Keur Delfland

Geldend van 05-04-2022 t/m heden

Intitulé

Keur Delfland

KEUR DELFLAND

19 februari 2015

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • In deze keur en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

    • 1.

      Bergingsgebied: bergingsgebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, Waterwet.

    • 2.

      Beschermingszone: beschermingszone als bedoeld in artikel 1, eerste lid, Waterwet.

    • 3.

      Bestuur: dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland.

    • 4.

      Vervallen.

    • 5.

      Coupure: afsluitbare droogstaande opening in een waterkering.

    • 6.

      Grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt met de daarin aanwezige stoffen.

    • 7.

      Infiltreren van water: water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater.

    • 8.

      Legger: Legger Delfland.

    • 9.

      Natte ecologische zone: natte ecologische zone als bedoeld in de legger.

    • 10.

      Vervallen.

    • 11.

      Ondersteunend kunstwerk: kunstwerk, niet zijnde een waterkering, oppervlaktewaterlichaam of bergingsgebied, dat dienstbaar is aan de functie of werking van een waterstaatswerk of het functioneren van het watersysteem.

    • 12.

      Onttrekken van grondwater: onttrekken van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting.

    • 13.

      Onttrekken van water: onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.

    • 14.

      1Onttrekkingsinrichting: inrichting of werk, bestemd voor het onttrekken van grondwater.

    • 15.

      Oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de Waterwet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna.

    • 16.

      Profiel van vrije ruimte: vrij te houden ruimte, boven, onder en naast een waterstaatswerk of toekomstig waterstaatswerk, voor het blijvend kunnen realiseren van de functie van een waterstaatswerk, of toekomstig waterstaatswerk, en als zodanig is aangegeven op de leggerkaart.

    • 17.

      Vervallen.

    • 18.

      Vervallen.

    • 19.

      Sluis: afsluitbare en regelbare opening in een waterkering waarbij aan weerszijden van de afsluiting water staat.

    • 20.

      Waterkering: zeewering, dijken, kaden en andere kunstmatige of natuurlijke hoogten, onder welke benaming ook, die dienen tot kering van zee-, rivier-, boezem- of polderwater.

    • 21.

      Waterstaatswerk: waterstaatswerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, Waterwet.

    • 22.

      Watersysteem: watersysteem zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Waterwet.

    • 23.

      Watervergunning: watervergunning als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet.

    • 24.

      Vervallen.

    • 25.

      Werken: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies met toebehoren, niet zijnde waterstaatswerken.

Artikel 1.2 Verplichtingen

    • 1

      Wanneer gronden met een beperkt zakelijk recht zijn bezwaard, of krachtens persoonlijk recht in gebruik zijn gegeven, rusten de verplichtingen die ingevolge deze keur zijn gericht aan de eigenaar van de gronden, ook op die gerechtigden onderscheidenlijk die gebruikers.

    • 2.

      Ieder van de in het eerste lid genoemde gerechtigden of gebruikers kan worden aangesproken voor het nakomen van het geheel van de verplichtingen ingevolge deze keur.

Hoofdstuk 2 Beheer en onderhoud van waterstaatswerken

§ 1  Onderhoudsplichtigen

Artikel 2.1 Onderhoudsplichtigen

[vervallen]

  • § 2 Onderhoudsverplichtingen 

Artikel 2.2 Gewoon onderhoud waterkeringen

[vervallen]

Artikel 2.3 Buitengewoon onderhoud waterkeringen

[vervallen]

Artikel 2.4 Gewoon onderhoud oppervlaktewaterlichamen

[vervallen]

Artikel 2.5 Buitengewoon onderhoud oppervlaktewaterlichamen

[vervallen]

Artikel 2.6 Onderhoud ondersteunende kunstwerken

[vervallen]

Artikel 2.7 Onderhoud bergingsgebieden

[vervallen]

Artikel 2.8 Afwijkende onderhouds-verplichtingen

[vervallen]

§ 3  Overige gebodsbepalingen en algemene of nadere regels

Artikel 2.9 Onderhoud werken

De eigenaren van werken zijn verplicht die werken in een zodanige staat te houden, dat geen nadelige gevolgen ontstaan voor waterstaatswerken.

Artikel 2.10 Veekerende voorzieningen

De eigenaren van gronden die worden gebruikt voor het houden van dieren en die zijn gelegen op of nabij natte ecologische zones of waterkeringen zijn verplicht op of langs hun gronden een voldoende veekerende voorziening te hebben en te houden.

Artikel 2.11 Coupures en sluizen

De eigenaren van in waterkeringen voorkomende coupures en sluizen zijn verplicht, op eerste aanzegging door of namens het bestuur, deze onmiddellijk te sluiten.

Artikel 2.12 Peilregulerende kunstwerken

De eigenaren van peilregulerende kunstwerken zijn verplicht het door of namens het bestuur bepaalde peil in te stellen en in stand te houden.

Artikel 2.13 Algemene of nadere regels

Het bestuur kan voor de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2.2 tot en met 2.12, algemene regels stellen, die een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de in deze artikelen genoemde geboden kunnen inhouden of nadere regels met betrekking tot deze verplichtingen.

Hoofdstuk 3 Handelingen in het watersysteem

§ 1  Verbodsbepalingen

Artikel 3.1 Watervergunning waterstaatswerken en bijbehorende zones

    • 1.

      Het is verboden zonder vergunning van het bestuur waterstaatswerken aan te leggen of te wijzigen.

    • 2.

      Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden, vaste substanties of voorwerpen te laten staan, of te laten liggen, of de waterstand op een ander peil te brengen of houden dan het peil dat in het peilbesluit is vastgesteld.

    • 3.

      Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.

    • 4.

      Voor waterstaatswerken waarvoor een projectplan als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet, is vastgesteld, of een watervergunning is verleend, maar waarvoor de bijbehorende vaststelling of wijziging van een legger nog niet in werking is getreden, worden voor de verbodsbepalingen, bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, de ligging, vorm, afmeting en constructie van het waterstaatswerk aangehouden, zoals aangegeven in het projectplan of de watervergunning.

Artikel 3.2 Watervergunning water brengen in en onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen

  • Het is verboden zonder vergunning van het bestuur water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.

Artikel 3.3 Watervergunning onttrekken van grondwater en infiltreren van water

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het bestuur grondwater te onttrekken of water te infiltreren.

  • 2.

    Onttrekkingsinrichtingen of infiltratiewerken die vanwege één opdrachtgever of in één project plaatsvinden en die een samenhangend geheel vormen, gelden als één inrichting.

 

§ 2  Overige verbodsbepaling, zorgplicht, algemene regels en maatwerkvoorschriften

Artikel 3.4 Algeheel verbod bij calamiteiten

  • 1.

    In geval van grote schaarste of overvloed aan water of grondwater, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, of indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan door of namens het bestuur, indien nodig in afwijking van watervergunningen, vrijstellingen of peilbesluiten, worden verboden:

    • a.

      water te brengen in of naar of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen;

    • b.

      grondwater te onttrekken of water te infiltreren.

  • 2.

    Zodra het bestuur instandhouding van het verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het direct de intrekking van het verbod bekend.

Artikel 3.5 Zorgplicht

  • 1.

    Ieder die handelingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door het verrichten van die handelingen of het nalaten daarvan inbreuk kan worden gemaakt op het watersysteem, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem verwacht mogen worden, ten einde die inbreuk te voorkomen, dan wel indien van een inbreuk reeds sprake is, al het mogelijke te doen om de gevolgen daarvan zoveel mogelijk ongedaan te maken.

  • 2.

    Degene die handelingen verricht als bedoeld in het eerste lid, meldt die inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen, zo spoedig mogelijk aan het bestuur.

  • 3.

    Door of namens het bestuur kunnen aanwijzingen worden geven over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Degene aan wie door of namens het bestuur aanwijzingen wordt gegeven als bedoeld in het derde lid, is gehouden die aanwijzingen op te volgen.

Artikel 3.6 Algemene regels en maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Het bestuur kan voor het verrichten van handelingen als bedoeld in de artikelen 3.1 tot en met 3.3, algemene regels stellen, die een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de watervergunningplicht, of een algeheel verbod voor het verrichten van bepaalde handelingen kunnen inhouden.

  • 2.

    Bij regeling krachtens het eerste lid, kan mede de verplichting worden opgelegd handelingen te melden, metingen uit te voeren, gegevens te registreren en daarvan opgave te doen aan het bestuur.

  • 3.

    Ten aanzien van het verrichten van handelingen waarvoor krachtens het eerste lid geen watervergunning is vereist, kan het bestuur maatwerkvoorschriften stellen met het oog op de bescherming van het watersysteem.

Artikel 3.7 Vrijstelling watervergunningsplicht

Geen vergunning krachtens artikel 3.1 tot en met 3.3 is vereist indien de handelingen plaatsvinden in het kader van de uitvoering van:

  • a.

    een projectplan als bedoeld in de Waterwet dat is vastgesteld door het Hoogheemraadschap van Delfland;

  • b.

    buitengewoon onderhoud aan waterkeringen of ondersteunende kunstwerken door of in opdracht van het Hoogheemraadschap van Delfland;

  • c.

    buitengewoon onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen;

  • d.

    gewoon onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen of ondersteunende kunstwerken;

  • e.

    onderhoud aan bergingsgebieden.

Hoofdstuk4 Toezicht en handhaving

Artikel 4.1 Aanwijzing toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze keur zijn belast de daartoe door het bestuur aangewezen ambtenaren van het waterschap of andere personen.

Artikel 4.2 Schouw

[vervallen]

Artikel 4.3 Strafbepalingen

  • 1.

    Overtreding van de bepalingen van deze keur en de daarop gebaseerde regelgeving wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als genoemd in artikel 23 Wetboek van Strafrecht, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 2.

    Indien ten tijde van het plegen van de in het eerste lid genoemde overtreding nog geen jaar is verlopen sinds een vroegere veroordeling van de overtreder wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis tot het dubbele van het gestelde maximum worden opgelegd.

  • 3.

    Overtreding van deze keur en de bij of krachtens de keur gestelde regels en voorschriften is verboden.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 5.1 Overgangsbepaling vergunning en handhaving

  • 1.

    Een watervergunning die is verleend voor inwerkingtreding van deze keur, wordt geacht ingevolge deze keur te zijn verleend.

  • 2.

    Een beschikking tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom, of een aanwijzing die is opgelegd voor inwerkingtreding van deze keur, wordt geacht ingevolge deze keur te zijn opgelegd.

  • 3.

    Indien voor inwerkingtreding van deze keur met betrekking tot een activiteit als bedoeld in deze keur een beschikking tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom, of een aanwijzing is opgelegd, blijft de Keur Delfland 2010 van toepassing totdat die beschikking onherroepelijk is geworden.

  • 4.

    Een beschikking als bedoeld in het derde lid wordt, nadat deze onherroepelijk is geworden, gelijkgesteld met een beschikking ingevolge deze keur.

Artikel 5.2 Overgangsbepaling zoneringen waterkeringen

De benamingen van zoneringen voor waterkeringen zoals vastgelegd in de Waterwet en deze keur verschillen van de benamingen in de voorgaande keuren en de daaronder vastgestelde leggers. Daarom wordt de volgende conversietabel gehanteerd totdat de legger is herzien:

Voorgaande leggers

Keur Delfland

Waterkering kernzone

Waterstaatswerk

Waterkering beschermingszone

Beschermingszone

Waterkering buitenbeschermingszone

 

Profiel van vrije ruimte

 

Artikel 5.3 Intrekking keur

De Keur Delfland 2010 wordt ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van deze keur.

Artikel 5.4 Inwerkingtreding

Deze keur treedt in werking met ingang van de dag na publicatie ervan in het Waterschapsblad. 

Artikel 5.5 Citeertitel

De keur wordt aangehaald als "Keur Delfland".

Toelichting

Algemeen

Inleiding

Het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) zorgt voor het waterbeheer in zijn beheergebied. Het beheergebied wordt begrensd door de duinkust langs de Noordzee, de noordoever van de Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas, de lijn Rotterdam-Zoetermeer-Wassenaar en de grenzen met de beheergebieden van de hoogheemraadschappen van Rijnland in het noorden en Schieland en de Krimpenerwaard in het oosten.

Een van de taken van Delfland is om in het beheergebied te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. De Waterwet geeft aan dat bij de invulling van die taak drie doelstellingen worden nagestreefd:

  • 1.

    het voorkomen of beperken van overstroming, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met

  • 2.

    het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen,

  • 3.

    het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.

 

Om deze doelen te kunnen realiseren beschikt Delfland over een eigen verordening, die van oudsher de keur heet. De keur is een belangrijk instrument voor Delfland om activiteiten in en rond het watersysteem in goede banen te leiden en het watersysteem daarbij te beschermen.

Delfland stelt daarin kaders die maatschappelijk gewenste initiatieven van burgers en bedrijven mogelijk maken en de kwaliteit van het watersysteem waarborgen.

De keur is één van de instrumenten die Delfland ter beschikking staat om de doelstellingen van waterbeheer te behalen, naast andere instrumenten zoals leggers, het watertoetsproces en projectplannen.

 

Grondslag van de keur

De keur is een verordening die de Verenigde Vergadering vaststelt op basis van artikel 78 van de Waterschapswet. De keur bevat bepalingen die nodig zijn voor de behartiging van de opgedragen taak om zorg te dragen voor het watersysteem.

 

Bij het opstellen van de keur is rekening gehouden met en invulling gegeven aan in ieder geval de volgende (hogere) regelgeving: de Waterschapswet, de Waterwet, de op de Waterwet gebaseerde regelgeving, de provinciale Waterverordening en het Reglement van bestuur.

 

De keur, beleidsregels, algemene regels en maatwerkvoorschriften

De keur heeft een beschermend karakter en bevat gebods- en verbodsbepalingen om het watersysteem te beheren. De bepalingen hebben betrekking op het onderhoud, de aanleg en gebruik van oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken.

 

De keur bevat het gebod om oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken te onderhouden. In de keur is bepaald dat onderhoudsplichtigen in beginsel zijn aangewezen in de legger. Ook is in de keur bepaald wat de onderhoudsverplichtingen omvatten.

Daarnaast zijn geboden opgenomen met betrekking tot het plaatsen van veekerende voorzieningen, het sluiten van coupures en sluizen en het instellen van peilregulerende kunstwerken.

In de keur zijn de geboden algemeen omschreven. Vervolgens is in de keur de bevoegdheid opgenomen voor het bestuur vrijstelling van de geboden te regelen met algemene regels of nadere regels te stellen om nadere invulling te geven aan de geboden.

 

De keur bevat ook verboden om zonder watervergunning van het college van dijkgraaf en hoogheemraden (hierna: het bestuur) bepaalde handelingen in het watersysteem te verrichten. Daar waar de risico’s voor het watersysteem en de omgeving het grootst zijn, is de watervergunning een effectief instrument om nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit, de waterkwantiteit en de veiligheid van de omgeving te voorkomen. Zo mag niet zonder watervergunning een waterstaatswerk zoals een waterkering of een oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd of gewijzigd. Ook geldt er een vergunningverbod om handelingen in waterstaatswerken te verrichten, voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water. Het brengen van water in of het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam is ook verboden zonder watervergunning.

 

Aanvragen om een watervergunning worden getoetst aan Delflands beleid en in het bijzonder aan beleidsregels. De beleidsregels worden door het bestuur vastgesteld. Daarin is beschreven hoe de afweging van het algemene belang van het watersysteem tegenover het particuliere belang van de aanvrager van de watervergunning plaatsvindt. Daarmee is helder en inzichtelijk hoe door Delfland wordt beoordeeld of een watervergunning kan worden verleend.

 

In het proces om te komen tot een watervergunning speelt het vooroverleg een steeds belangrijkere rol. Tijdens het vooroverleg worden niet alleen de wettelijke kaders aangegeven, maar wordt vooral gekeken naar oplossingen die zowel voor de initiatiefnemer als voor Delfland goed werken en die niet leiden tot extra kosten in beheer in de toekomst of tot afbraak van investeringen. Hierbij wordt ook gekeken naar kansen voor Delfland om knelpunten of opgaven samen op te lossen met werken van derden. Ook de toename van projecten waarin gebruik wordt gemaakt van innovatieve oplossingen of nieuwe contractvormen zoals design en construct vergt veel maatwerk en afstemming. Vroegtijdig overleg tussen aanvrager en Delfland is hier noodzakelijk om goede randvoorwaarden te kunnen stellen.

 

In de keur zijn de vergunningverboden algemeen omschreven. Vervolgens is in de keur de bevoegdheid opgenomen voor het bestuur om voor bepaalde handelingen vrijstelling van de vergunningplicht te regelen en algemene regels te geven die bij de handeling in acht moeten worden genomen.

Algemene regels zijn een effectief instrument voor eenvoudige ingrepen en handelingen die geen of nauwelijks risico’s met zich meebrengen voor het watersysteem. Belangrijk voordeel van algemene regels is dat zij leiden tot minder regeldruk en administratieve lasten voor burgers en bedrijven.

Het bestuur heeft van de bevoegdheid in de keur gebruik gemaakt en de Algemene regels behorende bij de Keur Delfland vastgesteld. Hierin zijn vrijstellingen van de watervergunningplicht geregeld voor het verrichten van handelingen in en om waterstaatswerken en het onttrekken van grondwater. In sommige gevallen geldt daarbij een meldplicht.

 

Het bestuur kan op grond van deze keur in individuele gevallen, in aanvulling op de algemene regels, maatwerkvoorschriften stellen in een beschikking met het oog op de bescherming van het watersysteem.

 

De keur en de leggers

Om te bepalen waar de verschillende keurbepalingen en algemene regels gelden is de legger van belang. In de legger worden de waterstaatswerken en de daaraan grenzende zones zoals de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte aangegeven. Binnen de in de legger aangegeven zones zijn de bepalingen uit de keur van toepassing. Daarbij wordt in de legger de ligging, vorm, afmeting en constructie van de waterstaatswerken aangegeven en is aangewezen wie onderhoudsplichtige van een waterstaatswerk is.

 

Bij Delfland gelden thans de volgende leggers:

  • 1.

    de legger Wateren (oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, bepaalde ondersteunende kunstwerken en bijbehorende zones);

  • 2.

    de legger Zeewering (primaire waterkering en bijbehorende zones);

  • 3.

    de legger Delflandse dijk, Zeedijk, en Rivierdijk (primaire waterkering en bijbehorende zones);

  • 4.

    de legger Regionale Waterkeringen (regionale waterkeringen en bijbehorende zones);

  • 5.

    de legger van de Binnenwaterkeringen, Landscheidingen, Boezemkaden, Polderkaden en Waterscheidingen (overige waterkeringen en bijbehorende zones).

 

De actuele leggers staan op de website van Delfland: www.hhdelfland.nl.

De leggers zijn gebaseerd op zowel de Waterschapswet als de Waterwet. De leggers op grond van de Waterschapswet bevatten de onderhoudsplichtigen en worden ook wel de onderhoudsleggers genoemd. De leggers op grond van de Waterwet bevatten de ligging van de waterstaatswerken en van de daaraan grenzende zones en daarin is omschreven waaraan de waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie minimaal moeten voldoen om te voldoen aan veiligheidsnormen. De leggers op grond van de Waterwet worden ook wel normatieve leggers genoemd. Bij Delfland zijn beide soorten legger gecombineerd in één legger.

 

Chemische waterkwaliteit

Voor de bescherming van de chemische waterkwaliteit tegen lozingen of uitloging van schadelijke of verontreinigende stoffen op of in een oppervlaktewaterlichaam is in deze keur niets geregeld. De Waterwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, regelen dit nagenoeg uitputtend en laten daarom bijna geen ruimte voor aanvullende regeling op decentraal niveau.

 

De meeste lozingen worden geregeld met algemene regels op grond van drie besluiten: het Activiteitenbesluit, het Besluit lozen buiten inrichtingen en het Besluit lozing afvalwater huishoudens. Delfland ontvangt en beoordeelt meldingen op grond van de algemene regels en ziet toe op de naleving daarvan. Ook is Delfland bevoegd gezag voor het stellen van maatwerkvoorschriften. Voor de meest risicovolle lozingen op oppervlaktewaterlichamen bijvoorbeeld een lozing vanuit een IPPC inrichting is een watervergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet nodig. Delfland is bevoegd gezag voor de vergunningplichtige lozingen in oppervlaktewaterlichamen in Delflands beheergebied.

 

Ecologische kwaliteit

In de keur en de daarop gebaseerde algemene regels en beleidsregels zijn ook bepalingen ter bevordering en bescherming van de ecologische kwaliteit opgenomen. Een goede ecologische kwaliteit betekent dat water, oever en waterbodem voldoende leefmogelijkheden bieden aan de daar van nature thuis horende planten en dieren.

 

Voor een goede ecologische kwaliteit is de inrichting van het watersysteem belangrijk. Daarom wordt gestreefd naar een inrichting van watersystemen die ook voldoende ruimte biedt voor natuurlijke processen en voor gezonde populaties van flora en fauna. Dit gebeurt door de realisatie van natte ecologische zones, bijvoorbeeld via de aanleg van natuurvriendelijke oevers en vispaaiplaatsen. In de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de effecten van de handeling op de ecologische kwaliteit van het watersysteem. De bescherming van natte ecologische zones neemt daarbij een belangrijke plaats in. Deze zones worden beschermd tegen handelingen die de (ontwikkeling van de) ecologische toestand kunnen verstoren.

De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de onderhoudsverplichtingen uit deze keur, moet ook gericht zijn op de bescherming van de ecologische kwaliteit. Vooral in natte ecologische zones is het onderhoud specifiek gericht op het waarborgen en ontwikkelen van een goede ecologische kwaliteit.

 

De bescherming van de (natte) flora en fauna zelf is geregeld in de Flora - en faunawet en de Natuurbeschermingswet. Onderhoudsplichtigen zijn ervoor verantwoordelijk dat zij bij het uitvoeren van de onderhoudsverplichtingen ook voldoen aan deze regelgeving. Zo gelden bijvoorbeeld tijdens het broedseizoen (ook wel gesloten seizoen genoemd) eisen voor de manier waarop het onderhoud moet worden uitgevoerd. Dit betekent bijvoorbeeld dat het maaien van watergangen alleen plaats vindt buiten het broedseizoen, waarbij de flora en fauna zo veel mogelijk met rust wordt gelaten. Eveneens zijn bij de uitvoering eventueel aanvullende maatregelen nodig om de fauna te beschermen zoals afscherming van vogelnesten. Voor de wijze van uitvoeren van de onderhoudsverplichtingen is een speciale Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen opgesteld.

 

Opbouw van de keur

De opbouw van de keur is vergelijkbaar met de opbouw van de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving en is als volgt:

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen 

Hoofdstuk 2 Beheer en onderhoud van waterstaatswerken

Hoofdstuk 3 Handelingen in het watersysteem

Hoofdstuk 4 Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen.

 

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

Voor begrippen die in de keur voorkomen en waarvoor een begripsomschrijving nodig is om interpretatieverschillen te voorkomen, zijn in dit artikel begripsomschrijvingen opgenomen.

Voor begrippen die in de keur en in de Waterwet voorkomen, zijn de begripsomschrijving uit de Waterwet overgenomen. Het gaat om de volgende begrippen: bergingsgebied, beschermingszone, grondwater, infiltreren van water, onttrekken van grondwater, onttrekkingsinrichting, oppervlaktewaterlichaam, waterstaatswerk, watersysteem en watervergunning. Voor een toelichting bij deze begrippen wordt verwezen naar de Memorie van toelichting bij de Waterwet.

 

Legger

In afwijking van de begripsomschrijving uit de Waterwet, wordt met legger in de keur bedoeld de legger op grond van de Waterwet en de legger op grond van de Waterschapswet. In het algemeen deel van deze toelichting is hierover meer uitleg opgenomen.

Natte ecologische zone

Natte ecologische zones worden opgenomen in de legger Wateren, onder andere omdat het in stand houden hiervan noodzakelijk is voor een goede ecologische waterkwaliteit. Natte ecologische zones worden gerealiseerd met als belangrijkste doel de ecologische waterkwaliteit te verbeteren. Het zijn zones in of langs water waarin door inrichting en ecologisch geoptimaliseerd beheer een leefgebied is gecreëerd voor waterplanten en -dieren. Dergelijke zones hoeven niet (volledig) onder water te staan, ook bijvoorbeeld drogere zones waarbij het dienen van de watergebonden ecologie het hoofddoel is, kunnen hier onder vallen. Naast de functie van leefgebied kan een natte ecologische zone ook dienen als (onderdeel van) een ecologische verbindingszone.

Ondersteunend kunstwerk

De kunstwerken die ten dienste staan van oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en waterkeringen zijn ondersteunende kunstwerken en vallen daarmee ook onder het begrip waterstaatswerk. De kunstwerken die door Delfland in het kader van zijn waterbeheertaak, worden aangelegd of onderhouden zijn over het algemeen ondersteunende kunstwerken. Het gaat hier om bijvoorbeeld gemalen, stuwen, vispassages, inlaten, duikers, coupures, sluizen en waterkerende constructies.

Werken zoals steigers, vlonders of bruggen vallen niet onder het begrip ondersteunende kunstwerken. Ook een zuiveringtechnisch werk is geen ondersteunend kunstwerk en dus geen waterstaatswerk.

Oppervlaktewaterlichaam

Dit begrip is overgenomen uit de Waterwet. 

Onder het begrip oppervlaktewaterlichaam vallen niet alleen het watervoerend deel van een watergang maar ook de oevers. 

Ook droge oevers die alleen in bepaalde perioden onder water staan vallen onder dit begrip. Denk aan drogere oevergebieden die ingericht zijn voor de tijdelijke opslag van water zoals waterbergingen. 

Ook natte ecologische zones kunnen zich op de oevers bevinden en maken onderdeel uit van het oppervlaktewaterlichaam. Natte ecologische zones die gedurende bepaalde perioden in het jaar droog staan zoals een vispaaiplaats met opmaling of een drasberm vallen ook onder het begrip oppervlaktewaterlichaam.

Geïsoleerde wateren die niet in verbinding staan met andere oppervlaktewaterlichamen of watersystemen en geen functie hebben in de aan en afvoer van water, of waterberging vallen niet onder dit begrip. Zoals een siervijver in de tuin.

In de legger Wateren worden er verschillende functies van oppervlaktewaterlichamen onderscheiden: primaire wateren, secundaire wateren, waterbergingen en natte ecologische zones. Al naar gelang de functie verschillen de geboden en verboden uit en ingevolge deze keur.

Profiel van vrije ruimte

Bij waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen kunnen drie verschillende zones worden onderscheiden, namelijk het waterstaatswerk zelf, de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte. De beschermingszone heeft als doel de bescherming van en/of het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden van het waterstaatswerk. Het profiel van vrije ruimte heeft tevens tot doel de toekomstige verbetering van het waterstaatswerk mogelijk te maken. Het profiel van vrije ruimte kan bij alle bestaande en bij toekomstige waterstaatswerken worden vastgelegd. De zones zijn vastgelegd in de legger.

Schouwpeil

Het schouwpeil wordt in het peilbesluit vastgesteld. Een peilbesluit is een besluit van het waterschap waarin het peil van het oppervlaktewater in elk polderdeel wordt geregeld. Het schouwpeil is maatgevend voor het bepalen van de waterdiepte en het referentieniveau voor het voeren van schouw, verlenen van watervergunningen en het uitvoeren van onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen.

Als in het peilbesluit niet expliciet een schouwpeil is opgenomen geldt in peilgebieden waar sprake is van een zomer- en winterpeil, dat het schouwpeil gelijk is aan het winterpeil en als sprake is van een flexibel peil, dat het schouwpeil gelijk is aan het midden tussen de boven- en ondergrens als schouwpeil.

Waterkering

Waterkeringen beschermen achtergelegen land tegen overstroming door water.

Dit kan in de vorm van grondlichamen of hoger gelegen gronden zoals duinen, dijken en kades, maar ook damwanden, stuwen, sluizen of andere ondersteunende kunstwerken kunnen een waterkerende functie hebben. De ligging van de waterkeringen zijn in de leggers opgenomen.

Binnen Delfland wordt er onderscheid gemaakt in verschillende typen waterkeringen: primaire, regionale en overige waterkeringen. De primaire waterkering is aangewezen in de Waterwet en biedt beveiliging tegen overstroming vanuit zee of rivier. De primaire waterkering binnen Delfland maakt onderdeel uit van het in de Waterwet opgenomen dijkringgebied 14 waarvoor in de Waterwet een norm voor de veiligheid tegen overstroming is opgenomen.

Een regionale waterkering biedt beveiliging tegen overstroming vanuit boezemwater of binnenboezem. Deze waterkeringen zijn aangewezen door de provincie Zuid Holland in de Waterverordening Zuid-Holland. In de Waterverordening is voor deze keringen ook een norm voor de veiligheid tegen overstroming vastgelegd.

De categorie overige waterkeringen liggen in de polders en bestaat uit binnenwaterkeringen de polderkaden, landscheidingen en waterscheidingen.

 

Bovenwatertalud, oeverlijn, schouwpeil, en watervoerend deel

Uit onderstaande figuur blijkt wat wordt bedoeld met de begrippen: bovenwatertalud, oeverlijn, schouwpeil, en watervoerend deel.

Figuur 1. Schematische dwarsdoorsnede van een oppervlaktewaterlichaam en bijbehorende beschermingszones (zonder natte ecologische zone of waterberging)

Artikel 1.2 Verplichtingen

Dit artikel regelt dat als de verplichtingen ingevolge de keur rusten op de eigenaren van gronden, deze ook gelden voor de beperkt zakelijk gerechtigden en gebruikers krachtens persoonlijk recht. Dit kunnen bijvoorbeeld een huurder, pachter of feitelijk gebruiker van de gronden zijn. De verplichtingen berusten op al deze gerechtigden en een ieder van deze gerechtigden kan aangesproken worden voor het geheel. Deze gebruikers hebben het, soms meer dan de eigenaar, in hun macht om te voldoen aan de verplichtingen en zijn daarbij meestal ook het meest gebaat.

Hoofdstuk 2 Beheer en onderhoud van waterstaatswerken

  § 1  Onderhoudsplichtigen

Artikel 2.12 Onderhoudsplichtigen

In dit artikel wordt de verbinding gelegd tussen de keur en de legger (zie voor meer uitleg in het algemeen deel van deze toelichting).

De legger geeft aan wie onderhoudsplichtig zijn van waterstaatswerken en de gebodsbepalingen in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 geven aan wat de onderhoudsverplichtingen omvatten.

In het tweede en derde lid van dit artikel is een vangnet opgenomen voor de situatie dat er (nog) geen onderhoudsplichtige in de legger is aangewezen. Voor die situaties is geregeld dat bijvoorbeeld de vergunninghouder of de eigenaar onderhoudsplichtige is.

Indien door of namens Delfland een waterstaatswerk is aangelegd op grond van een projectplan, dan is Delfland zelf onderhoudsplichtig totdat de legger op de nieuwe situatie is aangepast.

§ 2 Onderhoudsverplichtingen

Artikel 2.2 Gewoon onderhoud waterkeringen

Het gewoon onderhoud is gericht op het waterkerend houden van de waterkering.

De concrete verplichtingen zijn vooral bedoeld om de bekleding in stand te houden, kleine schade te voorkomen of te herstellen, en de waterkering toegankelijk te houden voor onderhoudsmaterieel en inspecties.

Onder het instandhouden van begroeiingen dienstig aan de waterkering wordt bijvoorbeeld verstaan het periodiek maaien, om kale plekken en de vestiging van ongewenste plantensoorten met diepe wortels te voorkomen en om de waterkering te kunnen inspecteren op gaten en scheuren.

Onder materialen dienstig aan de waterkering worden bijvoorbeeld dijkbekledingen anders dan begroeiing verstaan, zoals een asfalt- of steenbekleding. Het in stand houden van deze materialen houdt onder andere in dat ervoor gezorgd wordt dat er geen gaten ontstaan, die de erosiebestendigheid van de waterkering aantasten.

Denk bij het bestrijden van dieren die schade toebrengen aan het bestrijden van mollen en konijnen en van andere dieren die aantoonbaar schade toebrengen aan het waterkerend vermogen van de waterkering.

De bestrijding van muskus- en beverratten is een taak van Delfland (zie artikel 1, derde lid, van de Waterschapswet en artikel 3.2a van de Waterwet) en is dan ook uitgezonderd van de onderhoudsverplichting.

Denk bij het verwijderen van schadelijke begroeiing voor de waterkering aan diep wortelende planten en begroeiing die door schaduwwerking ervoor zorgt dat er kale plekken in de bekleding ontstaan. Begroeiing met grote of diepe wortels kan zorgen voor ongewenste gangen of ruimtes in de waterkering, terwijl kale plekken de erosiebestendigheid van een waterkering aantasten. Onder schadelijke begroeiing rekenen we ook invasieve uitheemse plantensoorten. Deze moeten worden verwijderd om te voorkomen dat zij zich gaan verspreiden.

Denk bij het herstellen van schade aan bijvoorbeeld het dichten van mollengangen en konijnengangen en andere kleine schade.

In de schouw wordt in de zomer en het najaar systematisch gecontroleerd of onderhoudsplichtigen zich aan de onderhoudsplicht hebben gehouden.

Artikel 2.3 Buitengewoon onderhoud waterkeringen

Het buitengewoon onderhoud is gericht op het waterkerend houden van de waterkering, zodat die voldoet aan veiligheidsnormen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het in stand houden van het leggerprofiel of het doorgaand grensprofiel van een waterkering.

Artikel 2.4 Gewoon onderhoud oppervlakte-waterlichamen

Het gewoon onderhoud is gericht op het waarborgen van de doorstroming en van de berging van water, het beschermen van de waterkwaliteit en op het bereikbaar houden van het oppervlaktewaterlichaam voor onderhoudsmaterieel en inspectie.

Bij het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam wordt onderscheid gemaakt in onderhoud van het watervoerende deel, het bovenwatertalud en de beschermingszone, en natte ecologische zones.

Watervoerende deel:

Het gewoon onderhoud van het watervoerende deel is primair gericht op het waarborgen van de doorstroming en het bergend vermogen van de betreffende watergang.

Het watervoerende deel moet vrij gehouden worden van schadelijke begroeiing. Onder schadelijke begroeiing wordt verstaan begroeiing die een ontoelaatbare beperking voor de doorstroming van het water betekent of die bij verlanding het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam beperkt. Onder schadelijke begroeiing rekenen we ook invasieve uitheemse plantensoorten. Deze moeten worden verwijderd om te voorkomen dat zij zich gaan verspreiden.

Onder gewoon onderhoud van het watervoerend deel valt tevens de verplichting om schadelijk afval te verwijderen. Hierbij gaat het zowel om anorganisch afval zoals zwerf- en drijfvuil, als om organisch afval zoals dode vissen, kadavers en plantenrestanten. Dit afval moet worden verwijderd als dit de doorstroming belemmert of een negatief effect heeft voor de waterkwaliteit. In andere gevallen valt verwijderen van het afval niet onder de verantwoordelijkheid van de waterbeheerder en wordt de verplichting voor het verwijderen van afval vanuit andere (gemeentelijke) verantwoordelijkheden bepaald zoals het schoonhouden van de openbare ruimte, of het milieu. In de praktijk vindt in het watervoerende deel ook vaak kroosvorming plaats of is sprake van bladval van bomen. Het verwijderen van kroos en bladval die geen belemmering vormen voor de doorstroming, de berging of geen risico vormen voor de waterkwaliteit, vallen niet onder het gewoon onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam.

Bovenwatertalud en de beschermingszone:

Onder het gewoon onderhoud van het bovenwatertalud valt de verplichting tot instandhouding van aanwezige oeverconstructies zoals kademuren en beschoeiingen. Het gaat om oeverconstructies die niet (als onderdeel van) een waterkering zijn aangewezen. De oeverconstructies zijn bedoeld om te voorkomen dat door afkalving of inzakking de doorstroming van het water wordt belemmerd of aangelegde onderhoudsstroken inzakken. Zolang afkalving van de oever geen belemmering vormt voor het doorstroomprofiel, voor het uitvoeren van het onderhoud, of voor een natte ecologische zone, is er voor Delfland geen probleem. Ook moeten de beschermingszones worden gemaaid en vrijgehouden zodat deze voor het onderhoudsmaterieel bereikbaar zijn en inspectie kan worden uitgevoerd.

Als onderdeel van het gewoon onderhoud van het bovenwatertalud dienen overhangende takken van bomen of struiken in het talud, die het onderhoud van het watervoerende deel of een natte ecologische zone of de inspectie of schouw belemmeren of die door schaduwwerking een negatief effect hebben op de (ecologische) waterkwaliteit, te worden verwijderd.

Natte ecologische zones:

In natte ecologische zones (o.a. natuurvriendelijke oevers, vispaaiplaatsen) is het onderhoud specifiek gericht op het waarborgen en ontwikkelen van een goede ecologische toestand waarbij het menselijk ingrijpen tot een minimum wordt beperkt. In afwijking van het gewoon onderhoud van het watervoerende deel en het bovenwatertalud, worden natte ecologische zones in algemene zin zo extensief mogelijk onderhouden en hoeft niet standaard een of twee keer per jaar de begroeiing te worden gemaaid. Per natte ecologische zone is bij het gewoon onderhoud meer maatwerk nodig en mogelijk. Het maatwerk is afhankelijk van het type natte ecologische zone en de betreffende omgevingsfactoren. Dit type is vastgelegd in de legger. Het gewenste onderhoud per type is vastgelegd in beleid en beheerplannen.

Artikel 2.5 Buitengewoon onderhoud oppervlakte-waterlichamen

Het buitengewoon onderhoud is gericht op het in stand houden van de afvoercapaciteit van het watersysteem. Daarnaast kan het een bijdrage leveren aan de waterkwaliteit.

 Bij het buitengewoon onderhoud van een natte ecologische zone dient het specifieke profiel van de natte ecologische zone in stand te worden gehouden. Het kan daarvoor bijvoorbeeld nodig zijn dat de zone hiertoe periodiek wordt uitgekrabd.

Artikel 2.8 Afwijkende onderhoudsverplichtingen

Er zijn uitzonderlijke situaties waarin het niet wenselijk is de onderhoudsverplichtingen uit de keur toe te passen. Voor die gevallen kan op grond van dit artikel maatwerk worden geleverd in een watervergunning. De onderhoudsverplichtingen kunnen dan worden afgestemd op bijvoorbeeld specifieke kenmerken en doelstellingen in het gebied.

 

 

§ 3 Overige gebodsbepalingen en algemene of nadere regels

Artikel 2.9 Onderhoud werken

De eigenaren van werken bij waterstaatswerken moeten ervoor zorgen dat door die werken geen nadelige gevolgen ontstaan voor waterstaatswerken. Zo moet bijvoorbeeld een brug geen belemmering gaan vormen voor de doorstroming doordat er delen van in de onderliggende watergang terecht komen. 

Artikel 2.10 Veekerende voorzieningen

varkens en die in de buurt van natte ecologische zones of waterkeringen liggen moet een voorziening worden geplaats om deze dieren tegen te houden. Dit met de bedoeling te voorkomen dat deze dieren de waterstaatswerken beschadigen of de werking ervan belemmeren bijvoorbeeld door vraat of vertrapping. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot vermindering van de stabiliteit van een waterkering of de doorstroming en schade toebrengen aan natte ecologische zones en de chemische en ecologische kwaliteit van het water. Het plaatsen van een voorziening is niet verplicht op het moment dat de gronden niet gebruikt worden door vee. Op grond van artikel 2.13 kan het bestuur algemene of nadere regels stellen over deze verplichting, bijvoorbeeld over constructies en wijze van plaatsing.

 

Artikel 2.11 Coupures en sluizen

Bij hoog water of bij oefeningen kan het nodig zijn coupures en sluizen te sluiten met het oog op het voorkomen van overstroming van achter de waterkering gelegen gronden. De eigenaren zijn verplicht op eerste aanzegging van of namens het bestuur deze te sluiten.

Artikel 2.12 Peilregulerende kunstwerken

Delfland heeft het beheer over alle peilregulerende kunstwerken in het beheersgebied. Maar dat houdt niet in dat ook het eigendom of de bediening bij Delfland rusten. In het geval dat eigendom of bediening van een peilregulerend kunstwerk bij een particulier berust en deze bediening leidt tot een situatie die voor het peilbeheer van Delfland nadelig is, is het nodig dat Delfland de particulier kan verplichten een bepaald peil in te stellen en in stand te houden.

Dit gebeurt met een schriftelijke beschikking. Titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking. Tegen een dergelijk besluit staan alle gebruikelijke rechtsmiddelen uit de Algemene wet bestuursrecht open.

Artikel 2.13 Algemene regels of nadere regels

Op grond van dit artikel kan het bestuur in een verordening algemene en nadere regels stellen ten aanzien van de gebodsbepalingen in hoofdstuk 2. Nadere regels zijn een nadere uitwerking van de gebodsbepalingen uit deze keur. Het bestuur kan bijvoorbeeld vrijstelling verlenen van het gebod een veekerende voorziening te plaatsen in een bepaald soort gebied of kan nadere eisen stellen aan de onderhoudsverplichtingen zoals het onderhoud aan coupures en sluizen.

Hoofdstuk 3 Handelingen in watersystemen

Naast de gebodsbepalingen uit hoofdstuk 2 bevat de keur verbodsbepalingen om het watersysteem te beheren. Handelingen of het nalaten van handelingen die het watersysteem zoals het nu is en functioneert, kunnen frustreren, worden gereguleerd in dit hoofdstuk.

Daartoe is in dit hoofdstuk bepaald voor welke handelingen een watervergunning nodig is op grond van de keur. Het bestuur is bevoegd de watervergunningen te verlenen.

§ 1  Verbodsbepalingen

Deze paragraaf bevat de verbodsbepalingen

Watervergunning

In de Waterwet is bepaald dat alle bepalingen uit hoofdstuk 6, paragraaf 2, van de Waterwet ook van toepassing zijn voor watervergunningen op basis van de keur (artikel 6.13). De vergunningen op grond van de keur integreren daarmee in het vergunningstelsel van de Waterwet. Het gevolg is dat voor alle handelingen in een watersysteem steeds één vergunning nodig is: de watervergunning. Hiermee wordt gewaarborgd dat een integrale afweging van de bij het waterbeheer betrokken belangen kan plaatsvinden.

De bepalingen in hoofdstuk 6, paragraaf 2, van de Waterwet hebben onder meer betrekking op de aanvraag van een vergunning, de voorbereidingsprocedures en een samenloop regeling. Ook zijn bepalingen opgenomen over voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn te verbinden en wijziging- intrekkings-, en weigeringsgronden. 

Het initiatief en de verantwoordelijkheid om toestemming te verkrijgen ligt bij degene die de handelingen wenst te verrichten. Hiervoor moet hij een aanvraag indienen die voldoet aan de indieningsvereisten van de Waterregeling. Afhankelijk van het onderwerp geldt een langere of een kortere proceduretijd (voorbereidingsprocedure conform Titel 4.1 of Afdeling 3.4 van de Awb).

Het bestuur zal op basis van de aanvraag voor een watervergunning een afweging maken over de toelaatbaarheid van de handeling voor het watersysteem waarvoor vergunning wordt gevraagd. In veel gevallen zal die toelaatbaarheid mede afhangen van de manier waarop de handeling wordt uitgevoerd. Daarom kunnen aan een watervergunning voorschriften worden verbonden. Ook kan het nodig zijn de (afwikkeling van de) gevolgen van die handeling te reguleren, nadat de handeling is beëindigd.

Naast voorschriften kunnen aan een vergunning ook beperkingen worden verbonden. Bij beperkingen gaat het om de reikwijdte van de vergunning. Daarbij kan worden gedacht aan beperkingen naar plaats en tijd. Ook de omvang van de vergunde handeling kan worden beperkt. Denk bijvoorbeeld aan maximum hoeveelheden voor het onttrekken van grondwater aan een grondwaterlichaam.

De bevoegdheid om voorschriften of beperkingen aan een vergunning te verbinden is niet beperkt tot de belangen van het waterbeheer en kan ook worden gebruikt voor de bescherming van de belangen van derden. Dit volgt uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel schrijft voor dat een afweging van de rechtstreeks bij een besluit betrokken belangen moet plaatsvinden. Een vergunning mag niet worden geweigerd vanwege de belangen van derden, maar met deze belangen moet wel rekening worden gehouden bij de aan de vergunning te verbinden voorschriften. Denk hierbij aan het verbinden van voorschriften aan een vergunning voor een grondwateronttrekking om nabij gelegen zettingsgevoelige bebouwing te beschermen, of aan een voorschrift aan de hoogte van een brug om ervoor te zorgen dat er onder door gevaren kan worden.

Een watervergunning wordt geweigerd indien de doelstellingen of belangen van het waterbeheer, bedoeld in artikel 2.1, of artikel 6.11 van de Waterwet zich tegen vergunningverlening verzetten (artikel 6.21).

Leges

Voor het in behandeling nemen van de vergunningaanvraag kunnen kosten in de vorm van Leges zijn verbonden op grond van de Legesverordening Delfland.

 

Lex Silencio Positivo

De lex silencio positivo is niet van toepassing voor de vergunningverlening op grond van deze Keur. De lex silencio positivo, ofwel de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen, is het beginsel dat een vergunning geacht wordt te zijn verleend wanneer op de aanvraag daartoe niet binnen de wettelijke termijn is beslist. Toepassing van dit beginsel is op grond van de Algemene wet bestuursrecht facultatief (art. 4.20a, eerste lid, Awb), tenzij sprake is van vergunningen die vallen onder de Dienstenwet. Watervergunningen als bedoeld in deze keur vallen niet onder de Dienstenwet. Een specifieke bepaling in de keur om deze vergunningen uit te sluiten van de werking van de lex silencio positivo is dan ook niet nodig.

Artikel 3.1 Watervergunning waterstaatswerken en bijbehorende zones

Lid 1

Over het algemeen zal Delfland waterstaatswerken aanleggen en wijzigen. Hiervoor stelt Delfland een projectplan vast op grond van de Waterwet (artikel 5.4).

In de praktijk kan echter ook sprake zijn van aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door een derde. Het gaat dan meestal om gebruik van waterstaatswerken met aanleg of wijziging van (al dan niet andere) waterstaatswerken tot gevolg. Op grond van dit artikel is daarvoor een watervergunning van het bestuur nodig.

 

Lid 2

De formulering en reikwijdte van deze algemene en ruime verbodsbepaling sluiten aan bij de verbodsbepaling in het Waterbesluit ten aanzien van rijkswaterstaatswerken, waarvoor het Rijk beheerder is.

Bij de zinsnede ‘handelingen te verrichten, werken te behouden, of vaste of vloeibare substanties of voorwerpen te laten staan of te laten liggen‘ moet worden gedacht aan activiteiten die een oppervlaktewaterlichaam, de waterkering, het bergingsgebied, of de ondersteunende kunstwerken raken.

Denk aan handelingen die de stabiliteit en waterkerend vermogen van een waterkering kunnen aantasten zoals ophogingen, ontgravingen, het aanbrengen en hebben van beplantingen, werken, wegen, kabels en leidingen en onderhoudswerkzaamheden. Ook mag een waterkering niet worden gebruikt voor de (tijdelijke) opslag van materialen of het houden van paarden, koeien, of andere dieren die schade kunnen toebrengen aan de waterkering.

Ook kan worden gedacht aan handelingen die de doorstroming veranderen of belemmeren en de bergingscapaciteit verminderen zoals dempingen, het aanleggen van drijvende objecten, of plaatsen van vistuigen in de buurt van gemalen.

Ook de handelingen waarmee de waterstand op een ander peil wordt gebracht of gehouden dan het peil dat voor het betreffende oppervlaktewaterlichaam in het peilbesluit is vastgesteld, is vergunningplichting.

Naast lozingen die worden gereguleerd ingevolge de Waterwet, zijn er handelingen die een vermindering van de waterkwaliteit tot gevolg kunnen hebben. Een voorbeeld daarvan kan zijn het uitzetten of onttrekken van vis anders dan in overeenstemming met afspraken in een visstandbeheerplan. Het uitzetten of onttrekken van vis kan dan negatieve gevolgen hebben voor de waterkwaliteit en kan dan vergunningplichtig zijn. Een ander voorbeeld hiervan is werkzaamheden in waterstaatswerken die verzilting tot gevolg hebben. Deze vallen ook onder de vergunningplicht.

Het gaat hier telkens om handelingen die niet ”in overeenstemming met de functie” zijn. Handelingen die evident geen gevolgen hebben voor een waterstaatswerk zijn niet vergunningplichting. Denk aan zwemmen of kanoën. Ook het wandelen op een waterkering is niet vergunningplichtig. Net zo min als het aanbrengen van een dakkapel op een woning die is gebouwd nabij een waterstaatswerk. Recreëren op het strand, fietsen of hardlopen op paden door de duinen zijn ook voorbeelden van handelingen die niet vergunningplichtig zijn.

Soms is niet gelijk evident of een handeling geen gevolgen heeft voor een waterstaatswerk. Denk aan het vervangen van het asfalt op een weg op een waterkering, of het uitvoeren van buitengewoon onderhoud aan een waterkering door derden. Ook het rijden met zwaar materieel zoals een hijskraan op een waterkering is een voorbeeld daarvan. Afhankelijk van het te gebruiken materieel en de uitvoeringswijze zijn deze handelingen vergunningplichtig. In deze gevallen kan van te voren contact worden opgenomen met Delfland om de afweging te maken of een vergunning nodig is.

Lid 3

Het derde lid verbiedt het plaatsen, wijzigen of behouden van werken in het profiel van vrije ruimte zonder vergunning van het bestuur. Dit is belangrijk om bijvoorbeeld in de toekomst noodzakelijke aanpassingen aan waterstaatwerken, zoals het ophogen van een waterkering, te kunnen realiseren.

Lid 4

Dit artikel is opgenomen voor de situatie dat met een watervergunning of een projectplan een waterstaatswerk is aangelegd of gewijzigd, maar de legger nog niet is aangepast op deze nieuwe situatie.

In de praktijk is een geheel actuele legger niet altijd mogelijk. Pas als het nieuwe waterstaatswerk conform watervergunning of projectplan is aangelegd of gewijzigd, treedt de leggerwijziging in werking. Er zit dus een beperkte periode tussen vaststelling van het besluit tot wijziging van de legger en de inwerkingtreding van de leggerwijziging, waarin het nieuwe of gewijzigde waterstaatswerk niet wordt beschermd door de keur.

In de periode waarin de legger nog niet de nieuwe situatie aangeeft, dan voorziet dit artikel in duidelijkheid omtrent maten, afmetingen en onderhoudsplichten en bepaalt het dat de keur vooruitlopend op vastlegging in de legger van toepassing is op het nieuwe of gewijzigde waterstaatswerk.

Artikel 3.2 Watervergunning water brengen in en onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen

Dit artikel bevat het verbod om zonder vergunning van het bestuur water te brengen in of onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.

Het met behulp van een werk of op natuurlijke wijze water in een oppervlaktewater brengen omvat zowel het aanvoeren van water uit het ene oppervlaktewaterlichaam naar het andere oppervlaktewaterlichaam als het lozen van water dat niet afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam.

Met het onttrekken van water wordt bedoeld het met behulp van een werk, of op natuurlijke wijze water uit een oppervlaktewaterlichaam halen. Het water kan daarbij uit het watersysteem worden gehaald of worden afgevoerd naar een ander of hetzelfde oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.3 Watervergunning onttrekken van grondwater en infiltreren van water

Dit artikel bevat het algemene verbod om zonder vergunning van het bestuur grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Van onttrekken van grondwater is sprake als gebruik wordt gemaakt van een inrichting of werk, bestemd voor het onttrekken van grondwater. Het ontwateren van gronden met drainagemiddelen, anders dan met een bemaling, valt hier niet onder.

Voor drie specifieke categorieën van onttrekkingen en infiltraties zijn op grond van artikel 6.4 van de Waterwet Gedeputeerde Staten bevoegd. Dit artikel is dan ook niet van toepassing op deze drie categorieën. Het gaat om de onttrekkingen van grondwater of infiltreren van water:

  • 1.

    als de onttrokken hoeveelheid water ten behoeve van industriële toepassingen meer dan 150.000 m3 per jaar bedraagt;

  • 2.

    onttrekkingen plaatsvinden voor de openbare drinkwatervoorziening, of

  • 3.

    onttrekkingen die plaatsvinden ten behoeve van een bodemenergiesysteem (koude-warmte-opslag).

 

Met betrekking tot infiltraties gaat het hier om waterkwantiteit, en niet om waterkwaliteit. Voor wat betreft de waterkwaliteit bij infiltraties moet worden voldaan aan de Waterwet, de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer.

 

 

§ 2 Overige verbodsbepalingen, zorgplicht, algemene regels en maatwerkvoorschriften

Artikel 3.4 Algeheel verbod bij calamiteiten

Dit artikel is een aanvulling op, en uitbreiding van de bevoegdheden op grond van de Waterwet. Op grond van de artikelen 5.28 tot en met 5.30 van de Waterwet is Delfland bevoegd bij gevaar de benodigde maatregelen te treffen, zo nodig in afwijking van wettelijke voorschriften. De artikelen in de Waterwet gelden alleen bij acute situaties en alleen voor zover de goede staat van één of meer waterstaatswerken in het geding is.

Dit artikel biedt het bestuur ook de mogelijkheid maatregelen te treffen als er (nog) geen acute situatie is en als er niet direct gevaar is voor waterstaatswerken, maar meer voor de omgeving. Daarnaast biedt dit artikel het bestuur niet alleen de mogelijkheid om af te wijken van wettelijke voorschriften maar ook om af te wijken van vergunningvoorschriften en peilbesluiten. Het bestuur kan daarmee met een algemeen geldend besluit individuele rechten en verplichtingen op grond van een onder andere een vergunning inperken of uitbreiden.

Artikel 3.5 Zorgplicht

Dit artikel is een aanvulling op, en uitbreiding van de specifieke zorgplichten die in de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving zijn opgenomen. Zo bevat artikel 6.8 van de Waterwet een zorgplicht voor iedereen die handelingen verricht die de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kunnen verontreinigen en aantasten. In artikel 7 van het Besluit bodemkwaliteit is een zorgplicht opgenomen ter bescherming van oppervlaktewaterlichamen, die van toepassing is voor iedereen die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast. En in de lozingenbesluiten op grond van de Waterwet zit een zorgplicht voor iedereen die loost, om verontreiniging van het oppervlaktewaterlichaam of het grondwater te voorkomen.

In dit artikel is een algemene zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht drukt de zorg uit die iedereen heeft ten aanzien van het behoud van de kwaliteit en het functioneren van het watersysteem. De zorgplicht heeft als doel het watersysteem te beschermen en dient ook als een juridisch vangnet in die gevallen waarin niet uitdrukkelijk is voorzien. Denk hierbij aan activiteiten die plaatsvinden buiten waterstaatswerken en de daarbij behorende zones, maar die daar wel gevolgen voor kunnen hebben. Voorbeelden zijn handelingen die leiden tot aanzienlijke verzilting of diepe boringen die gevolgen kunnen hebben op de stabiliteit van een waterkering.

Artikel 3.6 Algemene regels en maatwerkvoorschriften

Het eerste lid van dit artikel biedt het bestuur de grondslag om algemene regels te stellen, die een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de artikelen 3.2 tot en met 3.3 in kunnen houden. Een vrijstelling van een verbodsbepaling kan aan de orde zijn als aan bepaalde voorwaarden (toepassingscriteria) is voldaan. Daarbij moet worden voldaan aan de algemene voorwaarden die voor de activiteit zijn opgenomen (algemene criteria).

Het bestuur heeft ook de mogelijkheid een algeheel verbod in te stellen, waarbij geen vergunningverlening mogelijk is.

In uitzonderlijke gevallen kan behoefte aan maatwerk bestaan, zo nodig in afwijking van de algemene regels. Het derde lid biedt het bestuur de mogelijkheid om voor die handelingen, die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht, maatwerkvoorschriften te stellen. Deze voorschriften kunnen zowel een verzwaring als een versoepeling van de algemene voorwaarden betreffen. 

Dit gebeurt met een schriftelijke beschikking. Titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van deze beschikking. Het stellen van deze maatwerkvoorschriften is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen uit die wet beschikbaar zijn.

Artikel 3.7 Vrijstelling watervergunningplicht

Handelingen die dienen voor het onderhoud van waterstaatswerken zijn in beginsel niet vergunningplichtig. Het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van het onderhoud aan waterstaatswerken is toegestaan, of dit nu door of in opdracht van Delfland zelf, of door een andere onderhoudsplichtige wordt uitgevoerd. Uitzondering geldt voor buitengewoon onderhoud aan waterkeringen dat door derden wordt uitgevoerd. Hiervoor is wel een watervergunning nodig.

Voor zover bij verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van het onderhoud aan waterstaatswerken afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in een oppervlaktewaterlichaam worden gebracht, geldt de vergunningplicht op grond van artikel 6.2, van de Waterwet.

Indien een grondwateronttrekking nodig is bij het uitvoeren van het onderhoud door een derde dan is daarvoor een watervergunning nodig.

Voor een afwijking van het peil is zowel voor Delfland als voor een derde een watervergunning nodig.

Hoofdstuk 4 Toezicht en handhaving

Artikel 4.1 Aanwijzing toezichthouders

Dit artikel voorziet in de vereiste wettelijke grondslag voor de aanwijzing van toezichthouders (artikel 5.11 Awb).

Het toezicht wordt primair opgedragen aan door het bestuur aangewezen ambtenaren. Het artikel biedt Delfland ook de mogelijkheid om bijvoorbeeld voor de schouw andere personen dan ambtenaren in te schakelen. Er is altijd een aanwijzingsbesluit van het bestuur nodig.

Artikel 4.2 Schouw

De schouw is een manier om toezicht te houden op naleving van de onderhoudsverplichtingen uit hoofdstuk 2 van de keur. De schouw gaat om een systematische controle, die van tevoren wordt aangekondigd en die in een bepaalde periode wordt uitgeoefend.

Onder de schouw vallen bijvoorbeeld niet het toezien op de naleving van vergunningvoorschriften of ad hoc inspecties.

Artikel 4.3 Strafbepalingen

In artikel 81 van de Waterschapswet is bepaald welke maximumstraf op overtreding van de keur kan worden gesteld. In dit artikel is deze maximumstraf opgenomen, namelijk drie maanden hechtenis of een geldboete van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23 Wetboek van Strafrecht. Deze strafbepalingen staan los van of naast het bestuursrechtelijke instrumentarium – bestuursdwang en last onder dwangsom – waarover Delfland in geval van overtreding kan beschikken

Hoofdstuk 5 Overgangs– en slotbepalingen

Artikel 5.1 Overgangsbepalingen vergunningen en handhaving

In dit artikel is het overgangsrecht opgenomen voor watervergunningen en handhavingsbeschikkingen, verleend op basis van de voorgaande keur.

Als de handelingen zowel op basis van de voorgaande keur als deze, nieuwe keur vergunningplichtig zijn, en er is een watervergunning verleend op basis van de voorgaande keur, dan wordt deze watervergunning geacht te zijn verleend op basis van deze, nieuwe keur.

Hetzelfde geldt voor handhavingsbeschikkingen die zijn opgelegd op basis van de voorgaande keur, dan worden deze geacht te zijn opgelegd op basis van deze nieuwe keur.

Voor nog oudere vergunningen en ontheffingen, die zijn verleend op basis van oudere keuren geldt het overgangsrecht van deze oudere keur(en).

Ook is er overgangsrecht met uitgestelde werking handhavingsbeschikkingen of aanwijzingen en aanzeggingen die zijn opgelegd voor inwerkingtreding van deze keur, maar nog niet onherroepelijk zijn geworden. De Keur Delfland 2010 blijft dan geldig totdat deze beschikkingen onherroepelijk zijn geworden.

Artikel 5.2 overgangsbepaling zoneringen waterkeringen

Met de invoering van de Waterwet zijn diverse definities voor zoneringen behorende bij een waterkering veranderd. In sommige leggers en beleidsregels zijn deze termen nog niet gewijzigd. Om onduidelijkheid te voorkomen is in dit overgangsartikel een tabel opgenomen.