Notitie juridische gevolgen intrekking Wet op de Openluchtrecreatie

Geldend van 01-01-2008 t/m 03-01-2011

Intitulé

Notitie juridische gevolgen intrekking Wet op de Openluchtrecreatie

1. Intrekken Wet op de Openluchtrecreatie

De Wet op de Openlucht Recreatie (WOR) wordt op 1 januari 2008 ingetrokken. Het intrekken van de WOR heeft twee redenen. Allereerst is uit de evaluatie van de kampeerregelgeving gebleken dat het vergunningstelsel niet noodzakelijk was voor het kampeerbeleid. De bestemmingsplannen met voorschriften bieden in principe voldoende mogelijkheden om een gedifferentieerd kampeerbeleid te voeren. In het kader van deregulering is, volgens het ministerie van LNV, het vergunningstelsel dus niet langer wenselijk. Daarbij is gebleken dat de onderdelen van de WOR in het algemeen belang van gezondheid, hygiëne en veiligheid ofwel zijn geregeld in andere wetten of kunnen worden geregeld door zelfregulering. Er komt dan ook geen nieuwe wet voor in de plaats.

Vergunningen, vrijstellingen en ontheffingen, verleend op grond van de WOR, vervallen in beginsel van rechtswege op 1 januari 2008.

Gemeenten krijgen tot 1 januari 2008 de gelegenheid om hun eigen kampeerbeleid te ontwikkelen en te implementeren. Hierbij zal er rekening gehouden met andere belangen en gebruiksmogelijkheden in het landelijke gebied en met de kaders voor bescherming van natuur en landschap. Dit kan deels in bestemmingsplannen worden vastgelegd en deels in de Algemene Plaatselijke Verordening.

Ook de Regeling natuurkampeerterreinen is gekoppeld aan de WOR. De regeling regelt de aanvullende voorschriften over aard en grootte van zg. natuurkampeerterreinen. Ook deze regeling komt na intrekking van de WOR te vervallen. Vanaf 1 januari 2008 worden natuurkampeerterreinen, verenigingskampeerterreinen en het groepskamperen buiten kampeerterreinen niet meer bij wet genoemd. Gemeenten zijn vrij om al of niet voorschriften over de aard en grootte van natuurkampeerterreinen, verenigingskampeerterreinen en het groepskamperen buiten terreinen te hanteren. De gehele wettekst van de WOR is in bijlage 1 opgenomen.

2. Randvoorwaarden

In dit hoofdstuk worden de randvoorwaarden, neergelegd door de landelijke, provinciale en regionale, wet- en regelgeving, beschreven.

2.1 Wet op de Ruimtelijke Ordening

De Wet op de Ruimtelijke Ordening regelt de ruimtelijke planning in Nederland. Op provinciaal niveau is dit vertaald in streekplannen. Voor de provincie Utrecht geldt het Streekplan 2005-2015. Het streekplan is doorvertaald in bestemmingsplannen. De meeste vormen van verblijfsrecreatie zijn hierin ruimtelijk vastgelegd. De ontwikkeling van nieuwe mogelijkheden zijn dan ook afhankelijk van huidige bestemmingsplannen of van bestemmingsplanwijzigingen. Slechts enkele vormen van verblijfsrecreatie zijn momenteel niet afhankelijk van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Dit zijn natuurkampeerterreinen, groepskamperen buiten kampeerterreinen en vrij kamperen buiten kampeerterreinen en kamperen bij de boer. Voor het grondgebeid van de gemeente De Ronde Venen, voor zover bevoegdheden van burgemeester en wethouders op grond van de Wet op de Openluchtrecreatie overgedragen aan het dagelijks bestuur van het recreatieschap. Het dagelijks bestuur van het recreatieschap verleent exploitatievergunningen voor de echte kampeerterreinen en ontheffingen voor natuurkamperen, groepskamperen en het terrein Eilinzon in Vinkeveen. Het recreatieschap verleent jaarlijks ca. 900 kampeervergunningen/ontheffingen.

3. Typen van kamperen

Voor kampeervormen zijn de volgende mogelijkheden te onderscheiden. Er zijn geen landelijk vastgestelde definities voor dit onderwerp. De gebruikte definities zijn deels uit de WOR, deels uit andere nota’s afkomstig:

  • 1.

    Kamperen op reguliere kampeerterreinen;

  • 2.

    Kamperen op kleinschalige kampeerterreinen;

  • 3.

    Kamperen buiten (bestemde) terreinen (vrij kamperen);

  • 4.

    Kamperen op natuurkampeerterreinen;

  • 5.

    Kampeerterrein Eilinzon te Vinkeveen

3.1 Kamperen op reguliere kampeerterreinen

Reguliere kampeerterreinen hebben een jaarrond openstelling. Het dagelijks bestuur van het Recreatieschap verleent jaarlijks exploitatievergunningen ingevolge de WOR aan de campings in Vinkeveen. Afschaffing van de WOR heeft voor de reguliere kampeerterreinen geen gevolgen omdat deze in bestemmingsplannen zijn opgenomen. Binnen bouw- en inrichtingsregels van het bestemmingsplan kunnen deze terreinen feitelijk vrij worden ingericht.

3.2 Kamperen op kleinschalige kampeerterreinen

Op grond van de WOR worden door het Recreatieschap De Vinkeveense Plassen jaarlijks ontheffingen verleend voor kleinschalig kamperen. Deze terreinen zijn opgenomen in het bestemmingsplan “Buitengebied De Ronde Venen”, “Lintbebouwing Vinkeveen” en “Winkelpolder”. Afschaffing van de WOR heeft voor dergelijke kampeerterreinen geen gevolgen omdat deze in het bestemmingsplan zijn opgenomen. In het bestemmingsplan “Buitengebied” is met inrichtingseisen geregeld welke terreinoppervlakte per caravan nodig is, voordat er een caravan geplaatst mag worden. Op 27 juni 2006 heeft het college besloten om deze inrichtingseisen op alle caravanparken in de gemeente toe te passen.

Daarnaast wordt er binnen de gemeente De Ronde Venen gekampeerd op kleinschalige kampeerterreinen bij de boer. Er worden geen kleinschalige kampeerterreinen toegestaan bij burgerwoningen of als solitaire activiteit. Deze vorm van kamperen is bedoeld als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf. Verdere verstening van het platteland is niet gewenst. Bij burgerwoningen zal automatisch een gebouw voor voorzieningen geplaatst moeten worden, dat is niet zo bij kamperen bij de boer.

Het kamperen bij de boer is geregeld in het bestemmingsplan “Buitengebied De Ronde Venen”. Daarin worden 15 kampeerplaatsen bij een agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt. Bij de eerste herziening van het plan kan dit worden verhoogd naar 25 plaatsen. Diverse brancheorganisaties geven dit advies.

Bij de inrichting van kleinschalige kampeerterreinen worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Het kleinschalig kamperen wordt landschappelijk ingepast: het kampeerterrein is voorzien van een zodanige (gebiedseigen) beplanting dat het een passend element vormt in de omgeving en dat aan een doelmatige inrichting wordt bijgedragen.

  • “Vrije veld”-situaties worden uitgesloten en het kleinschalig kamperen vindt in ruimtelijke samenhang met de gebouwen plaats.

  • Toilet- en wasvoorzieningen dienen in principe in bestaande gebouwen te worden gerealiseerd.

  • Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden.

  • Parkeerplaatsen dienen landschappelijk te worden ingepast.

  • Op kleinschalige kampeerterreinen worden alleen kampeermiddelen toegestaan die gericht zijn op toeristisch kamperen. Stacaravans worden expliciet uitgesloten.

Het kampeerseizoen voor kleinschalig kamperen loopt van 15 maart tot en met 31 oktober. Voor de periode van 1 november tot en met 14 maart geldt dan de verplichting dat alle kamkampeermiddelen met toebehoren moeten worden verwijderd uit het landschap. In de gebruiksbepaling van het bestemmingsplan “Buitengebeid” (artikel 20 lid 2) is aangegeven dat kamperen bij de boer niet als strijdig met de bestemming wordt aangemerkt.

3.3 Kamperen buiten (bestemde) terreinen (vrij kamperen)

Het is niet gewenst om buiten een kampeerterrein te overnachten. Dit is in de APV vast te leggen. Dit kan namelijk niet in alleen het bestemmingsplan geregeld worden. Onder buiten kampeerterreinen kamperen worden de volgende drie onderdelen onderscheiden:

  • 1.

    Kamperen in het kader van het bijwonen van een evenement. Hierbij moet gedacht worden aan organisaties met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard die een eigen kampeerterrein gebruiken voor eigen doeleinden.

  • 2.

    Kamperen door groepen in besloten kring. Groepen, organisaties of verenigingen die gedurende een korte aaneengesloten periode kamperen buiten een regulier, kleinschalig of natuurkampeerterrein. Het gaat bijvoorbeeld om popconcerten of sportevenementen. Het kamperen kan beschouwd worden als een onderdeel van het evenement.

  • 3.

    Kamperen in individueel verband, waarbij de eigenaar van een terrein kampeermiddelen voor eigen gebruik heeft staan.

In de APV zal het volgende artikel opgenomen moeten worden:

Begripsomschrijving:

Onder kampeermiddel wordt verstaan: tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig andere onderkomen of enig ander voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is; een en andere voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein

  • 1.

    Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd.

  • 2.

    Dit verbod geldt niet voor kleinschalige terreinen in de jaarlijkse periode van 15 maart tot en met 31 oktober, waarvan in het bestemmingsplan is bepaald dat het gebruik voor kamperen niet strijdig is met de geldende bestemming.

  • 3.

    Dit verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik voor korte perioden voor de rechthebbende op een terrein.

  • 4.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  • 5.

    Het college kan ontheffing weigeren in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;

    • d.

      de zedelijkheid of gezondheid;

    • e.

      de bescherming van natuur en landschap.

Aanwijzing kampeerplaatsen

  • 1.

    Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod in artikel …, eerst lid, niet geldt.

  • 2.

    Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;

    • d.

      de zedelijkheid of gezondheid;

    • e.

      de bescherming van natuur en landschap.

3.4 Kamperen op natuurkampeerterreinen

In 1997 is vastgesteld dat het, gelet op de bescherming van de natuur en het landschap van de Vinkeveense plassen, wenselijk is om het kamperen rond de plassen goed te reguleren. Als uitgangspunt is toen gekozen om de toen bestaande situatie te bevriezen Er wordt niet actief gestreefd naar terugdringen van kamperen op de plassen.

Er is geen reden om een andere koers te gaan varen. De huidige kampeervormen op de Vinkeveense plassen bestaan al lang en leveren geen grote problemen op. Uitbreiding is nog steeds niet wenselijk gelet op de kwetsbaarheid van de omgeving. Op dit moment wordt deze kampeervorm primair gereguleerd via de WOR ontheffingen. Het bestemmingsplan ondersteunt dit slechts door deze kampeervormen op specifiek aangeduide plekken niet strijdig te verklaren. Zie plankaart 3 van het “Bestemmingsplan Buitengebied”. In de ontheffingen wordt het kamperen beperkt tot het zomerseizoen en wordt het aantal kampeerplaatsen beperkt.

3.5 Kampeerterrein Eilinzon te Vinkeveen

Het caravanpark Eilinzon aan de Vinkeveense plassen was vroeger in handen van één eigenaar. In de jaren ’80 werd het park opgesplitst in verschillende kavels, die met de daarop geplaatste caravans werden verkocht aan particulieren. Van de ca honderd caravans die het park telt, wordt vermoedelijk de helft permanent bewoond. Voor het kampeerterrein Eilnzon zijn de bevoegdheden van burgemeester en wethouders op grond van de Wet op de Openluchtrecreatie overgedragen aan het dagelijks bestuur van het recreatieschap. Met ingang van 1 januari 2008 zal het recreatieschap geen kampeerontheffingen verlenen. In het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Buitengebied” is het terrein aangemerkt als “Caravanpark” (VR2). In dit bestemmingsplan is met inrichtingseisen geregeld welke terreinoppervlakte per caravan nodig is, voordat er een caravan geplaatst mag worden.

4. Actie

  • ·

    Het “Besluit beleidsregels inzake het kamperen” van 29 oktober 1997 intrekken;

  • ·

    Verordening (Eilinzon) op de openluchtrecreatie van 27 oktober 1998 met ingang van 1 januari 2008 intrekken;

  • ·

    Het delegatiebesluit overeenkomstig artikel 4 van de “Verordening op de openluchtrecreatie” van 22 december 1998 intrekken;

  • ·

    APV aanpassen zie 4.3;

  • ·

    Het bestemmingsplan “Buitengebied” als volgt aanpassen:

De gebruiksbepaling van het bestemmingsplan wordt aangepast:

  • 1.

    Er wordt niet meer verwezen naar de Wet op de Openluchtrecreatie.

  • 2.

    Het “kamperen bij de boer” wordt gekoppeld aan de feitelijke aanwezigheid van een reëel agrarisch bedrijf.

  • 3.

    Het “kamperen bij de boer” wordt mogelijk voor maximaal 25 kampeermiddelen.

  • 4.

    Het “kamperen bij de boer” wordt beperkt tot het zomerseizoen.

  • 5.

    Het kleinschalig, groeps- en natuurkamperen wordt toegelaten binnen de daarvoor op plankaart 3 aangewezen zones (zonder beperkingen op aantallen kampeermiddelen; dit verschilt nu per terrein).

  • 6.

    Het kleinschalig, groeps- en natuurkamperen wordt beperkt tot het zomerseizoen, gelet op de kwetsbaarheid van natuur en landschap. Gelet op het feit dat geen onbeheersbare situatie ontstaat wanneer de bovenstaande aanpassingen niet worden doorgevoerd, worden deze aanpassingen meegenomen in de integrale herziening van het bestemmingsplan.

BIJLAGE 1 Wettekst Wet op de openluchtrecreatie

Wet van 25 maart 1994, houdende regels ten behoeve van de openluchtrecreatie

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, mede ter uitvoering van artikel 22, derde lid, van de Grondwet, regels te stellen ten behoeve van de openluchtrecreatie, alsmede, in het kader van het regeringsstreven naar vermindering en vereenvoudiging van overheidsregelingen, de wettelijke regelen inzake het kamperen te herzien;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1
  • 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

  • b. kampeerterrein: terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf;

  • c. kampeermiddel: tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

  • d. kampeerovereenkomst: overeenkomst tussen de houder van een kampeerterrein en degene die een kampeermiddel plaatst of geplaatst houdt betreffende het plaatsen of geplaatst houden daarvan.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden niet als kampeermiddelen beschouwd vaartuigen, woonwagens in de zin van de Woningwet, tenten in gebruik voor het houden van bijeenkomsten, tentoonstellingen of voorstellingen, en voertuigen in gebruik als direktiekeet.

  • 3. Ingeval een caravan is aan te merken als een bouwwerk en het plaatsen geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze wet is voor het plaatsen geen bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet vereist.

Hoofdstuk II.

Artikel 2 [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 3 [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 4 [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 5 [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 6 [Vervallen per 21-02-1997]

Artikel 7 [Vervallen per 21-02-1997]

Hoofdstuk III. Bepalingen betreffende het kamperen

Titel I. Bepalingen betreffende kampeerterreinen

§ 1.

Algemeen

Artikel 8
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

  • 2. Van het verbod, bedoeld in het eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling of ontheffing verlenen voor:

    • a.

      het houden van de kampeerterrein voor ten hoogste tien kampeermiddelen;

    • b.

      het houden van een kampeerterrein door een organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard ten behoeve van eigen doeleinden of

    • c.

      het houden van een natuurkampeerterrein dat voldoet aan door Onze Minister gestelde regelen.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kunnen burgemeester en wethouders voor ten hoogste de periode van 15 maart tot en met 31 oktober in elk kalenderjaar, het aantal toe te laten kampeermiddelen verhogen tot ten hoogste vijftien.

  • 4. De regelen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, hebben in ieder geval betrekking op het soort en het aantal toe te laten kampeermiddelen, de periode gedurende welke deze kampeermiddelen op het terrein aanwezig mogen zijn, alsmede op de inrichting en het gebruik van het kampeerterrein.

§ 2.

Vergunning, vrijstelling of ontheffing

Artikel 9
  • 1.

    Een aanvraag tot een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, dient vergezeld te gaan van een reglement.

  • 2.

    Een reglement bevat voorwaarden met betrekking tot het gebruik van het kampeerterrein en het verblijf daarop. Hiertoe behoren in elk geval:

  • a.

    bepalingen die een inzicht geven in de opbouw van het tarief;

  • b.

    bepalingen over de wijze van bekendmaking van de geldende prijzen;

  • c.

    de vergoeding onderscheidenlijk de berekeningswijze van de vergoeding die de houder van de vergunning berekent onderscheidenlijk hanteert bij de in artikel 21, eerste lid, bedoelde bemiddeling;

  • d.

    de regelen, die de houder van de vergunning in acht neemt bij het aangaan van kampeerovereenkomsten en die in elk geval betrekking hebben op:

1°. de duur van de overeenkomst;

2°. de wijze, de termijn en de gronden van opzegging;

3°. de gevallen waarin degene die het kampeermiddel plaatst aanspraak op verlenging van de overeenkomst kan maken en

4°. de verplichtingen die voor degene die het kampeermiddel plaatst geldelijke gevolgen met zich meebrengen;

  • e.

    de kampeerregels en

  • f.

    bepalingen over de wijze van bekendmaking van het reglement.

  • 3.

    Wijzigingen in een reglement worden toegezonden aan burgemeester en wethouders.

Artikel 10
  • 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, kan slechts worden verleend indien:

  • a. is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens deze wet en

  • b. de aanvraag betrekking heeft op een terrein dat bij bestemmingsplan uitsluitend of mede als kampeerterrein is aangewezen.

  • 2. Een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, kan slechts worden verleend:

    • a.

      indien is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens deze wet en

    • b.

      voor zover het bestemmingsplan zich er niet tegen verzet.

Artikel 11
  • 1. Burgemeester en wethouders verbinden aan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, of aan een vrijstelling of een ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, voorschriften over de soort en het aantal van de op het kampeerterrein toe te laten kampeermiddelen. Burgemeester en wethouders kunnen deze voorschriften wijzigen of intrekken.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de orde, de rust, de veiligheid, de natuur- en landschapsbescherming, de bescherming van het milieu, de hygiëne en de gezondheid, alsmede overige onderwerpen betreffende het kamperen aan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, of aan een vrijstelling of een ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, beperkingen of voorschriften verbinden, dan wel deze beperkingen of voorschriften wijzigen of intrekken.

Artikel 12

Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, of een ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, intrekken indien:

  • a.

    de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken dat, waren de juiste gegevens verstrekt, een andere beslissing zou zijn genomen of

  • b.

    blijkt dat de beperkingen of de voorschriften gesteld krachtens artikel 11 niet of niet behoorlijk worden nageleefd.

§ 3.

Bepalingen betreffende het groepskamperen

Artikel 13
  • 1. Onverminderd het bepaalde krachtens artikel 14 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in artikel 8, eerste lid, voor het gelegenheid geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen buiten de in artikel 8, eerste of tweede lid, bedoelde kampeerterreinen, door groepen uitgaande van een vereniging of andere organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard, gedurende een in de ontheffing aangegeven korte, aaneengesloten periode.

  • 2. Het bepaalde in de artikelen 11 en 12 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14

Gedeputeerde staten kunnen in het belang van de natuur- en landschapsbescherming een of meer gebieden aanwijzen waarvoor geen ontheffing als bedoeld in artikel 13 kan worden verleend gedurende een daarbij te bepalen periode of waarvoor een aantal kampeermiddelen ten aanzien waarvan een ontheffing als bedoeld in artikel 13 kan worden verleend op een daarbij te bepalen maximum aantal wordt gesteld gedurende een daarbij te bepalen periode.

Titel II. Bepalingen betreffende het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen

Artikel 15
  • 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten kampeerterreinen waarvoor een vergunning, vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 8, eerste onderscheidenlijk tweede lid, of een ontheffing als bedoeld in artikel 13 is verleend, behoudens voor zover bij verordening door de gemeenteraad afwijking van dit verbod is toegestaan voor het plaatsen of geplaatst houden van ten hoogste vijf kampeermiddelen gedurende korte perioden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan bij verordening het plaatsen van één kampeermiddel voor eigen gebruik door de eigenaar van een terrein voor langere perioden dan bedoeld in het eerste lid, worden toegestaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat het is toegestaan tijdelijk bij dat kampeermiddel ten hoogste twee andere kampeermiddelen voor eigen gebruik te plaatsen.

  • 3. Bij verordening als bedoeld in het eerste lid, kan niet worden toegestaan het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf op terreinen aansluitend aan of behorende bij kampeerterreinen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 16

Gedeputeerde staten kunnen in het belang van de natuur- en landschapsbescherming een of meer gebieden aanwijzen waarvoor het verbod van artikel 15 onverkort geldt of waarvoor het aantal kampeermiddelen, bedoeld in dat artikel, op een daarbij te bepalen lager aantal wordt gesteld gedurende een daarbij te bepalen periode.

Hoofdstuk IV. Bepalingen inzake de hygiëne, de gezondheid en veiligheid

Artikel 17 [Vervallen per 01-11-2005]

Hoofdstuk V. Bijzondere maatregelen ten aanzien van kampeerterreinen en jachthavens

Artikel 18 [Vervallen per 01-11-2005]

Artikel 19 [Vervallen per 01-11-2005]

Artikel 20 [Vervallen per 01-11-2005]

Hoofdstuk VI. Bepalingen betreffende de kampeerovereenkomsten en tarieven

Artikel 21
  • 1. Elke overeenkomst ter zake van een bemiddeling bij koop of verkoop van een kampeermiddel tussen de houder van een kampeerterrein of een door hem aangewezen derde en de koper of verkoper van een kampeermiddel moet schriftelijk worden aangegaan en betreft in ieder geval:

    • a.

      de aard en de omvang van de bemiddeling.

    • b.

      het tijdvak waarover de bemiddeling zich uitstrekt en

    • c.

      de vergoeding welke in rekening wordt gebracht voor de bemiddeling dan wel de wijze waarop deze vergoeding wordt berekend.

  • 2. De houder van een kampeerterrein of een door hem aangewezen derde mag ter zake van een bemiddeling bij koop of verkoop van een kampeermiddel slechts aan hetzij de koper hetzij de verkoper een vergoeding als bedoeld in het eerste lid, in rekening brengen.

  • 3. Leidt de bemiddeling niet tot koop of verkoop van een kampeermiddel dan kunnen de ter zake van de bemiddeling werkelijk gemaakte kosten in rekening worden gebracht, indien dat tevoren schriftelijk is overeengekomen.

  • 4. Elke overeenkomst of elk beding in strijd met het bepaalde in de voorafgaande leden is nietig.

  • 5. De houder van een kampeerterrein dient degene die met hem een kampeerovereenkomst voor onbepaalde tijd of voor een tijdvak van ten minste zeven maanden wenst aan te gaan, bij het sluiten van die overeenkomst in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de voorwaarden die hij hanteert bij een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 22
  • 1. Elk in verband met het tot stand komen van een kampeerovereenkomst gemaakt beding waarbij ten behoeve van een der partijen dan wel door of tegenover een derde enig niet redelijk voordeel wordt overeengekomen, is nietig.

  • 2. Is het voordeel slechts voor een deel onredelijk, dan blijft het beding voor het overige in stand, voor zover dit, gelet op de inhoud en strekking van het beding, niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat.

Artikel 23

Voor zover een kampeerovereenkomst afwijkt van het reglement als bedoeld in artikel 9, ten nadele van degene die het kampeermiddel plaatst of geplaatst houdt, kan deze laatste zich rechtstreeks beroepen op het reglement.

Hoofdstuk VII. Bepalingen betreffende het vestigen van volkstuincomplexen

Artikel 24 [Vervallen per 01-11-2005]

Artikel 25 [Vervallen per 01-11-2005]

Artikel 26 [Vervallen per 01-11-2005]

Hoofdstuk VIII. Bepalingen betreffende de planning van de openluchtrecreatie en betreffende de rijksbijdragen ten behoeve van de openluchtrecreatie

Artikel 27 [Vervallen per 01-11-2005]

Artikel 28 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 29 [Vervallen per 01-01-1998]

Artikel 30 [Vervallen per 01-01-1998]

Hoofdstuk IX. Schadevergoeding

Artikel 31
  • 1. Burgemeester en wethouders kennen een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe aan en op verzoek van:

    • a.

      de houder van een kampeerterrein, indien deze schade lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit tot wijziging of intrekking van een vrijstelling, vergunning of ontheffing of de aan een vrijstelling, vergunning of ontheffing verbonden voorschriften;

    • b.

      de aanvrager van een vergunning of ontheffing indien deze schade lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit tot weigering van de vergunning of ontheffing of de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften.

  • 2. Een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verleend, indien de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste behoort te blijven van degene die de schade lijdt of zal lijden en de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

Hoofdstuk X. Overige bepalingen

Artikel 32 [Vervallen per 01-11-2005]

Hoofdstuk XI. Toezicht en opsporing

Artikel 33

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders daartoe aangewezen ambtenaren. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen terzake van de uitoefening van dit toezicht regelen worden gesteld.

Artikel 34
  • 1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

  • 2. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn tevens belast:

    • a.

      de in artikel 33, bedoelde ambtenaren, voor zover deze zijn aangewezen bij besluit van Onze Minister van Justitie en

    • b.

      de ambtenaren, aangewezen bij besluit van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.

  • 3. Van een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 35

De in de artikelen 33 en 34 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 36
  • 1. De artikelen 5:13 en 5:15 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in artikel 34 bedoelde ambtenaren.

  • 2. De in de artikelen 33 en 34 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het onderzoeken van stoffen die een bedreiging kunnen vormen voor de hygiëne, gezondheid en veiligheid van een kampeerterrein en het verrichten van opmetingen.

Artikel 37

Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het betreft de verplichting tot het verlenen van medewerking aan een krachtens artikel 33 of 34 aangewezen ambtenaar.

Hoofdstuk XII. Dwang- en strafbepalingen

Artikel 38
  • 1. Gedragingen in strijd met het verbod, gesteld in de artikelen 8, met voorschriften of beperkingen verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aan een vrijstelling of een ontheffing als bedoeld in artikel 8, tweede lid, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of met een geldboete van de tweede categorie.

  • 2. Gedragingen in strijd met het verbod, gesteld bij artikel 15 of met voorschriften of beperkingen verbonden aan een ontheffing als bedoeld in artikel 13 worden gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of een geldboete van de eerste categorie.

  • 3. De strafbare feiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn overtredingen.

Hoofdstuk XIII. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 39 [Vervallen per 01-11-2005]

Artikel 40 [Vervallen per 01-11-2005]

Artikel 41 [Vervallen per 01-11-2005]

Artikel 42 [Vervallen per 01-11-2005]

Artikel 43 [Vervallen per 01-11-2005]

Artikel 44 [Vervallen per 01-01-2008]

Artikel 45

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de openluchtrecreatie.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 25 maart 1994

Beatrix

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

P.Bukman

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Y. C. M. T. van Rooy

Uitgegeven de achtentwintigste april 1994

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Bijlage Notitie Juridische gevolgen intrekken Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) voor de gemeente De Ronde Venen

In de APV worden de volgende artikelen opgenomen:

Kamperen buiten (bestemde) terreinen (vrij kamperen);

Recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein

    • 1.

      Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd.

    • 2.

      Dit verbod geldt niet voor kleinschalige terreinen in de jaarlijkse periode van 15 maart tot en met 31 oktober, waarvan in het bestemmingsplan is bepaald dat het gebruik voor kamperen niet strijdig is met de geldende bestemming.

    • 3.

      Dit verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik voor korte perioden voor de rechthebbende op een terrein.

    • 4.

      Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

    • 5.

      Het college kan ontheffing weigeren in het belang van:

  • a.

    de openbare orde;

  • b.

    het voorkomen of beperken van overlast;

  • c.

    de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;

  • d.

    de zedelijkheid of gezondheid;

  • e.

    de bescherming van natuur en landschap.

Aanwijzing kampeerplaatsen

    • 1.

      Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod in artikel…, eerst lid, niet geldt.

    • 2.

      Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van:

  • a.

    de openbare orde;

  • b.

    het voorkomen of beperken van overlast;

  • c.

    de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;

  • d.

    de zedelijkheid of gezondheid;

  • e.

    de bescherming van natuur en landschap.

Bij de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied” worden de volgende gebruiksbepalingen aangepast:

  • 1.

    Er wordt niet meer verwezen naar de Wet op de Openluchtrecreatie.

  • 2.

    Het “kamperen bij de boer” wordt gekoppeld aan de feitelijke aanwezigheid van een reëel agrarisch bedrijf.

  • 3.

    Het “kamperen bij de boer” wordt mogelijk voor maximaal 25 kampeermiddelen.

  • 4.

    Het “kamperen bij de boer” wordt beperkt tot het zomerseizoen.

  • 5.

    Het kleinschalig, groeps- en natuurkamperen wordt toegelaten binnen de daarvoor op plankaart 3 aangewezen zones (zonder beperkingen op aantallen kampeermiddelen; dit verschilt nu per terrein).

  • 6.

    Het kleinschalig, groeps- en natuurkamperen wordt beperkt tot het zomerseizoen, gelet op de kwetsbaarheid van natuur en landschap.

Gelet op het feit dat geen onbeheersbare situatie ontstaat wanneer de bovenstaande aanpassingen niet worden doorgevoerd, worden deze aanpassingen meegenomen in de integrale herziening van het bestemmingsplan.