Keur Wetterskip Fryslân 2013

Geldend van 01-01-2013 t/m heden

Intitulé

Keur Wetterskip Fryslân 2013

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

In deze keur en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

  • a.

    bergingsgebied: een krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen;

  • b.

    beschermingszone: aan een waterstaatswerk of het profiel van vrije ruimte grenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk of het toekomstig werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden;

  • c.

    bestuur: het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân;

  • d.

    grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen;

  • e.

    infiltreren van water: in de bodem brengen van water;

  • f.

    legger: legger als bedoeld in artikel 5.1 van de wet of in artikel 78 tweede lid van de Waterschapswet;

  • g.

    onttrekken: onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting;

  • h.

    oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna;

  • i.

    profiel van vrije ruimte: de ruimte ter weerszijden van, boven en onder een waterstaatwerk die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen;

  • j.

    waterkering: kunstmatige hoogte, natuurlijke hoogte of gedeelte daarvan, of hoge gronden met ondersteunende kunstwerken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben;

  • k.

    waterstaatswerk: oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk;

  • l.

    watersysteem: samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken;

  • m.

    watervergunning: watervergunning als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;

  • n.

    werken: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies met toebehoren;

  • o.

    wet: Waterwet.

Artikel 1.2 Verplichtingen
  • 1. De verplichtingen ingevolge deze keur rusten op de eigenaar van gronden.

  • 2. Wanneer de gronden met een beperkt recht zijn bezwaard of krachtens persoonlijk recht in gebruik zijn gegeven rusten de verplichtingen ingevolge deze keur ook op de beperkt gerechtigden onderscheidenlijk de gebruikers.

  • 3. De verplichtingen ingevolge deze keur rusten op een ieder van de in het eerste en tweede lid genoemde gerechtigden voor het geheel.

Hoofdstuk 2. Beheer en onderhoud van waterstaatswerken

§ 1

Onderhoud aan waterstaatswerken

Artikel 2.1 Onderhoudsplicht
  • 1. Onderhoudsplichtig zijn diegenen die in de legger of in artikel 2.12 tot het verrichten van gewoon of buitengewoon onderhoud aan waterstaatswerken zijn aangewezen.

  • 2. Onderhoudsplichtigen van waterstaatswerken zijn verplicht tot instandhouding van het waterstaatswerk overeenkomstig zijn functie.

§ 2

Onderhoud aan waterkeringen

Artikel 2.2 Gewoon onderhoud

De onderhoudsplichtigen van waterkeringen dragen zorg voor een goede toestand van de waterkeringen door het bestrijden van schadelijk wild, met uitzondering van muskus- en beverratten, het herstellen van beschadigingen en het in stand houden van begroeiingen en materialen, dienstig aan de waterkering.

Artikel 2.3 Buitengewoon onderhoud

De onderhoudsplichtigen van waterkeringen zijn verplicht tot instandhouding daarvan overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie.

Artikel 2.4 Onderhoud ondersteunende kunstwerken en werken
  • 1. De onderhoudsplichtigen van ondersteunende kunstwerken of werken die in, op, aan of boven waterkeringen of de beschermingszone zijn aangebracht en (mede) een waterkerende functie hebben, zijn verplicht deze waterkerend te houden.

  • 2. De middelen bestemd tot afsluiting van kunstwerken dienen door de onderhoudsplichtigen in goede staat te worden onderhouden en zo vaak als dat door of namens het bestuur nodig wordt geoordeeld te worden getoond. Het in goede staat houden betreft zowel de instandhouding als het functioneren van het werk.

§ 3

Onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen

Artikel 2.5 Gewoon onderhoud

De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht tot het daaruit verwijderen van begroeiingen en afval, tot het herstellen van beschadigingen aan oevers en tot het onderhouden van begroeiingen, dienstig aan de waterhuishoudkundige functies ervan.

Artikel 2.6 Buitengewoon onderhoud

De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht tot instandhouding daarvan overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm, afmeting en constructie.

Artikel 2.7 Onderhoud ondersteunende kunstwerken en werken

De onderhoudsplichtigen van ondersteunende kunstwerken en andere werken dienen de ondersteunende kunstwerken en werken die in, op, aan of boven de oppervlaktewaterlichamen zijn aangebracht en die een waterhuishoudkundige of mede een waterhuishoudkundige functie hebben te onderhouden.

§ 4

Overige gebodsbepalingen

Artikel 2.8 Afrasteringen

De eigenaren van gronden, die gebruikt worden voor het houden van dieren en die zijn gelegen nabij waterstaatswerken kunnen door het bestuur worden verplicht om langs hun gronden een voldoende kerende afrastering aan te brengen.

Artikel 2.9 Coupures en sluizen

De onderhoudsplichtigen van de in waterkeringen voorkomende coupures en sluizen dragen zorg dat deze op eerste aanzegging door of namens het bestuur terstond worden gesloten.

Artikel 2.10 Stuwen

De eigenaren van stuwen kunnen door het bestuur verplicht worden deze op een daarbij bepaald stuwpeil te stellen.

§ 5

Algemene regels, nadere regels en onderhoudsplicht indien geen (actuele) onderhoudslegger is vastgesteld

Artikel 2.11 Algemene regels/ nadere regels

Het bestuur kan voor de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2.2 tot en met 2.10 en 2.12, algemene regels stellen, die mede kunnen inhouden een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de in deze artikelen genoemde geboden of nadere regels met betrekking tot deze verplichtingen.

Artikel 2.12 Onderhoud aan waterstaatswerken zonder (actuele) legger
  • 1.

    Voor waterstaatswerken, waarvoor het vaststellen van een legger als bedoeld in artikel 78, tweede lid, Waterschapswet is voorgeschreven maar waarvoor nog geen legger is vastgesteld, is de onderhoudsplicht als volgt, tenzij het onderhoud op andere wijze is geregeld:

    • a.

      Voor waterkeringen of gedeelten van waterkeringen en ondersteunende kunstwerken met een waterkerende functie berust het gewoon onderhoud bij de eigenaren en het buitengewoon onderhoud bij het waterschap.

    • b.

      Voor hoofdwateren en ondersteunende kunstwerken berust het gewoon en buitengewoon onderhoud bij het waterschap. Voor schouwwateren, overige wateren en ondersteunende kunstwerken berust het gewoon en buitengewoon onderhoud bij de aangrenzende eigenaren.

2.Voor waterstaatwerken, waarvoor het vaststellen van een legger als bedoeld in artikel 78, tweede lid, Waterschapswet is voorgeschreven en die op grond van een projectplan of een watervergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de legger, geldt, zolang vaststelling van een legger of een wijziging van de legger niet heeft plaatsgevonden, dat voor de onderhoudsplichten op grond van dit hoofdstuk de ligging, vorm, afmeting en constructie van het waterstaatwerk worden aangehouden, zoals aangegeven in het projectplan of de watervergunning.

Hoofdstuk 3. Handelingen in watersystemen

§ 1

Gebruik van waterstaatswerken

Artikel 3.1 (niet van toepassing)

Artikel 3.2 Watervergunning waterstaatswerken en beschermingszones
  • 1.

    Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te maken of te behouden, vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.

  • 2.

    Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen of te behouden.

  • 3.

    Het bestuur kan aan een watervergunning het voorschrift verbinden dat de houder van de vergunning een betaling of een andere compensatie verricht vanwege de voor het waterschap toegenomen kosten van onderhoud.

  • 4.

    Voor waterstaatwerken, waarvoor het vaststellen van een legger als bedoeld in artikel 5.1 van de wet is voorgeschreven en die op grond van een projectplan of een watervergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de legger, geldt, zolang vaststelling van een legger of een wijziging van de legger niet heeft plaatsgevonden, het volgende:

  • 5.
    • a.

      voor de verbodsbepalingen op grond van dit artikel worden de ligging, vorm, afmeting en constructie van het waterstaatwerk aangehouden zoals aangegeven in het projectplan of de watervergunning;

    • b.

      de beschermingszone bij regionale of lokale waterkeringen is 5 meter;

    • c.

      de beschermingszone bij hoofdwateren is 5 meter.

Artikel 3.3 Aanbrengen verhard oppervlak

Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond wordt bebouwd of verhard.

§ 2

Brengen, onttrekken of infiltreren van hoeveelheden (grond)water

Artikel 3.4 Oppervlaktewaterlichamen: watervergunning brengen en onttrekken van hoeveelheden water

Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.

Artikel 3.5 (niet van toepassing)

Artikel 3.6 Grondwaterlichamen: watervergunning onttrekken van grondwater en infiltreren hoeveelheden water in de bodem

Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur grondwater te onttrekken of water in de bodem te infiltreren.

§ 3

Calamiteiten en zorgplicht

Artikel 3.7 Algeheel verbod bij calamiteiten
  • 1. In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het bestuur, zonodig in afwijking van verleende watervergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden:

    • a.

      water af te voeren naar of aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen;

    • b.

      water te brengen in of te ontrekken aan oppervlaktewaterlichamen;

    • c.

      grondwater te onttrekken of water te infiltreren.

  • 2. Zodra het bestuur handhaving van het verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking van het verbod bekend.

Artikel 3.8 Zorgplicht
  • 1. Ieder die handelingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen of het nalaten daarvan inbreuk kan worden gemaakt op door het waterschap in het kader van zijn beheer uitgevoerde maatregelen in het watersysteem, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem verwacht mogen worden, ten einde die inbreuk te voorkomen, dan wel indien daarvan reeds sprake is, al het mogelijke te doen om de gevolgen daarvan zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de inbreuk het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.

  • 2. Degene die handelingen verricht als bedoeld in het vorige lid en daarbij kennis neemt van een inbreuk die door die handelingen wordt veroorzaakt, meldt die inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen, zo spoedig mogelijk aan het de bestuur.

  • 3. Het bestuur kan aanwijzingen geven over die maatregelen.

§ 4

Algemene regels, vrijstellingen, meld-, meet-, en registratieplichten.

Artikel 3.9 Algemene regels, meldplichten, meet- en registratieplichten en maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Het bestuur kan voor het verrichten van handelingen als bedoeld in de artikelen 3.2 tot en met 3.6 en artikel 3.11 algemene regels stellen, die mede kunnen inhouden een vrijstelling van de watervergunningplicht of een algeheel verbod voor het verrichten van bepaalde handelingen.

  • 2.

    Bij regeling krachtens het voorgaande lid, kan de verplichting worden opgelegd handelingen te melden, metingen uit te voeren, gegevens te registreren en daarvan opgave te doen aan het bestuur.

  • 3.

    Ten aanzien van het verrichten van handelingen waarvoor krachtens het eerste lid geen watervergunning is vereist kan het bestuur maatwerkvoorschriften stellen met het oog op de bescherming van het watersysteem.

Artikel 3.10 Vrijstelling watervergunningplicht voor het waterschap
  • 1. Geen watervergunning krachtens de artikelen 3.2 tot en met 3.6 en artikel 3.11 is vereist voor handelingen die plaats hebben door of in opdracht van het bestuur ten behoeve van de aan het waterschap op grond van artikel 2 van de Waterschapswet opgedragen taken.

  • 2. Van de vrijstelling, bedoeld in lid 1, zijn uitgezonderd de handelingen waarmee de waterstand van oppervlaktewaterlichamen op een ander peil wordt gebracht of gehouden dan door het waterschap is vastgesteld.

§ 5

Ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen

Artikel 3.11 Visverbod

Het is zonder watervergunning van het bestuur verboden:

  • a.

    in oppervlaktewaterlichamen vis uit te zetten,

  • b.

    vaste vistuigen te plaatsen.

Hoofdstuk 4. Toezicht en handhaving

Artikel 4.1 Aanwijzing toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze keur zijn belast de daartoe door het bestuur aangewezen ambtenaren of andere personen.

Artikel 4.2 Schouw
  • 1.

    Door of namens het bestuur wordt schouw gevoerd over de waterstaatswerken volgens een door dat bestuur vastgesteld schema.

  • 2.

    Het bestuur kan indien het dat nodig acht besluiten een extra schouw te voeren.

  • 3.

    Het bestuur stelt de datum van de schouw vast en maakt die tenminste twee weken tevoren bekend door een algemene bekendmaking.

  • 4.

    De in het derde lid voorgeschreven bekendmaking kan in spoedeisende gevallen voor deaanvang van een extra schouw worden vervangen door een persoonlijke mededeling. Daarbij kan met een kortere termijn dan genoemd in dat lid worden volstaan.

Artikel 4.3 Strafbepalingen
  • 1.

    Overtreding van de bepalingen van deze keur en de daarop gebaseerde regelgeving wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als genoemd in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 2.

    Indien ten tijde van het plegen van de in het eerste lid genoemde overtreding nog geenjaar is verlopen sedert een vroegere veroordeling van de overtreder wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis tot het dubbele van het gestelde maximum worden opgelegd.

Hoofdstuk 5. Overgangs– en slotbepalingen

Artikel 5.1 Vergunningen
  • 1. Een watervergunning die is verleend krachtens de keur zoals deze luidde direct vóór inwerkingtreding van deze keur, wordt gelijkgesteld met een krachtens deze keur verleende watervergunning.

  • 2. Voor al hetgeen vóór de inwerkingtreding van deze keur rechtmatig tot stand is gebracht, wordt geacht een watervergunning ingevolge deze keur te zijn verleend.

Artikel 5.2 Intrekking Keur

De Keur Wetterskip Fryslân, vastgesteld op 29 september 2009, wordt ingetrokken.

Artikel 5.3 Inwerkingtreding

Deze keur treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

Artikel 5.4 Citeertitel

Deze keur wordt aangehaald als “Keur Wetterskip Fryslân 2013”.

Aldus vastgesteld in een openbare vergadering van het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân op 13 november 2012.

Ir. P.A.E. van Erkelens , dijkgraaf

drs. M.M. Van Akkeren RCsecretaris-directeur

A. Algemene toelichting

1. Grondslag van de keur

De keur is een algemene verordening van het waterschap. Op grond van artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet stelt het waterschap verordeningen vast die het nodig oordeelt voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die aan waterschappen worden opgedragen betreffen de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater. Eventueel kunnen nog de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden worden opgedragen, bijvoorbeeld het vaarwegenbeheer.

Naast de Waterschapswet die de organisatie van de waterschappen regelt, geven de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving allerlei bepalingen over de inhoud van het waterbeheer, bijvoorbeeld in de vorm van doelstellingen en concrete normen.

De keur van waterschappen is gebaseerd op zowel de Waterschapswet als de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving in het Waterbesluit, de Waterregeling en de provinciale (water)verordeningen.

2. Actualisatie van de keur

De keur is aangepast in verband met de landelijke model-keur. Dit model is zoveel mogelijk gevolgd. Het is om de hierna genoemde redenen van belang dat de keuren van de waterschappen zoveel mogelijk gelijk zijn.

• Het landelijke Omgevingsloket Online (OLO). Via dit loket worden ook de

watervergunningen aangevraagd;

• Overeenkomstige keurbepalingen in de keuren van alle waterschappen;

• Betere mogelijkheden om waterschappen onderling te vergelijken;

• De Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (Wkpb) vraagt in de toekomst ommeer uniformiteit in keuren en leggers en de relaties tussen beiden;

• Aansluiting bij landelijke wet- en regelgeving onder andere wat betreft opbouw,

begripsbepalingen en algemene verbodsbepalingen;

Sommige bepalingen in de model-keur zijn facultatief en komen niet in alle waterschaps- keuren voor. Landelijk is afgesproken om deze bepalingen dan als een lege bepaling in de keur op te nemen zodat toch een uniforme nummering kan worden gehandhaafd. De lege bepaling wordt alsvolgt geformuleerd: “Artikel 3.1. <niet van toepassing>”.

3. Opbouw van de keur en inhoud op hoofdlijnen

De opbouw van de keur is vergelijkbaar met de opbouw van de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Het eerste hoofdstuk bevat begripsomschrijvingen, waarbij is aangesloten bij de begrippen in de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving. Verder bepaalt hoofdstuk 1 tot wie de bepalingen in de keur zijn gericht.

Hoofdstuk 2 Beheer en onderhoud van waterstaatswerken

Het tweede hoofdstuk regelt de onderhoudsplichten bij waterstaatswerken. Dit hoofdstuk heeft een belangrijke relatie met de legger op grond van artikel 78 van de Waterschapswet, ook wel onderhoudslegger genoemd. In de onderhoudslegger staan de onderhouds- plichtigen die aan de onderhoudsplichten uit hoofdstuk 2 moeten voldoen.

Hoofdstuk 3 Handelingen in watersystemen

Dit hoofdstuk bevat de verbodsbepalingen. Hierin is bepaald voor welke handelingen of activiteiten een vergunning nodig is. Het dagelijks bestuur is bevoegd deze watervergunning te verlenen. De verbodsbepalingen zijn vrij algemeen geformuleerd, waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij de verbodsbepalingen uit het Waterbesluit. Op deze manier zijn de verbodsbepalingen bij regionale wateren, waar de waterschappen beheerder zijn ver-gelijkbaar met de verbodsbepalingen bij rijkswateren, waar Rijkswaterstaat de beheerder is.

Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het stellen van algemene en nadere regels. Deze regels kunnen een vrijstelling van de watervergunningplicht inhouden of een algeheel verbod op het verrichten van bepaalde handelingen. Daarnaast kan het dagelijks bestuur beleidsregels stellen ten aanzien van zijn watervergunningverlenende bevoegdheid.

Ten aanzien van waterstaatswerken zijn er verschillende zones te onderscheiden, namelijk het waterstaatswerk zelf, de beschermingszone, de buitenbeschermingszone en het profiel van vrije ruimte. De (buiten)beschermingszone heeft als doel de bescherming van het waterstaatswerk en het profiel van vrije ruimte tevens de toekomstige verbetering van het waterstaatwerk. Het profiel van vrije ruimte kan bij alle waterstaatwerken worden vastgelegd, dus niet alleen bij waterkeringen. Vóór vastlegging van dit profiel moet de noodzaak ervan goed onderzocht en onderbouwd worden. Zie verder bij de begripsbepalingen.

De zones worden vastgelegd op de legger bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet. Deze Waterwetlegger wordt in de praktijk vaak gecombineerd met de onderhoudslegger. De Waterwetlegger geeft de reikwijdte weer van de verbodsbepalingen uit hoofdstuk 3. Het verbodsregime per zone is in hoofdstuk 3 opgenomen.

Hoofdstuk 4 Toezicht en handhaving

In dit hoofdstuk staan de bepalingen over de aanwijzing van toezichthouders en strafbepalingen. Ook is een bepaling over de schouw opgenomen. De schouw is een manier om toezicht te houden op naleving van de bepalingen uit de keur, in het bijzonder de onderhoudsplichten uit hoofdstuk 2.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Het laatste hoofdstuk regelt het overgangsrecht voor watervergunningen, die voor inwerkingtreding van deze keur zijn verleend. Daarnaast bevat hoofdstuk 5 een bepaling die de voorgaande keur integraal intrekt, een inwerkingtredingsbepaling en een citeertitel.

B. Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

In de begripsomschrijvingen is zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit artikel 1.1 van de Waterwet. Voor de zelfstandige leesbaarheid van de keur zijn enkele begrippen uit de Waterwet letterlijk overgenomen.

Profiel van vrije ruimte

Het begrip profiel van vrije ruimte heeft betrekking op toekomstige waterstaatswerken. Het vastleggen van een profiel van vrije ruimte in de legger moet goed worden onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van wetenschappelijke rapporten over te verwachten waterstandstijgingen, klimaatscenario’s, etc. Daarbij moet het bestuur het belang van een profiel van vrije ruimte met de daarin geldende beperkingen (verbod op het plaatsen of behouden van werken behoudens vergunning) zorgvuldig afwegen tegen de belangen van derden. De door het waterschapsbestuur opgelegde beperkingen in het profiel van vrije ruimte hebben effecten op de mogelijkheden van ruimtelijke ontwikkelingen.

De Algemene maatregel van bestuur (Amvb) behorend bij de Wet ruimtelijke ordening (Wro), ook wel Amvb Ruimte genoemd, bevat voor watersystemen onder andere regels over primaire waterkeringen. Deze regels werken direct door naar bestemmingsplannen en bevatten bijvoorbeeld de verplichting voor de bestemmingsplanwetgever het waterstaatswerk primaire waterkering en de bijbehorende beschermingszone op te nemen in het bestemmingsplan. Voor overige waterstaatswerken in het regionale watersysteem, waar waterschappen de beheerder van zijn, zijn geen regels opgenomen in de Amvb Ruimte. Het is aan de waterschappen de bescherming en toekomstige aanpassing van deze waterstaatswerken goed te regelen. De vastlegging van een profiel van vrije ruimte is hierbij het aangewezen instrument, mits goed onderbouwd en voorzien van een zorgvuldige belangenafweging.

Beschermingszone s

De beschermingszone is een aan een waterstaatswerk grenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden.

Wetterskip Fryslân onderscheidt verschillende zones. Voor de primaire en secundaire waterkeringen gelden een beschermingszone en een buitenbeschermingszone. Ook voor toekomstige primaire waterkeringen, voor hoofdwateren en voor regionale waterkeringen gelden beschermingszones. In de Algemene regels en de legger worden het profiel van vrije ruimte, gecombineerd met de toekomstige beschermingszone reserveringszone genoemd.

Ondersteunende kunstwerken

Bij ondersteunende kunstwerken moet worden gedacht aan gemalen, dammen, duikers, sluizen en stuwen. Ook peilregulerende werken zoals inlaatwerken zijn ondersteunende kunstwerken.

Waterkeringen

Wetterskip Fryslân onderscheidt bij waterkeringen tussen primaire, secundaire, regionale en lokale waterkeringen. De primaire waterkering is de waterkering die beveiliging biedt tegen overstroming doordat deze behoort tot een dijkring of voor een dijkring is gelegen. De secundaire waterkeringen zijn de keringen die bij doorbraak van de primaire waterkering de inundatie kunnen beperken of vertragen (Lauwersmeerdijk en de voormalige zeedijken). De regionale waterkeringen zijn de waterkeringen langs de Friese boezem. De lokale waterkeringen zijn de overige waterkeringen bv keringen langs tussenboezems.

Oppervlaktewaterlichamen

Bij het waterschap wordt onderscheid gemaakt tussen hoofdwateren, schouwwateren en overige wateren. De hoofdwateren zijn bij het waterschap niet alleen in beheer maar ook in onderhoud, de schouwwateren zijn in onderhoud bij de eigenaren van de percelen die grenzen aan de watergang. In het stedelijk gebied worden de schouwwateren aangeduid als secundaire wateren.

Artikel 1.2 Verplichtingen

Dit artikel regelt dat de verplichtingen ingevolge de keur rusten op eigenaren van gronden, beperkt gerechtigden en grondgebruikers. De verplichtingen rusten op al deze gerechtigden en een ieder van deze gerechtigden kan aangesproken worden voor het geheel. De gerechtigden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de nakoming van verplichtingen.

Hoofdstuk 2 Beheer en onderhoud van waterstaatswerken

§ 1

Onderhoud aan waterstaatswerken

Artikel 2.1 Onderhoudsplicht

In dit artikel wordt geregeld dat degenen die zijn aangewezen als onderhoudsplichtigen in de legger of, als er nog geen legger is, in artikel 2.12, verplicht zijn tot het verrichten van gewoon of buitengewoon onderhoud, zoals beschreven is in hoofdstuk 2. Met dit artikel wordt dus de verbinding gelegd tussen de legger en de gebodsbepalingen in hoofdstuk 2. De legger geeft aan wie onderhoudsplichtig zijn, de gebodsbepalingen geven aan welk onderhoud van deze onderhoudsplichtigen wordt geëist. De legger die hier bedoeld wordt is de zogenaamde onderhoudslegger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, Waterschapswet. De legger is gecombineerd met de legger, bedoeld in artikel 5.1, Waterwet; formeel zijn dit twee verschillende leggers.

§ 2

Onderhoud aan waterkeringen

Artikel 2.2 Gewoon onderhoud

Dit artikel geeft weer wat de onderhoudsplichtigen (die in de legger zijn aangewezen) aan gewoon onderhoud aan waterkeringen moeten doen. De zorgplicht ter voorkoming van schade aan waterstaatswerken door muskus- en beverratten berust ingevolge artikel 1, lid 3 van de Waterschapswet bij het waterschap.

Artikel 2.3 Buitengewoon onderhoud

Artikel 2.3 geeft aan welk buitengewoon onderhoud door onderhoudsplichtigen moet worden gepleegd aan waterkeringen. Er wordt in dit artikel verwezen naar de ligging, vorm, afmeting en constructie zoals in de legger opgenomen. Bij deze inhoudelijke beschrijving van de onderhoudsplicht wordt aangesloten bij de legger, bedoeld in de Waterwet. Deze Waterwetlegger geeft aan waar een waterstaatswerk, in dit geval een waterkering, aan moet voldoen en via artikel 2.3 wordt geregeld dat de onderhoudsplichtige (die in de onderhoudslegger op grond van de Waterschapswet is aangewezen) het buitengewone onderhoud zo moet uitvoeren dat wordt voldaan aan deze Waterwetlegger.

Artikel 2.4 Onderhoud ondersteunende kunstwerken en werken

In artikel 2.4 is aangegeven dat onderhoudsplichtigen van waterkeringen de ondersteunende kunstwerken of werken in, op of boven waterkeringen of de bijbehorende beschermingszone waterkerend moeten houden.

§ 3

Onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen

Artikel 2.5 Gewoon onderhoud

Begroeiingen en afval moeten worden verwijderd uit oppervlaktewaterlichamen door de in de legger aangewezen onderhoudsplichtigen. Met afval worden bedoeld voorwerpen, materialen en stoffen die de aan- of afvoer of berging van water belemmeren.

Artikel 2.6 Buitengewoon onderhoud

Artikel 2.6 geeft aan welk buitengewoon onderhoud door onderhoudsplichtigen moet worden gepleegd aan oppervlaktewaterlichamen. Zie ook de toelichting bij artikel 2.3.

Artikel 2.7 Onderhoud ondersteunende kunstwerken en werken

Dit artikel gebiedt onderhoudsplichtigen ondersteunende kunstwerken en werken bij oppervlaktewaterlichamen te onderhouden. Het gaat hier om (kunst)werken die (mede) een waterhuishoudkundige functie hebben, zoals duikers, overkluizingen en stuwen.

§ 4

Overige gebodsbepalingen

Artikel 2.8 Afrasteringen

Het bestuur kan grondeigenaren, of via artikel 1.2, tweede en derde lid, andere gerechtigden (grondgebruikers), verplichten langs hun gronden in de buurt van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen, bergingsgebieden of ondersteunende kunstwerken afrasteringen te plaatsen om daarmee te voorkomen dat dieren deze waterstaatswerken beschadigen of de werking ervan belemmeren. Via artikel 2.11 kan het dagelijks bestuur algemene of nadere regels stellen over deze afrasterplicht, bijvoorbeeld over constructies en wijze van plaatsing.

Artikel 2.9 Coupures en sluizen

Bij hoog water, bij oefeningen, etc. kan het nodig zijn coupures en sluizen te sluiten. Het bestuur kan hiertoe besluiten. De onderhoudsplichtigen van deze coupures en sluizen zijn aangewezen op de onderhoudslegger op grond van de Waterschapswet en zijn verplicht op eerste aanzegging van het bestuur deze te sluiten.

Artikel 2.10 Stuwen

Eigenaren van stuwen (of andere gerechtigden of gebruikers, via artikel 1.2) moeten een bepaald stuwpeil instellen, indien het bestuur daartoe besluit. Verplichtingen vanuit een eventueel peilbesluit op grond van artikel 5.2 van de Waterwet moeten hierbij in acht worden genomen.

§ 5

Algemene regels, nadere regels en onderhoudsplicht indien geen (actuele) onderhoudslegger is vastgesteld

Artikel 2.11 Algemene regels / nadere regels

Op grond van artikel 2.11 kan het bestuur algemene regels stellen ten aanzien van de gebodsbepalingen in hoofdstuk 2. Deze algemene regels kunnen ook een vrijstelling van een gebod inhouden. In dat geval geldt voor de onderhoudsplichtige het betreffende gebod niet. Het artikel geeft het bestuur ook de mogelijkheid nadere eisen te stellen ten aanzien van de onderhoudsverplichtingen in hoofdstuk 2. Het bestuur kan bijvoorbeeld nadere eisen stellen aan afrasteringen (zie artikel 2.8) of aan een goede toestand van waterkeringen (artikel 2.2). Ook is het denkbaar dat het bestuur nadere eisen wil stellen aan het onderhoud van afsluitmiddelen.

Artikel 2.12 Onderhoud aan waterstaatswerken zonder (actuele) legger

Het is mogelijk dat het algemeen bestuur op grond van artikel 78, tweede lid, Waterschapswet nog geen legger heeft vastgesteld voor (bepaalde) waterstaatswerken. De onderhoudsplichtigen volgen dan niet uit een onderhoudslegger. Artikel 2.12 voorziet in een vangnet voor deze situatie. Als het onderhoud niet op een andere wijze is geregeld, geldt de onderhoudsplicht zoals geregeld in de onderdelen a en b. Onderhoud kan op een andere wijze zijn geregeld, bijvoorbeeld in een watervergunning, overeenkomst of op basis van gewoonterecht. Als dat het geval is, gaan deze afspraken voor.

In het tweede lid is een bepaling opgenomen voor de situatie dat via een watervergunning of een projectplan een waterstaatswerk is aangelegd of gewijzigd, maar de onderhoudslegger nog niet is aangepast op deze nieuwe situatie. Het heeft uitdrukkelijk de voorkeur de pro- cedure van een watervergunning of projectplan te combineren met een leggerwijziging, zodat deze bepaling niet hoeft te worden gebruikt. Zie ook de toelichting bij artikel 3.2, vierde lid.

Hoofdstuk 3 Handelingen

§ 1

Gebruik van waterstaatswerken

Artikel 3.2 Watervergunning waterstaatswerken en beschermingszones

Lid 1

In dit artikel 3.2 is in het eerste lid een algemene, ruime verbodsbepaling opgenomen voor handelingen of het laten liggen of staan van werken, vaste substanties of voorwerpen bij waterstaatwerken. De formulering en reikwijdte van de verbodsbepaling sluit aan bij de verbodsbepaling in het Waterbesluit ten aanzien van rijkswaterstaatswerken, waarvoor het Rijk beheerder is. Net als in de vorige keur zijn handelingen in overeenstemming met de functie van het waterstaatswerk niet verboden. De toevoeging ‘in overeenstemming met de functie’ moet, net als bij het Waterbesluit, vrij beperkt worden geïnterpreteerd: bv geen vergunning is nodig voor zwemmen in zwemwater of varen op een vaarweg. Onder de ruime verbodsbepaling in artikel 3.2, eerste lid, vallen onder andere aanleg-, bagger-, boor-, bouw-, graaf-, demping- herstel-, onderhoud-, plant- reparatie-, revisie-, sloop-, uitbreiding-, verbouw en herbouwwerkzaamheden. Deze handelingen betreffen zowel handelingen die tot doel hebben verandering te brengen in de staat van waterstaatswerken, als werkzaamheden die dat niet tot doel hebben maar waarvan onbedoeld effect is dat verandering wordt gebracht in de staat van die werken. Onder dit verbod valt bijvoorbeeld het dempen van een sloot. Onder het verbod vallen ook de handelingen waarmee de waterstand op een ander peil wordt gebracht of gehouden dan het peil dat voor het betreffende oppervlaktewaterlichaam door het waterschap is vastgesteld.

Via een vergunning van het bestuur kan van de verbodsbepaling worden afgeweken. Op basis van artikel 3.9 kunnen in algemene regels vrijstellingen worden verleend voor bijvoorbeeld bepaalde categorieën van handelingen. Deze handelingen zijn dan wel toegestaan zonder vergunning, waarbij eventueel aan bepaalde voorschriften moet worden voldaan. Dit systeem is vergelijkbaar met het Activiteitenbesluit.

Lid 2

In het tweede lid is bepaald dat in het profiel van vrije ruimte zonder vergunning geen werken mogen worden geplaatst of worden behouden. Dit profiel is nodig om toekomstige aanpassingen van waterstaatswerken, in het bijzonder waterkeringen, mogelijk te maken. Met de vastlegging van profielen van vrije ruimte moet het waterstaatsbelang zijn gediend, binnen het kader van de zorg voor het watersysteem en de doelstellingen van de Waterwet. Belangrijk is dat de profielen van vrije ruimte goed worden onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van wetenschappelijke rapporten over te verwachten waterstandstijgingen, klimaatscenario’s, etc. Daarbij moet het waterschapsbestuur het belang van een profiel van vrije ruimte zorgvuldig afwegen tegen de belangen van derden.

Lid 3

In hoofdstuk 6 van de Waterwet en in het Waterbesluit zijn regels opgenomen over de watervergunning. De bepalingen hebben betrekking op de aanvraag, de wijze van voorbereiding en samenloop als meer beheerders bevoegd zijn. Daarnaast zijn bepalingen opgenomen over aan de watervergunning te verbinden voorschriften. Artikel 6.20, eerste lid, van de wet bepaalt dat het bestuur aan de vergunning voorschriften kan verbinden ter bescherming van de belangen waarvoor het vereiste van de vergunning is gesteld. Deze voorschriften kunnen bijvoorbeeld de wijze van uitvoering van een werk of een beperking in het gebruik betreffen. Dat artikel bepaalt in het eerste lid dat die voorschriften ook betrekking kunnen hebben op financiële zekerheidsstelling voor de nakoming van verplichtingen, voor de dekking van schade of voor het compenseren of beperken van de nadelige gevolgen na het staken van de vergunde handeling.

Het is gewenst om het bepaalde in artikel 6.20, eerste lid, van de wet aan te vullen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 27 mei 2009, 200806373) acht het aanvaardbaar dat de overheid financiële compensatie vraagt voor het dempen van water, indien compensatie in natura door het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam niet mogelijk is. Het naast een compensatie in natura ook vragen van financiële compensatie vanwege voor het waterschap toegenomen onderhoudskosten strekt niet ter bescherming van het belang in verband waarmee watervergunningen worden verleend. Daarom is een wettelijke grondslag nodig. Met het bepaalde in artikel 3.2. lid 3 staat ondubbelzinnig vast dat het waterschap voorschriften van die strekking aan een watervergunning kan verbinden.

Lid 4

In het vierde lid is een bepaling opgenomen voor de situatie dat via een watervergunning of een projectplan een waterstaatswerk is aangelegd of gewijzigd, maar de Waterwetlegger nog niet is aangepast op deze nieuwe situatie. Het heeft uitdrukkelijk de voorkeur de procedure van een watervergunning of projectplan te combineren met een leggerwijziging, zodat deze bepaling niet hoeft te worden gebruikt. Het combineren van procedures voor een watervergunning/projectplan met die van een leggerwijziging vergt de nodige afstemming en er zal aan bepaalde voorwaarden moeten zijn voldaan, bijvoorbeeld een goede delegatie- en/of mandaatregeling ten aanzien van de te combineren besluiten, in het bijzonder de leggerwijzigingen. Door het combineren van besluiten wordt voldaan aan het doel van de Waterwet, namelijk een actuele legger die de normatieve toestand van waterstaatswerken weergeeft. Bovendien wordt door de combinatie van procedures voorkomen dat op twee verschillende momenten tegen hetzelfde inhoudelijke besluit rechtsbescherming openstaat, namelijk op het moment van aanpassing van het waterstaatswerk via een watervergunning of projectplan en op het moment van aanpassing van de legger op de nieuwe situatie.

Het is van groot belang dat de legger actueel is en bij veranderingen van waterstaatswerken als gevolg van het verlenen van een watervergunning of een projectplan direct, dan wel zo snel mogelijk geactualiseerd wordt. In de praktijk zal het echter niet altijd mogelijk zijn om de procedure voor het wijzigingen van de legger gelijk te laten lopen met de procedure voor het projectplan of de watervergunning, ondanks verregaande delegatie en mandatering van bevoegdheden. Daar zijn verschillende redenen voor. Een latere vaststelling van (een wijziging van) de legger kan bijvoorbeeld voorkomen bij het hanteren van raamvergunningen

voor het aanleggen van infrastructuur (zoals een snelweg via design-and-construct). Als de legger niet meteen overeenstemt met de werkelijke situatie, kan dit tot gevolg kunnen hebben dat de keur niet van toepassing is op deze nieuwe waterstaatswerken of de betreffende wijzigingen hetgeen een ongewenste situatie is. Er is dan namelijk niet duidelijk welke maten, afmetingen en onderhoudsplichten van toepassing zijn en het nieuwe of gewijzigde waterstaatswerk wordt niet beschermd door de keur. Het streven is dan ook de periode tussen het ontstaan van nieuwe of gewijzigde waterstaatswerken en de overeenkomstige wijziging van de legger zo klein mogelijk te houden. Mocht toch sprake zijn van een (korte) periode waarin de legger nog niet de nieuwe situatie aangeeft, dan voorziet dit artikel in duidelijkheid omtrent maten, afmetingen en onderhoudsplichten en bepaalt het dat de keur vooruitlopend op vastlegging in de legger van toepassing is op het nieuwe of gewijzigde waterstaatswerk. Dit artikel is derhalve bedoeld als tijdelijke regeling, als vangnet, omdat nog steeds tijdige actualisatie van de legger het uitgangspunt blijft. Voor de rechtsbescherming is het wel belangrijk dat enerzijds het projectplan of de watervergunning duidelijk de toekomstige ligging, vorm, afmeting en constructie, als ook de toekomstige onderhoudsplichten aanduidt en anderzijds dat de legger zo snel mogelijk alsnog wordt aangepast.

Artikel 3.3. Verbod versnelde afvoer door verhard oppervlak

Dit artikel kan via een goed doorlopen van het proces van watertoetsen de vergunningverlening aanzienlijk vergemakkelijken. Het is ook aan te bevelen dat het waterschap zich in een vroeg stadium voegt bij het overleg met de gemeente over planologische ontwikkelingen en aangeeft dat de initiatiefnemer de waterhuishoudkundige aspecten betrekt bij zijn plannen. Daartoe moet die initiatiefnemer in overleg treden met het waterschap. Dan kunnen nog tijdig de juiste maatregelen worden getroffen. Mocht de initiatiefnemer toch willen ingrijpen, in het watersysteem, dan heeft het waterschap via dit artikel het instrumentarium om ongewenste afvoeren van verharde oppervlakken op het bestaande watersysteem tegen te gaan.

Op grond van dit artikel is het verboden om zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen. Door extra versnelde afvoer van neerslag vermindert de afvoer- en bergingscapaciteit van het watersysteem. Deze capaciteit moet in veel gevallen echter behouden blijven, in het bijzonder om te kunnen voldoen aan de normen voor wateroverlast op grond van artikel 2.8 van de Waterwet. Waterschappen hanteren in hun beheer als uitgangspunt de trits vasthouden – bergen – afvoeren. Vasthouden van water (neerslag) in het gebied zelf verdient de voorkeur boven het bergen en uiteindelijk afvoeren van water. Door meer verhard oppervlak komt water eerder tot afvoer naar het watersysteem van waterschappen, waardoor het waterschap genoodzaakt kan zijn elders de afvoer- en bergingscapaciteit te vergroten.

§ 2

Brengen, onttrekken of infiltreren van (grond)water

Artikel 3.4 Oppervlaktewaterlichamen: watervergunning brengen en onttrekken van water

Artikel 3.4 is een algemene verbodsbepaling voor het brengen van water in of het onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen. Hiermee wordt zowel het brengen en onttrekken zonder een werk bedoeld als het brengen en onttrekken met een werk. Met andere woorden: onder deze verbodsbepaling valt het afvoeren van water naar en het aanvoeren van water uit oppervlaktewaterlichamen én het lozen op of onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen. Via artikel 3.9 kan het bestuur onder andere algemene regels stellen, waarbij ook vrijstellingen van de vergunningplicht kunnen worden vastgesteld. Daarnaast is het bestuur bevoegd beleidsregels vast te stellen ten aanzien van haar vergunningverlenende bevoegdheid.

Artikel 3.5 (niet van toepassing)

Artikel 3.6 Grondwaterlichamen: watervergunning onttrekken van grondwater en infiltreren in de bodem

Dit artikel geeft een algemene verbodsbepaling voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water in de bodem. In beginsel zijn alle onttrekkingen en infiltraties verboden, behoudens vergunning. Het bestuur kan via algemene regels bepaalde onttrekkingen en infiltraties vrijstellen van deze vergunningplicht. Ook kan het bestuur beleidsregels opstellen over in welke gevallen vergunning zal worden verleend en in welke gevallen niet.

Voor drie specifieke categorieën van onttrekkingen en infiltraties zijn op grond van artikel 6.4 van de Waterwet Gedeputeerde staten van de provincie en dus niet het (waterschaps)bestuur bevoegd. Het gaat hier om de onttrekkingen en infiltraties:

• ten behoeve van industriële toepassingen, indien de te onttrekken hoeveelheid water

meer dan 150.000 m3 per jaar bedraagt;

• ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

• ten behoeve een bodemenergiesysteem.

Artikel 3.6 ziet dus niet op deze drie categorieën. Voor de overige onttrekkingen en infiltraties geldt op grond van deze keur een algemene verbodsbepaling, vergelijkbaar met de oude verbodsbepaling uit artikel 14 van de Grondwaterwet. Met betrekking tot infiltraties gaat het hier om waterkwantiteit, en niet om waterkwaliteit. Voor wat betreft de waterkwaliteit bij infiltraties moet voldaan worden aan de regels gesteld bij of krachtens de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer.

§ 3

Calamiteiten en zorgplicht

Artikel 3.7 Algeheel verbod bij calamiteiten

In geval van calamiteiten kan het nodig zijn de wateraf- en aanvoer of lozingen en onttrekkingen te verbieden. Bij calamiteiten gaat het om bijvoorbeeld om droogte of een overvloed aan water, maar ook (een dreiging van) een aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit of het in ongerede raken van een waterstaatswerk. Concreet kan op basis van dit artikel het bestuur bijvoorbeeld bij droogte een onttrekkingsverbod instellen.

Artikel 3.8 Zorgplicht

Artikel 3.8 bevat een algemene zorgplicht ten aanzien van het watersysteem. Deze zorgplicht geldt voor een ieder en een ieder kan op een schending van deze zorgplicht worden aangesproken. Als het handelen of nalaten onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht, kan het bestuur bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen inzetten. Een eventueel opgelegde last moet wel voldoende duidelijk worden omschreven, anders ontstaat er strijd met de rechtszekerheid, zie ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 10 augustus 2011, 201012817/1/M1.

§ 4

Algemene regels, vrijstellingen, meld-, meet-, en registratieplichten

Artikel 3.9 Algemene regels, meldplichten, meet- en registratieplichten en maatwerkvoorschriften

In de artikelen 3.2 tot en met 3.6 en artikel 3.11 zijn algemene verbodsbepalingen opgenomen. Artikel 3.9 biedt het bestuur een grondslag om ten aanzien van deze verbodsbepalingen algemene regels, meld- meet- en registratieverplichtingen, alsmede maatwerkvoorschriften te stellen.

Lid 1

Het eerste lid biedt het bestuur de grondslag om algemene regels te stellen, welke mede een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de artikelen 3.2 tot en met 3.6 en artikel 3.11 kunnen inhouden. Een vrijstelling van een bepaalde verbodsbepaling kan aan de orde zijn als aan bepaalde voorwaarden (algemene regels) is voldaan. Voorbeelden van mogelijke vrijstellingen zijn bepaalde handelingen in de beschermingszone van waterstaatwerken, de af- en aanvoer van water naar of uit oppervlaktewaterlichamen of grondwateronttrekkingen bij hoeveelheden onder een bepaalde drempel en drainage van gronden met bepaalde drainagemiddelen (bijvoorbeeld ondiepe greppels).

Het bestuur heeft ook de mogelijkheid een algeheel verbod in te stellen, waarbij geen vergunningverlening mogelijk is. Een voorbeeld van een algemeen verbod is een grondwateronttrekkingsverbod in een specifiek gebied (bijvoorbeeld een zeer verdrogingsgevoelig gebied).

Lid 2

Het tweede lid geeft het bestuur de bevoegdheid meld-, meet- en registratieverplichtingen op te leggen, voor zover deze verplichtingen niet in strijd zijn met de bepalingen hierover in het Waterbesluit, de Waterregeling en provinciale (water)verordening(en). In het Waterbesluit is opgenomen dat vergunningvrije grondwateronttrekkingen en infiltraties moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag. Van alle grondwateronttrekkingen en infiltraties moet de kwantiteit worden gemeten; van alle infiltraties ook de kwaliteit (conform Waterregeling). Van deze kwantiteits- en kwaliteitsmetingen moet opgave worden gedaan aan het bevoegde gezag. De Waterregeling stelt welke gegevens moeten worden verstrekt bij een vergunningaanvraag of melding (indien niet vrijgesteld van meldingsplicht) voor grondwateronttrekkingen of infiltraties. In de provinciale Waterverordening is bepaald dat het bestuur de kwantiteits- en kwaliteitsmetingen en een overzicht van vergunningen en meldingen voor grondwateronttrekkingen en infiltraties aan Gedeputeerde Staten moet verstrekken.

Lid 3

Dit lid biedt het bestuur de mogelijkheid om voor handelingen, die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht, zogenaamde maatwerkvoorschriften te stellen. Deze bevoegdheid is vergelijkbaar met artikel 6.15, lid 3, van het Waterbesluit. De vaststelling van een maatwerkvoorschrift is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht; hiertegen is (bezwaar en) beroep mogelijk is. De maatwerkvoorschriften richten zich tegen degene die de desbetreffende handeling verricht of gaat verrichten. Bij de toepassing van maatwerkvoorschriften moet het gaan om uitzonderingsgevallen. Als dat niet het geval is, kan de algemene verbodsbepaling blijven bestaan, behoudens vergunning.

De krachtens het derde lid te stellen maatwerkvoorschriften mogen er niet toe leiden dat de te verrichten handelingen grotendeels of in het geheel geen doorgang kunnen vinden, tenzij die handelingen naar het oordeel van het bestuur ontoelaatbaar nadelige gevolgen hebben voor het watersysteem.

Artikel 3.10 Vrijstelling watervergunningplicht voor het waterschap

Het waterschap voert als beheerder van het watersysteem vele handelingen uit. Een groot deel van de handelingen heeft betrekking op beheer en onderhoud. Deze handelingen zijn “overeenkomstig de functie” als bedoeld in artikel 3.2, lid 1 zodat hiervoor geen vergunning is vereist. Voor de aanleg of wijziging van waterstaatswerken kan een vrijstelling gelden omdat hiervoor in de Waterwet de verplichting is opgenomen om een projectplan vast te stellen. Handelingen behoeven niet tweemaal te worden vergund. Een projectplan is bovendien in veel gevallen onderworpen aan inspraak, ook staat bezwaar en beroep open. Omdat voor peilwijzigingen geen projectplan is vereist geldt de vrijstelling niet voor handelingen waarmee de waterstand op een ander peil wordt gebracht dan door het waterschap is vastgesteld. Voorzover bij het maken van werken of verrichten van werkzaamheden afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in wateren worden gebracht, zal hiervoor wel de vergunningplicht ingevolge artikel 6.2, eerste lid van de Waterwet gelden. De waterschappen zijn niet bevoegd om deze handelingen via de keur te reguleren, dus ook niet om hiervoor vrijstellingen op te nemen.

De vrijstelling geldt verder niet voor handelingen die het waterschap niet als beheerder verricht, maar bijvoorbeeld als eigenaar van grond of gebouwen.

§ 5.

Ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen

Artikel 3.11 Visverbod

De bepaling bevat enige verboden samenhangend met het vissen in (onderdelen van) het oppervlaktewaterlichaam. Het waterschap toetst of de activiteiten aansluiten bij de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) voor de visstand in de betreffende wateren. De doelen van de KRW voor het kwaliteitselement vis betreffen zowel de soortensamenstelling, als ook de leeftijdsopbouw van het visbestand.

Hoofdstuk 4. Toezicht en handhaving.

Artikel 4.1 Aanwijzing toezichthouders

Onder toezichthouder verstaat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5.11 Awb). Hieruit vloeit voort dat de toezichthoudende bevoegdheden uit de Awb alleen kunnen worden uitgeoefend door personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift als zodanig zijn aangewezen. Dit artikel voorziet in de vereiste wettelijke grondslag voor de aanwijzing van toezichthouders.

Het toezicht wordt primair opgedragen aan daartoe door het bestuur aangewezen ambtenaren. De definitie in de Awb biedt echter ook de mogelijkheid het toezicht op te dragen aan andere personen. Daarbij geldt dat met het toekennen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten het overheidsapparaat terughoudend moet worden omgegaan (Memorie van Toelichting Derde tranche Awb, TK 23 700, nr. 3, p. 139). Zie hierover ook Awb, Tekst en Commentaar, 2009, p. 343. De keurbepaling biedt het waterschap de mogelijkheid voor de schouw ook andere personen dan ambtenaren in te schakelen, zonder dat deze eerst tot (onbezoldigd) ambtenaar van het waterschap moeten worden benoemd. Wel is altijd een aanwijzingsbesluit van het bestuur noodzakelijk.

Artikel 4.2 Schouw

De schouw wijkt af van de gebruikelijke toezichtuitoefening, in die zin dat het bij de schouw gaat om een systematische controle op met name de onderhoudsverplichtingen, die bovendien van tevoren wordt aangekondigd en op of na een bepaalde datum wordt uitgeoefend.

Artikel 4.3 Strafbepalingen

Artikel 81 Waterschapswet bepaalt welke maximumstraf op overtreding van de keur kan worden gesteld. Deze strafmogelijkheid moet in de keur zelf worden gepositiveerd. In artikel 4.3 is de maximumstraf opgenomen, namelijk drie maanden hechtenis of een geldboete van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23 Wetboek van Strafrecht, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Deze strafbepalingen staan los van of naast het bestuursrechtelijke instrumentarium – bestuursdwang en dwangsom – waarover het bestuursorgaan in geval van overtreding kan beschikken

Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 5.1 Vergunningen

In dit artikel is het overgangsrecht opgenomen voor watervergunningen, verleend op basis van de voorgaande keur. Als de handelingen zowel op basis van de voorgaande keur als deze, nieuwe keur vergunningplichtig zijn, en er is een watervergunning verleend op basis van de voorgaande keur, dan wordt deze watervergunning geacht te zijn verleend op basis van deze, nieuwe keur. Voor nog oudere vergunningen en ontheffingen, die zijn verleend op basis van oudere keuren (van vóór de voorgaande keur) geldt het overgangsrecht van de voorgaande keur (of van nog oudere keuren).

Het tweede lid ziet op handelingen e.d. die rechtmatig tot stand zijn gebracht voordat deze keur in werking is getreden, bijvoorbeeld handelingen die eerst niet vergunningplichtig waren en dat nu wel zijn geworden.

Artikel 5.2 Intrekking keur

Bij inwerkingtreding van deze keur wordt de Keur Wetterskip Fryslân 2010 ingetrokken.

Artikel 5.3 Inwerkingtreding

Deze keur treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

Artikel 5.4 Citeertitel

De citeertitel zorgt ervoor dat de keur eenduidig kan worden aangehaald.