Beleidsregels bijzondere bijstand kosten kinderopvang sociaal-medische indicatie Gouda 2013

Geldend van 18-07-2013 t/m 01-10-2019

Intitulé

Beleidsregels bijzondere bijstand kosten kinderopvang sociaal-medische indicatie Gouda 2013

Burgemeester en wethouders van Gouda;

gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht;

gelet op artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand;

Besluiten vast te stellen de volgende beleidsregels: Beleidsregels bijzondere bijstand kosten kinderopvang sociaal-medische indicatie Gouda 2013.

Artikel 1 Criteria doelgroep sociaal-medische indicatie

Een in Gouda woonachtige ouder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen kan op grond van een sociaal-medische indicatie aanspraak maken op bijzondere bijstand voor de kosten van de kinderopvang voor (het) thuiswonende kind(eren) indien vastgesteld is dat:

1. één of meer lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperkingen van de ouder opvang van het kind of de kinderen noodzakelijk maken, en ondersteuning door het Centrum Jeugd en Gezin wordt aanvaard of,

2. kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van het kind noodzakelijk is en,

3. voor zover andere voorzieningen geen passende oplossing kunnen bieden.

Artikel 2 De aanvraag

Een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van de kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie wordt gedaan met behulp van een daartoe vastgesteld formulier.

Artikel 3 Vaststelling noodzaak en periode kinderopvang

  • 1. Burgemeester en wethouders stellen aan de hand van de bij de aanvraag overgelegde informatie vast of er een noodzaak voor kinderopvang aanwezig is en wat de omvang daarvan is.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders voor het vaststellen van de noodzaak en de omvang van de kinderopvang een onafhankelijke instantie om advies vragen.

Artikel 4 Hoogte en duur bijzondere bijstand

  • 1. De hoogte van de bijzondere bijstand komt overeen met de kosten van de noodzakelijke kinderopvang, zij het dat:

    a. op de bijzondere bijstand een drempelbedrag in mindering wordt gebracht;

    b. er rekening wordt gehouden met de draagkracht als bedoeld in artikel 5;

    c. de uurprijs die bij het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand in aanmerking wordt genomen, gelijk is aan de uurprijs die bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag in aanmerking wordt genomen als bedoeld in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

  • 2. De bijzondere bijstand wordt maximaal voor de duur van een jaar verleend.

Artikel 5 Draagkracht

  • 1. Over het inkomen tussen 100% en 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt een draagkracht berekend van 30%.

  • 2. Over het inkomen tussen 120% en 200% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt een draagkracht berekend van 70%.

  • 3. Over het inkomen boven 200% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm is de draagkracht 100%.

  • 4. In afwijking van de vermogensbepaling voor de algemene bijstand wordt al het vermogen boven het vrij te laten bedrag dat op rekeningen staat waarover de ouder redelijkerwijs kan beschikken, als draagkracht in aanmerking genomen.

Artikel 6 Overgangsrecht

  • Voor de ouder die op de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels reeds een vergoeding voor de kosten van de kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie ontvangt, vinden de regels met betrekking tot het drempelbedrag, de uurprijs en de draagkracht geen toepassing.

Artikel 7 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden één dag na bekendmaking in werking en werken terug tot 1 januari 2013.

Artikel 8 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels bijzondere bijstand kosten kinderopvang sociaal-medische indicatie Gouda 2013.

Aldus besloten in de vergadering van 9 juli 2013,

Burgemeester en wethouders,

, burgemeester

, secretaris

Algemene toelichting

Per 1 januari 2005 is de wet Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko) in werking getreden. Op grond van deze wet kunnen ouders een tegemoetkoming krijgen voor de kosten van kinderopvang als zij werk en zorg combineren.

Tot 1 januari 2013 kende de gemeente tegemoetkomingen in de kosten van de kinderopvang toe aan diegenen die tot de wettelijke doelgroep behoorden. Met ingang van 1 januari 2013 is deze taak door de Belastingdienst overgenomen. De bepalingen in de Wko die betrekking hadden op de gemeentelijke tegemoetkoming zijn komen te vervallen.

Naast de wettelijke doelgroep bestond er echter ook een buitenwettelijke doelgroep.In de Wko heeft artikel 1.23 Wko betrekking op de doelgroep met een sociaal-medische indicatie. Het eerste lid van dit artikel bepaalt “Het college van burgemeester en wethouders stelt op aanvraag van de ouder vast of hij of zijn partner dan wel het kind van de ouder een geïndiceerde persoon is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k of l, en in welke mate uit dien hoofde, voor zover andere voorzieningen geen passender oplossing kunnen bieden, kinderopvang in de zin van deze wet noodzakelijk is.”

De wetgever heeft echter besloten om dit artikel niet in werking te laten treden. Het benodigde budget voor kinderopvang voor de doelgroep ‘sociaal-medische indicatie’ is door de wetgever toegevoegd aan de algemene middelen van het gemeentefonds. Deze verstrekking aan gemeenten via het gemeentefonds wordt aangemerkt als een algemene uitkering, waaraan geen voorwaarden worden gesteld. Het rijk heeft dus geen voorwaarden of beperkingen opgelegd aan de vormgeving van het gemeentelijk beleid voor de doelgroep ‘sociaal-medische indicatie’.

Burgemeester en wethouders van Gouda hebben ervoor gekozen de vergoeding van de kosten voor de kinderopvang voor de doelgroep sociaal-medische indicatie via de bijzondere bijstand te regelen.

De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Wko en aanverwante regelingen.

Deze beleidsregels kunnen gezien worden als een preventieve maatregel om de opvoedsituatie van een kind te verbeteren. Het gaat veelal om kinderen die opgroeien in een gezin waarbij de ouder, die de verzorging zou moeten doen, zelf intensieve zorg nodig heeft. Er kan bij een dergelijke ouder sprake zijn van een lichamelijke ziekte of handicap, een psychische ziekte of verslavingsproblematiek of van een verstandelijke handicap. Door de mogelijkheid bijzondere bijstand toe te kennen voor de kosten van de kinderopvang worden de ouders ontlast. De opvang van hun kind biedt de ouder onder andere rust, structuur, overzicht, zekerheid. Daarnaast gaat het om de ontwikkeling van het kind. Deze beleidsregels voorzien ook in de situatie dat kinderopvang voor een goede en gezonde ontwikkeling van het kind zelf nodig is.

Artikelgewijze toelichting

Artikel 1 Criteria doelgroep sociaal-medische indicatie

Artikel 1, eerste lid van de Wko bepaalt dat een ouder de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind is op wie de kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een subsidie op grond van de Wet op de jeugdzorg buiten beschouwing blijft.

Lid 1

Een ouder behoort tot de doelgroep sociaal-medische indicatie indien de ouder een persoon is met een lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperking en voor wie is vastgesteld dat een of meer van deze beperkingen kinderopvang noodzakelijk maken. Door het stellen van de voorwaarde dat er ondersteuning door het Centrum voor Jeugd en Gezin wordt aanvaard, wordt de huidige praktijk gecontinueerd. Op deze wijze worden ouders/gezinnen niet alleen financieel ondersteund (door middel van de bijzondere bijstand voor de kosten van de kinderopvang), maar wordt ook hulp en ondersteuning geboden.

Lid 2

Ook tot de doelgroep sociaal-medische indicatie behoort de ouder die een kind heeft ten aanzien van wie is vastgesteld dat kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van dat kind noodzakelijk is.

Lid 3

Een ouder behoort tot de doelgroep sociaal-medische indicatie, voor zover er geen passende oplossing geboden kan worden. Bij andere/passendere oplossingen kan onder meer gedacht worden aan voorliggende voorzieningen zoals de Wko zelf, de Algemene wet bijzondere ziektekosten, de jeugdzorg, het eigen netwerk en/of een eigen bijdrage werkgever. Volledigheidshalve zij erop gewezen dat deze opsomming niet limitatief is.

Artikel 2 De aanvraag

Artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier kan vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.

De reden dat burgemeester en wethouders voor een standaard aanvraagformulier hebben gekozen, is dat hiermee het voor de aanvrager duidelijk is welke informatie hij of zij dient te verstrekken. Uiteraard komt een dergelijke informatievergaring ook de efficiënte afhandeling ten goede.

Artikel 3 Vaststelling noodzaak kinderopvang

Lid 1

Als uit de bij de aanvraag verstrekte informatie blijkt dat er sprake is van een sociaal-medische problematiek die kinderopvang noodzakelijk maakt, stelt het college vast dat er een noodzaak is voor kinderopvang en wat de omvang ervan is. Onder omvang van de kinderopvang wordt verstaan het aantal uur per week en de periode dat de opvang noodzakelijk is.

Lid 2

In afwijking van het vorige lid, kunnen burgemeester en wethouders een onafhankelijke instantie om advies vragen. Dit zullen zij bijvoorbeeld doen in geval van twijfel over de noodzakelijkheid van kinderopvang op grond van sociaal-medische redenen.

Artikel 4 Hoogte en duur bijzondere bijstand

Als de noodzaak van kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie is vastgesteld, komt de ouder in aanmerking voor bijzondere bijstand voor de kosten van de kinderopvang. Bij het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt echter met een aantal zaken rekening gehouden, te weten: een drempelbedrag (hierna onder a), de draagkracht (hierna onder sub b) en de maximaal te vergoeden uurprijs.

Sub a

De eerste € 127,00 (geldt per 1 januari 2013) zijn voor rekening van de ouder. Dit bedrag kan worden beschouwd als een eigen bijdrage. De periode waarover het drempelbedrag geldt is 12 maanden.

Sub b

Zie toelichting op artikel 5.

Sub c

Bij de berekening van de hoogte van de kinderopvangtoeslag komen kosten boven een maximum uurprijs niet voor vergoeding in aanmerking. Artikel 1.7, tweede lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen bepaalt dat de uurprijs die bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in het eerste lid, in aanmerking wordt genomen een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag niet te boven gaat. De algemene maatregel van bestuur is het Besluit kinderopvangtoeslag. Het maximum bedrag verschilt per opvangsoort (dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang). Naar analogie hiervan hanteren burgemeester en wethouders dezelfde maxima.

Lid 2

Ondanks dat het in de praktijk goed mogelijk is dat de noodzaak voor meer dan een jaar vaststaat, is ervoor gekozen de toekenning van de bijzondere bijstand in duur te begrenzen. Met de keuze voor 12 maanden is aangesloten bij de systematiek van de bijzondere bijstand.

Artikel 5 Draagkracht

De draagkracht wordt bepaald aan de hand van het inkomen gedurende de draagkrachtperiode – maximaal een jaar. Daar het periodieke bijzondere bijstand betreft (de kosten van de kinderopvang dienen immers maandelijks te worden betaald) wordt de draagkracht per maand vastgesteld.

Leden 1, 2 en 3

Bij toekenning van de bijzondere bijstand wordt gekeken naar het inkomen van de ouder, of indien van toepassing van het gezin. Afhankelijk van de hoogte daarvan geldt er een bepaald percentage aan draagkracht.

Lid 4

In afwijking van de vermogensbepaling voor de algemene bijstand worden alleen de banksaldo’s boven het vrij te laten bedrag als bedoeld in artikel 34 van de Wet werk en bijstand als vermogen gezien.

Artikel 6 Overgangsrecht

Het rechtszekerheidsbeginsel verlangt dat besluiten niet met terugwerkende kracht mogen worden gewijzigd ten nadele van burgers. Daarom zijn in het tweede lid een aantal uitzonderingen opgenomen voor ouders die reeds een aanspraak hebben.

Artikel 7 Inwerkingtreding

De beleidsregels werken terug tot 1 januari 2013 omdat de wetswijziging eveneens per die datum in werking is getreden.

Artikel 8 Citeertitel

Dit artikel spreekt voor zich.