Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amersfoort houdende regels omtrent bouwen (Bouwverordening Amersfoort 2014)

Geldend van 16-07-2020 t/m 15-07-2020

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amersfoort houdende regels omtrent bouwen (Bouwverordening Amersfoort 2014)

Verordening

De raad van de gemeente Amersfoort;

heeft het voorstel van burgemeester en wethouders gelezen van 14 oktober 2014 sector SOB/VV (nr. 4782256);

vindt het nodig dat er regels komen voorhet bouwen en slopen van bouwwerken en het gebruik, de staat en de inrichting van bouwwerken, open erven en terreinen;

heeft artikel 147 van de Gemeentewet, artikel 8 en 11 van de Woningwet gelezen;

b e s l u i t:

vast te stellen:

Bouwverordening Amersfoort 2014

HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • A.

      Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders.

    • B.

      Bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet.

    • C.

      Bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht.

    • D.

      Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

    • E.

      Gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit.

    • F.

      Hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld.

    • G.

      NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm.

    • H.

      NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm.

    • I.

      Omgevingsvergunning voor het bouwen: Vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

    • J.

      Straatpeil:a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang. b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

    • K.

      Weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

  • 2.

    In deze verordening wordt mede verstaan onder:

    • A.

      Bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk.

    • B.

      Gebouw: een gedeelte van een gebouw.

Artikel 1.2 en artikel 1.3

(Vervallen)

HOOFDSTUK 2 DE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING VOOR HET BOUWEN

Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden

Artikel 2.1.1 t/m artikel 2.1.4

(Vervallen)

Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek

(vervallen)

Artikel 2.1.6 t/m artikel 2.1.8

(Vervallen)

Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning

Artikel 2.2.1 t/m artikel 2.2.6

(Vervallen)

Paragraaf 3 Welstandstoetsing

Artikel 2.3.1 Welstandscriteria

(Vervallen)

Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond

Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond

(vervallen)

Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

(vervallen)

Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidsdiensten

Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen

(Vervallen)

Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling

Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.

Artikel 2.5.3 t/m 2.5.4

(Vervallen)

Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn

De voorgevelrooilijn is:

  • a.

    langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;

  • b.

    langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.

Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.

Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn

Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op:

  • a.

    onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;

  • b.

    andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, te weten:

    • 1.

      ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;

    • 2.

      stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.

Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn

  • 1.

    In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:

    • a.

      ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil;

    • b.

      bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn;

    • c.

      laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden;

    • d.

      erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden;

    • e.

      trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7;

    • f.

      overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken;

    • g.

      bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke erfgoedverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.

  • 2.

    Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:

  • -

    4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;

  • -

    2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;

en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt.

Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg

In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor.

  • a.

    gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;

  • b.

    bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;

  • c.

    vrijstaande winkel- of reclamevitrines;

  • d.

    reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;

  • e.

    andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.

Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken

  • 1.

    Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn zijn geplaatst.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:

    • a.

      de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;

    • b.

      in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;

    • c.

      in de gevallen, bedoeld in het derde lid.

  • 3.

    Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken – over een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil – worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.

  • 4.

    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:

    • a.

      gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;

    • b.

      gebouwen op handels- en industrieterreinen;

    • c.

      vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;

    • d.

      bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen;

    • e.

      gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende woningen;

    • f.

      gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;

    • g.

      gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat.

Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn

  • 1.

    De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt zich:

    • a.

      in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste;

    • b.

      in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;

    • c.

      in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;

    • d.

      in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;

    • e.

      in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.

  • 2.

    Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing – in het belang van de toetreding van daglicht – over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.

Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.

Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn

Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op:

  • a.

    buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;

  • b.

    (Vervallen);

  • c.

    onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist;

  • d.

    onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;

  • e.

    andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:

  • 1.

    ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;

  • 2.

    terrassen, bordessen en bordestreden;

  • f.

    antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en 17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.

Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn

In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:

  • a.

    (Vervallen)

  • b.

    kassen;

  • c.

    vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;

  • d.

    gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;

  • e.

    gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;

  • f.

    bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;

  • g.

    gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend;

  • h.

    bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist;

  • i.

    ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw;

  • j.

    erkers overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;

  • k.

    trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;

  • l.

    bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke erfgoedverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.

Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen

  • 1.

    Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond omvat die:

    • a.

      over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en

    • b.

      voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter.

  • 2.

    De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s buiten beschouwing blijven.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in:

    • a.

      het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;

    • b.

      het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

      • 1.

        een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;

      • 2.

        het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;

      • 3.

        bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.

Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen

  • 1.

    Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte daarvan.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid:

    • a.

      indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel vormen;

    • b.

      indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.

Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken

  • 1.

    De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:

    • a.

      vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn;

    • b.

      niet toegankelijk zijn.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.

Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen

  • 1.

    Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn niet toegelaten.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.

Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen

  • 1.

    Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1000 volt of meer.

  • 2.

    Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, worden gebouwd.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van:

    • a.

      het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;

    • b.

      het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.

Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:

    • a.

      éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;

    • b.

      (Vervallen)

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.

  • 3.

    De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.

  • 4.

    Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt, geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtstbij gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking de verstverwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.

Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:

    • a.

      éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;

    • b.

      (Vervallen)

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.

  • 4.

    Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.

Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn

  • 1.

    Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel.

Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de – krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 – maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van:

    • a.

      45 graden;

    • b.

      (Vervallen)

  • 2.

    Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de – krachtens artikel 2.5.22 – maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.

Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken

  • 1.

    De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15 meter.

  • 2.

    Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagstgelegen weg.

Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen

  • 1.

    De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte van genoemde maat – daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.

Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken

  • 1.

    De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil.

  • 2.

    De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten – voor zover zij de maximale hoogte overschrijden – buiten beschouwing worden gelaten.

Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte

Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op:

  • a.

    onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;

  • b.

    het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken anders dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;

  • c.

    topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse;

  • d.

    plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.

Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte

In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:

  • a.

    gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen;

  • b.

    gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;

  • c.

    gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en industrieterrein;

  • d.

    agrarische bedrijfsgebouwen;

  • e.

    het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en onder sub f, en indien:

    • 1.

      de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;

    • 2.

      bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogte-afmetingen andere hoogte-afmetingen kleiner worden dan de bestaande;

  • f.

    bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;

  • g.

    topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard;

  • h.

    plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;

  • i.

    dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;

  • j.

    draagconstructies voor een reclame;

  • k.

    vrijstaande schoorstenen;

  • l.

    bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke erfgoedverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.

Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid

In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:

  • a.

    er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of beheersverordening of projectbesluit van kracht is;

  • b.

    geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;

  • c.

    de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;

  • d.

    de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, en

  • e.

    de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

  • 1.

    a. Bij een gebouw moet ten behoeve van het parkeren en het stallen van auto’s in de juiste mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

  • b.

    In afwijking van lid 1a geldt dat voor ontwikkelingen in de binnenstad de parkeereis opgelost wordt in bestaande of nieuw te realiseren parkeervoorzieningen aan de rand van de binnenstad.

  • 2.

    De in lid 1 genoemde juiste mate van ruimte wordt bepaald met behulp van parkeernormen waarbij het volgende van toepassing is:

  • a.

    De parkeernorm is opgenomen in bijlage 15 bij deze verordening.

  • b.

    Voor de toepassing van de parkeernormen stelt het college van burgemeester en wethouders nadere rekenregels vast.

  • c.

    Er kan onder in lid 3 genoemde voorwaarden een parkeernorm toegepast worden die onder de minimumnorm ligt.

  • d.

    Er kan onder in lid 4 genoemde voorwaarden een parkeernorm toegepast worden die tussen de minimumnorm en de maximumnorm ligt.

  • e.

    Er kan onder in lid 5 genoemde voorwaarden een parkeernorm toegepast worden die boven de maximumnorm ligt.

  • f.

    Er kan in de binnenstad een ontheffing worden verleend van de parkeereis voor kleine ontwikkelingen (niet zijnde woonfuncties), van de parkeereis voor bezoekers en van de parkeereis voor gebruikers van panden. Daarbij kan een vergoeding vereist worden voor het in de parkeeroplossing betrekken van reeds bestaande parkeerplaatsen. Het college van burgemeester en wethouders stelt daarvoor nadere regels vast.

  • g.

    Er kan buiten de binnenstad een ontheffing worden verleend van de parkeereis voor kleine ontwikkelingen (niet zijnde woonfuncties), en van de parkeereis voor het parkeren van bezoekers in vergunninggebieden. Daarbij kan een vergoeding vereist worden voor het in de parkeeroplossing betrekken van reeds bestaande parkeerplaatsen. Het college van burgemeester en wethouders stelt daarvoor nadere regels vast.

  • 3.

    De in lid 2 onder c genoemde voorwaarden zijn:

  • a.

    De parkeernormen voor woningbouw worden niet verlaagd.

  • b.

    De aanvrager toont via te leveren relevante onderzoeken aan, dat de parkeernorm voor die specifieke functie op de betreffende locatie verlaagd kan worden, omdat de norm te hoog is. Een verlaging van de parkeernorm kan alleen als redelijkerwijs aannemelijk wordt gemaakt dat de functie minder parkeerders genereert dan met de vastgestelde norm wordt berekend.

  • c.

    In concrete gevallen kan in afrondende zin een relatief beperkt aantal parkeerplaatsen komen te vervallen, zo lang dat niet leidt tot parkeeroverlast op de openbare weg; hierbij geldt dat de extra parkeerdruk op de openbare weg als gevolg van het bouwplan niet hoger mag worden dan 80% op het moment van de aanvraag.

  • 4.

    De in lid 2 onder d genoemde voorwaarden zijn:

  • a.

    voor kantoren op intercity- of knooppuntlocaties en voor detailhandel op intercity- of knooppuntlocaties:

  • -

    een door de initiatiefnemer ingevuld ‘Formulier Mobiliteitsprofiel’ (zoals opgenomen in de door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen nadere regels) dat door de gemeente is geaccordeerd;

  • b.

    voor kantoren op overige locaties:

  • -

    een door de initiatiefnemer ingevuld ‘Formulier Mobiliteitsprofiel’ (zoals opgenomen in de door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen nadere regels) dat door de gemeente is geaccordeerd.

  • 5.

    De in lid 2 onder e genoemde voorwaarden zijn:

  • a.

    het in lid 4 vermelde geldt onverkort;

  • b.

    het te verwachten extra autoverkeer als gevolg van de extra parkeerplaatsen boven de hoge norm leidt niet tot (extra) doorstromingsproblemen op de grote stadswegen. De gemeente onderzoekt dit.

  • 6.

    De in lid 1 bedoelde ruimten voor het parkeren van auto’s moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

  • a.

    als de afmetingen van bedoelde parkeerruimten bij langsparkeren ten minste 2,00 m bij 5,50 m bedragen, en bij haaks of gestoken parkeren de ruimten ten minste 2,50 m bij 5,00 m bedragen;

  • b.

    als de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte – voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij 6,00 m bedragen, en bij haaks parkeren met een uitstapstrook langs het parkeervak ten minste 3,00 m breed en zonder uitstapstrook 3,50 m breed en ten minste 5,00 m lang bedragen.

  • 7.

    Als de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

  • 8.

    Een openbare parkeergelegenheid boven 200 openbare parkeerplaatsen wordt met statische bebording opgenomen in het gemeentelijke ParkeerrouteInformatieSysteem. De kosten daarvan zijn voor rekening van de aanvrager. De aanvrager en de gemeente komen de afspraken overeen in een parkeerovereenkomst.

  • 9.

    Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van:

  • a.

    het bepaalde in lid 1a in samenhang met lid 2 onder c t/m g, een en ander volgens de voorwaarden in respectievelijk lid 3, lid 4 en lid 5;

  • b.

    het bepaalde in lid 1b, als het oplossen van de parkeereis op andere plaatsen dan op eigen terrein leidt tot onaanvaardbare consequenties;

  • c.

    het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid, als het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend:

  • -

    een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het

    gebouw;

  • -

    een bestemming van het gebouw als parkeergarage, dan wel garagebedrijf.

  • 10.

    Het college van burgemeester en wethouders stelt nadere regels voor het bepaalde in lid 1a en lid 7 voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. Daarbij wordt bij gebruik van reeds bestaande parkeerplaatsen in de openbare ruimte een vergoeding in rekening gebracht van € 3.792,- (prijspeil 2014), welk bedrag jaarlijks wordt geïndexeerd op basis van de CPI-index van het CBS (alle huishoudens, over de eerst vijf maanden van het jaar, basisjaar 2006).

Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen

(Vervallen)

Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen

Artikel 2.7.1 t/m 2.7.7

(Vervallen)

HOOFDSTUK 3 DE MELDING

Artikel 3.1 en artikel 3.2

(Vervallen)

HOOFDSTUK 4 PLICHTEN TIJDENS EN BIJ VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ INGEBRUIKNEMING VAN EEN BOUWWERK

Artikel 4.1 t/m 4.14

(Vervallen)

HOOFDSTUK 5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties, aansluitingen op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte

Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen

Artikel 5.1.1 t/m 5.1.3

(Vervallen)

Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen

Artikel 5.2.1 t/m artikel 5.2.5

(Vervallen)

Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen

Artikel 5.3.1 t/m artikel 5.3.7

(Vervallen)

Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid

Artikel 5.4.1 Preventie

(Vervallen)

HOOFDSTUK 6 BRANDVEILIG GEBRUIK

(Vervallen)

HOOFDSTUK 7 OVERIGE GEBRUIKSBEPALINGEN

Paragraaf 1 Overbevolking

Artikel 7.1.1 en artikel 7.1.2

(Vervallen)

Paragraaf 2 Staken van het gebruik

Artikel 7.2.1 t/m artikel 7.2.3

(Vervallen)

Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen

Artikel 7.3.1 en artikel 7.3.2

(Vervallen)

Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid

Artikel 7.4.1 Preventie

(Vervallen)

Paragraaf 5 Watergebruik

Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water

(Vervallen)

Paragraaf 6 Installaties

Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties

(Vervallen)

HOOFDSTUK 8 SLOPEN

Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen

Artikel 8.1.1 t/m artikel 8.1.7

(Vervallen)

Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen

Artikel 8.2.1 t/m artikel 8.2.2

(Vervallen)

Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen

Artikel 8.3.1 t/m artikel 8.3.6

(Vervallen)

Paragraaf 4 Vrij slopen

Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen

(Vervallen)

HOOFDSTUK 9 WELSTAND

Artikel 9.1 De advisering door de stadsbouwmeester

  • 1.

    De stadsbouwmeester adviseert over:

    • a.

      de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen;

    • b.

      gevallen waarin dat ingevolge deze verordening is vereist;

    • c.

      gevallen waarin dit ingevolge de Monumentenwet 1988 / de Erfgoedverordening is vereist;

    • d.

      reclame uitingen als bedoeld in artikel 4.4.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening;

    • e.

      gevallen als bedoeld in artikel 2.1.5.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening.

  • 2.

    De stadsbouwmeester baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.

  • 3.

    De stadsbouwmeester wordt – in bepaalde gevallen – bijgestaan door de commissie ruimtelijke kwaliteit of door één of enkele deskundigen uit de commissie

  • 4.

    De stadsbouwmeester kan desgewenst uit eigen beweging aan burgemeester en wethouders adviseren over aangelegenheden die de welstand betreffen.

Artikel 9.2 Stadsbouwmeester en samenstelling van de commissie ruimtelijke kwaliteit

  • 1.

    De commissie ruimtelijke kwaliteit bestaat ten minste uit vijf leden en de stadsbouwmeester. De volgende vakdisciplines zijn vertegenwoordigd: a. architectuur; b. stedenbouw/landschap; c. bouwhistorie/restauratiearchitect; d. cultureel erfgoed; e. burgerlid.

  • 2.

    De stadsbouwmeester is voorzitter van de commissie ruimtelijke kwaliteit.

  • 3.

    De commissie ruimtelijke kwaliteit kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie leden aanwezig zijn.

  • 4.

    De stadsbouwmeester en de leden van de commissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur.

  • 5.

    De stadsbouwmeester wordt bij adviezen over (bouw)plannen voor rijksmonumenten en gemeentemonumenten, bijgestaan door een erfgoeddeskundige/restauratiearchitect en het burgerlid. Adviezen kunnen slechts worden uitgebracht bij tenminste tweederde aanwezigheid. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de door de gemeenteraad en burgemeester en wethouders vastgestelde regelgeving en beleidsuitgangspunten op het betreffende werkterrein.

Artikel 9.3 Benoeming en zittingduur

(Vervallen)

Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording

De stadsbouwmeester stelt jaarlijks een verslag op van zijn werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:

  • ·

    op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota;

  • ·

    de werkwijze van de stadsbouwmeester en de commissie ruimtelijke kwaliteit;

  • ·

    op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;

  • ·

    de aard van de beoordeelde plannen;

  • ·

    de bijzondere projecten.

De stadsbouwmeester kan in zijn jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.

Artikel 9.5 Termijn van advisering

  • 1.

    De stadsbouwmeester brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.

  • 2.

    De stadsbouwmeester brengt het advies over de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de stadsbouwmeester een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van een welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen, mondelinge toelichting en nadere regels

  • 1.

    De behandeling van (bouw)plannen door de stadsbouwmeester en de vergaderingen van de commissie ruimtelijke kwaliteit zijn openbaar. De agenda voor de vergaderingen wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.

  • 2.

    Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de stadsbouwmeester in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.

  • 3.

    In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de stadsbouwmeester wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de stadsbouwmeester, waarin de aanvraag wordt behandeld.

  • 4.

    Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht.

  • 5.

    Het college stelt nadere regels vast over de taakomschrijving, werkwijze, wijze van adviseren en dergelijke van de stadsbouwmeester en de commissie ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid

(Vervallen)

Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht

  • 1.

    De stadsbouwmeester adviseert en motiveert zijn adviezen schriftelijk.

  • 2.

    Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen.

Artikel 9.9 en artikel 9.10

(Vervallen)

HOOFDSTUK 10 OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN

Artikel 10.1 en artikel 10.2

(Vervallen)

Artikel 10.3 Overdragen vergunningen

Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de bouwvergunning eerste fase, de woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1, dan wel een omgevingsvergunning op aanvraag van de rechtsverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is gesteld.

Artikel 10.4 en artikel 10.5

(Vervallen)

Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

(vervallen)

HOOFDSTUK 11 HANDHAVING

Artikel 11.1 t/m artikel 11.3

(Vervallen)

HOOFDSTUK 12 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 12.1 t/m artikel 12.4

(Vervallen)

Artikel 12.5 Overgangsbepalingen

Op een aanvraag om een bouwvergunning, ontheffing of toestemming of een aanvraag om omgevingsvergunning, die is ingediend voor 1 april 2012 en waarop op dit tijdstop nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing zoals die luidden voor deze wijziging, tenzij de aanvrager aangeeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast. Dit geldt niet voor de van rechtswege vervallen artikelen van de bouwverordening, omdat voor het voor deze artikelen in de plaats komende rijksregelgeving een dergelijke mogelijkheid niet kent.

Artikel 12.6 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 30 oktober 2014.

Artikel 12.7 Intrekking vorige versie

De Bouwverordening Amersfoort 2013 wordt ingetrokken.

Artikel 12.8 Citeertitel

Deze verordening heet Bouwverordening Amersfoort 2014.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare vergadering van 28 oktober 2014
de griffier,
de voorzitter,
PUBLICATIEDATUM:

BIJLAGEN 1 T/M 8

(Vervallen)

BIJLAGE 9 REGLEMENT VAN ORDE VAN DE WELSTANDSCOMMISSIE

(Vervallen)

BIJLAGEN 10, 11 en 12

(Vervallen)

BIJLAGE 13 IN TE VULLEN GEGEVENS, ALTERNATIEVEN EN AFWIJKINGEN T.O.V. MODEL BOUWVERORDENING

In deze bijlage worden de in te vullen gegevens, alternatieven en afwijkingen in de Bouwverordening Amersfoort aangegeven ten opzichte van de Model-bouwverordening van de VNG.

A. in te vullen gegevens en keuze van alternatieven

in te vullen gegevens:

  • 1.

    art. 2.5.3: vervallen;

  • 2.

    art. 5.1.2, lid 1: 30 meter;

  • 3.

    art. 6.1.2, lid 3: drievoud;

  • 4.

    art. 8.1.2, lid 6: drievoud;

  • 5.

    art. 8.2.1, lid 3: drievoud;

keuze van alternatieven:

  • 1.

    art. 1.3: vervallen;

  • 2.

    art. 2.2.3: vervallen;

  • 3.

    art. 2.5.20: alternatief 1;

  • 4.

    art. 2.5.21: alternatief 1;

  • 5.

    art. 2.5.23: alternatief 1;

  • 6.

    art. 2.5.24: alternatief 1;

  • 7.

    art. 2.7.4: alternatief 1;

  • 8.

    art. 2.7.5: alternatief 1;

  • 9.

    art. 3.1: vervallen;

  • 10.

    art. 3.2: vervallen;

  • 11.

    art. 9.1: alternatief 3 (vernummerd tot alternatief 2);

  • 12.

    art. 9.2: alternatief 3 (zie hierna B 19);

  • 13.

    art. 9.6 lid 4: alternatief 1;

  • 14.

    art. 9.7: alternatief 1;

B. Afwijkingen van t.o.v. het model van de VNG

  • 1.

    Art. 2.1.5 lid 3 “Bodemonderzoek”: aanvullen met een lid b, deze luidt als volgt: Voor die gebieden waar op grond van de bodemkwaliteitskaart (zie bijlage 14) van de Gemeente Amersfoort blijkt dat redelijkerwijs geen verontreiniging kan worden verwacht (besluit college van Burgemeester en wethouders 28 januari 2005, kenmerk 913051) wordt door het college van Burgemeester en Wethouders algehele vrijstelling voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek gegeven. Het college acht voor deze gebieden voldoende informatie omtrent de bodemkwaliteit beschikbaar, zoals bedoeld onder 3a. In bovengenoemde gevallen kan worden volstaan met het uitvoeren van het uitvoeren van historisch onderzoek conform de NEN-5725. Indien dit historisch onderzoek hiertoe aanleiding geeft kunnen op grond van artikel 2.4.2 aanvullende eisen worden gesteld”.

  • 2.

    Art. 2.5.3. vervalt.

  • 3.

    Art. 2.5.13 "Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn", onder b vervalt.

  • 4.

    Art. 2.5.14 "Vrijstelling voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn", onder a vervalt.

  • 5.

    Art. 2.5.14, onder b: de zinsnede "binnen de bebouwde kom" vervalt.

  • 6.

    Art. 2.5.20 "Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn", lid 1 onder a: de zinsnede "in de bebouwde kom" vervalt.

  • 7.

    Art. 2.5.20, lid 1, onder b vervalt.

  • 8.

    Art. 2.5.21 "Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn", lid 1, onder a: de zinsnede "in de bebouwde kom" vervalt.

  • 9.

    Art. 2.5.21, lid 1 onder b vervalt.

  • 10.

    Art. 2.5.23 "Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen", lid 1 onder a: de zinsnede "in de bebouwde kom" vervalt.

  • 11.

    Art. 2.5.23, lid 1 onder b vervalt.

  • 12.

    Art. 2.5.30 "Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen", hiervoor is een eigen artikeltekst opgenomen. De toelichting hierop is als volgt:

    Algemeen

    Op 27 januari 2009 is door de gemeenteraad van Amersfoort de ‘Nota Parkeernormen Amersfoort 2009’ behandeld en zijn de parkeernormen vastgesteld. De parkeernormen kunnen tussentijds worden bijgesteld. De parkeernormensystematiek kenmerkt zich onder andere door:

  • a.

    aansluiting op de parkeerkencijfers van het CROW;

  • b.

    parkeernormen op maat: parkeernormen afhankelijk van specifieke functie van een gebouw en de bereikbaarheid van de locatie;

  • c.

    maatwerk in parkeernormen is mogelijk, waarbij het doel is juist voldoende parkeerplaatsen aan te leggen om parkeeroverlast te voorkomen, en te voorkomen dat leegstand op parkeerplaatsen ontstaat. Gestreefd moet worden naar een efficiënte benutting van parkeerplaatsen. Een lagere of hogere parkeernorm hanteren is in sommige gevallen onder bepaalde voorwaarden mogelijk;

  • d.

    prijsbeleid voor kantoren op intercity- en knooppuntlocaties en detailhandel op intercity- en

    knooppuntlocaties: een financiële bijdrage per extra parkeerplaats bij het hanteren van een hogere

    parkeernorm voor bedrijfsgericht parkeren (werknemersparkeren) om de bereikbaarheid op peil te houden (artikel 2.5.30, lid 3 sub a van deze bouwverordening);

  • e.

    mogelijkheden voor gebiedsgerichte aanpak (toetsing per gebied in plaats van per gebouw) waarbij ontheffing van Burgemeester en wethouders nodig is (artikel 2.5.30, lid 7 van deze bouwverordening).

Lid 1 ad a

Autoparkeergelegenheid dient op eigen terrein te worden gerealiseerd. (Voorschriften over de aanwezigheid en de minimumgrootte van de fietsenstallingen die bij de nieuwbouw of verbouwing van utilitaire gebouwen moeten worden aangebracht, zijn achterwege gelaten, omdat artikel 218 van het Bouwbesluit in één en ander voorziet.)

Lid 1 ad b

Voor de binnenstad (gebied binnen de Stadsring + Eempleinlocatie) is bepaald dat er zoveel mogelijk gebruik gemaakt moet worden van al aanwezige parkeergelegenheden rondom de binnenstad (meestal de openbare parkeergarages). Zodoende wordt voorkomen dat er extra parkeerverkeer in de binnenstad een parkeerplek zoekt, terwijl de langs de binnenstad gelegen parkeergarages veelal nog voldoende parkeercapaciteit hebben.

Lid 2 ad a

De autoparkeernormen zoals opgenomen in bijlage 15 zijn op maat bepaald voor de gemeente Amersfoort. De specifieke parkeernorm is afhankelijk van de functie van de bebouwing en de vestigingslocatie. Er is een groot aantal functies genoemd in de diverse categorieën, grotendeels analoog aan de CROW-aanbeveling. De ene functie heeft een grotere verkeersaantrekkende werking dan de andere functie: daarom zijn de parkeernormen per functie verschillend. Voor de vestiging van kantoren en detailhandel wordt onderscheid gemaakt in intercitylocaties, knooppuntlocaties, snelweglocaties en overige locaties. Alle overige ontwikkelingen hebben een parkeernorm die afhankelijk is van de locaties ‘binnenstad’, ‘schil’, en ‘rest bebouwde kom’.

Lid 2 ad b

Om een efficiënt gebruik van parkeerplaatsen mogelijk te maken, wordt uitgegaan van meervoudig gebruik van parkeerplaatsen. Deze mogelijkheid doet zich met name voor bij combinaties van verschillende functies die een verschillend aanwezigheidspatroon hebben. Per ontwikkeling wordt met een parkeervraagberekening onderzocht of meervoudig gebruik mogelijk is. Veiligheidshalve wordt er een marge aangehouden in de parkeereis.

Lid 2 ad c

Er wordt gerekend met reductiefactoren om rekening te kunnen houden met het in de praktijk gebleken niet- of onvoldoende gebruiken van parkeergelegenheid op eigen terrein.

Lid 2 ad d

Er is in veel gevallen sprake van een vaste parkeernorm. Soms bestaat de mogelijkheid een om - onder voorwaarden - een lagere parkeernorm te hanteren. In lid 3 zijn deze voorwaarden genoemd. Die mogelijkheid om een lagere parkeernorm te hanteren is opgenomen vanwege de gewenste flexibiliteit om maatwerk te kunnen leveren voor specifieke functies. Het toestaan van een lagere parkeernorm verloopt altijd via een raadsbesluit.

Lid 2 ad e

Er is in veel gevallen sprake van een vaste parkeernorm. Soms kan - onder voorwaarden - een hoge parkeernorm gehanteerd worden. In sommige gevallen is die hoge norm begrensd. De mogelijkheid om – onder voorwaarden - een hogere parkeernorm te hanteren is opgenomen vanwege de gewenste flexibiliteit om maatwerk te kunnen leveren voor specifieke functies. Uit bijlage 15 blijkt in welke gevallen er sprake is van een vaste parkeernorm en wanneer er sprake is van een norm met een mogelijkheid om - onder voorwaarden - een hoge norm te hanteren. In lid 4 zijn deze voorwaarden genoemd.

Lid 2 ad f

De mogelijkheid wordt hier geboden om – onder voorwaarden - ook parkeerplaatsen boven de hoge norm aan te leggen. In lid 5 zijn deze voorwaarden genoemd.

Lid 3

In dit lid worden de voorwaarden beschreven waaraan moet worden voldaan in die gevallen waarin een lagere parkeernorm wordt gehanteerd.

Lid 4

In dit lid worden de voorwaarden beschreven waaraan moet worden voldaan in die gevallen waarin een parkeernorm wordt gehanteerd tussen de norm en de hoge norm.

Lid 4 ad a

Voor de genoemde combinaties van functie en locatie geldt de voorwaarde van het aanleveren van een mobiliteitsprofiel. Kantoren en detailhandel zijn beide sterk verkeersaantrekkend. Intercity- en knooppuntlocaties kampen vanwege de hoge bebouwingsdichtheid met een al zwaarbelast wegennet. Bij die combinatie moet dus zorgvuldig en terughoudend worden omgegaan met het realiseren van extra parkeerplaatsen (mobiliteitstoets). Voor de mobiliteitstoets wordt het Formulier Mobiliteitstoets gebruikt uit bijlage 15.

Lid 4 ad b

Voor genoemde combinaties van functie en locatie geldt de voorwaarde van de mobiliteitstoets. De bereikbaarheid van betreffende locaties is beter, maar de verkeersaantrekkende werking van de genoemde functies (op deze locaties) is aanzienlijk. Hier volstaat een mobiliteitstoets om te beargumenteren hoeveel extra parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Voor de mobiliteitstoets wordt het Formulier Mobiliteitstoets gebruikt uit bijlage 15.

Lid 5

Dit lid geeft de voorwaarden weer als er meer parkeerplaatsen gewenst worden dat volgens de hoge norm toegestaan is.

Lid 5 ad a

Voor het aantal parkeerplaatsen dat tussen de norm en de hoge norm wordt aangelegd geldt hetgeen in lid 4 is bepaald.

Lid 5 ad b

Het aanbieden van parkeergelegenheid leidt per definitie tot autoverkeer. Het aanbieden van parkeergelegenheid boven de hoge norm mag niet leiden tot (meer) doorstromingsproblemen op het Amersfoortse hoofdwegennet. In dat geval zou het openbare belang en de gevolgen voor de gemeenschap niet meer in verhouding staan tot het private belang van parkeergelegenheid boven de hoge norm. De gemeente toetst of er (meer) doorstromingsproblemen ontstaan door de aantrekkende werking op het autoverkeer.

Lid 5 ad c

Parkeergelegenheden met een omvang van minimaal 200 plaatsen dienen bij de weggebruiker bekend te worden gemaakt om een optimale benutting van parkeergelegenheden te waarborgen. Het gemeentelijke PRIS biedt de weggebruiker die informatie en aansluiting op dat systeem is dan ook verplicht. De kosten betreffen de kosten van aansluiting op het systeem, bebording en jaarlijkse beheerkosten.

Lid 6

Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 2. De verplichting in dat lid om een bepaald aantal parkeerplaatsen aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto, of het grootste type vrachtauto te maken. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor gehandicapten.

Lid 7

De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).

Lid 8

De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in lid 1 onder a om een juiste mate van parkeerruimte conform de parkeernormen te realiseren, is bedoeld om maatwerk te kunnen bieden daar waar de parkeernorm te hoog lijkt te zijn en waarbij duidelijk kan worden aangetoond dat minder parkeer-plaatsen noodzakelijk zijn dan volgens de parkeernorm in de bouwverordening. Het is aan de raad om ontheffing te verlenen van de hoogte van de parkeereis, voor zover het gaat om het toestaan van een lagere parkeereis. Aan de voorwaarden in lid 3 moet dan worden voldaan.

Lid 9 ad a

De mogelijkheid tot toepassen van een hogere parkeernorm in samenhang met het bepaalde in het eerste lid onder a kan zich voordoen als op de betreffende locatie waarop de aanvraag betrekking heeft, de aanvrager aangeeft dat hij om redenen van bedrijfsvoering meer parkeerplaatsen nodig heeft. Daaraan wordt de voorwaarde verbonden dat de aanvrager een actief mobiliteitsbeleid voert, wat getoetst wordt via het Formulier Mobiliteitsprofiel.

Lid 9 ad b

De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid onder b kan zich voordoen als op de betreffende locatie waarop de aanvraag betrekking heeft, reeds parkeerplaatsen aanwezig zijn, of als de bepaling kennelijk onredelijke consequenties met zich brengt voor de ontwikkeling als de parkeereis niet op eigen terrein mag worden opgelost.

Lid 9 ad c

De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in lid 1 onder a om een juiste mate van parkeerruimte conform de parkeernormen te realiseren, is bedoeld voor onder meer uitzonderlijke bouwwerken of specifieke situaties, waarbij duidelijk kan worden aangetoond dat meer parkeerplaatsen noodzakelijk zijn dan volgens de parkeernormen.

Lid 10

De raad kan beleidsregels stellen voor het op een andere wijze dan op eigen terrein oplossen van de parkeereis dan wel het laden en lossen op eigen terrein.

  • 13.

    Art. 5.1.2 vervalt.

  • 14.

    Art. 7.3.1 vervalt.

Toelichting:

Artikel 2.2 van het Besluit omgevingsrecht bepaalt dat er een omgevingsvergunning nodig is voor het gebruiken van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen. Dit artikel biedt echter ook de mogelijkheid om in de bouwverordening van deze norm af te wijken. Op advies van de brandweer wordt hiervan geen gebruik gemaakt.

  • 15.

    Art. 8.1.1 vervalt.

  • 16.

    Art. 8.1.6 vervalt.

  • 17.

    Art. 9.2, lid 2, vervalt

BIJLAGE 14 BODEMKWALITEITSKAART

Behorende bij artikel 2.1.5

BIJLAGE 15 AUTOPARKEERNORMEN

Behorend bij artikel 2.5.30