Subsidieverordening Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam 2005

Geldend van 01-01-2005 t/m 31-12-2015

Intitulé

De regioraad van het Regionaal Orgaan Amsterdam

gelezen het voorstel nummer 2004/39 van het dagelijks bestuur;

gelet op de Kaderwet bestuur in verandering, de Gemeenschappelijke regeling Regionaal Orgaan Amsterdam en de Wet op de Jeugdzorg van 1 januari 2005;

besluit:

1. de nieuwe subsidieverordeningen voor het Bureau Jeugdzorg en de zorgaanbieders jeugdzorg vast te stellen die in werking treden op 1 januari 2005, de datum van inwerkingtreding van de Wet op de Jeugdzorg;

2. de huidige subsidieverordening jeugdhulpverlening agglomeratie Amsterdam 2000, door uw Raad vastgesteld op 14 december 1999 in te trekken;

3. de besluitvorming over de financieel-technische aanpassing van de subsidieverordening voor de zorgaanbieders, naar aanleiding van de nog landelijk vast te stellen PxQ-systematiek voor zorgaanbieders, te mandateren aan het Dagelijks Bestuur.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de regioraad van het Regionaal Orgaan Amsterdam op 14 december 2004.

Subsidieverordening Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam 2005

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: de Wet op de Jeugdzorg, Wet van 22 april 2004, Stb 2004, 306

  • b.

    ROA: Regionaal Orgaan Amsterdam, samenwerkingsverband van 16 gemeenten die samen de agglomeratie Amsterdam vormen;

  • c.

    dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van het ROA;

  • d.

    agglomeratie Amsterdam: de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland, Zaanstad en Zeevang.

  • e.

    uitvoeringsprogramma: het uitvoeringsprogramma jeugdzorg, als bedoeld in artikel 32, tweede lid van de wet;

  • f.

    stichting: de stichting die een bureau jeugdzorg, als bedoeld in artikel 4 van de wet, in stand houdt;

  • g.

    doeluitkering bureau jeugdzorg: de uitkering, als bedoeld in artikel 37, eerste lid onder a, van de wet;

  • h.

    subsidieplafond: een subsidieplafond, als bedoeld in afdeling 4.2.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • i.

    tarief: het door het dagelijks bestuur vastgestelde bedrag, bedoeld voor de financiering van het uitoefenen van een een taak of een functie;

  • j.

    steunfunctie: een steunfunctie, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder j, van de wet;

  • k.

    experiment: een experiment, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder k, van de wet;

  • l.

    vertrouwenspersoon: een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder w, van de wet;

  • m.

    uitvoeringsregeling: een door het dagelijks bestuur vastgestelde Uitvoeringsregeling subsidiëring jeugdzorg;

  • n.

    activiteitenverslag: het verslag als bedoeld in artikel 4:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • o.

    indicatiebesluit: een besluit als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de wet;

  • p.

    Minister: de Minister van Justitie en/of de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

  • q.

    Awb: de Algemene wet bestuursrecht.

HOOFDSTUK II. SUBSIDIEAANVRAAG EN SUBSIDIEVERLENING

Artikel 2 Subsidiegrondslag en tarieven

  • 1.

    Het dagelijks bestuur verleent de stichting subsidie voor de financiering van de uitoefening van taken en/of functies zoals genoemd in artikel 5, 10 en 12 van de wet.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde subsidie wordt bepaald op basis van de door het dagelijks bestuur vastgestelde tarieven.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks deze tarieven vast op basis van de door de Minister vastgestelde normbedragen met een afwijking tot ten hoogste drie procent.

  • 4.

    Een subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend als de taken en/of de functies waarop de subsidie betrekking heeft, worden uitgevoerd voor cliënten die bij aanvang van de bemoeienis van de stichting duurzaam verblijven in de agglomeratie Amsterdam.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur kan afwijken van het in het vierde lid bepaalde wanneer zij dit noodzakelijk acht.

  • 6.

    Afwijkingen als bedoeld in het vijfde lid worden in de beschikking tot subsidieverlening vastgelegd.

Artikel 3 Aanvraag voor subsidie

  • 1.

    De stichting dient een subsidieaanvraag voor taken en/of functies als bedoeld in artikel 2, in vóór 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur kan voor deze aanvraag vormvoorschriften vaststellen.

  • 3.

    In de aanvraag voor subsidie wordt tenminste de volgende informatie opgenomen:

    • a.

      het bedrag van de aangevraagde subsidie en de opbouw daarvan op basis van de tarieven overeenkomstig artikel 2, tweede lid, en de onderbouwing daarvan;

    • b.

      de wettelijke taken en/of functies die de stichting zal uitvoeren;

    • c.

      de geraamde aantallen cliënten per taak en/of functie als bedoeld in artikel 5 en 10, eerste en tweede lid,van de wet;

    • d.

      de activiteiten die zullen worden uitgevoerd voor de taken als bedoeld onder artikel 10, derde lid, van de wet;

  • 4.

    De aanvraag voor subsidie gaat vergezeld van:

    • a.

      het uitvoeringsplan voor het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de begroting van baten en lasten voor het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • c.

      De samenstelling van het bestuur van de stichting op het moment van aanvraag.

    • d.

      Het dagelijks bestuur kan vragen om een meerjaren exploitatie- en balansraming voor het jaar waarop de subsidie betrekking heeft en de daaropvolgende drie jaren.

Artikel 4 Subsidieverlening

  • 1.

    De beschikking tot subsidieverlening kan in ieder geval vermelden:

    • a.

      de taken en/of functies waarvoor subsidie wordt verleend en de overeengekomen prestatieafspraken;

    • b.

      de omvang van de taken en/of functies waarvoor de subsidie wordt verleend;

    • c.

      de maximale subsidie;

    • d.

      de manier van verantwoording van de uit te voeren taken en/of functies en de overeengekomen prestatieafspraken;

    • e.

      de manier waarop de subsidie wordt vastgesteld;

    • f.

      de aan het dagelijks bestuur te leveren gegevens.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur beslist uiterlijk 13 weken na ontvangst over de, conform de bepalingen van deze verordening, ingediende aanvraag voor subsidie.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur kan bepalen dat van de in het tweede lid genoemde termijn wordt afgeweken. De stichting wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur kan aanvullende regels voorschrijven over de inhoudelijke en financiële verantwoording.

Artikel 5 Weigeringsgronden

De subsidieverlening kan, naast de in art. 4:25 en art. 4:35 van de Awb genoemde gevallen, geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien gegronde redenen bestaan aan te nemen dat:

  • a.

    De gelden niet of in onvoldoende mate zullen worden besteed voor het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;

  • b.

    De gelden niet doelmatig en doeltreffend zullen worden besteed;

  • c.

    De stichting doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde;

  • d.

    De stichting ook zonder subsidieverstrekking over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken;

  • e.

    De stichting niet of niet voldoende zal voldoen aan de verplichtingen en voorwaarden, voortvloeiende uit de wet.

Artikel 6 Maximale omvang subsidie

  • 1.

    Het dagelijks bestuur neemt in het uitvoeringsprogramma de maximaal voor de stichting beschikbare subsidie en de te hanteren tarieven als bedoeld in artikel 2, derde lid, op.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur verleent in geen geval meer subsidie dan het in het vastgestelde uitvoeringsprogramma opgenomen bedrag.

  • 3.

    De subsidie als bedoeld in het tweede lid kan worden aangepast wanneer de doeluitkering wordt aangepast als gevolg van de ontwikkeling van de lonen en/of de prijzen of door overige maatregelen van het Rijk.

HOOFDSTUK III. VERPLICHTINGEN VAN DE STICHTING

Artikel 7 Administratie

  • 1.

    De administratie wordt zo gevoerd dat op ieder moment een betrouwbaar beeld ontstaat over het functioneren van de stichting op de volgende punten:

    • a.

      Gegevens over de cliënten;

    • b.

      Gegevens over de omvang van de uitgeoefende taken en/of functies;

    • c.

      Gegevens over de prestatieafspraken die met de stichting zijn gemaakt;

    • d.

      Financiële gegevens.

  • 2.

    Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar.

  • 3.

    Van alle financiële mutaties zijn schriftelijke bewijsstukken en onderbouwingen van berekeningen aanwezig.

Artikel 8 Verzekeringen

De stichting aan wie een subsidie is verleend, zorgt voor een voldoende verzekering tegen de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid, brand, diefstal en andere risico’s.

Artikel 9 Egalisatiereserve en overige reserveringen

  • 1.

    Reserveringen kunnen onderdeel zijn van de bedrijfsvoering voorzover deze zijn opgenomen in de door de subsidieverstrekker goedgekeurde begroting.

  • 2.

    Exploitatieoverschotten worden toegevoegd aan een egalisatiereserve.

  • 3.

    Het in een jaar gerealiseerde exploitatietekort, dat resteert na verrekening van de subsidie van het ROA, wordt gedekt uit de in het tweede lid genoemde reserve. De egalisatiereserve dient zo spoedig mogelijk weer aangevuld te worden tot een voor de continuïteit en goede bedrijfsvoering acceptabel (positief) niveau. Dit leidt niet tot extra subsidiëring.

  • 4.

    De egalisatiereserve bedraagt maximaal 10 % van de voor dat jaar vastgestelde subsidie van het ROA.

  • 5.

    Reserves, die met subsidie van het ROA zijn opgebouwd, mogen alleen worden besteed aan kosten die direct verband houden met de uitoefening van de taken en/of functies van de stichting en niet bestreden kunnen worden uit de voor dat jaar verleende subsidie.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur kan aanvullende regels stellen over de besteding van de egalisatiereserve.

Artikel 10 Vermogensvorming en afschrijvingen

  • 1.

    Voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming is de stichting daarvoor een vergoeding aan het ROA verschuldigd indien:

    • a.

      de stichting de voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt;

    • b.

      de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;

    • c.

      de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd;

    • d.

      de stichting wordt ontbonden.

  • 2.

    De vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur.

  • 3.

    Afschrijvingslasten vormen een onderdeel van het exploitatieresultaat en worden berekend op basis van goed gebruik in het economische verkeer dan wel op basis van desbetreffende bepalingen in de uitvoeringsregeling .

Artikel 11 Overige verplichtingen

  • 1.

    Vòòr 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, dient de stichting een globale raming in die aansluit op de planning- en controlcyclus van het Rijk.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur kan in de beschikking tot subsidieverlening andere verplichtingen opleggen die strekken tot het verwezenlijken van het doel van de subsidie of die betrekking hebben op de wijze waarop en de middelen waarmee de gesubsideerde activiteit wordt verricht.

HOOFDSTUK IV SUBSIDIEVASTSTELLING

Artikel 12 Aanvraag tot vaststelling

  • 1.

    Uiterlijk op 1 mei van het jaar, volgend op het jaar waarover subsidie is verleend, dient de stichting bij het dagelijks bestuur een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie.

  • 2.

    Deze aanvraag tot vaststelling gaat vergezeld van een inhoudelijke en financiële verantwoording over de besteding van de subsidie.

Artikel 13 Inhoudelijke verantwoording

  • 1.

    De inhoudelijke verantwoording over de besteding van de subsidie als bedoeld in artikel 12, tweede lid, wordt gegeven in een activiteitenverslag.

  • 2.

    Dit activiteitenverslag bevat tenminste gegevens over de uitvoering van de overige activiteiten als bedoeld in artikel 10, derde lid, van de wet.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur kan gegevens vragen over de activiteiten, als bedoeld in artikel 2, in aanvulling op de gegevens die worden verstrekt op basis van het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg.

Artikel 14 Financiële verantwoording

  • 1.

    De financiële verantwoording bestaat uit de jaarrekening, waarin zijn opgenomen:

    • a.

      de balans met toelichting;

    • b.

      de resultatenrekening met toelichting, waarin ook substantiële afwijkingen ten opzichte van de begroting worden verklaard;

    • c.

      het totaal aantal jeugdigen dat zich in het begrotingsjaar bij de stichting heeft gemeld, alsmede het aantal jeugdigen waarvoor de onderscheiden taken en/of functies als bedoeld in artikel 5 en 6, eerste en tweede lid, van de wet, zijn uitgevoerd;

    • d.

      het aantal verschillende zorgactiviteiten waarvoor in het subsidiejaar een indicatiebesluit is afgegeven;

    • e.

      het aantal zorgactiviteiten of zorgeenheden waarvoor door de stichting een indicatiebesluit is vastgesteld, voor zover deze in het betreffende jaar zijn uitgevoerd door een zorgaanbieder die daartoe niet door het ROA is gefinancierd, alsmede het totaal aantal cliënten waarop dit betrekking heeft;

    • f.

      de gewaarmerkte accountantsverklaring;

    • g.

      de actuele samenstelling van, en de mutaties binnen het bestuur van de stichting in de periode waar de financiële verantwoording betrekking op heeft.

  • 2.

    In de accountantsverklaring wordt tevens een oordeel gegeven over de verantwoording van de stichting inzake de onderdelen bedoeld in het eerste lid onder c t/m e en de uitvoering van artikel 8 van de wet (inning ouderbijdrage).

  • 3.

    De jaarrekening wordt ingericht in overeenstemming met de ministeriële richtlijnen.

Artikel 15 Vaststelling van de subsidie

  • 1.

    Het dagelijks bestuur stelt uiterlijk 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag de subsidie vast.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur kan deze beslissing éénmaal voor ten hoogste 13 weken verdagen. Hiervan doet het voor afloop van de in het eerste lid vermelde termijn mededeling aan de stichting.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur stelt op basis van de ingediende verantwoordingen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, vast of aan de voorschriften van de subsidieverlening is voldaan.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur kan de subsidie lager vaststellen dan het verleende bedrag wanneer:

    • a.

      het maximaal verleende subsidie voor de uitoefening van de taken en/of functies meer dan 5% hoger is dan het bedrag dat resulteert door de som van het onderscheiden aantal jeugdigen per taak, als bedoeld in artikel 5 en 10, eerste en tweede lid, van de wet, vermenigvuldigd met het voor die taak vastgestelde tarief

    • b.

      de werkelijke omvang van de taken en/of functies vermeld in artikel 10, derde lid, van de wet, achterblijft bij de in de subsidieverlening vastgelegde omvang;

    • c.

      niet is voldaan aan bij en krachtens de wet aan de stichting gestelde eisen;

    • d.

      de subsidie aan andere activiteiten is besteed dan in de beschikking tot subsidieverlening is vermeld.

  • 5.

    Het bedrag waarmee de subsidie-egalisatie het maximum als bedoeld in artikel 9 vierde lid overschrijdt, kan op de vast te stellen subsidie in mindering worden gebracht.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur stelt de subsidie vast op ten hoogste het maximaal verleende bedrag.

Artikel 16 Voorschotbetalingen

Het dagelijks bestuur kan vooruitlopend op de vaststelling van de subsidie besluiten om de verleende subsidie als voorschot uit te betalen. In de beschikking worden vermeld:

  • a.

    het totale voorschotbedrag;

  • b.

    het aantal termijnen;

  • c.

    de diverse termijnbedragen;

  • d.

    de data waarop de voorschotten worden uitbetaald.

HOOFDSTUK V OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 17 Experimenten

  • 1.

    Het dagelijks bestuur kan aan de stichting een subsidie verlenen voor de financiering van experimenten.

  • 2.

    De aanvraag van deze subsidie kan gedurende het hele jaar bij het dagelijks bestuur worden ingediend.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur beoordeelt bij het verlenen van de subsidie, zoals bedoeld in het eerste lid, of en in welke mate de experimenten bijdragen aan de uitvoering van het door het dagelijks bestuur gevoerde beleid op het terrein van de jeugdzorg.

  • 4.

    Bij de verlening van een subsidie als bedoeld in lid drie kan de hoogte van de egalisatiereserve van de stichting worden betrokken.

  • 5.

    Voor de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor experimenten zijn de artikelen 12, 13 en 14 van deze verordening van toepassing.

Artikel 18 Steunfunctie

  • 1.

    Het dagelijks bestuur kan aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid subsidie verlenen voor de uitvoering van een steunfunctie voor de stichting.

  • 2.

    Op de aanvraag, verlening en vaststelling van de in het eerste lid genoemde subsidie zijn de artikel 3 tot en met 16 en de artikelen 20 tot en met 22 van deze verordening van toepassing met uitzondering van:

    • -

      artikel 3, lid 3

    • -

      artikel 7, lid 1, onder a

    • -

      artikel 13, lid 2

    • -

      artikel 14, lid 1 onder d en e

    • -

      artikel 14, lid 2

    • -

      artikel 15, lid 4, onder a en b.

Artikel 19 Vertrouwenspersoon

  • 1.

    Het dagelijks bestuur verleent aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid subsidie voor de werkzaamheden van een vertrouwenspersoon, die de rechtspersoon voor de cliënten van de stichting beschikbaar stelt.

  • 2.

    Op de aanvraag, verlening en vaststelling van de subsidie van de in het eerste lid genoemde subsidie zijn de artikelen 3 tot en met 16 en de artikelen 20 tot en met 22 van deze verordening van toepassing met uitzondering van:

    • -

      artikel 3, lid 3

    • -

      artikel 7, lid 1 onder a

    • -

      artikel 13, lid 2

    • -

      artikel 14, lid 1 onder d en e

    • -

      artikel 14, lid 2

    • -

      artikel 15, lid 4, onder a en b.

Artikel 20 Uitvoeringsregeling

Het dagelijks bestuur kan in een uitvoeringsregeling nadere regels stellen voor de uitvoering van deze verordening.

HOOFDSTUK VI. OVERGANGSREGELING EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 21 Overgangsregeling

Het dagelijks bestuur kan een van artikel 2 afwijkend tarief vaststellen dat aansluit op de door haar voor het jaar 2004 gehanteerde grondslag voor de subsidie van de stichting (uitgezonderd het tarief voor de taken voogdij, gezinsvoogdij en jeugdreclassering), totdat de Minister normbedragen heeft vastgesteld voor de taken van de stichting.

Artikel 22 Slotbepalingen

  • 1.

    In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het dagelijks bestuur.

  • 2.

    De verordening treedt inwerking op 1 januari 2005 en is niet van toepassing op subsidies die voor het inwerkingtreden van de verordening zijn verleend of vastgesteld.

  • 3.

    De Subsidieverordening Jeugdhulpverlening Agglomeratie Amsterdam 2000 wordt ingetrokken.

  • 4.

    Deze verordening kan worden aangehaald als “Subsidieverordening Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam 2005”.

14 december 2004

Toelichting bij Subsidieverordening Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam 2005

  • 1.

    Algemene toelichting

  • 1.

    1 Inleiding

Met de inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg per 1 januari 2005 is het, gelet op de decentralisering van de (gezins)voogdij en de jeugdreclassering alsook de wijziging van de financieringssystematiek van de jeugdzorg (beoogde invoering 2007), noodzakelijk nieuwe subsidieverordeningen vast te stellen ten behoeve van de bekostiging van het bureau jeugdzorg en het door het ROA gefinancierde jeugdzorgaanbod.

Op grond van artikel 41 van de Wet op de jeugdzorg stelt de Regioraad van het ROA hierover bij verordening regels vast. Deze regels betreffen in ieder geval de volgende onderwerpen:

 het bedrag van de subsidies, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

 de aanvraag van de subsidies en de besluitvorming daarover;

 de voorwaarden waaronder de subsidies worden verleend;

 de verplichtingen van de subsidieontvangers;

 de vaststelling van de subsidies;

 de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of -vaststelling;

 de betaling of de terugvordering van de subsidies en het verlenen van voorschotten.

1.2 De regulering

Uitgangspunt bij de uitwerking hiervan in deze verordening is onder meer dat de procedures en de organisatie van de subsidiëring zo eenvoudig mogelijk dienen te zijn, maar tegelijkertijd voldoende garanties geven voor een heldere en transparante wijze van bekostigen en verantwoording hiervan, waarbij sprake is van een duidelijke vastlegging van verantwoordelijkheden van betrokken partijen.

1.3 Hoofdlijnen van de bekostiging

Het ROA heeft een eigen verantwoordelijkheid voor de bekostiging van het bureau jeugdzorg. Vanuit deze verantwoordelijkheid stelt het ROA de subsidie en de daarvoor te leveren prestaties vast.

Ten behoeve van de taken als bedoeld in artikel 5 en 10, 1e en 2e lid van de wet.

Het ROA ontvangt van het Rijk een uitkering bureau jeugdzorg. Het rijk hanteert daarbij normprijzen per taak van het bureau jeugdzorg. De provinciale uitkering wordt vastgesteld op basis van deze landelijke normprijs (P) vermenigvuldigd met het aantal van de uit te voeren taken (Q). De wijze van vaststelling van het aantal uit te voeren taken is vastgelegd in het Besluit uitkeringen jeugdzorg. De landelijke normprijzen die het Rijk daarbij hanteert zijn in relatie tussen Rijk en provincie een vast gegeven.

De subsidiesystematiek van het bureau jeugdzorg door het ROA is op hoofdlijnen gelijk aan de landelijk gehanteerde PxQ-systematiek bij vaststelling van de doeluitkering voor bureau jeugdzorg. Echter, het ROA kan op basis van de regionale situatie en in het kader van haar verantwoordelijkheid voor een zo efficiënt mogelijke inzet van de doeluitkering bureau jeugdzorg, bij de subsidiering van taken van het bureau jeugdzorg besluiten tot de vaststelling van een afwijkend taakstellend tarief per taak. Daarbij wordt een marge aangehouden van ten hoogste min of plus drie procent afwijkend van de landelijke normprijs.

Parallel aan de bepaling van de hoogte van de doeluitkering door het rijk wordt in het kader van de subsidieverlening volgens de PxQ-systematiek door het ROA de hoogte van de te verlenen subsidie bepaald op basis van het aantal uitgevoerde activiteiten/cliënten (Q) in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt verleend. De subsidie kan worden verhoogd wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat de behoefte aan door bureau jeugdzorg uit te voeren activiteiten substantieel hoger zal liggen dan twee jaar tevoren.

In de subsidie-aanvraag geeft het bureau jeugdzorg met inachtneming van het vorenstaande de omvang aan van de onderscheiden taken waarvoor men subsidie aanvraagt.

Op basis van de subsidieaanvraag, het inzicht in het benodigde volume en de omvang van de doeluitkering bepaalt het ROA ten behoeve van welke omvang zij de taken van het bureau jeugdzorg wenst te subsidiëren. In de subsidiebeschikking stelt het ROA deze omvang vast, alsmede het daarbij te hanteren tarief per taak. Zoals aangegeven kan dit tarief maximaal drie procent (plus of min) afwijken van het bedrag dat door het rijk wordt gehanteerd bij de vaststelling van de doeluitkering bureau jeugdzorg.

Het aldus tot stand gekomen maximale subsidie wordt alleen verleend voor zover de taken waarop de subsidie betrekking heeft worden uitgevoerd voor cliënten die voorafgaand aan de bemoeienis van het bureau jeugdzorg woonachtig zijn in de regio Amsterdam.

Zoals hierboven beschreven zal de subsidieaanvraag van het bureau jeugdzorg gebaseerd zijn op een kwantitatieve prognose van de te verwachten omvang van de onderscheiden taken van het bureau. Om het bureau zo veel mogelijk in staat te stellen bij de uitvoering van de taken aan te sluiten op de feitelijke ontwikkeling van de behoefte hieraan gedurende het jaar, vormt de kwantitatieve basis bij verlening van het subsidie primair het middel ter bepaling van het totaal te verlenen subsidie voor de uitvoering van de taken. Afhankelijk van de vraagontwikkeling kan de werkelijke inzet van taken hiervan afwijken. Bij de vaststelling achteraf van het subsidie zal het ROA uitgaan van de werkelijke omvang van de uitgevoerde taken en de daarvoor in de verlening vastgestelde tarieven. Uitgangspunt daarbij is dat het resultaat van de gerealiseerde aantallen vermenigvuldigd met de vastgestelde tarieven niet hoger is dan het maximaal verleende subsidie. Als het langs deze weg tot stand gekomen totale bedrag lager is dan het maximaal verleende subsidie, kan een lager subsidie worden vastgesteld. Met deze systematiek wordt maximale flexibiliteit voor het bureau jeugdzorg gerealiseerd om bij de inzet van de beschikbare middelen optimaal aan te sluiten bij de behoefte aan de onderscheiden taken. Het bureau jeugdzorg wordt daarmee uitdrukkelijk uitgenodigd de ruimte te benutten om die taken uit te voeren die gelet op de vraag noodzakelijk zijn, binnen de grenzen van het door het ROA maximaal verleende subsidie.

Ten behoeve van de taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de wet.

Uitzondering hierop vormt de subsidiëring van de taken als bedoeld in artikel 10, lid 3 van de Wet op de jeugdzorg, waaronder advies en deskundigheidsbevordering, het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen (waaronder het onderwijs) en het door vrijwilligers per telefoon laten adviseren van jeugdigen. Evenals dit het geval is bij de nog door het Rijk plaats te vinden vaststelling van de doeluitkering voor dit deel, zal door het ROA voor deze taak een subsidie worden vastgesteld op basis van een bedrag per jeugdige inwoner in de regio Amsterdam.

2.Toelichting bij een aantal artikelen

Artikel 2

In het vierde lid van dit artikel wordt bepaald dat in principe alleen subsidie wordt verleend voor zover de uitvoering van taken betrekking heeft op cliënten afkomstig uit de regio Amsterdam.

Het vijfde lid maakt hierop een uitzondering mogelijk. Deze is gedurende een overgangsfase noodzakelijk in verband met de landelijke afspraken over het kader voor de decentralisatie van de voorheen landelijke werkende instellingen die taken van een bureau jeugdzorg uitvoeren. Over de inrichting van deze overgangsfase voor de afzonderlijke instellingen worden nadere afspraken gemaakt tussen de desbetreffende instellingen en provincies. In de subsidiebeschikking zullen de hieruit voortvloeiende aanvullende subsidievoorwaarden worden vastgesteld. Gedurende de overgangsperiode zal het ROA onder voorbehoud van enkele nog te verkrijgen garanties als inkoper en daarmee financier van de William Schrikker Groep en het Joods Maatschappelijk Werk optreden ten behoeve van het gehele land.

Artikel 5

In artikel 5 wordt geregeld dat het Dagelijks Bestuur het subsidie kan weigeren als de subsidie-aanvrager niet voldoet aan de eisen die bij of krachtens de Wet op de jeugdzorg aan haar worden gesteld. Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op wettelijke voorwaarden, maar evenzeer op voorwaarden ingevolge een op basis van de wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur of de onderhavige subsidieverordening. Te denken valt bijvoorbeeld aan wettelijke kwaliteitseisen of eisen met betrekking tot de verantwoording van het subsidie.

Artikel 6

Het ROA ontvangt een doeluitkering bureau jeugdzorg van het Rijk. De hoogte hiervan wordt jaarlijks in het Landelijk Beleidskader Jeugdzorg, dan wel de landelijke voortgangsrapportage vastgesteld. De doeluitkering vormt het subsidieplafond.

Artikel 8

Met andere risico´s wordt bijvoorbeeld gedoeld op het niet-verzekerd zijn van cliënten tegen ziektekosten.

Artikel 9

In lid 1 wordt bepaald dat reserveringen c.q. voorzieningen onderdeel kunnen zijn van bedrijfsvoering, voorzover opgenomen in de door het Dagelijks Bestuur goedgekeurde begroting. Dit betekent dat voordat een post wordt opgenomen als reserve in de begroting daarover overleg plaats vindt met het Dagelijks Bestuur. Onder reserves kunnen worden verstaan bijvoorbeeld accommodatiereserves of voorziening groot onderhoud. Hierover kunnen in de uitvoeringsregeling nadere regels worden gesteld.

De in lid 5 genoemde reserves mogen ook worden aangewend voor de bekostiging van eventuele wachtgelden van personeel.

Artikel 11

De genoemde raming betreft enkele globale financiële kengetallen die de zorgaanbieders vóór 1 juli moeten aanleveren bij het ROA met het oog op doorleiding daarvan vóór 1 augustus naar het Ministerie van VWS en Justitie, die onder meer deze gegevens gebruikt voor de opstelling van de Rijksbegroting die op Prinsjesdag wordt gepresenteerd, en de jaarlijkse voortgangsrapportage jeugdzorg van Rijkswege.

Artikel 14

Het aantal zorgactiviteiten waarvoor in het betreffende jaar een indicatiebesluit is genomen maakt onderdeel uit van de verantwoording. Dit onderdeel is opgenomen teneinde het ROA te doen beschikken over de noodzakelijke gegevens voor de aanvraag van de doeluitkering bij het rijk zorgaanbod voor de volgende jaren. In verband hiermee dient de accountantsverklaring eveneens een oordeel te geven over deze gegevens. Deze gegevens zijn tevens noodzakelijk voor het zodanig door het ROA inkopen van zorg bij zorgaanbieders dat hiermee optimaal wordt aangesloten op de afgegeven indicatiebesluiten van het bureau jeugdzorg.

In onderdeel e. wordt bepaald dat het Bureau Jeugdzorg tevens informatie verstrekt over het aantal gestelde indicaties dat gedurende het verantwoordingsjaar is verzilverd bij een daartoe niet door het ROA gefinancierde zorgaanbieder. Een en ander vloeit voort uit de overgangsregeling met betrekking tot de financiering van zorgaanbieders, die provincies en grootstedelijke regio´s zijn overeengekomen gedurende de periode waarin nog geen sprake is van een vraaggestuurde financiering op basis van de pxq systematiek. Invoering van deze pxq systematiek is voorzien met ingang van 2007. Dit betekent dat gedurende deze periode veelal nog sprake zal zijn van een voor het zorgaanbod beschikbaar budget per provincie of grootstedelijke regio dat nog onvoldoende is afgestemd op de behoefte per provincie of grootstedelijke regio. In verband hiermee is het wenselijk dat cliënten in uitzonderingsgevallen hun aanspraak op jeugdzorg ook ten gelde kunnen brengen bij een zorgaanbieder die daartoe niet door de provincie of grootstedelijke regio van herkomst wordt gefinancierd. In alle provinciale en grootstedelijke subsidieverordeningen zorgaanbod zal daartoe een overgangsregeling worden opgenomen op grond waarvan de uitvoering van dergelijke jeugdzorg onder een aantal voorwaarden voor subsidie in aanmerking komt bij de provincies of grootstedelijke regio´s die de betreffende zorgaanbieder wel financieren.

Dergelijke jeugdzorg is alleen mogelijk als:

  • -

    het Bureau Jeugdzorg van de provincie of grootstedelijke regio van herkomst hiertoe een indicatiebesluit heeft vastgesteld,

  • -

    het betreffende Bureau Jeugdzorg heeft vastgesteld dat:

    • a.

      de geïndiceerde jeugdzorg, alsmede vervangend jeugdzorgaanbod als bedoeld in artikel 5 van het Besluit indicatie jeugdzorg, niet binnen dertien weken na vaststelling van het indicatiebesluit gerealiseerd kan worden door een zorgaanbieder die daarvoor wordt gefinancierd door de provincie of grootstedelijke regio van herkomst van de cliënt;

    • b.

      zorgverlening door een zorgaanbieder die niet door de provincie of grootstedelijke regio van herkomst van de cliënt wordt gefinancierd het mogelijk maakt de zorg dichter bij de plaats waar de cliënt voorafgaand aan de jeugdzorg verbleef, te bieden en de zorgaanbieder deze vaststelling aan kan tonen,

  • -

    de zorgaanbieder wordt gefinancierd voor de zorgactiviteit opgenomen in het betreffende indicatiebesluit,

  • -

    hiermee niet het maximum wordt overschreden van 10% van het totale subsidie dat door het ROA aan de betreffende zorgaanbieder is toegekend voor het bieden van zorgactiviteiten.

Deze overgangsregeling vervalt met ingang van 2007, tegelijkertijd met de inwerkingtreding van de nieuwe landelijke financieringssystematiek voor de uitkeringen jeugdzorg. Uitgangspunt daarbij is dat vanaf dat moment sprake zal zijn van een vraaggestuurde financiering van het Rijk aan provincies op grond waarvan de afzonderlijke provincies en grootstedelijke regio´s in staat zijn voldoende zorg in te kopen ten behoeve van de aanspraken van de cliënten afkomstig uit de eigen provincie of grootstedelijke regio. Teneinde elke provincie of grootstedelijke regio hiertoe in staat te stellen, dienen zij zicht te hebben op de behoefte aan zorg waarin gedurende de overgangsperiode hier naar toe, wordt voorzien door zorgaanbieders die zij daarvoor niet financiert. Onderdeel e. voorziet in de hiervoor noodzakelijke informatieverschaffing door Bureau Jeugdzorg.

Artikel 15

In onderdeel a. van het vierde lid is aangegeven de wijze van vaststelling van het subsidie zoals weergegeven in paragraaf 1.3 van het algemene deel van deze toelichting. Door deze wijze van vaststelling van het subsidie bestaat de mogelijkheid voor het bureau jeugdzorg om - binnen de kaders van de door het Dagelijks Bestuur vastgestelde tarieven en het maximaal verleende subsidie - de aanwending van subsidiemiddelen zodanig te schuiven tussen de onderscheiden taken dat hiermee zo optimaal mogelijk wordt aangesloten op de behoefte(ontwikkeling) ten aanzien van de onderscheiden taken. Dit met uitzondering van de taak als bedoeld in artikel 10 derde lid van de wet.

Het vierde lid geeft tevens aan dat de subsidie voor Bureau Jeugdzorg door het Dagelijks Bestuur lager kan worden vastgesteld in het geval de gerealiseerde productie minder dan 95% bedraagt van de vooraf gemaakte productie-afspraken.

Het volgende rekenvoorbeeld illustreert hoe een eventuele lagere subsidievaststelling als bedoeld in artikel 15, vierde lid, onder a ten aanzien van het bureau jeugdzorg plaatsvindt.

Het Dagelijks Bestuur heeft aan Bureau Jeugdzorg een maximaal subsidie verleend van

€ 1.000.000,- ten behoeve van:

aantal jongeren vastgestelde prijs bedrag

taak 1 4.000 100,- 400.000,-

taak 2 6.000 100,- 600.000,-

1.000.000,-

Uiteindelijk realiseert Bureau Jeugdzorg:

aantal jongeren werkelijke prijs bedrag

taak 1 2.300 150,- 345.000,-

taak 2 7.000 90,- 630.000,-

975.000,-

Vaststelling subsidie

1.Gerealiseerd aantal x de vastgestelde tarieven: 9300 x € 100 = € 930.000

Dit ligt onder 95% van de oorspronkelijk bepaalde productie-afspraken en dus ook onder 95% van het budget. De eerste 5% afwijking van het budget mag het Bureau Jeugdzorg behouden.

  • 2.

    95% is € 950.000, in dit geval kan het Bureau dus € 50.000 behouden.

  • 3.

    Het resterend verschil, zijnde € 950.000 -/- € 930.000 = € 20.000 dient door het Bureau Jeugdzorg terugbetaald te worden aan het ROA.

Artikel 18

Dit artikel regelt dat het Dagelijks Bestuur een subsidie kan verlenen aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid voor de uitvoering van een steunfunctie van de stichting. Deze rechtspersoon behoeft uitdrukkelijk niet de stichting zelf te zijn.

Artikel 19

Het Dagelijks Bestuur verleent aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid subsidie voor de werkzaamheden van een vertrouwenspersoon. Deze voert werkzaamheden uit ten behoeve cliënten van de stichting.

Deze rechtspersoon is niet de stichting zelf. Op grond van de wet is de stichting gehouden deze vertrouwenspersonen in staat te stellen hun werkzaamheden bij de stichting uit te voeren.

Artikel 21

Gedurende minimaal de eerste twee jaar na inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg is nog geen sprake van door de Minister vastgestelde normbedragen voor de taken van het bureau jeugdzorg.

Dit betekent dat in de subsidiering van het bureau jeugdzorg door het ROA hierop nog niet kan worden aangesloten. Het onderhavige artikel regelt het overgangsrecht dat hierdoor noodzakelijk is.

Het bepaalt dat gedurende deze overgangsperiode het Dagelijks Bestuur in afwijking van het bepaalde in artikel 2 tarieven kan vast stellen die aansluiten op de subsidiegrondslag zoals door hen gehanteerd in het jaar voorafgaand aan inwerkingtreding van de wet. Dit betekent eveneens dat de taken waarop deze tarieven betrekking hebben zullen aansluiten bij deze subsidiegrondslag.

Ten aanzien van de taken in het kader van de uitvoering van maatregelen van kinderbescherming en jeugdreclassering kan worden aangesloten op de daarvoor door de Minister van Justitie gehanteerde tarieven voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet, zonodig geactualiseerd ingevolge de wet.

Voor wat betreft de taken gericht op versterking van het lokale jeugdbeleid is geen sprake van een vorm van normering. Het Dagelijks Bestuur kan in de wijze van vaststelling van het subsidie aansluiten op de subsidiepraktijk terzake in het jaar voorafgaande aan de wet.

Artikel 22

Uit het laatste deel van het eerste lid vloeit voort dat de Subsidieverordening Jeugdhulpverlening Agglomeratie Amsterdam 2000 van toepassing blijft op de subsidieverleningen die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe subsidieverordening hebben plaatsgevonden.

In de overgangsfase zullen zich naar verwachting geen fricties voordoen ten aanzien van de indiening van subsidieaanvragen aangezien de oude, tot 2005 geldende verordening een vroegere indieningsdatum kende dan de nieuwe, vanaf 2005 geldende verordening. Voor zover zich in deze fricties voordoen zal daarmee coulant worden omgesprongen.

14 december 2004