Gemeenschappelijke Regeling werkorganisatie van de gemeenten Cuijk, Grave en Mill en Sint Hubert

Geldend van 08-10-2013 t/m 01-01-2016

Intitulé

Gemeenschappelijke Regeling werkorganisatie van de gemeenten Cuijk, Grave en Millen Sint Hubert

De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeenten Cuijk, Grave en Mill en Sint Hubert,

ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft,

overwegende dat het in het belang van het bieden van een hoge kwaliteit van dienstverlening aan de burgers van de deelnemende gemeenten, het verminderen van de kwetsbaarheden van de ambtelijke organisaties en het reduceren van kosten door meer effectief en efficiënt werken mogelijk te maken, noodzakelijk is de krachten van de drie ambtelijke organisaties te bundelen;

gelet op:

  • ·

    de toestemmingsbesluiten van de gemeenteraden van Cuijk, Grave en Mill en Sint Hubert respectievelijk d.d. 10 juni, 11 juni en 20 juni.

  • ·

    de toepasselijke bepalingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Archiefwet.

besluiten:

de Gemeenschappelijke Regeling tot vorming van een openbaar lichaam genaamd Werkorganisatie gemeenten Cuijk, Grave, Mill en Sint Hubert hierna te noemen "Werkorganisatie CGM" aan te gaan.

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    de regeling: deze gemeenschappelijke regeling.

  • b.

    het openbaar lichaam: het rechtspersoonlijkheid bezittende openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van deze regeling.

  • c.

    deelnemers: de aan deze regeling deelnemende gemeenten Cuijk, Grave, Mill en Sint Hubert.

  • d.

    Gedeputeerde Staten: het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant.

  • e.

    de wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • f.

    opdrachtgever: een deelnemende gemeente, vertegenwoordigd door het college van Burgemeester en Wethouders.

  • g.

    opdrachtnemer: het openbaar lichaam, vertegenwoordigd door de voorzitter van de Werkorganisatie.

  • h.

    bestuur: het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter, ieder voor zo ver zijn bevoegdheden strekt.

  • i.

    directie: de directie van de Werkorganisatie CGM.

  • j.

    dienstverleningsovereenkomst: de overeenkomsten die opdrachtgevers en opdrachtnemer jaarlijks sluiten over de door opdrachtnemer voor een opdrachtgever uit te voeren taken en de voorwaarden waaronder dat zal gebeuren.

  • k.

    taakvelden: het geheel van samenhangende producten en diensten op een beleidsterrein.

  • l.

    programmabegroting: de begroting zoals de gemeenten die opstellen op basis van het "Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten" en de artikel 212 Gemeentewet-verordeningen van die gemeenten.

  • m.

    Werkorganisatie CGM: het rechtspersoonlijkheid bezittende openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van deze regeling.

Artikel 2 Openbaar lichaam
  • 1. Er is een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, genaamd Werkorganisatie CGM.

  • 2. Het openbaar lichaam is gevestigd te Cuijk.

HOOFDSTUK 2 Doelstellingen, taken en bevoegdheden

Artikel 3 Doel
  • 1. Doel van de regeling is het bewerkstelligen van een kwalitatief hoogwaardige- en een doelmatige uitvoering door de Werkorganisatie CGM van de door de deelnemende gemeenten aan de Werkorganisatie CGM op basis van een jaarlijkse dienstverleningsovereenkomst opgedragen taken. In voorkomende gevallen is het mogelijk dat er tussentijds in een separate deelopdracht taken door de deelnemende gemeenten aan de Werkorganisatie CGM worden opgedragen.

  • 2. De Werkorganisatie CGM heeft een missie en een visie. Deze worden opgenomen in het bedrijfsplan.

Artikel 4 Taken Werkorganisatie CGM-gemeenten
  • 1. De deelnemers laten overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van deze regeling door de Werkorganisatie CGM alle taken uitvoeren die op grond van wet- en regelgeving aan de gemeenten zijn c.q. worden toegekend met uitzondering van de taken die op basis van andere (wettelijke) regelingen op andere wijze worden uitgevoerd.

  • 2. Voor zover dit wordt vermeld in de dienstverleningsovereenkomst is het mogelijk dat ook taken die niet op wet- en/of regelgeving zijn gebaseerd worden uitgevoerd.

  • 3. De deelnemende gemeenten zijn gehouden in alle gevallen de diensten en producten, die behoren bij de overeengekomen taken, af te nemen. Een deelnemer mag bepaalde taken of aspecten daarvan pas zelf uitvoeren dan wel aan een andere uitvoerder uitbesteden na unanieme besluitvorming hierover door het Algemeen Bestuur. In dit afstemmingsoverleg zal aangetoond moeten worden waarom de betreffende taken of aspecten daarvan niet of in onvoldoende mate door de Werkorganisatie CGM uitgevoerd kunnen worden. Tevens dient te worden aangegeven of er aan deze eigen uitvoering financiële consequenties zijn verbonden voor de werkorganisatie CGM en op welke wijze en termijn er wordt voorzien in een afbouwregeling ter compensatie van deze kosten.

  • 4. Indien blijkt dat een deelnemer het noodzakelijk vindt dat er minder diensten of producten worden afgenomen, dient de deelnemer een verzoek hiertoe minimaal twee jaar voorafgaand aan het jaar waar de betreffende dienstverleningsovereenkomst betrekking op heeft in bij het Algemeen Bestuur. Bij dit verzoek wordt een voorstel gevoegd waarin de financiële gevolgen worden weergegeven en waarin wordt beschreven op welke wijze er wordt voorzien in een afbouwregeling.

  • 5. Uiterlijk een maand na het verstrijken van ieder kwartaal legt de werkorganisatie CGM aan de deelnemers rekening en verantwoording af over de realisatie van de overeenkomst.

  • 6. De Werkorganisatie CGM voert uitsluitend taken uit voor de deelnemers. Uitvoering voor derden is slechts toegestaan na een besluit van het Algemeen Bestuur. Een bestuursbesluit tot taakuitvoering voor derden behoeft de goedkeuring van de colleges van de deelnemers.

Artikel 5 Algemene bevoegdheidstoedeling

De daartoe bevoegde bestuursorganen van de deelnemers zullen in afzonderlijke mandaatbesluiten bepalen welke bevoegdheden die samenhangen met de taakgebieden zoals vermeld in artikel 3 en 4 van de regeling, opgedragen dienen te worden aan de bestuursorganen van het openbaar lichaam dan wel aan de directie van de Werkorganisatie CGM.

HOOFDSTUK 3 Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter

Artikel 6 Bestuursorganen
  • 1. Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit een Algemeen Bestuur, een Dagelijks Bestuur en een voorzitter.

  • 2. Het Algemeen Bestuur staat aan het hoofd van het openbaar lichaam.

  • 3. Het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur zijn gelijk voor wat betreft de personele samenstelling.

  • 4. De voorzitter is tevens voorzitter van het Algemeen Bestuur en van het Dagelijks Bestuur.

Artikel 7 Algemeen Bestuur
  • 1. Het Algemeen Bestuur bestaat uit één lid per deelnemende gemeente. De colleges en de burgemeesters wijzen, in onderling overleg, uit hun midden de leden en de plaatsvervangende leden per gemeente aan.

  • 2. De leden van het Algemeen Bestuur en hun plaatsvervangers worden aangewezen voor een zittingsduur van in principe vier jaar en treden van rechtswege af op de dag waarop in het kader van een nieuwe zittingperiode van de gemeenteraad een nieuw geïnstalleerd college een besluit neemt tot aanwijzing van een lid en plaatsvervangend lid van het Algemeen Bestuur. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen.

  • 3. Wanneer het lidmaatschap van het college van burgemeester en wethouders eindigt, eindigt ook het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het Algemeen Bestuur.

  • 4. Het Algemeen Bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast. In dit reglement wordt in ieder geval het vergaderquorum geregeld. Ieder lid van het Algemeen Bestuur heeft in de vergadering één stem. Besluiten worden genomen met een meerderheid van stemmen van de aanwezige leden tenzij in deze regeling of in het reglement van orde anders is bepaald.

Artikel 8 Dagelijks Bestuur
  • 1. Het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit de voorzitter en twee andere leden, door en uit het Algemeen Bestuur aan te wijzen.

  • 2. Het Dagelijks Bestuur is voor wat betreft de personele samenstelling gelijk aan het Algemeen Bestuur.

  • 3. Het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het Dagelijks Bestuur eindigt zodra het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur eindigt.

  • 4. Het Dagelijks Bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast. In dit reglement wordt in ieder geval het vergaderquorum geregeld. Ieder lid van het Dagelijks Bestuur heeft in de vergadering één stem. Besluiten worden genomen met een meerderheid van stemmen van de aanwezige leden tenzij in deze regeling of in het reglement van orde anders is bepaald.

Artikel 9 Voorzitter
  • 1. De voorzitter van het openbaar lichaam en zijn plaatsvervanger worden door en uit het Algemeen Bestuur aangewezen.

  • 2. De voorzitter vertegenwoordigt de Werkorganisatie CGM in en buiten rechte. Hij kan deze bevoegdheden aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen.

  • 3. De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van de Werkorganisatie CGM.

  • 4. De stukken die van het Algemeen Bestuur of het Dagelijks Bestuur uitgaan worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

HOOFDSTUK 4 De bevoegdheden van het bestuur

Artikel 10 Bevoegdheden Algemeen Bestuur
  • 1. Alle bevoegdheden, bedoeld in de regeling, berusten bij het Algemeen Bestuur voor zover deze niet bij of krachtens de wet of deze regeling aan het Dagelijks Bestuur of de voorzitter zijn toegekend.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 33 van de wet is het Algemeen Bestuur in ieder geval bevoegd tot:

    • a.

      het vaststellen van de begroting en een jaarrekening;

    • b.

      het vaststellen van een verordening omtrent de ambtelijke organisatie van de Werkorganisatie CGM (Organisatiebesluit);

    • c.

      het vaststellen van instructies en richtlijnen waarmee het Dagelijks Bestuur, de voorzitter en de directie van de Werkorganisatie CGM rekening houden bij de uitoefening van hun bevoegdheden.

Artikel 11 Overdracht van bevoegdheden

Het Algemeen Bestuur kan zijn bevoegdheden aan het Dagelijks Bestuur overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet, met uitzondering van:

  • a.

    de vaststelling of wijziging van de begroting;

  • b.

    de vaststelling van de jaarrekening;

  • c.

    de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet.

Artikel 12 Verantwoordings- en informatieplicht
  • 1. Het Algemeen Bestuur verschaft de raden en colleges alle inlichtingen die door deze organen of één of meer van hun leden worden gevraagd.

  • 2. Een lid van het Algemeen Bestuur verschaft aan het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door dit college of één of meer leden daarvan worden verlangd.

  • 3. Een lid van het Algemeen Bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het Algemeen Bestuur gevoerde beleid.

  • 4. De colleges bepalen op welke wijze de door hen aangewezen leden aan hun plichten in de vorige leden moeten voldoen.

  • 5. Het tweede tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de raden.

Artikel 13 Bevoegdheden Dagelijks Bestuur
  • 1. Het dagelijks bestuur van de Werkorganisatie CGM berust bij het Dagelijks Bestuur voor zover niet bij of krachtens de wet of deze regeling de voorzitter hiermee is belast.

  • 2. Het Dagelijks Bestuur is belast met de voorbereiding van alles waarover in de vergadering van het Algemeen Bestuur zal worden beraadslaagd en besloten.

  • 3. Het Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van de besluiten van het Algemeen Bestuur, tenzij bij of krachtens de wet of deze regeling de voorzitter hiermee is belast.

  • 4. Het Dagelijks Bestuur is bevoegd tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de Werkorganisatie CGM te besluiten.

  • 5. Het Dagelijks Bestuur besluit slechts tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang en niet voordat de raden in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen.

  • 6. Het Dagelijks Bestuur neemt, alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.

  • 7. Het Dagelijks Bestuur is bevoegd, tenzij het Algemeen Bestuur daaromtrent in voorkomende gevallen een beslissing heeft genomen, tot het procederen in eerste aanleg in kort geding en tot voeging in strafzaken als bedoeld in artikel 332 van het Wetboek van Strafvordering.

  • 8. Het Dagelijks Bestuur is bevoegd, indien ingevolge een wettelijk voorschrift aan de Werkorganisatie CGM of het bestuur van de Werkorganisatie CGM hetzij een recht van beroep hetzij een recht bezwaar te maken toekomt, spoedhalve beroep in te stellen of bezwaar in te brengen alsmede, voor zover de voorschriften dat toelaten, schorsing van de aangevochten beslissing of een voorlopige voorziening ter zake te verzoeken.

  • 9. Het ingestelde beroep of het gemaakte bezwaar wordt ingetrokken, indien het Algemeen Bestuur de beslissing van het dagelijks bestuur tot het instellen van beroep of het maken van bezwaar niet in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigt.

Artikel 14 Verantwoordings- en Informatieplicht
  • 1. De leden van het Dagelijks Bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het Algemeen Bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 2. Zij geven het Algemeen Bestuur mondeling of schriftelijk de door één of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 3. Het Dagelijks Bestuur verschaft de gemeenteraden en colleges alle inlichtingen die door deze organen of één of meer van hun leden worden gevraagd.

Artikel 15 Verantwoordings- en Informatieplicht voorzitter
  • 1. De voorzitter is aan het Algemeen Bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.

  • 2. De voorzitter geeft het Algemeen Bestuur mondeling of schriftelijk de door één of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 3. De voorzitter verschaft de gemeenteraden en colleges alle inlichtingen die door deze organen of één of meer van hun leden worden gevraagd.

HOOFDSTUK 5 DE DIRECTIE

Artikel 16 Directie
  • 1. De dagelijkse leiding van de Werkorganisatie CGM berust bij de directie.

  • 2. De directeur fungeert als secretaris van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur.

  • 3. De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden.

  • 4. De directie wordt benoemd en ontslagen door het Algemeen Bestuur. Het Dagelijks Bestuur kan de directie schorsen.

  • 5. Het Dagelijks Bestuur regelt de bezoldiging en de overige rechtspositie van de directie.

  • 6. De taken en bevoegdheden van de directie worden vastgelegd in het organisatiebesluit.

Artikel 17 Personeel
  • 1. Bij de Werkorganisatie CGM is personeel werkzaam.

  • 2. Het Dagelijks Bestuur stelt voor het personeel van de Werkorganisatie CGM de arbeidsvoorwaardenverordening vast conform de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor het gemeentepersoneel (CAR/UWO), dan wel de (gewijzigde) collectieve arbeidsvoorwaardenregeling die daarvoor in de plaats komt.

  • 3. Het Dagelijks Bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden.

  • 4. Het Dagelijks Bestuur heeft de bevoegdheid tot het vaststellen van de overige arbeidsvoorwaarden.

  • 5. Aanstelling, schorsing en ontslag van personeel geschieden door het Dagelijks Bestuur, behoudens het benoemen en ontslaan van de directeur en de concerncontroller.

  • 6. Het Dagelijks Bestuur kan de bevoegdheid tot het aanstellen, schorsing en ontslag van personeel mandateren aan de directeur.

HOOFDSTUK 6 FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 18 Financiële administratie en controle
  • 1.

    • Op het financieel beleid, het financieel beheer, de inrichting van de financiële organisatie en de controle daarop zijn de artikelen 212 en 213 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    • Het Algemeen Bestuur stelt in dat kader de vereiste verordeningen vast, waarbij rekening gehouden wordt met de taakstelling en taakgebieden en de wijze van uitvoering daarvan zoals bepaald in de artikelen 3 en 4 van deze regeling.

Artikel 19 Dienstjaar

Het dienstjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

Artikel 20 Begroting
  • 1.

    • Uiterlijk 1 februari van het jaar, voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting zal gelden, zendt het Dagelijks Bestuur de technische en beleidsmatige uitgangspunten van de (meerjaren)begroting toe aan de gemeenten.

  • 2.

    • Het Dagelijks Bestuur stelt elk jaar vóór 1 mei een ontwerpbegroting en een ontwerp meerjarenbegroting van inkomsten en uitgaven voor het komend dienstjaar op, voorzien van de nodige toelichting en specificaties. De ontwerpbegroting is gebaseerd op de uitkomsten van de dienstverleningsovereenkomsten die de deelnemende gemeenten met de Werkorganisatie CGM afsluiten.

  • 3.

    • De meerjarenbegroting en de ontwerpbegroting worden door de zorg van de deelnemende gemeentebesturen voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de ter inzage legging en de verkrijgbaar stelling van de ontwerpbegroting en de ontwerpmeerjarenbegroting wordt openbaar kennis gegeven.

  • 4.

    • De raden van de gemeenten kunnen binnen acht weken na toezending van de ontwerpbegroting, via het college van Burgemeester en Wethouders, het Dagelijks Bestuur hun zienswijze schriftelijk doen blijken.

  • 5.

    • Het Algemeen Bestuur stelt de begroting vast vóór 1 juli.

  • 6.

    • De begroting wordt binnen twee weken na vaststelling door het Algemeen Bestuur aan de colleges van Burgemeester en Wethouders en de raden toegezonden.

  • 7. Op de wijzigingen van de begroting zijn de voorafgaande bepalingen van dit artikel - met uitzondering van de genoemde data - van overeenkomstige toepassing.

  • 8.

    • De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 9. Op basis van de begroting wordt de deelnemers voor 1 februari van het begrotingsjaar door het Dagelijks Bestuur een factuur toegezonden voor de bijdrage voor het betreffende jaar. Deze bijdrage wordt in 12 termijnen geïncasseerd.

Artikel 21 Jaarrekening
  • 1. Het Dagelijks Bestuur maakt elk jaar de rekening van baten en lasten (inclusief de balans) van het voorgaande jaar op. Het Dagelijks Bestuur zendt de rekening ter controle naar de accountant, met het verzoek zo spoedig mogelijk het controlerapport uit te brengen

  • 2. Het besluit van het Algemeen Bestuur, houdende vaststelling van de rekening, strekt voor zover het daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft, het Dagelijks Bestuur tot décharge, behoudens later in recht gebleken onregelmatigheden.

  • 3. Het Algemeen Bestuur zendt de rekening en het verslag van bevindingen van de accountant aan de colleges van Burgemeester en Wethouders en de raden van de deelnemende gemeenten ter kennisneming.

  • 4. De colleges van Burgemeester en Wethouders en de raden van de gemeenten kunnen binnen tien weken na toezending van de rekening het Dagelijks Bestuur hun zienswijze schriftelijk doen blijken.

  • 5. De wijze van uitvoering en de daaraan verbonden en begrote kosten per deelnemer worden in jaarlijkse dienstverleningsovereenkomsten tussen ieder van de deelnemers en de Werkorganisatie CGM vastgelegd. Na afsluiting van het boekjaar zal op basis van nacalculatie de financiële bijdrage definitief worden vastgesteld.

Artikel 22 Reserves en voorzieningen
  • 1. Reserves en voorzieningen worden gevormd overeenkomstig de door het Algemeen Bestuur uitgevaardigde richtlijnen. Deze richtlijnen zijn opgenomen in de door het Algemeen Bestuur vast te stellen Nota reserves en voorzieningen.

  • 2. De Nota wordt goedgekeurd door de colleges van de deelnemende gemeenten.

Artikel 23 Garantstelling

De gemeenten dragen er zorg voor dat de Werkorganisatie CGM te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen.

HOOFDSTUK 7 ARCHIEF

Artikel 24 Archiefbeheer
  • 1. Het Dagelijks Bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de Werkorganisatie CGM overeenkomstig een door het Algemeen Bestuur vast te stellen regeling.

  • 2. De directie is belast met het beheer van de archiefbescheiden voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats van het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC).

  • 3. De gemeentearchivaris van het Brabants Historisch Informatie Centrum oefent toezicht uit op het onder het tweede lid genoemde beheer.

  • 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde organen is de archiefbewaarplaats van het Brabants Historisch Informatie Centrum aangewezen.

  • 5. Na opheffing van de gemeenschappelijke regeling worden de onder het eerste lid bedoeld archiefbescheiden met inachtneming van artikel 8 van het Archiefbesluit voor zover mogelijk vervreemd aan de taakopvolger. De overbrenging van de archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat naar de archiefbewaarplaats van het Brabants Historisch Informatie Centrum geschiedt als had geen opheffing plaatsgevonden. Als er geen taakopvolger is, geschiedt de genoemde overbrenging direct.

HOOFDSTUK 8 GESCHILLEN

Artikel 25 Geschillen
  • 1. Indien er tussen de Werkorganisatie CGM en één der deelnemende gemeenten een geschil ontstaat over de uitvoering van de taken zoals opgenomen in de artikelen 3 en 4 van deze regeling, treden het Dagelijks Bestuur en het betreffende college terstond in overleg met elkaar teneinde het geschil verder te verkennen en zo mogelijk op te lossen.

  • 2. Indien dit overleg niet binnen twee maanden na de begindatum ervan tot een oplossing heeft geleid, zullen betrokken partijen een mediator inschakelen teneinde hun geschil te beslechten.

  • 3. Met betrekking tot geschillen tussen de deelnemers onderling dan wel tussen de deelnemers en de Werkorganisatie CGM omtrent de toepassing in de ruimste zin van de regeling is artikel 28 van de wet van toepassing.

HOOFDSTUK 9 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, OPHEFFING

Artikel 26 Toetreding
  • 1. Het college en de burgemeester van een gemeente die wensen toe te treden, richten het verzoek ter zake aan de overeenkomstige bestuursorganen van de deelnemende gemeenten en aan het Algemeen Bestuur van het openbaar lichaam.

  • 2. Toetreding vindt plaats indien de colleges en de burgemeesters van de deelnemende gemeenten daartoe besluiten en het Algemeen Bestuur van het openbaar lichaam en de raden van de deelnemende gemeenten daarmee instemmen.

  • 3. Aan de toetreding kan het Algemeen Bestuur voorwaarden verbinden.

  • 4. Het besluit van de deelnemende gemeenten als bedoeld in het 2e lid geeft de datum van toetreding aan.

  • 5. Van elk bericht van toetreding van een gemeente wordt kennis gegeven aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 27 Uittreding
  • 1. Het college en de burgemeester van elke deelnemende gemeente kunnen, na vooraf verkregen instemming van de raad van die gemeente, besluiten dat de deelneming aan deze regeling wordt opgezegd. De raden van de overige gemeenten worden over de besluiten geïnformeerd. Een dergelijk besluit kan voor de eerste keer worden genomen zes jaar na de inwerkingtreding van deze regeling.

  • 2. Een uittredingsbesluit gaat twee kalenderjaren na het verstrijken van het jaar, waarin het besluit tot opzegging is genomen, in.

  • 3. Alvorens de deelnemende gemeente tot besluitvorming komt, als bedoeld in het 1e lid, wordt eerst over het voornemen overleg met de andere deelnemende gemeenten gevoerd.

  • 4. In het voornemen als bedoeld in het 1e en 3e lid worden de motieven gegeven op grond waarvan de deelnemende gemeente wenst uit te treden. Het besluit als bedoeld in 1e lid wordt terstond ter kennis gebracht van het Algemeen Bestuur.

  • 5. Het Algemeen Bestuur regelt de financiële verplichtingen alsmede de overige gevolgen van de uittreding.

  • 6. Van elk besluit tot uittreding van een gemeente wordt terstond kennis gegeven aan de overige deelnemende gemeenten en Gedeputeerde Staten.

Artikel 28 Wijziging en opheffing
  • 1. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

  • 2. Wijziging of opheffing van de regeling vindt plaats indien de colleges van tenminste tweederde van de deelnemende gemeenten daartoe besluiten

  • 3. Indien het Algemeen Bestuur wijziging van de regeling wenselijk acht, doet zij het daartoe strekkend voorstel aan de betrokken bestuursorganen van de deelnemende gemeenten.

  • 4. In geval van opheffing van de regeling stelt het Algemeen Bestuur een regeling op met betrekking tot de gevolgen van de opheffing. De regeling wordt vastgesteld door de betreffende bestuursorganen van de deelnemende gemeenten.

  • 5. Het Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

  • 6. Zo nodig blijven de bestuursorganen functioneren tot de liquidatie voltooid is.

  • 7. Van elk besluit tot wijziging dan wel opheffing van deze regeling wordt terstond bericht gezonden aan de betrokken gemeenten en Gedeputeerde Staten.

HOOFDSTUK 10 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 29 In werking treding en overige bepalingen
  • 1.

    De regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2013 en kan worden aangehaald onder de titel "Gemeenschappelijke regeling werkorganisatie CGM".

  • 2.

    De deelnemende gemeenten dragen zorg voor de bekendmaking van deze regeling op een in de desbetreffende gemeente gebruikelijke wijze.

  • 3.

    Deze regeling kent een toelichting.

  • 4.

    Het gemeentebestuur van de gemeente Cuijk is aangewezen als het gemeentebestuur bedoeld in artikel 26 van de wet.

  • 5.

    In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het Algemeen Bestuur gehoord de colleges en de burgemeesters van de deelnemende gemeenten.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Cuijk, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft, op 17 september 2013,
Burgemeester en wethouders van Cuijk
de secretaris, De burgemeester,
Mr. R.P. Hoffmann Mr. W.A.G. Hillenaar
De burgemeester van Cuijk,
Mr. W.A.G. Hillenaar
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Grave, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft, op 17 september 2013,
Burgemeester en wethouders van Grave
de secretaris, De burgemeester,
Drs. R. Bransz A.M.H. Roolvink
De burgemeester van Grave,
A.M.H. Roolvink
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Mill en Sint Hubert, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft, op 17 september 2013,
Burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert,
de secretaris, De burgemeester,
drs. H.J.H. de Bekker ing. A.A.M.J. Walraven
De burgemeester van Mill en Sint Hubert,
ing. A.A.M.J. Walraven

Toelichting

Toelichting Gemeenschappelijke regeling werkorganisatie CGM

 

1. Inleiding

De gemeenten Cuijk, Grave en Mill en Sint Hubert hebben gekozen voor een intensivering van de samenwerking en deze te laten uitmonden in de vorming van één ambtelijke organisatie ten behoeve van de drie gemeenten die formeel van start zal gaan per 1 januari 2014. De gemeenschappelijke regeling wordt aangegaan per 1 oktober 2013. Het doel is om te komen tot een slagkrachtige organisatie die de gemeentelijke taken zakelijk en professioneel uitvoert en tevens vorm kan geven aan de lokale ambities van de drie gemeentebesturen. Een belangrijk uitgangspunt is dat de bestuursorganen van de drie gemeenten (raad, college en burgemeester) en de gemeenten als rechtspersoon zelfstandig blijven.

Gekozen is voor het aangaan van een gemeenschappelijke regeling op grond van artikel 1 lid 2 Wet gemeenschappelijke regeling (Wgr) door de colleges en de burgemeesters van de deelnemende gemeenten. De raden van Cuijk, Grave en Mill en Sint Hubert hebben daarvoor op 10 juni respectievelijk 11 juni en 20 juni toestemming verleend.

De raden zijn dus niet zelf vertegenwoordigd in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling. De colleges en de burgemeesters zijn opdrachtgever van de werkorganisatie en bepalen de agenda en het kwaliteitsniveau van de samenwerking.

De colleges en de burgemeesters blijven onverminderd verantwoording afleggen aan de raden en de raden hebben de mogelijkheid informatie te vragen aan de colleges of de burgemeesters of direct aan het openbaar lichaam.

Als vorm voor de gemeenschappelijke regeling is gekozen voor een openbaar lichaam. Het openbaar lichaam heeft rechtspersoonlijkheid en kan fungeren als publiekrechtelijk werkgever voor het personeel. Daarnaast vervult het openbaar lichaam de rol van formele opdrachtnemer voor de drie gemeentebesturen en sluit het hiervoor dienstverleningsovereenkomsten af.

Binnen de bestuursvorm van een openbaar lichaam is gekozen voor een ‘lichte’ vorm, waarbij er een personele unie is tussen Algemeen en Dagelijks bestuur (dezelfde personen maken er deel van uit).

Hiermee wordt onnodige bestuurlijke drukte voorkomen en is er ook meer ruimte voor de organisatie om haar rol als opdrachtnemer te vervullen.

Het openbaar lichaam is verantwoordelijk voor het beheer van de Werkorganisatie CGM. Het bestuur voert geen eigen inhoudelijk beleid, dat is en blijft de verantwoordelijkheid van de drie afzonderlijke gemeentebesturen.

De drie colleges worden gezamenlijk eigenaar en beheerder van de Werkorganisatie CGM; elk college neemt individueel diensten af van de Werkorganisatie CGM.

De vertegenwoordiger van iedere gemeente in het bestuur van het openbaar lichaam legt verantwoording af aan het eigen college. Dat college legt vervolgens verantwoording af aan de eigen gemeenteraad.

In de gemeenschappelijke regeling worden de gemeenschappelijke belangen, doelen, taken, bevoegdheden, inrichting bestuur, instrumenten en werkwijze van het openbaar lichaam beschreven.

Ook is in de regeling de mogelijkheid opgenomen dat op termijn andere gemeenten onder voorwaarden kunnen toetreden tot de ambtelijke samenwerking.

2. Artikelsgewijze toelichting

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1 bevat een aantal begripsbepalingen die voor de gemeenschappelijke regeling worden gehanteerd. Daarbij is nauw aangesloten bij de Wgr en de Gemeentewet.

Artikel 2 houdt in dat er een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid wordt ingesteld: de Werkorganisatie CGM. Deze keuze betekent dat de Werkorganisatie CGM zelfstandig kan deelnemen aan het rechtsverkeer: medewerkers in dienst nemen en overeenkomsten sluiten.

Lid 2 van dit artikel bepaalt dat Cuijk de juridische vestigingsplaats is.

Hoofdstuk 2 Doelstellingen, taken en bevoegdheden

 

Artikel 3 noemt het belang van de gemeenschappelijke regeling (artikel 10 lid 1 Wgr).

Artikel 4 lid 1 gaat in op de taken van de werkorganisatie. Het betreft alle taken die op grond van wet- en regelgeving aan gemeenten zijn c.q. worden toegekend. Hierbij kan worden gedacht aan beleidsontwikkeling en beleidsvoorbereiding, uitvoering van door de colleges vastgesteld beleid, uitvoering van beleids / bestuursopdrachten, toezicht op aan derden uitbesteed werk, en de voor deze taken noodzakelijke bedrijfsvoeringstaken.

Uitgezonderd zijn de taken die op basis van andere (wettelijke) regelingen op andere wijze worden uitgevoerd (bijvoorbeeld op basis van een andere gemeenschappelijke regeling)

Lid 2 heeft betrekking op taken die niet op wet- en/of regelgeving zijn gebaseerd maar die wel moeten worden uitgevoerd, hierbij kan gedacht worden aan werkzaamheden in het kader van de stedenbanden, de Vierdaagse, de jeugdgemeenteraad, etc.

In lid 3 is bepaald onder welke voorwaarden de deelnemende gemeenten bepaalde taken kunnen weghalen bij de werkorganisatie door ze zelf te gaan uitvoeren of aan een andere uitvoerder uit te besteden. Het gaat hier dus niet om het niet langer uitvoeren c.q. minder uitvoeren van taken maar om het elders onderbrengen hiervan. Hiervoor is unanieme besluitvorming door het Algemeen Bestuur noodzakelijk.

In lid 4 is bepaald onder welke voorwaarden er minder diensten of producten kunnen worden afgenomen door individuele gemeenten. Hiertoe dient de deelnemer minimaal twee jaar voorafgaand aan het jaar waar de betreffende dienstverleningsovereenkomst betrekking op heeft een verzoek in bij het Algemeen Bestuur. Deze termijn van 2 jaar sluit aan bij de re-integratie termijn van 2 jaar zoals bepaald in artikel 10d:5 CAR. Daarnaast is het voor gemeenten mogelijk om via een algemene taakstelling een bezuinigingsopdracht neer te leggen bij de werkorganisatie. Middels besluitvorming in colleges en gemeenteraden kan hiertoe een opdracht neergelegd worden bij het AB van de werkorganisatie.

Lid 6 regelt dat de werkorganisatie uitsluitend taken uitvoert voor de deelnemers. Uitvoering voor derden is alleen mogelijk na een daartoe strekkend besluit van het Algemeen Bestuur. Hiervoor is de goedkeuring van de deelnemende colleges nodig.

Artikel 5 regelt de overdracht van de bevoegdheidstoedeling vanuit de colleges en/of de burgemeester aan de bestuursorganen van het openbaar lichaam dan wel aan de directie van de werkorganisatie CGM.

Hoofdstuk 3 Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter

Artikel 6 bepaalt dat het bestuur, overeenkomstig het bepaalde in de Wgr, bestaat uit het Algemeen Bestuur (AB), het Dagelijks Bestuur (DB) en de voorzitter. Dit zijn de bestuursorganen van het openbaar lichaam, analoog aan de bestuursorganen in de Gemeentewet: raad, college en burgemeester.

Artikel 7 regelt de inrichting en samenstelling van het AB. De colleges en de burgemeesters wijzen uit hun midden de leden en de plaatsvervangende leden aan. De zittingsduur is vier jaar en loopt parallel aan die van de gemeenteraad. Beëindiging van het lidmaatschap van het college betekent ook het einde van het lidmaatschap van het AB.

Het AB stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden.

Artikel 8  regelt de inrichting en samenstelling van het DB. Het DB is voor wat betreft de personele samenstelling gelijk aan het AB. Dit voorkomt onnodige bestuurlijke drukte. Het Algemeen Bestuur van het openbaar lichaam vervult de toezichthoudende rol. Het lidmaatschap van het DB eindigt zodra het lidmaatschap van het AB ophoudt. Ook het DB stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

Artikel 9 regelt de aanwijzing van de voorzitter en zijn plaatsvervanger.

Hoofdstuk 4 De bevoegdheden van het bestuur

 

Artikel 10 regelt de bevoegdheden van het AB. Het AB staat aan het hoofd van de Werkorganisatie CGM. Het AB heeft alle bevoegdheden die in de regeling worden genoemd en die niet uitdrukkelijk aan het DB of aan de voorzitter zijn toegekend. De in lid 2 genoemde bevoegdheden behoren in ieder geval toe aan het AB: het vaststellen van de begroting en jaarrekening, het vaststellen van een verordening voor de ambtelijke organisatie van de werkorganisatie CGM en het vaststellen van instructies en richtlijnen waarmee het DB, de voorzitter en de directie rekening moeten houden bij de uitoefening van hun bevoegdheden.

Artikel 11 geeft aan wanneer bevoegdheden van het AB kunnen worden overgedragen aan het DB en welke bevoegdheden in ieder geval niet mogen worden overgedragen.

Artikel 12 regelt de verantwoordings- en informatieplicht van het AB aan de raden en de colleges van de deelnemende gemeenten.

Artikel 13 regelt de bevoegdheden van het DB. Het DB is belast met het dagelijks bestuur, voor zover dat niet berust bij de voorzitter. Onder het voeren van het dagelijks bestuur valt tevens het houden van toezicht op alles wat de werkorganisatie aangaat.  Het DB bereidt de besluiten van het AB voor en voert deze uit. Ook is het DB bevoegd te besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen voor de werkorganisatie CGM.

Artikel 14 regelt de verantwoordings- en informatieplicht van het DB aan het AB en aan de raden en colleges van de deelnemende gemeenten.

Artikel 15 regelt de verantwoordings- en informatieplicht van de voorzitter aan het AB en aan de raden en colleges van de deelnemende gemeenten.

Hoofdstuk 5 De Directie

 

Artikel 16 bepaalt dat de dagelijkse leiding van de werkorganisatie CGM berust bij de directie. De directeur fungeert als secretaris van het AB en DB. De directie wordt benoemd en ontslagen door het AB. Bezoldiging en de overige rechtspositie van de directie worden geregeld door het DB. In een afzonderlijk organisatiebesluit worden de taken en bevoegdheden van de directie vastgelegd.

Artikel 17, derde lid, bepaalt dat het DB op basis van dit lid beslist over de overige arbeidsvoorwaarden. Hieronder valt, naast de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling zoals genoemd in het tweede lid, de Uitwerkingsovereenkomst voor het gemeentepersoneel (CAR-UWO), zoals deze nu luidt en in de toekomst zal luiden. Terzake van de onderwerpen waartoe de CAR-UWO opdracht geeft tot of ruimte biedt voor eigen regelingen kan het DB met toepassing van het overeenstemmingsvereiste met de commissie voor het Georganiseerd Overleg dan wel met toepassing van het instemmingsrecht van de Ondernemingsraad deze regelingen vaststellen.

Hoofdstuk 6 Financiële bepalingen

 

Artikel 18 bepaalt dat de artikelen 212 en 213 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing zijn op het financieel beleid, het financieel beheer de inrichting van de financiële organisatie en de controle daarop.

Artikel 19 bepaalt het dienstjaar.

Artikel 20 en artikel 21 houden bepalingen in over respectievelijk de begroting en de jaarrekening.

Artikel 22 heeft betrekking op de vorming van reserves en voorzieningen.

Artikel 23 regelt dat de deelnemende gemeenten ervoor zorg moeten dragen dat de Werkorganisatie CGM altijd over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen.

Hoofdstuk 7 Archief

 

Artikel 24 bepaalt dat het DB is belast met de zorg op de bewaring en het beheer van het archief van de Werkorganisatie CGM en dat het AB daarvoor een regeling vaststelt.

Hoofdstuk 8 Geschillen

 

Artikel 25 regelt de gang van zaken bij geschillen en de mogelijkheid tot inschakeling van een mediator.

 

 

Hoofdstuk 9 Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing

 

Artikel 26 geeft de mogelijkheid tot toetreding van een andere gemeente aan. Het AB kan voorwaarden verbinden aan de toetreding.

 

Artikel 27 regelt de procedure die moet worden gevolgd als een gemeente wenst uit te treden uit de gemeenschappelijke regeling.

 

Artikel 28 bepaalt dat de gemeenschappelijke regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Verder regelt dit artikel de gang van zaken bij wijziging of opheffing van de regeling.

 

Hoofdstuk 10 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 29 bepaalt de datum van inwerkingtreding van de gemeenschappelijke regeling en regelt verder de bekendmaking en aanhaling van deze regeling en de toezending aan Gedeputeerde Staten.