Beleidsnota archeologie gemeente Brummen

Geldend van 02-10-2014 t/m heden

Intitulé

Beleidsnota archeologie gemeente Brummen

De gemeenteraad van Brummen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 juli 2014 met kenmerk RV14.0045;

gehoord het behandeladvies van het forum Ruimte van 4 september 2014;

heeft besloten de Beleidsnota archeologie gemeente Brummen (INT14.2319) en de bijbehorende Beleidskaart (INT14.2321) vast te stellen.

1 BELEIDSMATIG KADER

1.1 Europees kader

Verdrag van Malta

In 1992 sloten de Europese cultuurministers op het eiland Malta het Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologische Erfgoed. Dit Verdrag van Malta heeft tot doel om het Europees archeologische erfgoed te beschermen als bron van het Europees gemeenschappelijk geheugen en als middel voor geschiedkundig en wetenschappelijke studie. Bescherming wordt nodig geacht omdat het archeologisch erfgoed ernstig met aantasting wordt bedreigd door het toenemend aantal grote ruimtelijke-ordeningsprojecten, risico’s van natuurlijke aard, clandestiene of onwetenschappelijke opgravingen en onvoldoende besef onder het publiek.

In het verdrag is vastgelegd dat bescherming van het archeologisch erfgoed tot uitdrukking moet komen in beleid inzake stedenbouw en landinrichting en culturele ontwikkeling. De verantwoordelijk-heid hiervoor zou volgens de Raad van Europa bij alle Europese landen moeten liggen.

Door het Verdrag van Malta te ondertekenen en ratificeren heeft Nederland zich verplicht een aantal wettelijke en feitelijke voorzieningen te treffen om het archeologisch erfgoed te beschermen. Nederland heeft dit langs vier sporen gedaan:

  • .

    Behoud en bescherming van het archeologisch erfgoed op de plek waar het in de bodem ligt (in situ). Als behoud niet mogelijk is moet de mogelijkheid er zijn om de archeologische waarden op te graven;

  • .

    Het tijdig betrekken van het archeologisch erfgoed in het ruimtelijke ontwikkelingsproces. Hiertoe behoren het tijdig uitvoeren van onderzoek, het ontzien van archeologische vindplaatsen en het ontwerpen van archeologievriendelijke bouw- en funderingstechnieken;

  • .

    De verstoorder betaalt. De noodzakelijke archeologische (voor)onderzoeken worden betaald door de initiatiefnemer van (bouw)werkzaamheden;

  • .

    Gemeenten en provincies krijgen een belangrijke rol in het proces van en besluitvorming rond archeologisch erfgoed in hun ruimtelijke plannen en vergunningen.

1.2 Nationaal kader

Het Verdrag van Malta is in Nederland geïmplementeerd met de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), die op 1 september 2007 in werking is getreden. De Wamz is een zogenaamde wijzigingswet en heeft alleen wijzigingen doorgevoerd in andere wetten: de Monumentenwet 1988, de Ontgrondingenwet, de Wet Milieubeheer en de Woningwet. Sinds de Wabo van kracht is een deel van de implementatie van de Wamz daar in terecht gekomen en is de Woningwet niet meer relevant voor de archeologische monumentenzorg.

Naast de Wamz is essentiële informatie verwerkt in het Besluit Archeologische Monumentenzorg en de Memorie van Toelichting op de wet.

Monumentenwet 1988

De Monumentenwet 1988 vormde tot september 2007 het vigerende wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg en had als doel de bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten in Nederland.

Bij de invoering van de Wamz is het bevoegd gezag ten aanzien van het archeologiebeleid grotendeels bij de gemeentelijke overheden komen te liggen. In de wet is vastgelegd dat gemeenten bij (op)nieuw vast te stellen bestemmingsplannen en beheersverordeningen rekening dienen te houden met de bekende en te verwachten archeologische waarden. Gebeurt dit niet of onvoldoende, dan kan de provincie archeologische attentiegebieden aanwijzen waarvoor de gemeente binnen een door de provincie te bepalen termijn archeologievriendelijke bestemmingsplannen moet hebben vastgesteld.

Verder kunnen via een bestemmingsplan allerlei verplichtingen worden opgelegd ten behoeve van de archeologische waarden aan degenen die op of in de bodem activiteiten gaan ondernemen. Ook kan in een bestemmingsplan worden bepaald dat een archeologisch onderzoeksrapport moet worden overgelegd bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning.

Verstoorde gebieden kleiner dan 100 m2 zijn volgens de wet vrijgesteld tenzij de gemeenteraad hier gemotiveerd van afwijkt (MW: art. 41a). In deze beleidsnota geldt deze vrijstellinggrens niet voor alle categorieën van archeologische waarden. In paragraaf Vrijstellingsgrenzen en -dieptes zal dit verder onderbouwd worden.

Ook het principe dat de verstoorder betaalt is in de wet vastgelegd. Wel geeft de wet aan dat kosten die redelijkerwijs niet voor rekening van die verstoorder horen te komen -tot op zekere hoogte- moeten worden vergoed door de gemeente. Voorzover de kosten worden veroorzaakt door de verplichting tot het doen van opgravingen en deze kosten uitkomen boven een bepaald drempelbedrag, kan de gemeente bij de minister van OCW een verzoek indienen om een specifieke uitkering te verstrekken voor excessieve kosten (MW, artikel 34 a). Deze regeling is per 1 januari 2013 afgeschaft.

Wet Milieubeheer

Op grond van de Wet milieubeheer (WM) is het verplicht om een milieueffectrapportage (MER) op te stellen in het kader van de voorbereiding van bepaalde besluiten en plannen die betrekking hebben op activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Onder gevolgen voor het milieu worden ook cultuurhistorische waarden, waaronder archeologische waarden, verstaan (WM, artikel 1.1, tweede lid). Dat betekent dat bij de beoordeling die plaatsvindt in het kader van de MER de archeologische waarden binnen het betrokken gebied aan de orde moeten komen. De Minister van OCW is een van de ministers die adviezen geeft en besluiten neemt met betrekking tot de MER. Dit “wettelijk adviseurschap” heeft de minister bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) belegd. De RCE zal het archeologisch belang in de advisering en besluitvorming bij een MER betrekken.

Wabo/Woningwet

Bij inwerkingtreding van de Wamz bevatte de woningwet onder andere een regeling voor de bouwvergunning. Sinds de inwerkingtreding van de Wabo is de bouwvergunning uit de Woningwet geschrapt. Nu stelt de Wabo een omgevingsvergunning verplicht voor het bouwen van een bouwwerk. De MW bepaalt in samenhang met de Wabo dat aan deze omgevingsvergunning voorschriften verbonden kunnen worden die nodig zijn in het belang van de archeologische monumentenzorg.

Ook kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit een archeologisch onderzoeksrapport moet overleggen (MW, artikel 40).

Ontgrondingenwet

Op grond van de Ontgrondingenwet is het verboden om zonder vergunning van gedeputeerde staten een ontgronding uit te voeren. Aan de ontgronding kunnen door gedeputeerde staten voorschriften worden verbonden die nodig zijn in het belang van de archeologische monumentenzorg. Deze voor-schriften zijn vergelijkbaar met de voorschriften die door de gemeente aan een omgevingsvergunning voor een aanleg- en bouwactiviteit kunnen worden verbonden (Ontgrondingenwet, artikel 3).

1.3 Provinciaal kader Gelderland

De Monumentenwet geeft de provincies de mogelijkheid om voor ontgrondingsvergunningen en sommige m.e.r.-plichtige activiteiten vergunningvoorschriften in te vullen. Ook geeft de Monumenten-wet de provincies de mogelijkheid om attentiegebieden aan te wijzen waarin gemeenten hun bestem-mingsplan binnen een door de provincie te bepalen termijn “archeologieproof” moeten maken. Daarnaast is met de inwerkingtreding van de Wet op de ruimtelijke ordening op 1 juni 2008 de goed-keuringsbevoegdheid van de provincie voor bestemmingsplannen vervallen. De provincie Gelderland heeft daarom haar belangen op het gebied van archeologie helder moeten definiëren en vastleggen. Ook zal de provincie, als zij haar belangen uitgevoerd wil zien, deze tijdig moeten inbrengen in projecten.

Nota Belvoir3

De provincie Gelderland voert al vanaf 1997 een archeologisch beleid. Met het uitbrengen van de nota Belvoir is dat beleid aangescherpt en geïntegreerd in het algemene cultuurhistorische beleid. In de nota Belvoir 3 onderscheidt Gelderland twee soorten archeologische gebieden: de “parels” en de “ruwe diamanten”. De parels zijn gebieden die bepalend en representatief zijn voor de provinciale cultuurhistorische identiteit. Daarom zijn zij van provinciaal belang en wil Gelderland hier ambities formuleren en realiseren. De ruwe diamanten zijn gebieden die ondersteunend zijn voor de provinciale identiteit en daarmee in potentie van provinciaal belang. De verantwoordelijkheid voor archeologisch onderzoek wordt binnen de ruwe diamanten bij de gemeenten gelegd.

Gelderland wil zich met beleid en inzet van financiële middelen op de parelgebieden concentreren. Via onderhandeling of samenwerking met gemeenten en andere partijen wordt door de provincie ingezet op bescherming, behoud door ontwikkeling en verantwoord onderzoek.

Van belang is dat de provincie voor deze gebieden in principe een vrijstellingsgrens van 0 m2 nastreeft wat wil zeggen dat voor iedere bodemverstoring een archeologische afweging gemaakt moet worden. Indien het plangebied al geroerd is, of aannemelijk gemaakt kan worden dat er sprake is van een verstoring, is archeologisch onderzoek zinloos. Gemeenten die beschikken over een goed onderbouwde beleidsadvieskaart leveren dit maatwerk in de visie van de provincie. Indien het beeld van de gemeentelijke kaart niet strookt met het provinciale kaartbeeld, heeft het gemeentelijke toetsingsinstrument voorrang, mits dat uiteraard goed is onderbouwd.

De oostelijke helft van Brummen maakt deel uit van de Gelderse parel “IJsselvallei, westoever en Zutphen”.

Cultuurbeleid 2013-2016

Provinciale Staten van Gelderland heeft op 27 juni 2012 de nota ‘Cultuur en erfgoed 2013-2016. De Contouren voor Gelders beleid’ vastgesteld.

Met het vaststellen van deze contourennota heeft de provincie voor zowel een andere beleidsinhoud, als een andere werkwijze gekozen. De provincie is daarbij van plan om meer nadruk te leggen op ieders eigen taak en verantwoordelijkheid. Tevens op het versterken van het eigen opdracht-geverschap. Dit betekent dat de provincie haar partners gaat kiezen op basis van hun bijdrage aan het uitvoeren van het programma. Daarnaast beperkt het provinciaal beleid zich op een beperkt aantal thema’s en worden met alle gemeenten bestuurlijke afspraken gemaakt in het Cultuur- en erfgoedpact.

In de praktijk van het cultuurbeleid wordt dit zichtbaar in onze keuzes voor onder andere talent-ontwikkeling en cultureel ondernemerschap. In het deelprogramma erfgoed kiest de provincie voor kwaliteit van de uitvoering en ondersteuning van herbestemming industrieel erfgoed waar het gaat om complexe opgaves met een gebiedsgerichte betekenis. Daarnaast de keuze voor versterking van de Gelderse streekidentiteit met buitenplaatsen, linies en archeologie.

Bij de ondersteuning van de gemeentelijke taken richt de provincie zich op versterking van de vrijetijdseconomie, de cultuurparticipatie, regionale diversiteit en instandhouding lokaal erfgoed. Een en ander op initiatief en gedragen door de gemeenten zelf.

1.4 Gemeentelijk kader Brummen

Terugblik

Sinds de invoering van de Wamz op 1 september 2007 ligt het bevoegd gezag ten aanzien van de archeologische monumentenzorg grotendeels bij de gemeentelijke overheden. Omdat de gemeente Brummen toen nog geen archeologiebeleid had, is een oriëntatienota Archeologie opgesteld. In deze nota is onderzocht welke stappen de gemeente zou moeten ondernemen om tot een gemeentelijk archeologiebeleid te komen. Op 25 juni 2009 heeft de gemeenteraad van Brummen ingestemd met de oriëntatienota Archeologie (RV09.0016/MB). Waarop het college van B&W opdracht heeft gegeven tot het laten opstellen van een archeologische waarden- en verwachtingenkaart.

Na oplevering van het rapport, Archeologie in de gemeente Brummen, de archeologische waarden en verwachtingen (RAAP-rapport 2119), heeft het college van B&W op 15 februari 2011 besloten over te gaan tot het opstellen van een gemeentelijk archeologiebeleid.

Regioarcheoloog

Omdat met de verzwaring van het takenpakket ten aanzien van de archeologische monumentenzorg inhoudelijke expertise nodig is, neemt de gemeente Brummen deel aan de regionale samenwerking op het gebied van archeologie. Samen met de gemeenten Apeldoorn, Epe, Lochem en Voorst is een regioarcheoloog Stedendriehoek aangesteld.[24] De regioarcheoloog ondersteunt de gemeente bij het uitvoeren van de wettelijke taken op het gebied van archeologie en zorgt voor onderlinge afstemming, zowel tussen de gemeenten onderling als met de provincie, van het beleid. In Brummen adviseert de regioarcheoloog het college van B&W en de gemeenteraad over het te voeren archeologiebeleid.

[24] De provincie Gelderland neemt de eerste drie jaar 50% van de formatiekosten voor de aanstelling van een regioarcheoloog voor haar rekening. De daarop volgende drie jaar neemt de provincie 25% voor haar rekening.

Toekomst

De gemeente Brummen wil allereerst de wettelijke verplichtingen van de Monumentenwet nakomen.

De gemeente wil bovendien haar verantwoordelijkheid voor het archeologisch erfgoed vertalen naar een eigen visie en een zelfstandig archeologiebeleid. Waar beleidsvrijheid toepasbaar is, wil de gemeente dat ook benutten.

De artikelen 38 tot en met 43[25] van de Monumentenwet zijn hierbij de instrumenten voor een gemeente. Hierin staat wat een gemeente aan wettelijke verplichtingen en basistaken heeft als het gaat om archeologische monumentenzorg.

Kort samengevat:

  • 1.

    Artikel 38: Het vaststellen van een erfgoedverordening waarin de gemeentelijke regie en vrijstellingsbeleid kunnen worden vastgelegd.

  • 2.

    Artikel 38a: De verplichte verankering van de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten bij de vaststelling van een bestemmingsplan.

  • 3.

    Artikel 39 t/m 41: De mogelijkheid om bij een omgevingsvergunning (aanleg- en bouwactiviteit) een archeologisch onderzoeksrapport te vragen en aan de vergunning specifieke voorschriften te verbinden.

  • 4.

    Artikel 41a: Het benutten van de afwijkingsbevoegdheid van de wettelijke onderzoeksgrens.

  • 5.

    Artikel 43: Het stellen van regels met betrekking tot de inhoud en inrichting van het archeologisch onderzoeksrapport uit de artikelen 39 t/m 41.

 

Alleen artikel 38a is een wettelijke verplichting en impliceert de plicht om kennis van het gemeent-lijke archeologisch bodemarchief te hebben. Naast de Monumentenwet is hierbij artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht van belang, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorberei-ding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In geval van het archeologisch belang moet daarbij met name worden gedacht aan de informatie die aan kaartmateriaal kan worden ontleend, zoals archeologische waarden- en verwachtingenkaarten. Wanneer bestaande informatie ontoereikend is, zal plaatselijk bodem-onderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins uitkomst kunnen bieden.

De andere artikelen zijn basistaken die het uitvoeren van de wettelijke verplichting vereenvoudigen. Tenslotte is het verstandig een aantal financiele zaken te regelen.

In de volgende hoofdstukken zullen deze (beleids)instrumenten verder worden toegelicht en uitgewerkt.

[25] Artikel 42 is vervallen per 1-10-2010

2 ARCHEOLOGIEBELEID IN DE GEMEENTELIJKE PRAKTIJK

2.1 Inleiding

De afgelopen jaren zijn steeds meer taken en bevoegdheden op gemeentelijk niveau komen te liggen. Ook op het gebied van archeologie heeft de gemeente meer taken en bevoegdheden gekregen. De zorg voor archeologie is niet meer vrijblijvend maar een verplichte verantwoordelijkheid. De gemeente Brummen zal bij (ruimtelijke) plannen moeten zorgen dat de archeologische belangen bekend zijn en dat deze worden meegewogen met andere belangen (economisch, maatschappelijk, sociaal, ecologisch).

Zoals in het vorige hoofdstuk aangegeven wil de gemeente Brummen hier verschillende beleidsinstrumenten voor inzetten.

2.2 Wettelijk verplicht

Om te voldoen aan de Monumentwet 1988 (artikel 38a) moet een gemeente rekening houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten bij vaststelling van een bestemmingsplan dan wel een beheersverordening.

De archeologische waarden- en verwachtingenkaart

Om met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening te kunnen houden, is het allereerst van belang te weten wat waar aanwezig dan wel te verwachten is. Een archeologische waardenkaart is een kaart waarop de bekende archeologische vindplaatsen, door onderzoek en/of in combinatie met andere bonnen aangetoond, zijn aangegeven. Het kan daarbij gaan op een compleet opgegraven nederzetting tot de vondst van een losse vuurstenen pijlpunt. Een archeologische verwachtingenkaart is een kaart waarop de kans op het aantreffen van (nog) onbekende archeologische vindplaatsen.

Op basis van de bekende en te verwachten archeologische waarden is de archeologische beleidskaart opgesteld en het gemeentelijk archeologie beleid geformuleerd. Daarmee heeft de archeologische waarden- en verwachtingenkaart zijn doel gediend. De kaart is verder bedoeld voor raadpleging door vakspecialisten en voor intern gebruik door de regioarcheoloog. Zo kunnen met behulp van de archeologische waarden- en verwachtingen kaart specifieke onderzoeksvragen worden gesteld bij archeologisch onderzoek.

Al heeft de archeologische waarden- en verwachtingenkaart zijn doel gediend, het is zaak deze kaart zo actueel mogelijk te houden. Alle archeologische onderzoeken met bijbehorende selectiebesluiten, maar ook alle niet-archeologische verstoringen, moeten worden bijgehouden en op de kaart worden opgenomen. Daarbij wordt gekozen om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande informatiestromen binnen de gemeente Brummen.

De archeologische beleidskaart

Om vast te leggen op welke wijze de archeologische waarden- en verwachtingenkaart een rol gaat spelen in de gemeentelijke besluitvorming bij de planvorming is een archeologische beleidskaart opgesteld. De archeologische beleidskaart is daarmee de ruimtelijke presentatie van het archeologie beleid in Brummen. Op de kaart staan gebieden waar, onder bepaalde voorwaarden, archeologisch onderzoek verplicht is. De manier waarop dit is gebeurt komt in het hoofdstuk De Gemeentelijke archeologische beleidskaart aan bod.

De archeologische beleidskaart wordt gelijktijdig met dit beleid vastgesteld door de gemeenteraad.

Het bestemmingsplan

De planologische juridische instrumenten om de archeologisch relevante gebieden van de archeologische beleidskaart over te nemen is het bestemmingsplan met archeologische planregels.

Werkzaamheden waarbij ingrepen in de bodem plaatsvinden moeten worden getoetst aan het bestemmingsplan. Vanwege mogelijk schadelijke effecten van deze werkzaamheden op het archeologisch bodemarchief moeten gemeenten volgens de Monumentenwet bij nieuw op te stellen bestemmingsplannen rekening houden met archeologie.

In de meeste bestemmingsplannen in Brummen is archeologie al geregeld. Echter deze bestemmings-plannen zijn van vóór de huidige archeologische beleidskaart waardoor een gedetaileerd beeld van de archeologische waarden ontbreekt. Dit betekent dat er grote verschillen bestaan tussen de verschill-ende bestemmingsplannen en nu vaak meer tijd en geld gemoeid is met (soms) onnodig archeolo-gische vooronderzoek. Door het laten opstellen van een paraplubestemmingsplan[26] voor archeologie wordt in alle bestemmingsplannen het archeologisch beleid gestandariseerd opgenomen. Bij het paraplubestemmingsplan geldt de archeologische beleidskaart als plankaart.

Een paraplubestemmingsplan kan worden gezien als een plan dat als een paraplu over andere, reeds bestaande bestemmingsplannen heen hangt. Het plan bepaalt dan bijvoorbeeld dat de regels die betrekking hebben op archeologie van toepassing zijn op alle vigerende bestemmingsplannen die zijn aangehaald in de bijlage bij het parapluplan. Op deze wijze kan sneller dan bij een integrale herziening van alle bestemmingsplannen de gedetailleerde archeologische beleidskaart worden opgenomen. Bovendien is dit voor de gemeente Brummen kostenbesparend. Er zijn twee belangrijke randvoorwaarden:

  • 1.

    de onderliggende bestemmingsplannen zijn nog geldig;

  • 2.

    bestemmingen kunnen niet gewijzigd worden, maar het leggen van een dubbelbestemming, zoals bijvoorbeeld archeologische waarden, behoort wel tot de mogelijkheden.

Het paraplubestemmingsplan heeft betrekking tot de actualisatiedatum van het onderliggende bestemmingsplan (tien jaar na vaststelling). Een vastgesteld paraplubestemmingsplan blijft dan tien jaar geldig.

 

Gebieden met een archeologische waarden krijgen in het paraplubestemmingsplan een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ of de functieaanduiding ‘archeologische waarden’. Hieraan kunnen bouw- en gebruiksregels gekoppeld worden ter bescherming van de archeologische waarden, zoals bijvoorbeeld de verplichting om bij de aanvraag van een omgevingsvergunning een archeologisch rapport te overleggen.

[26] Voorbeelden van andere gemeenten met een paraplubestemmingsplan archeologie zijn Tiel en Doesburg

2.3 Basistaken

Om de wettelijke verplichting als gemeente beter uit te kunnen voeren is het noodzakelijk om ook een aantal andere aspecten vast te leggen.

De erfgoedverordening

Voor de fase waarin bestemmingsplannen nog niet Malta-proof zijn gemaakt biedt het paraplu-bestemmingsplan dus een goede mogelijkheid voor gemeenten om hun archeologisch erfgoed te beschermen. Ook de erfgoedverordening kan als een tijdelijke oplossing worden gezien voor deze fase.

Zoals hiervoor aangegeven vormt het bestemmingsplan hét instrument om het archeologisch erfgoed te beschermen. De MW lijkt tot aan het moment dat een bestemmingsplan met toepassing van artikel 38a wordt vastgesteld wel ruimte te bieden voor een verordening waarmee datzelfde kan worden gedaan. In haar model-erfgoedverordening gaat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) er vanuit dat deze wettelijke bepaling ruimte biedt om archeologisch erfgoed bij verordening te beschermen totdat het bestemmingsplan deze functie overneemt.

De overgangssituatie kan alleen betrekking hebben op gebieden waarvoor een bestemmingsplan is vastgesteld vóór de wijziging van de Monumentenwet 1988. Of voor gebieden waarvoor geen bestemmingsplan geldt. Op deze gebieden is immers nog geen beschermende regeling van toepas-sing. Voor deze gebieden dient de overgangssituatie in ieder geval te eindigen op het moment dat een bestemmingsplan wordt vastgesteld of herzien conform de verplichting van de Monumentenwet 1988. Tegelijkertijd mag de verordening niet in strijd zijn met dat bestemmingsplan.

Het opstellen van een verordening ontslaat de gemeente niet van de verplichting om archeologie integraal te betrekken bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De verordening voorziet slechts in een aanvulling op een bestemmingsplan en/of in een overgangssituatie in afwachting van een beschermend bestemmingsplan. In de modelverordening van VNG staat daarom ook de bepaling (artikel 16, tweede lid, onder b) dat de verordening niet van toepassing (meer) is als het gebied valt onder de werking van een bestemmingsplan waarin de bescherming al is geregeld.

In Brummen is de erfgoedverordening op 22 augustus 2013 vastgesteld en daarmee dus nog niet aangepast aan het nieuwe archeologiebeleid. Gelijktijdig met het vaststellen van het gemeentelijk archeologiebeleid door de gemeenteraad is het daarom van belang om de huidige erfgoedverordening te actualiseren. In de erfgoedverordening zou voor archeologie onder andere moeten worden vastgelegd: de algemene beleidsregels, de gemeentelijke uitvoeringscriteria (voor onderzoek, beheer en behoud) en bijvoorbeeld het publieksbereik.

Daarnaast stelt de Handreiking monumentencommissie van de VNG dat de deskundigheid van een gemeentelijke monumentencommissie is gewaarborgd indien minimaal kennis aanwezig is op het gebied van restauratietechniek, bouwhistorie, architectuurhistorie, landschap/stedenbouw/historische geografie én archeologie. Vanaf 2009 is het voor iedere gemeente verplicht om een erfgoed-verordening (of monumentenverordening) te hebben en een commissie in te stellen die de adviesplicht bij omgevingsvergunningen kan vervullen (MW, artikel 15).

De omgevingsvergunning

De Monumentenwet biedt de mogelijkheid om via het verplicht stellen van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit de archeologische belangen te behartigen.

Bij bestemmingsplan, beheersverordening (art. 3.38 Wro), exploitatieplan (art. 6.12 Wro) en voorbereidingsbesluit (art.3.7 Wro) kan bepaald worden dat bepaalde werken of werkzaamheden alleen mogen worden uitgevoerd met een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit. Het gaat dan om werken of werkzaamheden zoals grondbewerkingen, heiwerkzaamheden, verhogen of verlagen van het waterpeil, aanleggen of rooien van bossen, aanleggen van ondergrondse kables en leidingen en het aanbrengen van diepwortelende planten. In het bedoelde plan of verordening zal expliciet moeten worden aangegeven voor welke werken de omgevingsvergunning verplicht is.

Behalve met een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit kan de gemeente de archeologische waarden ook beschermen met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatie-plan of een voorbereidingsbesluit of het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht.

Aan een omgevingsvergunning kan de voorwaarde van het uitvoeren van archeologisch onderzoek worden gekoppeld. Het verbinden van deze voorschriften aan de vergunning moet worden gemoti-veerd. In de vergunning moet daarom aangegeven worden waarom voorschriften aan de vergunning zijn verbonden. Gezien de (financiële) consequenties dient deze motivering te berusten op een deugdelijke belangenafweging: de belangen van de aanvrager versus de belangen van de archeologie.

De MW bevat geen weigeringsgronden voor de omgevingsvergunningen. Dat betekent dat burgemeester en wethouders op de gebruikelijke en wettelijk voorgeschreven wijze toetsen aan het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan, en de daarbij gestelde eisen en voorschriften, vormt dus de basis voor de behartiging van de gemeentelijke archeologische belangen.

Vrijstellingsgrens en -diepte

In artikel 41a van de Monumentenwet is vastgesteld dat bij een bodemverstoring van minder dan 100 m2 geen archeologisch (voor)onderzoek nodig is. Deze vrijstellingsgrens is opgenomen om te voorkomen dat ook voor de hele kleine ingrepen, projecten op huis-, tuin- en keukenniveau, een archeologisch (voor)onderzoek nodig is. Deze grens van 100 m2 is niet wetenschappelijk onderbouwd en daarom ook arbitrair. De wetgever onderkent dit en geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om gemotiveerd van deze vrijstellingsgrens af te wijken.

De archeologische waarden- en verwachtingenkaart geeft voor Brummen aanleiding om de vrijstellingsgrens van 100 m2 anders in te vullen. Daarbij is nadrukkelijk gezocht naar een evenwicht tussen een archeologisch verantwoorde, praktisch hanteerbare vrijstellingsgrens en economische en maatschappelijke aspecten. Zo wordt voorkomen dat bij archeologisch onderzoek in hele kleine gebieden er sprake is van een ongunstige verhouding tussen de wetenschappelijk resultaten en de gemaakte kosten en uren. Daarbij wordt nadrukkelijk een onderscheid gemaakt tussen de al bekende en de te verwachten archeologische waarden.

De oppervlakte waaronder geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden, is in Brummen afhankelijk gesteld van de kans op het voorkomen van archeologische resten. Over het algemeen geldt dat hoe lager de archeologische verwachting is, hoe ruimer de grens waarbij geen archeologisch onderzoek nodig is. Het uitgangspunt is dat in principe minder bodemarchief verstoord wordt naarmate het oppervlak van de verstoring kleiner is en de diepte geringer. Hierbij is het wel noodzakelijk te realiseren dat een aantal kleine ingrepen samen of aangrenzend uiteindelijk kunnen leiden tot een aanzienlijke verstoring van het bodemarchief.

Voor Brummen is de vrijstellingsgrens voor zones met een hoge, middelmatige en lage archeologische verwachting van 100 m2 verhoogd naar respectievelijk 250m2 (hoge verwachting), 1000m2 (middelmatige verwachting) en 2500 m2 (lage verwachting). Deze vrijstelling geldt alleen voor plangebieden waar archeologische resten verwacht worden, en niet voor gebieden waar is vastgesteld dat er archeologische waarden aanwezig zijn[27]. De vrijstelling is daarom ook niet van toepassing als:

  • 1.

    het plangebied (gedeeltelijk) deel uit maakt van een archeologisch waardevol gebied volgens de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Brummen (Archeologisch Waardevol Gebied, categorie 1);

  • 2.

    het plangebied zich bevindt binnen 25 meter van de grens van een archeologisch waardevol gebied volgens de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Brummen (Archeologisch Waardevol Gebied, categorie 1);

  • 3.

    het plangebied (gedeeltelijk) deel uit maakt van een historische kern volgens de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Brummen (Archeologisch Waardevol Gebied, categorie 2).

 

Voor terreinen met een (zeer) hoge archeologische waarde volgens de de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Brummen (Archeologisch Waardevol Gebied, categorie 1) is de ondergrens daarentegen naar beneden bijgesteld tot 0 m2. Voor historische kernen en bekende archeologische vindplaatsen (Archeologisch Waardevol Gebied, categorie 2 en 3) is de grens van 100 m2 uit de MW aangehouden.

 

Al deze vrijstellingsgrenzen zijn opgenomen op de archeologische beleidkaart Brummen.

Naast een vrijstellingsgrens in oppervlakte van het te verstoren gebied geldt in Brummen ook een vrijstellingsdiepte. Uit recente analyses van bouwvoordikten[28] komt naar voren dat ruim 90% van het agrarisch buitengebied tot minder dan 40 cm diep verstoord is. Daarom is gekozen voor een vrijstellingsgrens van 30 cm. Dit betekent dat bij een verstoring van minder dan 30 cm. diep er geen archeologisch (voor)onderzoek nodig is. In enkele delen van de gemeente kunnen archeologisch relevante lagen dichter aan het oppervlak liggen.

[27] De verschillende categorieën komen in hoofdstuk 3 verder aan bod.

[28] N.W. Willemse & M.H.J.M. Kocken (2012) en R.C.G.M. Lauwerier, T. de Groot, B.J.H. van Os en L. Theunissen (2011)

Nadere uitgangspunten en uitzonderingen

  • .

    Als binnen een plangebied een inventariserend archeologisch onderzoek verplicht wordt gesteld, dan heeft dit onderzoek betrekking op het hele plangebied;

  • .

    Indien binnen een plangebied verschillende archeologische waarden voorkomen dan geldt de hoogst aanwezige waarden met bijbehorende ondergrens. Hier kan van worden afgeweken als de hoogste waarde maar een klein deel (maximaal 10%) van het plangebied bestrijkt en de bodem hier niet verstoord gaat worden;

  • .

    Als binnen een plangebied een bepaalde waarde geldt, maar de voorgenomen ingreep beneden de ondergrenzen blijft dan blijft de dubbelbestemming gehandhaaft, tenzij uit onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden in het gebied te verwachten zijn.

Richtlijnen voor archeologisch onderzoek

Voor een doelmatige en toetsbare uitvoering van archeologische vooronderzoek is in regioverband een Richtlijn voor Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek opgesteld. Deze richtlijn bestaat uit verschillende protocollen en is bestemd voor bedrijven, organisaties, particulieren en de gemeente zelf die archeologisch onderzoek (laten) uitvoeren in de gemeente Brummen. De richtlijn is een verduidelijking van op de (verplichte) Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Daar waar de gemeente het bevoegd gezag is zullen het uitgevoerde archeologisch onderzoek en de bijbehorende rapportage getoetst worden aan deze richtlijn.

Door de regioarcheoloog is deze richtlijn[29] opgesteld in regioverband waardoor het archeologische vooronderzoek in de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Lochem en Voorst op vrijwel dezelfde wijze wordt uitgevoerd en getoetst.

[29] Zie bijlage

Archeologische expertise

Voor het ambtelijk sturen en controleren van het archeologische proces bij vergunningverlening is in principe géén inhoudelijke archeologische kennis nodig. Hiervoor is binnen de gemeente Brummen formatie beschikbaar.

 

Om een deel van de wettelijke verplichte en basistaken die de gemeente Brummen heeft uit te voeren is echter wel archeologische expertise nodig. Het gaat bijvoorbeeld om het inhoudelijk beoordelen van onderzoeksrapporten, het opstellen van selectiebesluiten, het toetsen van Programma’s van Eisen (PvE’s) voor archeologisch onderzoek. Een aantal van deze taken mag uitsluitend door een seniorarcheoloog worden uitgevoerd zoals bijvoorbeeld het toetsen van de gespecificeerder archeologische verwachting naar aanleiding van het bureauonderzoek en het opstellen of goedkeuren van een archeologisch Programma van Eisen

 

De gemeente Brummen maakt voor de inhoudelijke archeologische expertise gebruik van de regioarcheoloog.

2.4 Wenselijk om te regelen

Als de hier boven genoemde aspecten geregeld zijn dan is het gemeentelijk archeologiebeleid juridisch, financieel en operationeel geregeld. Daarnaast zijn er nog veel meer mogelijkheden om het archeologiebeleid op een hoger plan te trekken.

Archeologieleges

Een deel van de kosten die uit voortkomen uit de wettelijke en basistaken op het gebied van archeologie kunnen gedekt worden door het heffen van archeologieleges. Het gaat dan om werkzaamheden van de regioarcheoloog die direct op bepaalde projecten –en handelingen daarbinnen– kunnen worden verhaald en waarbij de initiatiefnemer van het project een particulier of ontwikkelaar is.

Enkele voorbeelden:

  • .

    adviseren van derden/particulieren/projectontwikkelaars ten aanzien van de omgang met het archeologische bodemarchief in het kader van ruimtelijke ordeningsprocessen en vergunningstrajecten;

  • .

    beoordelen, namens het bevoegd gezag, van door derden opgestelde archeologische Programma’s van Eisen;

  • .

    beoordelen, namens het bevoegd gezag, van door derden opgestelde rapportages van uitgevoerde archeologische (voor)onderzoeken.

 

Het beoordelen van een archeologisch rapport is opgenomen in de legesverordening (à €150,-).

3 DE GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGISCHE BELEIDSKAART

3.1 Inleiding

De archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Brummen heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente. De kaart geeft inzicht in de bekende en te verwachten archeologische waarden van de gemeente en koppelt deze aan adviezen voor gemeentelijk archeologie beleid. Voor toepassing op beleidsmatig, gemeentelijk niveau moeten deze adviezen vertaald worden naar een gemeentelijke archeologische beleidskaart en gekoppeld worden aan de beleidsnota Archeologie.

3.2 De archeologische beleidskaart

De gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft een zodanig gedetailleerd schaalniveau (1:10.000) dat deze direct van toepassing is voor gebruik op perceelsniveau. Op de archeologische beleidskaart staat kort aangegeven wat het gewenste beleid is ten aanzien van de onderzoeksverplichting. Dit beleid wordt verankert in het ruimtelijke beleid (bestemmingsplannen en omgevingsvergunning) en de erfgoedverordening.

Op de archeologische beleidskaart wordt onderscheid gemaakt tussen archeologisch waardevolle gebieden (AWG’s) en archeologische verwachtingszones (AV’s). Daarnaast zijn er gebieden waar gebieden waar door bijvoorbeeld vergravingen geen archeologie meer wordt verwacht.

Van de archeologisch waardevol gebieden (AWG) is vastgesteld dat er archeologische resten aanwezig zijn. Er worden de volgende categorieën onderscheiden[30]:

  • .

    AWG-categorie 1: terrein met een vastgestelde (zeer hoge of hoge) archeologische waarde

  • .

    AWG-categorie 2: terrein met een zeer hoge archeologische (verwachtings)waarde, zoals een historische kern, verhoogde woonplaats, landschapselement of bekende archeologische vindplaats.

 

Naast bekende archeologische waarden zijn er te verwachte archeologische waarden. De archeologische verwachting zegt iets over de dichtheid waarin archeologische terreinen binnen een landschappelijke eenheid voorkomen of worden verwacht. Hoe hoger de archeologische verwachting, hoe groter de verwachte dichtheid aan archeologische resten. De archeologische verwachting wordt weergegeven in termen van hoog, middelmatig en laag.

  • .

    AV-categorie 3: zone met een hoge archeologische verwachting

  • .

    AV-categorie 4: zone met een middelmatige archeologische verwachting

  • .

    AV-categorie 5: zone met een lage archeologische verwachting

[30] De gemeente Brummen kent geen wettelijk beschermde archeologische monumenten.

3.3 Archeologische categorieën

AWG categorie 1: terrein met een vastgestelde (zeer hoge of hoge) archeologische waarde.

Voor deze terreinen geldt dat door bekende archeologische gegevens (vondsten, proefsleuven, opgravingen) en/of op basis van landschappelijke ligging en/of historische informatie is aangetoond dat hier archeologische waarden aanwezig zijn. In de gemeente Brummen gaat het om 28 terreinen.

Rondom een bufferzone van 25 meter. Streven naar behoud en bescherming in huidige staat; bij bodem­ingrepen dieper dan 30 cm -Mv is inventariserend archeologisch onderzoek verplicht (volgens Richtlijn Archeologisch Onderzoek).

AWG categorie 2: terein met een zeer hoge archeologische (verwachtings)waarde zoals een historische kern, verhoogde woonplaats, landschapselement of bekende archeologische vindplaats (met rondom een bufferzone).

In feite geldt voor deze categorie hetzelfde als voor categorie 1. Het verschil zit vooral in het bronmateriaal. Deze terreinen (historische kernen, verhoogde woonplaatsen en landschapselementen) zijn op basis van de eerste kadasterkaarten rond 1830 en historisch-topografische kaarten van rond 1900 opgevoerd. Voor de meeste bekende archeologische vindplaatsen in Brummen geldt dat dit Archeologisch Waardevolle Gebieden “zonder status”. Dit wil zeggen dat door het ontbreken van gegevens over de aard, omvang en conservering van de archeologische resten het niet mogelijk is deze gebieden te waarderen tot gebied van zeer hoge of hoge waarde. Rondom de bekende archeologische vindplaatsen is een bufferzone van 50 meter geplaatst.

Streven naar behoud in huidige staat. Inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht (volgens Richtlijn Archeologisch Onderzoek) als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 100 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm –Mv.

 

AV categorie 3: hoge archeologische verwachting.

Gebieden die op grond van geomorfologie, grondwatertrap en bodem en op grond van veel bekende vindplaatsen in vergelijkbare omstandigheden, een grote kans hebben op archeologische resten in de bodem.

Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht (volgens Richtlijn Archeologisch Onderzoek) als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 250 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv;

AV categorie 4: middelmatige archeologische verwachting.

Gebieden die op grond van geomorfologie, grondwatertrap en bodem en op grond van minder veel bekende vindplaatsen in vergelijkbare omstandigheden, een middelmatige kans hebben op archeologische resten in de bodem.

Streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht (volgens Richtlijn Archeologisch Onderzoek) als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 1.000 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv;

AV categorie 5: lage archeologische verwachting.

Gebieden die op grond van geomorfologie, grondwatertrap en bodem en op grond van weinig bekende vindplaatsen in vergelijkbare omstandigheden, een lage kans hebben op archeologische resten in de bodem.

Hieronder vallen ook de gebieden met een verhoogde kans op archeologische off-site resten (met bijzondere vondstcategorieen, zoals bruggen, dammen, fuiken en rituele deposities), maar aangezien de onderzoeksverplichting hetzelfde is zijn deze categorien samengevoegd. Bij het uitvoeren van de Richtlijn Archeologisch Onderzoek zal door bestudering van de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Brummen duidelijk worden om welk type gebied het precies gaat en wat daar dus te verwachten is.

Geen noodzaak tot streven naar behoud in huidige staat; inventariserend archeologisch onderzoek is verplicht (volgens Richtlijn Archeologisch Onderzoek) als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 2.500 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv;

Kleur

Categorie

Zone

Opp/diepte

Rood

AWG categorie 1

Terrein met een vastgestelde (zeer hoge of hoge) archeologische waarde

0m²/30cm

Zalm

AWG categorie 2

Terrein met een zeer hoge archeologische (verwachtings)waarde[31]

100m²/30cm

Oranje

AV categorie 3

Zone met een hoge archeologische verwachting

250m²/30cm

Geel

AV categorie 4

Zone met een middelmatige archeologische verwachting

1.000m²/30cm

Groen

AV categorie 5

Zone met een lage archeologische verwachting

2.500m²/30cm

[31] Te weten een historische kern, verhoogde woonplaats, landschapselement  of bekende archeologische vindplaats.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door de gemeenteraad tijdens de openbare raadsvergadering van 18 september 2014,
de griffier, mr. A.P. Leenstra
de voorzitter, A.J. van Hedel

Bijlagen

Richtlijn voor Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek

De wijze van uitvoeren en rapporteren van bureauonderzoek en verkennend booronderzoek door de verschillende archeologische bedrijven is heel verschillend. Aan de ene kant opvallend omdat altijd volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) wordt gewerkt. Anderzijds verklaarbaar omdat de KNA op sommige onderdelen verschillend kan worden geïnterpreteerd. Deze richtlijn Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek is bedoeld om de kwaliteitseisen uit de KNA voor de hier genoemde gemeenten te verduidelijken. Het gaat dus niet om extra eisen naast de KNA. Afwijken van de KNA, en dus ook deze richtlijn, kan mits dit wordt onderbouwd.

Per gemeente wordt in deze richtlijn gemeentespecifieke informatie gegeven (b.v. literatuur, gegevens amateur-archeologen).

 

In de regel zal door de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Lochem en Voorst bij een archeologische onderzoeksverplichting een combinatie van bureauonderzoek met verkennende boringen worden gevraagd. Hierdoor kan een beter onderbouwde, gespecificeerde archeologische verwachting worden gegeven. In sommige situaties, bijvoorbeeld bij plangebieden van enkele hectares, kan er gekozen worden voor éérst een bureauonderzoek en daarna een verkennend booronderzoek. Daarnaast kan in geval van een goede vondstzichtbaarheid gekozen worden om aanvullend een veldkartering uit te voeren.

 

Het is zinloos om een archeologisch onderzoek uit te laten voeren als vooraf duidelijk is dat de bodem verstoord is tot en met het archeologische niveau. Dit speelt vooral bij kleine plangebieden (tot 0,5 ha.), waar de kosten voor archeologie relatief zwaar op de initiatiefnemer drukken. Een bureauonderzoek is niet noodzakelijk als de initiatiefnemer dit afdoende aannemelijk kan maken. Dit kan bijvoorbeeld worden aangetoond door middel van het overleggen van bouwtekeningen waarop fundering en kelders duidelijk zijn aangegeven, foto’s van vroegere en/of huidige situatie en eventueel boringen die in een ander kader zijn gezet (milieukundig bodemonderzoek). De (regio)archeoloog beoordeeld of voldoende duidelijk is dat de grond zodanig verstoord is dat verder archeologisch onderzoek niet nodig is. Mocht dit niet het geval zijn dan is alsnog een bureau- en verkennend booronderzoek noodzakelijk.

 

De processen bureauonderzoek (protocol 4002) en inventariserend veldonderzoek overig (IVO-O, protocol 4003) zijn in de KNA opgebouwd uit processtappen. In deze richtlijn wordt, indien nodig, per processtap verduidelijkt welke informatie wordt gevraagd.

 

Bureauonderzoek

Het doel van een bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen een omschreven gebied, om daarmee te komen tot een gespecificeerde, archeologische verwachting. Het resultaat is een standaardrapport met een gespecificeerde, archeologische verwachting, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aan zien van (eventueel) vervolgonderzoek.

1.1 Afbakenen plan- en onderzoeksgebied

Om de archeologische waarden en verwachtingenkaarten zo actueel mogelijk te houden worden uitgevoerde archeologische onderzoeken in het gemeentelijk datasysteem verwerkt. Hiervoor is een digitale begrenzing van het plangebied nodig die aan Archis en aan de gemeente geleverd wordt (zie toelichting).

1.2 Aanmelden onderzoek bij Archis

Van het eerste tabblad, onderzoeksmelding, dienen alle velden ingevuld te worden. Bij bevoegd gezag dient de gemeentenaam ingevuld te worden.

1.3 Vermelden en toepassen overheidsbeleid

Aangeven van welke besluitvorming sprake is bijvoorbeeld ontgronding, MER, bestemmingsplan(wijziging), omgevingsvergunning. Dit bepaald namelijk ook de wijze van advisering (zie 1.9 en 3.4 bij IVO-Overig).

De archeologische beleidskaart met bijbehorende stukken is het uitgangspunt (openbaar).

Voor inhoudelijke archeologische informatie staan de archeologische waarden- en verwachtingenkaarten ter beschikking van de archeologische adviesbureaus (op te vragen).

1.4 Beschrijving huidig gebruik

Geen verder specificatie.

1.5 Beschrijven historische situatie en verstoringen

Het raadplegen van historische kaarten (uitgangspunt is minimaal drie) dient niet alleen om te onderzoeken of er (historische) bebouwing heeft gestaan om maar ook om de verandering in landgebruik en de gevolgen hiervan voor het archeologisch bodemarchief in beeld te brengen.

Het raadplegen van bouwdossiers is in ieder geval nodig als er bebouwing aanwezig is die gesloopt gaat worden. Mededelingen van de opdrachtgever dat de bodem verstoord is door een bepaalde activiteit mogen alleen opgenomen worden in de rapportage als deze aantoonbaar onderbouwd worden.

1.6 Beschrijven bouwhistorische waarden ondergronds

Geen verder specificatie.

1.7 Beschrijven bekende archeologische en aardwetenschappelijk waarden

Het AHN moet altijd geraadpleegd en afgebeeld te worden. Voor de gemeente Apeldoorn is het AHN2 beschikbaar (op te vragen).

De provinciale kennisagenda Archeologie moet geraadpleegd worden (www.gelderland.nl -> cultuur en cultuurhistorie -> cultuurhistorie -> behoud cultuurhistorie -> kennisagenda).

De Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland (DNA-kaarten) moet geraadpleegd en afgebeeld worden (www.gelderland.nl -> kaarten en cijfers -> kaarten thematisch -> cultuurhistorie).

Voor de gemeente Apeldoorn moet de rivviewer worden gebruikt voor de archeologische, geomorfologisch en aardkundige waarden (riviewer.apeldoorn.nl)

Zie bijlage voor:

  • .

    archeologische waarden- en verwachtingenkaart;

  • .

    contactgegeven van amateur-archeologen of andere te raadplegen personen/instanties;

  • .

    gebieds- en/of gemeentespecifieke literatuur;

  • .

    historisch kaartmateriaal.

 

1.8 Opstellen gespecificeerde verwachting

Geen verder specificatie.

 

1.9 Opstellen standaard bureauonderzoek

Het rapport dient digitaal in conceptvorm aan de bevoegde overheid aangeleverd te worden. Het rapport wordt binnen een termijn van 4 weken van een beoordeling voorzien (indien dit niet mogelijk blijkt ontvangt de aanvrager van de beoordeling hier zo spoedig mogelijk bericht van). Hierna kan het rapport (in principe) definitief gemaakt worden. Van het definitieve exemplaar ontvangt de gemeente een analoog exemplaar per post en een digitaal exemplaar per email (regioarcheoloog@apeldoorn.nl voor Brummen, Epe, Lochem en Voorst, archeologie@apeldoorn.nl voor Apeldoorn).

 

1.10 Afmelden onderzoek bij Archis

Van het tweede tabblad dienen alle velden tot en met het selectieadvies ingevuld te worden.

 

1.11 Aanleveren digitale gegevens bij e-Depot

Geen verder specificatie.

 

Verkennend booronderzoek

Het doel van een inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het resultaat van een IVO is een rapport met een waardering en een inhoudelijk (selectie-)advies, aan de hand waarvan een (selectie-)besluit kan worden genomen.

Bij een IVO kan een onderscheid worden gemaakt in een verkennende, karterende en waarderende vorm. Het verkennende IVO (verkennend booronderzoek) heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap en de intactheid van de bodem. Alleen bij een specifiek archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Steentijd kan een karterend booronderzoek worden uitgevoerd.

1.1 Opstellen Plan van Aanpak IVO-Overig (verkennend)

Het Plan van Aanpak van het onderzoek wordt als bijlage aan het rapport gevoegd.

1.2 Aanmelden onderzoek Archis

Van het eerste tabblad, onderzoeksmelding, dienen alle velden ingevuld te worden. Bij bevoegd gezag dient de gemeentenaam ingevuld te worden.

2.0 Leidinggeven

Geen verder specificatie.

2.1 Uitvoeren IVO-Overig (verkennend)

Het verkennend booronderzoek heeft een dichtheid van minimaal 7 boringen per hectare, met een minimum van 5 boringen per plangebied. De boringen liggen dermate verspreid over het plangebied dat een gedegen uitspraak kan worden gedaan over de verschillende verwachtingszones. Als binnen het plangebied een zone met een lage archeologische verwachtingswaarde of een zone met een bodemverstoring voorkomt, dan dienen deze zones ter toetsing binnen dit onderzoek betrokken te worden.

Het verkennend booronderzoek dient minimaal op de volgende onderzoeksvragen antwoord te geven:

  • .

    Wat is de bodemopbouw in het plangebied?

  • .

    In hoeverre is deze bodemopbouw nog intact?

  • .

    Wat is de geo(morfo)logische opbouw van de ondergrond in het plangebied?

  • .

    Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? Zo ja, op welke diepte t.o.v. het maaiveld en het NAP?

  • .

    Moet de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Zo ja, waarom?

 

2.2 Melden eerste bevindingen onderzoek aan Archis

Geen verder specificatie.

 

3.1 Uitwerken vondsten en (boor)monsters

Geen verder specificatie.

 

3.2 Analyseren resultaten IVO-Overig (verkennend)

Met een analyse “verstoord tot diep in de C-horizont” kan niet worden volstaan. Hierbij moet duidelijk aangegeven worden hoe diep dit is, hoe dit kan worden onderbouwd en of daarmee het archeologisch niveau geheel of gedeeltelijk (m.u.v. diepere sporen) is verstoord. Ook een abrupte overgang naar de C-horizont hoeft niet te betekenen dat eventuele vindplaatsen zijn verdwenen. Dit kan alleen als daarbij aannemelijk kan worden gemaakt dat de C-horizont zeker 20-30 cm verstoord/vergraven is.

Ook met een analyse “rondom boring 5 en 7 is het plangebied verstoord” kan niet worden volstaan. Begrenzingen moeten ook op kaart weergegeven worden (zie ook 3.4).

 

3.3 Opstellen standaardrapport IVO-Overig en waardering

Om de archeologische waarden en verwachtingenkaarten zo actueel mogelijk te houden worden uitgevoerde archeologische onderzoeken in het gemeentelijk datasysteem verwerkt. Hiervoor is een digitale begrenzing van het plangebied nodig die aan Archis en aan de gemeente wordt (zie toelichting).

 

3.4 Opstellen selectieadvies

Een selectieadvies is meer dan aangeven of er al dan niet archeologisch vervolgonderzoek nodig is. Moet de verwachting worden aangepast? Is het plangebied (gedeeltelijk) verstoord en is er dus geen verwachting meer? Het selectieadvies moet dan ook aansluiten bij de besluitvorming in het kader waarvan het archeologisch onderzoek is uitgevoerd (zie ook 1.3). Bij besluitvorming in het kader van een bestemmingsplan moet bijvoorbeeld aangegeven worden of er een dubbelbestemming moet worden opgenomen of gehandhaafd, terwijl bij een omgevingsvergunning moet worden aangegeven onder welke voorwaarden de vergunning kan worden afgegeven.

Begrenzing van verschillende (verwachtings-)zones moet op kaart aangegeven worden.

 

3.5 Aanleveren standaardrapport IVO-Overig aan RCE en de bevoegde overheid

Het rapport dient digitaal in conceptvorm aan de bevoegde overheid aangeleverd te worden. Het rapport wordt binnen een termijn van 4 weken van een beoordeling voorzien (indien dit niet mogelijk blijkt ontvangt de aanvrager van de beoordeling hier zo spoedig mogelijk bericht van). Hierna kan het rapport (in principe) definitief gemaakt worden. Van het definitieve exemplaar ontvangen wij een analoog exemplaar per post en een digitaal exemplaar per email (regioarcheoloog@apeldoorn.nl voor Brummen, Epe, Lochem en Voorst, archeologie@apeldoorn.nl voor Apeldoorn).

 

3.6 Afmelden onderzoek bij Archis en overdracht onderzoeksgegevens

Van het tweede tabblad dienen alle velden tot en met het selectieadvies ingevuld te worden.

 

3.7 Aanleveren documentatie bij het depot

Geen verder specificatie.

 

3.8 Aanleveren vondstmateriaal bij het depot

Geen verder specificatie.

 

3.9 Aanleveren digitale gegegevens bij e-Depot

Geen verder specificatie.

 

Toelichting (digitale) afbakening plan- en onderzoeksgebied

Velden en omschrijving

OMG_NR: onderzoeksmeldingsnummer, overeenkomstig het onderzoeksmeldingsnummer waarmee het

onderzoek in Archis is aangemeld

OZK_NR: onderzoeksnummer, ingevuld of in te vullen met het onderzoeksnummer dat wordt verkregen

op het moment dat de onderzoeksmelding in Archis wordt afgemeld

OZK_TYPE: type uitgevoerd onderzoek, codering conform coderingen uit het Archeologisch Basisregister

TOPONIEM: toponiem of andere van toepassing zijnde geografische benaming van de onderzoekslocatie

Geodata

BESTANDSFORMAAT: ESRI shapefile (+ versienummer) – in huidige vorm de de facto standaard voor het

aanleveren en uitwisselen van geo-data in vectorformaat.

COÖRDINATENSTELSEL / PROJECTIE: Het te gebruiken coördinatenstelsel is het Nederlandse

Rijksdriehoeksstelsel, ook wel bekend als ‘RD’. Dit systeem is gebaseerd op een Oblique Stereografische

projectie, en dient gedefiniëerd te zijn cf. EPSG:28992 (zie: http://spatialreference.org/ref/epsg/28992/)

 

Metadata

METADATA INHOUD: cf. ISO 19115, waarbij ten minste de 20 'core elements' zoals benoemd in ISO 19115

volgens deze standaard worden beschreven

METADATA-SCHEMA: cf. ISO 19139: Dit zijn de XML encoding schema’s voor zowel ISO 19115:2003 en ISO 19119:2005/FDAM 1 (vrij beschikbaar: http://schemas.opengis.net/iso/19139/)

Proces van de Archeologische Monumentenzorg

Het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is opgebouwd uit verschillende stappen. Niet iedere stap moet verplicht doorlopen worden, maar na ieder volgt een besluit van de bevoegde overheid over de volgende stap. In onderstaand schema (bron: www.sikb.nl) is dit proces in hoofdlijnen weergegeven:

Archelogische beleidskaart

De op deze pagina afgebeelde beleidskaart is uitsluitend bedoeld om een eerste indruk te krijgen van de aanwezige te beschermen waarden.

Van de kaart is een grote versie op het gemeentehuis in te zien.

Ook is de kaart terug te vinden op de gemeentelijke website.