Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Uden 2015

Geldend van 01-01-2015 t/m 31-12-2017

Intitulé

Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Uden 2015

Inhoud

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Hoofdstuk 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag

Artikel 2 Melding hulpvraag

Artikel 3 Cliëntondersteuning

Artikel 4 Persoonlijk plan

Artikel 5 Informatie en identificatie

Artikel 6 Geen (verder) onderzoek

Artikel 7 Het Gesprek en onderzoek

Artikel 8 Aanvraag

Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorziening

Artikel 9 Criteria voor maatwerkvoorziening

Artikel 10 Geen aanspraak

Artikel 11 Inhoud beschikking

Artikel 12 Regels voor Persoonsgebonden budget

Artikel 13 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Hoofdstuk 4 Bijdrage in de kosten

Artikel 14 Bijdrage in de kosten

Hoofdstuk 5 Kwaliteit en inspraak

Artikel 15 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Artikel 16 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Artikel 17 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

Artikel 18 Klachtregeling

Artikel 19 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Artikel 20 Inspraak en medezeggenschap

Hoofdstuk 6 Mantelzorgwaardering

Artikel 21 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 22 Evaluatie

Artikel 23 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

Artikel 24 Inwerkingtreding en citeertitel

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • -

    algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor personen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare voorzieningen;

  • -

    andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de Wet;

    • -

      gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet;

    • -

      hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet;

    • -

      Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de ZorgVerzekeringsWet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. De bijdrage van een mantelzorger die jonger is dan 18 jaar zal niet worden meegewogen bij het vaststellen van de zorgindicatie.

    • -

      melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet;

    • -

      persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 van de Wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.

    • -

      PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet;

    • -

      voorliggende voorziening: al hetgeen tegemoetkomt aan de hulpvraag, al dan niet wettelijk, en voorgaat op een verstrekking van een maatwerkvoorziening;

    • -

      ingezetene: cliënt die woonachtig is in de gemeente Uden;

    • -

      uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

    • -

      Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Hoofdstuk 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag

Artikel 2 Melding hulpvraag

  • 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.

  • 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

  • 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de melding van de hulpvraag en spoedeisende gevallen.

Artikel 3 Cliëntondersteuning

  • 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze cliëntondersteuning.

  • 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voorafgaande aan het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot cliëntondersteuning.

Artikel 4 Persoonlijk plan

  • 1. Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

  • 2. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 7, tweede lid.

Artikel 5 Informatie en identificatie

  • 1. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 2. De cliënt verstrekt het college desgevraagd terstond een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

Artikel 6 Geen (verder) onderzoek

  • 1. Als de cliënt tijdens het onderzoek te kennen geeft dat hij met de reeds aangereikte mogelijkheden zelf in een oplossing kan voorzien of geen aanvraag voor een maatwerkvoorziening zal doen, kan het onderzoek als afgerond worden beschouwd.

  • 2. Als de hulpvraag en de situatie van de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een gesprek en afzien van (nader) onderzoek.

Artikel 7 Onderzoek

  • 1. Een gesprek met de cliënt, zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie maakt deel uit van het onderzoek.

  • 2. Het college stelt in dit gesprek, in samenspraak met de cliënt of diens vertegenwoordiging, het gewenste resultaat van het verzoek om maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet vast.

  • 3. De onderwerpen, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wet en indien ingediend het persoonlijk plan zoals genoemd in artikel 2.3.2 lid 5 van de Wet maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een persoonsgebonden budget en wat de gevolgen van die keuze zijn.

  • 5. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een verslag van het gesprek als bedoeld in het eerste lid.

  • 6. Binnen 10 werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. Hiermee wordt de onderzoeksfase afgerond.

  • 7. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

Artikel 8 Aanvraag

  • 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen bij het college.

  • 2. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 9 van de Wet.

Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorziening

Artikel 9 Criteria voor maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

  • a.

    ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen

  • i.

    op eigen kracht en/of;

  • ii.

    met gebruikelijke hulp en/of;

  • iii.

    met mantelzorg en/of;

  • iv.

    met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of;

  • v.

    met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;

  • vi.

    met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

    De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en

  • b.

    ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen

  • i.

    op eigen kracht en/of;

ii. met gebruikelijke hulp en/of;

iii. met mantelzorg en/of;

iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of;

  • v.

    met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

    De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 2.

    Voor alle maatwerkvoorzieningen geldt bovendien dat:

  • a.

    deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening moeten kunnen worden aangemerkt;

  • b.

    deze in overwegende mate op het individu moet zijn gericht.

  • 3.

    Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:

  • a.

    de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en

  • b.

    de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.]

  • 4.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,

  • a.

    tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

  • b.

    tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

  • c.

    als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

  • 5.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

Artikel 10 Geen aanspraak

Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt :

a.voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft

voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

  • b.

    indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Uden voor wat betreft artikel 9 lid 1 sub a;

  • c.

    voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;

  • d.

    voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

  • e.

    indien de voorziening voor een cliënt algemeen gebruikelijk is;

  • f.

    voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie;

  • g.

    indien het een voorziening betreft die de cliënt vóór het verstrekken van de beschikking zoals bedoeld in artikel 11 Verordening heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend;

  • h.

    voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;

  • i.

    voor zover de beperkingen en/of problemen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

  • j.

    voor zover een woonvoorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw;

  • k.

    ten behoeve van een woningaanpassing in hotels/pensions, trekkerswoonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers;

  • l.

    voor zover het woonvoorzieningen en schoonmaakwerkzaamheden in gemeenschappelijke ruimten betreft;

  • m.

    indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

  • n.

    indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

  • o.

    indien de cliënt verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden;

  • p.

    indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet langdurige zorg of de Jeugdwet, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande.

Artikel 11 Beschikking

    • 1.

      In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

    • 2.

      Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:

  • a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;

  • b. de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

  • c. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is;

  • d. welke andere oplossingen en/of voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

    3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      aan welk resultaat het persoonsgebonden budget moet worden besteed;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget;

    • c.

      wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarop het persoonsgebonden budget ziet;

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget;

    • f.

      of een bijdrage in de kosten verschuldigd is;

    • g.

      welke andere oplossingen en/of voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de beschikking.

Artikel 12 Persoonsgebonden budget

    • 1.

      Aan het persoonsgebonden budget zijn de volgende verplichtingen en voorwaarden verbonden:

      • a.

        Uit het persoonsgebonden budget mogen geen administratieve bemiddelingsbureaus worden betaald.

      • b.

        Uit het persoonsgebonden budget mogen geen tussenpersonen of belangenbehartigers worden betaald.

      • c.

        Uit het persoonsgebonden budget mag de bijdrage in de kosten niet worden betaald.

      • d.

        In afwijking van het bepaalde onder a. mogen de kosten voor arbeidsbemiddeling, in het kader van deze wet, uit het persoonsgebonden budget worden betaald indien dit bemiddelingsbureau een Per Saldo Keurmerk heeft.

      • e.

        De budgethouder maakt met de hulpverlener of aanbieder in een schriftelijke overeenkomst tenminste afspraken over het resultaat van de maatschappelijke ondersteuning, de kwaliteit en de wijze van declareren.

      • f.

        Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen uiterlijk zes maanden na uitbetaling niet is aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

      • g.

        Een persoonsgebonden budget voor het sociaal netwerk moet in ieder geval beperkt blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.

    • 2.

      Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget worden de volgende criteria gehanteerd:

  • a. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan.

  • b. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt in ieder geval niet meer dan de huur- dan wel aanschafprijs van de goedkoopst passende bijdrage, waaronder onderhoud reparatie en verzekering zoals die door het college aan de aanbieder verschuldigd is.

  • c. Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget worden de volgende criteria gehanteerd:

    • i.

      De kosten voor een zzp’er mogen nooit hoger zijn dan de kosten voor ingekochte hulp bij een organisatie.

    • ii.

      De kosten voor ondersteuning uit het sociale netwerk mogen nooit hoger zijn dan de kosten voor een zzp’er.

  • d. Voor het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget kan de in lid 1, onder e. genoemde schriftelijke overeenkomst als uitgangspunt worden genomen.

    • 3.

      Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van persoonsgebonden budgetten.

    • 4.

      Het college kan in de nadere regels eisen stellen met betrekking tot de verstrekking, uitsluitingsgronden, de hoogte, uitbetaling, besteding, kwaliteitseisen en verantwoording van de met het persoonsgebonden budget aan te schaffen maatwerkvoorziening.

Artikel 13 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wet.

  • 2. Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het PGB is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het PGB niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het PGB verbonden voorwaarden,of

    • e.

      de cliënt de maatwerkvoorziening of het PGB niet of voor een ander doel gebruikt.

  • 3. Een beslissing tot verlening van een PGB kan worden ingetrokken als blijkt dat het PGB binnen een redelijke termijn doch uiterlijk zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 4. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten PGB.

  • 5. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 6. Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

Hoofdstuk 4 Bijdrage in de kosten

Artikel 14 Bijdrage in de kosten

  • 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:

    • a.

      voor het gebruik van een algemene voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet, niet zijnde cliëntondersteuning, en,

    • b.

      voor een maatwerkvoorziening dan wel PGB, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het PGB wordt verstrekt, overeenkomstig de bedragen en percentages van het landelijk Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot.

  • 2. Als een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:

  • a. de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en

  • b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

  • 3. Het college kan nadere regels bepalen:

    • a.

      voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is verschuldigd;

    • b.

      wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage is;

    • c.

      of en voor welke doelgroepen een korting op de bijdrage voor een algemene voorziening geldt.

  • 4. Het college stelt nadere regels:

    • a.

      op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en PGB wordt bepaald, en

    • b.

      door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid van de Wet, de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of PGB worden vastgesteld en geïnd.

Hoofdstuk 5 Kwaliteit en inspraak

Artikel 15 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.Aanbieders zijn verantwoordelijk voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Dat betekent dat de maatwerkvoorziening:

  • a. veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt gerealiseerd;

  • b. is afgestemd op de persoonlijke situatie en behoeften van de cliënt en zijn omgeving;

  • c. is afgestemd op andere vormen van ondersteuning en zorg, waaronder informele zorg;

  • d. geleverd wordt door beroepskrachten die voldoen aan de professionele standaard;

  • e. wordt geleverd door personen die beschikken over de competenties en vaardigheden die nodig zijn om de gevraagde dienstverlening uit te voeren;

  • f. beantwoordt aan de stand van wetenschap en praktijk voor zover dit noodzakelijk/ gebruikelijk is in de kring van beroepsgenoten en voortvloeiend uit de professionele standaard;

  • g. voldoet aan alle kwaliteitseisen die voortvloeien uit de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en de organisatie dit ook controleerbaar maakt voor de gemeente.

    • 2.

      Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

    • 3.

      Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 16 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de levering van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de Wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4. Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de levering van een voorziening.

Artikel 17 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening mee dat aanbieders (des)kundig personeel inzetten tegen arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden zoals bedoeld in artikel 2.6.6 lid 1 van de Wet.

  • 2.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:

    • a.

      de marktprijs van de voorziening, en

    • b.

      de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:

1o. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; 2o. instructie over het gebruik van de voorziening; 3o. onderhoud van de voorziening, en

4°. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. sociale wijkteams).

Artikel 18 Klachtregeling

  • 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 19 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 20 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 6 Mantelzorgwaardering

Artikel 21 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Het college stelt bij nadere regels vast waaruit het jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 22 Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt voor het eerst in 2017 geëvalueerd en wordt daarna eenmaal per vier jaar geëvalueerd.

Artikel 23 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Verordening maatschappelijk ondersteuning 2014 wordt bij de inwerkingtreding van deze Verordening ingetrokken.

  • 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijk ondersteuning 2014, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijk ondersteuning 2014 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijk ondersteuning 2014, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 24 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Uden 2015.

Aldus besloten in zijn openbare vergadering van 9 oktober 2014