Beleidsregels uitwegvergunningen Gemeente Westland 2014

Geldend van 04-04-2014 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels uitwegvergunningen Gemeente Westland 2014

Het college van Westland;

gelet op artikel 2.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening Westland 2010 (APV Westland 2010), alsmede de artikelen 1:3, vierde lid, en 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit:

de “Beleidsregels uitwegvergunningen Gemeente Westland 2014” als volgt vast te stellen:

Artikel 1 Inleiding en definities

Elke uitrit is in principe een verstoring in het verkeersbeeld. Er ontstaat immers een nieuwe kruising waarbij conflicten met verkeersdeelnemer kunnen ontstaan.

Bij het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning toetst de gemeente daardoor ook de mogelijkheden voor een uitweg. Om de aanvraag eenduidig te kunnen beoordelen zijn criteria opgesteld voor de verschillende weigeringsgronden. Deze beleidsregels zijn aangepast aan de huidige wet- en regelgeving. Met de beleidsregels is voor burgers en gemeente duidelijk of een vergunning verleend of geweigerd wordt. Dit bevordert de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.

Onder uitwegen worden in deze beleidsregels inritten, uitritten en opritten verstaan. De inritconstructies

van een weg op een andere weg vallen niet onder deze beleidsregels.

Onder de breedte van een uitweg wordt in deze beleidsregels verstaan: de breedte van het gedeelte dat grenst aan de openbare weg.

Artikel 2 Wettelijke grondslag

Op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 2:12 APV Westland 2010 is het verboden om zonder een omgevingsvergunning een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen.

In de Algemene Plaatselijke Verordening Westland 2010 is in artikel 2.12 bepaald dat het verboden is zonder een vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Dit artikel luidt als volgt:

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag:

  • a.

    een uitweg te maken naar de weg;

  • b.

    van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

  • c.

    verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:

  • a.

    de bruikbaarheid van de weg;

  • b.

    het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

  • c.

    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

  • d.

    de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Waterschapskeur of de Wegenverordening Zuid-Holland (1997) van toepassing is.

Artikel 3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien aanleg volgens het vigerende bestemmingsplan toegestaan is of verleend kan worden middels een binnenplanse of een (grote-) buitenplanse afwijking als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo.

In aanvulling daarop wordt onder de criteria genoemd in de APV het volgende verstaan:

a. De bruikbaarheid van de weg

De aanvraag wordt geweigerd in het belang van de bruikbaarheid van de weg indien:

  • -

    het aantal openbare parkeerplaatsen wordt verminderd en volgens de bestaande parkeernormen niet binnen een afstand van 50 meter voldoende openbare parkeerplaatsen voorhanden blijven;

  • -

    de onroerende zaak reeds een uitweg heeft;

  • -

    het karakter van een weg hierdoor wordt aangetast;

b. Het veilig en doelmatig gebruik van de weg

Gelet op het feit dat voldoende zicht moet zijn op het te betreden wegvak en op de uitweg, wordt de aanvraag voor een uitweg geweigerd in het belang van het doelmatig en veilig gebruik van de weg indien:

  • -

    de aanvraag betrekking heeft op een locatie in of nabij bochten;

  • -

    de aanvraag betrekking heeft op een locatie gelegen op of binnen een afstand van 5 meter vanaf een kruispunt;

  • -

    de aanvraag betrekking heeft op een locatie waar straatmeubilair aanwezig is en dit straatmeubilair niet te verplaatsen is;

  • -

    de aanvraag betrekking heeft op een locatie waarbij de bestuurder van een gemotoriseerd voertuig op enig punt van de uitweg niet of nauwelijks zicht heeft of kan hebben op de weg, op trottoir, of op fiets- en/of voetpad;

  • -

    de aanvraag betrekking heeft op een locatie van op de aanliggende weg aangebrachte opstelstroken dan wel voorsorteervakken danwel binnen een afstand van 50 meter van verkeerslichten gelegen is;

  • -

    de aanvraag betrekking heeft op een locatie waar de uitweg op een fiets- en/of voetgangerspad uitkomt en dat pad moet worden bereden om de openbare ruimte te bereiken;

  • -

    de aanvraag voor een bedrijf betrekking heeft op een uitweg breder dan 10 meter [1];

  • -

    de aanvraag voor een woning betrekking heeft op een uitweg breder dan 4 meter.

[1.] Bij bedrijven is een 10 meter brede uitweg gebruikelijk. In het verleden zijn uitwegvergunningen verleend voor bredere uitwegen. Dit is echter niet wenselijk, omdat de duidelijkheid naar de weggebruiker toe hierdoor in het geding komt en de parkeergelegenheid op de openbare weg wordt beperkt. Bedrijven gebruiken als argument vaak dat zij ruimte nodig hebben om te keren en rangeren. Deze handelingen dienen op eigen terrein plaats te vinden. Bij nieuwbouw zijn er geen gronden om een bredere uitweg toe te staan.

c. De bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente

De aanvraag voor uitwegen naar woningen wordt geweigerd in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente indien:

  • -

    de aanvraag naar het oordeel van of namens burgemeester en wethouders sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke belevingswaarde van het desbetreffende gebied [2]

  • -

    de aanvraag een moeras- en/of waterpartij met een breedte van meer dan 3 meter doorsnijdt;

  • -

    de uitweg bij een woonhuis breder is dan 4 meter.

[2.] Een uitweg naar een zogenaamde tuinparkeerplaats is niet toegestaan tenzij dat planologisch is toegestaan. Beleidsmatig is een uitweg naar een tuinparkeerplaats alleen toegestaan als deze naast de woning is gelegen of het parkeren in de voortuin een wezenlijk onderdeel is van de stedenbouwkundige opzet. Uitzondering is wel mogelijk indien ten minste 70% van de oppervlakte van de voortuin als zodanig in gebruik blijft.

d. De bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente

De aanvraag voor uitwegen naar bedrijven en woningen wordt geweigerd in het belang van de bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente, indien:

  • -

    gemeentelijke bomen of groenvoorzieningen verwijderd moeten worden die onderdeel uitmaken van de gemeentelijke groenstructuur;

  • -

    binnen de kroonprojectie van gemeentelijke bomen uitvoering plaatsvindt;

  • -

    op de locatie van de aanvraag een houtopstand staat waarvoor geen omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand verleend is.

Artikel 4 Keurvergunning (Hoogheemraadschap van Delfland)

Bij de volgende werkzaamheden dient men een keurvergunning aan te vragen bij het Hoogheemraadschap van Delfland:

  • -

    bouwen op of nabij een waterkering;

  • -

    tuininrichting op of nabij een waterkering;

  • -

    dempen van oppervlaktewater;

  • -

    kunstwerken op of in de watergangen

Indien bij de aanvraag geen afschrift van deze keurvergunning aanwezig is kan de aanvraag worden aangehouden, conform artikel 4:5 Awb, totdat een afschrift is ontvangen.

Artikel 5 Voorschriften en beperkingen

Aan een ingevolge deze beleidsregels verleende omgevingsvergunning voor uitwegen kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen zoals vermeld in artikel 2:12 lid 2 van de APV.

Artikel 6 Leges

Voor vergunningen worden leges geheven conform de legesverordening van de Gemeente Westland.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van 11 maart 2014
De secretaris, de burgemeester,
M.van Beek J. Van der Tak