Beleidsregels Wet werk en bijstand (WWB) voor Werk en Inkomen Lekstroom

Geldend van 04-07-2013 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Wet werk en bijstand (WWB) voor Werk en Inkomen Lekstroom

Het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom,

gelezen het voorstel van het Managementteam van 17 juni 2013, besluit vast te stellen de volgende

 

Beleidsregels Wet werk en bijstand (WWB) voor Werk en Inkomen Lekstroom

Inleiding In de Wet werk en bijstand (WWB) wordt bij een aantal artikelen aan de colleges van burgemeester en wethouders de beleidsvrijheid gegeven voor de invulling hiervan.In deze beleidsregels is vastgelegd welke regels gelden voor de Wet werk en bijstand (WWB) die wordt uitgevoerd door Werk en Inkomen Lekstroom (WIL), in opdracht van de gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vianen. Deze beleidsregels vormen de grondslag voor te nemen besluiten. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het handboek van Kluwer/Schulinck “Grip op WWB”. In hoofdstuk 1 komt de aanvraag aan bod. In hoofdstuk 2 het inkomen en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het vermogen. In hoofdstuk 4 worden een aantal algemene bepalingen ingevuld en hoofdstuk 5 gaat over de vorm waarin bijstand wordt verstrekt in geval er sprake is van eigen woningbezit. Hoofdstuk 6 bevat enkele slotbepalingen.

In de Wet werk en bijstand (WWB) wordt bij een aantal artikelen aan de colleges van burgemeester en wethouders de beleidsvrijheid gegeven voor de invulling hiervan.

In deze beleidsregels is vastgelegd welke regels gelden voor de Wet werk en bijstand (WWB) die wordt uitgevoerd door Werk en Inkomen Lekstroom (WIL), in opdracht van de gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vianen. Deze beleidsregels vormen de grondslag voor te nemen besluiten. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het handboek van Kluwer/Schulinck “Grip op WWB”.

In hoofdstuk 1 komt de aanvraag aan bod. In hoofdstuk 2 het inkomen en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het vermogen. In hoofdstuk 4 worden een aantal algemene bepalingen ingevuld en hoofdstuk 5 gaat over de vorm waarin bijstand wordt verstrekt in geval er sprake is van eigen woningbezit. Hoofdstuk 6 bevat enkele slotbepalingen.

Hoofdstuk 1 Aanvraag

1.1Ingangsdatum bijstand na afwijzing WW-aanvraag

De basis voor het verlenen van bijstand op een eerdere datum dan de meldingsdatum (terugwerkende kracht) wegens de afwijzing van een voorafgaande aanvraag voor een WW-uitkering is gelegen in artikel 44 WWB. Bijstandsverlening met terugwerkende kracht is mogelijk indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Het bestuur van de WIL kan in deze richtlijn bepalen in hoeverre het een afwijzing van een WW-uitkering (waarbij voorschotten zijn verleend) als dergelijke bijzondere omstandigheid aanmerkt.

Beleid WIL

Ingangsdatum bijstand na afwijzing WW met terugwerkende kracht tot melding voor aanvraag WW-uitkering, mits de melding voor bijstand binnen een week plaatsvindt na het ontvangen van de afwijzing van WW.

1.2Aanvultermijn gegevens bij een aanvraag

Op grond van artikel 53a lid 1 WWB bepaalt het bestuur van de WIL het tijdstip waarop de gegevens, welke van belang zijn voor het verlenen van bijstand, moeten worden verstrekt.

Beleid WIL

De behandeling van de aanvraag schorten wij op wanneer de belanghebbende de van belang zijnde gegevens of de gevraagde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent. De belanghebbende wordt verzocht om binnen 5 werkdagen na de datum van melden het (volledig) ingevulde en ondertekende inlichtingenformulier alsmede de gevraagde bewijsstukken bij de WIL in te leveren. Indien belanghebbende op dit tijdstip niet de voor de aanvraag van belang zijnde gegevens of bewijsmiddelen heeft overgelegd wordt een hersteltermijn geboden. De aanvultermijn wordt daarbij gesteld op 5 werkdagen. In uitzonderingsgevallen kan gekozen worden voor een langere termijn. De maximale aanvultermijn bedraagt acht weken.

Hoofdstuk 2 Inkomen

2.1Vrijlaten van inkomsten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel n en r WWB

Het aanvaarden en behoud van (deeltijd)werk wordt gezien als een belangrijk middel in de route naar duurzame uitstroom. De kennismaking met werk en het opdoen van arbeidsritme in een mogelijke combinatie van werk en zorg zijn belangrijke factoren die volledige uitstroom kunnen bewerkstelligen. De mogelijkheid inkomsten vrij te laten wordt eerst dan toegepast nadat een individuele beoordeling heeft plaats gevonden. Dat betekent dat deze vrijlating geen categoriale toepassing heeft.

De vrijlating van inkomsten ingevolge artikel 31, tweede lid onder n en r is NIET van toepassing op personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 7 WWB)

Beleid WIL

  • a.

    Inkomsten uit arbeid worden gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden voor 25% van deze inkomsten (tot een in de wet genoemd maximum bedrag per maand) vrijgelaten, voor zover er algemene bijstand wordt ontvangen en de vrijlating naar het oordeel van het bestuur, bijdraagt aan de (verdere)arbeidsinschakeling ( artikel 31, tweede lid onder n WWB)

  • b.

    Inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder, die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 12 jaar, worden gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden tot 12,5 % van deze inkomsten (tot een in de wet genoemd maximum bedrag per maand) vrijgelaten, voor zover er algemene bijstand wordt ontvangen en de vrijlating, naar het oordeel van het bestuur, bijdraagt aan de (verdere) arbeidsinschakeling (artikel 31, tweede lid onder r WWB). Deze vrijlating gaat in nadat de periode van zes aaneengesloten maanden, bedoeld in onderdeel n, is verstreken.

Voorwaarden

Om in aanmerking te komen voor een vrijlating zijn onderstaande criteria van toepassing:

  • ·

    Er dient een arbeidsovereenkomst aanwezig te zijn

  • ·

    Indien een dienstverband al aanwezig was vóór het ontstaan van de bijstandsbehoevendheid is er sprake van behoud van arbeid. In dergelijke gevallen is de vrijlating niet van toepassing.

  • ·

    Uit houding en gedrag van de belanghebbende dient te blijken dat deze - binnen zijn mogelijkheden - verdere uitbreiding van het aantal arbeidsuren nastreeft.

  • ·

    De inkomensvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid onder n kan slechts voor één tijdvak van zes maanden worden toegepast.

Gelijkstelling met inkomsten uit arbeid

Naast inkomsten uit arbeid geldt de vrijlating ook voor de volgende inkomsten:

  • ·

    doorbetaling van loon tijdens ziekte, ongeacht wie dit betaalt;

  • ·

    een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling;

  • ·

    werkzaamheden als (marginale) zelfstandige.

2.2Korten inkomsten in verband met kamerhuur/kostgangers

De middelen ontvangen vanwege huur, onderhuur of het hebben van kostgangers gelden op grond van artikel 32 lid 1 WWB als inkomen. In artikel 33 lid 4 WWB wordt aangegeven dat als de belanghebbende een woning bewoont met een of meer huurders, onderhuurders of kostgangers, de daaruit voortvloeiende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen in aanmerking worden genomen voor zover daarmee nog geen rekening is gehouden door middel van de toeslagenverordening.

Beleid WIL

Op grond van de toeslagenverordening (artikel 25 en 26 WWB) leidt het delen van een woning met anderen tot een lagere toeslag voor een alleenstaande (ouder) of tot een verlaging voor gehuwden. De werkelijke inkomsten worden buiten beschouwing gelaten. Dit vereenvoudigt de uitvoering.

Als een belanghebbende de woning deelt met drie of meer huurders, onderhuurders en/of kostgangers, kan de vraag zich voordoen of er sprake is van commerciële activiteiten. Mogelijk dat er dan geen recht op reguliere bijstand bestaat. Mogelijk komt de betrokkene dan wel in aanmerking voor uitkering op grond van het Bbz 2004. Een en ander moet wel onderzocht worden.

2.3Vrijlaten giften en andere vergoedingen

[Vervallen per 15-07-2021]

[Redactionele opmerking: vanwege de inwerkingtreding van de Beleidsregels giften en schadevergoedingen WIL 2021.]

2.4 Ex-partner betaalt woonkosten

Het recht op en de hoogte van de bijstand is afhankelijk van de eigen middelen van belanghebbende (artikel 19 WWB). Op grond van artikel 31 lid 1 WWB gelden als middelen alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het college moet op basis van artikel 32 WWB het inkomen vaststellen. Als het inkomen in natura in aanmerking wordt genomen, wordt de waarde daarvan vastgesteld op de daaruit voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan (artikel 33 lid 1 WWB).

Beleid WIL

Als niet de belanghebbende zelf de woonkosten betaalt, maar iemand anders (bijvoorbeeld de ex-partner) wordt hiermee bij de inkomenstoets geen rekening gehouden (artikel 33 lid WWB). In een voorkomend geval wordt de bijstand namelijk al op grond van artikel 27 WWB, in combinatie met de toeslagenverordening, lager vastgesteld.

* CRvB 04-08-1998, JABW 1998, nr 152

In de toeslagenverordening wordt er in een dergelijke situatie vanuit gegaan dat iemand een woning bewoont waarvoor geen woonkosten verschuldigd zijn. In een dergelijke situatie wordt er een verlaging toegepast op de bijstandsnorm (en eventueel toegekende toeslag) van 20% van de gehuwdennorm.

2.5Korten voorlopige teruggave

De heffingskortingen zijn van invloed op het recht op en de hoogte van de WWB-uitkering. Een aantal heffingskortingen wordt aangemerkt als middel en derhalve gekort op de bijstandsuitkering. Dit geldt ook als de belanghebbende wel recht heeft op deze heffingskortingen, maar deze niet aanvraagt. De heffingskortingen zijn middelen waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken.

Op grond van artikel 19 lid 2 WWB is de hoogte van de bijstandsuitkering het verschil tussen het inkomen en de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Artikel 31 lid 1 WWB bepaalt dat een teruggave en een voorlopige teruggave van inkomstenbelasting in verband met de toepasselijke heffingskorting van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting, geldt als inkomen.

Beleid WIL

Ontvangen bedragen aan teruggave worden gekort, voorzover deze betrekking hebben op een periode waarin bijstand wordt verleend.

Als het aannemelijk is dat belanghebbende in aanmerking komt voor een voorlopige teruggave in verband met de heffingskorting wordt hem op grond van artikel 55 WWB de verplichting opgelegd deze bij de belastingdienst aan te vragen. Bij aanvang van de uitkering wordt direct de van toepassing zijnde heffingskorting in mindering gebracht.

Bij wijziging van de situatie wordt aan de belanghebbende een redelijke termijn (maximaal 8 weken) gesteld, waarbinnen hij de heffingskorting moet aanvragen en de beschikking van de Belastingdienst moet inleveren bij WIL. Laat hij dit na, dan wordt het bedrag waarop hij redelijkerwijs recht heeft gekort. Op grond van artikel 31 lid 2 onder c wordt de jonggehandicaptenkorting niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend.

Hoofdstuk 3 Vermogen

3.1 Algemeen

Bij aanvang van de verlening van algemene bijstand dient een volledige vermogenstoets plaats te vinden. Indien het vermogen bij aanvang lager is dan de actuele van toepassing zijnde vermogensgrens bestaat er recht op algemene bijstand. Is het vermogen daarentegen hoger dan de vermogensgrens dan moet het college de aanvraag afwijzen. Belanghebbende zal zijn vermogensoverschot moeten interen voordat recht op algemene bijstand ontstaat. Een en ander volgt uit artikel 19 lid 1 onderdeel b WWB in samenhang met onder meer artikel 34 lid 1, 2 en 3 WWB.

In beginsel worden alle bezittingen op het moment van aanvang van de bijstand in aanmerking genomen, ongeacht de herkomst daarvan. Merk op dat de wet hier spreekt over "bezittingen" in plaats van "middelen".

NB. Raadpleeg de beslisboom in het handboek voor hulp bij het vaststellen van het vermogen bij aanvang van de algemene bijstand.

3.2Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling

Op grond van artikel 34 lid 1 onderdeel a WWB vormt de waarde van de bezittingen waarover de belanghebbende of diens gezin beschikt een bestanddeel van het vermogen. De CRvB heeft het echter geoorloofd geacht dat het college de positieve saldi van (betaal)rekeningen niet geheel in aanmerking neemt vanwege lopende kosten.

Beleid WIL

Van de saldi op de bankrekeningen, plus aanwezig contant geld, wordt bij de aanvraag om bijstand de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm van één maand vrijgelaten in verband met lopende uitgaven. Een negatief saldo op de lopende rekening moet als schuld worden aangemerkt en telt daarom mee bij de vaststelling van het vermogen.

3.3Waarde auto* bij vermogensvaststelling

Op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel a WWB worden niet alleen bezittingen in natura die, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin noodzakelijk zijn, maar ook bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn, niet als vermogen aangemerkt. In deze richtlijn wordt aangegeven of een auto, al dan niet tot een bepaald bedrag, als algemeen gebruikelijk goed wordt aanmerkt en hoe de waarde van een auto wordt vastgesteld.

* Waar auto wordt genoemd, wordt ook een motor bedoeld

Beleid WIL

1. Noodzakelijk

Het kan zijn dat het bezit van een auto noodzakelijk is. Meestal gaat het dan om medische aangelegenheden. Het bekendste voorbeeld hiervan is het autobusje ten behoeve van een gehandicapt familielid met grijs kenteken. Het is redelijk de auto buiten de vermogensopstelling te laten, ook als de waarde groter is dan algemeen gebruikelijk. De noodzaak kan worden aangetoond door middel van een indicatie op grond van de Wmo.

2. Bouwjaar auto

Een auto wordt niet meegenomen in de vermogensvaststelling als de auto bij de vermogensvaststelling ouder is dan 10 jaar. Aangenomen wordt dat de waarde op dat moment nihil is. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als er aantoonbare verschillen zijn en de auto naar verwachting nog over een redelijke waarde beschikt. De waarde wordt dan vastgesteld volgens de richtlijn zoals genoemd in punt 3.

3. Vaststelling van de waarde van een auto jonger dan 10 jaar of ouder dan 10 jaar met naar verwachting waarde:

·Algemeen gebruikelijk

Een auto met een beperkte waarde geldt als algemeen gebruikelijk bezit. Een auto met een waarde tot maximaal € 2.000, - geldt als algemeen gebruikelijk. Als de waarde meer bedraagt dan dit bedrag, wordt alleen het meerdere in aanmerking genomen als vermogen. Dit meerdere kan vallen binnen de grenzen van het bescheiden vermogen. Dus een hogere waarde hoeft niet te leiden tot verkoop van de auto.

Als de auto een waarde heeft die uitgaat boven € 2.000, - plus het vrij te laten vermogen, zal de belanghebbende voorafgaand aan de bijstandsverlening moeten interen.

Een caravan, camper of plezierboot zijn vanwege hun aard niet algemeen gebruikelijk en worden volledig meegenomen in de vermogensvaststelling.

·Waardebepaling

De waarde van de auto wordt vastgesteld aan de hand van de handelswaarde zoals deze is opgenomen in de ANWB of BOVAG Koerslijst.

3.4Waarde eigen woning bij vermogensvaststelling

Om de waarde van de woning, woonschip of woonwagen vast te stellen moet het bestuur van de WIL uitgaan van de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering (artikel 34 lid 1 onder a WWB). Het uitvoeren van een taxatie is daarbij echter niet verplicht.

Beleid WIL

De waarde van de woning wordt vastgesteld op basis van de WOZ waarde. De WOZ waarde is door de gemeente kenbaar gemaakt aan de belanghebbende door middel van een beschikking. Aangezien de WOZ-waarde periodiek opnieuw wordt vastgesteld en dan geldt voor een bepaalde periode (een WOZ-tijdvak) is voor de vaststelling de meeste recente beschikking van belang.

3.5Vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating

Op grond van artikel 34 WWB moet het vermogen bij aanvang van de bijstand worden vastgesteld. De vermogensvaststelling is bij een echtscheiding of verlating niet altijd even gemakkelijk, omdat op het moment van aanvang van de bijstand de boedel nog niet verdeeld is.

Beleid WIL

Uitgangspunt is dat het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand. In één situatie kan worden afgeweken van deze hoofdregel:

  • 1.

    de aanvrager is verwikkeld in een echtscheidingsprocedure of er is sprake van verlating, en;

  • 2.

    de aanvrager kan op het moment van de aanvraag slechts beschikken over een vermogen

dat minder is dan de toepasselijke vermogensgrens.

In dat geval kan worden gewacht met de vermogensvaststelling totdat de boedelscheiding een feit is.

Het vermogen wordt dan voorlopig vastgesteld op het vermogen waarover belanghebbende op het moment van de aanvraag kan beschikken. In de toekenningsbeschikking wordt aangegeven dat:

  • ·

    het vermogen voorlopig is vastgesteld en dat

  • ·

    na afwikkeling van de echt- en boedelscheiding het vermogen definitief wordt vastgesteld en dat

  • ·

    bij overschrijding van het vrij te laten vermogen, de te veel betaalde bijstand zal worden teruggevorderd met toepassing van artikel 58, lid 1 onderdeel f van de WWB.

De teveel verstrekte bijstand moet, op het moment dat over het vermogen beschikt kan worden, in één keer worden terugbetaald.

3.6Vermogen ontvangen voor de aanvraag om bijstand

De situatie kan zich voordoen dat een belanghebbende in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand vermogen boven het vrij te laten vermogen heeft ontvangen en op het moment van de aanvraag hier niet meer over beschikt (bijvoorbeeld in verband met de verkoop van een woning en de hieruit ontvangen overwaarde).

Beleid WILVan belang is om na te gaan wanneer een belanghebbende redelijkerwijs heeft kunnen weten dat hij bijstandbehoevend zou worden. In het geval dat een belanghebbende voorafgaande aan een aanvraag werkloos was en een WW-uitkering heeft ontvangen, wist de belanghebbende dat, als herintreden niet lukt, hij op enig moment bijstandbehoevend zou worden.

Afhankelijk van de hoogte van het op dat moment (toekenning van de WW-uitkering) resterende bedrag zal moeten worden beoordeeld of het vermogen met het zicht op bijstandbehoefte verantwoord is besteed/ingeteerd (dit in samenhang met onze afstemmingsverordening artikel 12). Niet mag uit het oog worden verloren dat bijvoorbeeld na een echtscheiding normaliter behoefte bestaat aan (gedeeltelijke) herinrichting. Het toebedeelde vermogen kan hieraan zijn besteed.

Als een belangrijk deel van het vermogen evenwel op is gegaan in de periode waarin belanghebbende wist of kon weten dat hij mogelijk een beroep moest gaan doen op bijstand (afhankelijk van de duur van de WW en uitzicht op herintredingsmogelijkheden), dan moet worden beoordeeld of het vermogen in die periode verantwoord is ingeteerd. Als hierop bevestigend kan worden geantwoord heeft belanghebbende normaal recht op bijstand. Is evenwel onverantwoord ingeteerd, dan wel is onduidelijk waaraan het vermogen kort voor de bijstand is opgegaan, dan moet worden beoordeeld of de bijstand moet worden verlaagd, overeenkomstig de afstemmingsverordening, dan wel of de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt op grond van artikel 48 WWB tweede lid.

3.7 Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling

Er is geen juridische grondslag waarop het bestuur de vermogensgrens voor belanghebbende kan verhogen met een bedrag aan reserveringen voor begrafenis- of crematiekosten.

Beleid WIL

Uitvaartverzekeringen moeten evenals levensverzekeringen, koopsompolissen etc., voor zover als zij te gelde gemaakt kunnen worden, op grond van artikel 31 eerste lid WWB als middel in aanmerking worden genomen. Het is niet mogelijk om de toepasselijke vermogensgrens te verhogen door vermogen met een bepaalde bestemming buiten beschouwing te laten.

Bij uitvaartverzekeringen die uitkeren in natura door de uitvaart te verzorgen (geldstorting in depot bij een begrafenisondernemer of verzekeringsmaatschappij), kan het mogelijk zijn dat belanghebbende niet redelijkerwijs over dit geld kan beschikken. Afkopen is vaak uitgesloten, zodat deze verzekering (geld in depot) in het algemeen niet tot de middelen gerekend kan worden op grond van artikel 31 lid 1 WWB. In die zin wordt het vermogen in depot bij een begrafenisondernemer of verzekeringsmaatschappij buiten beschouwing gelaten als het geld niet tussentijds opeisbaar is.

Let op: in het geval belanghebbende wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij op korte termijn aangewezen zou raken op een bijstandsuitkering en hij vermogen steekt in een uitvaartverzekering of een afkoopbare uitvaartverzekering omzet in een niet-afkoopbare kan hem een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid worden verweten, voor zover hij hierdoor eerder op bijstand is aangewezen. In dat geval kan het college op grond van artikel 18 lid 2 WWB de bijstand verlagen.

3.8 Vaststellen vermogen bij overname cliënt uit andere gemeente

Artikel 40 lid 1 WWB bepaalt dat het recht op bijstand geldt tegenover het college van de gemeente waar belanghebbende woonplaats heeft. Daardoor moet bij verhuizing naar een andere gemeente de bijstandsuitkering in de oude gemeente beëindigd worden en kan er een nieuwe aanvraag ingediend worden bij het college van de nieuwe gemeente.

Beleid WIL

Bij een nieuwe aanvraag moeten het vermogen en de toepasselijke vermogensgrens opnieuw worden vastgesteld. Uitzondering daarop is als de belanghebbende is verhuisd binnen het werkgebied van de deelnemende gemeenten in de Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom (WIL)

3.9 Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm

Op grond van artikel 34 WWB moet het bestuur van de WIL het vermogen vaststellen bij aanvang van de bijstandsverlening. De wetgever heeft geen regels vastgesteld over de vaststelling van het vermogen bij wijziging van de leefvorm. Wel is duidelijk dat op grond van artikel 34 lid 3 WWB de toepasselijke vermogensgrens kan veranderen.

Beleid WIL

Het vermogen wordt niet opnieuw vastgesteld in de volgende gevallen, omdat dit reeds eerder is vastgesteld en daarom bekend is:

• een alleenstaande wordt alleenstaande ouder door de geboorte van een kind (het vrij te laten vermogen wijzigt wel. Afhandeling middels een mutatie).

Het vermogen wordt wel opnieuw vastgesteld in de volgende gevallen, omdat de wijziging in de gezinssituatie gevolgen heeft voor de uitkering en/of het vermogen:

• twee personen met een bijstandsuitkering gaan samenwonen. Gevolg einde uitkeringen en vervolgens afhandeling van een nieuwe aanvraag.

• een alleenstaande ouder wordt alleenstaande (jongste kind wordt 18 jaar). Afwikkelen via een mutatie.

• gehuwden met een bijstandsuitkering gaan uit elkaar. Gevolg einde uitkering en afhandeling nieuwe aanvra(a)g(en).

De hoogte van de vermogensgrens is gelijk aan de actuele vermogensgrens die geldt voor de nieuwe leefvorm van de belanghebbende (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden).

Stel het vermogen opnieuw vast (bezittingen minus schulden). Voorkom daarbij onrechtvaardigheden en houd daarom in ieder geval rekening met het volgende: Het deel van het vermogen dat is ontstaan tijdens de bijstandsperiode door bijvoorbeeld ontvangen rente dient gelet op de vrijlatingsbepalingen buiten beschouwing te blijven.

Hoofdstuk 4 Algemene bijstand

4.1 Berekening bijstandsnorm bij co-ouderschap

In de praktijk van de bijstandsverlening komt het steeds vaker voor, dat de ouderlijke macht na echtscheiding in stand blijft (co-ouderschap) en dat beide ouders afspraken maken over (de duur van) het verblijf van de kinderen bij elk van de ouders. De WWB voorziet hier eigenlijk niet in.

Beleid WIL

Volgens jurisprudentie wordt de ouder waar het kind doorgaans bij verblijft als hoofd van een eenoudergezin aangemerkt. Het gaat dus om de feitelijke situatie. Is er sprake van een regeling die het karakter heeft van een omgangsregeling (bijv. regelmatig bij de co-ouder en een gedeelde regeling tijdens feestdagen en vakanties), dan kan deze regeling in het kader van de WWB niet worden aangemerkt als een vorm van co-ouderschap. Het feit dat de ouders formeel beiden het ouderlijke gezag uitoefenen doet aan deze feitelijke situatie niets af: er is sprake van een omgangs- of bezoekregeling.

Aandachtspunten

De volgende aandachtspunten zijn bij bijstandsverlening in geval van co-ouderschap van belang.

  • ·

    Bepalend is in welke mate de kinderen feitelijk bij de ouder verblijven.

  • ·

    Het is niet noodzakelijk dat de afspraken tussen de ouders over het verblijf van de kinderen zijn vastgelegd in een formele, in rechte af te dwingen regeling.

  • ·

    Wie de kinderbijslag ontvangt doet aan het principe van de bijstandsberekening (norm alleenstaande plus toeslag) niets af.

  • ·

    Volgens bestaande jurisprudentie is er geen plaats voor extra bijstand t.b.v. eventuele meerkosten, bijvoorbeeld reiskosten van de kinderen, dubbel speelgoed, kleding e.d., die het gedeeld ouderschap met zich mee zouden kunnen brengen. Het is een eigen verantwoordelijkheid van de betrokkenen om eventuele kostenproblemen zelf op te lossen.

  • ·

    Als een of beide ouders jonger zijn dan 23 jaar moet worden uitgegaan van de bijstandsnorm die op betrokkene van toepassing is. Dit geldt ook voor de berekening van de toeslag.

  • ·

    Het kan voorkomen dat de ouders een zodanige verblijfsregeling voor de kinderen kiezen, dat aan beide ouders de norm voor een alleenstaande ouder moet worden toegekend. Bijvoorbeeld in geval van twee kinderen die beurtelings om de week bij een andere ouder verblijven. De motivering voor een dergelijke invulling van het co-ouderschap, ook als deze puur financieel van aard is, speelt voor de bijstandsverlening geen rol. De feitelijke situatie is bepalend.

  • ·

    Bij een tijdelijke, incidentele wijziging van de verblijfsregeling door bijvoorbeeld vakantie of ziekte, korter dan één maand, wijzigt de uitkering niet.

4.2 Vaststelling vermogen bij co-ouderschap

De grond voor de richtlijn is gelegen in het feit dat artikel 34 lid 3 WWB een andere vermogensgrens kent voor een alleenstaande dan voor een alleenstaande ouder. Ook moet er bepaald worden welk en in hoeverre eventueel inkomen of vermogen van het kind in aanmerking wordt genomen als vermogen van de ouder.

Beleid WIL

Co-ouderschap wordt aanwezig geacht indien de feitelijke verzorging van de kinderen deels door de ene en deels door de andere ouder wordt gedaan. Als een ouder gemiddeld minder dan twee etmalen per week belast is met de verzorging van het kind, wordt dit niet gezien als co-ouderschap, maar als een omgangsregeling.

De vermogensgrens voor de co-ouder wordt berekend door de vermogensgrens voor een alleenstaande te vermeerderen met x/7 maal het verschil tussen de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder - de vermogensgrens voor een alleenstaande. Eventueel inkomen en vermogen van het kind worden voor x/7 toegerekend aan betreffende ouder. Hierbij staat x voor het gemiddelde aantal dagen per week dat de co-ouder het kind verzorgt.

Het gehanteerde gemiddelde aantal verzorgingsdagen per week is het als bij de vaststelling van de norm in geval van co-ouderschap.

4.3 Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in een inrichting

De grond voor deze richtlijn is gelegen in de overgang van een "gewone" bijstandsnorm naar een "speciale" (zak- en kleedgeld) norm voor personen die verblijven in een inrichting als bedoeld in

artikel één onderdeel f WWB.

Beleid WIL

Belanghebbenden die door wat voor omstandigheden dan ook worden opgenomen in een inrichting krijgen te maken met een normwijziging. De eerste drie maanden wordt de uitkering die men ontvangt voortgezet, behoudens detentie. De uitkeringsnorm wordt vervolgens aangepast naar de norm voor iemand, die in een inrichting verblijft (artikel 23 WWB).

In individuele situaties kan voortzetting van de “gewone” WWB uitkering worden verlengd met maximaal 3 maanden, voordat die wordt aangepast. Dat kan alleen op schriftelijke indicatie van de

instelling/behandelaars waaruit blijkt dat het een tijdelijke opname betreft die nog niet volledig is afgerond. Verwachting daarbij moet wel zijn dat de opname binnen de verleningsperiode zal eindigen.

Het is goed om bij het vaststellen van het moment van de normwijziging rekening te houden met de volgende zaken:

  • ·

    bij een tijdelijke opname moet worden voorkomen dat de norm in korte tijd tweemaal moet worden gewijzigd;

  • ·

    de belanghebbende moet de gelegenheid hebben om zijn of haar betalingsverplichtingen en uitgavenpatroon af te stemmen op de nieuwe situatie.

Ten aanzien van de normwijziging geldt daarom de volgende regel:

·Bij opname in een inrichting, al of niet tijdelijk, wordt de bijstand ongewijzigd voortgezet gedurende de maand van opname en de daarop volgende twee maanden. Op de eerste van de maand daarna geldt de norm voor iemand in een inrichting. Een ziekenhuisopname van een paar dagen leidt dus niet tot aanpassing van de norm!

Bijstand bij verblijf in een inrichting kan eindigen omdat:

  • ·

    belanghebbende de inrichting verlaat (beëindiging opname). De norm wordt direct aangepast;

  • ·

    de inrichting de woonstede van belanghebbende wordt (permanente opname) waardoor het college van de gemeente waarin de instelling is gelegen belast is met de verlening van de bijstand.

Voorbeeld

Een alleenstaande van 43 jaar wordt op 12 januari opgenomen in een inrichting in de zin van de WWB. De lage uitkering (eventueel plus bijzondere bijstand voor vaste lasten) wordt van kracht met ingang van 1 april (de eerste dag van de derde kalendermaand waarin de belanghebbende in de inrichting verblijft).

4.4 Ingangsdatum normwijziging alleenstaande ouder/alleenstaande.

De grondslag voor deze richtlijn is gelegen in de overgang van alleenstaande ouder naar alleenstaande als bedoeld in artikel 4 onder a WWB.

Beleid WIL

De normwijziging en de eventuele andere wijzigingen gaan in op de 1e van de maand volgend op die dat het laatste ten laste komende kind de leeftijd van 18 jaar bereikt of niet meer door de belanghebbende wordt verzorgd.

4.5 Beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen

Geen van de regiogemeenten die vallen onder het werkgebied van WIL is aangewezen voor bijstandsverlening aan adreslozen.

Belanghebbenden zonder adres worden doorverwezen naar de dichtstbijzijnde centrumgemeente voor de opvang van dak- en thuislozen, zijnde Utrecht.

Hoofdstuk 5 Vorm bijstand

5.1 Vorm van bijstand bij bijstandsverlening aan eigen woningbezitter

De bijstand aan bezitters van een woning, woonschip of woonwagen moet in beginsel in de vorm van een geldlening worden verstrekt (artikel 50 WWB).

Het is aan bestuur van de WIL om te bepalen of de als lening verstrekte bijstand al dan niet wordt gezekerd door middel van een (krediet)hypotheek- of, waar het niet-registergoederen betreft, een pandovereenkomst.

Beleid WIL

De bijstand aan bezitters van een woning, woonschip of woonwagen wordt verstrekt in de vorm van een geldlening. Er wordt geen zekerheidsstelling gevraagd

HOOFDSTUK 6 Slotbepalingen

6.1 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als “Beleidsregels WWB Werk en Inkomen Lekstroom”

6.2 hardheidsclausule

In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslist het dagelijks bestuur.

6.3 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

Door de inwerkingtreding van deze beleidsregels komen alle eventueel eerder vastgestelde beleidsregels WWB van de deelnemende gemeenten te vervallen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom van 20 juni 2013.

de secretaris, de voorzitter,

R.Esser C. van Dalen

Inhoudsopgave Inleiding 3 Hoofdstuk 1 Aanvraag1.1 Ingangsdatum bijstand na afwijzing WW-aanvraag 31.2 Aanvultermijn gegevens bij een aanvraag 3Hoofdstuk 2 Inkomen 3 2.1 Vrijlaten van inkomsten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel o WWB 3 2.2 Korten inkomsten in verband met kamerhuur/kostgangers 4 2.3 Vrijlaten giften 5 2.4 Ex-partner betaalt woonkosten 5 2.5 Korten voorlopige teruggave  5Hoofdstuk 3 Vermogen 63.1. Algemeen  63.2 Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling  6 3.3 Waarde auto bij vermogensvaststelling  6 3.4 Waarde eigen woning bij vermogensvaststelling 7 3.5 Vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating 7 3.6 Vermogen ontvangen voor de aanvraag voor bijstand 8 3.7 Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling 8 3.8 Vaststellen vermogen bij overname cliënt uit andere gemeente 9 3.9 Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm 9 Hoofdstuk 4 Algemene bijstand 9 4.1 Berekening bijstandsnorm bij co-ouderschap  9 4.2 Vaststelling vermogen bij co-ouderschap 10 4.3 Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in een inrichting 10 4.4 Ingangsdatum normwijziging alleenstaande ouder/alleenstaande 114.5 Beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen 11Hoofdstuk 5 Vorm bijstand 115.1 Vorm van bijstand bij bijstandsverlening aan eigen woningbezitter 11Hoofdstuk 6 Slotbepalingen  126.1 Citeertitel 126.2 Hardheidsclausule 126.3 Inwerkingtreding 12

Inleiding 3

Hoofdstuk 1 Aanvraag

1.1 Ingangsdatum bijstand na afwijzing WW-aanvraag 3

1.2 Aanvultermijn gegevens bij een aanvraag 3

Hoofdstuk 2 Inkomen 3

2.1 Vrijlaten van inkomsten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel o WWB 3

2.2 Korten inkomsten in verband met kamerhuur/kostgangers 4

2.3 Vrijlaten giften 5

2.4 Ex-partner betaalt woonkosten 5

2.5 Korten voorlopige teruggave  5

Hoofdstuk 3 Vermogen 6

3.1. Algemeen  6

3.2 Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling  6

3.3 Waarde auto bij vermogensvaststelling  6

3.4 Waarde eigen woning bij vermogensvaststelling 7

3.5 Vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating 7

3.6 Vermogen ontvangen voor de aanvraag voor bijstand 8

3.7 Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling 8

3.8 Vaststellen vermogen bij overname cliënt uit andere gemeente 9

3.9 Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm 9

Hoofdstuk 4 Algemene bijstand 9

4.1 Berekening bijstandsnorm bij co-ouderschap  9

4.2 Vaststelling vermogen bij co-ouderschap 10

4.3 Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in een inrichting 10

4.4 Ingangsdatum normwijziging alleenstaande ouder/alleenstaande 11

4.5 Beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen 11

Hoofdstuk 5 Vorm bijstand 11

5.1 Vorm van bijstand bij bijstandsverlening aan eigen woningbezitter 11

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen  12

6.1 Citeertitel 12

6.2 Hardheidsclausule 12

6.3 Inwerkingtreding 12