Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015

Geldend van 01-08-2017 t/m 31-12-2017

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015

De Raad van de gemeente Rotterdam,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30 september 2014 (raadsvoorstel nr. 2014-84/14bb4754); raadsstuk 14bb4754 e.a.;

gehoord de beraadslaging in de vergadering van de commissie Zorg, Onderwijs, Cultuur en Sport van 8 oktober 2014 (ZOCS);

gelet op de artikelen 2.13, 2.14, 2.15, 2.16, 2.17, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning en artikel 149 van de Gemeentewet;

besluit:

 

vast te stellen:

Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 (Vmor 2015)

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt (mede) verstaan onder:

  • 1.

    beleidsplan: plan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet;

  • 2.

    beperking: objectief vastgestelde lichamelijk of verstandelijk probleem;

  • 3.

    Brede Raad: door het college ingestelde Brede Raad Rotterdam voor het sociale domein

  • 4.

    CAV: Collectief Aanvullend Vervoer, voor het lokaal vervoer van ouderen en personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen;

  • 5.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam;

  • 6.

    dienstverlening: ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een cliënt, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen;

  • 7.

    eigen bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 van de wet;

  • 8.

    medewerker: persoon die namens de gemeente een melding of aanvraag in behandeling neemt;

  • 9.

    ondersteuningsplan: de weergave van de adviezen, verwijzingen en afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding;

  • 10.

    periode: periode van vier weken die het CAK hanteert voor de vaststelling van de door de cliënt te betalen eigen bijdrage;

  • 11.

    pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1. van de wet;

  • 12.

    Vmor: Verordening maatschappelijke ondersteuning of Verordening maatschappelijke ondersteuning 2011;

  • 13.

    wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

 

Artikel 2 Reikwijdte verordening

  • 1.

    Deze verordening heeft betrekking op de maatschappelijke ondersteuning in de zin van de wet, ten behoeve van ingezetenen van de gemeente Rotterdam.

  • 2.

    Als ingezetene wordt aangemerkt degene die zijn woonplaats heeft in Rotterdam.

  • 3.

    In afwijking van de voorgaande leden kan deze verordening ten aanzien van opvang en beschermd wonen, al dan niet in verband met risico’s voor veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, betrekking hebben op een ieder die zich voor deze ondersteuning tot het college wendt.

  • 4.

    Deze verordening heeft ook betrekking op ambulante opvoedhulp in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Verordening Jeugdhulp Rotterdam 2015, die wordt verleend aan ouders die met hun kind(eren) in de opvang verblijven, alsmede op huisvesting van die kinderen, in het kader van een maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren en/of huisvesting, als bedoeld in artikel 11, eerste lid.

 

Artikel 3 Vertegenwoordiger

Waar in deze verordening gesproken wordt over cliënt, kan in voorkomende gevallen ook worden bedoeld de vertegenwoordiger van cliënt.

 

Artikel 4 Nadere regels en beleidsregels

Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen ter uitvoering van deze verordening.

 

Paragraaf 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag

 

Artikel 5 Melding

Een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, kan door of namens een persoon worden gedaan: a. bij een daartoe ingerichte locatie in de gemeente; b. telefonisch via het centrale informatienummer van de gemeente; c. schriftelijk; d. digitaal; of e. via een andere, door het college geopende mogelijkheid.

 

Artikel 6 Onderzoek en gespreksverslag

  • 1.

    De medewerker die de melding in behandeling neemt, voert een onderzoek uit met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 2.3.2 van de wet en maakt van dit onderzoek een gespreksverslag waarin hij de resultaten van het onderzoek en het eventuele ondersteuningsplan vastlegt.

  • 2.

    De cliënt wordt in de gelegenheid gesteld aanvullingen of correcties te plaatsen bij het gespreksverslag en deze getekend voor gezien of akkoord aan het college te verstrekken.

  • 3.

    [vervallen].

 

Artikel 7 Aanvraag

  • 1.

    De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt schriftelijk ingediend door middel van het ondertekenen van een daarvoor opgenomen passage in het gespreksverslag, als bedoeld in artikel 6, waarbij de cliënt tevens aangeeft of hij de ondersteuning wenst te ontvangen in de vorm van een maatwerkvoorziening of in de vorm van een pgb.

  • 2.

    Als het onderzoek niet binnen zes weken is afgerond of als het college de cliënt in de gelegenheid wil stellen alvast een aanvraag in te dienen, terwijl het gespreksverslag nog niet beschikbaar is, is een aanvraag ook mogelijk via een daartoe door het college vastgesteld formulier.

  • 3.

    Het college kan in het dringende belang van de cliënt besluiten om: a. een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is  dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend; of b. een al dan niet ambtshalve ingediende aanvraag in behandeling te nemen zonder ondertekend gespreksverslag, indien en zolang de cliënt niet in staat of bereid is het gespreksverslag te ondertekenen.

  • 4.

    Het college kan besluiten dat een aanvraag ook op een andere wijze mogelijk is.

 

Paragraaf 3 Inzet van voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning

 

Artikel 8 Inzet voorzieningen

  • 1.

    Het college kan de maatschappelijke ondersteuning aan een cliënt bieden in de vorm van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen.

  • 2.

    Het college kan nadere voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van algemene en maatwerkvoorzieningen.

  • 3.

    De voorwaarden en verplichtingen kunnen in ieder geval betrekking hebben op: a. de medewerking aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte; b. de medewerking aan het opstellen en uitvoeren van het ondersteuningsarrangement, gericht op de daarin geformuleerde resultaten; c. het naleven van leef- en gedragsregels bij het gebruik van een voorziening.

 

Artikel 9 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een cliënt kan binnen de kaders van de wet, met name de artikelen 1.2.1 en 2.3.5, het door de raad vastgestelde beleidsplan en deze verordening in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Een cliënt kan alleen in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien naar het oordeel van het college de mogelijkheden van de cliënt om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen afwezig of ontoereikend zijn om: a. de beperkingen die de cliënt ondervindt in de zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen en de cliënt met een, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven functioneren; b. de problemen die de cliënt ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving, als sprake is van een cliënt met psychische of psychosociale problemen of die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te verminderen of weg te nemen en de cliënt met de, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld om zich uiteindelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 3.

    Het college besluit, indien de cliënt op een maatwerkvoorziening is aangewezen, tot de goedkoopst doelmatige maatwerkvoorziening.

  • 4.

    Het college kan een maatwerkvoorziening, anders dan in de vorm van dienstverlening, in bruikleen of in eigendom verstrekken.

 

Artikel 10 Algemene aanvullende criteria maatwerkvoorziening

In aanvulling op artikel 9 hanteert het college voor een maatwerkvoorziening, voor zover relevant, de volgende criteria:

1.

  • 1.

    er is sprake van kosten of voorzieningen die, gelet op de situatie van de cliënt, niet algemeen gebruikelijk zijn;

  • 2.

    de maatwerkvoorziening is, gelet op de persoon, veilig voor hemzelf en zijn omgeving en brengt geen gezondheidsrisico’s met zich mee;

  • 3.

    er is geen sprake van een verzoek tot vervanging van een eerder verstrekte voorziening terwijl deze nog in voldoende mate ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven;

  • 4.

    de melding is gedaan op een zodanig moment, dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning kan plaatsvinden;

  • 5.

    de cliënt werkt binnen zijn vermogen in voldoende mate mee aan het opstellen en nakomen van het ondersteuningsplan dat naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor het bereiken van de resultaatgebieden;

  • 6.

    de noodzaak tot het verstrekken van een voorziening is niet aan de cliënt te verwijten;

  • 7.

    de noodzakelijke maatwerkvoorziening leidt tot meerkosten voor de cliënt ten opzichte van de situatie waarin een vergelijkbare persoon zonder dergelijke belemmeringen verkeert.

 

  • 1.

    Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie.

 

Artikel 11 Ondersteuning binnen resultaatgebieden

  • 1.

    De ondersteuning in de vorm van dienstverlening vindt plaats in de vorm van een ondersteuningsarrangement, binnen één of meer van de volgende door het college, in overleg met de cliënt, vastgestelde resultaatgebieden: a. sociaal en persoonlijk functioneren; b. het voeren van een huishouden, inclusief het voeren van de regie over het doen van het huishouden; c. financiën; d. dagbesteding; e. zelfzorg en gezondheid; f. huisvesting; g. mantelzorgondersteuning met verblijf.

  • 2.

    Het ondersteuningsarrangement wordt vastgesteld met behulp van een door het college vastgesteld indicatieprotocol.

 

Artikel 12 Aanvullende criteria vervoer dagbesteding

Als een cliënt in aanmerking komt voor ondersteuning in de vorm van dagbesteding, kan hij in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor het vervoer naar deze dagbesteding, voor zover dit vervoer op medische gronden noodzakelijk is.

Artikel 13 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening zelfzorg en gezondheid

Een maatwerkvoorziening voor ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid, als bedoeld in artikel 11, onder e, is niet van toepassing als de dominante grondslag voor de ondersteuning gelegen is in een psychogeriatrische, lichamelijke of somatische aandoening.

 

Artikel 14 Aanvullende criteria voor maatwerkvoorziening huisvesting.

  • 1.

    Voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van het resultaatgebied huisvesting gelden de volgende criteria in aanvulling op artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b: a. de cliënt heeft psychische of psychosociale problemen, in combinatie met problemen op één of meerdere leefgebieden of de cliënt heeft de thuissituatie verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld; b. de cliënt is meer dan 3 etmalen per week aangewezen op een beschermde woonomgeving of permanent toezicht in de vorm van opvang of beschermd wonen

  • 2.

    De algemene aanvullende criteria voor een maatwerkvoorziening, zoals opgenomen in artikel 10, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel e, gelden niet voor de maatwerkvoorziening ten behoeve van dit resultaatgebied.

  • 3.

    Een maatwerkvoorziening voor huisvesting is niet mogelijk in combinatie met een maatwerkvoorziening voor het voeren van een huishouden, inclusief het voeren van de regie over het doen van het huishouden, bedoeld in artikel 11, onder b.

 

Artikel 15 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening mantelzorgondersteuning met verblijf

  • 1.

    Voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van mantelzorgondersteuning, gepaard gaand met verblijf, gelden de volgende aanvullende criteria:

  • 2.

    de cliënt is aangewezen op ondersteuning, gepaard gaand met permanent toezicht;

  • 3.

    ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg levert is noodzakelijk; en

  • 4.

    de cliënt is gedurende maximaal 3 etmalen per week aangewezen op deze maatwerkvoorziening.

    • 1.

      Voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van mantelzorgondersteuning met verblijf gelden niet de aanvullende criteria, genoemd in artikel 10, a, d en g.

    • 2.

      Mantelzorgondersteuning, gepaard gaand met verblijf, is niet mogelijk in combinatie met een maatwerkvoorziening voor het resultaatgebied huisvesting.

 

Artikel 16 Aanvullende criteria voor maatwerkvoorziening doventolk

Voor een maatwerkvoorziening voor het inschakelen van een doventolk gelden de volgende aanvullende criteria:

  • 1.

    de cliënt is doof, doofblind of zwaar slechthorend;

  • 2.

    de doventolk is noodzakelijk voor zijn zelfredzaamheid in de privé-situatie.

 

Artikel 17 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening sociaal-recreatief vervoer

  • 1.

    Het college kan een maatwerkvoorziening voor sociaal-recreatief vervoer verstrekken als hij als gevolg van zijn beperkingen, chronische psychische of psycho-sociale problemen belemmeringen ondervindt bij het zich lokaal verplaatsen.

  • 2.

    Het college hanteert bij de verstrekking van een vervoersvoorziening voor sociaal-recreatief vervoer een maximaal reisbereik van 1.500 km of 312 ritten per jaar, tenzij door in de cliënt gelegen omstandigheden een hoger aantal kilometers of ritten noodzakelijk is.

  • 3.

    De voorziening voor sociaal-recreatief vervoer kan bestemd zijn voor: a. een vervoerspas voor het gebruik van het CAV; b. vervoer per eigen vervoermiddel; c. vergoeding van de kosten van vervoer per taxi; d. vergoeding van de kosten van een parkeervoorziening.

  • 4.

    Het college legt het primaat bij het gebruik van het CAV, als het CAV de cliënt naar het oordeel van het college in voldoende mate in staat stelt tot participatie en zelfredzaamheid. Als het college van oordeel is dat het primaat van het CAV op de cliënt van toepassing is, doch deze wenst hier geen gebruik van te maken, dan kan de cliënt in aanmerking komen voor een pgb, mits de cliënt: a. voor een termijn van 5 jaar, te rekenen vanaf de datum van bekendmaking van het besluit tot toekenning van het pgb, afziet van het gebruik van het CAV; en b. het pgb gebruikt voor de aanschaf van een gehandicaptenvoertuig of de aanpassing van de eigen personenauto of brommobiel.

  • 5.

    Een persoon die naar het oordeel van het college bij het vervoer met het CAV is aangewezen op persoonlijke begeleiding, kan gratis een begeleider mee laten reizen.

  • 6.

    Een cliënt die gebruik maakt van CAV kan een rit tevens boeken voor zijn minderjarige kinderen die met hem meereizen, anders dan als begeleider. Minderjarige klanten van het CAV die niet zijn aangewezen op begeleiding bij het vervoer kunnen eveneens na toestemming van het college een rit boeken voor een meereizende.

  • 7.

    Een cliënt kan, als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is, aanspraak maken op een extra begeleidingsservice, bestaande uit het begeleiden tot in de hal van de eigen woning.

  • 8.

    Een cliënt van 75 jaar of ouder kan in aanmerking komen voor een algemene voorziening voor het gebruik van het CAV in de avonduren vanaf 19.00 uur. Het derde tot en met achtste lid zijn op deze algemene voorziening niet van toepassing.

  • 9.

    Als een cliënt een geboekte rit van het CAV niet uiterlijk één uur voor de geplande aanvang heeft geannuleerd bij de vervoerder: a. wordt de rit afgeboekt van het saldo ritten dat nog ter beschikking staat; en b. is de cliënt voor de geboekte rit en eventuele meereizenden, anders dan de begeleider, de ritprijs verschuldigd. Het college kan met de vervoerder afspreken dat hij voor een niet tijdig geannuleerde rit aanvullend een redelijke bijdrage in verband met het niet nakomen van de vervoersafspraken bij de cliënt in rekening mag brengen.

  • 10.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor een combinatie van vervoersvoorzieningen, als dit voor zijn participatie of zelfredzaamheid noodzakelijk is.

  • 11.

    Het college verstrekt een open gehandicaptenvoertuig alleen als de cliënt kan beschikken over een adequate stallingruimte voor het voertuig.

 

Artikel 18 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening rolstoel

  • 1.

    Het college kan een maatwerkvoorziening voor een rolstoel toekennen als cliënt als gevolg van zijn beperking belemmeringen ondervindt bij het zich verplaatsen in en om de woning.

  • 2.

    Het college verstrekt een elektrische rolstoel alleen als de cliënt kan beschikken over een adequate stallingruimte voor de elektrische rolstoel.

 

Artikel 19 Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningen

  • 1.

    Het college kan een maatwerk woonvoorziening voor een woning in Rotterdam verstrekken voor: a. de aanpassing van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben en die geschikt is om het hele jaar door te worden bewoond, als een verhuizing geen adequate oplossing biedt voor cliënt; of b. het bezoekbaar maken van een woning waarin de cliënt die in een instelling verblijft, regelmatig komt, in de zin dat de woonkamer en het toilet door hem bereikt en gebruikt kunnen worden en er, onverlet bijzondere situaties, niet eerder in Rotterdam of een andere gemeente een woning voor de cliënt bezoekbaar is gemaakt.

  • 2.

    Onverminderd hetgeen is bepaald in de artikelen 9, 10 en 23, kan het college voor de kosten van een verhuizing een pgb verstrekken, voor zover de te verlaten woning in Rotterdam staat.

  • 3.

    Een woonvoorziening voor de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex is niet mogelijk als het wooncomplex specifiek is bestemd voor de huisvesting van ouderen of personen met een beperking.

  • 4.

    Het college kan als onderdeel van een woonvoorziening de dubbele woonkosten in verband met tijdelijke huisvesting vergoeden, als een cliënt tijdelijk elders moet wonen totdat de woning van de cliënt is aangepast.

  • 5.

    Het college weigert een voorziening indien de belemmeringen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud dan wel het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de daaromtrent geldende wettelijke eisen.

  • 6.

    In afwijking van het vorige lid kan het college een pgb verstrekken voor de kosten van een verhuizing, als: a. de cliënt aantoonbaar goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te doen wegnemen; en b. er met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijk aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht is op de opheffing van de gebreken aan de woning.

  • 7.

    Het college verstrekt geen woonvoorziening: a. als de cliënt een maatwerkvoorziening ontvangt voor huisvesting; b. voor zover de cliënt een indicatie heeft op grond van de Wet langdurige zorg; c. voor verblijf in een hotel, pension, trekkerswoonwagen of tweede woning.

 

Artikel 20 Aanvullende criteria sportvoorzieningen

  • 1.

    Het college kan ten behoeve van het uitoefenen van een sport een pgb verstrekken voor: a. de meerkosten van een speciaal voor personen met een beperking ontwikkeld of aangepast sporthulpmiddel; b. de onderhoudskosten van het sporthulpmiddel; c. de aantoonbare meerkosten voor het lidmaatschap van een sportvereniging.

  • 2.

    Het pgb voor de aanschafkosten van een sporthulpmiddel is gelijk aan de feitelijke kosten van de voorziening, met een maximum ter hoogte van de afschrijvings- en onderhoudskosten van een gemiddelde sportrolstoel per jaar.

  • 3.

    Het college kan besluiten de aanspraak over zes jaren als een bedrag ineens uit te keren, mits het pgb niet bestemd is voor de kosten van het lidmaatschap van een sportvereniging.

 

Paragraaf 4 Overige maatregelen

 

Artikel 21 Blijk van waardering voor mantelzorgers

  • 1.

    Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners van Rotterdam en voor Rotterdamse mantelzorgers, in de vorm van:

    • 1.

      een jaarlijkse activiteit voor mantelzorgers;

    • 2.

      een jaarlijks attentie.

  • 2.

    Het college kan steekproefsgewijs controleren of de attentie rechtmatig is verstrekt.

  • 3.

    Als het college heeft vastgesteld dat de attentie niet rechtmatig is verstrekt, kan het college besluiten de persoon voor één of meerdere jaren uit te sluiten van het recht op een attentie.

  • 4.

    Het college kan nadere regels stellen over in ieder geval: a.  de vorm en waarde van de attentie; b. de wijze waarop de mantelzorger in aanmerking kan komen voor de attentie; c.  het totaal aantal attenties dat het college per jaar beschikbaar stelt.

 

Artikel 22 Tegemoetkoming meerkosten zorg

  • 1.

    Een persoon met een beperking, chronische ziekte of chronische psychische of psychosociale problemen kan in een kalenderjaar in aanmerking komen voor een forfaitaire tegemoetkoming meerkosten zorg, als hij in het kalenderjaar daaraan voorafgaand, zijnde het peiljaar, daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten heeft gehad.

  • 2.

    Een gehuwde of daarmee gelijkgestelde persoon komt alleen voor de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming in aanmerking, als het inkomen van hem en zijn partner samen in het peiljaar niet meer bedraagt dan 130% van het bruto wettelijk minimumloon, vermeerderd met 8% vakantietoeslag.

  • 3.

    Een alleenstaande, al dan niet met tot zijn huishouden behorende minderjarige kinderen, komt alleen voor de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming in aanmerking als zijn inkomen in het peiljaar niet meer bedraagt dan 130% van 70% van het bruto wettelijk minimumloon, vermeerderd met 8% vakantietoeslag.

  • 4.

    De aanvraag voor een tegemoetkoming moet worden ingediend vóór 1 oktober van het kalenderjaar, volgend op het peiljaar door middel van een daartoe door het college vastgesteld formulier.

  • 5.

    In afwijking van het vorige lid kan het college een tegemoetkoming ook ambtshalve verstrekken, indien het college over de noodzakelijke gegevens beschikt om het recht op een tegemoetkoming vast te stellen.

  • 6.

    Binnen een huishouden kunnen meerdere personen aanspraak maken op een tegemoetkoming, doch de meerkosten kunnen slechts éénmaal per huishouden als grondslag dienen voor de tegemoetkoming.

  • 7.

    Het college controleert steekproefsgewijs of de tegemoetkoming rechtmatig is verstrekt.

  • 8.

    Als het college heeft vastgesteld dat de tegemoetkoming niet rechtmatig is verstrekt, kan het college besluiten: a. de tegemoetkoming terug te vorderen; b. de persoon voor één of meerdere jaren uit te sluiten van het recht op een tegemoetkoming.

  • 9.

    Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen ten aanzien van in ieder geval de volgende onderwerpen:

    • a.

      de situaties waarin een beperking, chronische ziekte en meerkosten aannemelijk worden geacht, waarbij een cliënt aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt geacht wordt in ieder geval aannemelijke meerkosten te hebben;

    • b.

      de wijze en hoogte waarop het college het inkomen, bedoeld in het tweede en derde lid, vaststelt;

    • c.

      de wijze waarop het college omgaat met het inkomen en de meerkosten van een kind, waarbij het college kan afwijken van de bepalingen in dit artikel;

    • d.

      de wijze waarop het college omgaat met wijzigingen in het peiljaar;

    • e.

      de hoogte van de tegemoetkoming, die mede afhankelijk wordt gesteld van het budgettaire kader.

 

Paragraaf 5 Ondersteuning in de vorm van een pgb

 

Artikel 23 Mogelijkheden tot het kiezen voor een pgb

  • 1.

    Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, dient de cliënt daartoe volgens een door het college ter beschikking gesteld format een gemotiveerde aanvraag en zorg- en budgetplan in, waarbij de cliënt aangeeft: a. wat hij met het pgb wenst in te kopen; b. waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; c. indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; d. hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren; e. op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; f. een onderbouwde begroting.

  • 2.

    Een pgb is alleen mogelijk als: a. naar het oordeel van het college is voldaan aan alle in artikel 2.3.6, tweede lid, van de wet, genoemde voorwaarden en de weigeringsgronden van artikel 2.3.6, vijfde lid, van de wet niet van toepassing zijn; b. de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat;

c. de cliënt naar het oordeel van het college in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren of hij daarvoor iemand heeft gemachtigd die: 1o  is verbonden aan een organisatie die beschikt over een keurmerk van het Keurmerkinstituut als goedgekeurd pgb-bureau; of 2o een persoon is die niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht, tenzij dit, gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden.

  • 1.

    Een pgb is niet mogelijk: a. als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet; b. voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college, al dan niet op basis van het in het eerste lid bedoelde zorg- en budgetplan; c. voor sociaal-recreatief vervoer als de cliënt in deze behoefte kan voorzien door gebruik te maken van het CAV, tenzij de cliënt gebruik maakt van de in artikel 17, vierde lid, genoemde mogelijkheid; d. voor zover deze is bedoeld voor begeleidings- of administratiekosten in verband met het pgb.

  • 2.

    Een cliënt heeft de mogelijkheid om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het informele circuit, als hij daarvoor blijkens het ingediende zorg- en budgetplan aan die persoon een vergoeding verstrekt die past binnen de kaders van het maximale pgb-tarief dat het college ter beschikking stelt voor informele zorg.

  • 3.

    De ondersteuning in de vorm van dienstverlening binnen een resultaatgebied kan òf in de vorm van een maatwerkvoorziening òf in de vorm van een pgb worden verstrekt.

  • 4.

    Binnen een resultaatgebied wordt voor dienstverlening òf het tarief voor professionele ondersteuning òf het tarief voor ondersteuning binnen het informele circuit gehanteerd.

  • 5.

    Cliënt is verplicht het pgb aan te wenden voor de ondersteuning, zoals opgenomen in het ondersteuningsplan.

 

Artikel 24 Hoogte van het pgb en begroting

  • 1.

    Het college stelt de hoogte van het pgb vast op basis van de door de cliënt ingediende begroting voor de benodigde ondersteuning, voor zover dit blijft binnen de grenzen van de maximale pgb-tarieven, genoemd in deze paragraaf voor de betreffende vorm van ondersteuning.

  • 2.

    Het college houdt, voor zover relevant, bij de vaststelling van de hoogte van het pgb rekening met het feit of er sprake is van professionele ondersteuning of ondersteuning in het informele circuit.

  • 3.

    Het college stelt nadere criteria op om te bepalen of er sprake is van professionele ondersteuning door een organisatie, freelancer of zelfstandige zonder personeel, waarbij het college waar mogelijk aansluit bij de kwaliteitscriteria die worden gesteld aan aanbieders.

  • 4.

    Voor zover de cliënt door de verstrekking van een pgb kosten bespaart voor een in zijn situatie algemeen gebruikelijk te achten product, kan het college besluiten die kosten in mindering te brengen op het pgb.

  • 5.

    De kostprijs van een pgb wordt afgeleid van de kostprijs van een vergelijkbare maatwerkvoorziening.

  • 6.

    Het college kan bepalen dat van een pgb voor dienstverlening een bedrag vrij kan worden besteed binnen de kaders van de ondersteuning.

 

Artikel 25 Pgb voor dienstverlening

  • 1.

    Voor zover het pgb bestemd is voor de inkoop van dienstverlening door een dienstverlener die in dienst is van of werkt voor een professionele organisatie die gericht is op de verlening van deze ondersteuning, dan wel als professionele freelancer of zelfstandige zonder personeel werkzaam is voor de in te kopen dienstverlening, bedraagt het pgb 90% van de kostprijs van een vergelijkbare maatwerkvoorziening in natura.

  • 2.

    Voor zover het pgb bestemd is voor de inkoop van dienstverlening door iemand uit het informele circuit, bedraagt het pgb: a. ten behoeve van het resultaatgebied het voeren van het huishouden: 62,4% van de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura; b. ten behoeve van de resultaatgebieden, genoemd in artikel 11, onder a, c, d en e: 48,4% van de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura.

Artikel 26 Pgb voor mantelzorgondersteuning met verblijf

  • 1.

    Voor zover het pgb bestemd is voor het resultaatgebied mantelzorgondersteuning met verblijf, bedraagt het pgb 90% van de kostprijs van de maatwerkvoorziening in natura, als deze ondersteuning wordt geleverd door een professionele organisatie.

  • 2.

    Voor zover het pgb bestemd is voor het resultaatgebied mantelzorgondersteuning met verblijf en deze wordt geleverd in het informele circuit, bedraagt het pgb:

    • 1.

      34,9% van de kostprijs van de maatwerkvoorziening als er geen noodzaak is voor individuele ondersteuning;

    • 2.

      44,8% van de kostprijs van de maatwerkvoorziening als er wel een noodzaak is voor individuele ondersteuning.

 

Artikel 27 Pgb voor huisvesting

Voor zover het pgb bestemd is voor het resultaatgebied huisvesting, wordt het pgb vastgesteld op basis van de resultaatgebieden, genoemd in artikel 11, eerste lid, onder a t/m e.

 

Artikel 28 Pgb overige maatwerkvoorzieningen

1. Het college stelt het pgb voor overige maatwerkvoorzieningen vast op maximaal de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura, waarbij het college er zorg voor draagt dat de cliënt met het pgb in staat is kwalitatief goede ondersteuning in te kopen.

2. Het college kan het pgb in ieder geval lager vaststellen dan de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura, als de cliënt gebruik maakt van ondersteuning in het informele circuit.

  • 1.

    Ten aanzien van een pgb voor sociaal-recreatief vervoer hanteert het college als uitgangspunt het historisch gemiddelde vervoerspatroon van de cliënten in Rotterdam.

 

Artikel 29 Besteding en verantwoording van het pgb

  • 1.

    De cliënt besteedt het pgb conform het door het college goedgekeurde zorg- en budgetplan.

  • 2.

    De cliënt voldoet aan de eisen die aan het pgb worden gesteld, met name in relatie tot verantwoording en trekkingsrecht.

 

Paragraaf 6 Bijdragen voor het gebruik van voorzieningen

 

Artikel 30 Vergoeding algemeen gebruikelijke kosten

  • 1.

    De aanbieder van een algemene of maatwerkvoorziening kan aan de cliënt een vergoeding vragen ter gehele of gedeeltelijke compensatie van de algemeen gebruikelijke kosten die onderdeel uitmaken van de algemene of maatwerkvoorziening, voor zover dat tussen college en aanbieder is afgesproken. Het gaat hierbij in ieder geval om algemeen gebruikelijke kosten: a. voor het gebruik van consumpties en maaltijden bij inloop, dag- en nachtopvang; b. voor het gebruik van materialen bij dagbesteding; c. voor het gebruik van woonruimte; d. voor het gebruik van Vervoer op Maat; e. voor het doen van een was; f. voor uitstapjes en deelname aan activiteiten.

  • 2.

    De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, wordt vastgesteld op basis van objectieve criteria, zoals richtlijnen van het NIBUD, tarief van het openbaar stadsvervoer of landelijke modellen voor de berekening van de huurprijs van woonruimte en bedragen niet meer dan de kostprijs voor de aanbieder van de voorziening.

  • 3.

    De aanbieder maakt de verschuldigdheid en hoogte van de bijdrage voldoende bekend.

  • 4.

    Een cliënt die gebruik maakt van de voucherregeling HHT Rotterdam is voor de aanschaf van de voucher een eigen bijdrage verschuldigd van € 5,- per voucher.

 

Artikel 31 Inkomensafhankelijke eigen bijdrage maatwerk-voorziening en pgb

  • 1.

    Een cliënt is voor een maatwerkvoorziening of pgb een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage verschuldigd, voor zover dat bij of krachtens de wet mogelijk is.

  • 2.

    Een cliënt is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening die op grond van artikel 7, derde lid, ambtshalve is verstrekt.

  • 3.

    Indien de maatwerkvoorziening of pgb is verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing van een minderjarig kind, is de eigen bijdrage verschuldigd door de in artikel 2.1.5, eerste lid, van de wet, bedoelde persoon of personen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid is geen eigen inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage verschuldigd voor: a. het gebruik van Vervoer op Maat voor sociaal-recreatief vervoer; b. het gebruik van een doventolk; c. dag- en nachtopvang; d. de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex.

 

Artikel 32 Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb

  • 1.

    De eigen bijdrage wordt vastgesteld conform hoofdstuk 1, paragrafen 1 en 2 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en bedraagt maximaal de kostprijs van de maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Het college brengt de eigen bijdrage in rekening:

    • 1.

      voor dienstverlening: zolang de indicatie niet is ingetrokken en er in een periode ondersteuning is geboden;

    • 2.

      voor een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening, anders dan onder a: zolang de cliënt in bezit is van de voorziening of, als dat korter is, totdat de niet per periode vastgestelde kostprijs van de eenmalig verstrekte voorziening is voldaan;

    • 3.

      voor een maatwerkvoorziening, anders dan onder a, waarvan de kostprijs per periode wordt vastgesteld: zolang de indicatie voor de voorziening niet is ingetrokken;

    • 4.

      voor een eenmalig verstrekt pgb: tot de hoogte van het verstrekte pgb is voldaan of de duur waarvoor het pgb is verstrekt is verstreken;

    • 5.

      bij een periodieke pgb-verstrekking over iedere periode waarover een pgb is verstrekt.

  • 3.

    Als een persoon over een periode voor meerdere voorzieningen een eigen bijdrage is verschuldigd, dan komt de betaalde eigen bijdrage allereerst ten goede van de voorziening die eenmalig is verstrekt en waarvoor het college geen huur verschuldigd is.

 

 

Artikel 33 Eigen bijdrage maatwerkvoorziening huisvesting

  • 1.

    Een cliënt is in afwijking van artikel 32 overeenkomstig dit artikel een eigen bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van het resultaatgebied huisvesting voor opvang en beschermd wonen.

  • 2.

    De eigen bijdrage wordt vastgesteld conform hoofdstuk 1, paragraaf 1 en 3, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, voor beschermd wonen of hoofdstuk 1, paragrafen 1 en 4, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, voor opvang.

  • 3.

    Een cliënt is de eigen bijdrage verschuldigd zolang de maatwerkvoorziening niet is ingetrokken en de huisvesting voor cliënt beschikbaar is.

  • 4.

    Afwezigheid uit de instelling, anders dan in verband met beëindiging van de voorziening, wordt voor de verschuldigdheid van de eigen bijdrage buiten beschouwing gelaten.

  • 5.

    De eigen bijdrage voor opvang in verband met risico’s voor de veiligheid in verband met huiselijk geweld, wordt vastgesteld en geïnd door de instelling waar de cliënt verblijft.

De eigen bijdrage voor opvang, anders dan bedoeld in het vorige lid, wordt vastgesteld en geïnd door het CAK.

 

 

 

 

Paragraaf 7 Vaststelling kostprijs

 

Artikel 34 Vaststelling kostprijs pgb

  • 1.

    De kostprijs van een eenmalig pgb is gelijk aan de hoogte van het toegekende pgb.

    • 1.

      De kostprijs van een periodiek verstrekt pgb is per periode gelijk aan de hoogte van het pgb dat per periode is toegekend.

 

Artikel 35 Vaststelling kostprijs maatwerkvoorziening

  • 1.

    De kostprijs van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening, anders dan voor dienstverlening, wordt als volgt vastgesteld: a. als er sprake is van een maatwerkvoorziening in natura die door de gemeente wordt gehuurd, wordt de kostprijs per periode vastgesteld en is gelijk aan de huur die de gemeente voor de voorziening over die periode verschuldigd is aan de verhuurder van de voorziening; b. als er sprake is van een maatwerkvoorziening in natura die door de gemeente wordt of zou worden ingekocht, wordt de kostprijs vastgesteld op de vergoeding die de gemeente hiervoor verschuldigd is of zou zijn als hij deze had ingekocht.

  • 2.

    De kostprijs van een arrangement voor dienstverlening wordt per periode vastgesteld en is gelijk aan de vergoeding die de gemeente voor de dienstverlening, opvang of beschermd wonen over die periode verschuldigd is.

 

Paragraaf 8 Kwaliteit, klachten en inspraak

 

Artikel 36 Kwaliteitseisen

  • 1.

    Het college draagt er zorg voor dat de kwaliteitseisen, genoemd in artikel 3.1 van de wet, worden opgenomen in de contracten met de aanbieders.

  • 2.

    Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de aanbieder in het kader van een overeenkomst met de gemeente opereert, draagt het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen.

  • 3.

    Als een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, is de hoofdaanbieder er verantwoordelijk voor dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt.

  • 4.

    De aanbieder draagt er zorg voor dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen.

  • 5.

    Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning.

 

Artikel 37 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door aanbieders

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, stelt het college redelijke budgetten beschikbaar voor de te leveren ondersteuning.

  • 2.

    Bij de vaststelling van de budgetten voor dienstverlening houdt het college rekening met: a. de personele kosten voor de inzet van voldoende geschoold en ervaren personeel in relatie tot de doelgroep aan wie de ondersteuning wordt geboden, waarbij sprake is van een reële mix van opleiding en ervaring; b. een redelijk percentage voor overheadkosten; c. een redelijke norm voor inzetbaarheid van personeel.

  • 3.

    Het college kan de uiteindelijk over een kalenderjaar te betalen vergoeding aan een aanbieder van dienstverlening korten met maximaal het bedrag waarmee bezoldigingen en uitgekeerde ontslagvergoedingen aan al dan niet ingehuurde (deeltijd) medewerkers, bestuurders en toezichthouders over dat jaar (naar rato) meer bedragen dan de normen, zoals bedoeld in artikel 2.3 en 2.10 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.

  • 4.

    Het college houdt bij het verlenen van de opdracht voor te leveren overige voorzieningen, rekening met: a. de marktprijs van de voorziening; b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: 1o. aanmeten, levering en plaatsing van de voorziening;   2o. instructie over het gebruik van de voorziening; 3o. onderhoud van de voorziening.

 

Artikel 38 Medezeggenschap en klachten

  • 1.

    Iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening is verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten.

  • 2.

    Het college draagt zorg voor een dispuutmogelijkheid in de situatie dat de klacht door de aanbieder van de maatwerkvoorziening niet naar tevredenheid is afgehandeld.

  • 3.

    Het college behandelt disputen en klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen, overeenkomstig de bepalingen van de gemeentelijke klachtenverordening. Desgewenst kan men hierna de klacht voorleggen aan de gemeentelijke Ombudsman Rotterdam.

  • 4.

    De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn.

De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie over de medezeggenschap, klachtbehandeling en dispuutregeling voldoende kenbaar zijn voor de cliënten van zijn organisatie.

 

Artikel 39 Melding calamiteiten en geweld

  • 1.

    De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening dient te handelen conform de regels en afspraken die gelden voor: a. de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Rotterdam-Rijnmond; en b. het Samenwerkingsverband SISA, verwijsindex risico’s jeugdigen Rotterdam.

  • 2.

    Aanbieders melden calamiteiten en geweld bij het aanbieden van een maatwerkvoorziening actief aan de daarvoor door het college aangewezen toezichthouder.

 

Artikel 40 Brede Raad Rotterdam

  • [Vervallen]

 

 

Paragraaf 9 Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet

 

Artikel 41 Tegengaan oneigenlijk gebruik

Het college treft de nodige maatregelen om het oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:

  • 1.

    samenwerking zoeken met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;

  • 2.

    het aanwijzen van toezichthouders;

 

  • 1.

    aanbieders worden verplicht gesteld kosteloos hun medewerking te verlenen aan onderzoeken door of namens het college;

  • 2.

    het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;

  • 3.

    beperking van de looptijd van de indicaties, alsmede periodieke controles bij langlopende indicaties, zodat periodiek kan worden bezien of de indicatie van de cliënt, alsmede zijn pgb-budget, nog past bij zijn individuele situatie;

  • 4.

    een grondige toets aan de voorkant: 1o op de regiemogelijkheden van de cliënt of degene die de cliënt daarvoor wenst in te schakelen; 2o op de kwaliteit van de invulling van het door de cliënt te overleggen zorg- en budgetplan, mede met het oog op de te bereiken resultaten;

  • 5.

    monitoring van het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten;

  • 6.

    het opstellen van een niet limitatieve vergoedingenlijst waarin opgenomen is welke kosten wel en niet uit het pgb betaald mogen worden.

 

Artikel 42 Terugvordering

  • 1.

    Als het college een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of pgb geheel of gedeeltelijk heeft ingetrokken of ten nadele van de persoon heeft herzien, kan het college: a. het pgb of de kostprijs van de maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen; b. de cliënt verplichten de maatwerkvoorziening in te leveren; en c. de cliënt de mogelijkheid te bieden om zijn met het pgb aangeschafte voorziening in te leveren.

  • 2.

    Zodra de cliënt aan zijn betalingsverplichting ten aanzien van de terugvordering heeft voldaan, meldt het college dit bij het CAK, zodat deze de grondslag van de verschuldigde eigen bijdrage kan corrigeren.

 

Paragraaf 10 Slot- en overgangsbepalingen

 

Artikel 43 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van deze verordening naar het oordeel van het college tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

Artikel 44 Intrekking oude verordeningen

  • 1.

    De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2011 wordt ingetrokken.

  • 2.

    De Verordening eigen bijdrage maatschappelijke opvang Rotterdam 2013 wordt ingetrokken.

Artikel 45 Overgangsbepalingen

  • 1.

    Aanvragen voor ondersteuning die bij het college zijn ingediend voor 1 januari 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 2.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Vmor wordt beslist met inachtneming van de Vmor waarop het besluit is gebaseerd.

  • 3.

    Het college heeft de bevoegdheid een besluit op grond van de Vmor te herzien met toepassing van deze verordening:

    • 1.

      op de gronden, vermeld in de toepasselijke Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 (Vmor);

    • 2.

      indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van deze verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;

    • 3.

      indien de cliënt huishoudelijke verzorging ontvangt in natura en wenst over te stappen naar een andere aanbieder of naar een pgb;

    • 4.

      indien de cliënt huishoudelijke verzorging ontvangt in de vorm van een pgb en wenst over te stappen naar ondersteuning in natura;

    • 5.

      indien de cliënt huishoudelijke verzorging ontvangt in de vorm van een pgb gebaseerd op tijd in plaats van resultaatgebieden.

  • 4.

    Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder de Vmor terug te vorderen op de in de betreffende Vmor genoemde gronden.

  • 5.

    De cliënt aan wie voor 1 januari 2015 een voorziening is verstrekt waarvoor geen eigen bijdrage was verschuldigd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning is hiervoor geen eigen bijdrage verschuldigd tot het moment dat de voorziening wordt vervangen of de indicatie is ingetrokken of beëindigd.

  • 6.

    In afwijking van artikel 22, vierde lid, kan in 2015 een aanvraag worden ingediend vóór 1 december 2015.

  • 7.

    In afwijking van artikel 22, negende lid, worden personen die in 2015 een aanvraag indienen en over 2014 een individuele voorziening of pgb ontvingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, dan wel een indicatie hadden voor zorg, als bedoeld in de artikelen 4, 5, 6 of 9a van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, zonder dat sprake was van verblijf, als bedoeld in artikel 9 van voornoemd besluit, in ieder geval geacht aannemelijke meerkosten te hebben.

  • 8.

    Als aan een cliënt na beëindiging van het voor hem geldende overgangsrecht, als bedoeld in hoofdstuk 8 van de wet, niet tijdig een volledig onderzoek kan worden afgerond om op basis daarvan een besluit te nemen voor een aansluitend arrangement op basis van resultaatgebieden, kan het college besluiten een tijdelijk arrangement toe te kennen dat overeenkomt met de zorg die de cliënt voorheen ontving in het kader van het overgangsrecht.

  • 9.

    Een aanvrager van een tegemoetkoming meerkosten zorg, als bedoeld in artikel 22, die over 2015 in aanmerking kwam voor een tegemoetkoming meerkosten zorg, maar niet in 2016 en 2017 op grond van de hoogte van zijn bruto inkomen, kan over deze jaren in aanmerking komen als hij:

    • a.

      in het kalenderjaar, voorafgaand aan het aanvraagjaar, een tegemoetkoming heeft ontvangen;

    • b.

      een inkomen heeft dat gelijk is aan of lager is dan het toepasselijke norminkomen dat gold in 2015; en

    • c.

      ook overigens aan de vereisten voor een tegemoetkoming voldoet die gelden in het aanvraagjaar.

 

Artikel 46 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

 

Artikel 47 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 of Vmor 2015.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 16 oktober 2014.

 

De griffier,

 

 

 

J.G.A. Paans

De voorzitter,

 

 

 

A. Aboutaleb

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit gemeenteblad is uitgegeven op 3 november 2014 en ligt op werkdagen van 8.30 tot 16.00 uur ter inzage bij het Kenniscentrum Bestuursdienst Rotterdam (KBR), locatie Stadswinkel Centrum, Coolsingel 40 (zijde Doelwater, tegenover hoofdbureau politie)

(Zie ook: www.bis.rotterdam.nl – Regelgeving of Gemeentebladen chronologisch) Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015

 

Algemene toelichting

 

Inleiding

De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) schrijft voor dat het college moet zorgdragen voor maatschappelijke ondersteuning. Hieronder valt:

  • 1.

    het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld;

  • 2.

    het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen;

  • 3.

    het bieden van beschermd wonen en opvang.

 

Hoe aan deze opdracht invulling wordt gegeven, moet worden vastgelegd in een plan dat door de gemeenteraad wordt vastgesteld. Dit plan (in de verordening beleidsplan genoemd ter onderscheiding van de diverse plannen die in de Wmo 2015 aan de orde kunnen zijn) is voor de periode 2015-2018 vormgegeven in het Wmo-kader Rotterdam 2015-2018 “Rotterdammers voor elkaar”. Ter uitvoering van dit plan zullen uitvoeringsplannen worden opgesteld, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de ondersteuning van mantelzorgers en langer thuis blijven wonen.

 

Ten aanzien van en groot aantal zaken moet de gemeenteraad echter ook bij verordening regels stellen.

 

Deze regels hebben voornamelijk betrekking op aspecten van de hierboven bij 2 en 3 genoemde onderdelen van de maatschappelijke ondersteuning, maar ook op de ondersteuning van mantelzorgers.

 

Deze verordening geeft uitvoering aan deze opdracht.

 

Eigen verantwoordelijkheid van de burger voor zelfredzaamheid en participatie

De Wmo 2015 legt, meer dan de Wet maatschappelijke ondersteuning, de nadruk op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van de burger voor zijn eigen leven, zijn zelfredzaamheid en participatie.

 

Die eigen verantwoordelijkheid heeft meerdere kanten:

Een burger zal zich rekenschap moeten geven van en anticiperen op wat vaak inherent is aan nieuwe levensfases. Bij iedere levensfase horen bijvoorbeeld andere wensen ten aanzien van de toegankelijkheid van de woning, de grootte van de woning, de bereikbaarheid van winkels en voorzieningen. Een burger zal hierop zoveel mogelijk binnen zijn mogelijkheden om moeten anticiperen door tijdig maatregelen te nemen om voorbereid te zijn op een nieuwe levensfase.

 

 

Verantwoordelijkheid nemen voor je eigen leven betekent eveneens dat de burger ervoor zal moeten zorgen dat hij voldoende is verzekerd voor de kosten die hij niet zelf kan dragen (denk aan een aanvullende ziektekostenverzekering) en eventueel gebruik kan maken van de faciliteiten van een thuiszorgorganisatie voor de situatie dat hij tijdelijk ondersteuning nodig heeft of waar hij hand- en spandiensten van kan betrekken.

 

Ook zal hij bereid moeten zijn zelf te investeren in bepaalde hulpmiddelen die hij kan kopen in een gewone winkel of bijvoorbeeld een thuiszorgwinkel, zoals een sta-op stoel, een wandelstok of een rollator.

Dit zijn hulpmiddelen die de Rijksoverheid in het verleden bewust uit het hulpmiddelenpakket van de Zorgverzekeringswet heeft gehaald, omdat zij betaalbaar zijn, veel gebruikt worden of passen binnen een bepaalde levensfase, net als een kinderwagen bij jonge mensen. Feitelijk hebben deze hulpmiddelen hiermee een algemeen gebruikelijk karakter gekregen.

 

Eigen verantwoordelijkheid nemen kan ook betekenen dat rollen in huis anders verdeeld moeten worden of dat een kind dat toch op bezoek komt, meteen wat boodschappen meeneemt.

 

Niet iedere burger zal echter in staat zijn om die eigen verantwoordelijkheid, om wat voor reden dan ook, (volledig) te nemen. Waar een burger niet meer in staat is om zelf te voorzien in zijn zelfredzaamheid en participatie, kan hij een beroep doen op ondersteuning door het college.

 

Het college kijkt naar de mogelijkheden van de cliënt, de mogelijkheden van gebruikelijke hulp, van het netwerk rond de cliënt of om een vrijwilliger in te zetten, de beschikbaarheid van voorliggende voorzieningen, de mogelijkheid om gebruik te maken van voorzieningen in zijn buurt, zoals een maaltijdservice, een boodschappendienst of klussendienst of van algemene voorzieningen die het college ter beschikking stelt.

 

Als dit alles onvoldoende is om de cliënt voldoende te ondersteunen in zijn zelfredzaamheid en participatie, kan de cliënt een aanvraag indienen voor een (aanvullende) maatwerkvoorziening.

 

Opvang en beschermd wonen

Het college is er ook verantwoordelijk voor om opvang en beschermd wonen te bieden.

 

Opvang kan allereerst betrekking hebben op het bieden van onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.

 

Maar opvang kan ook in diverse vormen worden geboden aan personen die zich in verband met psychische of psychosociale problemen, verslaving of een combinatie daarvan niet op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving. Er kan sprake zijn van dag- of nachtopvang of begeleid wonen.

 

Voor personen met ernstige psychische of psychosociale problemen die zich niet zelfstandig kunnen handhaven, kan beschermd wonen worden geboden in een accommodatie van een instelling.

 

De begeleiding die wordt geboden is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van het psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen.

 

Mantelzorgondersteuning

Mantelzorgers dragen vaak in belangrijke mate bij aan de zelfredzaamheid en participatie van burgers en aan de mate waarin hun naasten nog in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. De mantelzorger is vertrouwd voor de persoon die ondersteuning behoeft en daardoor wordt deze vaak beter geaccepteerd dan professionele ondersteuning.

 

Een groot risico is dat mantelzorgers worden overbelast. Om dat te voorkomen kan ondersteuning aan de mantelzorger worden geboden. Bijvoorbeeld door de cliënt voor 1 of meer dagdelen per week naar de dagbesteding te laten gaan, zodat de mantelzorger even iets voor zichzelf kan doen. Ook respijtzorg is mogelijk, bijvoorbeeld als de mantelzorger op vakantie gaat. In dat geval wordt de mantelzorg tijdelijk overgenomen door een professionele hulpverlener.

 

Onder voorwaarden kan een cliënt ook 1 of meer etmalen per week worden opgenomen in een instelling. De belangrijkste voorwaarde daarbij is dat de cliënt permanent toezicht nodig heeft.

 

In de verordening is ook opgenomen dat het college zal zorgdragen voor een passende jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorger.

 

Afbakening andere wetgeving

De ondersteuning via de Wmo 2015 wordt begrensd door de ondersteuning en zorg die kan worden geboden op grond van de Jeugdwet, de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Een persoon die qua leeftijd tot de doelgroep van de Jeugdwet behoort, kan geen beroep doen op de Wmo 2015, tenzij het gaat om voorzieningen die de wetgever expliciet onder de Wmo 2015 laat vallen, zoals woningaanpassingen, sociaal-recreatief vervoer en hulpmiddelen.

 

Zorg die valt onder de Zorgverzekeringswet wordt niet geleverd via de Wmo 2015. Een combinatie van zorg via de Zorgverzekeringswet en ondersteuning via de Wmo 2015 is wel mogelijk.

 

Als iemand is geïndiceerd voor intramurale zorg via de Wet langdurige zorg, bestaat er geen recht op ondersteuning via de Wmo 2015, tenzij het gaat om het gebruik van algemene voorzieningen of een voorziening voor sociaal recreatief vervoer.

 

Dit betekent dat als iemand zijn zorg op grond van de Wet langdurige zorg niet verzilvert, maar met een zogenaamd Volledig Pakket Thuis of pgb thuis blijft wonen, geen beroep kan doen op aanvullende ondersteuning op grond van de Wmo 2015 voor bijvoorbeeld ondersteuning bij het doen van het huishouden of woningaanpassingen.

 

Toegang tot ondersteuning

De toegang tot ondersteuning verloopt via een aantal kanalen, te weten:

  • 1.

    stedelijke kanalen, zoals 14010, het digitale kanaal, Centraal Onthaal en het Jongerenloket;

  • 2.

    in het gebied via de (verbrede) VraagWijzerloketten. De VraagWijzer heeft een adviesfunctie voor de Rotterdammer die zichzelf meldt. In de verbrede VraagWijzer zit deskundigheid om advies te geven op hulpvragen over wonen, welzijn, zorg, inkomen/schulden en activering.

  • 3.

    In de wijk via wijkteams.

 

Ondersteuningsmodel

Rotterdammers die met ingang van 2015 gebruik gaan maken van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 krijgen een indicatie die is gebaseerd op een nieuw ondersteuningsmodel binnen de gemeente Rotterdam, het model van integrale ondersteuningsarrangementen. Dit geldt voor zowel nieuwe cliënten als cliënten die een herindicatie hebben ontvangen na afloop van hun overgangsrecht vanuit de AWBZ.

 

De arrangementen worden integraal opgebouwd uit een aantal resultaatgebieden, die tezamen gericht zijn op het behoud en zo mogelijk versterking van de zelfredzaamheid en participatie of voorzien in opvang of beschermd wonen.

 

De volgende resultaatgebieden worden gehanteerd in de beschrijving van de te behalen resultaten in het ondersteuningsplan:

  • 1.

    Sociaal en persoonlijk functioneren cliënt;

  • 2.

    Ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden;

  • 3.

    Financiën;

  • 4.

    Dagbesteding;

  • 5.

    Ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid;

  • 6.

    Huisvesting;

  • 7.

    Mantelzorgondersteuning met verblijf.

 

Binnen de arrangementen vindt een differentiatie plaats in de zwaarte van de ondersteuningsvorm. Om te bepalen hoe wordt vastgesteld welk arrangement voor een cliënt aangewezen is, zal het college een indicatieprotocol vaststellen.

 

Ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie kunnen ook maatwerkvoorzieningen in de vorm van bijvoorbeeld hulpmiddelen, rolstoelen, vervoersvoorzieningen en sportvoorzieningen noodzakelijk zijn.

Artikelsgewijze toelichting

 

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Definities

Het aantal definities in deze verordening is beperkt, omdat er al een groot aantal definities zijn opgenomen in de Wmo 2015 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

 

Beleidsplan

Het plan, zoals bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, wordt in deze verordening beleidsplan genoemd. Hierdoor ontstaat geen verwarring in relatie tot de andere plannen die in het kader van de uitvoering van de wet een rol spelen, zoals bijvoorbeeld het zorg- en budgetplan en het ondersteuningsplan.

 

Beperking

In artikel 1.1.1 van de wet is bepaald dat de maatschappelijke ondersteuning zich onder andere richt op de ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen.

Aangezien het begrip “beperking” in de wet verder niet is gedefinieerd of toegelicht, is hiervan een definitie opgenomen, om aan te geven dat het hier gaat om een lichamelijk of verstandelijk probleem.

 

Brede Raad Met de Brede Raad wordt in deze verordening bedoeld de adviesraad die het college heeft ingesteld voor het sociale domein. De adviesraad heeft in ieder geval de taak te adviseren over beleidsvoornemens en –uitvoering in het kader van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.

 

CAV

Het CAV is een door de gemeente opgezet collectief vervoerssysteem, waarmee ingezetenen op lokaal niveau kunnen reizen. Voor het bovenlokale vervoer is er een landelijke vervoersvoorziening waar cliënten gebruik van kunnen maken, al dan niet in combinatie met bijvoorbeeld de trein.

 

dienstverlening

Anders dan onder de oude Wet maatschappelijke ondersteuning en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten kent de Wmo 2015 geen begrippen als “huishoudelijke verzorging” of “persoonlijke verzorging”. Wel kent de wet het begrip “begeleiding”.

 

Om de ondersteunende taken in de vorm van dienstverlening te onderscheiden van ondersteuning in de vorm van bijvoorbeeld hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woningaanpassingen, is hier het begrip dienstverlening opgenomen. Bij dienstverlening gaat het om ondersteuning in de vorm van menselijk handelen, al dan niet in combinatie met opvang of beschermd wonen.

 

 

 

eigen bijdrage

Het begrip “eigen bijdrage” is in deze verordening gerelateerd aan de eigen bijdrage die het college kan vragen voor het gebruik van algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen of een pgb. De eigen bijdrage is iets anders dan de vergoeding die aanbieders van algemene of maatwerkvoorzieningen kunnen vragen voor kosten die algemeen gebruikelijk zijn. Bij dit soort kosten moet gedacht worden aan een bijdrage voor een kopje koffie bij de inloop, de reguliere kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer of de kosten van waspoeder die een cliënt uitspaart door gebruik te maken van de collectieve wasservice van een aanbieder.

 

medewerker

De medewerker is gedefinieerd als de persoon die de melding of aanvraag in behandeling neemt. Het in behandeling nemen van een melding of aanvraag geschiedt in ieder geval altijd door een professional, die daarvoor voldoende opleiding en kennis heeft en daartoe door het college is aangewezen.

 

ondersteuningsplan

Het verslag, dat wordt opgesteld op basis van het onderzoek dat naar aanleiding van de melding is verricht, bevat tevens de afspraken die met de cliënt zijn gemaakt. Deze afspraken hebben het karakter van een ondersteuningsplan. Hierin kan bijvoorbeeld worden vermeld welke acties de cliënt zelf moet ondernemen, of en zo ja welke verwijzingen er hebben plaatsgevonden, van welke algemene voorzieningen de cliënt gebruik kan maken en voor welke ondersteuning er een maatwerkvoorziening aan de orde is. Als er een maatwerkvoorziening voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening wordt verstrekt, zal dit ondersteuningsplan ook aan de zorgaanbieder worden verstrekt die de cliënt heeft gekozen voor de ondersteuning in natura. Indien de cliënt kiest voor een persoonsgebonden budget, is vormt het ondersteuningsplan de basis voor de cliënt om het zorg- en budgetplan op te stellen.

 

periode

Het CAK (Centraal Administratiekantoor) stelt de eigen bijdrage voor een voorziening vast en int deze vervolgens bij de cliënt. Het CAK doet dit per 4 weken. Wanneer in deze verordening gesproken wordt over “periode” wordt deze periode van 4 weken bedoeld.

 

pgb

In artikel 1.1.1 van de wet is de term “persoonsgebonden budget” gedefinieerd als: Bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden betrekt”.

 

Omdat in de praktijk vaker de afkorting pgb wordt gebruikt, is deze afkorting in de begrippenlijst opgenomen.

 

Het pgb is een alternatief voor een maatwerkvoorziening. Een cliënt kan derhalve geen pgb aanvragen voor een algemene voorziening die het college aanbiedt, zoals cliëntondersteuning of het gebruik van de wijkbus.

 

Vmor

Er kan sprake zijn van lopende voorzieningen die zijn verstrekt op basis van de voorlopers van deze voorziening. Met de afkorting Vmor worden beide verordeningen bedoeld die in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn vastgesteld.

 

Artikel 2 Reikwijdte verordening

Om in aanmerking te kunnen komen voor ondersteuning op grond van deze verordening moet iemand ingezetene zijn van Rotterdam.

 

Iemand is ingezetene als hij zijn woonplaats heeft in de gemeente Rotterdam. Het gaat hierbij blijkens jurisprudentie onder de oude Wet maatschappelijke ondersteuning om de feitelijke verblijfplaats, waarbij de inschrijving in de basisregistratie personen van de gemeente belangrijk is, maar niet doorslaggevend.

 

In het derde lid staat ten overvloede de wettelijke uitzondering op dit vereiste van ingezetenschap opgenomen: Voor de opvang, al dan niet in verband met huiselijk geweld (vrouwenopvang, mannenopvang) kan iedere ingezetene van Nederland zich melden.

 

Het kan voor het succes van een traject wenselijk zijn dat een cliënt elders opvang krijgt, bijvoorbeeld omdat hij daar personen heeft die hem kunnen ondersteunen. In dat geval kan het college in overleg treden met het college van die andere gemeente om de cliënt daar opvang te bieden.

Een ouder die samen met zijn/haar kind(eren) in de opvang verblijft, kan in bepaalde omstandigheden een combi-arrangement ontvangen, waarbij wordt voorzien in opvoedhulp vanuit de Verordening jeugdhulp Rotterdam 2015 en in huisvesting voor het kind/de kinderen.

Dit combi-arrangement valt voor de opvoedhulp onder het resultaatgebied “sociaal en persoonlijk functioneren”. Voor de huisvesting geldt het resultaatgebied “huisvesting”.

 

Artikel 3 Vertegenwoordiger

In de wet is de vertegenwoordiger gedefinieerd als “persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake”.

 

Als een cliënt niet zelfstandig in staat zijn tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij het doen van de melding en het indienen van de aanvraag.

 

Het college zal er op toezien dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Het college kan iemand als vertegenwoordiger weigeren als tegen de vertegenwoordiger ernstige bezwaren bestaan.

 

Artikel 4 Nadere regels en beleidsregels

Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen ter uitvoering van deze verordening.

 

Nadere regels zijn slechts mogelijk, voor zover dit past binnen de artikelen 147 en 156 van de Gemeentewet en de Wmo 2015 niet bepaalt dat de regels bij verordening moeten worden vastgesteld. Bij een aantal artikelen in deze verordening staat expliciet opgenomen dat hierover nadere regels (kunnen) worden opgesteld, maar in dit artikel is in algemene zin opgenomen dat het college nadere regels kan opstellen. Deze nadere regels moeten dan echter wel voldoen aan de criteria van de artikelen 147 en 156 en kunnen slechts de onderwerpen raken die bij verordening moeten worden geregeld, voor zover zij een uitwerking zijn van de kaders die de gemeenteraad in de verordening heeft opgesteld. Te denken valt aan bedragen van een pgb binnen de kaders van de verordening.

 

Op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hoeft formeel niet in deze verordening te worden opgenomen dat het college ook bevoegd is tot het vaststellen van beleidsregels omdat het college de taak heeft de Wmo 2015 uit te voeren en daarmee ook de bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels. Voor de volledigheid is deze bevoegdheid toch in dit artikel opgenomen, zodat hier geen twijfel over kan bestaan en niet de suggestie wordt gewekt dat het college alleen nog maar aanvullende nadere regels mag opstellen.

 

Onder beleidsregel wordt in de Awb verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.

 

Paragraaf 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag

 

Artikel 5 Melding

De melding is in de wet niet gedefinieerd, terwijl het wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Om die reden is in dat artikel een verwijzing naar artikel 2.3.2 van de wet opgenomen.

 

Met de melding maakt een persoon zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kenbaar. Een melding die geen betrekking heeft op de definitie van maatschappelijke ondersteuning, is dus niet een melding in de zin van de wet en deze verordening.

 

Een simpele vraag die direct kan worden beantwoord, of die bijvoorbeeld leidt tot een verwijzing naar de juiste instantie, is in dit kader evenmin een melding.

 

De melding markeert het begin van een onderzoek op grond van artikel 2.3.2 van de wet.

Binnen de gemeente zullen diverse locaties zijn waar een melding kan plaatsvinden.

 

Daarnaast kan de melding ook telefonisch, digitaal of schriftelijk plaatsvinden.

 

Omdat de toegangsprocedure zich nog verder kan ontwikkelen, is bij onderdeel d opgenomen dat er nog andere mogelijkheden voor het doen van een melding kunnen worden opengesteld.

 

Voor de doelgroep van de opvang en beschermd wonen is een melding bij Centraal Onthaal of Centraal Onthaal Jongeren (het Jongerenloket) de aangewezen weg. Mocht een melding voor opvang of beschermd wonen elders binnenkomen, dan wordt deze doorgestuurd naar Centraal Onthaal (Jongeren).

 

Degene bij wie de melding binnenkomt, draagt er zorg voor dat deze wordt doorgesluisd naar de medewerker die deze verder in behandeling kan nemen.

 

In de wet staat vermeld dat de cliënt van zijn melding een ontvangstbevestiging ontvangt.

 

De melding hoeft niet door de cliënt zelf te geschieden, maar kan op grond van de wet ook plaatsvinden door iemand anders die betrokken is bij de cliënt, zoals een professionele hulpverlener, een familielid of vriend.

 

Naar aanleiding van de melding moet het college de cliënt op grond van de wet over 2 zaken informeren:

  • 1.

    de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning;

  • 2.

    de mogelijkheid om binnen zeven dagen een persoonlijk plan te overleggen, waarin de cliënt ingaat op de onderdelen die deel uit zullen maken van het onderzoek dat volgt op grond van de melding. Daarbij wordt hem ook gevraagd welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.

 

Artikel 6 Onderzoek en gespreksverslag

Het onderzoek vindt plaats langs de punten die staan vermeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet, al dan niet op basis van het persoonlijke plan dat de cliënt zelf heeft overgelegd.

 

Onderzocht wordt wat de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt zijn.

 

Daarnaast wordt gekeken naar wat de cliënt zelf kan doen om in zijn behoefte aan ondersteuning te voorzien, al dan niet met gebruikmaking van zijn huisgenoten (gebruikelijke zorg), mantelzorgers, hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of vrijwilligers.

 

Voor een cliënt is niet altijd een dure maatwerkvoorziening nodig om te voorzien in zijn behoefte aan opvang, participatie of zelfredzaamheid. In veel gevallen kan een cliënt op andere wijze gestimuleerd worden, bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk te doen of deel te nemen aan activiteiten bij een wijkaccommodatie.

 

In andere gevallen kan een cliënt gewezen worden op programma’s van een zorgverzekeraar, sport of de mogelijkheden om tijdelijk hulpmiddelen te huren of te kopen bij een thuiszorgwinkel.

 

Mocht tijdens het onderzoek blijken dat een maatwerkvoorziening aangewezen is, dan informeert het college de cliënt over de mogelijkheid deze in natura of in de vorm van een pgb te ontvangen, waarbij de cliënt geïnformeerd wordt over de consequentie van zijn keuze.

Als de cliënt aangeeft interesse te hebben voor een pgb, zal al zoveel mogelijk bekeken worden in hoeverre de cliënt de regie kan (laten) voeren over dit pgb en wordt hem verteld dat hij in dat geval een zorg- en budgetplan moet indienen volgens een door het college vastgesteld format.

 

Ook ontvangt de cliënt informatie over eventuele eigen bijdragen die in het geval van een maatwerkvoorziening of pgb verschuldigd zijn. Aangezien de verantwoordelijkheid tot het vaststellen en innen van de eigen bijdrage berust bij het CAK, kan de cliënt daarover niet tot in detail worden geïnformeerd, maar de medewerker zal de cliënt zoveel mogelijk informatie verstrekken, zodat hij een idee heeft wat de eigen bijdrage ongeveer zal worden danwel hoe deze wordt berekend.

 

Hoe uitgebreid alle punten worden besproken, is onder andere afhankelijk van de vraag of het om een nieuwe cliënt gaat of over een cliënt die al bekend is bij de gemeente in het kader van de wet. Ook de aard van de ondersteuningsbehoefte zal hierbij een rol spelen.

 

Als de cliënt lopende het onderzoek aangeeft dat hij voldoende informatie heeft om in zijn hulpvraag te voorzien of afziet van verdere ondersteuning, kan het onderzoek op dat moment worden afgesloten, ook al zijn niet alle punten doorlopen.

 

Het onderzoek dient zo snel mogelijk te worden afgerond, maar in ieder geval binnen zes weken. De Memorie van Toelichting bij de wet stelt op pagina 143 dat in het geval het college het onderzoek niet in zes weken kan afronden, het in de rede ligt dat het college hierover met de cliënt in overleg treedt. Een zorgvuldig onderzoek is volgens de wetgever uitgangspunt; het zal met het oog daarop niet per definitie in het nadeel van de cliënt zijn als hij instemt met een langere duur van het onderzoek. Het staat de cliënt echter vrij om na zes weken een aanvraag in te dienen.

 

De afronding van het onderzoek vindt op grond van artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet plaats door middel van een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, het gespreksverslag. Van het gespreksverslag kan een ondersteuningsplan onderdeel uitmaken. In dit plan worden de relevante afspraken en noodzakelijke ondersteuning in de vorm van algemene of maatwerkvoorzieningen opgenomen.

 

De cliënt (of zijn vertegenwoordiger) wordt in de gelegenheid gesteld hierop aanvullingen of wijzigingen aan te brengen. Om geen onduidelijkheid te laten bestaan over de inhoud van het gespreksverslag, wordt de cliënt gevraagd dit te ondertekenen en aan het college te verstrekken. Cliënt kan hier echter niet toe worden gedwongen.

 

Artikel 7 Aanvraag

Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening of pgb kan op grond van de wet pas worden ingediend als het onderzoek is afgerond, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is afgerond (artikel 2.3.2, negende lid van de wet).

 

Het gespreksverslag bevat een onderdeel waarmee de cliënt in staat wordt gesteld een aanvraag in te dienen. Hij kan daarin aangeven waarvoor hij een maatwerkvoorziening of pgb wil indienen. Hij ondertekent zijn aanvraag, terwijl hij op grond van artikel 7 ook verplicht is het gespreksverslag voor gezien of akkoord te ondertekenen.

 

In de situatie dat het onderzoek niet tijdig is afgerond of er nog geen verslag is, kan het college een aanvraagformulier ter beschikking stellen voor het indienen van de aanvraag.

 

Daarnaast kan het college een maatwerkvoorziening ambtshalve verstrekken als dat in het dringende belang van een cliënt is en er (nog) geen aanvraag door of namens de cliënt kan worden ingediend. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een cliënt die geen inzicht heeft in zijn ondersteuningsbehoefte als gevolg van een psychiatrische aandoening en/of verslavingsproblematiek en zorgmijdend is. Door een ambtshalve verstrekking van een maatwerkvoorziening kan de cliënt (tijdelijk) de noodzakelijke ondersteuning worden geboden. Met deze mogelijkheid zal terughoudend worden omgegaan. Om diezelfde reden kan het ook van belang zijn om een aanvraag in behandeling te nemen (al dan niet ambtshalve), terwijl de cliënt het gespreksverslag niet heeft ondertekend.

 

Het college kan besluiten om ook andere mogelijkheden voor het indienen van een aanvraag open te stellen, bijvoorbeeld digitaal.

 

Paragraaf 3 Inzet van voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning

 

Artikel 8 Inzet voorzieningen

Het college kan de ondersteuning bieden door het inzetten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen.

 

Een algemene voorziening is in de wet gedefinieerd als een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie of op opvang.

 

Voor de opvang is bijvoorbeeld de inloop als algemene voorziening aanwezig.

 

Verder zijn er bijvoorbeeld sportvoorzieningen en club- en buurthuizen die als algemene voorziening beschikbaar zijn, of een wijkbus. Als algemene voorziening gelden ook de kortdurende ondersteuning door het wijkteam of cliëntondersteuning.

 

De algemene voorzieningen kunnen zijn gericht op alle facetten van maatschappelijke ondersteuning in de zin van de wet. Dat betekent dat het college behalve in het kader van participatie, zelfredzaamheid, opvang en beschermd wonen, ook algemene voorzieningen aanbiedt die gericht zijn op bijvoorbeeld de leefbaarheid in de wijk of de ondersteuning van vrijwilligers en mantelzorgers.

 

De voorwaarden die het college aan het gebruik van algemene voorzieningen verbindt, zullen voornamelijk betrekking hebben op de doelgroep van de voorziening, een maximaal aantal dagdelen dat iemand gebruik kan maken van de algemene voorziening (bij meer dagdelen wordt het een maatwerkvoorziening), de verplichting tot het betalen van een vergoeding voor bijvoorbeeld het gebruik van materialen, koffie of thee of een redelijke toegangsprijs voor de activiteit en het nakomen van de huisregels van de voorziening.

 

Het gaat derhalve om algemene criteria en voorwaarden die niet afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie van de cliënt. In hoeverre de toegang tot een algemene voorziening aan een cliënt kan worden ontzegd, is uiteraard wel afhankelijk van de mate waarin het gedrag aan de cliënt verwijtbaar is en in hoeverre er van de voorziening verwacht mag worden dat zij ingespeeld zijn op dergelijk gedrag.

 

Ook personen die op grond van de Wet langdurige zorg in een instelling verblijven kunnen gebruik maken van een algemene voorziening.

 

Een maatwerkvoorziening is in de wet gedefinieerd als een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen. Het gaat hierbij om ondersteuning op maat, waarvoor een beschikking wordt afgegeven. Ook hier geldt dat het college voorwaarden of verplichtingen kan verbinden aan de maatwerkvoorziening. Dat kunnen algemene voorwaarden en verplichtingen zijn. Bijvoorbeeld dat een open gehandicaptenvoertuig (scootmobiel) overdekt moet kunnen worden gestald, dat iemand in de opvang mee moet werken aan het opstellen en nakomen van een ondersteuningsplan of dat iemand zich in een instelling voor beschermd wonen houdt aan de leefregels die daar gelden. Ook kunnen de verplichtingen meer toegespitst zijn op de cliënt, bijvoorbeeld in relatie tot de gewenste te behalen resultaten.

 

Maatwerkvoorzieningen zijn in het kader van de wet (artikel 2.3.5, eerste lid) gericht op zelfredzaamheid, participatie, opvang of beschermd wonen. Hoewel een mantelzorger niet direct aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening, kan er aan een cliënt wel ondersteuning in relatie tot zijn mantelzorger worden verstrekt, zodat én de mantelzorger zijn taken kan volhouden én de cliënt ook bij afwezigheid van zijn mantelzorger in voldoende mate ondersteund wordt. Voorbeelden van dergelijke maatwerkvoorzieningen zijn dagbesteding, respijtzorg en kortdurende logeerfaciliteiten (mantelzorgondersteuning met verblijf).

 

Er zijn diverse voorzieningen mogelijk. Omdat er geen limitatieve lijst is, zijn alleen de meest voorkomende maatwerkvoorzieningen in de verordening opgenomen. Voorbeelden van maatwerkvoorzieningen zijn:

  • 1.

    Begeleid en beschermd wonen.

  • 2.

    Extramurale dienstverlening. Begeleiding kan zich in verschillende vormen voordoen. Het kan gaan om ondersteuning en begeleiding op vele fronten, zoals het voeren van de administratie, het verzorgen van het huishouden, zelfzorg en het voeren van regie over het eigen leven. Een maatwerkvoorziening voor dienstverlening wordt verder geregeld en toegelicht in artikel 11.

  • 3.

    Vervoersvoorzieningen voor het lokaal vervoer. Voor het bovenlokale vervoer stelt het Rijk een aparte vervoersvoorziening ter beschikking. Er zijn diverse vervoersvoorzieningen denkbaar. Voorbeelden van maatwerkvoorzieningen zijn het collectief aanvullend vervoer (CAV), een aangepaste fiets, een open of gesloten gehandicaptenvoertuig. Eventueel is ook een combinatie van vervoersvoorzieningen mogelijk, afhankelijk van de vervoersbehoefte van de cliënt.

  • 4.

    Hulpmiddelen, zoals rolstoelen en een speciale douchestoel of een tillift.

  • 5.

    Woonvoorzieningen, bedoeld om de basisruimtes van de woning voor de cliënt bruikbaar te maken. Bij de basisruimtes gaat het in ieder geval om de woonkamer, slaapkamer, toilet en badkamer. Afhankelijk van de situatie van de cliënt kan de woonvoorziening ook betrekking hebben op de keuken. In voorkomende gevallen kan ook een verhuiskosten vergoeding aan de orde zijn. Bijvoorbeeld als de woning niet geschikt is om aan te passen aan de beperkingen van de cliënt.

 

Artikel 9 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening

In het eerste lid wordt verwezen naar de algemene criteria die zijn opgenomen in de artikelen 1.2.1 en 1.3.5 van de wet.

In deze artikelen wordt verwoord dat er sprake moet zijn van:

  • 1.

    beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen;

  • 2.

    problemen in de zelfredzaamheid, participatie of het zelfstandig functioneren; en

  • 3.

    een onvermogen om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende oplossingen te vinden voor deze problemen.

Daarnaast moeten ook algemene voorzieningen onvoldoende bijdragen aan een oplossing.

 

Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, kortdurende ondersteuning door het wijkteam of een verwijzing naar een algemene voorziening, zoals de inloop voor drugsverslaafden.

 

De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als dit soort opties niet voldoende zijn.

 

De tweede alinea verwoordt feitelijk hetgeen hierboven is beschreven en omschrijft de systematiek zoals deze in artikel 2.3.5 van de wet is opgenomen.

 

Voor opvang voor een persoon die de thuissituatie heeft verlaten in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, geldt niet dat er sprake moet zijn van beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen.

 

Als het college vaststelt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zal het college kiezen voor de goedkoopst doelmatige voorziening. Voorop staat dat de voorziening adequaat (doelmatig) is om bij te dragen aan de ondersteuningsbehoefte. Als er echter meerdere varianten mogelijk zijn, kiest het college voor de goedkoopste variant.

 

Maatwerkvoorzieningen kunnen in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Als een maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, kan het college met de cliënt een bruikleenovereenkomst afsluiten.

 

Uiteraard bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening deze keuzemogelijkheid niet.

 

Artikel 10 Algemene aanvullende criteria

De grondslag van dit artikel is artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de raad in de verordening bepaalt op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Dit artikel ligt ook ten grondslag aan de volgende artikelen waarin aanvullende criteria worden genoemd voor specifieke maatwerkvoorzieningen. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p.148) is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou gaan wonen.”

 

Een voorziening moet veilig zijn en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen voor hemzelf of een ander. Zo zal bijvoorbeeld iemand die geen verkeersinzicht heeft niet in aanmerking kunnen komen voor een aangepaste auto of een snelle scootmobiel.

 

Als er al eerder een maatwerkvoorziening (of individuele voorziening, zoals dat heette onder de oude Wet maatschappelijke ondersteuning) is verstrekt en deze voorziening biedt nog voldoende ondersteuning en is nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig.

 

Het is voor het college belangrijk dat het objectief kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is. Als een cliënt zich op een zodanig moment meldt dat dit niet meer mogelijk is, dan komt dat voor rekening en risico van de cliënt. Bovendien blijkt hier dan ook uit dat de cliënt in staat is gebleken zelf met oplossingen te komen voor zijn probleem, zodat ondersteuning door het college niet aan de orde is.

 

De maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is gericht op het bereiken van resultaten: versterking of behoud van zelfredzaamheid en participatie staan daarbij centraal. Ook overige voorzieningen, zoals hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen, zijn vaak hier op gericht.

 

De inzet van maatwerkvoorzieningen kan onderdeel uitmaken van een ondersteuningsplan, waar behalve de maatwerkvoorziening ook inzet van de cliënt wordt verwacht, gebruik van algemene voorzieningen of deelname aan bepaalde activiteiten. Als een cliënt weigert om aan een dergelijk ondersteuningsplan mee te werken die het college noodzakelijk vindt voor het bereiken van de resultaatgebieden, of niet meewerkt aan de uitvoering daarvan, kan dit tot gevolg hebben dat ook de maatwerkvoorziening wordt geweigerd.

 

Als de noodzaak tot het opnieuw verstrekken van een voorziening aan de cliënt te verwijten is, bijvoorbeeld omdat de voorziening niet op de juiste manier is onderhouden, of de cliënt zijn eerder verstrekte pgb niet op de juiste wijze heeft besteed, kan dit aanleiding zijn om een nieuwe aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren.

 

Maar ook als de cliënt bijvoorbeeld zonder goede redenen verhuist van een voor hem geschikte woning naar een woning die niet is aangepast aan zijn beperkingen, kan dit reden zijn om een maatwerkvoorziening te weigeren.

 

Als er sprake is van een maatwerkvoorziening, maar deze maatwerkvoorziening leidt niet of nauwelijks tot meerkosten ten opzichte van een algemeen gebruikelijke voorziening, dan kan een maatwerkvoorziening worden afgewezen. Iemand wordt dan in staat geacht hier zelf in te voorzien. Het college kan wel ondersteuning bieden bij de aanschaf van de juiste maatwerkvoorziening.

 

De laatste passage van de tekst uit de memorie van toelichting, zoals hiervoor aangehaald, in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis, biedt een onderbouwing om het begrip “voorzienbaarheid” in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-13, 33841, nr. J, p.18). Hieruit volgt verder dat met artikel 8, derde lid, nadrukkelijk geen (verkapte) inkomenstoets is – of kan worden – beoogd. Ook op grond van de wettekst en blijkens de parlementaire geschiedenis is hiervoor namelijk uitdrukkelijk geen ruimte gelaten (zie verder de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 34, p.24).

 

Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de “voorzienbaarheid” een rol speelt. Het tweede lid voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op het maatwerkkarakter van de wet, is de weigeringsgrond als een “kan”-bepaling opgenomen; het college is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag. Dit is, zoals ook is gesteld in de toelichting bij het eerste lid, overigens niet anders dan ten aanzien van de overige criteria die het college op grond van dit en volgende artikelen hanteert.

 

Artikel 11 Ondersteuning binnen resultaatgebieden

De ondersteuning in de vorm van dienstverlening vindt plaats in de vorm van arrangementen, gericht op één of meer van de in het eerste lid genoemde resultaatgebieden. Binnen deze resultaatgebieden zijn meerdere niveaus van ondersteuning mogelijk, afhankelijk van de aard en de ernst van de ondersteuningsbehoefte. In het onderzoek wordt, met gebruikmaking van een door het college vastgesteld indicatieprotocol, bepaald op welk resultaatgebied en in welke vorm ondersteuning noodzakelijk is. Hierbij kan de medewerker gebruik maken van een zelfredzaamheidsmatrix. De zelfredzaamheidsmatrix is een meetinstrument om verschillende dimensies van zelfredzaamheid overzichtelijk en gebruiksvriendelijk in beeld te brengen. Er worden 11 domeinen onderscheiden en per domein 5 domeinscores, waarbij 1 de meest ernstige (minimale zelfredzaamheid) en 5 de meest gunstige (volledige zelfredzaamheid) is. Zorgbehoefte en ondersteuningsbehoefte bepalen de mate van zelfredzaamheid.

 

Zelfredzamer worden betekent dan een toename van de score op een bepaald levensdomein. Het kan ook zijn dat het niet meer mogelijk is om zelfredzamer te worden, maar dat de ondersteuning gericht is op het behoud van de zelfredzaamheid en het zoveel mogelijk voorkomen en vertragen van achteruitgang in de zelfredzaamheid.

De volgende domeinen worden binnen de zelfredzaamheidsmatrix onderscheiden: Inkomen, dagbesteding, huisvesting, gezinsrelaties, geestelijke gezondheid, fysieke gezondheid, verslaving, ADL-vaardigheden, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie.

 

Ad a Sociaal en persoonlijk functioneren

Om langer zelfredzaam te blijven en eenzaamheid te voorkomen, is het van belang dat een cliënt beschikt over een sociaal netwerk. Een cliënt kan ondersteuning krijgen om zo’n netwerk op te bouwen, maar ook om hier gebruik van te maken om bijvoorbeeld zijn zelfredzaamheid te bevorderen of in stand te houden.

 

Van belang is dat het om een gezond sociaal netwerk gaat. Dat wil zeggen dat het geen netwerk is waardoor de cliënt bijvoorbeeld het risico heeft terug te vallen in een verslavingsproblematiek.

 

Ad b Het voeren van een huishouden

Tot het voeren van een huishouden kunnen meerdere aspecten worden gerekend:

 

Schoon en leefbaar huis

Dit betekent dat de woning opgeruimd en functioneel moet zijn, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

 

Daarnaast moet de woning schoon zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Zo moet iedereen gebruik kunnen maken van een schone huiskamer, slaapvertrek, keuken, douche/toilet en gang. Om dit te realiseren is het bijvoorbeeld noodzakelijk dat de vertrekken gedweild of gestofzuigd worden, de ramen worden gezeemd etc.

 

Ook het verschonen van het bed kan tot dit resultaatgebied behoren.

 

Het verzorgen van de buitenruimte, zoals de tuin of het zemen van de ramen aan de buitenzijde, behoort niet tot het resultaatgebied “schoon en leefbaar huis”.

 

Beschikken over primaire levensbehoeften en maaltijden

Het beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften en maaltijden waar nodig te bereiden is het tweede resultaatgebied. Het gaat er hierbij om dat de cliënt beschikt over de noodzakelijke boodschappen. Vaak zal het inschakelen van een boodschappendienst mogelijk zijn, al niet met ondersteuning van de dienstverlener. In sommige gevallen zal de cliënt echter op andere wijze ondersteund moeten worden bij de boodschappen, bijvoorbeeld doordat de dienstverlener de boodschappen doet.

 

Het verzorgen van maaltijden kan bestaan uit het verzorgen van een warme maaltijd, het opwarmen van een maaltijd, het verzorgen van een broodmaaltijd.

 

Soms kan volstaan worden met het bestellen van warme maaltijden bij een maaltijdservice, of het deelnemen aan “open tafels” in de wijk. In andere gevallen zal de dienstverlener zelf een maaltijd moeten bereiden.

 

Zowel in de wijze waarop, als de frequentie waarmee voorzien wordt in de warme maaltijd zijn diverse varianten mogelijk, afhankelijk van de situatie van de cliënt.

 

Beschikt over schone en draagbare kleding

Een cliënt moet kunnen beschikken over schone en draagbare kleding. Dat wil zeggen dat kleding gewassen wordt en gedroogd wordt en bovenkleding waar nodig ook gestreken.

 

Ook zal de kleding weer opgevouwen en opgeborgen moeten worden in de kast. Afhankelijk van de situatie van de cliënt en het aanbod in de wijk of van de zorgaanbieder, kan de was bijvoorbeeld via een wasservice worden gedaan of bij de cliënt thuis.

 

Het thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren

Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Deze strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding, inclusief zorg bij ziekte. Van de ouders wordt verwacht dat bij uitval van een van de ouders de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg overneemt. Zo nodig kan hij gebruik maken van de mogelijkheden van zorgverlof, kinderopvang, buitenschoolse opvang en dergelijke. Een maatwerkvoorziening voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo. Slechts bij calamiteiten en als alle voorliggende voorzieningen en mogelijkheden onvoldoende oplossing bieden kan het college besluiten een voorziening voor de verzorging van kinderen te indiceren.

Onder deze verzorging verstaat de gemeente het wassen en aankleden van kinderen jonger dan 9 jaar.

 

Het voeren van regie over het doen van het huishouden

Wanneer een cliënt de huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar iemand anders moet toezien/stimuleren, dan kan ook hiervoor ondersteuning worden geboden.

 

Dit geldt ook wanneer de cliënt deze huishoudelijke taken soms wel en soms niet zelf kan uitvoeren.

 

Het voeren van regie betreft het organiseren van het voeren van de huishouding met als doel dat de cliënt weer in staat gebracht wordt het huishouden zelf te regisseren. Het voeren van regie omvat de volgende activiteiten:

 

1. helpen bij de organisatie van het huishoudelijk werk:

- leren hoe en wanneer de cliënt huishoudelijke activiteiten uitvoert;

- leren plannen en beheren van middelen in relatie tot huishoudelijke activiteiten;

- observatie en controle van de huishoudelijke activiteiten;

 

2. tijdelijk instrueren van de leefeenheid in het kader van gebruikelijke zorg: geven van advies, instructie, voorlichting gericht op het huishouden waarbij de onder 1 genoemde aspecten aan de orde kunnen komen.

 

 

Ad d Dagbesteding

De dagbesteding kan zowel gericht zijn op het bereiken van een resultaat bij de cliënt zelf als bij de mantelzorger.

 

Voor de cliënt zelf kan de ondersteuning er bijvoorbeeld op gericht zijn dat deze een zinvolle dagbesteding heeft of een evenwichtig dag- en nachtritme.

 

Daarnaast kan de dagbesteding bestemd zijn om de mantelzorger één of meerdere dagdelen per week te ontlasten, waardoor deze de mantelzorgtaken beter vol kan houden.

 

Ad e Zelfzorg en gezondheid

Bij dit resultaatgebied staat de eigen verzorging centraal. De cliënt wordt ondersteund met de bedoeling dat hij schoon is, schone kleding draagt, er verzorgd uitziet.

 

De ondersteuning kan ook meer gericht zijn op de gezondheid van de cliënt: stimuleren om de lichamelijke conditie te verbeteren, afspraken met zorgprofessionals nakomen, medicatie op tijd innemen. Het gaat om ondersteuning “met de handen op de rug”. Dit resultaatgebied kan niet aan de orde zijn als er sprake is van ondersteuning als gevolg van een somatische, lichamelijke of psycho-geriatrische beperking. In die gevallen wordt ondersteuning voor dit resultaatgebied geboden vanuit de Zorgverzekeringswet. Het gaat alleen om personen met een zintuiglijke beperking of een psychiatrische beperking.

 

Ad f Huisvesting

Bij het resultaatgebied “huisvesting” gaat het om intramurale vormen van begeleid wonen, beschermd wonen en opvang i.v.m. risico’s voor de veiligheid van de cliënt als gevolg van huiselijk geweld.

 

Onder het resultaatgebied huisvesting valt het bieden van onderdak met samenhangende ondersteuning.

 

Lichtere vormen van opvang, zoals onderdak met ambulante hulpverlening of dag- en nachtopvang vallen niet binnen dit resultaatgebied.

 

Dag- en nachtopvang zijn algemene voorzieningen. Bij onderdak met ambulante hulpverlening beschikt de cliënt over eigen woonruimte en ontvangt hij ambulante ondersteuning op één van de andere resultaatgebieden.

 

Dat betekent dat het resultaatgebied “huisvesting” niet gecombineerd wordt met extramurale ondersteuning in de vorm van bijvoorbeeld ondersteuning bij het voeren van een huishouden of zelfzorg en gezondheid.

 

Ad g Mantelzorgondersteuning met verblijf

De mantelzorger vormt een belangrijke schakel in de ondersteuning van de cliënt en kan er vaak in belangrijke mate aan bijdragen dat de cliënt langer in zijn vertrouwde omgeving kan blijven wonen. De mantelzorger is ook vertrouwd voor de cliënt, waardoor de ondersteuning door een mantelzorger vaak beter wordt geaccepteerd.

 

Omdat vaak veel van mantelzorgers wordt gevraagd, is het van belang dat zij waar mogelijk worden ondersteund zodat zij hun taken kunnen blijven uitoefenen zonder dat zij overbelast raken.

 

Mantelzorgondersteuning kan plaatsvinden in de vorm van een algemene voorziening, zoals door het ter beschikking stellen van een luisterend oor of het ondersteunen met raad en daad.

 

De mantelzorgondersteuning kan ook betrekking hebben op bijvoorbeeld respijtzorg, zodat de mantelzorger een of meerdere dagdelen per week van zijn zorg ontslagen is. De zorg wordt op die momenten overgenomen door een ander. Die ondersteuning wordt dan geboden op één van de overige resultaatgebieden.

 

Bij de maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebied “mantelzorgondersteuning met verblijf” gaat het er om dat de cliënt, die permanent toezicht nodig heeft in verband met zijn beperkingen, van tijd tot tijd kortdurend (maximaal 3 etmalen per week) elders verblijft waar de benodigde ondersteuning en toezicht kan worden geboden. Op deze manier wordt de mantelzorg even ontlast, terwijl de cliënt de benodigde ondersteuning krijgt.

Combi-arrangement (O)GGZ met kinderen in de opvang.

Er kunnen kinderen samen met ouder(s) worden opgevangen. Voor deze situatie zijn er twee sub-resultaten bij de resultaatgebieden “sociaal en persoonlijk functioneren” en “huisvesting”.

Het subresultaat huisvesting ziet toe op de huisvesting van het kind.

Het subresultaat bij “sociaal en persoonlijk functioneren” ziet toe op lichte vormen van opvoedondersteuning (beperkt, midden, intensief) aan het kind, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening Jeugdhulp Rotterdam 2015.

 

Artikel 12 Aanvullend criterium vervoer dagbesteding

Met deze bepaling is aansluiting gezocht bij hetgeen hierover tot 1 januari 2015 was geregeld in het kader van de AWBZ. Als criterium voor een maatwerkvoorziening voor vervoer naar de dagbesteding geldt, dat er sprake moet zijn van een medische noodzaak voor dit vervoer.

 

Artikel 13 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening zelfzorg en gezondheid

De ondersteuning voor zelfzorg en gezondheid is door de wetgever bedoeld als ondersteuning “met de handen op de rug” en ligt in het verlengde van begeleiding.

 

Ondersteuning voor zelfzorg en gezondheid bij personen waarbij de somatische, lichamelijke of psychogeriatrische problematiek dominant is valt onder de Zorgverzekeringswet en daarom kan in dat geval voor dit resultaatgebied geen beroep worden gedaan op ondersteuning vanuit de Wmo 2015. De achterliggende gedachte hierbij is dat voor deze doelgroep de ondersteuning veelal vanuit medische problematiek wordt ingegeven en daarom meer in het verlengde ligt van behandeling, die onder de Zorgverzekeringswet valt.

 

Artikel 14 Aanvullende criteria voor maatwerkvoorziening huisvesting

Bij het resultaatgebied huisvesting kan sprake zijn van 2 vormen van intramurale ondersteuning:

  • 1.

    opvang;

  • 2.

    beschermd wonen.

Beide begrippen zijn in artikel 1.1.1 van de wet gedefinieerd:

Opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

Beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Er is dus sprake van het bieden van onderdak én ondersteuning.

De situatie waarin een cliënt zelfstandig woonruimte huurt, al dan niet in een situatie van begeleid wonen, wordt niet gerekend tot het resultaatgebied “huisvesting”: hierbij kan cliënt in aanmerking komen voor ondersteuning binnen één van de overige (extramurale) resultaatgebieden.

In het eerste lid wordt omschreven in welke situaties een cliënt in aanmerking kan komen voor ondersteuning binnen dit resultaatgebied:

Bij a staan de 2 criteria verwoord, zoals opgenomen in artikel 2.3.5 van de wet:

  • 1.

    er is sprake van psychische of psychosociale problemen; òf

  • 2.

    cliënt heeft de thuissituatie verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.

Daarbij moet sprake zijn van problemen op meerdere leefgebieden, zoals huisvesting, schulden, gezondheid, zelfverzorging.

Daarnaast moet de cliënt meer dan 3 etmalen per week aangewezen zijn op een beschermde woonomgeving of permanent toezicht. Dit laatste criterium sluit aan op de omschrijving van opvang en beschermd wonen. Bij een kortere behoefte kan sprake zijn van een algemene opvang in de vorm van dag- en nachtopvang of een maatwerkvoorziening voor het resultaatgebied mantelzorgondersteuning met verblijf.

 

Een cliënt komt voor ondersteuning binnen dit resultaatgebied derhalve slechts in aanmerking als zelfstandige huisvesting met ambulante begeleiding niet toereikend is.

 

Artikel 15 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening mantelzorgondersteuning met verblijf

Mantelzorgondersteuning met verblijf is slechts gedurende maximaal 3 etmalen per week mogelijk. Als er behoefte is aan meer etmalen per week, dan moet de cliënt een beroep doen op de Wet langdurige zorg.

 

Er moet permanent toezicht noodzakelijk zijn in verband met de beperkingen van de cliënt.

 

Daarnaast moet duidelijk zijn dat ontlasting van de mantelzorger noodzakelijk is.

 

Daarbij is het verhaal van de mantelzorger leidend.

 

Als er sprake is van een maatwerkvoorziening voor het resultaatgebied huisvesting is geen maatwerkvoorziening mogelijk voor mantelzorgondersteuning met verblijf.

 

In dat geval is er immers al sprake van een intramurale setting.

 

Als er sprake is van een indicatie voor huisvesting, maar een cliënt blijft desondanks thuis wonen, dan is een maatwerkvoorziening voor mantelzorgondersteuning met verblijf wel mogelijk, omdat hij in dat geval extramurale ondersteuning krijgt.

 

Artikel 16 Aanvullende criteria voor maatwerkvoorziening doventolk

De doventolk is bestemd voor ondersteuning in de dagelijkse privésituatie. Als een doventolk noodzakelijk is voor het werk, dan kan een beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening via het UWV of de Participatiewet.

 

Het college kan het aantal uren dat het beschikbaar stelt maximeren.

 

Artikel 17 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening sociaal recreatief vervoer

Het sociaal recreatief vervoer is bestemd voor lokaal vervoer. Voor het bovenlokale vervoer stelt het Rijk een vervoersvoorziening beschikbaar. De maatwerkvoorziening is bedoeld om belemmeringen in het lokaal vervoer op te heffen, zodat de cliënt wordt ondersteund bij zijn zelfredzaamheid en participatie. Een maatwerkvoorziening sociaal recreatief vervoer is niet bestemd voor vervoer van en naar de dagbesteding. Dit vervoer maakt integraal onderdeel uit van de het resultaatgebied dagbesteding.

 

Op grond van bestaande jurisprudentie wordt er vanuit gegaan dat een cliënt met 1.500 km lokaal vervoer of 312 ritten met een taxi of collectief aanvullend vervoer kan voldoen in zijn behoefte aan maatschappelijke participatie. Dit aantal wordt ook in deze verordening als maximum gehanteerd. In individuele gevallen kan hiervan, op basis van een gemotiveerd verzoek van de cliënt, naar boven worden afgeweken.

 

Op grond van het derde lid zijn diverse vervoersvoorzieningen mogelijk:

 

  • 1.

    een vervoerspas voor het CAV. Met deze vervoerspas kan de cliënt gebruik maken van het CAV voor zijn lokale vervoersbehoefte;

  • 2.

    vervoer per eigen vervoermiddel ziet op bijvoorbeeld het gebruik van een aangepaste fiets of een auto. Het kan hierbij gaan om aanpassingen van het eigen vervoermiddel of het verstrekken van een aangepast vervoermiddel;

  • 3.

    de vergoeding van de kosten van een taxi kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de cliënt feitelijk zou zijn aangewezen op het CAV, maar hiervan in verband met een allergie of ernstige gedragsstoornissen geen gebruik kan maken;

  • 4.

    de kosten van een parkeervoorziening kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de bijdrage die is verschuldigd voor de aanleg van een parkeerplaats voor de woning of de verstrekking van een invalidenparkeerkaart.

Het primaat ligt bij het CAV. Dat wil zeggen dat als het CAV naar het oordeel van het college volstaat om te voldoen in de behoefte aan participatie en zelfredzaamheid van de cliënt, de cliënt een pasje voor het CAV ontvangt.

 

Als betrokkene is aangewezen op het CAV, dan kan hij niet in aanmerking komen voor een pgb ten behoeve van het sociaal-recreatief vervoer. In het vierde lid is geregeld dat van deze algemene bepaling kan worden afgeweken als hij voor het pgb een gehandicaptenvoertuig of aanpassing van de eigen personenauto of brommobiel wil aanschaffen. Hij moet dan voor 5 jaar afzien van het gebruik van het CAV.

 

In het tiende lid is geregeld dat het primaat van het CAV onverlet laat dat een cliënt wel in aanmerking kan komen voor een vervoermiddel voor de korte afstand, zoals een scootmobiel of een aanpassing aan de fiets.

 

In het vijfde en zesde lid zijn mogelijkheden opgenomen tot het meenemen van een begeleider of meereizende. Voor een begeleider zijn geen kosten aan het vervoer verbonden. Dit is wel het geval als de cliënt een meereizende meeneemt.

 

Een cliënt van 75 jaar of ouder kan na 19.00 uur gebruik maken van het CAV, ook als deze normaal gesproken wel in staat is tot het gebruik van het reguliere openbare vervoer. De achterliggende gedachte is dat personen van deze leeftijd zich vaak niet veilig voelen in het openbaar vervoer in de avonduren, waardoor hun participatiemogelijkheden worden beperkt.

 

Het gaat hier om een algemene voorziening|: het enkele feit dat de cliënt 75 jaar of ouder is is voldoende om in aanmerking te komen voor een pas voor de avonduren. De cliënt kan in dat geval geen gebruik maken van faciliteiten, zoals het meenemen van een meereizende of begeleider.

 

Voor het gebruik van het CAV is een cliënt een vergoeding verschuldigd. Deze is ook verschuldigd als de cliënt een rit niet tijdig annuleert. Daarnaast wordt een niet tijdig geannuleerde rit ook afgeboekt op het totaal aantal ritten waar de cliënt aanspraak op heeft.

 

Voor het behoud van een open gehandicaptenvoertuig (scootmobiel) en ter voorkoming van joyriding of vernieling, is het noodzakelijk dat deze overdekt kan worden gestald. Eventueel kan het college hiervoor een maatwerkvoorziening treffen.

 

Artikel 18 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening rolstoel

Een rolstoel is bedoeld voor het zich verplaatsen in de woning en in de directe woonomgeving of directe omgeving van de (lokale) reisbestemming. Een maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoel is dus niet bestemd voor het lokale vervoer. In dat geval is er sprake van een vervoersvoorziening.

 

Het tweede lid is gelijk aan het elfde lid van artikel 11.

 

Artikel 19 Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningen

In artikel 10 is opgenomen dat van een cliënt, binnen zijn mogelijkheden verwacht mag worden dat hij inspeelt op de diverse levensfasen. Dat betekent dat hij er ook rekening mee houdt dat de woning waarin hij woont op termijn niet meer geschikt is als hij slechter ter been wordt. Een verhuizing en ook de daarmee gepaard gaande kosten is in zo’n situatie algemeen gebruikelijk te noemen. Een maatwerkvoorziening voor een verhuizing is dan ook niet aan de orde.

 

In het eerste lid is geregeld dat een aanpassing van de woning slechts mogelijk is als een verhuizing geen adequate oplossing biedt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een voor de cliënt geschikte woning niet binnen een aanvaardbare termijn beschikbaar is, of dat een verhuizing zou betekenen dat de ondersteuning vanuit het netwerk niet meer mogelijk is.

 

Als bijvoorbeeld een kind in een instelling woont, kan de woning ook bezoekbaar worden gemaakt. Bezoekbaar wil niet zeggen dat het geschikt zoals wanneer het kind thuis zou wonen. Het kind is echter wel in de gelegenheid de ouders thuis te bezoeken.

 

In principe wordt slechts één woning bezoekbaar gemaakt. In geval van een echtscheiding van de ouders kan het echter noodzakelijk zijn beide woningen aan te passen, zodat het kind beide ouders kan bezoeken.

 

De term eigen woning impliceert dat de voorzieningen alleen aangebracht kunnen worden op het adres waar de cliënt woont. De aanpassing kan derhalve geen betrekking hebben op verblijfplaatsen die niet geschikt of bestemd zijn om het gehele jaar door te worden bewoond.

 

Dit vloeit ook voort uit het zevende lid.

 

Daarvan kan slechts in bijzondere individuele situaties worden afgeweken.

 

Ook als de cliënt feitelijk grotendeels elders verblijft, kan de conclusie zijn dat een woonvoorziening geen meerwaarde heeft.

 

De eigenaar van de woning is er voor verantwoordelijk dat de woning bewoonbaar is. Problemen zoals lekkages, schimmelvorming etc. kunnen tot een voor de cliënt ongezonde situatie leiden, doch behoren in principe niet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente.

 

In het vijfde lid is geregeld dat van dit principe in bijzondere situaties kan worden afgeweken. De problemen in de woning worden niet door het college opgelost, maar de cliënt wordt wel in de gelegenheid gesteld te verhuizen naar een andere woning. Daarvoor stelt het college een tegemoetkoming in de verhuiskosten beschikbaar.

 

Als betrokkene in een instelling verblijft op grond van de Wet langdurige zorg, is een woonvoorziening niet aan de orde. Er is immers geen sprake van verbetering of handhaving van de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt en bovendien is de Wet langdurige zorg in dat geval voorliggend. Een instelling die in het kader van het resultaatgebied huisvesting ondersteuning biedt, wordt geacht toegerust te zijn op bewoners met een beperking.

 

Artikel 20 Aanvullende criteria sportvoorzieningen

Sport kan een belangrijke bijdrage leveren aan de versterking van de eigen kracht (en daarmee de zelfredzaamheid) alsmede de participatie van de cliënt.

 

In dat geval kan voor een cliënt een maatwerk sportvoorziening aan de orde zijn.

 

Het kan dan gaan om een aangepast sporthulpmiddel, zoals een aangepast paardrijzadel of een sportrolstoel. Ook de onderhoudskosten van dit hulpmiddel horen er bij.

 

Daarnaast kan het lidmaatschap van een sportvereniging extra kosten met zich meebrengen.

 

Voor deze voorzieningen is een pgb mogelijk.

 

Het staat de cliënt vrij om een sport te kiezen die bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid. De vergoeding van de sportmogelijkheden is echter niet onbeperkt, maar gemaximeerd op de afschrijvings- en onderhoudskosten van een gemiddelde sportrolstoel per jaar.

 

Omdat een sportvoorziening, zoals een sportrolstoel of zadel een levensduur heeft van meerdere jaren, terwijl de aanschafkosten wel in één keer moeten worden voldaan, kan het pgb dat over zes jaren ter beschikking zou zijn voor de aanschafkosten in dat geval in één keer worden uitbetaald.

 

Paragraaf 4 Overige maatregelen

 

Artikel 21 Blijk van waardering mantelzorgers

Voor de inwerkingtreding van de wet kon een cliënt die extramurale zorg op grond van de AWBZ of Wmo ontving, een mantelzorgcompliment aanvragen voor zijn mantelzorger. Deze fiscaal onbelaste vergoeding werd vervolgens op de rekening van de mantelzorger gestort.

 

Met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 is dit landelijke mantelzorgcompliment vervallen. In plaats daarvan moet het college op grond van artikel 2.1.6 van de wet zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers.

 

Mantelzorgers die mantelzorgondersteuning verlenen aan inwoners van Rotterdam kunnen in aanmerking komen voor een dergelijke blijk van waardering. Het is hierbij niet van belang of de mantelzorger in Rotterdam woont. Hoewel de gemeente daartoe wettelijk niet is verplicht, wordt de mantelzorgwaardering ook beschikbaar gesteld aan mantelzorgers die in Rotterdam wonen, ook als degene voor wie zij zorgen buiten Rotterdam woont.

De blijk van waardering wordt op twee manieren vormgegeven. Allereerst wordt er jaarlijks een activiteit georganiseerd waar mantelzorgers gratis aan kunnen deelnemen. Ten tweede kunnen mantelzorgers die zich hiertoe bij de gemeente melden, in aanmerking komen voor een jaarlijkse attentie. Zij moeten daarbij aangeven voor wie zij mantelzorger zijn.

 

Het college kan nadere regels stellen, bijvoorbeeld over de vorm en waarde van de attentie, de wijze waarop de mantelzorger hiervoor in aanmerking kan komen en het aantal attenties dat het college beschikbaar stelt.

 

Het college kan steekproefsgewijs controleren of de attentie rechtmatig is verstrekt. Is dat niet het geval, dan kan het college besluiten de persoon voor één of meerdere jaren uit te sluiten van het recht op een attentie.

 

Artikel 22 Tegemoetkoming meerkosten zorg

In artikel 2.1.7 van de wet is bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming kan worden verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

Hieraan wordt met dit artikel 22 invulling gegeven.

Beperking wordt in artikel 1 gedefinieerd als een lichamelijke of verstandelijke beperking. Een chronische ziekte kan in bijzondere gevallen ook iets anders zijn dan een lichamelijke of verstandelijke beperking, een psychisch of psychosociaal probleem. Om deze (zeer beperkte) groep ook in aanmerking te kunnen laten komen voor een tegemoetkoming, is in het artikel de chronisch zieke toegevoegd als doelgroep.

Er wordt voor zowel het inkomen als de aanwezigheid van aannemelijke meerkosten gekeken naar het kalenderjaar, voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend. Dit is het peiljaar.

Dus een aanvraag die in 2016 wordt ingediend, heeft betrekking op de meerkosten en inkomenssituatie in 2015.

De tegemoetkoming wordt slechts verstrekt als de toepasselijke inkomensgrens, zoals opgenomen in het tweede en derde lid, niet wordt overschreden.

In het tweede lid staat de inkomensgrens genoemd voor gehuwden of daarmee gelijkgestelden, zoals personen die samenwonen. Deze grens bedraagt 130% van het (bruto) wettelijk minimumloon, vermeerderd met 8% vakantietoeslag.

Voor alleenstaanden (al dan niet met tot hun huishouden behorende minderjarige kinderen) wordt uitgegaan van 130% van 70% van het bruto wettelijk minimumloon, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Hierdoor wordt aangesloten bij de verhouding tussen de bijstandsnormen die voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden is opgenomen in de Participatiewet.

De tegemoetkoming wordt op aanvraag verstrekt. Hiervoor wordt door het college een aanvraagformulier vastgesteld. De aanvraag moet vóór 1 oktober ingediend zijn. Te laat ingediende aanvragen worden buiten behandeling gesteld.

Voor zover het college beschikt over voldoende informatie voor een cliënt om het recht op een tegemoetkoming vast te stellen, kan het college ook tot een ambtshalve toekenning overgaan.

De tegemoetkoming is persoonlijk. Dat wil zeggen dat meerdere personen in een gezin aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming.

Wel moeten per gezinslid een andere maatwerkvoorziening/pgb of andere meerkosten als grondslag dienen. Zo kan bijvoorbeeld een maatwerkvoorziening voor het voeren van een huishouden voor gezinslid 1 en ondersteuning bij dagbesteding voor gezinslid 2 worden opgevoerd.

Is er sprake van alleen een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke verzorging die ten behoeve van een echtpaar wordt verstrekt, dan kan slechts één van hen op grond hiervan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. Als er daarnaast geen sprake is van andere aannemelijke meerkosten, kan de andere partner niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming.

Het college controleert steekproefsgewijs of de tegemoetkoming rechtmatig is verstrekt. Is dat niet het geval, dan kan het college besluiten de persoon voor één of meerdere jaren uit te sluiten van het recht op een tegemoetkoming. Ook kan het college besluiten de tegemoetkoming terug te vorderen.

In het achtste lid is uitgewerkt dat het college ook ten aanzien van de tegemoetkoming meerkosten zorg nadere regels en beleidsregels kan vaststellen.

Zo zal het college nadere invulling kunnen geven aan de begrippen “aannemelijke meerkosten”. Ook kan het college speciale regels stellen ten aanzien van het kind of de situatie dat het inkomen of het huishouden gedurende het peiljaar wijzigt.

De onderwerpen die in het achtste lid staan genoemd zijn niet limitatief bedoeld.

 

Paragraaf 5 Ondersteuning in de vorm van een pgb

 

Artikel 23 Mogelijkheden tot het kiezen voor een pgb

Op grond van artikel 2.3.6 van de wet moet de cliënt voldoen aan een aantal voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze zijn:

  • 1.

    hij moet, al dan niet met ondersteuning, in staat zijn om een pgb te beheren. Dat wil zeggen dat hij de administratieve verantwoordelijkheden aankan, maar ook kan bepalen wat hij nodig heeft en door hem ingeschakelde personen kan aansturen;

  • 2.

    hij kan motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst te ontvangen;

  • 3.

    de diensten, hulpmiddelen e.d. die hij met het pgb wenst in te kopen worden veilig, doeltreffend en cliëntgericht verstrekt en dragen bij aan het behalen van het beoogde resultaat.

Ook bepaalt de wet dat het college een pgb kan weigeren:

 

  • 1.

    voor zover de kosten van de met het pgb in te kopen ondersteuning hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening; of

  • 2.

    indien het college eerder een beslissing voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening of pgb heeft herzien in verband met het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens, het niet voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de maatwerkvoorziening of pgb of een onjuiste besteding van een pgb.

 

Om te kunnen vasttellen of de cliënt aan deze voorwaarden voldoet, wordt van de cliënt verwacht dat hij een gemotiveerd verzoek indient als hij voor een pgb in aanmerking wil komen. Aan dit verzoek wordt een aantal eisen verbonden, dat is opgenomen in het eerste lid.

 

Het college stelt een format vast voor een zorg- en budgetplan, dat de cliënt met zijn verzoek om een pgb moet indienen. Als er sprake is van een verzoek om een pgb voor bijvoorbeeld een rolstoel of sportvoorziening, zal het zorg- en budgetplan meer een ander karakter hebben en meer gericht zijn op de offerte van een leverancier en informatie op basis waarvan het college kan toetsen dat de voorziening van voldoende kwaliteit is en geschikt is voor het doel waarvoor het wordt verstrekt.

 

In het tweede lid zijn aanvullende eisen voor een pgb opgenomen.

 

Uitgangspunt is dat de cliënt naar het oordeel van het college voldoet aan alle in artikel 2.3.6, tweede lid, van de wet, genoemde voorwaarden en dat op de cliënt ook niet de in dat artikel genoemde weigeringsgronden van toepassing zijn. De voorwaarden en weigeringsgronden zijn hierboven weergegeven.

 

Als een cliënt niet zelf tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is, moet zijn gewaarborgd dat een derde die de cliënt daarbij ondersteunt hiertoe wel in staat is en er ook geen ongewenste belangenverstrengeling aan de orde is. Om die reden is een aantal voorwaarden aan deze begeleiding opgenomen onder c.

 

In het derde lid is een aantal aanvullende weigeringsgronden opgenomen.

 

Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning. In zo’n geval is de ondersteuning niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een maatwerkvoorziening blijkt aan de orde, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.

 

Besteding van een pgb in het buitenland is alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Het college zal hierbij toetsen of de besteding van het pgb past binnen het ondersteuningsplan en de te behalen resultaatgebieden.

 

Als Vervoer op Maat als maatwerkvoorziening voor een cliënt passend wordt geacht, is een pgb in principe niet mogelijk. Het college kan daarop een uitzondering maken als het pgb wordt bestemd voor de aanschaf van een gehandicaptenvoertuig of de aanpassing van de eigen personenauto of brommobiel. Voorwaarde is wel, dat hij voor 5 jaar afziet van het gebruik van Vervoer op Maat. Dit is opgenomen in artikel 17, vierde lid.

 

Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon die hem begeleidt met het beheer van het pgb. Ook mogen er van het pgb geen administratiekosten worden betaald.

 

Het college stelt een (niet-limitatieve) pgb-vergoedingenlijst op die als richtlijn dient welke kosten, voorzieningen of activiteiten wel en niet uit het pgb kunnen worden betaald (zie artikel 41). Uitgangspunt hierbij is, dat het college van oordeel is dat de zaken die uit het pgb worden betaald, bijdragen aan het te behalen resultaat.

 

Als een cliënt het pgb wil besteden aan ondersteunende dienstverlening via het informele circuit, geldt dat hij hiervoor niet meer mag uitgeven dan het maximale pgb-bedrag dat op grond van deze verordening hiervoor wordt gehanteerd.

 

Binnen een resultaatgebied moet de cliënt kiezen om deze òf in natura òf in de vorm van een pgb te ontvangen. Als een cliënt voor meerdere resultaatgebieden ondersteuning nodig heeft, kan hij wel tussen de resultaatgebieden onderscheid maken of hij deze in natura of in de vorm van een pgb wenst te ontvangen.

 

Voor aanvullende voorzieningen die binnen een resultaatgebied nodig zijn, anders dan voor dienstverlening, behoudt de cliënt de vrije keuze. Dus als een cliënt voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren voor de dienstverlening een pgb wenst te ontvangen, maar voor dit resultaatgebied ook een vervoersvoorziening nodig heeft, kan hij deze vervoersvoorziening in natura ontvangen.

 

In artikel 24 wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor professionele en informele ondersteuning. Voor zover de cliënt binnen één resultaatgebied zowel professionele als informele ondersteuning inschakelt, maakt het college op basis van de begroting de keuze of hij het maximum voor informele of professionele ondersteuning hanteert.

 

Artikel 24 Hoogte van het pgb en begroting

De basis voor de vaststelling van de hoogte van het pgb is de door de cliënt ingediende begroting die onderdeel uitmaakt van het zorg- en budgetplan dat de cliënt moet overleggen.

Het college begrenst het pgb echter op de tarieven zoals die in de volgende artikelen zijn omschreven. Deze tarieven zijn derhalve de feitelijke maxima.

 

Daarnaast houdt het college rekening met het feit of de ondersteuning binnen het informele circuit wordt geleverd (familie, buren, sociale netwerk) of door een professionele dienstverlener. Het college zal beoordelen of er inderdaad sprake is van een professionele dienstverlener op basis van een aantal door het college op te stellen criteria.

 

Een professionele dienstverlener heeft hogere kosten dan een informele dienstverlener en daarom wordt hiervoor een hoger budget als maximum gehanteerd.

 

Voor zover de cliënt door de verstrekking van een pgb kosten bespaart voor een in zijn situatie algemeen gebruikelijk te achten product, kan het college besluiten die kosten in mindering te brengen op het pgb.

 

Wil de cliënt een pgb ontvangen in plaats van een maatwerkvoorziening dan kunnen zich 3 situaties voordoen:

 

  • 1.

    de gemeente koopt een vergelijkbare maatwerkvoorziening zelf in. In dat geval wordt het pgb afgeleid van de kostprijs van de maatwerkvoorziening;

  • 1.

    de gemeente huurt een vergelijkbare maatwerkvoorziening. In dat geval wordt de kostprijs van de maatwerkvoorziening waarvan de hoogte van het pgb wordt afgeleid vastgesteld aan de hand van de technische afschrijvingstermijn van de voorziening en de huur die de gemeente over deze periode voor de voorziening verschuldigd zou zijn;

  • 2.

    de gemeente heeft geen contract voor de inkoop of huur van een vergelijkbare maatwerkvoorziening. In dat geval wordt de kostprijs vastgesteld op basis van offertes of marktonderzoek.

 

Het college kan besluiten dat een redelijk bedrag van het ter beschikking te stellen pgb voor dienstverlening verantwoordingsvrij is. Hiermee wordt de cliënt dan in staat gesteld om bijvoorbeeld een extraatje te kopen bij een verjaardag of ziekte van de zorgverlener.

 

Artikel 25 Pgb voor dienstverlening

Het maximum budget voor een professionele dienstverlener is afgeleid van de kostprijs voor de ondersteuning in natura die het college verschuldigd voor de maatwerkvoorziening. Het budget is hieraan niet gelijk, omdat verondersteld wordt dat bij een dienstverlener die op basis van een pgb werkt sprake is van lagere kosten (bijvoorbeeld als gevolg van administratieve verplichtingen en het niet hoeven voldoen aan verplichtingen op grond van Social Return on Investment) en van een hogere productiviteit.

 

Om die reden bedraagt het pgb bij een professionele dienstverlener maximaal 90% van de kostprijs voor de ondersteuning in natura.

 

De indexering van de hoogte van een pgb gaat altijd in op de eerste van de maand. Zo kan bijvoorbeeld een eventuele wijziging van de zorgovereenkomst op de eerste van de maand ingaan, wat voor de Sociale Verzekeringsbank noodzakelijk is om een wijziging in de betaling van zorgverleners die per maand worden betaald te kunnen verwerken. Belastingtechnisch is een maandbetaling ook voor de zorgverlener handiger.

Aangezien de indexering van de vergoeding voor een maatwerkvoorziening die per CAK-periode worden gedeclareerd veelal met ingang van een nieuwe CAK-periode gebeurt, kan hier dus gedurende een beperkt aantal dagen een minimaal verschil ontstaan tussen de kostprijs van de maatwerkvoorziening en de afgeleide maximum kostprijs van het pgb, zoals wordt berekend met de percentages in de volgende artikelen.

De indexering van de hoogte van een pgb gaat altijd in op de eerste van de maand. Zo kan bijvoorbeeld een eventuele wijziging van de zorgovereenkomst op de eerste van de maand ingaan, wat voor de Sociale Verzekeringsbank noodzakelijk is om een wijziging in de betaling van zorgverleners die per maand worden betaald te kunnen verwerken. Belastingtechnisch is een maandbetaling ook voor de zorgverlener handiger.

Aangezien de indexering van de vergoeding voor een maatwerkvoorziening die per CAK-periode worden gedeclareerd veelal met ingang van een nieuwe CAK-periode gebeurt, kan hier dus gedurende een beperkt aantal dagen een minimaal verschil ontstaan tussen de kostprijs van de maatwerkvoorziening en de afgeleide maximum kostprijs van het pgb, zoals wordt berekend met de percentages in de volgende artikelen.

Bij ondersteuning in het informele circuit wordt uitgegaan van lagere percentages, omdat in dat geval sprake is van het ontbreken van kosten die professionele dienstverleners wel hebben. Te denken valt aan overheadkosten, verzekeringen en pensioenvoorzieningen.

 

Artikel 26 Pgb voor mantelzorgondersteuning met verblijf

Op dezelfde manier als genoemd in artikel 25, wordt ook bij mantelzorgondersteuning met verblijf een onderscheid gemaakt tussen professionele en informele ondersteuning.

 

Als de mantelzorgondersteuning met verblijf in het informele circuit wordt verzorgd, vindt alleen een vergoeding plaats van de verblijfskosten. Alleen als er sprake is van individuele ondersteuning tijdens het verblijf, worden ook deze kosten vergoed. Dit leidt tot twee verschillende percentages van de kostprijs van de maatwerkvoorziening.

 

Artikel 27 Pgb voor huisvesting

Een pgb zal voor dit resultaatgebied niet snel aan de orde zijn, omdat er hoge kwaliteitseisen worden gesteld aan de ondersteuning die voor deze cliënten nodig is. Het gaat immers veelal om cliënten met een multiproblematiek van verslaving en psychiatrische klachten.

 

Als een cliënt dergelijke ondersteuning desondanks op verantwoorde wijze kan regelen, wordt het pgb vastgesteld op basis van de budgetten voor de doelgroep GGZ-extramuraal voor de resultaatgebieden die genoemd staan in artikel 11, onder a t/m e. Dat zijn de resultaatgebieden sociaal en persoonlijk functioneren, het voeren van het huishouden, financiën, dagbesteding en zelfzorg en gezondheid. Daarnaast kan in dat geval mantelzorgondersteuning met verblijf aan de orde zijn.

 

De cliënt wordt geacht de kosten van zijn huisvesting uit eigen middelen te kunnen voldoen, bijvoorbeeld in de vorm van kamerhuur of huur van zelfstandige woonruimte.

 

Artikel 28 Pgb overige maatwerkvoorzieningen

Voor overige maatwerkvoorzieningen, zoals woonvoorzieningen, rolstoelen en vervoersvoorzieningen wordt het maximale pgb-tarief afgeleid van de kostprijs van de voorziening in natura.

 

Het college kan daarbij wel rekening houden met verlaging van de kostprijs als er bijvoorbeeld geen sprake is van arbeidsloon door een aannemer, omdat de werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het informele circuit.

 

Bij een pgb voor sociaal-recreatief vervoer wordt uitgegaan van het gemiddelde reisgedrag van ingezetenen. In voorkomende gevallen kan dit worden verhoogd, als blijkt dat de cliënt voor zijn participatie of zelfredzaamheid frequenter reist dan dit gemiddelde.

 

Artikel 29 Besteding en verantwoording van het pgb

De besteding van het pgb dient te geschieden binnen de afspraken die daarvoor met de cliënt zijn gemaakt. Deze afspraken kunnen voortvloeien uit het goedgekeurde zorg- en budgetplan en hiernaar zal worden verwezen in de beschikking.

 

Hierbij kunnen ook verplichtingen worden opgenomen ten aanzien van de besteding, de termijn waarbinnen een pgb moet zijn besteed, het nakomen van verplichtingen in relatie tot het trekkingsrecht en verantwoording van het pgb.

 

De Sociale Verzekeringsbank beheert het pgb van de cliënt en keert het pgb uit op basis van te overleggen documenten, zoals een factuur of overeenkomst met de zorgleverancier.

 

Paragraaf 6 Bijdragen voor het gebruik van voorzieningen

 

Artikel 30 Vergoeding algemeen gebruikelijke kosten

Als een cliënt gebruik maakt van een algemene of maatwerkvoorziening, dan kan de aanbieder van deze voorziening een vergoeding vragen voor de kosten die onderdeel uitmaken van de voorziening maar feitelijk algemeen gebruikelijk zijn en ook niet worden vergoed door de gemeente. Het gaat daarbij om kosten van bijvoorbeeld maaltijden, het doen van de was, kosten van vervoer die niet hoger zijn dan de kosten van het openbaar vervoer stadsvervoer (regulier of gereduceerd tarief), een reguliere toegangs- of lidmaatschapsprijs of bijdrage aan materiaalkosten bij een creatieve activiteit.

 

Het college maakt hierover afspraken met de aanbieder van de voorziening.

 

De aanbieder moet transparant zijn over de kosten die hij in rekening brengt en dit op een duidelijke en begrijpelijke manier kenbaar maken aan de cliënt die gebruik maakt van de voorziening. Dit kan op een bord in de instelling, op een website, met een brief of op een andere duidelijke wijze.

In Rotterdam bestaat een voucherregeling HHT Rotterdam. Deze regeling is bedoeld voor 3 doelgroepen die in Rotterdam woonachtig zijn:

  • a.

    personen met een geldige indicatie op grond van de wet;

  • b.

    personen die beschikken over een mantelzorgverklaring omdat zij mantelzorg verlenen;

  • c.

    personen die 75 jaar of ouder zijn. De persoon kan vouchers aanschaffen, waarmee hij bij een aantal door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieders huishoudelijke ondersteuning kan afnemen.

Voor de aanschaf is betrokkene een eigen bijdrage verschuldigd van € 5,- per voucher.

In Rotterdam bestaat een voucherregeling HHT Rotterdam. Deze regeling is bedoeld voor 3 doelgroepen die in Rotterdam woonachtig zijn:

  • a.

    personen met een geldige indicatie op grond van de wet;

  • b.

    personen die beschikken over een mantelzorgverklaring omdat zij

    mantelzorg verlenen;

  • c.

    personen die 75 jaar of ouder zijn.

a. b. of c. De persoon kan vouchers aanschaffen, waarmee hij bij een aantal door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieders huishoudelijke ondersteuning kan afnemen.

Voor de aanschaf is betrokkene een eigen bijdrage verschuldigd van € 5,- per voucher.

 

Artikel 31 Inkomensafhankelijke eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb

De eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb is inkomens- en vermogensafhankelijk. De hoogte van de eigen bijdrage wordt begrensd door landelijk criteria, opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015.

 

In het tweede lid is een uitzondering gemaakt voor de situatie dat de maatwerkvoorziening ambtshalve aan de cliënt is verstrekt. In die situatie is er namelijk enerzijds sprake van een dringende noodzaak tot ondersteuning, terwijl de cliënt dat zelf niet inziet of niet wil. Het opleggen van de eigen bijdrage kan in zo’n situatie het risico vergroten dat de cliënt niet de benodigde ondersteuning krijgt. Anderzijds is er sprake van de verstrekking van een maatwerkvoorziening zonder uitdrukkelijk verzoek daartoe, waardoor het vragen van een eigen bijdrage op juridische bezwaren stuit.

 

Ook voor een woningaanpassing van een minderjarig kind is een eigen bijdrage verschuldigd.

 

Deze eigen bijdrage wordt in rekening gebracht bij de onderhoudsplichtige ouders, waaronder ook wordt verstaan de stiefouders en anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden. Ook wordt tot de ouders gerekend de verwekker van een kind tegen wie een vaderschapsactie is toegewezen. Daarnaast kan de eigen bijdrage in rekening worden gebracht bij degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over een jeugdige.

 

In de wet is opgenomen dat geen bijdrage is verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.

 

In de wet is tevens opgenomen dat als ouders gescheiden wonen en er geen alimentatie is bepaald, alleen die ouder bijdrageplichtig is dien onmiddellijk voorafgaand aan de verstrekking van de woningaanpassing of het persoonsgebonden budget recht op kinderbijslag heeft.

 

De wetgever heeft bepaald dat voor bepaalde maatwerkvoorzieningen geen eigen bijdrage verschuldigd is. Dit geldt voor andere voorzieningen dan woningaanpassingen voor jongeren en voor rolstoelen.

 

In het derde lid is opgenomen dat, los van de wettelijke situaties, voor een aantal voorzieningen geen eigen bijdrage verschuldigd is.

 

Voor het gebruik van Vervoer op Maat voor sociaal-recreatief is alleen een bijdrage verschuldigd op basis van het openbaar stadsvervoertarief verschuldigd. Dit is geregeld in artikel 30.

 

In de wet is geregeld dat voor cliëntondersteuning geen eigen bijdrage verschuldigd is. Aangezien een doventolk in het verlengde hiervan ligt, is ook voor de doventolk geen eigen bijdrage verschuldigd.

 

Artikel 32 Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb

In het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 is opgenomen dat, afhankelijk van de situatie van de cliënt (AOW-gerechtigd of niet, alleenstaand of niet) een basisbedrag verschuldigd is. Heeft een cliënt een hoger bijdrageplichtig inkomen dan voor dit basisbedrag geldt, dan is de cliënt een percentage van dit meerdere inkomen verschuldigd als eigen bijdrage.

 

De hoogte van de eigen bijdrage wordt derhalve begrensd op grond van dit bijdrageplichtig inkomen.

 

Als er meerdere maatwerkvoorzieningen worden verstrekt, wordt de eigen bijdrage voor al deze maatwerkvoorzieningen samen begrensd door het bijdrageplichtige inkomen van de cliënt.

 

Zou de kostprijs van de voorziening per periode hoger uitvallen dan de berekende eigen bijdrage op grond van inkomen en vermogen, dan wordt de eigen bijdrage over die periode gemaximeerd op de kostprijs.

 

In het tweede lid is opgenomen hoe lang iemand een eigen bijdrage verschuldigd is.

 

Bij dienstverlening geldt dat de eigen bijdrage verschuldigd is over iedere periode waarin dienstverlening is geboden. Ook als bijvoorbeeld een week geen dienstverlening is geboden, maar de andere weken wel, is een cliënt een eigen bijdrage verschuldigd. In hoeverre de kostprijs van de dienstverlening hierdoor wijzigt, is afhankelijk van het contract dat de gemeente met de dienstverlener heeft afgesloten.

 

Zodra de indicatie voor de dienstverlening wordt ingetrokken, vervalt ook de verschuldigdheid van de eigen bijdrage.

 

Voor een voorziening in natura is de eigen bijdrage verschuldigd zolang de cliënt in het bezit is van de voorziening. Als de kostprijs eerder is voldaan, eindigt de verplichting tot het betalen van de eigen bijdrage zodra de kostprijs is voldaan. Ditzelfde geldt voor de eigen bijdrage over een eenmalig pgb.

 

Bij een periodieke pgb-verstrekking is de cliënt een eigen bijdrage verschuldigd over iedere periode waarin een pgb is verstrekt.

 

Als een persoon over een periode voor meerdere voorzieningen een eigen bijdrage is verschuldigd, dan komt de betaalde eigen bijdrage allereerst ten goede van de voorziening die incidenteel is verstrekt en waarvoor het college geen huur verschuldigd is. Op deze manier worden de kosten van deze voorziening als eerste “afbetaald”.

 

De eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het CAK.

 

Artikel 33 Eigen bijdrage maatwerkvoorziening huisvesting

Bij verblijf in de intramurale opvang of beschermd wonen is een eigen bijdrage verschuldigd die berekend wordt over de kostprijs van de voorziening.

 

De eigen bijdrage is in principe gelijk aan de kostprijs. De cliënt moet echter altijd de beschikking houden over een bedrag voor zak- en kleedgeld, vermeerderd met de standaardpremie voor de ziektekostenverzekering, gecorrigeerd met de zorgtoeslag, omgerekend naar een periode van 4 weken.

 

De wijze waarop de eigen bijdrage voor opvang en beschermd wonen wordt berekend, is vastgelegd in hoofdstuk 1, paragrafen 3 en 4, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

 

De cliënt is op grond van het tweede lid de eigen bijdrage verschuldigd zolang de huisvesting voor cliënt beschikbaar is en de indicatie niet is ingetrokken. Ook als een cliënt derhalve tijdelijk afwezig is, bijvoorbeeld in verband met ziekenhuisopname of vakantie, blijft deze de eigen bijdrage verschuldigd.

 

Als de cliënt in een vorm van opvang verblijft waarbij hij zelf woonruimte huurt of in bruikleen heeft dan valt deze opvang niet onder het resultaatgebied huisvesting. Hij is voor de woonruimte een bijdrage/huur voor de woonkosten verschuldigd.

Hij is dan alleen een eigen bijdrage verschuldigd voor de eventuele extramurale ondersteuning die hij ontvangt, conform artikel 31.

Paragraaf 7 Vaststelling kostprijs

 

Artikel 34 Vaststelling kostprijs pgb

Voor de vaststelling van de eigen bijdrage is de kostprijs relevant. De kostprijs van een pgb is hiervoor altijd gelijk aan de hoogte van het pgb dat is toegekend.

 

Artikel 35 Vaststelling kostprijs maatwerkvoorziening

Bij een maatwerkvoorziening zijn diverse situaties mogelijk:

  • 1.

    Er is sprake van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening, anders dan voor dienstverlening (inclusief mantelzorgondersteuning met verblijf en huisvesting). Bijvoorbeeld voor een woonvoorziening, rolstoel of scootmobiel. Als de gemeente de maatwerkvoorziening inkoopt, dan is de kostprijs gelijk aan de inkoopprijs die de gemeente verschuldigd is voor de maatwerkvoorziening. Hier kunnen ook de onderhoudskosten bij inbegrepen zijn. In dat geval wordt de kostprijs derhalve afgeleid van de contracten die de gemeente heeft met leveranciers. Als de gemeente de maatwerkvoorziening huurt, dan wordt de kostprijs per periode vastgesteld en is deze gelijk aan de huurprijs die de gemeente per periode betaalt.

  • 2.

    Er is sprake van een voorziening voor dienstverlening, opvang of beschermd wonen. Een dergelijke voorziening wordt over meerdere periodes verstrekt, waardoor er geen eenmalig bedrag aan is op te hangen. De kostprijs wordt daarom per periode vastgesteld op de kosten die de gemeente op grond van een subsidierelatie of contract met de aanbieder verschuldigd is voor de dienstverlening (inclusief mantelzorgondersteuning met verblijf en huisvesting).

 

Paragraaf 8 Kwaliteit, klachten en inspraak

 

Artikel 36 Kwaliteitseisen

In artikel 3.1 van de wet staat dat de aanbieder van een voorziening er zorg voor moet dragen dat een voorziening van goede kwaliteit is. De voorziening wordt in ieder geval:

  • 1.

    veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt;

  • 2.

    afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt;

  • 3.

    verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard;

  • 4.

    verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt.

 

In dit artikel worden de wettelijk vastgestelde kwaliteitseisen die worden gesteld aan de aanbieder verder uitgebreid.

 

Zo zal het college een keurmerk of vergelijkbare kwaliteit eisen van een aanbieder, als er voor zijn branche een keurmerk bestaat. Daarnaast worden er eisen gesteld aan het ingezette personeel.

 

Ook wordt er op gewezen dat de hoofdaannemer er zorg voor draagt dat de door hem ingezette onderaannemers aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen.

 

De kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten die met de aanbieders worden afgesloten.

 

De kwaliteitseisen hebben geen betrekking op de kwaliteit van de voorziening die een cliënt met een pgb inkoopt. Welke kwaliteitseisen de cliënt wil stellen, is in eerste instantie aan de pgb-houder. Het college toetst slechts in algemene zin, mede in relatie tot het bereiken van de gestelde resultaten, doelmatigheid en veiligheid.

 

Artikel 37 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

Het college is verplicht de tarieven die voor de dienstverlening, opvang en beschermd wonen worden vastgesteld op zodanige wijze vast te stellen dat er sprake is van een goede prijs-kwaliteitverhouding. Dit artikel handelt over de tarieven van aanbieders. Aanbieders zijn volgens artikel 1.1.1 van de wet natuurlijke personen of rechtspersonen die jegens het college verplicht zijn een algemene of maatwerkvoorziening te leveren. Het gaat dus niet om dienstverleners die een cliënt met een pgb betaalt.

 

In het tweede lid wordt aangegeven waarmee het college in ieder geval rekening houdt bij de vaststelling van de budgetten.

 

a. de personele kosten voor de inzet van voldoende geschoold en ervaren personeel in relatie tot de doelgroep aan wie de ondersteuning wordt geboden, waarbij sprake is van een reële mix van opleiding en ervaring; b. een redelijk percentage voor overheadkosten; c. een redelijke norm voor inzetbaarheid van personeel De personele kosten zijn bijvoorbeeld afhankelijk van het type voorziening, de aard van de doelgroep of de ernst van de beperking. Bij “zwaardere” cliënten zal ook beter opgeleid of gespecialiseerd personeel nodig zijn, wat hogere kosten met zich meebrengt. De gemeente gaat uit van een reële mix van opleiding en ervaring van het personeel en de verplichtingen die er gelden op basis van CAO’s.

 

Onder overheadkosten vallen kosten van personele ondersteuning (leidinggevenden, secretariaat, management & staf) en overige kosten (vervoer, ICT, communicatie, werkruimte, reserveringen, kapitaallasten, innovatie, administratieve lasten et cetera).

De inzetbaarheid van een medewerker wordt beïnvloed door zaken als ziekteverzuim, vakantie, verlof, studie, overlegtijd, reistijd, etc. Dit is niet voor alle functies gelijk.

 

In het derde lid wordt aangegeven dat daarnaast kritisch wordt gekeken naar bezoldigingen en ontslagvergoedingen van medewerkers, bestuurders en toezichthouders. Als deze in een kalenderjaar boven de zogenaamde WNT-norm uitkomen, kan het college besluiten de vergoeding over dat kalenderjaar met dat meerdere te korten.

 

In het vierde lid staan extra criteria voor het vaststellen van de juiste budgetten voor overige voorzieningen, zoals bijvoorbeeld voor de levering van trapliften en rolstoelen. Voor dit soort voorzieningen gelden andere kwaliteitseisen en worden ook andere taken van de leverancier verwacht.

 

Artikel 38 Medezeggenschap en klachten

Iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening is verplicht te beschikken over een klachtenprocedure. In de contracten met de aanbieders is dit opgenomen, waarbij zoveel mogelijk aangesloten wordt bij de landelijke eisen die voor deze aanbieders al gelden, bijvoorbeeld in het kader van de Wet langdurige zorg.

 

Als de cliënt van mening is dat de klacht door een aanbieder niet goed is afgehandeld, heeft hij de mogelijkheid om een dispuutprocedure te starten bij het college. Deze beoordeelt dan, met inachtneming van de gemeentelijke klachtenverordening, nogmaals de klacht. De aanbieder is gebonden aan de uitkomst van deze dispuutprocedure.

 

Deze procedure staat los van de mogelijkheid om direct op grond van de gemeentelijke klachtenverordening een klacht in te dienen en zich desgewenst te wenden tot de gemeentelijke Ombudsman Rotterdam.

 

Voor aanbieders van maatwerkvoorzieningen voor dienstverlening is het daarnaast verplicht om een regeling te treffen voor medezeggenschap. Dit zal in veel gevallen een cliëntenraad zijn. Op deze manier kunnen cliënten invloed uitoefenen op besluiten die voor hen van belang zijn. Ook dit is opgenomen in de contracten met de aanbieders waarbij eveneens aangesloten is bij de landelijke regelgeving.

 

De aanbieders zijn verplicht helder te maken hoe de medezeggenschap en klachtenregeling (inclusief dispuutmogelijkheid) voor hun organisatie is geregeld.

 

Artikel 39 Melding calamiteiten en geweld

De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening dient te handelen conform de regels en afspraken die gelden voor de Rotterdamse meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en het Samenwerkingsverband SISA, verwijsindex risico’s jeugdigen Rotterdam.

 

De aanbieder heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de gemeentelijke toezichthouder.

 

Artikel 40  Brede Raad Rotterdam

Met dit artikel heeft de raad invulling gegeven aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. Dit artikel schrijft voor dat in de verordening wordt bepaald op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet.

De gebiedscommissies hebben op grond van de Verordening op de gebiedscommissies 2014 een taak om de bewoners van het gebied te betrekken bij de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het gemeentelijk beleid in de gebieden. Daarbij kan het ook gaan om onderdelen die onder de reikwijdte van de wet vallen. Te denken valt aan de bevordering van sociale samenhang en leefbaarheid in de wijken.

 

Met dit artikel geeft de gemeenteraad op nog een andere wijze invulling aan de participatie van burgers in het kader van de wet. De Brede Raad Rotterdam krijgt een taak bij de beleidsvoorbereiding en advisering over de uitvoering van de wet. De Brede Raad wordt door het college ingesteld, en zal behalve ten aanzien van de wet ook ten aanzien van andere onderdelen van het sociale domein een rol krijgen, zoals de Jeugdwet.

 

In het tweede lid is geregeld dat cliënten in het kader van de wet vertegenwoordigd zullen worden in deze Brede Raad. Daarbij kan het gaan om cliënten die een voorziening ontvangen op grond van de wet of hun vertegenwoordigers. Ook kan het gaan om ingezetenen van de gemeente die op andere wijze kennis van of ervaring hebben met de wet en haar doelgroepen. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat vertegenwoordigers van instellingen in de Brede Raad zitting hebben.

 

Het is van belang dat de beleidsvorming zo veel mogelijk in gezamenlijkheid tot stand wordt gebracht en zo vroeg mogelijk wordt getoetst of voorgenomen beleid op draagkracht kan rekenen, zodat tijdig bijsturing kan plaatsvinden.

 

In het vierde lid is geregeld dat het college kan besluiten dat het niet nodig is de Brede Raad te betrekken. In de onderdelen a t/m e staan daarvoor voorbeelden genoemd.

 

De Brede Raad wordt ondersteund door niet-ambtelijke personen, om de onafhankelijkheid van de Brede Raad zoveel mogelijk te waarborgen. Deze personen zijn in dienst van een stichting, de Stichting Brede Raad Rotterdam. Ook zijn er vanuit de gemeente één of meerdere personen die als contactpersoon optreden voor de Brede Raad en ook periodiek overleg met leden zullen hebben.

 

Ten minste éénmaal per jaar vindt overleg plaats met de verantwoordelijk wethouder. Zowel vanuit de gemeente als vanuit de Brede Raad kunnen agendapunten voor dit overleg worden aangedragen.

 

Het college kan besluiten dat een aanvullende inspraakprocedure wordt gevolgd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de aard van het beleidsvoornemen meer specifieke advisering vergt of (ook) gecontracteerde instellingen raakt. In dat geval kan het college bijvoorbeeld ook een adviesverzoek neerleggen bij de instellingen, bij professionals, de gebiedscommissies of het Basisberaad GGZ.

 

Paragraaf 9 Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet

 

Artikel 41 Tegengaan oneigenlijk gebruik

De gemeenteraad zet in op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

Daartoe is in dit artikel een aantal maatregelen opgenomen die in dit kader in ieder geval van het college worden verwacht.

 

Het gaat bijvoorbeeld om een goede toegangsprocedure, resultaatsturing, monitoring en het aanwijzen van toezichthouders.

 

Ten aanzien van pgb-verstrekkingen speelt daarnaast een rol dat er sprake is van een trekkingsrecht: de cliënt krijgt het pgb niet in handen, maar de rekeningen worden gedeclareerd bij de SVB die deze vervolgens na controle uitkeert.

 

Als er twijfel is of een pgb een goed instrument is voor de cliënt, kan het college ervoor kiezen om een kortdurende indicatie af te geven of bij een langdurige indicatie tussentijds te onderzoeken of de verstrekking nog correct verloopt, mede in relatie tot de beoogde resultaten.

 

Artikel 42 Terugvordering

De terugvordering van een maatwerkvoorziening geschiedt op basis van de kostprijs van de maatwerkvoorziening.

 

Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat het college de maatwerkvoorziening terughaalt. Ook een met een pgb betaalde voorziening kan het college in voorkomende gevallen terugvragen als het besluit tot verstrekking van het pgb is ingetrokken.

 

Pas als het terug te betalen bedrag is voldaan, meldt het college dit aan het CAK, zodat een herberekening van de verschuldigde eigen bijdrage kan plaatsvinden.

 

Paragraaf 10 Slot- en overgangsbepalingen

 

Artikel 43 Hardheidsclausule

Juist omdat er bij de uitvoering van de wet sprake is van maatwerk, kan het voorkomen dat de uitvoering van de wet volgens de verordening onbillijk is voor een cliënt of tot ongewenste consequenties leidt. In dat geval heeft het college de mogelijkheid met toepassing van de hardheidsclausule in positieve zin af te wijken van de bepalingen van deze verordening.

 

Artikel 45 Overgangsbepalingen

In de wet is overgangsrecht opgenomen voor cliënten die vanuit de AWBZ onder de verantwoordelijkheid van de gemeente komen te vallen. Om die reden zijn voor deze doelgroep geen overgangsbepalingen opgenomen in deze verordening.

 

De overgangsbepalingen hebben slechts betrekking op de situatie waarin voor inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag voor ondersteuning is ingediend.

 

In het eerste lid is geregeld dat op een aanvraag die voor 1 januari 2015 is ingediend, maar waarop op 1 januari 2015 nog niet is beslist, de afhandeling geschiedt op basis van de deze verordening en dus met toepassing van de Wmo 2015.

 

In bezwaarprocedures is de regelgeving van toepassing die ten grondslag heeft gelegen aan het besluit waartegen bezwaar is ingediend.

 

In de verordening zijn eisen opgenomen die betrekking hebben op de werkwijze en organisatie van aanbieders van (maatwerk)voorzieningen. Er kan sprake zijn van een overeenkomst of subsidierelatie met een aanbieder die al voor de inwerkingtreding van deze verordening is ingegaan. In dat geval zullen niet altijd alle eisen zijn opgenomen die nu in de verordening zijn opgenomen. De eisen zullen dan pas kunnen worden opgenomen bij de verlenging van de overeenkomst of subsidierelatie of als er een nieuwe overeenkomst in werking treedt.

 

Bij een cliënt op 1 januari 2015 al huishoudelijke verzorging ontving en wil overstappen naar een andere aanbieder of wil switchen tussen een voorziening in natura en pgb of vice versa, zal een heronderzoek plaatsvinden met toepassing van de criteria van de nieuwe wet en deze verordening. Hetzelfde geldt als een cliënt een uitbreiding van zijn indicatie wenst.

 

Daardoor kan de cliënt direct worden ingepast in de werkwijze die op basis van deze verordening ten aanzien van de aanbieders van voorzieningen en vaststelling van de hoogte van een pgb wordt gehanteerd.

 

Het zesde en zevende lid zien op de tegemoetkoming die het college kan verstekken op grond van artikel 22.

Op grond van artikel 22 moet een aanvraag voor een tegemoetkoming worden ingediend voor 1 juli. Omdat dat voor 2015 een te krappe termijn is, gezien het moment waarop artikel 22 in werking is getreden, wordt voor 2015 de datum 1 december 2015 gehanteerd.

Op grond van artikel 22 wordt een cliënt die een maatwerkvoorziening op grond van de wet ontvangt geacht aannemelijke meerkosten te hebben. Aangezien een aanvraag die in 2015 wordt ingediend betrekking heeft op de meerkosten over 2014, kan niet verwezen worden naar de maatwerkvoorziening op grond van de wet, omdat deze toen nog niet bestond. Voor 2015 is een individuele voorziening of pgb in 2014 op grond van de oude Wmo een criterium.

 

Het achtste lid heeft betrekking op de situatie dat voor een zogenaamde overgangscliënt niet tijdig een onderzoek kan worden afgerond en er hierdoor niet aansluitend een arrangement op basis van resultaatgebieden kan worden toegekend. In die situatie kan tijdelijk een arrangement worden aangeboden op basis van de zorg die voorheen in het kader van het overgangsrecht is geboden. Hiermee wordt voorkomen dat de cliënt tijdelijk zonder zorg of ondersteuning zit.

 

In artikel 22 wordt het referentieinkomen voor de tegemoetkoming meerkosten zorg vastgesteld op een bruto bedrag. In 2015 was dat een bedrag, afgeleid van de toepasselijke bijstandsnorm. Hierdoor komt een groep die over 2015 recht had op de tegemoetkoming bij hetzelfde inkomen niet langer in aanmerking voor de tegemoetkoming. Met de overgangsbepaling, zoals opgenomen in het negende lid, wordt ervoor gezorgd dat deze personen onder de daarin genoemde voorwaarden ook in 2016 en 2017 nog in aanmerking kunnen komen voor een tegemoetkoming.