Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010

Geldend van 01-07-2021 t/m heden

Intitulé

Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010

(raadsbesluit van 4 maart 2010, waarin opgenomen het raadsbesluiten van 3 en 29 juni en 9 december 2010, 2 februari 2012 , 11 juli 2013 en 19 december 2013)

De raad van de gemeente Utrecht, gelet op het voorstel van b. en w gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving van de openbare orde;

BESLUIT

vast te stellen de volgende

ALGEMENE plaatselijke verordening Utrecht 2010

INDEX Algemene plaatselijke verordening Utrecht

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripbepalingen

Artikel 1:2 Beslistermijn

Artikel 1:3 [vervallen]

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

Artikel 1:7 Termijnen

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

Artikel 1:9 Experiment

Hoofdstuk 2. Openbare Orde

Afdeling 2.1 Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Bevel politie weg te vervolgen of zich te verwijderen

Artikel 2:2 Verstoring van de openbare orde e.d.

Artikel 2:3 Verblijfsontzegging

Artikel 2:4 Veiligheidsrisicogebieden

Artikel 2:5 Cameratoezicht op openbare plaatsen

Afdeling 2.2 Openbare manifestaties

Artikel 2:6 Kennisgeving openbare manifestaties op openbare plaatsen

Artikel 2:6a

Afdeling 2.3 Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2:7 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen en monsters

Afdeling 2.4 Vertoningen e.d.

Artikel 2:8 Straatartiest e.d.

Afdeling 2.5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2:9 Voorwerpen of stoffen aan, op, in, of boven de weg

Artikel 2:9a Uitstallingen

Artikel 2:10 [vervallen]

Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

Afdeling 2.6 Veiligheid op een openbare plaats

Artikel 2:13 Openen van straatkolken e.d.

Artikel 2:14 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

Artikel 2:15 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

Artikel 2:15a [vervallen]

Afdeling 2.7 Orde in verband met voetbalwedstrijden

Artikel 2:16 Begripsbepalingen

Artikel 2:17 Vergunningplicht

Artikel 2:18 Indienen aanvraag

Artikel 2:19 Weigeringsgronden

Artikel 2:20 Bevel politie

Afdeling 2.8 Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2:21 Speelgelegenheden

Artikel 2:22 Speelautomaten

Artikel 2:22a Spelen om geld

Afdeling 2.9 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:23 Betreden gesloten woning, lokaal en erf

Artikel 2:24 Vervoer inbrekerswerktuigen

Artikel 2:25 Bezit of vervoer van hulpmiddelen voor winkeldiefstal

Artikel 2:25a Vervoer van stoffen die brand bevorderen

Artikel 2:26 Betreden van plantsoenen e.d.

Artikel 2:27 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

Artikel 2:28 Hinderlijk drankgebruik

Artikel 2:28a Hinderlijk lachgasgebruik

Artikel 2:29 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen

Artikel 2:30 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Artikel 2:31 Liggen of slapen op of aan een openbare plaats

Artikel 2:32 Parkeren van fietsen en bromfietsen

Artikel 2:33 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Artikel 2:34 Bespieden van personen

Artikel 2:35 Loslopende honden

Artikel 2:36 Verontreiniging door honden

Artikel 2:37 Gevaarlijke honden

Artikel 2:38 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

Artikel 2:38a Woonoverlast

Artikel 2:38b Verbod voeren van dieren

Afdeling 2.10 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2:39 Begripsbepaling

Artikel 2:40 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 2:41 Verkoop van fietsen e.d. op een openbare plaats

Afdeling 2.11 Vuurwerk

Artikel 2:42 Begripsbepaling consumentenvuurwerk

Artikel 2:43 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Artikel 2:44 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

Afdeling 2.12 Drugsoverlast

Artikel 2:45 Handel in verdovende middelen

Afdeling 2.13 Voor publiek openstaande gebouwen

Artikel 2:46 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen

Artikel 2:47 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen e.d.

Afdeling 3:1 Algemene begripsbepalingen

Artikel 3:1 Begripsomschrijvingen

Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan

Afdeling 3:2 Seksinrichtingen en escortbedrijven

Artikel 3:3 Nadere regels

Artikel 3:4 Vergunningplicht

Artikel 3:4a Aanvraag en vergunning

Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder

Artikel 3:6 Maximumstelsel prostitutiebedrijven en werkruimten

Artikel 3:7 Geldigheidsduur

Artikel 3:8 Beheerders

Artikel 3:9 Beslistermijn

Artikel 3:10 Weigeringsgronden

Artikel 3:11 Toezicht en verplichtingen seksinrichtingen

Artikel 3:11a Toezicht en verplichtingen escortbedrijven

Artikel 3:12 Verbod op dwingend bemoeien

Artikel 3:13 Minimale verhuurperiode en gebruik werkruimte

Artikel 3:14 Sluitings(tijden)

Artikel 3:15 Intrekkingsgronden

Artikel 3:15a Adverteren

Artikel 3:16 Registratieplicht raamsekswerkers

Artikel 3:16a [vervallen]

Afdeling 3.3 Straatprostitutie

Artikel 3:17 Straatprostitutie

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 4.1 Overige geluidhinder

Artikel 4:1 Overige geluidhinder

Afdeling 4.2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:2 Natuurlijke behoefte doen

Artikel 4:3 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Artikel 4:4 Plakken en kladden

Artikel 4:5 Vervoer plakgereedschap e.d.

Artikel 4:5a Winkelwagentjes

Artikel 4:5b Verbod oplaten ballonnen

Artikel 4:5c Verbod confetti

Afdeling 4.3 Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:6 Begripsbepalingen

Artikel 4:7 Omgevingsvergunning voor het kappen van een boom of vellen van een houtopstand

Artikel 4:8 Vergunningvoorschriften en weigeringsgronden

Artikel 4:9 Bijzondere vergunningvoorschriften

Artikel 4:10 Afstand van de grenslijn

Artikel 4:11 Herplant-/instandhoudingsplicht

Artikel 4:12 Bestrijding van boomziekten

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 5.1 Parkeerexcessen

Artikel 5:1 [vervallen]

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

Artikel 5:6 Kampeermiddelen en dergelijke

Artikel 5:7 Parkeren van grote voertuigen

Artikel 5:8 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

Artikel 5:9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen

Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

Afdeling 5.2 Collecteren

Artikel 5:11 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

Afdeling 5.3 Straathandel

Artikel 5:12 Begripsbepalingen

Artikel 5:13 Straathandel: mobiele verkooppunten

Artikel 5:13a Vrijmarkt Koningsdag

Artikel 5:14 Standplaats voor een ander doel dan straathandel

Afdeling 5.3a Commercieel aanbieden voertuigen
Artikel 5:14a Vergunningplicht commercieel aanbieden voertuigen

Afdeling 5.4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:15 Crossterreinen

Artikel 5:16 Beperking verkeer in natuurgebieden

Afdeling 5.5 Verbod vuur te stoken

Artikel 5:17 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Afdeling 5.6 Straatnaamborden, huisnummers e.d.

Artikel 5:18 Gedoogplicht aanduidingen

Artikel 5:19 Verwijdering e.d. aanduidingen

Afdeling 5.7A Binnenevenementen

Artikel 5:20 Begripsbepaling binnenevenement

Artikel 5:21 Verbodsbepaling

Artikel 5:22 Nadere regels

Artikel 5:23 Indienen aanvraag

Artikel 5:24 Vereisten organisator

Artikel 5:25 Maximum aantal personen

Artikel 5:26 Evenementenkalender

Artikel 5:27 Weigeringsgronden

Artikel 5:28 Samenloop

Artikel 5:29 Ordeverstoring

Afdeling 5.7B Buitenevenementen

Artikel 5:30 Begripsbepaling buitenevenement

Artikel 5:31 Verbodsbepaling

Artikel 5:32 Kennisgeving straat- en buurtfeesten

Artikel 5:33 Nadere regels

Artikel 5:34 Indienen aanvraag

Artikel 5:35 Vereisten organisator

Artikel 5:36 Evenementenkalender

Artikel 5:37 Weigeringsgronden

Artikel 5:38 Schorsende werking andere vergunningen

Artikel 5:39 Samenloop en ordeverstoring

Afdeling 5.8 Overige bepalingen

Artikel 5:40 [vervallen]

Hoofdstuk 6 Straf-, overgang- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling

Artikel 6:2 Opsporingsambtenaren en toezichthouders

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

Artikel 6:6 Citeertitel

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht;

  • b.

    openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder c.;

  • c.

    weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • d.

    openbaar water: alle wateren die al of niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk of bevaarbaar zijn;

  • e.

    bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun besluit van 26 februari 2008;

  • f.

    rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

  • g.

    voertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kinderwagens en kruiwagens, en rolstoelen;

  • h.

    vaartuig: elk drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebruikt, dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer te water van personen of goederen of voor het dragen van al dan niet met het drijvende lichaam één geheel uitmakende voorwerpen;

  • i.

    woonschip: een vaartuig dat aan romp en opbouw herkenbaar is als schip en dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor of is bestemd tot woon- en nachtverblijf;

  • j.

    bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

  • k.

    gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

  • l.

    VERVALLEN

  • m.

    verblijfsontzegging: een verbod om zich gedurende een bepaalde periode in een aangewezen gebied te bevinden;

  • n.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • o.

    omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • p.

    bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • q.

    motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • r.

    parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Artikel 1:2 Beslistermijn
    • 1.

      Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

    • 2.

      Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.

    • 3.

      Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op:

    • a.

      een aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting of escortbedrijf, zoals beschreven in artikel 3:9;

    • b.

      een aanvraag voor een vergunning voor evenementen, zoals beschreven in Hoofdstuk 5, afdelingen 5.7A en 5.7B van deze verordening (artikel 5:21 en artikel 5:31) en

    • c.

      een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals beschreven in artikel 2:11, 2:12 en afdeling 4.3 van deze verordening.

Artikel 1:3 [vervallen]

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
  • 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • c.

    indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn of

  • e.

    indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.

Artikel 1:7 Termijnen
  • 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  • 2. Voor zover in deze verordening sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden
  • 1. De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag of het bevoegde orgaan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      de verkeersveiligheid;

    • d.

      de veiligheid van personen of goederen;

    • e.

      de zedelijkheid of de gezondheid of

    • f.

      de bescherming van het milieu.

  • 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend.

  • 3. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het tweede lid gestelde termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken.

Artikel 1:9 Experiment

  • 1.

    Onder experiment wordt in dit artikel verstaan: het tijdelijk afwijken van één of meer bepalingen van deze verordening met het oog op het verzamelen van gegevens om te beoordelen of de afwijking permanent kan worden gemaakt.

  • 2.

    Het college of de burgemeester kan, ieder voor zover bevoegd, bij wijze van experiment besluiten om af te wijken van de volgende onderdelen in deze verordening:

    • a.

      de artikelen 2:7, 2:8, 2:9, 2:11, 2:12, 2:32, 2:33, 2:36;

    • b.

      de artikelen 4:1, 4:4, 4:5 en 4:5a;

    • c.

      de artikelen 5:1 tot en met 5:10, 5:11, 5:13, 5:14, 5:16, 5:17, 5:21, 5:31 en 5:32.

  • 3.

    Voordat het college of de burgemeester een besluit, bedoeld in het tweede lid, neemt, zendt het college of de burgemeester het ontwerpbesluit naar de gemeenteraad en wordt de gemeenteraad gedurende vier weken in de gelegenheid gesteld zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken. Het college of de burgemeester informeert de gemeenteraad over het definitieve besluit en reageert daarbij op de wensen en bedenkingen.

  • 4.

    In het besluit wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      van welke bepaling of bepalingen in deze verordening wordt afgeweken;

    • b.

      het doel van het experiment;

    • c.

      de voorwaarden die het college of de burgemeester verbindt aan het experiment;

    • d.

      de tijdsduur van het experiment, welke maximaal één jaar bedraagt;

    • e.

      het gebied waarin het experiment geldt.

  • 5.

    Het experiment wordt geëvalueerd binnen de voor het experiment vastgestelde tijdsduur als bedoeld in het vierde lid onder d. Als de evaluatie leidt tot aanpassing van deze verordening in overeenstemming met de wijze waarop het experiment is uitgevoerd, kan het college of de burgemeester besluiten om het experiment éénmalig te verlengen met maximaal de voor het experiment vastgestelde tijdsduur. De verlenging eindigt in dat geval na ommekomst van de verlengde termijn of zoveel eerder als de aanpassing van deze verordening in werking treedt.

Hoofdstuk 2 Openbare orde

Afdeling 2.1 Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Bevel politie weg te vervolgen of zich te verwijderen

Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij enig voorval waardoor de openbare orde wordt of dreigt te worden verstoord, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een opsporingsambtenaar onmiddellijk zijn weg te vervolgen of zich in een bepaalde richting te verwijderen.

Artikel 2:2 Verstoring van de openbare orde e.d.
  • 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op of aan een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, op enigerlei wijze:

    • a.

      de orde te verstoren;

    • b.

      zich hinderlijk te gedragen;

    • c.

      personen lastig te vallen;

    • d.

      te vechten;

    • e.

      deel te nemen aan een samenscholing;

    • f.

      onnodig op te dringen of

    • g.

      door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  • 2. Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden of indien er ernstig gevaar voor het ontstaan daarvan dreigt, op de in het eerste lid genoemde plaatsen een voorwerp of stof kennelijk meegebracht om die orde te verstoren, bij zich te hebben.

  • 3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen of openbare plaatsen, wanneer deze door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

  • 4. Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of afsluiting van een gedeelte van de weg of vanwege het bevoegde gezag is aangebracht, te verplaatsen, te verwijderen of omver te halen.

Artikel 2:3 Verblijfsontzegging
  • 1. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar hij aan personen een verblijfsontzegging kan opleggen.

  • 2. De burgemeester gaat alleen over tot aanwijzing van een gebied als bedoeld in het eerste lid, indien naar zijn oordeel sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde.

  • 3. De burgemeester kan een verblijfsontzegging opleggen aan personen die in het aangewezen gebied de openbare orde verstoren door:

    • a.

      handelen in strijd met het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:2, 2:22a, 2:27, eerste lid onder b, 2:28, 2.28a, 2:29, 2:45, artikel 3:17, eerste, tweede of negende lid van deze verordening;

    • b.

      het bezit, de handel of het gebruik van in de Opiumwet verboden middelen;

    • c.

      het bezit van wapens, messen en andere voorwerpen die als steek- of slagwapen kunnen worden gebruikt;

    • d.

      diefstal, inbraak, heling, vernieling of andere vermogensdelicten of

    • e.

      geweldpleging of bedreiging.

  • 4. De burgemeester bepaalt in de verblijfsontzegging de termijn waarvoor deze geldt.

  • 5. De burgemeester kan indien de belanghebbende een aantoonbaar belang heeft om zich binnen het aangewezen gebied te begeven de verblijfsontzegging naar tijd en plaats beperken.

  • 6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegde verblijfsontzegging.

Artikel 2:4 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een veiligheidsrisicogebied aanwijzen.

Artikel 2:5 Cameratoezicht op openbare plaatsen
  • 1. De burgemeester is, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde nodig is, bevoegd om op basis van artikel 151c van de Gemeentewet voor een bepaalde duur camera’s in te zetten ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats, als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.

  • 2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke parkeerplaatsen of parkeerterreinen.

Afdeling 2.2 Openbare manifestaties
Artikel 2:6 Kennisgeving openbare manifestaties op openbare plaatsen
  • 1.

    Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  • 2.

    De kennisgeving bevat:

    • a.

      naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging houdt;

    • b.

      het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging;

    • c.

      de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    • d.

      de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    • e.

      voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    • f.

      maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  • 3.

    Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving, alsmede de eventueel door de burgemeester gestelde voorschriften zijn vermeld.

  • 4.

    Indien het tijdstip van de openbare manifestatie valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag, een maandag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk om 12.00 uur van de één na laatste werkdag die aan de dag van dat tijdstip vooraf gaat.

  • 5.

    De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

  • 6.

    Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, kan, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven. De voorafgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.6.a

Met ingang van 1 juli 2022 komt artikel 2:6 te luiden:

Artikel 2.6 Kennisgeving openbare manifestaties op openbare plaatsen

  • 1.

    Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 24 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  • 2.

    De kennisgeving bevat:

    • a.

      naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging houdt;

    • b.

      het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging;

    • c.

      de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    • d.

      de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    • e.

      voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    • f.

      maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  • 3.

    Hij die een kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving, alsmede de eventueel door de burgemeester gestelde voorschriften zijn vermeld.

  • 4.

    Indien het tijdstip van de openbare manifestatie valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk om 12.00 uur van de werkdag die aan de dag van dat tijdstip vooraf gaat.

  • 5.

    De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

  • 6.

    Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, kan, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven. De voorafgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2.3 Verspreiden van gedrukte stukken
Artikel 2:7 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen en monsters
  • 1.

    Het is, voor zover dit geen betrekking heeft op de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, verboden om reclame te maken door middel van gedrukte of geschreven stukken, afbeeldingen, monsters of brochures dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

  • 2.

    Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  • 3.

    Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen, zoals genoemd in artikel 23a lid 2 van de Afvalstoffenverordening Utrecht 2010.

  • 4.

    Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Afdeling 2.4 Vertoningen e.d.
Artikel 2:8 Straatartiest e.d.
  • 1.

    Het is verboden om op een openbare plaats of het openbaar water:

    • a.

      op te treden als straatartiest of

    • b.

      muziek te maken met een draaiorgel dat door middel van een voertuig wordt verplaatst.

  • 2.

    De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 3.

    Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Afdeling 2.5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel 2:9 Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven de weg
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college voorwerpen of stoffen aan, op, in, of boven de weg te plaatsen, aan te brengen, te hebben of te storten.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:

    • a.

      vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

    • b.

      zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:

      • -

        geen onderdeel zich minder dan 220 cm boven dat gedeelte bevindt;

      • -

        geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 50 cm van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;

      • -

        geen onderdeel verder dan 150 cm buiten de opgaande gevel reikt;

      • -

        deze niet voor commerciële doeleinden zijn bestemd;

    • c.

      de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

    • d.

      voertuigen;

    • e.

      voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, mits deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging:

      • -

        geen schade toebrengen aan de weg;

      • -

        geen gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

      • -

        geen belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    • f.

      standplaatsen als bedoeld in Marktverordening gemeente Utrecht 2017 en de artikelen 5:13 en 5:14 van deze verordening;

    • g.

      portieken van een winkel- of verkoopplaats;

    • h.

      terrassen, waarvoor op grond van de Horecaverordening gemeente Utrecht 2018 een vergunning is verleend;

    • i.

      steigers en containers bestemd voor het bouwen of slopen van een bouwwerk mits:

      • -

        deze buiten de binnenstad, zoals deze is vastgesteld in de wijk- en buurtindeling, is gelegen;

      • -

        deze korter dan vier weken zijn geplaatst;

      • -

        deze minder oppervlakte in beslag nemen dan 15 m²;

      • -

        deze niet in strijd met overige regelgeving is;

      • -

        deze geen schade toebrengt aan de weg;

      • -

        deze geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik ervan;

      • -

        deze geen belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

      • -

        een goede en veilige doorgang voor minder validen gegarandeerd blijft;

      • -

        geen overlast met het plaatsen en hebben van deze voorwerpen wordt veroorzaakt;

      • -

        voor het gebruik van een parkeerapparatuurplaats of een belanghebbendenplaats parkeerplaatsengeld wordt geheven.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd, indien:

    • a.

      het beoogde voorwerp of stof schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    • b.

      indien het beoogde voorwerp of stof hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • c.

      in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  • 4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, de Telecommunicatiewet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenverordening provincie Utrecht 2010, of de Afvalstoffenverordening Utrecht 2010 van toepassing zijn of voor zover er sprake is van evenementen als bedoeld in artikel 5:20 en 5:30 van deze verordening, waarvoor door de burgemeester een vergunning is verleend, of voor zover sprake is van een straat- of buurtfeest waarvan melding is gemaakt, als bedoeld in artikel 5:32 van deze verordening of een terras als bedoeld in de Horecaverordening gemeente Utrecht 2018 en het daarbij behorende Terrassenreglement.

  • 5. De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van artikel 1:5, zaaksgebonden.

  • 6. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel 2:9a Uitstallingen

Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving regels stellen ten aanzien van uitstallingen.

Artikel 2:10 [VERVALLEN]

Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

  • 4. Het verbod geldt voorts niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening provincie Utrecht 2010, de Waterschapskeuren, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Kabels- en Leidingen Verordening Utrecht 2013.

  • 5. De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van artikel 1:5, zaaksgebonden.

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg
  • 1.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een handeling te verrichten als is beschreven in artikel 2.2, eerste lid onder e. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het doelmatig en veilig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente of vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.

  • 3.

    De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van artikel 1:5, zaaksgebonden.

Afdeling 2.6 Veiligheid op een openbare plaats
Artikel 2:13 Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan, brandput of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:14 Rookverbod in parken, bossen en natuurterreinen
  • 1. Het is verboden in parken, bossen en natuurterreinen of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

    b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3. Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:15 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterwet, de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:15a [VERVALLEN]

Afdeling 2.7 Orde in verband met voetbalwedstrijden
Artikel 2:16 Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    organisator:

    • 1.

      de betaaldvoetbalorganisatie F.C. Utrecht, indien het betreft een voetbal wedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaaldvoetbalorganisatie FC Utrecht als thuisspelende ploeg betrokken is;

    • 2.

      de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Utrecht, waarbij tenminste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken, dan wel in geval van wedstrijden tussen vertegenwoordigende elftallen;

    • 3.

      degene die buiten de gevallen genoemd onder 1 en 2 een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken.

  • b.

    voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld onder a.

Artikel 2:17 Vergunningplicht
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden.

  • 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan meerdere wedstrijden betreffen.

  • 3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:18 Indienen aanvraag
  • 1. De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:17 dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  • 2. In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      de gegevens van de organisator;

    • b.

      de deelnemende voetbalorganisaties;

    • c.

      de geplande datum, tijdstip en locatie van de wedstrijd.

  • 3. De aanvraag dient vergezeld te gaan van een door de organisator op te stellen veiligheidsplan.

Artikel 2:19 Weigeringsgronden
  • 1. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:17 in het belang van de openbare orde en veiligheid weigeren indien:

    • a.

      de vrees bestaat voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde;

    • b.

      het aannemelijk is dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zullen worden nageleefd;

    • c.

      de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van de voetbalwedstrijd.

  • 2. De burgemeester weigert een vergunning als bedoeld in artikel 2:17 indien niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 2:18.

Artikel 2:20 Bevel politie

Personen, van wie uit feiten en omstandigheden blijkt, dat zij zich als voetbalsupporter manifesteren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie, met inachtneming van de door hem in het belang van de handhaving van de openbare orde gegeven aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.

Afdeling 2.8 Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:21 Speelgelegenheden
  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden een spel te beoefenen;

    • b.

      spel: spel, gespeeld in een speelgelegenheid als bedoeld onder a, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  • 2. Onverminderd hetgeen is bepaald in de Wet op de kansspelen is het verboden zonder vergunning een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

  • 3. Onverminderd hetgeen is bepaald in de Wet op de kansspelen is het verboden deel te nemen aan een spel.

  • 4. De verboden in het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op speelgelegenheden waarvoor vergunning is verleend op grond van de Wet op de kansspelen of op grond van de Verordening op de speelautomatenhallen als bedoeld in artikel 30c, eerste lid onder c van de Wet op de kansspelen.

  • 5. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 2:22 Speelautomaten
  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

  • a. Wet: de Wet op de kansspelen;

  • b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;

  • c. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;

  • d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.

  • 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.

  • 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2.22a Spelen om geld

Onverminderd het bepaalde in de Wet op de Kansspelen is het verboden op de openbare plaats om geld of in geld inwisselbare voorwerpen te spelen.

Afdeling 2.9 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2:23 Betreden gesloten woning, lokaal en erf
  • 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:24 Vervoer inbrekerswerktuigen
  • 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen, zoals lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns e.d. te vervoeren of bij zich te hebben, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de genoemde voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor het verschaffen van de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:25 Bezit of vervoer van hulpmiddelen voor winkeldiefstal
  • 1. Het is verboden op of aan de openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

  • 3. Dit verbod wordt twee jaar na de datum van inwerkingtreding geëvalueerd.

Artikel 2:25a Vervoer van stoffen die brand bevorderen

1. Het is verboden op een openbare plaats stoffen te vervoeren of bij zich te hebben die brand bevorderen en die gebruikt kunnen worden om brand te stichten, brandstichting te vergemakkelijken of door brand sporen te wissen.

2. Het verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de genoemde stoffen niet zijn bestemd of gebruikt voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:26 Betreden van plantsoenen e.d.

1. Het is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, begraafplaatsen, plantsoenen, groenstroken of enige andere openbare beplanting of bloemperk, buiten de daarin gelegen wegen, paden, grasperken, lig- of speelweides.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing voor zover:

    • a.

      onderhoudswerkzaamheden of

    • b.

      werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht.

Artikel 2:27 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
  • 1. Het is verboden:

    • a.

      op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair e.d.;

    • b.

      zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan gebruikers van de openbare plaats of gebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:28 Hinderlijk drankgebruik
  • 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op de openbare plaats of het openbaar water, dat deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      een terras, als bedoeld in de Horecaverordening gemeente Utrecht 2018;

    • b.

      de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet.

  • 3. Het college kan het verbod in een aangewezen gebied beperken tot bepaalde tijdstippen.

Artikel 2:28a Hinderlijk Lachgasgebruik

Het is verboden op een openbare plaats of het openbaar water, dat deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, lachgas - bedoeld of bestemd voor recreatief gebruik - te gebruiken of tanks, ampullen en dergelijke met dat lachgas bij zich te hebben.

Artikel 2:29 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen

Het is verboden:

  • a.

    zich zonder redelijk doel in een portiek, poort of bordes of onder een overkapping en dergelijke op te houden;

  • b.

    in, op of tegen een raamkozijn, drempel of bordes en dergelijke van een gebouw te zitten of te liggen.

Artikel 2:30 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke wijze:

  • a.

    op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte of

  • b.

    deze te verontreinigen of

  • c.

    deze te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:31 Liggen of slapen op of aan een openbare plaats

Het is verboden –al dan niet met gebruikmaking van enige vorm van beschutting, waaronder in ieder geval begrepen het gebruik van een auto, of caravan e.d.– op of aan een openbare plaats:

  • a.

    tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen;

  • b.

    tussen zonsopgang en zonsondergang te liggen of te slapen, nadat door een opsporingsambtenaar in het belang van de openbare orde, veiligheid of ter bestrijding van overlast is aangezegd dat dit moet worden beëindigd.

Artikel 2:32 Parkeren van fietsen en bromfietsen
  • 1. Het is verboden een fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel, al of niet voor onmiddellijk gebruik geschikt, te parkeren als daardoor:

  • a. op een voetpad of trottoir de doorgang wordt gehinderd of belemmerd;

  • b. de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het verkeer wordt gehinderd;

  • c. op of aan een openbare plaats hinder, overlast of schade ontstaat of

  • d. voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel staat geparkeerd de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd.

  • 2. Het is verboden een fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel, al of niet voor onmiddellijk gebruik geschikt, zonder wezenlijke tijdsonderbreking te parkeren op of aan een openbare plaats dan wel in of buiten de openbare fietsparkeervoorzieningen in door het college aangewezen gebieden en langer dan een door het college te bepalen periode.

Artikel 2:33 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, evenement, betoging of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, of op plaatsen welke ter voorkoming van hinder voor wandelend of winkelend publiek zijn aangewezen, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:34 Bespieden van personen
  • 1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.

  • 2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.

Artikel 2:35 Loslopende honden
  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    • a.

      binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is, behalve op de door het college aangewezen gebieden, mits die hond onder behoorlijk toezicht staat;

    • b.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, stadsboerderij, zandbak, speelweide, begraafplaats of op een andere door het college aangewezen plaats;

    • c.

      op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander aangebracht identificatiekenmerk, die de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  • 2. De verboden genoemd in het eerste lid onder a. en b. gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleide- of hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleide- of hulphond.

Artikel 2:36 Verontreiniging door honden
  • 1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:

  • a.

    op een gedeelte van een openbare plaats dat bestemd is of mede bestemd is voor het verkeer van voetgangers;

  • b.

    op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, stadsboerderij, zandbak, speelweide of begraafplaats;

  • c.

    op een andere door het college aangewezen plaats of aangewezen buurt, anders dan op daarvoor specifiek aangewezen plekken (hondentoiletten-uitlaatplaatsen).

  • 2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

Artikel 2:37 Gevaarlijke honden
  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:

    • a.

      anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;

    • b.

      anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

  • 2. Onverminderd artikel 2:35, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip dat met een chipreader afleesbaar is.

  • 3. In het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      muilkorf: muilkorf ingericht naar een model dat beantwoordt aan de volgende beschrijving: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;

    • b.

      kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een vaste lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1.50 meter.

Artikel 2:38 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
  • 1.

    Het is verboden één of meer dieren op een voor de omgeving hinderlijke wijze aanwezig te doen zijn.

  • 2.

    Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben;

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels of

    • c.

      aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.

  • 3.

    Het is verboden op een krachtens het tweede lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven.

  • 4.

    Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het tweede lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

Artikel 2:38a Woonoverlast
  • 1.

    Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  • 2.

    De burgemeester is, in geval van overtreding van het bepaalde in het eerste lid, bevoegd tot toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 151d, tweede en derde lid en artikel 125, eerste lid van de Gemeentewet.

  • 3.

    De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

    • a.

      geluid- of geurhinder;

    • b.

      hinder van dieren;

    • c.

      hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    • d.

      overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    • e.

      intimidatie van derden vanuit een woning, of een erf.

  • 4.

    De burgemeester is niet bevoegd tot toepassing van de in het tweede lid genoemde bevoegdheid indien de geconstateerde hinder door hem of door een ander gemeentelijk bestuursorgaan op grond van een ander wettelijk voorschrift, niet zijnde de bevoegdheid bedoeld in artikel 174a van de Gemeentewet, kan worden beëindigd of voorkomen.

  • 5.

    De burgemeester wijst het verzoek om toepassing van bestuursdwang af indien onvoldoende is gebleken dat zich ernstige en herhaaldelijke hinder voordoet.

  • 6.

    De burgemeester zal het verzoek alleen toewijzen als de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.

Artikel 2:38b Verbod voeren van dieren
  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water dieren te voeren.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      personen die dieren voeren of bijvoeren in opdracht van de beheerder van de openbare plaats of het openbaar water;

    • b.

      personen die de sportvisserij beoefenen en in het bezit zijn van een daartoe bestemde en geldige VISpas.

    • c.

      door het college van B&W nader aan te wijzen locaties die geschikt worden bevonden voor het recreatief voederen van dieren.

Afdeling 2.10 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:39 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:40 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  • 1.

    de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    • a.

      dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    • b.

      van een verandering van de onder 1, sub a. , bedoelde adressen;

    • c.

      als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    • d.

      dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  • 2.

    de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  • 3.

    aan de hoofdingang van elke vestiging een aanduiding te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  • 4.

    een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:41 Verkoop van fietsen e.d. op een openbare plaats

Het is verboden op of aan een openbare plaats fietsen, bromfietsen en dergelijke voertuigen te koop aan te bieden, te verkopen of te kopen, anders dan direct vanuit een aan de weg gevestigd detailhandelsbedrijf voor rijwielen.

Afdeling 2.11 Vuurwerk
Artikel 2:42 Begripsbepaling consumentenvuurwerk

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk waarop het Vuurwerkbesluit van toepassing is.

Artikel 2:43 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
  • 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.

  • 2. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel 2:44 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
  • 1.

    Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken:

    • a.

      in de directe omgeving van een inrichting waar dieren in een buitenverblijf worden verzorgd of opgevangen, in parken of in natuurgebieden;

    • b.

      op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats of

    • c.

      op een openbare plaats als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  • 2.

    De in het eerste lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling 2.12 Drugsoverlast
Artikel 2:45 Handel in verdovende middelen

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan een openbare plaats post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan openbare plaatsen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden of op of aan openbaar water post te vatten, zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan het openbaar water in of op een vaartuig te bevinden of daarmee heen en weer te varen, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Afdeling 2.13 Voor publiek openstaande gebouwen
Artikel 2:46 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen
  • 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.

  • 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.

  • 3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  • 4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

  • 5. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.

  • 6. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet of de Horecaverordening gemeente Utrecht 2018.

Artikel 2:47 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

  • a.

    exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  • b.

    beheerder: de exploitant en iedere andere natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan de bedrijfsmatige activiteiten;

  • c.

    bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw of een daarbij behorend perceel, niet zijnde:

    • -

      een seksinrichting of escortbedrijf waarvoor een vergunningplicht op grond van deze verordening geldt;

    • -

      een horecabedrijf waarvoor een vergunningplicht op grond van de Drank- en Horecawet of de geldende Horecaverordening geldt;

    • -

      een coffeeshop of

    • -

      een woning die als zodanig in gebruik is.

2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is.

Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw, dan wel in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of ernstige vrees hiertoe bestaat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.

Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

Bij een aanwijzingsbesluit (en bij een verlenging hiervan) wordt een maximale termijn van 3 jaar gehanteerd waarbij verlenging van deze termijn alleen aan de orde is als uit een zorgvuldige evaluatie blijkt dat de aanwijzing nog nodig is. De gemeenteraad wordt hierbij – voordat het besluit wordt genomen om de aanwijzing te verlengen – geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze over de resultaten van de evaluatie te delen.

3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen of te wijzigen:

  • a.

    in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten, of

  • b.

    indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

  • a.

    in het belang van het voorkomen van strafbare feiten;

  • b.

    indien de leefbaarheid in het gebied nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

  • c.

    indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of

  • d.

    indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan een ter inzage gelegd bestemmingsplan, een voorbereidingsbesluit, een beheersverordening, een exploitatieplan of daarmee gelijk te stellen regelingen.

6. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteit(en) de vergunning wordt gevraagd en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

  • a.

    de persoonsgegevens en het burger servicenummer van iedere exploitant en beheerder;

  • b.

    het adres waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend of zullen worden uitgeoefend;

  • c.

    het nummer waaronder het bedrijf is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

7. Bij aanvragen voor vergunningen maakt de burgemeester concreet en ondubbelzinnig openbaar welke gedragingen en feiten bij de beoordeling van het levensgedrag in relatie tot de bedrijfsmatige activiteiten kunnen worden betrokken.

8. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:

  • a.

    door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

  • b.

    door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

  • c.

    gehandeld wordt in strijd met het bij of krachtens dit artikel bepaalde;

  • d.

    de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

  • e.

    de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

  • f.

    er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of

  • g.

    redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.

10. Indien het bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid wordt geëxploiteerd of indien één van de situaties als bedoeld in het achtste lid van toepassing is, kan de burgemeester het bedrijf geheel of gedeeltelijk sluiten.

11. Het is een ieder zonder schriftelijke toestemming van de burgemeester verboden een overeenkomstig het negende lid gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

12. De vergunning vervalt wanneer:

  • a.

    de exploitatie van het bedrijf feitelijk is beëindigd of overgedragen;

  • b.

    zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de vergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt;

  • c.

    gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

13. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder aanwezig is.

14. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

15. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit indien hij binnen die periode geen ontvankelijke aanvraag om vergunning heeft ingediend, of met ingang van de inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

16. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen e.d.

Afdeling 3.1 Algemene begripsbepalingen
Artikel 3:1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • b.

    sekswerker: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • c.

    seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, dan wel meerdere besloten ruimten in elkaars directe nabijheid, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen, al dan niet met een ander, tegen vergoeding worden verricht. Hieronder wordt in ieder geval verstaan een prostitutiebedrijf, raamprostitutiebedrijf, seksbioscoop of sekstheater, al dan niet in combinatie met elkaar;

  • d.

    prostitutiebedrijf: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin prostitutie plaatsvindt of gelegenheid wordt geboden tot het plaatsvinden van prostitutie;

  • e.

    raamprostitutiebedrijf: een prostitutiebedrijf waar het werven van klanten overwegend gebeurt vanuit de werkruimte(n) door sekswerkers die zichtbaar zijn vanaf een openbare plaats;

  • f.

    werkruimte: een gedeelte van een (raam-)prostitutiebedrijf waarin de seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding plaatsvinden;

  • g.

    escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en sekswerker;

  • h.

    exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtsperso(o)n(en)) voor wiens rekening en risico de exploitatie van een seksinrichting of escortbedrijf plaatsvindt of indien de exploitant een rechtspersoon is, worden de bestuurders van die rechtspersoon alsmede personen die middellijk of onmiddellijk aandeelhouders of houders zijn van certificaten van aandelen met een totaal belang van 5% of meer van het geplaatste kapitaal, voor de toepassing van dit hoofdstuk beschouwd als exploitant. Voorts wordt als exploitant aangemerkt degene die baten ten laste van de exploitatie ontvangt wegens levering van goederen en diensten waarbij geen sprake is van een uitwisseling van economisch gelijkwaardige prestaties;

  • i.

    beheerder: de natuurlijke persoon die met het feitelijk beheer en het dagelijks toezicht in een seksinrichting is belast of feitelijk het escortbedrijf beheert;

  • j.

    beheerderstaken: taken die essentieel onderdeel uitmaken van het toezicht op de dagelijkse gang van zaken binnen een seksinrichting of escortbedrijf. Hieronder wordt onder andere verstaan het innen van de huurgelden, afsluiten van de huurovereenkomsten, sleutelbeheer;

  • k.

    klant: degene die gebruik maakt of het kennelijk doel heeft gebruik te maken van de seksuele diensten die worden aangeboden:

    • 1.

      in een seksinrichting;

    • 2.

      door bemiddeling van een escortbedrijf of

    • 3.

      door een sekswerker.

Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan het college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor publiek openstaande gebouwen en de daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Afdeling 3.2 Seksinrichtingen en escortbedrijven
Artikel 3:3 Nadere regels

Het bevoegd bestuursorgaan kan nadere regels vaststellen met het oog op de in artikel 3:10, tweede lid, genoemde belangen.

Artikel 3:4 Vergunningplicht
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen.

  • 2. Een vergunning wordt op naam gesteld van een exploitant; indien meerdere personen, daaronder begrepen natuurlijke personen en rechtspersonen, exploitant zijn, wordt de vergunning aan hen gezamenlijk verleend en zijn zij allen, afzonderlijk en gezamenlijk, verantwoordelijk voor de nakoming van de verplichtingen die door of krachtens deze verordening op hen rusten.

  • 3. Het bevoegd bestuursorgaan verleent uitsluitend vergunning voor een escortbedrijf dat naar zijn oordeel voldoende aan een vast adres is gebonden.

  • 4. De exploitatie van een escortbedrijf is gebonden aan het adres dat in de vergunning is vermeld.

Artikel 3:4a Aanvraag en vergunning
  • 1. De aanvraag om vergunning voor een seksinrichting of escortbedrijf wordt met gebruikmaking van het door het bevoegde bestuursorgaan vastgestelde formulier door de exploitant ingediend.

  • 2. In de aanvraag om vergunning worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de persoonsgegevens van de exploitant, indien een rechtspersoon: de persoonsgegevens van de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon/personen;

    • b.

      de persoonsgegevens van de beheerder(s);

    • c.

      het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • d.

      een geldig legitimatiebewijs van iedere exploitant en beheerder;

    • e.

      de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;

    • f.

      behoudens voor escortbedrijven, het aantal in de inrichting aanwezige werkruimten;

    • g.

      op welke wijze de exploitant invulling geeft aan de samenwerking met de betrokken partners, waaronder in ieder geval de gemeente en de politie; 

    • h.

      een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte waarin hij de seksinrichting of het escortbedrijf wil exploiteren;

    • i.

      het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor de seksinrichting of het escortbedrijf zal worden gebruikt of wordt gebruikt.

  • 3. Bij het indienen van een aanvraag om een vergunning voor een seksinrichting of escortbedrijf wordt een bedrijfsplan overgelegd, waarin in ieder geval het bedrijfsbeleid wordt beschreven ten aanzien van de hygiëne, de gezondheid, het zelfbeschikkingsrecht, de zelfredzaamheid, de veiligheid en de arbeidsomstandigheden van de in de inrichting of het bedrijf werkzame sekswerkers, alsmede de veiligheid en de gezondheid van de klanten.

  • 4. Uit het bedrijfsplan blijkt in ieder geval:

    • a.

      welke maatregelen de exploitant neemt om te voorkomen dat in de seksinrichting of door bemiddeling van het escortbedrijf sekswerkers werkzaam zijn die het slachtoffer zijn van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting;

    • b.

      welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de in de seksinrichting of door bemiddeling van het escortbedrijf werkzame sekswerkers voldoende zelfredzaam zijn;

    • c.

      welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de in de seksinrichting of door bemiddeling van het escortbedrijf werkzame sekswerkers niet worden verplicht tot het verrichten van seksuele handelingen tegen hun wil en tot het gebruik van drugs of tot het nuttigen van alcoholhoudende dranken;

    • d.

      welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de in de seksinrichting of door bemiddeling van het escortbedrijf werkzame sekswerkers klanten kunnen weigeren;

    • e.

      welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat er voldoende toezicht plaatsvindt in de seksinrichting of op de activiteiten van het escortbedrijf;

    • f.

      welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de gezondheid en veiligheid van klanten voldoende wordt beschermd;

    • g.

      onder welke arbeids- en/of verhuurvoorwaarden sekswerkers in de seksinrichting of door bemiddeling van het escortbedrijf werken, waaronder in ieder geval de minimale en maximale verhuurperiode en de opbouw van en hoogte van de verhuurprijzen;

    • h.

      op welke wijze de exploitant invulling geeft aan de samenwerking met de betrokken partners, waaronder in ieder geval de gemeente en de politie.

  • 5. Indien de exploitant het bedrijfsplan wil wijzigen, doet hij hiervan vooraf mededeling aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring door het bevoegd bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt.

  • 6. Indien het bevoegd bestuursorgaan dit nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag, worden aanvullende bescheiden en gegevens overgelegd.

  • 7. Het bevoegd bestuursorgaan kan nadere regels stellen ten aanzien van hetgeen in het bedrijfsplan wordt opgenomen.

  • 8. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing;

  • 9. In een vergunning worden opgenomen de gegevens genoemd in het tweede lid onder a., b., c., e. en g. alsmede de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen.

Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder
  • 1. De exploitant – indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon/personen – en de beheerder:

    • a.

      staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

    • b.

      zijn niet onherroepelijk veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

    • c.

      zijn niet in enig ander opzicht van slecht levensgedrag;

    • d.

      hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.

  • 2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en beheerder niet:

    • a.

      met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

    • b.

      binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

    • c.

      binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van EUR 500,00 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      • 1.

        bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen;

      • 2.

        de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

      • 3.

        de artikelen 8 en 162, alsmede artikel 6 jo. artikel 8 of jo. artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      • 4.

        de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

      • 5.

        de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      • 6.

        de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

  • 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:

  • a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom € 375,00 of minder bedraagt;

  • b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

  • 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:

    • a.

      bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

    • b.

      bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 5. De exploitant of beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting die of een escortbedrijf dat voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.

  • 6. Voor de toepassing van het vorige lid wordt, ingeval de exploitant een rechtspersoon is, onder exploitant mede verstaan de bestuurders, de vertegenwoordigingsbevoegden en de houders van (certificaten van) aandelen.

Artikel 3:6 Maximumstelsel prostitutiebedrijven en werkruimten
  • 1. Het bevoegd bestuursorgaan verleent aan ten hoogste zes prostitutiebedrijven, niet zijnde raamprostitutiebedrijven, een vergunning.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan ten behoeve van raamprostitutie voor ten hoogste honderdachtentwintig (128) werkruimten vergunningen verlenen.

  • 3. In de vergunning wordt het aantal werkruimten per raamprostitutiebedrijf vastgelegd.

  • 4. Aan een exploitant van een raamprostitutiebedrijf, daaronder mede verstaan degene die gezamenlijk met een derde houder is of beoogt te worden van een vergunning, kan vergunning worden verleend voor ten hoogste tweeëndertig (32) werkruimten.

  • 5. Het bevoegd bestuursorgaan kan onder bijzondere omstandigheden aan de exploitant van een raamprostitutiebedrijf tijdelijk ontheffing van het in het vierde lid genoemde maximum verlenen.

  • 6. Van het totaal aan een exploitant van een raamprostitutiebedrijf vergunde werkruimten mag maximaal 20 procent (20%) verhuurd worden ten behoeve van afspraken die anders dan door werving zichtbaar vanuit de werkruimte tot stand zijn gekomen.

Artikel 3:7 Geldigheidsduur
  • 1. De vergunning vervalt drie jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan of zoveel eerder als in de vergunning wordt aangegeven, met dien verstande dat geen vervaltermijnen van minder dan één jaar in de vergunning worden opgenomen.

  • 2. De vergunning vervalt ook wanneer:

    • a.

      de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk is beëindigd of overgedragen;

    • b.

      zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de vergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt of

    • c.

      de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf gedurende zes maanden achtereen is gestaakt.

  • 3. Indien minimaal twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag tot verlenging is besloten.

Artikel 3:8 Beheerders

Het is verboden beheerderstaken uit te laten voeren door personen die niet als zodanig op de vergunning staan vermeld.

Artikel 3:9 Beslistermijn
  • 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag om vergunning binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvankelijk is geworden.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 3:10 Weigeringsgronden
  • 1. Het bevoegd bestuursorgaan besluit omtrent een vergunning op de grondslag van een aanvraag en weigert een vergunning indien:

    • a.

      de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;

    • b.

      de vestiging, uitbreiding of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of beheersverordening;

    • c.

      de vestiging, de uitbreiding of de exploitatie van de seksinrichting in strijd zou zijn met artikel 3:6;

    • d.

      blijkens de aanvraag een persoon of rechtspersoon houder van een vergunning beoogt te worden die reeds, al dan niet gezamenlijk met een of meer anderen, over een vergunning voor raamprostitutie beschikt en verlening van de vergunning ertoe zou leiden dat deze persoon gebruik zou kunnen gaan maken van vergunningen voor een hoger aantal werkruimten dan het aantal werkruimten dat is aangegeven in artikel 3:6, vierde lid;

    • e.

      het escortbedrijf wordt gevestigd in een voor het publiek toegankelijk gebouw, tenzij het escortbedrijf wordt gevestigd in een seksinrichting waarvoor op grond van artikel 3:4 vergunning is verleend;

    • f.

      het escortbedrijf wordt gevestigd in een seksinrichting waarvan de vergunning op grond van artikel 3:15 is ingetrokken of met toepassing van artikel 2:46 of 3:14, eerste lid van deze verordening of artikel 13b van de Opiumwet is gesloten;

    • g.

      het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning tot woningonttrekking als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 is verleend;

    • h.

      een niet in de aanvraag of vergunning als beheerder vermeld persoon beheerderstaken zal uitvoeren of uitvoert met betrekking tot de seksinrichting of het escortbedrijf waarop de aanvraag respectievelijk de vergunning betrekking heeft;

    • i.

      naar zijn oordeel het bedrijfsplan onvoldoende garanties geeft voor de bescherming van de in de seksinrichting of de door bemiddeling van het escortbedrijf werkzame sekswerkers of niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 3:4a gestelde regels;

    • j.

      er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting, in het perceel waarin de bemiddeling van een escortbedrijf plaatsvindt of door bemiddeling van het escortbedrijf:

      • 1.

        personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

      • 2.

        minderjarigen werkzaam of aanwezig zijn of zullen zijn;

      • 3.

        geen of onvoldoende toezicht aanwezig is of zal zijn van de exploitant of beheerder of

      • 4.

        sekswerkers werkzaam zijn of zullen zijn die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt.

    • k.

      er aanwijzingen zijn dat in het raamprostitutiebedrijf sekswerkers werkzaam zijn of zullen zijn, die niet op grond van artikel 3:16 zijn geregistreerd of

    • l.

      indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan een vergunning weigeren in het belang van:

    • a.

      de in artikel 1:8 van deze verordening vermelde belangen;

    • b.

      het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat of

    • c.

      de arbeidsomstandigheden van de sekswerker.

  • 3. Het bevoegd bestuursorgaan kan een vergunning voor een seksinrichting of een escortbedrijf eveneens weigeren:

    • a.

      in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur of

    • b.

      indien naar zijn oordeel onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant of de beheerder het bepaalde bij of krachtens artikel 3:11 of 3:11a zal naleven.

  • 4. Bij de toepassing van de in het tweede lid onder b. genoemde weigeringsgrond houdt het bevoegd bestuursorgaan rekening met:

    • a.

      het karakter van de straat en de wijk waarin de seksinrichting of het escortbedrijf is of wordt gevestigd;

    • b.

      de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf en de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse blootstaat of door de vestiging of uitbreiding van de inrichting of het bedrijf zou komen te staan en

    • c.

      bijzondere gebruiksfuncties in de omgeving waarmee de vestiging of uitbreiding van de seksinrichting of van het escortbedrijf zich niet verdraagt.

  • 5. Een weigering op grond van het bepaalde in het derde lid onder a. vindt niet plaats op basis van besluiten tot intrekking van vergunningen die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening.

Artikel 3:11 Toezicht en verplichtingen seksinrichtingen
  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor klanten geopend te hebben, zonder dat de op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

  • 2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning is verleend en dat tevens aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning beschikt voor die seksinrichting.

  • 3. De exploitant en/of de beheerder houdt ter plaatse voortdurend en zodanig toezicht dat in de seksinrichting:

    • a.

      geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal), artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht en XXX (begunstiging) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie;

    • b.

      geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • c.

      geen minderjarigen aanwezig zijn;

    • d.

      geen sekswerkers werkzaam zijn die de leeftijd van éénentwintig (21) jaar nog niet hebben bereikt.

  • 4. De exploitant en/of de beheerder voert met iedere sekswerker voordat hij of zij voor het eerst in de seksinrichting werkzaam zal zijn een persoonlijk gesprek waarin de exploitant zich ervan dient te vergewissen dat de sekswerker voldoende zelfredzaam is. Het verslag van dit intakegesprek maakt deel uit van de verplicht te voeren bedrijfsadministratie.

  • 5. De exploitant van een seksinrichting is verplicht:

    • a.

      de werkruimte te voorzien van een deugdelijke alarminstallatie en

    • b.

      een deugdelijke administratie te voeren.

  • 6. De exploitant en de beheerder van een raamprostitutiebedrijf dienen er voortdurend op toe te zien, dat in het raamprostitutiebedrijf uitsluitend op grond van artikel 3:16 geregistreerde sekswerkers werkzaam zijn.

  • 7. De exploitant en de beheerder dienen, indien bij hen redelijkerwijs een vermoeden dient te ontstaan van mensenhandel en/of andere vormen van uitbuiting, dit direct te melden bij de politie en de gemeentelijke toezichthouders.

  • 8. De exploitant of beheerder draagt er zorg voor dat de rechten en verplichtingen die hij en de sekswerker zijn overeengekomen schriftelijk tenminste in tweevoud worden vastgelegd en dat een exemplaar van deze overeenkomst aan de sekswerker wordt verstrekt en dat een exemplaar in de bedrijfsadministratie wordt bewaard. Elke beëindiging van een huurcontract dient schriftelijk te worden vastgelegd en vermeldt de aanleiding tot de beëindiging. Het document wordt in de bedrijfsadministratie bewaard.

  • 9. De exploitant draagt er zorg voor dat de hygiëne in de seksinrichting aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden voldoet.

Artikel 3:11a Toezicht en verplichtingen escortbedrijven

Het derde, vierde, zevende, achtste en negende lid van artikel 3:11 zijn van overeenkomstige toepassing op escortbedrijven.

Artikel 3:12 Verbod op dwingend bemoeien

Het is verboden zich op een openbare plaats op enigerlei wijze dwingend te bemoeien met een sekswerker.

Artikel 3:13 Minimale verhuurperiode en gebruik werkruimte
  • 1. De minimale verhuurperiode van een werkruimte voor raamprostitutie bedraagt bij de aanvang van huren een aaneengesloten periode van minimaal vier weken.

  • 2. De minimale verhuurperiode van een werkruimte waarvoor de werving van klanten anders dan zichtbaar vanuit de werkruimte plaatsvindt bedraagt bij de aanvang van huren vier uur per week gedurende vier weken en hierna steeds vier uur.

  • 3. Het is verboden een werkruimte voor raamprostitutie door meer dan twee sekswerkers per dag te laten gebruiken.

  • 4. In een raamprostitutiebedrijf is het verboden een werkruimte gedurende een aaneengesloten periode van meer dan twaalf uur te laten gebruiken door dezelfde sekswerker.

  • 5. Het is verboden een sekswerker, die gedurende een periode van twaalf uur als in het voorgaande lid bedoeld gebruik heeft gemaakt van een werkruimte, gebruik te laten maken van een andere werkruimte.

  • 6. Het is verboden een sekswerker gebruik te laten maken van een werkruimte die reeds aan een andere sekswerker is verhuurd.

  • 7. Voor alle (raam-)prostitutiebedrijven geldt dat de werkruimte niet mag worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze is bedoeld.

  • 8. Het is verboden een werkruimte binnen een raamprostitutiebedrijf te gebruiken voor de werving van klanten op een andere wijze dan op grond van de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen is toegestaan.

Artikel 3:14 Sluiting(stijden)
  • 1. Het is verboden om een raamprostitutiebedrijf voor publiek geopend te hebben van 3.00 tot 7.00 uur.

  • 2. Onverlet het bepaalde in lid 1 kan het  bevoegde bestuursorgaan de, al dan niet tijdelijke, gehele of gedeeltelijke sluiting van een seksinrichting bevelen indien:

    • a.

      gehandeld wordt in strijd met het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde;

    • b.

      gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften of

    • c.

      dat met het oog op de bescherming van de in artikel 3:10, tweede lid, genoemde belangen noodzakelijk is.

  • 3. Het is verboden in de seksinrichting klanten toe te laten gedurende de tijd dat de inrichting bij of krachtens deze verordening gesloten dient te zijn.

  • 4. Het bevoegd bestuursorgaan kan, indien wordt gehandeld in strijd met het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde, met het oog op de in artikel 3:10 genoemde belangen of bij overtreding van de aan de vergunning verbonden voorschriften, al dan niet tijdelijk voor een afzonderlijke seksinrichting sluitingsuren vaststellen.

  • 5. Het is de klant van een seksinrichting verboden zich in de inrichting te bevinden gedurende de tijd dat de inrichting bij of krachtens deze verordening gesloten dient te zijn.

Artikel 3:15 Intrekkingsgronden
  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het bevoegd bestuursorgaan een vergunning intrekken indien:

    • a.

      de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;

    • b.

      een niet in de vergunning vermeld persoon beheerderstaken uitvoert met betrekking tot de seksinrichting of het escortbedrijf waarop de vergunning betrekking heeft;

    • c.

      er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting, in het perceel waarin de bemiddeling van een escortbedrijf plaatsvindt of door bemiddeling van het escortbedrijf:

      • 1.

        personen werkzaam zijn of zijn geweest in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

      • 2.

        minderjarigen werkzaam en/of aanwezig zijn of zijn geweest;

      • 3.

        geen of onvoldoende toezicht aanwezig is of is geweest van de exploitant of beheerder;

      • 4.

        sekswerkers werkzaam zijn of zijn geweest die de leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt;

    • d.

      er aanwijzingen zijn dat in het raamprostitutiebedrijf sekswerkers werkzaam zijn of zijn geweest die niet op grond van artikel 3:16 zijn geregistreerd of

    • e.

      de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juist gegevens bekend waren geweest;

    • f.

      indien het bedrijfsplan niet langer voldoende garanties geeft voor de bescherming van de sekswerkers, de exploitant niet langer voldoet aan de bij of krachtens artikel 3:4a gestelde regels of in strijd is gehandeld met de in het bedrijfsplan, bedoeld in artikel 3:4a, beschreven maatregelen;

    • g.

      indien de exploitant of de beheerder niet voldoet aan het in artikel 3:11 of 3:11a bepaalde of in strijd handelt met artikel 3:15a;

    • h.

      indien in strijd wordt gehandeld met de door het bevoegd bestuursorgaan gestelde nadere regels als bedoeld in artikel 3:3;

    • i.

      indien een eerdere of andere vergunning van dezelfde exploitant voor de exploitatie van een escortbedrijf of seksinrichting is geweigerd of ingetrokken;

    • j.

      ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 3:10, tweede lid of

    • k.

      in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan de vergunning voor een escortbedrijf eveneens intrekken, indien zich een omstandigheid voordoet die een weigeringsgrond oplevert als bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, aanhef en onder b, e, f of g.

  • 3. Het bevoegd bestuursorgaan kan een vergunning voor een seksinrichting eveneens intrekken indien in strijd met artikel 3:14 wordt gehandeld.

Artikel 3:15a Adverteren
  • 1. Het is verboden bij het adverteren ten behoeve van de seksinrichting of escortbedrijf de naam van het bedrijf en het nummer van de exploitatievergunning niet te vermelden.

  • 2. Het is verboden in advertenties onveilige seks aan te bieden of daarin te vermelden dat de in de seksinrichting of door tussenkomst van het escortbedrijf werkzame sekswerkers die voor hem of haar werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

  • 3. Bij de werving van klanten voor escortbedrijven mag alleen gebruik worden gemaakt van de op de exploitatievergunning vermelde telefoonnummers die niet zijnde 06-nummers zonder vast abonnement.

Artikel 3:16 Registratieplicht raamsekswerkers
  • 1. Het is verboden zonder registratie door het bevoegd bestuursorgaan als sekswerker werkzaam te zijn in een raamprostitutiebedrijf.

  • 2. De aanvraag tot registratie dient:

    • a.

      door de sekswerker persoonlijk te worden gedaan ten overstaan van een daartoe door het bevoegd gezag gemandateerd ambtenaar en

    • b.

      te geschieden door middel van een door het bevoegd gezag vastgesteld formulier en dient van de benodigde bijlagen te zijn voorzien.

  • 3. De registratie wordt geweigerd indien:

    • a.

      de sekswerker nog niet de leeftijd van éénentwintig jaar heeft bereikt;

    • b.

      de sekswerker niet voldoet aan de relevante bepalingen, gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet Arbeid Vreemdelingen;

    • c.

      er aanwijzingen zijn dat de sekswerker slachtoffer is van mensenhandel dan wel andere vormen van uitbuiting of

    • d.

      de sekswerker niet beschikt over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel.

  • 4. In afwijking van hetgeen in artikel 1:2 is opgenomen, registreert het bevoegd gezag de sekswerker binnen twee weken nadat de aanvraag is ontvangen, welke termijn kan worden verlengd met maximaal twee weken.

  • 5. De registratie heeft een duur van vierentwintig maanden.

  • 6. De burgemeester verwijdert de sekswerker uit de registratie:

    • a.

      indien de sekswerker hier zelf om verzoekt;

    • b.

      na afloop van de duur van de registratie, als bedoeld in het vijfde lid;

    • c.

      indien de sekswerker ter verkrijging van de registratie onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt;

    • d.

      indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het registreren van de sekswerker moet worden aangenomen dat verwijdering uit de registratie wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de registratie is vereist of

    • e.

      indien een weigeringsgrond vermeld in het derde lid zich voordoet.

  • 7. De sekswerker ontvangt een bewijs van registratie.

Artikel 3:16a [VERVALLEN]
Afdeling 3.3. Straatprostitutie
Artikel 3:17 Straatprostitutie
  • 1.

    Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten te bewegen, uit te nodigen, dan wel aan te lokken gebruik te maken van de diensten van een sekswerker.

  • 2.

    Door toezichthouders belast met de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit artikel en politieambtenaren kan het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod.

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 4.1 Overige Geluidhinder
Artikel 4:1 Overige geluidhinder
  • 1.

    Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2.

    Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3.

    Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van toestellen of geluidsapparaten, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder.

  • 4.

    De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen:

    • -

      het maximale geluidsniveau;

    • -

      de situering van geluidsbronnen;

    • -

      de frequentie en tijden van gebruik.

  • 5.

    Het verbod geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening Utrecht 2013 van toepassing zijn.

  • 6.

    Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Afdeling 4.2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Artikel 4:2 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:3 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:4 Plakken en kladden
  • 1. Het is verboden een openbare plaats of een gedeelte van een onroerende en/of roerende zaak dat vanaf een openbare plaats of openbaar water zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  • 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats op een gedeelte van een onroerende en/of roerende zaak dat vanaf een openbare plaats of openbaar water zichtbaar is:

    • a.

      een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    • b.

      met kalk, teer of een kleur of verfstof, niet zijnde stoepkrijt, een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  • 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  • 6. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 4:5 Vervoer plakgereedschap e.d.
  • 1. Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 4:4, eerste, tweede en vijfde lid.

Artikel 4:5a Winkelwagentjes
  • 1.

    Het is verboden een winkelwagentje te deponeren of achter te laten op of aan een openbare plaats, anders dan op plaatsen die daartoe door de rechthebbende zijn aangewezen.

  • 2.

    Het college kan gebieden aanwijzen waarbinnen bedrijven die winkelwagentjes ter beschikking stellen verplicht worden op of aan een openbare plaats achtergelaten of gedeponeerde winkelwagentjes direct te verwijderen.

  • 3.

    Het is de rechthebbende op een bedrijf verboden winkelwagentjes ten behoeve van het publiek ter beschikking te stellen zonder dat deze zijn voorzien van een duidelijk leesbare aanduiding van de naam en het adres van het bedrijf.

  • 4.

    Het bepaalde in het derde lid geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.

Artikel 4:5b Verbod oplaten ballonnen

1. Het is verboden een ballon, van welk materiaal dan ook, door middel van helium of enig ander gas dat lichter dan lucht is, op te laten in de buitenlucht zonder dat deze op enige wijze met het aardoppervlak verbonden is.

2. Onder ballon wordt verstaan: feest-, geluks-, papier-, wens-, sfeer-, herdenkings-, reclameballon of – lampion en dergelijke.

3. Het verbod is niet van toepassing op vaartuigen als bedoeld in de Wet luchtvaart.

Artikel 4:5c Verbod confetti

Het is verboden confetti bestaande uit kleine snippers die (deels) gemaakt zijn van plastic en/of metaal, te gebruiken en/of te verspreiden in de open lucht.

Afdeling 4.3 Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4:6 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    boom: een houtachtig, overblijvend gewas, dat:

    • -

      een- of meerstammig kan zijn, waarbij in geval van meerstammigheid de stammen zich bovengronds moeten vertakken;

    • -

      een dwarsdoorsnede van de stam, of bij meerstammigheid de dwarsdoorsnede van de dikste stam, van 15 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld heeft;

  • b.

    houtopstand: zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die:

    a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer

    b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen;

  • c.

    hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

  • d.

    knotten/kandelaberen: het tot op de snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

  • e.

    bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming;

  • f.

    boomwaarde: het getal dat wordt gevonden door het product van de volgende factoren:

    • -

      de oppervlakte in vierkante centimeters van de dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld;

    • -

      de geïndexeerde eenheidsprijs per vierkante centimeter; de standplaatswaarde;

    • -

      de conditiewaarde;

    • -

      de waarde van de plantwijze;

      g.vellen: afzagen, afhakken, rooien met inbegrip van verplanten en het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4:7 Omgevingsvergunning voor het kappen van een boom of vellen van een houtopstand
  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een handeling te verrichten als is beschreven in artikel 2.2, eerste lid onder g. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming.

    3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor:

    • a.

      houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:11 en 4:12;

    • b.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • c.

      het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten;

    • d.

      bomen met een dwarsdoorsnede van de stam tot maximaal 15 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld;

    • e.

      bomen met een ouderdom van 49 jaar of jonger die zich bevinden op een kadastraal perceel van gelijk of minder dan 300 m2;

    • f.

      bomen met een ouderdom van 49 jaar of jonger die zich bevinden in een tuin behorende bij een verhuurde woning en, waarvan de grootte van de verhuurde eenheid inclusief tuin gelijk of minder is dan 300 m2.

Artikel 4:8 Vergunningvoorschriften en weigeringsgronden
  • 1. Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

    • a.

      ecologische waarde;

    • b.

      ruimtelijke waarde;

    • c.

      milieuwaarde;

    • d.

      cultuurhistorische waarde.

  • 2. Het bevoegd gezag kan bij het weigeren of onder voorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren.

Artikel 4:9 Bijzondere vergunningvoorschriften
  • 1. In de aan de vergunning te verbinden voorschriften wordt in ieder geval bepaald dat binnen 36 maanden vanaf het moment dat de kapvergunning is verleend en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen, op of zeer nabij de kaplocatie wordt herplant. De voorschriften kunnen onder andere de locatie en wijze van herplant, vervanging bij niet-geslaagde herplant betreffen. Hierbij wordt de volgende volgorde aangehouden: 1. Herplant op locatie, 2. Herplant dichtbij locatie, 3. Herplant elders. Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan in het uiterste geval worden overgegaan tot financiële compensatie waarbij de inkomsten worden geoormerkt voor het aanplanten van bomen en groen elders in de gemeente Utrecht.

  • 2. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen tevens behoren aanwijzingen ter bescherming van flora en fauna, met name het niet uitvoeren van velwerkzaamheden ter bescherming van broedende vogels.

  • 3. In geval van noodkap wordt herplant overeenkomstig het bepaalde in lid 1.

  • 4. Het bevoegd gezag kan, in omstandigheden die dit noodzaken, van het bepaalde in lid 1 en lid 3 gemotiveerd afwijken. Van noodzaak kan enkel sprake zijn in het geval van: onder- of bovengronds ruimtegebrek, onveiligheid, klimaat- of gezondheidsredenen.

Artikel 4:10 Afstand van de grenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 50 centimeter voor bomen en nihil voor heggen en heesters.

Artikel 4:11 Herplant-/instandhoudingsplicht
  • 1. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

  • 2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 3. Indien een houtopstand waarop het verbod tot het vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, door uitvoering van werkzaamheden, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  • 4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede aan diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:12 Bestrijding van boomziekten
  • 1. Indien zich op een terrein één of meer bomen of andere houtopstand bevinden, die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de insecten, die boomziekten verspreiden, is de eigenaar of de publiekrechtelijk bevoegde op aanschrijving van het college en binnen de door haar te stellen termijn verplicht:

    • a.

      de houtopstand te vellen;

    • b.

      de houtopstand ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen;

    • c.

      de niet ontbaste bomen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen, dat verspreiding van boomziekten wordt voorkomen;

    • d.

      in geval van iepziekte alle hierboven onder a., b. en c. genoemde maatregelen te treffen;

    • e.

      alle andere maatregelen te treffen ter voorkoming van boomziekten behoudens beperkingen bij of krachtens de Plantenziektenwet gesteld.

  • 2. Het is verboden gevelde door boomziekte aangetaste bomen, of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, tenzij het betreft geheel ontbast hout of hout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.

  • 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod, als bedoeld in het tweede lid.

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 5.1 Parkeerexcessen
Artikel 5:1 [VERVALLEN]

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
  • 1.

    Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

  • a.

    het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

  • b.

    het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

  • a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

  • b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

    3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

  • a. drie of meer voertuigen die hem kennelijk toebehoren of kennelijk zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 50 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

  • b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

    • 4.

      Het is andere personen dan bedoeld in het derde lid verboden de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

    • 5.

      Het in het derde lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
  • 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  • 3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken
  • 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  • 2. Het verbod geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen en dergelijke
  • 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    • a.

      langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op door het college aangewezen wegen, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    • b.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijke aanzien van de gemeente.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a., gestelde verbod.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening provincie Utrecht 2010 of de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017.

Artikel 5:7 Parkeren van grote voertuigen
  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg , waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  • 4. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

Artikel 5:8 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen
  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2. Het verbod geldt niet:

    • a.

      gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is;

    • b.

      voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.

Artikel 5:9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
  • 1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.

Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
  • 1.

    Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of aangelegde beplanting of groenstrook.

  • 2.

    Dit verbod is niet van toepassing:

    • a.

      op de weg;

    • b.

      op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;

    • c.

      op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 3.

    Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Afdeling 5.2 Collecteren
Artikel 5:11 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving
    • 1.

      Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

    • 2.

      Onder een inzameling of werving als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

    • 3.

      Het verbod geldt niet voor een inzameling die wordt gehouden in besloten kring.

    • 4.

      Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen of wervingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.

    • 5.

      Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Afdeling 5:3 Straathandel
Artikel 5:12 Begripsbepalingen
  • 1. In deze afdeling wordt onder straathandel verstaan:

  • a. ambulante handel (of venten): het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aanbieden op een openbare telkens wisselende plaats of aan huis;

  • b. vaste standplaats: het voor langere tijd vanaf een vaste plaats op een openbare plaats of op of aan een openbaar water te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aanbieden, gebruikmakend van verplaatsbare fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel;

  • c. tijdelijke standplaats: het voor maximaal drie dagdelen op een openbare plaats of op of aan een openbaar water te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan bieden, gebruik makend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel;

  • d. mobiel verkooppunt: vitrines, toonbanken e.d. die vanuit winkels of horeca-inrichtingen een openbare plaats op worden gereden van waaruit verkoop plaatsvindt.

  • 2. Onder straathandel wordt niet verstaan:

  • a. een vaste standplaats op een markt in de zin van de marktverordening van de gemeente Utrecht

  • b. een vaste standplaats op een evenement als bedoeld in artikel 5:30 eerste lid van deze verordening;

  • c. het aan de huizen te koop aanbieden of verkopen door degene, die dat doet in de uitoefening van zijn in deze gemeente gevestigde winkel of op bestelling of geregeld volgens afspraak levert of

  • d. het aan winkeliers te koop aanbieden of verkopen door handelsreizigers.

Artikel 5:13 Straathandel
    • 1.

      Het is verboden zonder vergunning van het college, in de uitoefening van de straathandel, andere waren dan gedrukte of geschreven stukken, waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard, te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren op een op een openbare plaats of op of aan een openbaar water.

    • 2.

      Het college kan in het belang van de openbare orde en veiligheid en het uiterlijk aanzien van de gemeente nadere regels stellen ten aanzien van de straathandel.

    • 3.

      Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert het college de vergunning indien:

  • a. de aanvrager beneden de 18 jaar is of

  • b. de situatie als bedoeld in artikel 5:31, derde lid zich voordoet.

    4.Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college straathandel wordt uitgeoefend.

Artikel 5:13a Vrijmarkt Koningsdag
  • 1. De burgemeester kan ten behoeve van de viering van Koningsdag locaties en tijden aanwijzen waarbij het verbod van artikel 5:13, eerste lid niet van toepassing is voor de niet-commerciële verkoop van goederen door particulieren.

  • 2. De burgemeester kan over de uitvoering van de bevoegdheid van het eerste lid nadere regels stellen met het oog op de belangen zoals genoemd in artikel 1:8.

Artikel 5:14 Standplaats voor een ander doel dan straathandel
  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of op of aan een openbaar water in te nemen, voor een ander doel dan straathandel, met een tafel, een kraam, een voertuig of ander voorwerp.

  • 2.

    Het college kan een vergunning weigeren op grond van de gronden zoals bedoeld in artikel 1:8 en 5:13 van deze verordening.

  • 3.

    Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Afdeling 5.3 A Commercieel aanbieden voertuigen
Artikel 5:14a Vergunningplicht commercieel aanbieden voertuigen

1. Het is verboden zonder vergunning van het college voertuigen op een openbare plaats ter gebruik aan derden aan te bieden tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden.

2. Het college wijst categorieën voertuigen aan waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid verleend kan worden

3. Vergunning wordt voor maximaal 5 jaar verleend.

4. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op auto’s.

5. Het college kan, onverminderd het bepaalde in de artikelen 1:6 en 1:8, een vergunning weigeren of intrekken indien:

a. de aanvraag een categorie voertuigen betreft die niet is aangewezen op grond het tweede lid;

b. een door het college vastgesteld vergunningenplafond of voertuigenplafond door verlenen van de vergunning zou worden overschreden;

c. het ter gebruik aanbieden van de voertuigen:

i. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte;

ii. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte;

iii. een nadelige invloed heeft op het woon- en leefklimaat, of

d. de aanvraag in strijd is met of de vergunninghouder in strijd handelt met het bij of krachtens deze afdeling bepaalde.

6. Het college kan een maximaal aantal voertuigen of vergunninghouders per categorie voertuigen vaststellen gelet op het vijfde lid.

7. Het college kan stallingsplaatsen of openbare plaatsen aanwijzen waar het verboden is om voertuigen als bedoeld in het eerste lid ter gebruik aan te bieden.

8. Het college kan stallingsplaatsen of openbare plaatsen aanwijzen waar het verbod uit het eerste lid niet geldt voor bepaalde categorieën voertuigen.

9. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van het aanbieden van voertuigen als bedoeld in deze afdeling.

Afdeling 5.4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5:15 Crossterreinen
  • 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig, en een bromfiets, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden of;

    • c.

      de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Artikel 5:16 Beperking verkeer in natuurgebieden
  • 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets of met een fiets of een paard.

  • 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    • a.

      ten dienst van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld of

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet op wegen.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 5. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Afdeling 5.5 Verbod vuur te stoken
Artikel 5:17 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
  • 1.

    Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het betreft:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand of

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden, voor dat geen gevaar voor de omgeving oplevert.

  • 3.

    Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd

    • a.

      ter bescherming van de woon- en leefomgeving;

    • b.

      ter bescherming van de flora en fauna;

    • c.

      ter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu door rook, roet,stof, walm of stank.

  • 5.

    Het verbod geldt niet voor in het geregelde onderwerp wordt voorzien door:

    • a.

      de Provinciale milieuverordening Utrecht 2013;

    • b.

      artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 6.

    Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Afdeling 5.6 Straatnaamborden, huisnummers e.d.
Artikel 5:18 Gedoogplicht aanduidingen
  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen, aanduidingen voor brandkranen en brandputten worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het college geeft tevoren schriftelijk kennis aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun voornemen over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen, aanduidingen voor brandkranen en brandputten.

Artikel 5:19 Verwijdering e.d. aanduidingen
  • 1.

    Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in artikel 5:18 eerste lid, te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen of onleesbaar te maken.

  • 2.

    Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

  • 3.

    Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende op een bouwwerk die met inachtneming van het door het college vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te brengen.

Afdeling 5.7A Binnenevenementen
Artikel 5:20 Begripsbepaling binnenevenement

1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een, al dan niet met enige beperkingen, voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak in een gebouw of een gedeelte daarvan met uitzondering van:

  • a.

    betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

  • b.

    bioscoop- en theatervoorstellingen;

  • c.

    sportwedstrijden voor zover deze plaatsvinden onder auspiciën van een bij de NOC*NSF aangesloten sportbond en niet behoren tot door de burgemeester aangewezen categorieën vechtsportwedstrijden of -gala's;

  • d.

    voetbalwedstrijden als bedoeld in afdeling 2.7 van deze verordening;

  • e.

    activiteiten in horecabedrijven die in de uitoefening van het horecabedrijf gebruikelijk zijn;

  • f.

    markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h. van de Gemeentewet;

  • g.

    kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

  • h.

    speelgelegenheden als bedoeld in artikel 2:21 van deze verordening.

    2.In deze afdeling wordt onder organisator verstaan een natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigde(n), die een evenement als bedoeld in het eerste lid houdt of doet houden.

Artikel 5:21 Verbodsbepaling
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement als bedoeld in artikel 5:20 te houden of doen houden waarbij het totaal aantal van 2.000 bezoekers wordt overschreden gerekend over een aaneengesloten periode van 24 uur.

  • 2. De burgemeester kan categorieën vechtsportwedstrijden of –gala’s aanwijzen waarop het verbod in het eerste lid, ongeacht het daarin vermelde aantal bezoekers, van toepassing is.

  • 3. De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen waarop het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 van deze verordening, wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden dat de organisator een verzekering tegen aansprakelijkheid met een toereikende dekking afsluit.

  • 5. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 5:22 Nadere regels

Met het oog op de in artikel 5:27 en de in artikel 1:8 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in deze paragraaf nadere regels vaststellen

Artikel 5:23 Indienen aanvraag
  • 1. De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5:21, eerste lid, dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  • 2. In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      de gegevens van de organisator;

    • b.

      de geplande datum, tijdstip en locatie van het evenement;

    • c.

      een omschrijving van de aard en karakter van het evenement;

    • d.

      het te verwachten aantal bezoekers.

  • 3. De aanvraag dient vergezeld te gaan van een door de organisator opgesteld veiligheidsplan.

Artikel 5:24 Vereisten organisator
  • 1. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 5:21, eerste lid dient de organisator aan de volgende eisen te voldoen:

    • a.

      hij mag niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij zijn ontzet;

    • b.

      hij mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;

    • c.

      hij moet de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en

    • d.

      hij moet aantoonbare ervaring hebben in het organiseren van vergelijkbare evenementen als het evenement waarvoor vergunning wordt aangevraagd.

  • 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid onder d. gestelde vereiste.

Artikel 5:25 Maximum aantal personen

De burgemeester stelt op basis van het, in de vergunning aangegeven, veiligheidsplan, het risicoprofiel van de beoogde bezoekers en de voor een goed verloop van het evenement noodzakelijk geachte inzet en beschikbaarheid van hulpdiensten voor het evenement een maximum aantal bezoekers vast.

Artikel 5:26 Evenementenkalender
  • 1. De burgemeester stelt jaarlijks vóór 1 december een Evenementenkalender vast voor het volgende kalenderjaar.

  • 2. Degene die voornemens is een evenement te organiseren kan de burgemeester jaarlijks vóór 1 november verzoeken een evenement te plaatsen op de Evenementenkalender van het volgende jaar. Een dergelijk verzoek is geen aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5:21, eerste lid of artikel 5:31.

  • 3. Aan de plaatsing van een evenement op de Evenementenkalender kunnen geen rechten worden ontleend met uitzondering van het bepaalde in artikel 5:27, tweede lid onder c. of artikel 5:37, tweede lid onder d.

Artikel 5:27 Weigeringsgronden
  • 1. De vergunning wordt geweigerd indien:

    • a.

      niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 5:23 of

    • b.

      niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 5:24 gestelde eisen;

      2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd, indien:

  • a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de hulpdiensten;

  • b. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement of

  • c. in de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als bedoeld in artikel 5:26 reeds een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid daarvan.

Artikel 5:28 Samenloop

Activiteiten, die deel uitmaken van een evenementenvergunning, zijn niet afzonderlijk vergunningplichtig uit hoofde van andere gemeentelijke publiekrechtelijke regelingen niet zijnde belastingen, leges of retributievoorschriften.

Artikel 5:29 Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling 5.7b Buitenevenementen
Artikel 5:30 Begripsbepaling buitenevenement
  • 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een voor het publiek toegankelijke bijzondere gebeurtenis, al dan niet met een openbaar dan wel besloten karakter, op of aan de openbare plaats of het openbaar water, met uitzondering van:

  • a.

    betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

  • b.

    markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet;

  • c.

    een klein evenement. Hieronder wordt verstaan een buurt- en/of straatfeest.

  • 2. In deze afdeling wordt onder organisator verstaan een natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigden, die een evenement als bedoeld in het eerste lid houdt of doet houden.

Artikel 5:31 Verbodsbepaling
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement als bedoeld in artikel 5:30 te houden.

  • 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 van deze verordening kan aan de vergunning het voorschrift verbonden worden dat de organisator een verzekering tegen aansprakelijkheid met een toereikende dekking afsluit.

  • 4. Indien een vergunning is verleend voor een evenement als bedoeld in het eerste lid, dan:

    • a.

      wordt geen vergunning verleend aan derden voor op zichzelf staande activiteiten en handelingen op of aan de openbare plaats of het openbaar water gedurende de tijden waarop en in het gebied waar het evenement plaatsvindt;

    • b.

      worden aanvragen om vergunning als bedoeld in de artikelen 2:9, 5:13 van deze verordening geweigerd.

  • 5. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 5:32 Kennisgeving straat- en buurtfeesten
  • 1. Het in artikel 5:31 eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor eendaagse straat- en buurtfeesten indien:

  • a.

    het aantal aanwezigen tegelijkertijd niet meer is dan 200 personen en niet plaatsvindt op een doorgaande weg;

  • b.

    het evenement op een werkdag of een zaterdag plaatsvindt tussen 09.00 uur en 23.00 uur of op een zon- of officieel erkende feestdag tussen 13.00 uur en 23.00 uur;

  • c.

    het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron beperkt is;

  • d.

    gedurende het evenement geen verkoop van eten, drinken of goederen plaatsvindt;

  • e.

    slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m² per object;

  • f.

    afzethekken voorzien van een C1-bord en de onder e genoemde objecten dienen zodanig te worden geplaatst dat in geval van calamiteiten de hulpdiensten een vrije doorgang hebben van minimaal 3,5 meter breed en 4,2 meter hoog;

  • g.

    er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;

  • h.

    er een voor de gemeente aanspreekbare organisator is;

  • i.

    de organisator bij de burgemeester ten minste twee weken voorafgaand aan het evenement melding maakt van het evenement op een door de burgemeester vastgesteld formulier;

  • j.

    binnen 10 dagen na ontvangst van het formulier door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden, en

  • k.

    de organisator ten tijde van het feest een ontvangstbevestiging, van het feit dat hij een kennisgeving heeft gedaan, kan tonen.

  • 2. Indien het vermoeden bestaat dat op een evenement één van de weigeringsgronden van artikel 1:8 of artikel 5:37, tweede lid van toepassing is, kan de burgemeester, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat het in artikel 5:31, eerste lid, gestelde verbod, onverkort geldt. De burgemeester zendt dit tegenbericht, als bedoeld in onderdeel j. van het eerste lid, binnen tien dagen na ontvangst van het formulier.

Artikel 5:33 Nadere regels

Met het oog op de in artikel 5:37 en de in artikel 1:8 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in deze afdeling nadere regels vaststellen.

Artikel 5:34 Indienen aanvraag
  • 1. De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5:31 geschiedt door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  • 2. In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      de gegevens van de organisator;

    • b.

      de datum, tijdstip en locatie van het evenement;

    • c.

      een omschrijving van de aard en karakter van het evenement;

    • d.

      een omschrijving van de activiteiten en handelingen die in het kader van het evenement plaatsvinden;

    • e.

      het te verwachten aantal bezoekers van of deelnemers aan het evenement.

  • 3. De burgemeester kan bepalen dat de aanvraag vergezeld wordt van een door de organisator opgesteld veiligheidsplan.

Artikel 5:35 Vereisten organisator

1.Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 5:31 , dient de organisator aan de volgende eisen te voldoen:

  • a.

    hij mag niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij zijn ontzet;

  • b.

    hij mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;

  • c.

    hij moet de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en

  • d.

    hij moet aantoonbare ervaring hebben in het organiseren van vergelijkbare evenementen als het evenement waarvoor vergunning wordt aangevraagd.

    2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid onder a., c. of d. gestelde vereiste.

Artikel 5:36 Evenementenkalender

Artikel 5:26 van deze verordening is op deze afdeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:37 Weigeringsgronden
  • 1. De vergunning wordt geweigerd, indien:

    • a.

      niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 5:34 of

    • b.

      niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 5:35 gestelde eisen;

      2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd , indien:

  • a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de ruimte of op de gemeentelijke - of hulpdiensten;

  • b. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement;

  • c. de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie of

  • d. in de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als bedoeld in artikel 5:26 reeds een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid daarvan.

Artikel 5:38 Schorsende werking andere vergunningen

Bij het verlenen van de vergunning als bedoeld in artikel 5:31 eerste lid, kan bepaald worden dat de werking van reeds geldende vergunningen voor het gebruik van de openbare plaats of het openbaar water in het gebied waar het evenement plaatsvindt wordt geschorst zolang dit noodzakelijk is in het belang van het evenement.

Artikel 5:39 Samenloop en Ordeverstoring

De artikelen 5:28 en 5:29 zijn van overeenkomstige toepassing op deze afdeling.

Afdeling 5.8 Overige bepalingen
Artikel 5:40 [VERVALLEN]

Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling

Overtreding van de artikelen en de bij of krachtens deze artikelen gegeven voorschriften en beperkingen, met uitzondering van de artikelen 2:11, 2:12, 4:7 en 4:11 van deze verordening, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23 Wetboek van Strafrecht.

Artikel 6:2 Opsporingsambtenaren en toezichthouders
  • 1. De opsporing van de in artikel 6:1 strafbaar gestelde feiten is, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door het college of de burgemeester met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voor zover het de feiten betreft, die in de aanwijzing zijn vermeld.

  • 2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college of de burgemeester aangewezen personen.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening
  • 1. Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.

  • 2. Op dat tijdstip wordt de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht (Gemeenteblad van Utrecht 2005, nr. 64, incl. de wijzigingen opgenomen in de Gemeentebladen 2005, nr. 78, 2006, nr. 37, 2008, nr. 2 en 71, 2009, 17 en 50) ingetrokken.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 4 maart 2010.
De griffier, De burgemeester,
Drs. A.A.H. Smits Mr. A. Wolfsen

Bekendmaking is geschied op 24 maart 2010.

Deze verordening is in werking getreden op 1 april 2010.