeksoverleg. Op grond van de rapportages worden in het driehoeksoverleg afspraken gemaakt over de strafrechtelijke vervolging en bestuursrechtelijke maatregelen zoals omschreven in hoofdstuk 5. Daarnaast zal de politie ook toezien op het terugdringen van de rol van criminele organisaties bij het bevoorraden van coffeeshops. Ook coffeeshops die zich bezighouden met voorraadvorming voor de export zullen worden vervolgd door het Openbaar Ministerie. De resultaten van het uitvoeringsplan zullen in de managementerapportage-cyclus van de politie worden meegenomen.

4.1 Illegale handel in softdrugs

Uitgangspunt van het softdrugsbeleid is dat andere vormen van handel in cannabisproducten dan in een gedoogde coffeeshop niet worden getolereerd. Dat betekent dat drugshandel in of vanuit illegale verkooppunten, in reguliere horecabedrijven, in woningen, op straat, in en rond scholen en dergelijke niet is toegestaan. De politie ziet toe op de naleving hiervan en registreert en onderzoekt meldingen, klachten omtrent hinder en overlast en andere signalen omtrent drugshandel en dergelijke.

4.2 Registratie

De politie draagt zorg voor een centrale registratie van alle informatie over coffeeshops en softdrugshandel. Dat betekent dat de politie alle klachten, meldingen waarnemingen van politiemensen, politieoptredens, die verband houden met coffeeshops en met drugshandel vastlegt in een registratiesysteem.

In de eerste plaats is zo'n registratie van belang om een goed beeld te krijgen van de gang van zaken rond coffeeshops, van de softdrugshandel in het algemeen en dus ook van de effectiviteit van het beleid. In de tweede plaats is een registratie een onmisbare basis voor het optreden tegen coffeeshops die zich niet aan de criteria houden, doordat op deze manier "automatisch" een dossier wordt opgebouwd dat in juridische procedures de basis moet vormen voor sluiting en andere sancties.

In dat verband is ook afgesproken dat de politie periodieke rapportages uitbrengt aan het driehoeksoverleg, zodat de uitvoering van het coffeeshopbeleid regelmatig op de agenda van het driehoeksoverleg staat. De rapportages vormen een goede basis voor concrete afspraken over optreden tegen overtredingen en misstanden.

5.0 Handhaving

Zoals in hoofdstuk 4 is uiteengezet wordt het coffeeshopbeleid zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk gehandhaafd. Het opleggen van strafrechtelijke sancties is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie en de strafrechter.

Daarnaast kunnen bestuurlijke maatregelen door de burgemeester worden opgelegd. Deze bestuurlijke maatregelen zijn uitgewerkt in een concreet sanctiebeleid. De reden om te handhaven is om verstoring van de openbare orde te voorkomen en/of te beperken.

5.1 Handhaven bij overtredingen

Indien een coffeeshop handelt in strijd met de AHOJG-criteria en het beleid (inclusief voorschriften) wordt zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk opgetreden. Strafrechtelijk wordt tot vervolging overgegaan en bestuursrechtelijk zal, naargelang van de ernst van de overtreding, tot tijdelijke sluiting en/of intrekking van de gedoogbeschikking worden overgegaan. Ditzelfde geldt voor de constatering van de verkoop van harddrugs in de reguliere horeca.

5.2 Handhavingsarrangement Damocles

In 2001 is door de lokale driehoek het handhavingsarrangement Damocles vastgesteld. Hierin staan bestuurlijke maatregelen genoemd bij overtredingen van de Opiumwet en/of het gemeentelijk coffeeshopbeleid. Het handhavingsarrangement is onderdeel van het coffeeshopbeleid, en ziet er als volgt uit:

5.2.1 Overtredingen:

    • -

      Alcohol: eerst een waarschuwing, bij tweede overtreding sluiting van 6 maanden;

    • -

      Harddrugs: onmiddellijke sluiting voor een jaar. Het aantreffen van harddrugs in een coffeeshop geeft op zichzelf al een voldoende negatief effect op de openbare orde om een sluiting te rechtvaardigen;

    • -

      Overlast: eerst een waarschuwing, bij tweede overtreding intrekking gedoogbeschikking en horeca exploitatievergunning, de termijn hangt af van de ernst van de overlast;

    • -

      Verkoop van meer dan 5 gram en/of handelsvoorraad van meer dan 500 gram: eerst een waarschuwing, bij tweede overtreding sluiting voor 3 maanden, bij derde overtreding sluiting voor 6 maanden, bij vierde overtreding sluiting voor 1 jaar;

    • -

      Verkoop softdrugs zonder gedoogbeschikking: eerst een waarschuwing, bij tweede overtreding sluiting voor 6 maanden, bij derde overtreding sluiting voor onbepaalde tijd. Exploitant kan dan niet meer in aanmerking komen voor een gedoogbeschikking wegens overtreding van de Opiumwet;

    • -

      Verkoop drugs in horeca: eerst een waarschuwing, bij tweede overtreding sluiting voor 6 maanden;

    • -

      Verkoop drugs vanuit winkel: eerst een waarschuwing, bij tweede overtreding sluiting voor onbepaalde tijd;

    • -

      Verkoop van softdrugs tegen niet-contante betaling: eerst een waarschuwing, bij tweede overtreding sluiting voor 3 maanden;

    • -

      Affichering: eerst een waarschuwing, bij tweede overtreding sluiting voor 3 maanden;

    • -

      Toegang coffeeshop personen beneden de 18 jaar: eerst een waarschuwing, bij tweede overtreding sluiting voor 6 maanden;

    • -

      Verkoop van softdrugs aan personen beneden de 18 jaar: eerst een waarschuwing, bij tweede overtreding sluiting voor 6 maanden;

    • -

      Verkoop smartproducten: eerst een waarschuwing, bij tweede overtreding sluiting voor 6 maanden;

    • -

      Overtreding sluitingstijd: horecasanctiebeleid;

    • -

      Vestiging nabij school: gedoogbeschikking wordt geweigerd, en sluiting voor onbepaalde tijd.

    • -

      Plaatsing van het terras: horecasanctiebeleid;

    • -

      Overtreding overige gedoogcriteria: eerst een waarschuwing, indien er ook sprake is van overlast zullen de gedoogbeschikking en exploitatievergunning worden ingetrokken.

5.2.2 Procedure bestuurlijke maatregelen

  • 1.

    Voorbereiding:

    De burgemeester dient zich te baseren op 'harde' informatie. Mondelinge informatie is onvoldoende. De burgemeester krijgt inzicht in de procesverbalen. Het besluit kan ook gebaseerd zijn op politierapportages. De burgemeester hoeft de strafzaak niet af te wachten. Zelfs als de strafzaak geseponeerd wordt kan een bestuurlijke maatregel wel op grond van het procesverbaal of politierapportage plaatsvinden. De informatieoverdracht van de politie aan de burgemeester vindt plaats op grond van artikel 17 van de Wet op de Politiegegevens.

  • 2.

    Voornemen tot intrekking gedoogbeschikking en horen door gemeente en/of politie;

  • 3.

    Belangenafweging, die vervolgens wordt verwerkt in de motivering van het besluit:

    Vereiste elementen in de motivering zijn:

  • -

    feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de wet of het beleid wordt overtreden;

  • -

    omschrijving van de belangenafweging van de bij het besluit betrokken belangen;

  • -

    reactie op de zienswijze;

  • -

    de overweging dat de overtredingssituatie door het bestuur niet alsnog kan worden toegestaan;

  • -

    de duur van de sluiting dient gemotiveerd te worden aangegeven;

  • -

    het wettelijk voorschrift waarop het besluit is gebaseerd;

  • -

    concrete beschrijving wat de geslotenverklaring inhoudt;

  • -

    termijn stellen om zelf een einde te maken aan de verboden gedraging en de waarschuwing dat de burgemeester anders tot feitelijke sluiting zal overgaan en de kosten daarvan voor rekening van de overtreder zullen komen;

  • -

    vermelden op welke wijze het besluit ter kennis is gebracht aan belanghebbenden;

  • -

    vermelden van bezwaar- en beroepsprocedure.

  • 4.

    Bekendmaking;

    Aan de belanghebbende: aangetekend versturen van het besluit of het besluit laten uitreiken door de politie met verklaring van politie dat de belanghebbende het besluit in ontvangst heeft genomen.

    Aan derden: plaatsing van een bord op het gesloten pand.

  • 5.

    Feitelijke maatregelen:

    Indien overgegaan wordt tot sluiting is de feitelijke maatregel het plaatsen van een bord op het pand met de tekst dat de burgemeester krachtens artikel 13b van de Opiumwet het pand gesloten heeft. Een verzegeling van het pand is daarbij voldoende.

5.3 Handel/gebruik drugs in overige horeca

Drugsverkoop (harddrugs en softdrugs) in een horecabedrijf wordt niet getolereerd.

Hiertegen zal zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk opgetreden worden. Hiermee is aangesloten bij het onderzoek naar het gebruik van drugs en alcohol onder jeugdigen, zoals dit genoemd is in het hoofdstuk preventie van de Nota Samenhangend Drugsbeleid Zwolle. Bij spoedeisende gevallen zal overleg tussen de gemeente en het Openbaar Ministerie plaatsvinden. Het Openbaar Ministerie zal bij constatering van handel in drugs in een horecabedrijf altijd tot dagvaarding overgaan.

5.3.1 Bestuursrechtelijk optreden constatering handel in drugs in de horeca

Artikel 31 van de Drank- en Horecawet kent het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid toe de Drank- en Horecavergunning in te trekken als "zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid". Omstandigheden als bedoeld in deze bepalingen zijn bijvoorbeeld vechtpartijen, ernstig geluidsoverlast of dronkenschap. De enkele constatering van het bezit van een kleine hoeveelheid softdrugs bij een bezoeker is onvoldoende om van “een gevaar voor de openbare orde" te spreken. De handel in harddrugs daarentegen kan wel aanleiding zijn om de vergunning op grond van gevaar voor de openbare orde in te trekken. Het moet dan gaan om regelmatige handel in harddrugs en daar moet voldoende bewijs voor bestaan. Of tegen de eigenaar/exploitant van de inrichting een strafvervolging is ingesteld, speelt geen rol. Tot intrekking van de vergunning kan het college van burgemeester en wethouders zelfstandig besluiten.

Op grond van het coffeeshopbeleid kan de verkoop van softdrugs in horeca-inrichtingen wel worden aangepakt. De handel in softdrugs wordt uitsluitend toegestaan met een gedoogbeschikking. Indien men niet in het bezit is van een gedoogbeschikking zal het bedrijf worden gesloten.

Om in aanmerking te komen voor een gedoogbeschikking dient de horeca-inrichting aan de criteria van het coffeeshopbeleid te voldoen, dat betekent onder andere geen verkoop van alcohol. Het louter hebben van een Drank- en Horecavergunning kan voldoende aanleiding geven om aan te nemen dat er niet aan de criteria voldaan wordt. Er kan dan geen gedoogbeschikking afgegeven worden. De burgemeester kan dan de procedure tot sluiting starten.

Bovenstaande betekent dat tegen de handel in zowel harddrugs als softdrugs in de horeca altijd wordt opgetreden.

6.0 Communicatie

6.1 Bekendmaking

Ingevolge artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht wordt aan deze notitie de rechtsstatus van een beleidsregel, vastgesteld door burgemeester, toegekend. Deze bevoegdheid ontleent de burgemeester aan artikel 13b van de Opiumwet. Deze beleidsregel zal volgens de gebruikelijke regels gepubliceerd worden.