Verordening raadscommissies 2014

Geldend van 26-03-2014 t/m 30-09-2021

Intitulé

Verordening raadscommissies 2014

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    lid of leden: lid of leden van een raadscommissie;

  • b.

    voorzitter: voorzitter van een raadscommissie of diens vervanger;

  • c.

    commissiegriffier: secretaris van een raadscommissie of diens vervanger;

  • d.

    griffier: griffier van de raad of diens vervanger;

  • e.

    vergadering(en): vergadering(en) van een raadscommissie;

  • f.

    commissie(s): raadscommissie(s);

  • g.

    agendacommissie: de commissie als beschreven in artikel 6 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van Goirle 2014.

Hoofdstuk 2 Instelling, taken en samenstelling

Artikel 2 Instelling en werkterrein commissies
  • 1. De raad stelt de volgende commissies in:

    • a.

      Ruimte.

    • b.

      Welzijn.

    • c.

      Algemene Zaken (AZ).

  • 2. De commissie Ruimte adviseert en overlegt over de volgende onderwerpen:

    • a.

      Ruimtelijke Ordening.

    • b.

      Volkshuisvesting.

    • c.

      Woonwagenzaken.

    • d.

      Bouwzaken.

    • e.

      Eigendommen.

    • f.

      Monumentenzorg.

    • g.

      Grondzaken.

    • h.

      Milieu.

    • i.

      Verkeer en vervoer

    • j.

      Openbare werken

    • k.

      Economische zaken.

    • l.

      Recreatie.

  • 3. De commissie Welzijn adviseert en overlegt over de volgende onderwerpen:

    • a.

      Welzijn.

    • b.

      Onderwijs.

    • c.

      Sport.

    • d.

      Jeugdzaken.

    • e.

      Speelvoorzieningen.

    • f.

      Sociale zaken/arbeidstoeleiding

    • g.

      Ouderenbeleid.

    • h.

      Gehandicaptenbeleid.

    • i.

      Volksgezondheid.

    • j.

      Mediabeleid.

    • k.

      Kunst en cultuur.

  • 4. De commissie Algemene Zaken adviseert en overlegt over de volgende onderwerpen:

    • a.

      Algemene beleidszaken, kabinet en representatie algemeen.

    • b.

      Facilitaire zaken.

    • c.

      Informatie en automatisering.

    • d.

      Integratie.

    • e.

      Grensoverschrijdende samenwerking.

    • f.

      Veiligheid.

    • g.

      Organisatie en personeel.

    • h.

      Financiën.

    • i.

      Werk van de gemeenteraad en commissies.

    • j.

      Communicatie

  • 5. Indien een onderwerp meerdere commissies aangaat wordt het in één van die commissies behandeld ter beoordeling van de agendacommissie, tenzij de agendacommissie bepaalt dat er redenen zijn om met commissies gezamenlijk dan wel ieder afzonderlijk te vergaderen.

  • 6. Indien een gezamenlijke vergadering van commissies wordt belegd, vervult de voorzitter van de commissie die het onderwerp het meest aangaat, de taken van de voorzitter.

Artikel 3 Taken

Een commissie heeft de volgende taken:

  • a.

    het uitbrengen van advies aan de raad over een voorstel of onderwerp dat betrekking heeft op de in artikel 2, tweede, derde of vierde lid genoemde onderwerpen;

  • b.

    het uitbrengen van advies aan de raad uit eigener beweging;

  • c.

    het voeren van overleg met het college of de burgemeester over in ieder geval door het college of de burgemeester verstrekte inlichtingen en het gevoerde bestuur ten aanzien van de in artikel 2, tweede, derde of vierde genoemde onderwerpen.

Artikel 4 Samenstelling
  • 1. De commissies bestaan uit een voorzitter en de leden, die door de raad op voordracht van de fracties worden benoemd.

  • 2. Voor de commissie Algemene Zaken worden de door de fracties aangewezen fractievoorzitters voorgedragen en benoemd als lid van de commissie.

  • 3. Voor de overige commissies kunnen fracties in de gemeenteraad bestaande uit één, twee, drie, vier of vijf personen twee leden en fracties bestaande uit zes of meer personen drie leden voordragen voor benoeming. In deze commissies dient per commissie en per fractie, die bestaat uit twee of meer personen, tenminste één raadslid te worden benoemd.

  • 4. Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid kan een lid zowel raadslid als niet-raadslid zijn. De artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op een lid van een raadscommissie.

  • 5. De raad benoemt op voordracht van een fractie voor iedere commissie één plaatsvervangend lid per fractie, die zitting in een commissie heeft bij verhindering of ontstentenis van één van de leden van die fractie. Het plaatsvervangend lid voldoet aan de in het vierde lid, genoemde vereisten.

  • 6. Bij verhindering of ontstentenis van een commissielid en de plaatsvervanger kunnen zij vervangen worden door een raadslid of een door de raad conform het derde of vijfde lid benoemd ander niet raadslid dat behoort tot dezelfde fractie als welke door het lid wordt vertegenwoordigd.

Artikel 5 Voorzitter
  • 1. De voorzitter en zijn plaatsvervanger worden door de raad uit zijn midden benoemd.

  • 2. De voorzitter is geen lid van de commissie.

  • 3. De voorzitter is belast met:

    • a.

      het leiden van de vergadering;

    • b.

      het handhaven van de orde;

    • c.

      het doen naleven van deze verordening;

    • d.

      hetgeen deze verordening hem verder opdraagt.

    • e.

      het tekenen van de stukken, die van de commissie uitgaan.

Artikel 6 Zittingsduur en vacatures
  • 1. De zittingsperiode van een lid, de voorzitter en hun plaatsvervangers eindigt in ieder geval aan het einde van de zittingsperiode van de raad.

  • 2. Een lid en zijn plaatsvervanger houden op lid te zijn van een raadscommissie indien zij niet meer voldoen aan de in artikel 4, vierde lid, gestelde eisen.

  • 3. De raad is bevoegd, al dan niet op voorstel van de fractie op wiens voordracht het lid is benoemd, een lid te ontslaan.

  • 4. De raad kan de voorzitter of zijn plaatsvervanger ontslaan.

  • 5. Een lid, de voorzitter en hun plaatsvervangers kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan de voorzitter van de raad. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als hun opvolger is benoemd.

  • 6. Indien door overlijden of ontslag een vacature ontstaat, beslist de raad zo spoedig mogelijk over de vervulling daarvan met inachtneming van artikel 4 en 5.

  • 7. Indien een fractie blijkens een schriftelijke verklaring aan de voorzitter van de raad niet langer vertegenwoordigd is in de raad, vervalt het lidmaatschap van het lid dat op voordracht van die fractie is benoemd, van rechtswege.

Artikel 7 Griffier en commissiegriffier
  • 1. De commissies worden in alles wat de hun opgedragen taak betreft bijgestaan door een commissie-griffier, te weten de griffier of een door hem in overleg met de voorzitter van de commissie aangewezen griffiemedewerker of een door hem in overleg met de voorzitter van de commissie en de gemeentesecretaris aangewezen ambtenaar.

  • 2. De commissiegriffier is in iedere vergadering aanwezig.

  • 3. Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt hij vervangen door daartoe door de griffier aangewezen griffiemedewerker of een door de griffier in overleg met de gemeentesecretaris aangewezen ambtenaar.

  • 4. De griffier kan in iedere vergadering aanwezig zijn.

Hoofdstuk 3: Aanwezigheid college, burgemeester en secretaris

Artikel 8 Aanwezigheid college en burgmeester en secretaris
  • 1. Burgemeester en wethouders zijn uitgenodigd om in de vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslagingen deel te nemen.

  • 2. Verwacht wordt dat portefeuillehouders in ieder geval aanwezig zijn wanneer voorstellen uit hun portefeuille behandeld worden, of wanneer vooraf bekend is dat tijdens de raadsvergadering onderwerpen uit hun portefeuille aan de orde komen.

  • 3. Bij verhindering kan een portefeuillehouder door een ander lid van het college worden vervangen.

  • 4. De raadscommissie kan bij aanvang van de vergadering beslissen dat de burgemeester en één of meer wethouders niet in de vergadering aanwezig mogen zijn of aan de beraadslagingen mogen deelnemen.

  • 5. De leden van het college, die in de vergadering aanwezig zijn, kunnen zich laten bijstaan door ambtelijke adviseurs. De commissie beslist op verzoek van de collegeleden in hoeverre deze ambtelijke adviseurs in de vergadering rechtstreeks het woord mogen voeren.

  • 6. De voorzitter van de commissie kan het college verzoeken de secretaris aanwezig te laten zijn in de vergadering en deel te laten nemen aan de beraadslagingen als bedoeld in deze verordening. Artikel 8, lid 4 is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4: Vergaderingen

Paragraaf 1

Tijdstip van vergaderen en voorbereiding

Artikel 9 Vergaderfrequentie
  • 1. In de regel vinden de vergaderingen van de commissie:

    • a.

      Welzijn plaats op dinsdag, drie weken voor de week waarin de volgende raadsvergadering plaatsvindt;

    • b.

      Ruimte plaats op woensdag, drie weken voor de week waarin de volgende raadsvergadering plaatsvindt;

    • c.

      Algemene Zaken plaats op donderdag, drie weken voor de week waarin de volgende raadsvergadering plaatsvindt.

    De vergaderingen van de raadscommissies vangen aan om 19.30 uur en wordt uiterlijk om 23:00 uur geschorst. De vergaderingen vinden plaats in de raadszaal van het gemeentehuis, tenzij door de commissie een andere locatie gekozen wordt.

  • 2. Een commissie vergadert voorts indien de voorzitter het nodig oordeelt of indien tenminste twee fracties schriftelijk met opgaaf van redenen daarom verzoeken.

  • 3. De commissie kan besluiten agendapunten door te schuiven voor behandeling naar een volgende vergadering.

  • 4. De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag of aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij voert hierover overleg met de griffier en zo mogelijk met de agendacommissie.

Artikel 10 Oproep
  • 1. De voorzitter draagt er zorg voor, dat de leden van de commissie ten minste 10 dagen voor een commissievergadering een schriftelijke oproep onder vermelding van dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter beschikking hebben.

  • 2. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 86, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de schriftelijke oproep beschikbaar gesteld.

  • 3. Indien een aanvullende agenda wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 11, tweede lid, worden deze agenda en de daarop vermelde voorstellen of onderwerpen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de vergadering aan de leden gezonden.

Artikel 11 De agenda
  • 1. De voorlopige agenda van de raadscommissie wordt door de agendacommissie vastgesteld.

  • 2. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep tot uiterlijk 16.00 uur op de dag vóór de commissievergadering een aanvullende agenda opstellen.

  • 3. Bij aanvang van de vergadering stelt de commissie de agenda vast. Op voorstel van een lid of de voorzitter kan de commissie bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de agenda afvoeren.

  • 4. Wanneer de commissie een onderwerp of voorstel onvoldoende voor de beraadslaging voorbereid acht, kan hij aan het college of de burgemeester nadere inlichtingen of advies vragen. De commissie bepaalt in welke vergadering het onderwerp of voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

  • 5. Op voorstel van een lid of de voorzitter kan de raadscommissie de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.

Artikel 12 Ter inzage leggen van stukken
  • 1. Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen, worden gelijktijdig met de ter beschikkingstelling van de schriftelijke oproep voor een ieder op het gemeentehuis ter inzage gelegd. Indien na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden en zo mogelijk in een openbare kennisgeving.

  • 2. Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten het gemeentehuis gebracht.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kunnen stukken ook op elektronische wijze aan een ieder ter beschikking worden gesteld.

  • 4. Indien voor stukken op grond van artikel 86, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste lid, onder berusting van de griffier en verleent de griffier een lid inzage.

Artikel 13 Openbare kennisgeving
  • 1. De vergadering wordt door aankondiging in een lokaal weekblad en door plaatsing op de internetsite van de gemeente ter openbare kennis gebracht.

  • 2. De openbare kennisgeving vermeldt:

    • a.

      de datum, aanvangstijd en plaats van de vergadering;

    • b.

      de wijze waarop en de plaats waar een ieder de agenda en de daarbij behorende stukken kan inzien;

    • c.

      de mogelijkheid tot het uitoefenen van het spreekrecht als bedoeld in artikel 17.

  • 3. Daarnaast worden de bij de voorlopige agenda behorende stukken, indien digitaal beschikbaar, op de website van de gemeente geplaatst.

Paragraaf 2

Orde der vergadering

Artikel 14 Presentielijst

Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid onmiddellijk de presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst door de voorzitter en de commissiegriffier door ondertekening vastgesteld.

Artikel 15 Opening vergadering en quorum
  • 1. De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is.

  • 2. Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter onder verwijzing naar dit artikel, na voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de volgende vergadering, op een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de schriftelijke oproep voor die vergadering is gelegen.

  • 3. Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. De commissie kan echter over andere aangelegenheden alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is.

Artikel 16 Spreekrecht burgers
  • 1. Ingezetenen en in de gemeente een belanghebbende natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen desgewenst het woord voeren tijdens een commissievergadering. Per rechtspersoon kan slechts één persoon het woord voeren.

  • 2. Het woord kan niet gevoerd worden over:

    • a.

      een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft opengestaan;

    • b.

      benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen;

    • c.

      een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend.

    • d.

      een besluit van het gemeentebestuur dat valt onder de werking van de Tijdelijke Referendumwet;

    • e.

      zaken, die niet tot het werkterrein van de commissie behoren.

  • 3. Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit uiterlijk 12.00 uur op de dag van de commissievergadering aan de commissiegriffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer, het onderwerp waarover hij het woord wil voeren en, voorzover van toepassing, de rechtspersoon namens wie hij het woord voert.

  • 4. Indien het woord gevoerd zal worden ten aanzien van een geagendeerd onderwerp zal de voorzitter bij de behandeling van het agendapunt de burger als eerste het woord verlenen. Indien het woord gevoerd zal worden over een niet-geagendeerd onderwerp zal de voorzitter de burger het woord verlenen vóór de behandeling van de geagendeerde onderwerpen.

  • 5. Indien meerdere sprekers zich hebben aangemeld om het woord te mogen voeren over hetzelfde onderwerp bepaalt de voorzitter de spreekvolgorde.

  • 6. De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de burger die het woord wil voeren.

  • 7. Nadat de burger het woord heeft gevoerd over een geagendeerd onderwerp krijgen de commissieleden overeenkomstig artikel 21 de gelegenheid om het woord te voeren. Voordat de commissieleden in tweede termijn het woord mogen voeren wordt de burger, die het woord heeft gevoerd in de gelegenheid gesteld om te reageren op hetgeen in eerste termijn door de commissie is besproken.

Artikel 17 Audioverslag en besluitenlijst
  • 1. Het audioverslag van elke openbare vergadering is binnen 3 werkdagen voor de leden van de raad en overige ter vergadering aanwezigen en belangstellenden te raadplegen via internet.

  • 2. De schriftelijke ontwerpbesluitenlijst van de vergadering wordt aan de leden van de raad, het college en aan anderen die het woord hebben gevoerd tijdens de vergadering toegestuurd gelijktijdig met de schriftelijke oproep voor de eerstvolgende raadsvergadering.

  • 3. De ontwerpbesluitenlijst als bedoeld in het vorige lid wordt zo veel mogelijk aan het begin van de volgende vergadering vastgesteld.

  • 4. De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de secretaris hebben het recht een voorstel tot wijziging aan de commissie te doen, indien de ontwerpbesluitenlijst, inclusief toezeggingen, onjuistheden bevat of niet duidelijk weergeeft hetgeen is toegezegd of besloten. Zij kunnen uiterlijk tot 16.00 uur op de dag voorafgaande aan die waarop de ontwerpbesluitenlijst in de commissie wordt behandeld, een voorstel tot wijziging doen.

  • 5. De besluitenlijst moet inhouden:

    • a.

      de namen van de voorzitter, de griffier en de ter vergadering aanwezige leden, alsmede van de leden die afwezig waren en overige personen die het woord gevoerd hebben;

    • b.

      een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;

    • c.

      een samenvatting van het advies aan de raad onder vermelding van de leden van de commissie die mededeling hebben gedaan van hun goed- of afkeuring;

    • d.

      wanneer het stuk als een B-stuk wordt aangemerkt, de aspecten van het voorstel die nader in de raad besproken moeten worden;

    • e.

      bij het desbetreffende agendapunt de naam en hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van het bepaalde in artikel 26 is toegestaan deel te nemen aan de beraadslaging.

    • f.

      een lijst van de in de vergadering gemaakte afspraken en gedane toezeggingen, zoals deze tijdens de vergadering door de voorzitter zijn geconcludeerd;

  • 6. De ontwerpbesluitenlijst en de bijbehorende wijzigingsvoorstellen, als bedoeld in het vierde lid, vormen een geheel.

  • 7. De besluitenlijst wordt opgesteld onder de zorg van de commissiegriffier.

  • 8. De vastgestelde besluitenlijst wordt door de voorzitter en de commissiegriffier ondertekend.

Artikel 18 Aantal spreektermijnen
  • 1. De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de commissie anders beslist.

  • 2. Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.

  • 3. Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.

  • 4. Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde.

Artikel 19 Spreektijd

De voorzitter of een lid kan een voorstel doen over de spreektijd van de leden.

Artikel 20 Voorstellen van orde
  • 1. De voorzitter en ieder lid kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden toegelicht.

  • 2. Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.

  • 3. Over een voorstel van orde beslist de commissie terstond.

Artikel 21 Handhaving orde; schorsing
  • 1. Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij:

    • a.

      de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van deze verordening te herinneren;

    • b.

      een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden.

  • 2. Indien een spreker zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de spreker hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.

  • 3. De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en - indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering sluiten.

  • 4. De voorzitter kan een raadscommissie voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen.

  • 5. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.

Artikel 22 Beraadslaging
  • 1. De commissie kan op voorstel van de voorzitter of een lid beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk te beraadslagen.

  • 2. Op voorstel van een lid of de voorzitter kan de commissie beslissen de beraadslaging voor een door hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de leden de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is.

Artikel 23 Deelname aan de beraadslaging door anderen
  • 1. De commissie kan bepalen dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.

  • 2. Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of een lid genomen alvorens met de beraadslaging ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt genomen.

Artikel 24 Advies
  • 1. Wanneer de voorzitter vaststelt, dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de commissie anders beslist.

  • 2. Nadat de beraadslaging is gesloten, beslist de commissie of er een advies aan de raad wordt uitgebracht.

  • 3. Indien de commissie een advies aan de raad uitbrengt beslissen de leden op voorstel van de voorzitter over de inhoud van het advies.

  • 4. Het advies aan de raad bevat minimaal of het betreffende onderwerp of voorstel in de raad kan worden aangemerkt als een A punt (hamerstuk) of B punt (verdere bespreking in de raad is wenselijk). Indien één raadslid van mening is dat verdere bespreking wenselijk is, wordt dit onderwerp of voorstel als B punt aangemerkt.

  • 5. De commissie kan adviseren dat het voorstel nog niet rijp is voor besluitvorming in de gemeenteraad.

  • 6. In het advies van de commissie aan de raad worden de standpunten van alle fracties opgenomen.

Hoofdstuk 5: Besloten vergadering

Artikel 25 Algemeen

Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van deze verordening van overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering.

Artikel 26 Besluitenlijst of verslag besloten vergadering
  • 1. De commissie besluit op voorstel van de voorzitter bij aanvang van de besloten vergadering of aanvullend op de besluitenlijst de vergadering verslag wordt gedaan.

  • 2. De besluitenlijst, danwel het verslag van een besloten vergadering worden niet verspreid, maar ligt uitsluitend voor de leden bij de griffier ter inzage.

  • 3. De besluitenlijst, en eventueel het verslag wordt zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raadscommissie een besluit over het al dan niet openbaar maken van besluitenlijst en eventueel verslag. De vastgestelde besluitenlijst, en eventueel het verslag wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend.

Artikel 27 Geheimhouding

Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raadscommissie overeenkomstig artikel 86, eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. De raadscommissie kan besluiten de geheimhouding op te heffen.

Artikel 28 Opheffing geheimhouding

Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, van de Gemeentewet voornemens is de geheim-houding op te heffen wordt daarover, indien de commissie die geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, in een besloten vergadering met de commissie overleg gevoerd.

Hoofdstuk 6: Toehoorders en pers

Artikel 29 Toehoorders en pers
  • 1. De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.

  • 2. Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is verboden.

  • 3. De voorzitter is bevoegd, toehoorders die op enigerlei wijze de orde van de vergadering verstoren, te doen vertrekken. Toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren kan hij voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering ontzeggen.

Artikel 30 Geluid- en beeldregistraties

Degenen die in de vergaderzaal tijdens de vergadering geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Deze aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers aantasten.

Artikel 31 Verbod gebruik mobiele telefoons

In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de vergadering het gebruik, alsmede het standby houden van mobiele telefoons of andere communicatiemiddelen, die inbreuk kunnen maken op de orde van de vergadering zonder toestemming van de voorzitter niet toegestaan.

Hoofdstuk 7: Slotbepalingen

Artikel 32 Uitleg verordening

In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet of bij twijfel over de toepassing van de verordening, beslist de commissie op voorstel van de voorzitter.

Artikel 33 Inwerkingtreding
  • 1.

    Het Verordening raadscommissies gemeente Goirle, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 5 april 2005 en sindsdien gewijzigd wordt ingetrokken.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op 26 maart 2014.

Artikelsgewijze toelichting op de verordening op de raadscommissies

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Om te voorkomen dat de omschrijving van terugkerende begrippen in de verordening steeds moeten worden herhaald, zijn in deze bepaling een aantal begrippen eenmalig gedefinieerd.

Artikel 2 Instelling en werkterrein commissies

In deze verordening is gekozen voor een stelsel van meerdere raadscommissies.

Het vijfde en zesde lid zijn coördinatiebepalingen. Als een onderwerp meerdere commissies aangaat, zal moeten worden vastgesteld in welke raadscommissie(s) het onderwerp besproken zal worden. In deze verordening is ervoor gekozen om de agendacommissie hierover zeggenschap te geven.

In geval van een gezamenlijke vergadering vervult de voorzitter van de commissie die het onderwerp het meest aangaat, de rol van voorzitter. Het spreekt voor zich dat dan ook de commissiegriffier van die commissie de functie van commissiegriffier vervult.

Artikel 3 Taken

De taken van de raadscommissies zijn vastgelegd in artikel 82, eerste lid, van de Gemeentewet. De raadscommissies bereiden de besluitvorming van de raad voor en overleggen met het college of de burgemeester.

Voor wat betreft de invulling van de taken van de raadscommissies zijn ruwweg twee modellen te onderscheiden. In het eerste model is een raadscommissie vooral gericht op voorbereiding en informatievoorziening en vindt het politieke debat plaats in de raad, in het tweede vindt het politieke debat plaats in een raadscommissie en geschiedt de besluitvorming door de raad. De taak om de besluitvorming van de raad voor te bereiden komt tot uitdrukking in de taak advies uit te brengen over een voorstel of onderwerp. De raadscommissie kan ook uit eigener beweging advies aan de raad uitbrengen, ook dit advies kan aanleiding zijn voor besluitvorming in de raad. De taken van de raadscommissie zijn in essentie dezelfde als die van de raad, die van kaderstellend, controlerend en volksvertegenwoordigend orgaan.

De raadscommissie bepaalt evenals de raad zijn eigen agenda. Dit betekent dat niet het college maar (de voorzitter van) de raadscommissie bepaalt of een voorstel aan de raadscommissie wordt voorgelegd alvorens het in de raad wordt besproken. Hierover kan uiteraard ook overleg plaatsvinden in de agendacommissie.

Artikel 4 Samenstelling

De raad bepaalt de samenstelling van de raadscommissies. Wel schrijft artikel 82, derde lid, van de Gemeentewet voor dat de raad moet zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde politieke groeperingen. Om dit te bereiken wordt bepaald dat iedere fractie per commissie twee of drie leden mag voordragen. Gecombineerd met gewogen stemmen is er sprake van een evenwichtige vertegenwoordiging van de raad (zie artikel 27, lid 5).

De leden worden door de raad benoemd, op voordracht van de fractie. Dit houdt in dat het aan de fracties zelf is om te bepalen welke leden de betreffende fractie vertegenwoordigen in de verschillende commissies. Het is mogelijk dat de raad (moet) besluiten een voorgedragen lid niet te benoemen tot lid van een commissie. Dit kan het geval zijn wanneer een 'burgerlid' niet voldoet aan de vereisten van de Gemeentewet.

Tenminste één lid per commissie, per fractie dient een raadslid te zijn. Dit geldt niet voor eenmansfracties. Dit ter ontlasting van de eenmansfracties.

Op grond van het derde lid moeten niet-raadsleden, evenals raadsleden, voldoen aan hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de Gemeentewet. Dit betekent onder andere dat zij ingezetenen van de gemeente moeten zijn, achttien jaar moeten zijn, over een geldige verblijfstitel moeten beschikken, hun nevenfuncties openbaar moeten maken, geen functie als bedoeld in artikel 13 mogen vervullen en niet in strijd mogen handelen met artikel 15 betreffende het rechtsverkeer met de gemeente.

Iedere fractie kan per commissie één plaatsvervangend lid voordragen. Voor de plaatsvervangende leden gelden dezelfde eisen als voor het lid van een raadscommissie. Indien zowel het commissielid als zijn plaatsvervanger verhinderd is kan een andere vertegenwoordiger van de fractie die het (plaatsvervangend) commissielid vertegenwoordigt op grond van het zesde lid deze plaats innemen.

Artikel 5 Voorzitter

Artikel 82, vierde lid, van de Gemeentewet schrijft voor dat de voorzitter van een raadscommissie raadslid moet zijn. Om die reden bepaalt artikel 5, eerste lid, dat de raad de voorzitters en hun plaatsvervangers ‘uit zijn midden’ benoemt.

Op basis van het tweede lid, is de voorzitter (en de plaatsvervangend voorzitter) geen lid van de raadscommissie. Dit is een bewuste keuze, op deze wijze kan de voorzitter zich concentreren op zijn taak als (technisch) voorzitter en zijn tijd en energie aanwenden voor het bewaken van de positie van de raadscommissie. Hij hoeft zich niet te bekommeren om de inbreng van zijn fractie in de raadscommissie.

Artikel 6 Zittingsduur en vacatures

De zittingsperiode van de leden, de voorzitters en hun plaatsvervangers is even lang als de zittingsperiode van de raadsleden, in principe dus vier jaar. De benoeming eindigt derhalve van rechtswege, de raad hoeft hen niet te ontslaan.

Op grond van het tweede lid eindigt het (plaatsvervangend) lidmaatschap van een raadscommissie eveneens van rechtswege indien een (plaatsvervangend) lid niet meer voldoet aan de in artikel 4, vierde lid, gestelde eisen en indien een (plaatsvervangend) lid is benoemd op voordracht van een fractie die blijkens een schriftelijke verklaring aan de voorzitter van de raad niet meer vertegenwoordigd is in de raad (zevende lid).

De raad kan een (plaatsvervangend) lid van een raadscommissie ontslaan op eigen initiatief, op voorstel van de fractie die het (plaatsvervangend) lid heeft voorgedragen of op verzoek van het (plaatsvervangend) commissielid zelf.

Artikel 7 Griffier en commissiegriffier

Iedere raadscommissie wordt ondersteund door een commissiegriffier. Afhankelijk van de omvang van de griffie is dit de griffier, een medewerker van de griffie of een ambtenaar uit de reguliere ambtelijke organisatie.

In dit artikel is er voor gekozen om alle mogelijkheden open te laten. De functie commissiegriffier kan worden ingevuld door de door de raad benoemde griffier, een door deze griffier aangewezen medewerker van de griffie of een door de griffier aangewezen medewerker uit het ambtelijke apparaat, dat ten dienste staat van het college van burgemeester en wethouders. Bij aanwijzing van een medewerker van de griffie als commissiegriffier overlegt de griffier met de voorzitter van de commissie, bij aanwijzing van een medewerker uit het ambtelijk apparaat overlegt de griffier met de voorzitter van de commissie en de gemeentesecretaris (als hoofd van de ambtelijke organisatie).

De commissiegriffier is altijd bij de vergaderingen van de raadscommissie aanwezig. In principe neemt hij geen deel aan de beraadslagingen, zij het dat de raadscommissie op grond van artikel 26 van deze verordening altijd de mogelijkheid heeft om anderen aan de beraadslagingen deel te laten nemen.

Artikel 8 Aanwezigheid college, burgemeester en secretaris

De burgemeester en de wethouders zijn vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur geen lid meer van raadscommissies (artikel 82, tweede lid Gemeentewet). Hun aanwezigheid is daardoor niet langer vanzelfsprekend, de raadscommissie kan per vergadering beslissen of de aanwezigheid van een collegelid al dan niet gewenst is en of hij aan de beraadslagingen mag deelnemen. Artikel 82, vijfde lid, dat artikel 21, tweede lid van de Gemeentewet, van overeenkomstige toepassing verklaard, is hiervoor de grondslag. Dit geldt zowel voor besloten als voor niet besloten vergaderingen. In openbare vergaderingen kunnen collegeleden uiteraard altijd aanwezig zijn op de publieke tribune. Deelnemen aan de beraadslagingen kunnen zij echter alleen als de raadscommissie hiermee instemt. Het is in Goirle goed gebruik dat de portefeuillehouder in de vergadering aanwezig is. Daarom is de aanwezigheid van het college in de formulering van dit artikel als uitgangspunt genomen.

Met de wijziging van artikel 21 van de Gemeentewet moet tot uitdrukking komen dat de wethouder als vanzelfsprekende partner van de raad wordt betrokken bij de beraadslagingen van de raad. Hoewel in de Memorie van Toelichting van de Wet dualisering gemeentebestuur gemotiveerd is afgeweken van de regeling, zoals deze geldt voor ministers en staatssecretarissen (artikel 69 Grondwet), is in de praktijk gebleken dat de huidige bepaling in de Wet dualisering gemeentebestuur toch problemen veroorzaakt. De kern van de dualisering is weliswaar de ontvlechting van de raad en het college van burgemeester en wethouders, maar het is niet de bedoeling geweest de raad en het college in posities te brengen, waarmee ze elkaar kunnen uitsluiten. De raad en het college zijn immers samen verantwoordelijk voor een beter bestuur in de gemeente. Synergie tussen raad en college is daarbij van wezenlijk belang.

Daarom wordt gekozen voor een redactie van artikel 21 naar analogie van artikel 69 Grondwet, waarin nog voldoende ruimte is voor nadere afspraken die passen bij de lokale verhoudingen. Hoewel de VNG onderkent dat het al dan niet aanwezig zijn van wethouders in de raadsvergadering in de praktijk een probleem kan zijn, acht de VNG een aanpassing van artikel 21 niet nodig en geeft er voorkeur aan om het aan de gemeenten over te laten hoe met dit artikel om te gaan. Daarbij geeft de VNG aan dat slechts bij wijze van uitzondering de wethouder niet in de raadsvergadering aanwezig zou moeten zijn. Hierbij aansluitend wordt in het huidige voorstel gekozen voor een formulering waarin de wederkerigheid in de posities van de raad en het college van burgemeester en wethouders is uitgewerkt. Enerzijds kan de wethouder zelf bepalen of hij al dan niet aanwezig is en deelneemt aan de beraadslagingen. Anderzijds kan de raad de wethouder uitnodigen indien hij het van belang acht dat de wethouder aanwezig is en aan de beraadslagingen deelneemt. Deze constructie laat voldoende ruimte voor individuele gemeenten om op hun eigen manier met dit vraagstuk om te gaan.

Om te komen tot een praktische regeling is er in deze bepaling voor gekozen om de voorzitter van de raadscommissie een voorlopige beslissing omtrent de aanwezigheid van de burgemeester of een wethouder en de deelname aan de beraadslagingen te laten nemen. Als de raadscommissie het niet met deze voorlopige beslissing van de voorzitter eens is, kan zij bij aanvang van de vergadering anders beslissen.

Een expliciete beslissing bij iedere vergadering is niet nodig. Als de raadscommissie niet aangeeft dat de aanwezigheid van het college niet gewenst is, volstaat de beslissing van de commissievoorzitter.

Artikel 9 Vergaderfrequentie

De vergaderingen van de raadscommissies vinden steeds plaats in de week na de laatste raadsvergadering en drie weken voor de volgende raadsvergadering. Een raadscommissie vergadert vaker als de voorzitter het nodig oordeelt of indien ten minste twee fracties hierom verzoeken. Indien een raadscommissie een hoorzitting zal willen houden, kan de voorzitter gebruik maken van het derde lid en een andere dag, aanvangsuur of plaats bepalen. Bepaald is dat de voorzitter hierover overleg voert met de griffier. Wanneer daartoe gelegenheid is, moet ook afgestemd worden met de agendacommissie.

Artikel 10 Oproep

De leden van een raadscommissie ontvangen een oproep inclusief de agenda voor een vergadering en de stukken tenminste 10 dagen voor de vergadering. Indien in spoedeisende gevallen een aanvullende agenda wordt vastgesteld bedraagt deze termijn minimaal 48 uur voor een vergadering. De stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd worden niet ter beschikking gesteld, maar kunnen bij de griffier worden ingezien (artikel 12, vierde lid).

In het artikel wordt gesproken over het beschikbaar stellen van de stukken om aan te geven, dat ook kan worden volstaan met deponering in de voor de commissieleden bestemde postvakjes in het gemeentehuis. Dit geldt niet voor een eventuele aanvullende agenda, deze zal wegens de korte termijn worden verzonden of thuisgebracht.

Artikel 11 De agenda

Voor het verzenden van de oproep, wordt de agenda besproken in de agendacommissie. Uiteindelijk bepaalt een raadscommissie echter zijn eigen agenda. De agenderende rol van een raadscommissie komt tot uitdrukking in het derde, vierde en vijfde lid. Dit betekent onder andere dat een raadscommissie kan bepalen dat een onderwerp of voorstel onvoldoende voorbereid en voor inlichtingen of advies aan het college wordt gezonden.

Een raadscommissie bepaalt vervolgens in welke vergadering het onderwerp of voorstel opnieuw geagendeerd wordt en niet het college. Uiteraard zal hierover wel overleg gevoerd moeten worden met het college of de secretaris.

Artikel 12 Ter inzage leggen van stukken

Naast de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, worden stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen voor een ieder ter inzage gelegd. In de openbare kennisgeving wordt hiervan melding gemaakt. Originele stukken moeten uiteraard bij de gemeente blijven berusten. Stukken ten aanzien waarvan geheimhouding wordt opgelegd kunnen leden van raadscommissies bij de griffier inzien.

Artikel 13 Openbare kennisgeving

Op grond van artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet moet de voorzitter van een raadscommissie tegelijkertijd met de schriftelijke oproep de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering ter openbare kennis brengen. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden tegelijkertijd met de schriftelijke oproep en op een bij openbare kennisgeving aan te geven plaats ter inzage gelegd. Deze bepaling geeft hier een regeling voor.

Artikel 14 Presentielijst

De presentielijst en de ondertekening door de voorzitter en de commissiegriffier zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum aanwezig is. Indien de griffier tevens de functie van commissiegriffier op zich neemt, ondertekent hij de presentielijst. Daarnaast is de presentielijst van belang om de vergoedingen voor de leden van een raadscommissie te kunnen vaststellen.

Artikel 15 Opening vergadering en quorum

Artikel 20 van de Gemeentewet regelt het vergaderquorum van de raad. Voor de raadscommissies ontbreekt een dergelijke bepaling in de Gemeentewet. Artikel 16 voorziet hierin. Indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend, kan worden vergaderd. Het derde lid voorziet in een regeling voor een nieuwe vergadering indien het quorum niet aanwezig is, anders zou de afwezigheid van leden van een raadscommissie de voortgang van werkzaamheden kunnen belemmeren. Uiteraard staat op het moment dat de voorzitter bepaalt op welke datum en tijdstip, nog niet vast op welk moment de schriftelijke oproep uitgaat. Indien er enkele dagen tussen de twee vergaderingen zit, mag er vanuit worden gegaan dat het mogelijk is om 24 uur van tevoren een schriftelijke oproep te versturen. Overigens ligt het in de rede dat de voorzitter overlegt met de raadscommissie over de datum van een nieuwe vergadering.

Artikel 16 Spreekrecht burgers

In dit artikel is gekozen voor een breed spreekrecht voor de burgers. Zowel ten aanzien van geagendeerde onderwerpen als niet geagendeerde onderwerpen kunnen burgers het woord voeren. Wel wordt het spreekrecht beperkt door het bepalen van de doelgroep en de onderwerpen waarvoor geen spreekrecht kan worden verleend.

De doelgroep beperkt zich tot de burgers die ook in de gemeente wonen of personen die een belang hebben in de gemeente. Met het laatste wordt met name gedoeld op privaatrechtelijke belangen zoals eigendom, pachtrecht etcetera. Indien rechtspersonen (verenigingen, stichting, bv's, nv's) gebruik willen maken van het spreekrecht zullen zij dus een belang in de gemeente Goirle moeten hebben. Algemene belangen, zoals bijvoorbeeld milieubelangen, zijn voor rechtspersonen onvoldoende voor het maken van aanspraak op het spreekrecht in de commissies.

In het tweede lid zijn de onderwerpen opgenomen, waar het spreekrecht niet voor geldt. Als een besluit van de raad of het college vatbaar is voor bezwaar of beroep en de burger belanghebbende is, kan de burger dienaangaande een bezwaarschrift indienen of beroep instellen. Deze procedure gaat voor het spreekrecht van burgers.

Hetzelfde geldt voor onderwerpen, waar zij op grond van artikel 9:2 Algemene wet bestuursrecht een klacht over kunnen indienen. Verder zijn de benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen van personen uitgesloten van het spreekrecht van burgers. Omdat inspraak over de benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen – de belangen van – kandidaten al dan niet in de uitoefening van hun ambt of functie kan schaden, kan niet worden toegestaan dat burgers hierover in het openbaar uitlatingen doen. Tenslotte is zijn ook de besluiten waarop de Tijdelijke Referendumwet van toepassing is uitgesloten. Hiervoor staat de procedure uit deze wet ter beschikking.

De burgers die wensen in te spreken moeten dit uiterlijk om 12.00 uur op de dag van de commissievergadering melden bij de commissiegriffier.

Spreekrecht voor niet geagendeerde onderwerpen wordt uitgeoefend voor de behandeling van de agenda. Spreekrecht voor geagendeerde onderwerpen vindt plaats bij de behandeling van het geagendeerde onderwerp. In beide gevallen wordt gesproken in twee termijnen door zowel de inspreker als de commissieleden. Indien gewenst kan de commissie uiteraard besluiten om hieraan een derde termijn toe te voegen.

De voorzitter heeft een belangrijke taak in de orde met betrekking tot het uitoefenen van het spreekrecht. Hij bepaalt de spreekvolgorde en hoeveel tijd ter beschikking wordt gesteld voor de inspreker. Het spreekt voor zich dat hij dit overlegt met de commissie.

Artikel 17 Audioverslag en besluitenlijst

De concept besluitenlijst wordt tegelijkertijd met de schriftelijk oproep voor de eerstvolgende raadsvergadering beschikbaar gesteld aan de leden overeenkomstig het bepaalde in artikel 11, lid 1 en toegezonden aan overige personen die het woord gevoerd hebben. De voorzitter, de leden en de collegeleden hebben het recht een voorstel tot wijziging te doen. Een voorstel tot wijziging kan tot het moment van vaststelling bij de commissiegriffier worden ingediend. Het recht om aanpassing voor te stellen (derde lid) komt ook toe aan de voorzitter, een lid en een collegelid, dat bij de desbetreffende vergadering niet aanwezig was. Het is aan de raadscommissie om te beslissen of een voorgestelde wijziging of aanvulling geaccepteerd wordt, aangezien de raadscommissie de besluitenlijst vaststelt. Een afwijzing van een dergelijk voorstel is niet vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State). Er wordt een zakelijke samenvatting van hetgeen besproken is gegeven. Na vaststelling van de notulen ondertekenen de voorzitter en de commissiegriffier deze.

Artikel 18 Aantal spreektermijnen

Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn worden Een spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten. Collegeleden die hebben deelgenomen aan de beraadslaging kunnen na afloop van de eerste en tweede termijn van de commissieleden op verzoek van de commissie nog op de inbreng in tweede termijn antwoorden c.q. reageren.

Een verzoek van een commissielid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te mogen geven, dient de voorzitter niet te honoreren. Indien de commissie van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten.

Artikel 19 Spreektijd

Dit artikel strekt ertoe te benadrukken dat een raadscommissie op eigen initiatief regels kan stellen over de spreektijd van de leden. Hetzelfde geldt voor de spreektijd van overige sprekers. De voorzitter hoeft dit niet voor te stellen. De voorzitter kan in het kader van zijn taak om de orde tijdens de vergadering te handhaven wel voorstellen de spreektijd te beperken.

Artikel 20 Voorstellen van orde

Ieder lid heeft te allen tijde het recht een voorstel van orde te doen (zie ook artikel 20, tweede lid). De beslissing of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde is aan de betreffende raadscommissie. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door een raadscommissie. Bij het staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (artikel 32, vierde lid Gemeentewet is hier niet op van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van een vergadering voor een (overleg)pauze.

Artikel 21 Handhaving van orde; schorsing

Het eerste lid verzekert dat leden van een raadscommissie vrijelijk kunnen spreken. Wel zijn interrupties uiteraard toegestaan voor zover de voorzitter bij een overvloed aan interrupties of in het belang van de voortgang van de beraadslagingen niet bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te bevorderen dat leden van raadscommissies zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten bepaalt artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet bovendien dat artikel 22 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is op leden van raadscommissies. Hierdoor zijn leden van raadscommissies niet in rechte te vervolgen, aan te spreken of verplicht getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. Dit geldt voor zowel raadsleden als niet-raadsleden.

Op basis van het tweede lid kunnen alle sprekers in bepaalde gevallen door de voorzitter tot de orde worden geroepen en kan hen zo nodig over het aanhangige onderwerp het woord ontzegd worden. Ook kan de voorzitter de vergadering schorsen en bij herhaling van de verstoring van de orde, kan hij de vergadering sluiten. In het uiterste geval kan hij een lid het verdere verblijf ontzeggen en hem uit de vergadering doen verwijderen. Indien een lid blijft volharden in zijn gedrag kan hem de toegang tot de vergadering voor ten hoogste drie maanden worden ontzegd. Het vierde lid sluit aan bij artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet, die een dergelijke regeling geeft ten aanzien van raadsleden.

Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar artikel 32 van deze verordening.

Artikel 22 Beraadslaging

Om de duur van vergaderingen niet te beperken wordt over een voorstel dat in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd. In het eerste lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. Zowel de voorzitter als de leden hebben het recht om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Om de duur van vergaderingen niet onnodig te verlengen wordt over een voorstel dat in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd. In het eerste lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. Zowel de voorzitter als de leden hebben het recht om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Het eerste lid brengt daarmee tot uitdrukking dat een raadscommissie zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht wordt aan ieder individueel raadslid toegekend. Dit past in het streven naar dualisering, aangezien dualisering versterking van de vertegenwoordigende en daarmee agenderende rol van een raadscommissie veronderstelt. Hiertoe dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten te beschikken.

Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van de tweede termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens twee mogelijkheden: er wordt direct tot stemming overgegaan of aan de beraadslagingen wordt een derde termijn toegevoegd.

Artikel 23 Deelname aan de beraadslaging door anderen

Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet geregelde verschoningsrecht, dat in artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op leden van raadscommissies en andere personen die aan de beraadslagingen deelnemen. Het gaat in deze bepaling om anderen dan de leden, de voorzitter, de burgemeester, de wethouders en de secretaris. Deze hebben op grond van de artikelen 8, 9, 19 en 20 van deze verordening reeds het recht om aan de beraadslagingen deel te nemen. Uiteraard hebben deze andere sprekers niet dezelfde rechten als de leden. Een andere spreker heeft onder meer geen recht om een voorstel te doen tot wijziging van de notulen, een voorstel over de spreektijd of over de orde van de vergadering.

Artikel 24 Advies

De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij een raadscommissie anders beslist. Een raadscommissie neemt geen beslissingen, anders dan over de eigen werkzaamheden, maar bereidt de besluitvorming in de raad voor en overlegt met het college en de burgemeester. Wel kan een raadscommissie gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan de raad. De leden beslissen over het advies. Ten behoeve van het debat in de raad en om recht te doen aan de mening van alle fracties, inclusief minderheidsstandpunten, wordt de standpunten van alle fracties opgenomen. Het standpunt dat door de commissieleden wordt ingenomen wordt in dit verband geacht het standpunt van de fractie, die zij vertegenwoordigen te zijn, tenzij zij nadrukkelijk anders te kennen geven. Indien een lid het niet eens is met het fractiestandpunt, wordt hier afzonderlijk melding van gemaakt in het advies aan de raad.

Artikel 25 Algemeen

Over de openbaarheid van de vergaderingen bevat deze verordening geen bepaling, aangezien artikel 82, vijfde lid, hierin voorziet. In deze bepaling wordt namelijk artikel 23 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing verklaard op raadscommissies. Dit betekent dat de vergaderingen van de raadscommissies in de regel in het openbaar plaatsvinden. Op verzoek van een vijfde van het aantal leden van een raadscommissie of de voorzitter kan de raadscommissie beslissen om achter gesloten deuren te vergaderen. Van een besloten vergadering wordt een afzonderlijke besluitenlijst of verslag opgemaakt, dat niet openbaar is tenzij de raadscommissie anders beslist.

Bij bepalingen die ingevolge dit artikel van overeenkomstige toepassing zijn kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het vergaderquorum en voorstellen van orde. De bepalingen van deze verordening zijn echter niet van toepassing, voorzover de toepassing van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal een raadscommissie moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in artikel 86 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven.

Artikel 26 Besluitenlijst of verslag besloten vergadering

Op grond van artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet is artikel 23 van overeenkomstige toepassing. Het vierde lid van artikel 23 van de Gemeentewet schrijft voor dat van een besloten vergadering een afzonderlijk verslag wordt opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de raad en in casu dus een raadscommissie anders beslist. In aanvulling hierop bepaalt het eerste lid van dit artikel dat de besluitenlijst van een besloten vergadering ter inzage ligt bij de griffier.

Met betrekking tot het audioverslag is er een aantal mogelijkheden. Er kan een opname worden gemaakt die enkel bij de griffier afgeluisterd kan worden, er kan volstaan volstaan worden met enkel een besluitenlijst en er kan een verslag (al dan niet woordelijk) worden gemaakt.

De commissie kan op voorstel van de voorzitter vooraf besluiten op welke wijze verslaglegging plaatsvindt, afhankelijk van de aard van het te behandelen onderwerp.

Artikel 27 Geheimhouding

In dit artikel is bepaald, dat de commissie steeds voor afloop van een besloten vergadering beslist uitdrukkelijk over het opleggen van geheimhouding, zodat hier geen verwarring over kan ontstaan.

Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van rechtswege onder de geheimhoudingsplicht. Daarvoor is toepassing van de procedure volgens artikel 86 van de Gemeentewet nodig. Niet alleen een raadscommissie kan geheimhouding opleggen, ook de voorzitter van een raadscommissie, het college en de burgemeester kunnen geheimhouding aan een raadscommissie opleggen. Overigens kan een raadscommissie ook geheimhouding opleggen aan de raad of het college ten aanzien van stukken die zij aan de raad of het college overlegt (artikel 25, tweede lid, en artikel 55, tweede lid, van de Gemeentewet). De geheimhouding geldt ten aanzien van een ieder die aanwezig is bij een besloten vergadering of die kennis draagt van stukken ten aanzien waarvan geheimhouding geldt. De geheimhouding geldt totdat het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd of de raad, haar opheft.

Artikel 28 Opheffing geheimhouding

Zoals uit de toelichting op artikel 27 blijkt kan de raad de geheimhouding die een raadscommissie oplegt, opheffen. In deze bepaling is een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.

Artikel 29

Toehoorders en pers

Artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet regelen dat de voorzitter van de raad toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen. Voor raadscommissies ontbreekt een dergelijke bepaling in de Gemeentewet, het derde lid voorziet hierin.

Artikel 30 Geluid- en beeldregistraties

Aangezien de vergaderingen van een raadscommissie in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft.

Artikel 31 Verbod gebruik mobiele telefoons

Dit artikel heeft betrekking op het mobiele telefoonverkeer. Het afgaan van mobiele telefoons werkt verstorend tijdens de vergadering. Dit laat echter onverlet, dat indien zwaarwegende redenen dit noodzakelijk maken, de voorzitter aanwezigen toestemming kan geven hun mobiele telefoon wel stand-by te laten staan.

Artikel 32 Uitleg verordening

Dit artikel bevat de zogenaamde hardheidsclausule; voor gevallen waarin de verordening niet voorziet of twijfel bestaat over de toepassing beslist de commissie. De voorzitter van de commissie doet daarvoor een voorstel.

Artikel 33 Inwerkingtreding

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening. Een verordening treedt op grond van artikel 139 van de Gemeentewet niet in werking zolang deze niet is bekendgemaakt (op de gemeentepagina van het Goirles Belang). De verordening treedt nu in werking na de laatste vergadering van een zittingsperiode van de raad én voor de eerste vergadering van de nieuwe zittingsperiode.