Algemene subsidieverordening gemeente Utrechtse Heuvelrug 2014

Geldend van 15-07-2014 t/m heden

Intitulé

Algemene subsidieverordening gemeente Utrechtse Heuvelrug 2014

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen
  • a.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht

  • b.

    activiteit: De activiteit, zo mogelijk vertaald in meetbare prestaties en beoogde effecten, die door de aanvrager zal worden uitgevoerd en die kan worden gesubsidieerd.

  • c.

    beleidsopdracht: een beschrijving door de gemeente van de producten of prestaties die bijdragen aan het realiseren van gemeentelijke beleidsdoelen en de voorwaarden waaronder de gemeente de producten wil afnemen.

  • d.

    beleidsterrein: Een onderdeel van het gemeentelijk beleid dat betrekking heeft op een bepaald onderwerp.

  • e.

    college: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

  • f.

    jaar: Een kalenderjaar.

g: offerte: Een op een beleidsopdracht gebaseerde beschrijving door de aanvrager van de producten die en de voorwaarden waaronder de aanvrager levert.

h: prestatie: In meetbare eenheden omschreven resultaten.

  • i.

    raad: De gemeenteraad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

  • j.

    subsidie: De aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten (Awb 4:21).

k: subsidiebeschikking: Een schriftelijke besluit dat volgt op een aanvraag om subsidie.

l: subsidie-ontvanger: Een aanvrager die op grond van een aan hem afgegeven beschikking aanspraak kan maken op een subsidie van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

m: subsidieplafond: Het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies op grond van de door de gemeenteraad vastgestelde begroting.

n.subsidieregeling: De nadere uitwerking door het college van de bepalingen uit deze verordening.

o: uitvoeringsovereenkomst: De overeenkomst, in de zin van artikel 4:36 van de Awb, tussen de aanvrager en het gemeentebestuur wordt gesloten ter uitwerking van de beschikking tot subsidieverlening zoals de afgesproken verplichtingen, activiteiten en de beoogde resultaten.

p: vaststellingsbeschikking: Een schriftelijke besluit dat wordt genomen ter vaststelling van het subsidiebedrag.

Artikel 2 Reikwijdte
  • 1. Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is).

  • 2. Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

Artikel 3 Subsidieregelingen

Het college stelt bij nadere regeling(en) (hierna te noemen: subsidieregeling) vast welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke aanvragers voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

Artikel 4 Aanvrager
  • 1. Een subsidie wordt verstrekt aan:

    • a.

      rechtspersonen zonder winstoogmerk;

    • b.

      (een groep van) natuurlijke personen.

  • 2. Uitzondering op het in lid 1, onder a, gestelde wordt gemaakt voor rechtspersonen met rechtsbevoegdheid die met winstoogmerk voorschoolse educatie aanbieden binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug. De voorschoolse educatie dient te voldoen aan het besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.

Artikel 5 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
  • 1. Het college kan subsidieplafonds vaststellen. In dat geval bepaalt het college bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de betrokken subsidie.

  • 2. Het college kan een subsidieplafond verlagen:

    • a.

      als het wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; of

    • b.

      als de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.

  • 3. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging.

  • 4. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

Artikel 6 Aanvraag
  • 1. Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college.

  • 2. Bij de aanvraag legt de aanvrager de volgende gegevens over:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

    • c.

      een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

  • 3. Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt een exemplaar van de statuten, alsmede van het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar toe aan de aanvraag.

  • 4. Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken.

Artikel 7 Aanvraagtermijn
  • 1. Een aanvraag om een subsidie die per jaar wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk 1 september voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Andere aanvragen om subsidie worden ingediend uiterlijk 3 maanden en niet eerder dan 5 maanden voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 3. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

Artikel 8 Beslistermijn
  • 1. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, uiterlijk 15 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

  • 2. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, tweede lid, binnen 8 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.

  • 3. Het college kan de in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde termijnen eenmaal met 4 weken verdagen.

  • 4. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

Artikel 9 Weigerings- en intrekkingsgronden
  • 1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan het college de subsidie weigeren:

    • a.

      als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

    • b.

      als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

    • c.

      in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    • d.

      als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    • e.

      als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

    • f.

      als de activiteiten in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde en goede zeden;

    • g.

      als de activiteiten niet passen in het gemeentelijke beleid;

    • h.

      als de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende gelden kan beschikken, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden, om de kosten van de activiteiten te dekken;

    • i.

      als in het beoogde doel of de voorgenomen activiteiten al op andere wijze in belangrijke

      mate is voorzien.

    • j.

      als de activiteiten uitsluitend een partijpolitiek, godsdienstig of levensbeschouwelijk karakter hebben.

    • k.

      in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.

  • 2. Het college kan een subsidie in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 10 Verantwoording

Bij de verleningsbeschikking wordt vermeld op welke wijze de subsidie-ontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.

Artikel 11 Algemene verplichtingen van subsidie-ontvanger
  • 1. Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidie-ontvanger dat onverwijld aan het college.

  • 2. Een subsidie-ontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:

    • a.

      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet of niet geheel zullen kunnen worden nagekomen;

    • d.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.

Artikel 12 Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
  • 1. Aan een beschikking tot subsidieverlening kunnen verplichtingen worden verbonden met betrekking tot het beheer en gebruik van hetgeen met de subsidie tot stand is gebracht.

  • 2. Bij subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd.

Artikel 13 Bevoorschotting
  • 1. Het college kan voorschotten als bedoeld in art. 4:53 Awb verlenen.

  • 2. De voorschotten als bedoeld in het eerste lid kunnen in vier gelijke termijnen worden uitgekeerd van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.

  • 3. Het voorschot als bedoeld in het eerste lid wordt in één keer uitgekeerd voorzover het een subsidie van € 5.000 of minder bedraagt.

Artikel 14 Eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000
  • 1. Subsidies tot en met € 5.000 worden door het college ofwel direct vastgesteld ofwel verleend en binnen 13 weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht ambtshalve vastgesteld (tenzij toepassing wordt gegeven aan het volgende lid).

  • 2. Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het vorige lid kan de aanvrager worden verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. In dat geval vindt de vaststelling plaats binnen 8 weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.

Artikel 15 Eindverantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 50.000
  • 1. Bij subsidies van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 dient de subsidie-ontvanger uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2. De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en een overzicht van de kosten en baten.

  • 3. Bij subsidieregeling kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht.

Artikel 16 Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000
  • 1. Bij subsidies van meer dan € 50.000 dient de subsidie-ontvanger een aanvraag tot vaststelling in:

    • a.

      in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 1 mei van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;

    • b.

      in andere gevallen uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

  • 2. De aanvraag bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht;

    • b.

      een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

    • c.

      een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; en

    • d.

      bij een subsidie van meer dan €100.00, een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant.

  • 3. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden vastgesteld of andere gegevens worden verlangd.

Artikel 17 Subsidievaststelling
  • 1. Het college stelt de subsidie vast binnen 13 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald.

  • 2. Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 6 weken worden verdaagd.

  • 3. Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 15, eerste lid en 16, eerste lid, aanhef en onder a of c, is ingediend, kan het college de subsidie-ontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Wordt de aanvraag niet binnen deze termijn ingediend dan kan worden overgegaan tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 18 Subsidie op grond van beleidsopdrachten
  • 1.

    Het college kan beleidsopdrachten vaststellen voor bepaalde beleidsterreinen.

  • 2.

    Het college stuurt aan de instelling vóór 1 april voorafgaand aan het subsidiejaar de beleidsopdracht(en) voor het betreffende subsidiejaar.

  • 3.

    Een aanvraag voor een subsidie op grond van beleidsopdrachten bevat naast de in artikel 6 lid 2 en 3 van deze verordening vermelde gegevens en stukken ook één of meer offertes en een productbegroting.

  • 4.

    Een aanvraag voor subsidie op grond van beleidsopdrachten dient vóór 1 juni voorafgaand aan het subsidiejaar te worden ingediend.

  • 4.

    Het college overlegt indien gewenst met de aanvrager over de ingediende offerte(s).

  • 5.

    Het college toetst de subsidieaanvraag aan de van toepassing zijnde beleidsopdracht(en).

  • 6.

    In het jaar waarover subsidie is verleend voert het college tussentijds overleg met de

subsidie-ontvanger op basis van tussentijdse rapportages. Indien gewenst, is het mogelijk de in artikel 4:36, eerste lid, van de Awb genoemde uitvoeringsovereenkomst bij te stellen, en dit

formeel vast te leggen in een aanvullende uitvoeringsovereenkomst.

  • 7.

    De subsidie-ontvanger met wie het college een uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten, overlegt binnen de in artikel 16 lid 1 bedoelde termijn:

  • 1.

    een balans en rekening van de baten en lasten en een toelichting op deze stukken;

  • 2.

    een eindrapportage, waarin de subsidie-ontvanger per product of activiteit verantwoording aflegt over de in de uitvoeringsovereenkomst overeengekomen inzet, de prestaties, de resultaten, en de financiën.

  • 8.

    De overige bepalingen van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag op grond van beleidsopdrachten, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte is.

Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 19 Hardheidsclausule
  • 1. Het college kan deze verordening, met uitzondering van de artikelen 2 en 3, in individuele gevallen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover de toepassing van die bepalingen voor de subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen.

  • 2. Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit en hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de raad.

Artikel 20 Slotbepalingen
  • 1.

    De Algemene subsidieverordening gemeente Utrechtse Heuvelrug 2012 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op 15 juli 2014.

  • 3.

    Deze verordening wordt aangehaald als “Algemene subsidieverordening gemeente Utrechtse Heuvelrug 2014”.

  • 4.

    Aanvragen die zijn ingediend vóór 15 juli 2014 worden behandeld volgens de bepalingen van de "Algemene subsidieverordening gemeente Utrechtse Heuvelrug 2012”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 juli 2014.
De raad voornoemd,
de griffier, de voorzitter,
W.Hooghiemstra G.F. Naafs

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2 Reikwijdte

Eerste lid

Met het eerste lid krijgt het college de bevoegdheid toegewezen om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de Algemene subsidieverordening (hierna: Asv) van toepassing is. Dit betreft in beginsel alle subsidies, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling (oftewel een aparte subsidieverordening) is getroffen en subsidies waar overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is. Voorbeelden van subsidies zonder wettelijke grondslag zijn:

  • -

    incidentele subsidies;

  • -

    subsidies die expliciet in de begroting zijn opgenomen.

Tweede lid

Ten aanzien van subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is (zoals bijvoorbeeld incidentele subsidies) is de Asv in beginsel niet van toepassing. Dit lid geeft het college de bevoegdheid om de Asv (deels) van toepassing te verklaren als daartoe aanleiding bestaat. Het richtbedrag voor het van toepassing verklaren van de Asv is € 500. Daarnaast zijn de aard van de activiteiten en de aanvrager nog van belang voor de beoordeling om de Asv al dan niet toe te passen.

Artikel 3 Subsidieregelingen

Met dit artikel verplicht de raad het college om in nadere regels (hierna: subsidieregeling) de te subsidiëren activiteiten te bepalen. Voor zover het college iets wenst te regelen met betrekking tot de aanvragers die voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen, dient dit eveneens in de subsidieregeling te gebeuren.

Artikel 4 De aanvrager

Eerste lid

Spreekt voor zich.

Tweede lid

Om de gewenste kwalitatieve doelstellingen met betrekking tot voor- en vroegschoolse educatie (VVE) te behalen is ervoor gekozen een uitzondering te maken voor rechtspersonen met winstoogmerk. Door deze uitzondering te maken kan het aanbod van VVE worden vergroot. Omdat deze regel uitgaat van de (wettelijke) kwaliteit van de VVE is het verantwoord om ook rechtspersonen met winstoogmerk de gelegenheid te bieden om voor subsidie in aanmerking te komen.

Artikel 5 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

In de Awb zijn in de artikelen 4:25 tot en met 4:28 de belangrijkste bepalingen rondom het werken met een subsidieplafond gegeven. Het college stelt de subsidieplafonds vast (lid 1); bij de bekendmaking daarvan wordt tevens de bepaalde wijze van verdelen vermeld (eerste lid in combinatie met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb) en wordt er gewezen om de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen (tweede en derde lid). Ook stelt het college in de subsidieregeling nadere regels op over de wijze van verdeling van de beschikbare middelen.

Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Awb, dat het subsidieplafond én de wijze van verdeling bij overschrijding van het subsidieplafond bekend worden gemaakt, vóórdat de periode waarop deze betrekking hebben, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers tijdig weten hoeveel geld beschikbaar is. Aan de andere kant kunnen, op het moment dat het subsidieplafond bereikt is, subsidieaanvragen zonder nadere motivering worden afgewezen. De raad stelt uiteraard nog steeds de financiële kaders vast (in de begroting). Het is binnen die kaders dat het college de subsidieplafonds kan vaststellen.

In het vierde lid is het begrotingsvoorbehoud opgenomen. Als de gemeentebegroting nog niet is vastgesteld en er formeel dus nog geen financiële ruimte door de raad beschikbaar is gesteld, wordt alleen subsidie verleend onder de voorwaarde dat de raad daarvoor geld beschikbaar zal stellen. Dit wordt in de verleningsbeschikking vermeld.

Artikel 6 Aanvraag

Voor het aanvragen van subsidies is tevens een formulier beschikbaar. Deze is op de website te vinden en kan gebruikt worden als ondersteuning bij de schriftelijke aanvraag.

Artikel 7 Aanvraagtermijn

De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt en andersoortige subsidies. Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid (derde lid).

Bepalingen Awb in verband met de aanvraag van een subsidie:

Indien een subsidie niet tijdig en/of niet volledig wordt ingediend kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Ook kan het college vragen om nadere informatie indien dit ter beoordeling van de aanvraag nodig is:

Artikel 4:5

1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of

b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,

mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

2. (…)

3. (…)

4. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Artikel 8 Beslistermijn

Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies per kalenderjaar en andersoortige subsidies. Het college heeft de mogelijkheid (derde lid) de termijn eenmaal met 4 weken te verdagen. Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid (vierde lid).

Informatie over de behandeling van aanvragen:

Het college toetst de subsidieaanvraag in ieder geval aan:

a. deze verordening ;

b. de van toepassing zijnde subsidieregeling;

c. het door het bestuursorgaan vastgestelde beleid en beleidsnota’s;

d. het in art. 4.34 Awb neergelegde begrotingsvoorbehoud;

e. het per beleidsterrein vastgestelde subsidieplafond, zoals bedoeld in art. 4:25 e.v. van de Awb.

In de beschikking tot subsidieverlening wordt in ieder geval aangegeven:

a. een omschrijving van de prestatie(s) en activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend (art. 4:30 Awb);

b. het bedrag van de subsidie (art. 4:31 Awb);

c. het tijdvak waarop de subsidie betrekking heeft;

d. de te verstrekken voorschotten (indien van toepassing) en het rekeningnummer waarop het wordt gestort;

e. het begrotingsvoorbehoud als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van deze verordening;

f. hoe en wanneer verantwoording dient plaats te vinden;

g. de mogelijkheid in bezwaar te gaan tegen de beslissing.

Ter uitvoering van de beschikking kan een uitvoeringsovereenkomst worden gesloten.

Artikel 4:36

1. Ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening kan een overeenkomst worden gesloten.

2. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de subsidie zich daartegen verzet, kan in de overeenkomst worden bepaald dat de subsidie-ontvanger verplicht is de activiteiten te verrichten waarvoor de subsidie is verleend.

Artikel 9 Weigerings- en intrekkingsgronden

In het eerste lid zijn, naast de algemeen geldende weigeringsgronden van artikelen 4:25, tweede lid (subsidieplafond), en 4:35 van de Awb, de facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht.

Onderdelen a, en e t/m j spreken voor zichzelf.

Onderdeel b geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt.

Onderdeel c betreft het geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) niet kan doorstaan. Bij deze weigeringsgrond is niet van belang of de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel zijn. Het gaat hierbij louter om de integriteit van de persoon dan wel rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob geen subsidie wenst te verlenen. Naast subsidie weigeren, kan het college in dergelijke gevallen ook een reeds verleende en vastgestelde subsidies intrekken (tweede lid).

Onderdeel d geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren indien de aanvrager niet voldoet aan de regels uit de Asv.

Onderdeel k ten slotte geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.

Artikel 4:35

1. De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

2. De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager:

a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of

b. failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Naast de in dit artikel genoemde weigerings- in intrekkingsgronden bevat de Awb nog aanvullende intrekkings- en wijzigingsgronden. Deze zijn vervat in artikel 4:48, 4:49 en 4:50 van de Awb.

Artikel 11 Algemene verplichtingen van subsidie-ontvanger

Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede lid) die voor alle subsidie-ontvangers geldt.

Artikel 12 Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

Dit artikel bevat een aanvullende bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde bijzondere verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is direct op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb).

Artikel 4:37

1. Het bestuursorgaan kan de subsidie-ontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot:

a. aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend;

b. de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

c. het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie;

d. de te verzekeren risico’s;

e. het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten;

f. het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

g. het beperken of wegnemen van de nadelige gevolgen van de subsidie voor derden;

h. het uitoefenen van controle door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op het door het bestuursorgaan gevoerde financiële beheer en de financiële verantwoording daarover.

2. Indien een verplichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt opgelegd, zijn de artikelen 4:3 en 4:4 van overeenkomstige toepassing.

De artikelen 4:38 en 4:39 van de Awb maken het verder mogelijk om nog andere verplichtingen aan een subsidie te verbinden, als de verordening daarvoor een grondslag biedt. Die grondslag is in artikel 12 gegeven met betrekking tot verplichtingen in het kader van het beheer en gebruik van datgene wat met de subsidie tot stand is gebracht. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • -

    het opleidingsniveau van medewerkers;

  • -

    het door de aanvrager voorzien in een eigen bijdrage;

  • -

    de wijze waarop de administratie plaats moet vinden.

Indien niet aan de verplichtingen wordt voldaan kan dit leiden tot het lager vaststellen van de subsidie. Zie verder ‘Bepalingen Awb over de vaststelling van subsidie’.

Artikel 14 Eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000

Indien wij een subsidie verlenen tot en met € 5.000 zijn er drie mogelijkheden om tot vaststelling van de subsidie te komen:

  • -

    De subsidie wordt gelijktijdig met de verlening ook vastgesteld.

  • -

    De subsidie wordt verleend en binnen 13 weken ambtshalve vastgesteld. Dit betekent dat het college de subsidie vaststelt zonder dat hiervoor een aanvraag moet worden ingediend. Het college beoordeelt zelf of de activiteit heeft plaatsgevonden.

  • -

    Het college kan vragen om aan te tonen dat de activiteit heeft plaatsgevonden (lid 2). Dit kan door bijvoorbeeld een krantenartikel of programmaboekje in te dienen. Het college stelt de subsidie ambtshalve vast binnen 8 weken nadat de gevraagde gegevens zijn ontvangen.

    Artikel 15 Eindverantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 50.000

    De vorm van het inhoudelijke verslag ligt niet vast. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt. Voorts kan het college, overeenkomstig het derde lid, in een subsidieregeling aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag.

    Artikel 16 Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000

    De vaststelling van de subsidie van meer dan € 50.000 vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Het derde lid biedt de basis om in een subsidieregeling te bepalen dat er ook andere, waaronder minder, gegevens gevraagd worden.

    Artikel 17 Subsidievaststelling

    Het eerste lid bevat, overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb, de termijn waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. Het college kan de termijn dan nog verdagen.

    Bepalingen Awb over de vaststelling van subsidie

    Een subsidie wordt in principe vastgesteld ten hoogte van het bedrag van de verlening. In de Awb genoemde gevallen kan de subsidie lager worden vastgesteld. Dit kan o.a. zijn als de activiteiten niet (in zijn geheel) hebben plaatsgevonden of als niet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. Indien in het geheel geen verantwoording wordt ingediend kan het college de subsidie op nihil vaststellen. Een subsidie kan niet hoger worden vastgesteld dan de verlening. Ook niet als meer activiteiten en/of andere activiteiten zijn gerealiseerd dan zijn opgenomen in de subsidiebeschikking.

    Artikel 4:46

    1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

    2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:

    a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;

    b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

    c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of

    d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.

    3. Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.

    Indien een subsidie lager wordt vastgesteld kan het college de bij voorschot teveel betaalde subsidie terugvorderen:

    Artikel 4:57

    1. Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen.

    2. Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen.

    3. Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag verrekenen met een aan dezelfde subsidie-ontvanger voor dezelfde activiteiten verstrekte subsidie voor een ander tijdvak.

    4. Terugvordering van een subsidiebedrag of een voorschot vindt niet plaats voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling, bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden, vijf jaren zijn verstreken.

    Artikel 18 Subsidie op grond van beleidsopdrachten

    Dit artikel bevat regels omtrent beleidsgestuurde contractfinanciering (BCF), een methode van subsidiëren die de gemeente bij bepaalde instellingen toepast. Daar waar de procedure van subsidiëring volgens de methode van BCF afwijkt van de reguliere procedure zijn in dit artikel regels opgenomen. Dit betekent dat de overige bepalingen van de Asv nog steeds van toepassing zijn op deze aanvragen.

    Artikel 19 Hardheidsclausule

    In dit artikel is de zogenoemde hardheidsclausule opgenomen. Het college kan op basis van deze hardheidsclausule in bijzondere gevallen een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidie-ontvanger leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. De voorziening die het college treft en die niet in de verordening is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie te passen. De toepassing van de hardheidsclausule dient beperkt te blijven tot individuele gevallen. Zodra de toepassing van een hardheidsclausule voor bepaalde gevallen voldoende is uitgekristalliseerd en daardoor een bestendig karakter heeft gekregen, dient dit beleid in de Asv te worden neergelegd.