Beheerverordening gemeentelijke begraafplaats Alblasserdam

Geldend van 01-08-2010 t/m heden

Intitulé

Beheerverordening gemeentelijke begraafplaats Alblasserdam

1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    aanvrager: degene die - al dan niet door tussenkomst van een uitvaartverzorger - opdracht geeft voor een begrafenis, en die de uitgifte van een graf verzoekt, dan wel degene die om een urnenplaats verzoekt, of een andere bestemming aan de as van een overledene wil geven;

  • b.

    algemeen graf: een graf bij de gemeente in beheer, waarin gelegenheid wordt gegeven tot het doen begraven van lijken;

  • d.

    beheerder: degene die door het college met de dagelijkse leiding van de begraafplaats is belast of degene die hem vervangt;

  • e.

    begraafplaats: de gemeentelijke begraafplaats aan de Kerkstraat die is bestemd voor de uitgifte van graven of ruimten ter bijzetting van asbussen, en de daarbij behorende gronden en voorzieningen;

  • f.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • g.

    gebruiker: de natuurlijke of rechtspersoon, aan wie een recht tot gebruik van een ruimte in een algemeen graf, of algemene urnenplaats is verleend, dan wel degene die redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden;

  • h.

    gedenkteken: een grafsteen, liggende of staande zerk, sluitplaat of ander monument ter nagedachtenis aan een overledene;

  • i.

    grafakte: de beschikking waarin overeenkomstig de bepalingen van deze verordening door of namens het college een grafrecht wordt verleend;

  • j.

    grafbedekking: gedenktekens of vaste planten die op het graf of de urnenplaats zijn geplaatst;

  • k.

    grafrecht: - het recht op het gebruik van een ruimte in een algemeen graf of een algemene urnenplaats; hetzij

    • -

      het uitsluitend recht op een particulier/eigen (urnen)graf;

  • l.

    kindergraf: een algemeen graf bij de gemeente in beheer, waarin gelegenheid wordt gegeven tot het doen begraven van lijken van kinderen tot en met 11 jaar;

  • m.

    onderhoudsrecht: een verplichte bijdrage in het onderhoud van de begraafplaats voor rechthebbenden en gebruikers;

  • n.

    particulier/eigen graf: een eigen graf, gemetseld graf en grafkelder daaronder begrepen, waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen begraven en begraven houden van lijken en het bijzetten van asbussen;

  • o.

    rechthebbende: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een uitsluitend recht is verleend op een particulier/eigen graf of op een particulier/eigen urnengraf dan wel degene die redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden;

  • p.

    strooiveld: een daartoe aangewezen plaats op de begraafplaats waar as van een overledene wordt verstrooid;

  • q.

    urnengraf: een algemeen graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt gegeven tot het doen bijzetten van asbussen, dan wel een particulier graf waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen het bijzetten van asbussen;

  • r.

    urnennis: een algemene, gesloten nis in de urnenmuur, bij de gemeente in beheer, waarin gelegenheid wordt gegeven tot het doen bijzetten van asbussen;

  • s.

    wet: de Wet op de lijkbezorging en de daaruit voortvloeiende regelgeving.

2. Dagelijks beheer, onderhoud en administratie van de begraafplaats

Artikel 2
  • 1.

    Het beheer van de begraafplaats door de gemeente omvat het onderhouden en exploiteren van de terreinen en de daarop aanwezige paden en beplantingen en gebouwen, met uitzondering van de in particulier beheer zijnde aula, en het bieden van faciliteiten voor lijkbezorging en voor de herdenking van overledenen.

  • 2.

    Het onderhoud van de graven door de gemeente bestaat uit:

    • a.

      het reinigen van gedenktekens;

    • b.

      het na verzakking opnieuw stellen van gedenktekens;

  • 3.

    De begraafplaats is bestemd voor het begraven van lijken of het bijzetten van asbussen van personen die op de datum van overlijden stonden ingeschreven als burger van de gemeente Alblasserdam, dan wel die enige connectie hebben met de gemeente Alblasserdam, behoudens indien het begraving betreft in een reeds uitgegeven particulier/eigen graf.

  • 4.

    Het college kan, indien naar haar oordeel sprake is van een bijzonder geval, het begraven van lijken van anderen dan bedoeld in het derde lid, toestaan.

  • 5.

    De administratie bevat een register van alle op de begraafplaats begraven lijken met een nauwkeurige aanduiding van de plaats waar zij begraven zijn, als mede een register van bijgezette asbussen met de krachtens artikel 65, 1e lid, van de wet voorgeschreven gegevens. De in deze registers opgenomen gegevens zijn openbaar en worden op verzoek verstrekt.

  • 6.

    Daarnaast wordt er een register bijgehouden van alle rechthebbenden en gebruikers van de graven en urnenplaatsen, met hun namen en adressen en aantekening van hun relatie tot de overledene. Deze gegevens zijn niet openbaar.

  • 7.

    De gemeente houdt een plattegrond bij van de begraafplaats waarop de vakken, de rijen en de uitgegeven graven staan aangegeven.

  • 8.

    De rechthebbenden en gebruikers zijn verplicht de wijziging van hun adres aan het collegedoor te geven.

3. Huisregels begraafplaats

Artikel 3
  • 1.

    De begraafplaats is geopend van zonsopgang tot zonsondergang. Het college kan in uitzonderlijke gevallen een ruimere openstelling toestaan.

  • 2.

    De beheerder kan bezoekers de toegang tot de begraafplaats tijdelijk ontzeggen.

  • 3.

    Bezoekers van de begraafplaats, waaronder ook personen in de uitoefening van hun beroep of bedrijf worden begrepen, dienen zich ordentelijk te gedragen en zonodig de door of namens de beheerder gegeven aanwijzingen op te volgen.

  • 4.

    Het is grafdelvers, steenhouwers, hoveniers, fotografen, en andere personen die in de uitoefening van hun beroep of bedrijf werkzaamheden op de begraafplaats of aan grafbedekkingen verrichten, verboden dit te doen zonder voorafgaande kennisgeving aan de beheerder.

  • 5.

    Het is op het terrein van de begraafplaats verboden om:

    • a.

      met motorrijtuigen op de begraafplaats te rijden of deze met zich mee te voeren;

    • b.

      te fietsen;

    • c.

      honden of andere dieren onaangelijnd mee te nemen;

    • d.

      een eigen zitgelegenheid te plaatsen;

    • e.

      zonder toestemming of opdracht van de nabestaanden een uitvaart te fotograferen, te filmen of anderszins te registreren;

    • f.

      bloemen of andere waren te koop aan te bieden of hiervoor reclame te maken;

    • g.

      as te verstrooien of andere vormen van lijkbezorging te bezigen;

    • h.

      de begraafplaats te verontreinigen;

    • i.

      op de graven te lopen, te zitten en gereedschappen of andere niet tot de begraafplaats behorende voorwerpen neer te leggen.

  • 6.

    Het college kan ontheffing verlenen voor de in het vijfde lid genoemde verboden.

  • 7.

    Het college kan aan de ontheffing als genoemd in het zesde lid voorwaarden en beperkingen verbinden.

  • 8.

    De beheerder kan personen die zich niet aan de hiervoor bedoelde geboden en verboden houden van de begraafplaats (laten) verwijderen. Bij herhaalde overtredingen kan gedurende een door het college te bepalen periode de toegang worden ontzegd.

4. Indeling van de begraafplaats, onderscheid van de graven en asbestemming

Indeling

Artikel 4
  • 1.

    Het college stelt de indeling van de begraafplaats en de inrichting van de grafvelden vast.

  • 2.

    De begraafplaats wordt ingedeeld in vakken en de vakken in rijen en graven; de vakken worden aangeduid met letters en de rijen en graven met cijfers.

  • 3.

    Graven en urnengraven worden aansluitend op de reeds uitgegeven graven en urnengraven uitgegeven; urnennissen worden in overleg met de aanvrager uitgegeven.

  • 4.

    Indien dit naar het oordeel van het college gewenst of niet bezwaarlijk is, kunnen ook op andere plaatsen, als bedoeld in lid 3, particuliere/eigen graven of urnenplaatsen worden uitgegeven.

  • 5.

    Op de begraafplaats van Alblasserdam worden de volgende graven onderscheiden:

    • -

      algemene graven;

    • -

      kindergraven;

    • -

      particuliere/eigen graven

    • -

      particuliere/eigen moslimgraven

    • -

      particuliere/eigen urnengraven

    • -

      algemene urnengraven

    • -

      algemene urnennissen in de urnenmuur

  • 6.

    Uitvoering en afmetingen van de graven:

    • a.

      de graven zullen niet dieper dan tot op het waterpeil worden gegraven;

    • b.

      afhankelijk van de terreinhoogte en de bodemgesteldheid, zal met inachtneming van het daaromtrent in de wet bepaalde, maximaal in drie lagen boven elkaar worden begraven;

    • c.

      de graven hebben de volgende afmetingen:

      • -

        algemene en eigen graven 2.00 m in de lengte en 0.90 m in de breedte;

      • -

        algemene en eigen urnengraven 0.55 m in de lengte en 0.35 m in de breedte;

      • -

        bij kindergraven, bestemd voor lijken van personen beneden 12 jaar, kan van de in het vorig lid bedoelde maten worden afgeweken en wordt de vereiste grafruimte naar omstandigheden bepaald;

      • -

        afwijkende grafmaten dienen bij aanvraag van de begrafenis te worden opgegeven bij de beheerder.

Algemene graven en kindergraven

Artikel 5
  • 1.

    Algemene graven op de begraafplaats zijn bestemd voor het begraven van maximaal drie lijken.

  • 2.

    Kindergraven zijn bestemd voor het begraven van maximaal 1 lijk van kinderen tot de leeftijd van 12 jaar en dood geborenen.

  • 3.

    In algemene graven worden geen asbussen bijgezet.

  • 4.

    Algemene graven worden uitgegeven voor een termijn van 20 jaar.

  • 5.

    Kindergraven worden uitgegeven voor een termijn van 60 jaar.

  • 6.

    In afwijking van lid 5 kan de uitgiftetermijn van kindergraven op verzoek van de gebruiker op 20 jaar worden gesteld.

  • 7.

    De termijn van algemene graven wordt niet verlengd, met uitzondering van kindergraven.

  • 8.

    Na afloop van de uitgiftetermijn van een kindergraf met een gekozen termijn van 20 jaar kunnen de grafrechten, op verzoek van de gebruiker, telkens met tien jaar worden verlengd tot een maximum van 60 jaar, mits een zodanig verzoek vóór het verstrijken van de termijn is gedaan. Hierbij wordt de periode van verlenging naar boven afgerond op hele jaren.

Particuliere/eigen graven

Artikel 6
  • 1.

    Particuliere/eigen graven zijn bestemd voor het begraven van maximaal twee respectievelijk drie lijken en het bijzetten van maximaal twee respectievelijk drie asbussen, waarbij het aantal asbussen het aantal erin begraven lijken niet mag overschrijden. Door middel van schudden van de in het graf aanwezige stoffelijke resten, welke ten minste tien jaar begraven liggen, kunnen meerdere lijken worden bijgezet., tenzij dit uit het oogpunt van beheer ongewenst is.

  • 2.

    Particuliere/eigen graven worden uitgegeven voor een termijn van twintig jaar. De termijn begint te lopen op de datum waarop het graf is uitgegeven en eindigt op 31 december van het twintigste jaar.

  • 3.

    Na afloop van de uitgiftetermijn van een particulier/eigen graf kunnen de grafrechten telkens met tien jaar worden verlengd op verzoek van de rechthebbende, mits een zodanig verzoek vóór het verstrijken van de termijn is gedaan.

  • 4.

    Begraving in een particulier/eigen graf, waarin reeds is begraven en waarvan de lopende grafrechttermijn binnen tien jaar afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de termijn tot maximaal tien jaar na de laatste begraving of bijzetting, waarbij de periode van verlenging naar boven wordt afgerond op hele jaren.

  • 5.

    De verlenging dient te worden aangevraagd door de rechthebbende.

  • 6.

    Het is verboden zonder vergunning van het college een grafkelder aan te brengen in of een gemetseld graf aan te brengen op een particulier graf.

  • 7.

    De vergunning kan worden gewijzigd, ingetrokken of geweigerd indien:

    • a.

      de duurzaamheid van de gebruikte materialen onvoldoende of de fundering en constructie onvoldoende stevig en veilig wordt geacht;

    • b.

      ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • c.

      de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen of de op de vergunning van toepassing zijnde regelgeving niet is of wordt nagekomen;

    • d.

      van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;

    • e.

      de houder van de vergunning dit verzoekt;

    • f.

      dit om redenen van beheertechnische aard wenselijk of noodzakelijk is.

  • 8.

    Het college kan aan de vergunning als genoemd in het zesde lid voorschriften en beperkingen verbinden.

  • 9.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de aard, de afmetingen en de wijze van aanvragen en aanbrengen van grafkelders.

Asbestemming

Artikel 7
  • 1. Urnengraven en urnennissen zijn bestemd voor het bijzetten van maximaal twee asbussen.

  • 2. Alle urnengraven en urnennissen worden uitgegeven voor een termijn van 20 jaar.

  • 3. De termijn voor algemene urnengraven en urnennissen worden niet verlengd.

  • 3. Na afloop van de grafrechttermijn van een particulier/eigen urnengraf kan deze termijn met tien jaar worden verlengd.

  • 5. Bij bijzetting van een asbus in een particulier/eigen graf zijn de bepalingen van deze verordening betreffende particuliere graven overeenkomstig van toepassing.

  • 6. Indien het grafrecht niet wordt verlengd en niet tijdig een andere bestemming van de as kenbaar is gemaakt, wordt de as verstrooid op een door de beheerder te bepalen plaats.

Artikel 8
  • 1.

    As kan worden verstrooid in of op een particulier/eigen graf, een urnengraf, of op het strooiveld.

  • 2.

    As kan worden meegenomen door de rechthebbende of gebruiker, of op diens aangeven aan een ander ter beschikking worden gesteld.

5. Vereisten voor begraving of asbestemming

Artikel 9
  • 1. Degene die een lijk wil doen begraven, as wil doen bijzetten, of as wil verstrooien, maakt daarvoor gebruik van een door het college vast gesteld formulier, dat uiterlijk om 12.00 uur van de dag, voorafgaand aan de dag waarop de begraving, bijzetting of verstrooiing zal plaats vinden -ingevuld- bij het college wordt ingeleverd.

  • 2. Degene die wil begraven, bijzetten of verstrooien overhandigt het verlof tot begraven, bijzetten of verstrooien, voorafgaand aan de plechtigheid aan de beheerder.

  • 3. Indien de burgemeester verlof heeft verleend om het lijk binnen 36 uur na het overlijden te begraven moet het verzoek daartoe aan het college zo tijdig mogelijk worden gedaan.

  • 4. Indien men een lijk wil doen begraven, of as wil doen bijzetten, wordt op het in het eerste lid bedoelde formulier aangegeven van welke in artikel 5, 6 of 7 bedoelde typen graven of nissen men gebruik wil maken.

  • 5. Indien begraving of bijzetting in een particulier/eigen (urnen) graf zal plaatsvinden, dient een machtiging daartoe aan het college te worden overgelegd, welke moet zijn ondertekend door de rechthebbende.

  • 6. Het is verboden om in een kist of ander omhulsel voorwerpen of objecten bij te sluiten die niet tot de kist of het lijk behoren, anders dan kleine verteerbare grafgiften.

  • 7. Het is verboden om een lijk te begraven in een zinken of andere metalen of kunststof (binnen)kist.

  • 8. Bij begraving dient tenminste 24 uur voorafgaand aan het tijdstip van begraving door de uitvaartondernemer, of - wanneer hiervan geen gebruik wordt gemaakt - door de aanvrager, schriftelijk te worden verklaard of gebruik wordt gemaakt van een lijkhoes; voorts dient de uitvaartondernemer dan wel de aanbieder van de lijkhoes aan te tonen dat deze lijkhoes voldoet aan de wet.

  • 9. Tot begraving wordt niet overgegaan dan nadat aan artikel 9 en aan de vereisten uit de wet, is voldaan en door de beheerder is bevestigd.

Artikel 10
  • 1.

    Het tijdstip van begraven, bijzetten of verstrooien wordt telkens en voor elk geval afzonderlijk door het college, in overleg met de betrokken aanvrager, vastgesteld en op het verlof tot begraven vermeld. De tijdstippen van begraven, bijzetten of verstrooien vinden inprincipe plaats op werkdagen van 9.00 tot 16.00 uur en op zaterdag van 9.00 tot 12.00 uur.

  • 2.

    De aanwijzing van de plaats van het graf, het urnengraf of de urnennis geschiedt met inachtneming van het bepaalde in artikel 4, derde en vierde lid, in overleg met de aanvrager, door het college.

  • 3.

    Het openen van een graf ter begraving of voor het bezorgen van as, en het daarna sluiten van een graf, alsmede het bedienen van de hulpmiddelen mag uitsluitend geschieden door het personeel van de begraafplaats op aanwijzingen en onder toezicht van de beheerder. De nabestaanden kunnen deze werkzaamheden onder toezicht van de beheerder geheel of zelf verrichten indien zij hun wens daartoe uiterlijk om 12.00 uur van de voorafgaande werkdag mondeling of schriftelijk aan de beheerder hebben kenbaar gemaakt. Zij dienen bij deze werkzaamheden de aanwijzingen van de beheerder op te volgen.

  • 4.

    Het lijk dan wel de asbus dient bij aankomst op de begraafplaats te zijn voorzien van een identiteitskenmerk.

  • 5.

    Op ieder particulier/eigen graf en op de grafpositie (afhankelijk van de diepte: 1,2 of 3 diep) van een algemeen graf, dient door de begrafenisondernemer of, indien daarin zelf wordt voorzien, door de rechthebbende of gebruiker, tot maximaal een half jaar na de begrafenis een identificatieplaatje te zijn geplaatst, waarop staan vermeld de volledige naam, geboortedatum overlijden van degene die in betreffend graf is begraven.

6. Opgraven en ruimen

Artikel 11
  • 1.

    Bij de opgraving van lijken en ruiming van graven kan de begraafplaats tijdelijk worden gesloten voor de duur van deze werkzaamheden.

  • 2.

    Bij de opgraving van lijken en ruiming van graven zijn geen andere personen aanwezig dan degenen die door het college met deze werkzaamheden zijn belast.

  • 3.

    Het voornemen van het college om een graf, grafvak, urnengraf of urnennis te ruimen wordt gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop het graf geruimd zal worden door middel van een bij het te ruimen graf, grafvak of urnengraf te plaatsen bordje, of op de urnennis aan te brengen sticker, ter kennis van de belanghebbende(n) gebracht; tenzij het adres van de rechthebbende van het -eigen- (urnen)graf aan hen bekend is. In dat geval deelt zij schriftelijk mee wanneer de termijn van uitgifte gaat verstrijken.

  • 4.

    De bij de ruiming van het graf nog aanwezige overblijfselen van lijken worden begraven en de as wordt verstrooid op een daartoe bestemd, afgesloten gedeelte van de begraafplaats.

  • 5.

    Ruimen algemeen graf, algemeen urnengraf of urnennis:

    • a.

      Nabestaanden van een overledene die begraven is in een algemeen graf kunnen gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn bij het college een aanvraag indienen om bij ruiming de overblijfselen, indien mogelijk, bijeen te doen brengen voor herbegraving elders.

    • b.

      Nabestaanden van een overledene waarvan een asbus al of niet met een urn is bijgezet in een algemene urnennis of algemeen urnengraf kunnen bij het college een aanvraag indienen om deze ter beschikking te houden voor herbegraving of verstrooiing elders.

  • 6.

    Ruimen eigen graf of urnengraf:

    • a.

      De rechthebbende op een eigen graf kan bij het college een aanvraag indienen om de overblijfselen te doen verzamelen om deze opnieuw in dezelfde grafruimte te doen plaatsen dan wel om deze elders opnieuw te doen begraven.

      a.De rechthebbende op een eigen urnengraf kan bij het college een aanvraag indienen de asbus ter beschikking te houden voor bijzetting of verstrooiing elders.

7. Grafbedekking

Artikel 12
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college gedenktekens te plaatsen op (urnen)graven of urnennissen.

  • 2. De vergunning kan worden gewijzigd, ingetrokken of geweigerd indien:

    • a.

      de duurzaamheid van de gebruikte materialen onvoldoende of de fundering en constructie onvoldoende stevig en veilig wordt geacht;

    • b.

      het gedenkteken naar het oordeel van het college ernstig afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats;

    • c.

      de tekst of afbeelding op het gedenkteken naar het oordeel van het college aanstootgevend of kwetsend kan zijn;

    • d.

      ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • e.

      de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen of de op de vergunning van toepassing zijnde regelgeving niet is of wordt nagekomen;

    • f.

      van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;

    • g.

      de houder van de vergunning dit verzoekt.

  • 3. Het college heeft aan de in het eerste lid genoemde vergunning voorwaarden verbonden aan afmetingen en materiaalgebruik van de grafbedekking. Deze zijn verwoord in de “Voorschriften voor het aanbrengen van grafbedekking en het plaatsen van losse voorwerpen”. De aanvraag dient hieraan te voldoen.

Artikel 13
  • 1.

    Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen van grafbedekking of andere voorwerpen geschiedt door, op rekening van en voor risico van de rechthebbende of gebruiker.

  • 2.

    De rechthebbende of gebruiker is verplicht de grafbedekking goed te onderhouden, waaronder in ieder geval wordt verstaan:

  • a.

    het vernieuwen en herstellen van kelders, gemetselde graven en gedenktekens;

  • b.

    het verven van opschriften en andere daarvoor in aanmerking komende delen;

  • c.

    de zorg voor de winterharde beplanting alsmede het aanbrengen en vernieuwen van beplantingen.

  • 3.

    Indien dit naar het oordeel van de beheerder voor de veiligheid van personen of zaken of voor het aanzien van de begraafplaats noodzakelijk is, is de rechthebbende of gebruiker verplicht binnen de door het college gestelde termijn tot herstel, vernieuwing of verwijdering van de grafbedekking of andere voorwerpen over te gaan.

  • 4.

    De verwijdering vindt niet plaats dan nadat de belanghebbende behoorlijk per brief is opgeroepen om te worden ingelicht over de toestand van de grafbedekking. Als het adres van de belanghebbende niet bekend is geschiedt de oproeping door mededeling op het mededelingenbord op de begraafplaats. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht.

  • 5.

    Het verwijderde blijft gedurende één maand ter beschikking van de belanghebbende en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is.

  • 6.

    De beheerder kan verwelkte bloemen, verwaarloosde planten, losse en glazen voorwerpen direct laten verwijderen, zonder dat daarvoor alsnog een termijn wordt gegeven, waarbinnen deze verwijderd dienen te worden en zonder dat daarbij aanspraak gemaakt kan worden op schadevergoeding. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende een maand ter beschikking gehouden voor de rechthebbende of gebruiker, indien deze daartoe tevoren een aanvraag heeft ingediend bij de beheerder.

8. Vestiging, overdracht en einde van grafrechten

Artikel 14
  • 1. Het grafrecht of de verlenging van het grafrecht wordt gevestigd door middel van een grafakte.

  • 2. Een grafrecht kan worden overgedragen door overlegging aan het college van een door de rechthebbende of gebruiker en de betrokken rechtsopvolger getekend bewijs van overdracht.

  • 3. Overdracht is slechts mogelijk op naam van één (rechts)persoon.

  • 4. In geval van overlijden van de rechthebbende of gebruiker kan het grafrecht worden overgeschreven op naam van een (rechts)persoon, indien de aanvraag daartoe wordt gedaan binnen één jaar na het overlijden van de rechthebbende of gebruiker.

  • 5. Na het verstrijken van de in de vorige lid bedoelde termijn kan het grafrecht alsnog op naam van een nieuwe rechthebbende of gebruiker worden gesteld, tenzij het betreffende graf of de betreffende urnenplaats inmiddels is geruimd.

  • 6. Aan het grafrecht is de verplichting tot het betalen van onderhoudsrechten verbonden.

  • 7. Een rechthebbende of gebruiker kan afstand doen van grafrechten, zonder aanspraak te kunnen maken op enige vergoeding en onverminderd zijn verplichting tot het betalen van kosten voor de lopende termijn.

  • 8. Rechthebbenden van eigen graven die voorheen voor onbepaalde tijd zijn uitgegeven en zijn vrijgesteld bij besluit van het college per 1-1-1969 van grafrecht en onderhoudsrecht, zijn verplicht het college eens in de tien jaar te laten weten of men het graf nog wil laten voortbestaan.

Artikel 15
  • 1.

    De grafrechten vervallen:

  • a.

    door het verlopen van de termijn;

  • b.

    indien de rechthebbende of gebruiker afstand doet van het recht;

  • c.

    indien de begraafplaats wordt opgeheven.

  • 2.

    Het college kan de grafrechten vervallen verklaren:

  • a.

    indien de betaling van het grafrecht en het onderhoudsrecht ten behoeve van de vestiging of een verlenging van het grafrecht niet tijdig is geschied;

  • b.

    indien de rechthebbende of gebruiker - ondanks een aanmaning - in verzuim blijft een op grond van deze verordening op hem rustende verplichting na te komen of daarmee in strijd handelt;

  • c.

    indien de rechthebbende of de gebruiker van een graf is overleden en het recht niet binnen één jaar is overgeschreven.

  • d.

    indien niet voldaan is aan de verplichting verwoord in artikel 14, lid 8.

  • 3.

    In de gevallen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, en in het tweede lid, vindt geen terugbetaling plaats van een deel van de kosten van het grafrecht, betaalde onderhoudsrechten of eventuele andere kosten.

  • 4.

    Eventueel op het graf aanwezige grafbedekking en andere voorwerpen kunnen gedurende een maand vóór het vervallen van een grafrecht door de rechthebbende of gebruiker van het graf worden verwijderd. Uiteraard gebeurt dit in overleg met de beheerder. Na het vervallen van het grafrecht kunnen zij geen aanspraken op deze voorwerpen doen gelden.

  • 5.

    Na het vervallen van het grafrecht kan het college, met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde regels, besluiten het graf te ruimen en/of te verstrooien op een door de beheerder te bepalen plaats.

9. In stand houden historische graven en opvallende grafbedekking

Artikel 16
  • 1.

    Het college houdt een lijst bij van graven die van historische betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit heeft.

  • 2.

    Alvorens tot ruiming van graven wordt overgegaan onderzoekt het college of er graven zijn die in aanmerking komen om op de lijst te worden bijgeschreven.

  • 3.

    Het college beslist over het ruimen van graven en het verwijderen van grafbedekkingen die op de in het eerste lid bedoelde lijst staan.

10. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 17

De verordening “Verordening op het gebruik en beheer van de gemeentelijke begraafplaats der gemeente Alblasserdam”, in werking getreden op 17 februari 1994, wordt ingetrokken.

Artikel 18
  • 1. De rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de 'Verordening op het gebruik en beheer van de gemeentelijke begraafplaats der gemeente Alblasserdam' in werking getreden op 17 februari 1994, worden geacht ingevolge deze verordening te zijn ontstaan.

  • 2. Op aanvragen om een vergunning die voor het in werking treden van deze verordening zijn gedaan en waarop nog niet is beslist, worden de desbetreffende bepalingen van deze verordening toegepast.

  • 3. De intrekking van de verordening vermeld in artikel 18, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop deze besluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voorzover deze besluiten niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

Artikel 19

Deze verordening kan worden aangehaald als 'Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats Alblasserdam'.

Artikel 20

Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2010.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 30 juni 2010,
De raad voornoemd,
Griffier Voorzitter

Toelichting op de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats Alblasserdam.

Artikel 1

Onderdeel a.

De aanvrager heeft een aparte status. Dit is de persoon die de begrafenis regelt en hiervoor ook betalingsplichtig is. Bij begraving in een algemeen (urnen)graf wordt de aanvrager als gebruiker aangemerkt van het graf. Bij een particulier (urnen)graf is tevens tenaamstelling van de grafrechten vereist. Deze tenaamstelling hoeft niet de aanvrager zelf te betreffen. De grafrechten kunnen ook gevestigd worden op naam van een andere persoon (familielid bijvoorbeeld). Niet de aanvrager maar de rechthebbende geeft toestemming voor de begrafenis of bijzetting.

Onderdeel b.

Algemene graven worden slechts uitgegeven voor directe teraardebestelling. Een algemeen graf kenmerkt zich daarnaast doordat de gebruiker geen zeggenschap heeft over wie er verder in het graf wordt begraven. In of op een algemeen graf kunnen geen asbussen worden bijgezet en geen verstrooiingen plaatsvinden.

Algemene graven worden op de begraafplaats voor 20 jaar uitgegeven. De mogelijkheid bestaat om na het verstrijken van de termijn de overledene alsnog te laten opgraven en herbegraven in een particulier graf of alsnog te cremeren.

Onderdeel g.

De term gebruiker is gerelateerd aan een algemeen graf of algemene urnenplaats en is in dit opzicht de tegenhanger van de term rechthebbende. De gebruiker heeft naast rechten ook plichten (bijvoorbeeld het betalen van het grafrecht en het onderhoudsrecht).

Onderdeel j.

De grafakte is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dat wil zeggen dat tegen een dergelijke beslissing bezwaar kan worden gemaakt, indien men het niet eens is met de inhoud van dit besluit.

Onderdeel k.

Het grafrecht is het recht om gebruik te kunnen maken van een grafruimte. Het is niet alleen het recht om in het graf een overledene te begraven, maar ook om deze begraven te houden gedurende de looptijd van het graf.

Bij een algemeen graf krijgt de gebruiker het recht om één overledene te begraven, maar heeft hij geen zeggenschap over wie verder in dit graf wordt bijgezet.

Bij particuliere/eigen graven is er sprake van een uitsluitend grafrecht: Alleen de rechthebbende mag bepalen of er in het graf wordt begraven of bijgezet, wie er wordt begraven of bijgezet en wanneer dat gebeurt.

Grafrechten zijn niet overerfbaar; bij overlijden van de houder ervan dienen ze te worden overgeschreven op naam van een andere (rechts)persoon.

Voor elke begraving of bijzetting is altijd toestemming nodig van de gebruiker of rechthebbende. Derhalve dient het grafrecht altijd eerst op naam te zijn gesteld alvorens tot een begraving of bijzetting kan worden overgegaan.

Onderdeel l.

Voor overleden kinderen zijn algemene graven beschikbaar met speciale afmetingen. Er is voor ouders uiteraard geen verplichting om van een algemeen kindergraf gebruik te maken. Kinderen kunnen ook worden bijgezet in een particulier graf. Voor kindergraven geldt dat het hier in de zin van de wet gaat om algemene graven, maar waar in uitzondering op de regel wel de rechten met telkens tien jaar kunnen worden verlengd.

Onderdeel m.

Het onderhoudsrecht is een bijdrage in de kosten voor het jaarlijkse onderhoud van de graven en grafvakken, als mede van alle groen en de voorzieningen op de begraafplaats zoals paden, meubilair en bebouwing.

Onderdeel n.

Een particulier/eigen graf kenmerkt zich doordat de rechthebbende (de houder van het grafrecht) het uitsluitend recht heeft om te bepalen wie er in het graf begraven wordt, op welk moment dat gebeurt en voor hoe lang deze overledene(n) begraven worden gehouden.Particuliere/eigen graven worden op de begraafplaats voor twintig jaar uitgegeven. Elke rechthebbende heeft het wettelijk recht deze uitgiftetermijn te verlengen met telkens tien jaar.

Onderdeel o.

De term rechthebbende is gerelateerd aan een particulier/eigen (urnen)graf en is in dit opzicht de tegenhanger van de term gebruiker. De rechthebbende heeft naast rechten ook plichten (bijvoorbeeld het betalen van het grafrecht en het onderhoudsrecht).

Onderdeel q.

Bij een urnengraf wordt de asbus net als bij het begraven van een lijk, bijgezet in de grond. Er zijn zowel particuliere/eigen urnengraven als ook algemene urnengraven.

Met de benaming ’algemeen graf' voor urnengraven wordt slechts het verschil in juridische status van deze grafruimten aangegeven: een algemeen urnengraf kan niet worden verlengd; een particulier/eigen urnengraf kan wel worden verlengd.

Onderdeel r.

Ook voor de urnennis geldt dat het hier een algemeen graf in juridische zin betreft, welke voor twintig jaar wordt uitgegeven. Bovendien is de urnenmuur niet voor individueel gebruik bestemd; deze moet worden gedeeld met andere gebruikers. Over de asbussen die in de naastgelegen nissen in dezelfde urenmuur worden bijgezet heeft de gebruiker geen zeggenschap, maar hij heeft dat wel over de asbus(sen) in zijn eigen nis.

Onderdeel s.

Hoewel met 'de wet' juridisch gezien slechts de wet in formele zin wordt bedoeld (de Wet op de lijkbezorging), wordt in deze verordening ook onder die noemer begrepen: de op deze wet gebaseerde regelgeving zoals het Besluit op de lijkbezorging, het Lijkomhulselbesluit 1998 etcetera.

Artikel 2

Lid 1. en 2.

Het hier omschreven beheer omvat het beheer van gemeentewege in ruime zin. Het voeren van de administratie, het aanleggen, openen, sluiten en ruimen van graven, het begraven, opgraven en herbegraven van lijken, het bijzetten en wegnemen van asbussen, het afnemen en plaatsen van grafmonumenten en voorwerpen in verband met het openen van graven, het verstrooien van as en het onderhouden van de graven, grafvakken en het omringende groen, de gebouwen en de overige voorzieningen op het terrein vallen er allemaal onder. De tarieven voor de onderscheidene diensten zijn vastgelegd in de 'Verordening begrafenisrechten'.

Lid 3.

Omdat het een relatief kleine begraafplaats betreft en er weinig uitbreidingsmogelijkheden zullen zijn in de toekomst, is ervoor gekozen begravingen of het bijzetten van asbussen slechts toe te laten wanneer de overledene een connectie heeft met de gemeente Alblasserdam. Hierbij wordt gedacht aan een relatie in de familiesfeer tot en met de 2e graad, dan wel een werkrelatie binnen de gemeente Alblasserdam.

Lid 5.

Op grond van de artikelen 27 en 65 Wet op de lijkbezorging is de houder van een begraafplaats of plaats van bijzetting van asbussen verplicht een register bij te houden van lijken en asbussen, met een nauwkeurige aanduiding van de plaats van begraving of bijzetting. Artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging bevat nadere voorschriften ten aanzien van de gegevens die moeten worden opgenomen ter zake van bijgezette asbussen. Deze registers zijn openbaar.

Lid 6

Daarnaast wordt bij de gemeente een register bijgehouden van degenen die rechthebbende of gebruiker zijn. Deze administratie is voor derden niet toegankelijk.

Lid 8.

De verordening verplicht rechthebbenden en gebruikers de wijziging van hun adres door te geven. Het is belangrijk het adresbestand actueel te houden, in verband met het aanbieden van verlenging van de termijn van particuliere/eigen graven, zodat de gemeente in ieder geval kan voldoen aan het gestelde in artikel 28 van de Wet op de Lijkbezorging.

Artikel 3

Lid 3. en 4.

Bezoekers van de begraafplaats dienen zich rustig en respectvol te gedragen. Het spreekt voor zich dat het maken van lawaai en het afspelen van luide muziek niet gepast is. Het verontreinigen van het terrein van de begraafplaats, op welke wijze dan ook, hoort evenmin daarbij. Teneinde de gang van zaken op de begraafplaats ordentelijk te laten verlopen en zonodig op elkaar af te stemmen, is een meldingsplicht opgenomen voor personen die werkzaamheden op de begraafplaats moeten verrichten.

Lid 6.

Het is denkbaar dat in uitzonderlijke gevallen een ontheffing wordt verleend voor de verboden handelingen in het vijfde lid. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan een persoon die niet zonder scootmobiel de begraafplaats kan bereiken. Omdat de genoemde handelingen in het vijfde lid niet direct overeenstemmen met het beeld van orde en rust op de begraafplaats, wordt met het verlenen van ontheffingen uiterst terughoudend omgegaan.

Lid 8.

De beheerder heeft deze bevoegdheid in het kader van de orde, netheid en rust op de begraafplaats. Gaat het om verstoring van de openbare orde en veiligheid, dan is dit een bevoegdheid van de burgemeester.

Artikel 4

Lid 1.

Het gaat om een collegebevoegdheid op grond van de Gemeentewet, betreffende de huishouding van de gemeente. Hierbij hoort ook het onderscheid naar graven op de verschillende grafvelden, de afmetingen van de graven en dergelijke. Het college kan ook graflocaties van een afwijkend formaat uitgeven, als dit voor het beheer van de begraafplaats niet bezwaarlijk is.

Lid 2. en 3.

Deze leden voorzien in de mogelijkheid om feitelijk te kunnen sturen in het beheer van de begraafplaats. In sommige vakken kan de uitgifte van graven tijdelijk worden gestaakt, als dit voor herinrichting of groot onderhoud wenselijk is. Er kan bijvoorbeeld ook worden besloten om in een bepaalde urnenmuur geen nissen meer uit te geven. Bijvoorbeeld wanneer deze muur op korte of middellange termijn verplaatst of vervangen moet worden.

Het college kan ook besluiten bepaalde producten of diensten niet meer te leveren.

Daardoor zijn sommige typen graven, urnenplaatsen of bepaalde diensten soms niet, niet meer of nog niet, en niet voor alle termijnen beschikbaar. Men kan een graf of urnenplaats op een bepaalde locatie niet afdwingen. Een aanvrager heeft geen recht op uitgifte of levering.

Lid 6.

Gegeven de hoogte van de begraafplaats ten opzichte van het grondwater is het maximaal mogelijk om drie lijken boven elkaar te begraven

Artikel 5

Lid 3.

Bijzetting van asbussen in graven is vooral gewenst om overledenen die niet dezelfde vorm van lijkbezorging hebben ondergaan, toch met elkaar te kunnen verenigen. Bij een algemeen graf zal dit altijd onmogelijk zijn omdat de uitgifte hiervan op volgorde geschiedt en de gebruikers geen zeggenschap hebben over de bestemming van de naast/boven/onder gelegen grafruimte.

Lid 4. en 5.

Wanneer de uitgiftetermijn is verstreken, bestaat voor de gebruiker van een algemeen graf de mogelijkheid om de overledene te laten opgraven en herbegraven in een particulier graf. Ook kan alsnog voor crematie worden gekozen. Op grond van artikel 27a van de Wet op de lijkbezorging wordt men van het verstrijken van deze termijn op de hoogte gebracht, zodat de individuele opgraving en herbestemming van de overledenen kan plaatsvinden voordat de graven collectief en anoniem worden geruimd. Deze ruimingen vinden plaats op grond van artikel 31 van de Wet op de lijkbezorging. Een gebruiker kan in elk geval tot opgraven besluiten tot de dag voorafgaand aan de dag waarop de uitgiftetermijn verloopt. De aanvraag voor het hiervoor vereiste verlof tot opgraven kan echter niet eerder ingediend worden dan een jaar voor afloop van genoemde termijn. Indien de gebruiker na het verstrijken van de termijn te kennen geeft alsnog te willen opgraven en herbegraven of cremeren, dan kan dit tot aan de dag waarop de ruiming plaatsvindt. Indien het graf inmiddels is geruimd, is het individueel opgraven en herbestemmen niet meer mogelijk.

Het ruimen van kindergraven ligt meestal erg gevoelig. Vaak is het verlies voor ouders moeilijk en bovendien zijn deze ouders doorgaans nog lang in leven. Kindergraven in Alblasserdam hebben daarom, ondanks dat het hier gaat om algemene graven, een uitgiftetermijn van 60 jaar. Op verzoek van de gebruiker kan echter ook worden gekozen voor een uitgiftetermijn van 20 jaar. Na de uitgiftetermijn van 20 jaar kan deze termijn, gelijk particuliere/eigen graven, telkens met tien jaar worden verlengd tot een maximum van 60 jaar.

Lid 7.

Hier zal worden gehandeld overeenkomstig artikel 28 van de Wet op de Lijkbezorging; zie hiervoor de toelichting op artikel 6 lid 3.

Artikel 6

Lid 1.

Het primaire verschil tussen een ruimte die bestemd is om een asbus bij te zetten, en een gewoon graf is, dat de urnenruimte te klein is om een stoffelijk overschot in te begraven. Een asbus kan wel worden bijgezet in een 'groot' graf, maar een stoffelijk overschot niet in een te krappe ruimte.

In particuliere graven kunnen evenveel asbussen worden bijgezet als het aantal overledenen waarvoor het graf is uitgegeven. Per “begraafniveau” kan – naast de grafruimte die beschikbaar is voor een grafkist – één asbus worden geborgen. Het totale aantal asbussen in een particulier graf is derhalve nooit hoger dan twee of drie, afhankelijk van de diepte van het graf.

Lid 2.

Wanneer in het verleden grafrechten voor onbepaalde tijd zijn uitgegeven, zullen deze rechten worden gerespecteerd, voor zover rechthebbenden actief laten weten dat zij nog prijs stellen op het graf en dit ook onderhouden. Zie hiervoor ook artikel 14, lid 8

Lid 3.

Op grond van artikel 28 Wet op de lijkbezorging wordt de rechthebbende tijdig gewezen op de mogelijkheid van verlenging. Indien de grafrechten niet binnen de daarvoor gestelde termijn zijn verlengd, dan doet men hiermee afstand van het graf en vervallen de grafrechten en de grafbedekking aan de gemeente.

Wanneer men na afloop van de gestelde termijn aangeeft alsnog met terugwerkende kracht te willen verlengen kan het college besluiten wel of niet met een verlenging met terugwerkende kracht in te stemmen.

In dat geval is er meestal sprake van een heruitgifte van het graf omdat de rechten na afstand opnieuw gevestigd moeten worden. Ook op heruitgifte heeft men geen recht. Heruitgifte kan ook worden gegund aan een andere nabestaande die belangstelling heeft voor verdere instandhouding van het graf. Indien het graf inmiddels is geruimd, is heruitgifte niet aan de orde.

De verlenging van het uitsluitend grafrecht kan niet worden geweigerd, zo volgt uit artikel 28 lid 1 van de Wet op de lijkbezorging. Zie verder hetgeen in artikel 14 en de daarbij behorende toelichting is vermeld.

Lid 4.

In een particulier graf waarvan de lopende grafrechttermijn binnen tien jaar afloopt, mag - in verband met de wettelijke termijn van grafrust van tien jaar - slechts een overledene worden bijgezet indien de grafrechten tot tien jaar wordt verlengd.

De kosten van deze verlenging bedragen een evenredig deel van de kosten zoals bepaald in de 'Verordening begrafenisrechten', waarmee de verlenging de lopende termijn te boven gaat. Een eventuele volgende verlenging geschiedt op de voet van het bepaalde in het derde lid van artikel 6.

Lid 6.

Rechthebbenden van een particulier graf kunnen een verzoek doen om voor eigen rekening een grafkelder te laten aanbrengen. Op de begraafplaats van Alblasserdam wordt daar meestal een aparte hoek voor aangehouden, omdat de kelders vaak net wat groter van omvang zijn dan een gewoon graf.

Artikel 7

Lid 1. en 2.

Alle urnengraven en urnennissen bieden ruimte aan maximaal twee asbussen.

Een algemeen graf kenmerkt zich doordat de gebruiker geen zeggenschap heeft over de bestemming van de naastgelegen grafruimte. Dit is bij algemene urnengraven en -nissen ook het geval. De zeggenschap bij urnengraven/nissen beperkt zich dan ook tot het eigen urnengraf/de eigen nis. Niettemin kan er in urnengraven/nissen bijzetting van meer dan één asbus plaatsvinden (mits het formaat van de gekozen urn en/of de nis dat toestaat). De gebruikers van urnengraven/nissen hebben in die zin meer mogelijkheden dan gebruikers van algemene 'gewone' graven. Het verschil tussen particuliere urnengraven en algemene urnengraven kenmerkt zich door de mogelijkheid tot verlenging. Dit laatste is bij algemene urnengraven/nissen niet mogelijk, maar bij particuliere urnengraven wel.

Lid 3.

De rechthebbende op een particulier urnengraf wordt in deze verordening de mogelijkheid geboden de grafrechten telkens met tien jaar te verlengen.

Lid 5 en 6.

De gebruiker die niet verlengt of nalaat om tijdig een andere bestemming van de as aan te geven, geeft hiermee impliciet opdracht tot verstrooiing van de as. Feitelijk komt het verstrooien overeen met ruiming, omdat ruiming van urnenplaatsen ook geschiedt door verstrooiing van de as.

Artikel 8

Het artikel geeft een overzicht van de mogelijke bestemmingen van as, indien niet wordt gekozen voor bijzetting.

Verstrooiing vindt doorgaans plaatst op het strooiveld op de begraafplaats, maar kan ook in of op een urnengraf of particulier graf plaatsvinden, mits de rechthebbende of gebruiker hiervoor toestemming geeft.

Verstrooiing kan ook plaatsvinden buiten het terrein van de begraafplaats, op een strooiveld elders, boven zee of op een andere door de overledene of diens nabestaanden gewenste plek. Men is daarbij uiteraard gebonden aan de daarvoor geldende regels van de betreffende gemeente; in alle gevallen is ook toestemming van de eigenaar van de ondergrond vereist.

Artikel 9

Lid 1. t/m 4

Het is wenselijk dat een begrafenis of bijzetting tijdig wordt gemeld. Het ligt in de aard van de zaak dat bij een nieuw graf of een nieuwe urnenplaats wordt aangegeven welk type men wenst en voor welke termijn. Op het formulier dienen ook bijzondere omstandigheden worden gemeld, zoals een ongebruikelijk formaat lijkkist en het gebruik van een lijkhoes (zie lid 6). Het formulier moet worden ingevuld en ondertekend door de aanvrager, degene die de opdracht geeft voor de uitvaart. De aanvrager is betalingsplichtig. Bij uitgifte van een graf of een urnenplaats dient tevens te worden vermeldt wie de rechthebbende of gebruiker wordt teneinde de grafrechten te kunnen vestigen. Als dit niet dezelfde persoon is als de aanvrager is een aparte handtekening voor de tenaamstelling vereist. Daarnaast is schriftelijke toestemming van de rechthebbende nodig voor het openen en sluiten van het graf.

Lid 5.

Indien de rechthebbende is overleden en zelf in het betreffende graf begraven moet worden, dient het grafrecht eerst op naam van een nieuwe rechthebbende te zijn overgeschreven alvorens de begrafenis kan plaatsvinden (zie artikel 14). Zonder toestemming van de rechthebbende mag immers het graf niet geopend worden.

Lid 6.

Het bepaalde in dit lid heeft de bedoeling om het meebegraven van voorwerpen die niet in de grond horen, die niet vergankelijk zijn of die een natuurlijke lijkontbinding kunnen belemmeren, te voorkomen. Er is geen enkel bezwaar tegen het meebegraven van voorwerpen als kindertekeningen, een kleine stoffen knuffel of een rozenkrans, maar wel tegen technische hulpmiddelen zoals een koelmatras, plastic zakken met kledingresten van het slachtoffer van een verkeersongeval, medisch afval e.d. In twijfelgevallen kan een uitvaartverzorger in overleg treden met de beheerder.

Lid 7.

Het gebruik van kisten van metaal of kunststof is in Nederland verboden. Er is echter een uitzondering toegestaan door de wetgever voor de lijken die vanuit het buitenland Nederland worden binnengebracht. Het gebruik van een zinken kist is op grond van artikel 16 van het Besluit op de lijkbezorging toegestaan voor stoffelijke overschotten die uit het buitenland komen, mits de ondoordringbaarheid is opgeheven. Ook in het laatste geval blijft een zinken of andere metalen kist een belemmering voor een natuurlijke lijkontbinding. Het wordt daarom in deze verordening verboden. Het is gewenst om het zink voor begraving te verwijderen of de overledene in een andere wel geheel vergankelijke kist of ander wettelijk toegestaan omhulsel te bergen.

Lid 8.

Indien aan de hand van een recent aankoopbewijs kan worden aangetoond dat gebruik worden gemaakt van een lijkhoes van een merk en type dat voldoet aan de wettelijke normen, hoeft geen testrapport meer te worden overgelegd. Welke hoezen voldoen aan de wettelijke normen, wordt regelmatig gepubliceerd door de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen. Verklaringen van producenten of leveranciers, zonder deugdelijk onderliggend testrapport, kunnen worden geweigerd omdat is gebleken dat dergelijke verklaringen niet altijd waarheidsgetrouw zijn.

Lid 9.

De beheerder van de begraafplaats en zijn medewerkers of andere door het college aangewezen personen kunnen controleren, o.a. door inspectie van de inhoud van de kist of een ander omhulsel, of aan wettelijke bepalingen en de bepalingen van dit artikel voldaan wordt. Men controleert ook de aanwezigheid van een verlof tot begraving, het document als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de lijkbezorging en het bijbehorende registratienummer op de kist, dat wisseling van kisten en overledenen moet voorkomen.

Artikel 10

Begrafenissen vinden plaats op werkdagen. Soms wordt door opeenvolgende zon- en feestdagen de periode waarin niet begraven zou kunnen worden te groot. Het college kan dan ook begraving op andere dagen toestaan.

Begrafenissen, bijzettingen van asbussen of verstrooiingen van as worden in de regel enkele dagen tevoren aangemeld bij de beheerder. De beheerder zal zoveel mogelijk met de wens van de aanvrager rekening houden. Wanneer echter meer begrafenissen of andere plechtigheden voor een zelfde tijdstip worden aangemeld, heeft de beheerder voor een goede gang van zaken de bevoegdheid om een ander tijdstip vast te stellen.

Artikel 11

Voor opgraven van lijken en het ruimen van graven zijn de bepalingen uit de Wet op de lijkbezorging van toepassing. In de artikelen 29 en 31 van de wet, alsmede in de nadere uitwerking daarvan in de Inspectierichtlijn lijkbezorging (VROM) is bepaald aan welke eisen moet worden voldaan. De begraafplaats hanteert daarbij de Handleiding Opgraven en ruimen van de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen, waarin de praktische uitvoering van de regelgeving is omschreven.

Artikel 12

Lid 1. en 2

Gedenktekens moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden hebben bijvoorbeeld betrekking op de afmetingen van de gedenktekens. Zolang aan deze voorwaarden wordt voldaan, zal een vergunning in principe niet worden geweigerd.

Voor grafbeplanting is geen vergunning vereist. Gebruikers en rechthebbenden dienen zich wel te houden aan de bepalingen uit de verordening en eventuele overige voorschriften.

Lid 3.

Het college heeft nadere regels vastgesteld voor grafbedekking. Deze zijn vastgelegd in de “Voorschriften voor het aanbrengen van grafbedekking”. Duurzaamheid van de voor gedenktekens te gebruiken materialen, de registratie van de grafbedekking, de veiligheid van bezoekers en personeel, het aanzien van de begraafplaats als geheel en het voorkomen van overlast voor belendende graven zijn de belangrijkste invalshoeken voor het vaststellen van die regels. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt kan het wenselijk zijn voor bepaalde delen van de begraafplaats andere normen te hanteren dan voor overige delen.

Artikel 13

Lid 1.

Wanneer monumenten, grafstenen, zerken, andere gedenktekens op graven worden aangebracht, worden deze volgens de bedoeling van de rechthebbende als duurzaam herinneringsteken op het graf geplaatst. Voorheen was er daardoor sprake van natrekking en waren gedenktekens eigendom van de houder van de begraafplaats, de gemeente. Uit art 32a van de (per 1 januari 2010 gewijzigde) Wet op de lijkbezorging blijkt dat er geen sprake meer is van natrekking van gedenktekens. Zolang het graf niet geruimd mag worden, is van natrekking geen sprake, maar behoren de voorwerpen toe aan de rechthebbende of gebruiker. Voor alle duidelijkheid wordt niettemin in de verordening opgenomen dat het hebben van grafbedekking voor risico van de rechthebbende of gebruiker komt en dat deze verplicht is de grafbedekking goed te onderhouden.

Voor schade aan het grafmonument zelf, draait de gebruiker of rechthebbende op grond van het voorgaande eveneens op. Schade als gevolg van brand, vandalisme, diefstal, verzakking, vorst, storm, hagel, wateroverlast en andere van buiten komende oorzaken, komen voor rekening van de rechthebbende of gebruiker.

Uit de nadere regels blijkt dat bij algemene graven het pas mogelijk is om gedenktekens aan te brengen op het graf wanneer alle beschikbare graflagen in gebruik zijn genomen. Bij particuliere graven kan men het moment van plaatsen van een gedenkteken zelf bepalen. Daarbij wordt echter aangeraden te wachten tot minimaal drie maanden na de begrafenis in verband met het inklinken van de grond. Indien een gedenkteken of beplanting tijdelijk wordt weggenomen in verband met een tweede begraving, komt spontane breuk van (een deel van) het monument als gevolg van bijvoorbeeld ouderdom of verborgen scheuren e.d., of het niet weer aanslaan van de teruggeplaatste beplanting, voor risico van de rechthebbende of gebruiker.

Indien een monument wordt beschadigd, of schade aan derden wordt toegebracht, door onzorgvuldig handelen of opzet van medewerkers van de begraafplaats, dan is de gemeente uiteraard wel gehouden tot vergoeding van de schade.

Lid 2. en 3.

Gebruikers en rechthebbenden zijn verplicht de grafbedekking goed te onderhouden. Dit onderhoud moet niet worden verward met de taak van de gemeente om de begraafplaats als geheel te onderhouden, waarvoor onderhoudsrecht verschuldigd is.

Wanneer gebruikers of rechthebbenden hun grafbedekking niet goed onderhouden, zijn zij in overtreding van artikel 13 lid 2. Er kan dan bestuursrechtelijke handhaving (op grond van de Gemeentewet volgens de Algemene wet bestuursrecht) plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit het toepassen van bestuursdwang, waarbij de gemeente op kosten van de overtreder het gedenkteken zal herstellen of afvoeren. De overtreder krijgt dan eerst nog een termijn waarbinnen hij een en ander zelf in de oude staat kan herstellen.

Dreigt er direct gevaar voor personen of zaken, dan biedt de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid om onmiddellijk actie te ondernemen, zonder dat eerst de gelegenheid aan de overtreder zelf dient te worden geboden.

Naast de bestuursrechtelijke handhaving bestaat ook de mogelijkheid het grafrecht te laten vervallen, op grond van artikel 15, lid 2, onder b, indien gebruikers en rechthebbenden de grafbedekking niet goed onderhouden of zich niet aan de regels houden en ook na een waarschuwing in gebreke blijven.

De gemeente kan het - onverlet het bovenstaande - als haar taak zien om het onderhoud van graven en grafmonumenten met een bijzondere historische of cultuurhistorische waarde voor haar rekening te nemen. Dit zal in het algemeen pas het geval zijn als er geen rechthebbende meer is en/ of er afstand is gedaan van de grafrechten. Dit valt dan echter beleidsmatig onder de taak monumentenzorg en niet onder het beheer van de begraafplaats. Zie hiervoor ook artikel 16.

Lid 6.

In de verordening is opgenomen dat verwijdering van verwelkte bloemen, planten en andere kleine voorwerpen direct, dus zonder het geven van een termijn, kan geschieden. Bezien vanuit de zorgplicht van de gemeente en de orde en netheid op de begraafplaats, is deze keuze gerechtvaardigd.

Artikel 14

Lid 1. t/m 3.

Het is gewenst dat direct na het overlijden van een rechthebbende of gebruiker een nieuwe rechthebbende of gebruiker wordt aangewezen die de verantwoordelijkheid voor de grafruimte en de daaraan verbonden kosten op zich neemt. Indien de rechthebbende is overleden en in het betreffende graf begraven moet worden, kan deze begraving pas geschieden nà de overschrijving van het graf. Het grafrecht kan slechts worden overgeschreven op naam van één (rechts)persoon. Het grafrecht gaat niet automatisch over op grond van erfrecht, zoals vaak ten onrechte wordt gedacht. Wie erfgenaam is, is immers de gemeente ook niet bekend.

Lid 4.

De termijn voor overschrijving van een graf wordt gesteld op maximaal een jaar. Het is ongewenst dat graven van personen waarvan geen nabestaanden bekend zijn of waarvoor niemand zich meer verantwoordelijk voelt voor lange termijn in stand blijven, mede omdat de gemeente dan het risico draagt van schade die kan worden veroorzaakt door omvallende grafstenen en inzakkende grafkelders.

Vindt geen overschrijving plaats binnen een jaar, dan kan de bepaling van artikel 15 lid 2 onder c worden toegepast.

Wanneer de rechthebbende is overleden en in zijn ‘’eigen’’ graf begraven moet worden is de termijn waarbinnen een overschrijving gerealiseerd moet worden uiteraard veel korter dan een jaar, namelijk enkele dagen. Immers alleen een nieuwe rechthebbende kan de begraving toestaan. (Zie ook artikel 9, vijfde lid).

Lid 5.

Het vijfde lid brengt tot uitdrukking dat de termijn van een jaar met soepelheid kan worden gehanteerd.

Lid 6.

De onderhoudsrechten zijn een belasting (retributie) in de zin van de Gemeentewet die door rechthebbenden en gebruikers dient te worden betaald ten behoeve van de diensten die worden verricht of ten behoeve van de faciliteiten waarvan gebruik wordt gemaakt (onderhoud aan graven en de begraafplaats als geheel).

Lid 7.

Het zevende lid bepaalt dat een rechthebbende afstand kan doen van grafrechten, zonder aanspraak te kunnen maken op enige vergoeding. Het afstand doen van rechten kan een keuze zijn, wanneer er geen belangstelling meer is voor de instandhouding van het graf. Met de afstand van het grafrecht vervallen ook de onderhoudsrechten.

Lid 8.

Graven die voor onbepaalde tijd zijn uitgegeven en waarbij men is vrijgesteld van graf- en onderhoudsrechten, worden in stand gehouden zolang de begraafplaats blijft bestaan. Echter, voor deze graven geldt ook de wettelijke regel van artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging dat bij ernstige verwaarlozing van het grafmonument en indien de rechthebbende niet tot reparaties of vervanging van het monument overgaat, het grafrecht kan vervallen. Ook dient te worden voldaan aan de verplichting in artikel 14 lid 4, dat het grafrecht moet worden overgeschreven op een nieuwe rechthebbende, binnen een jaar na het overlijden van de rechthebbende. Mede ter controle of de rechthebbende nog wel in leven is en of diens bekende adres nog juist is, dient de rechthebbende om de tien jaar te bevestigen dat op het voortbestaan van het graf prijs wordt gesteld. Indien de rechthebbende zichzelf niet meldt of indien hij op een aanschrijving van het college niet reageert, kan het grafrecht vervallen op grond van artikel 15 van de verordening.

Artikel 15

Lid 1. en 2.

Het artikel geeft aan wanneer aan het grafrecht een einde komt. Dit is per definitie het geval wanneer de situaties uit het eerste lid zich voordoen. In het tweede lid worden de situaties genoemd waarbij het college zelf kan oordelen of zij het grafrecht laat vervallen. Het college kan er bijvoorbeeld ook voor kiezen de gebruiker of rechthebbende nog een kans te bieden om het verzuim te herstellen.

Wanneer het grafrecht eenmaal vervallen is, bestaat de mogelijkheid tot ruiming van de graven over te gaan en deze ruimte vervolgens opnieuw uit te geven.

Lid 4.

Wanneer op vervallen graven nog grafbedekking of andere voorwerpen aanwezig zijn en er vanuit de gebruiker of rechthebbende geen actie ondernomen is om deze te verwijderen, dan wordt ervan uitgegaan dat geen behoefte aan deze zaken meer is. Voor gedenktekens geldt dan dat deze door natrekking eigendom van de gemeente zijn geworden. Van achtergebleven andere voorwerpen wordt verondersteld dat afstand van het eigendom is gedaan. De gemeente zal de grafbedekking en andere voorwerpen dan verwijderen. De mogelijkheid tot de plaatsing van de grafbedekking en de voorwerpen was immers gekoppeld aan het grafrecht en kan niet op zichzelf staan.

Artikel 16

Voor de Ablasserdamse gemeenschap waardevolle of belangrijke grafmonumenten of graven dienen te behouden te blijven. Het kan hierbij gaan om fraai vormgegeven monumenten of kelders, of om mensen of namen die veel hebben betekend voor Alblasserdam.