Beleids- en Algemene regel voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van beregening en/of bevloeiing

Geldend van 10-07-2013 t/m heden

Intitulé

Algemene regel voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van beregening en/of bevloeiing

Artikel 1

Het is verboden grondwater te onttrekken ten behoeve van beregening en/of bevloeiing binnen de op de bij deze algemene regel behorende kaart aangegeven gebieden.

Artikel 2: Overgangsbepaling

Deze algemene regel is niet van toepassing op grondwateronttrekkingen die vóór de inwerkingtreding van deze algemene regel rechtmatig tot stand zijn gekomen.

Toelichting

Kader

In artikel 3.6, eerste lid onder a van de Keur waterschap Rijn en IJssel (Keur) is opgenomen dat het verboden is zonder vergunning van het bestuur grondwater te onttrekken. In artikel 4, eerste lid c van de algemene regels behorend bij de keur is opgenomen dat geen vergunning is vereist voor onttrekkingen ten behoeve van beregening, bevloeiing en veedrenking, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater niet meer bedraagt dan 60 m3 per uur en niet meer bedraagt dan 25.000 m3 per aaneengesloten periode van negentig dagen

In artikel 3.13 van de Keur is opgenomen dat het dagelijks bestuur voor het verrichten van handelingen als bedoeld in o.a. artikel 3.6 algemene regels kan geven, welke mede kunnen inhouden een vrijstelling van de vergunningplicht, dan wel een algeheel verbod voor het verrichten van die handelingen.

Motivering

Artikel 1.

Beregening uit grondwater is in beginsel toegestaan (binnen het vigerende meldings- en vergunningenbeleid uit de Keur), tenzij sprake is van gebieden die een aanvullende bescherming vergen. Sommige gebieden zijn dusdanig afhankelijk van een goede vochtvoorziening, dat een grondwateronttrekking of het cumulatieve effect van meerdere grondwateronttrekkingen direct negatieve invloed heeft op de kwaliteit van deze (ecologische) functies. Het behoud en ontwikkeling van deze gebieden vergt een specifieke bescherming, in de vorm van een jaarrond verbod op grondwateronttrekking binnen deze gebieden en een zone hierom heen. Welke gebieden zo’n aanvullende bescherming nodig hebben, is gebaseerd op de provinciale natuurdoeltypenkaarten.

Uit het onderzoek volgt dat het effect van onttrekking voor beregening uit grondwater tot een afstand van 200 meter merkbaar is. Deze afstand van maximaal 200 meter is de uitkomst van berekeningen waarbij rekening gehouden is met cumulatieve effecten van meerdere onttrekkingen op korte afstand, de diversiteit in bodemopbouw in de beheersgebieden van de Rijn-Oost waterschappen en met een periode van extremere droogte. Uit het onderzoek is gebleken dat vooral ook de cumulatie van effecten van onttrekkingen op korte afstand van elkaar zorgt voor significante effecten op grondwaterafhankelijke natuurgebieden. Een vergunningstelsel waarin een individuele onttrekking op zijn effecten beoordeeld wordt, volstaat daarmee niet om deze gebieden afdoende te beschermen. 

Artikel 2. Overgangsbepaling

De overgangsbepaling beoogt grondwateronttrekkingen ten behoeve van beregening of bevloeiing die voor de inwerkingtreding van deze algemene regel tot stand gekomen zijn buiten de werkingssfeer van de algemene regel te houden.

Beleidsregel voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam ten behoeve van beregening en/of bevloeiing

Artikel 1

  • 1.

    Het is verboden water te onttrekken ten behoeve van beregening en/of bevloeiing uit een oppervlaktewaterlichaam welke is weergegeven op de bij deze beleidsregel behorende kaart.

  • 2.

    Het is verboden water te onttrekken ten behoeve van beregening en/of bevloeiing uit een oppervlaktewaterlichaam als het eerst benedenstrooms gelegen peilregulerend kunstwerk niet meer afvoert.

Artikel 2: Overgangsbepaling

  • 1.

    Het bepaalde in artikel 1, eerste lid, is niet van toepassing op onttrekkingen die vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregel rechtmatig tot stand zijn gekomen.

Toelichting

Kader

In artikel 3.5 van de Keur waterschap Rijn en IJssel is opgenomen dat het verboden is zonder vergunning van het bestuur water te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam indien de te onttrekken hoeveelheid water meer kan bedragen dan 1 m3 per uur.

De beleidsregel vormt het kader voor een beslissing omtrent de toelaatbaarheid die nodig is voor het verkrijgen van een vergunning op grond van de Waterwet.

Motivering

Beregening uit een oppervlaktewaterlichaam is in beginsel toegestaan (binnen het vigerende meldings- en vergunningenbeleid uit de Keur), tenzij sprake is van gebieden die een aanvullende bescherming vergen.

In bepaalde gebieden is het onwenselijk dat water onttrokken wordt uit oppervlaktewater. Hierbij moet gedacht worden aan oppervlaktewaterlichamen met een hoge ecologische doelstelling of oppervlaktewaterlichamen die zeer kwetsbaar worden door onttrekkingen. Daarom wordt het nodig geacht in deze gebieden het onttrekken van oppervlaktewater te allen tijde te verbieden. In de kaart behorende bij deze beleidsregel worden de betreffende oppervlaktewaterlichamen weergegeven.

Het tweede lid is opgenomen ter bescherming van het betreffende pand van het oppervlaktewaterlichaam waaruit wordt onttrokken. Met een pand wordt bedoeld het stuk oppervlaktewaterlichaam tussen 2 opeenvolgende peilregulerende kunstwerken, waarbij een vistrap ook als peilregulerend kunstwerk wordt beschouwd. Wanneer de afvoer over het eerst benedenstrooms gelegen peilregulerende kunstwerk of onderleider stagneert, ontstaat het risico dat het betreffende pand droog komt te staan door onttrekking uit het oppervlaktewaterlichaam. Dit is niet wenselijk voor het watersysteem en niet voor de ecologische toestand van het systeem. Dit verbod geldt voor alle oppervlaktewaterlichamen die niet op de kaart zijn aangegeven als bedoeld in het eerste lid.

In gebieden met watervoorziening gelden onverkort de bepalingen die voortvloeien uit de desbetreffende waterakkoorden.

Artikel 2. Overgangsbepaling

De overgangsbepaling beoogt onttrekkingen ten behoeve van beregening of bevloeiing die voor de inwerkingtreding van deze beleidsregel rechtmatig tot stand gekomen zijn buiten de werkingssfeer van het eerste lid van artikel 1 van de beleidsregel te houden.