Verordening van Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland houdende regels omtrent vaststelling van de algemene subsidieverordening (Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013)

Geldend van 11-07-2020 t/m heden

Intitulé

Verordening van Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland houdende regels omtrent vaststelling van de algemene subsidieverordening (Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013)

Provinciale Staten van Zuid-Holland,

Gelet op:

de artikelen 143 en 145 van de Provinciewet en 4:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluiten:

Vast te stellen de "Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013"

Paragraaf 1 Algemene procedureregels

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. accountant: accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • c. boekjaarsubsidie: subsidie die voor één of meer boekjaren wordt verstrekt voor activiteiten die behoren tot de structurele activiteiten die de subsidieontvanger gewoonlijk in het kader van zijn alledaagse bedrijfsvoering ontplooit;

  • d. incidentele subsidie: subsidie als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht;

  • e. prestatie: direct resultaat van een activiteit;

  • f. projectsubsidie: subsidie voor een activiteit of een samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in de tijd en zijn gericht op een specifiek eindresultaat;

  • g. subsidieverstrekking: het gehele subsidieproces waaronder in ieder geval het besluiten tot verlenen, vaststellen, wijzigen, intrekken als ook bevoorschotten, lager vaststellen en terugvorderen.

Artikel 2. Toepassingsbereik

1. Deze verordening is van toepassing op het verstrekken van subsidies waarvoor niet bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen.

2. Deze verordening en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing op financiële middelen die uitsluitend worden verstrekt aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld.

3. Indien Gedeputeerde Staten bij of krachtens wettelijk voorschrift bevoegd zijn financiële middelen te verstrekken aan uitsluitend rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld kunnen zij bepalen dat het tweede lid niet van toepassing is.

Artikel 3. Bevoegdheid

1. Gedeputeerde Staten kunnen boekjaar- en projectsubsidies verstrekken.

2. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd regels vast te stellen voor de verstrekking van subsidies als bedoeld in het eerste lid voor activiteiten die passen binnen de programma's die zijn opgenomen in de begroting.

3. Gedeputeerde Staten verstrekken subsidies als bedoeld in het eerste lid slechts met inachtneming van de regels als bedoeld in het tweede lid.

4. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten nemen betreffende verstrekking van begrotingssubsidies.

5. Voor activiteiten die passen binnen de programma’s van de desbetreffende begroting kunnen Gedeputeerde Staten naast de subsidies als bedoeld in het eerste lid subsidies verstrekken:

  • a. in incidentele gevallen als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht tot een maximum van € 50.000,00; incidentele subsidies van meer dan € 50.000,00 kunnen Gedeputeerde Staten uitsluitend verstrekken indien Provinciale Staten in een afzonderlijk besluit gelden voor de desbetreffende specifieke activiteit beschikbaar hebben gesteld of hebben ingestemd met het daartoe strekkende ontwerpsubsidiebesluit;

  • b. in afwachting van de totstandkoming van een wettelijk voorschrift gedurende ten hoogste één jaar;

  • c. voor zover die rechtstreeks op grond van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Europese Commissie vastgesteld programma kunnen worden verstrekt.

     

6. Gedeputeerde Staten kunnen bij het vaststellen van de regels bedoeld in het tweede lid afwijken van deze verordening:

  • a. indien de regels alleen betrekking hebben op activiteiten waarvoor ook door andere bestuursorganen subsidie wordt verstrekt;

  • b. voorzover dit voor subsidieverstrekking op grond van deze regels noodzakelijk is gelet op:

    • 1˚. een wet of een daarop gebaseerde regeling;

    • 2˚. Europeesrechtelijke bepalingen ter voorkoming van met de interne markt onverenigbare staatssteun; of

    • 3˚. bepalingen inzake Europese cofinanciering.

Artikel 4. Specifieke gelden

1. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om van rijkswege aan de provincie ter beschikking gestelde gelden voor specifiek aangewezen activiteiten, als subsidie voor deze te verstrekken.

2. Gedeputeerde Staten kunnen bij de verstrekking van subsidies als bedoeld in het eerste lid afwijken van bepalingen in deze verordening.

Artikel 5. Instellen subsidieplafonds

1. Provinciale Staten stellen subsidieplafonds vast voor de regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid.

2. Gedeputeerde Staten kunnen een door Provinciale Staten vastgesteld plafond als bedoeld in het eerste lid, onderverdelen in deelplafonds voor afzonderlijke onderdelen van de regels waarvoor dat plafond is vastgesteld. Indien Gedeputeerde Staten deelplafonds vaststellen, doen zij daarvan mededeling aan Provinciale Staten.

3. Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieplafond verhogen met een niet benut deel van het desbetreffende subsidieplafond voor de daaraan voorafgaande indieningstermijn of met extra gelden die het Rijk naast de geraamde middelen beschikbaar heeft gesteld voorzover dat onbenutte deel, respectievelijk die extra gelden betrekking heeft, respectievelijk hebben op het jaar waarvoor het subsidieplafond geldt.

4. Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieplafond voor boekjaarsubsidies verhogen voorzover Provinciale Staten bij de vaststelling van de begroting meer middelen beschikbaar stellen dan is geraamd bij de vaststelling van de Kadernota en het subsidieplafond.

Artikel 6. Inzicht subsidieverlening

Gedeputeerde Staten geven Provinciale Staten minimaal één keer per jaar inzicht in alle verstrekte subsidies.

Artikel 7. Doeltreffendheid

1. In afwijking van artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht wordt ten minste eenmaal in de vier jaren voor het einde van het jaar voorafgaande aan de verkiezingen voor Provinciale Staten een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies die zijn verstrekt als begrotingssubsidie of op grond van regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid.

2. Voorafgaande aan de publicatie leggen Gedeputeerde Staten het in het eerste lid bedoelde verslag voor aan Provinciale Staten.

3. Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid leggen Gedeputeerde Staten twee jaar na de verkiezingen voor Provinciale Staten een tussentijds verslag op hoofdlijnen over de doeltreffendheid en de effecten van de verstrekte subsidies voor aan Provinciale Staten.

Artikel 8. Misbruik en oneigenlijk gebruik

1. Gedeputeerde Staten voeren ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies bij de totstandkoming van regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid, een risicoanalyse uit die schriftelijk wordt vastgelegd.

2. Gedeputeerde Staten voeren ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik een actief en consistent handhavingsbeleid.

3. Gedeputeerde Staten houden een registratie bij van misbruik en oneigenlijk gebruik bij subsidieverstrekking door de subsidieontvanger, waarin in ieder geval wordt geregistreerd: een beschrijving van het geconstateerde misbruik of oneigenlijk gebruik bij de subsidieverstrekking en de reden van registratie.

4. Gedeputeerde Staten houden een periodieke evaluatie van de risicoanalyse bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 2 Indieningsvereisten

Artikel 9. Aanvraagformulier

1. Een aanvraag om subsidie waarvoor Gedeputeerde Staten een aanvraagformulier hebben vastgesteld, wordt ingediend met gebruikmaking van dat formulier.

2. De aanvraag gaat overeenkomstig in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden.

Artikel 10. Indieningsvereisten 

1. Indien geen aanvraagformulier als bedoeld in artikel 9, eerste lid is vastgesteld, worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

  • a. een activiteitenplan als bedoeld in artikel 4:62 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • b. een begroting van de aan de activiteiten verbonden inkomsten en uitgaven van de aanvrager, voorzien van een toelichting;

  • c. indien de aanvrager een privaatrechtelijk rechtspersoon is, haar actuele statuten, tenzij die al bij het provinciebestuur bekend zijn.

2. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c af te wijken.

3. Gedeputeerde Staten kunnen voorschrijven dat de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt overgelegd, dan wel de balans en de staat van baten en lasten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag.

4. Gedeputeerde Staten kunnen voorschrijven dat een schriftelijke verklaring wordt overgelegd van een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omtrent de getrouwheid van de in het derde lid bedoelde bescheiden dan wel een mededeling dat van onjuistheden niet is gebleken.

5. Indien een aanvrager voor dezelfde activiteit eveneens subsidie heeft aangevraagd of zal aanvragen bij Gedeputeerde Staten of bij een ander bestuursorgaan, vermeldt hij dit bij de aanvraag alsmede de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag.

 

Paragraaf 3 Weigeringsgronden

Artikel 11. Algemene weigeringsgronden

1. In aanvulling op de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht weigeren Gedeputeerde Staten een subsidie voor zover:

  • a. de te subsidiëren activiteit reeds in uitvoering is voordat de aanvraag is ingediend;

  • b. de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op het opstellen van een subsidieaanvraag;

  • c. de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op de kosten in verband met het opstellen van een verklaring van een accountant;

  • d. de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op de oprichting van een rechtspersoon;

  • e. de activiteit niet voldoet aan de eisen die zijn vermeld in deze verordening of de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid;

  • f. op de begroting voor het doel waarvoor de subsidie wordt aangevraagd geen bedragen beschikbaar zijn;

  • g. de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde;

  • h. de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt;

  • i. ten aanzien van de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerderbesluit van de Europese Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard;.

    j. de activiteit niet is gericht op de provincie Zuid-Holland, niet ten goede komt aan ingezetenen van de provincie of niet op andere wijze het belang van de provincie dient.

     

2. Gedeputeerde Staten kunnen in regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid, afwijken van het eerste lid, de onderdelen a tot en met d.

3. Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van onderdeel a van het eerste lid indien de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd van bijzonder belang is voor het bereiken van de provinciale doelstelling op het terrein waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 12. Weigering van projectsubsidies

1. In aanvulling op artikel 11 eerste lid weigeren Gedeputeerde Staten een projectsubsidie voor zover:

  • a. de aanvraag betrekking heeft op de instandhoudingskosten van de aanvrager;

  • b. de aanvraag betrekking heeft op de inrichtingskosten van de aanvrager;

  • c. de aanvraag betrekking heeft op een structurele activiteit, met uitzondering van structurele activiteiten die in een opbouwfase verkeren.

2. Gedeputeerde Staten kunnen in regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid afwijken van het eerste lid.

Artikel 13. Weigering van incidentele subsidies

In aanvulling op artikel 11 eerste lid weigeren Gedeputeerde Staten een incidentele subsidie voor zover:

  • a. de aanvraag betrekking heeft op de reguliere activiteiten van de aanvrager;

  • b. de aanvraag betrekking heeft op de instandhoudingskosten van de aanvrager;

  • c. de aanvraag betrekking heeft op de inrichtingskosten van de aanvrager;

  • d. het een jaarlijks terugkerende activiteit betreft, of

  • e. de activiteit niet past in het op het desbetreffende beleidsterrein gevoerde provinciale beleid of de activiteit in dat provinciale beleid onvoldoende prioriteit heeft.

     

Artikel 14. Bibob

Vervallen.

Artikel 15. Schakelbepaling

Indien alleen een subsidievaststellingsbeschikking wordt gegeven, is artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 4 Niet subsidiabele kosten

Artikel 16. Niet subsidiabele kosten

Er wordt geen subsidie verstrekt voor:

a. kosten die niet in redelijke verhouding staan tot de gestelde doelen of redelijkerwijs te verwachten prestaties van de activiteit;

b. omzetbelasting/BTW, voor zover deze verrekenbaar of compensabel is;

c. kosten van boetes en sancties alsmede gemeentelijke leges bij aanvragen van gemeenten.

Paragraaf 5 Verlening

Artikel 17. Subsidieverlening

1. Voorafgaande aan een subsidievaststelling wordt een subsidie-verleningsbeschikking gegeven.

2. Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat een subsidie wordt vastgesteld zonder dat hieraan voorafgaand een subsidieverleningsbeschikking is gegeven.

3. Subsidies tot € 25.000,00 worden vastgesteld zonder dat hieraan voorafgaand een subsidieverleningsbeschikking is gegeven of worden, indien wel een subsidieverleningsbeschikking is gegeven, ambtshalve vastgesteld.

4. Het verstrekken van subsidies van € 25.000,00 tot € 125.000,00 vindt plaats in de vorm van een vast bedrag of een vast bedrag voor een nog te verrichten prestatie-eenheid, dat in regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt vastgelegd of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

5. Indien bij een subsidieverstrekking tussen € 25.000,00 en € 125.000,00 de baten en lasten ter zake van de te verrichten activiteiten in verband met de aard van die activiteiten zodanig ongewis zijn dat een realistische begroting niet vereist kan worden, kunnen Gedeputeerde Staten in de subsidieverleningsbeschikking bepalen dat de subsidieontvanger op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten aantoont dat de activiteiten zijn verricht.

Paragraaf 6 Verplichtingen

Artikel 18. Algemene verplichtingen

1. De subsidieontvanger voert de activiteit uit overeenkomstig de aanvraag of het activiteitenplan.

2. De subsidieontvanger deelt Gedeputeerde Staten onverwijld schriftelijk mee dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid deelt de subsidieontvanger onverwijld schriftelijk mee dat met subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na de subsidievaststelling worden vervreemd of anderszins aan derden ter beschikking worden gesteld.

4. In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd is.

5. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding bedoeld in het vierde lid, worden de activa gewaardeerd op hun actuele waarde in het economisch verkeer. De waarde van een onroerende zaak geschiedt op basis van de waarde die hieraan is toegekend op grond van de Wet waardering onroerende zaken.

6. Gedeputeerde Staten verzoeken een subsidieontvanger in publicitaire uitingen te vermelden dat de gesubsidieerde activiteit mede mogelijk is gemaakt met steun van de provincie Zuid-Holland.

7. Aan de subsidieontvanger kunnen andere verplichtingen worden opgelegd die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie voor zover dit noodzakelijk is gelet op Europeesrechtelijke bepalingen ter voorkoming van met de interne marktonverenigbare staatssteun of bepalingen inzake Europese cofinanciering.

Artikel 19. Medewerking controle

De subsidieontvanger verleent medewerking aan, door of vanwege Gedeputeerde Staten gevorderde controle van de administratie of een ander onderzoek naar gegevens die in het kader van de subsidie-verstrekking van belang kunnen worden geacht. Hij verleent daartoe inzage in zijn administratie en verstrekt de inlichtingen die voor de beoordeling van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de besteding van de subsidie, dan wel anderszins van belang kunnen zijn.

 Artikel 20. Tussentijds voortgangsverslag

1. Indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet meer dan 12 maanden bedraagt, vragen Gedeputeerde Staten geen tussentijds voortgangsverslag.

2. Indien de subsidie € 25.000,00 of meer bedraagt en de periode van uitvoering van activiteiten meer dan 12 maanden bedraagt, kunnen Gedeputeerde Staten ten hoogste één keer per periode van 12 maanden een tussentijds voortgangsverslag vragen.

3. Gedeputeerde Staten kunnen wanneer daartoe aanleiding bestaat in afwijking van het tweede lid aan de subsidieontvanger bij de subsidieverleningsbeschikking een verplichting opleggen om meer dan een keer per jaar een tussentijds voortgangsverslag te overleggen.

Artikel 21. Administratieve verplichtingen

1. Bij het verstrekken van een subsidie lager dan € 125.000,00 wordt aan de subsidie geen verplichting voor de subsidieontvanger verbonden tot:

  • a. het bijhouden of het overleggen van een administratie van aan de activiteiten verbonden baten en lasten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht;

  • b. het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden baten en lasten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onderdeel f, van de Algemene wet bestuursrecht; en

  • c. het overleggen van een door een accountant opgesteld stuk.

2. Onderdeel a van het eerste lid is niet van toepassing indien op grond van artikel 17, vijfde lid, een verklaring inzake werkelijke baten en lasten wordt gevraagd.

Paragraaf 7 Bevoorschotting en betaling

Artikel 22. Voorschotten en betaling

1. Gedeputeerde Staten kunnen gelijktijdig met de subsidieverleningsbeschikking ambtshalve voorschotten verstrekken.

2. Een voorschot wordt uitgekeerd in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen in regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid, of de subsidieverleningsbeschikking worden bepaald.

3. Onverminderd het tweede lid wordt een voorschot voor meerjarige subsidies uitgekeerd op basis van de liquiditeitsbehoefte voor het uitvoeren van de activiteiten.

4. In afwijking van het eerste lid verstrekken Gedeputeerde Staten geen voorschot indien de subsidiebeschikking op grond van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is aangemeld bij de Europese Commissie en de in dat artikel bedoelde procedure nog niet tot een eindbeslissing heeft geleid.

Paragraaf 8 Vaststelling en Verantwoording

Artikel 23. Aanvraag subsidievaststelling

1. Een aanvraag tot subsidievaststelling gaat in ieder geval vergezeld van een activiteitenverslag als bedoeld in artikel 4:80 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Met het activiteitenverslag toont de subsidieontvanger aan dat aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

3. Indien de subsidieverleningsbeschikking € 125.000,00 of meer bedraagt, gaat de aanvraag tot subsidievaststelling naast het activiteitenverslag vergezeld van:

  • a. een financieel verslag alsmede een door een accountant afgegeven verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid van dat verslag of

  • b. een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek mits de gesubsidieerde activiteiten daarin zijn verantwoord en die jaarrekening vergezeld gaat van een door een accountant afgegeven verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid.

4. Indien een subsidieontvanger in één kalenderjaar aanvragen moet indienen voor de vaststelling van meerdere projectsubsidies waarbij voor elk afzonderlijk minimaal € 125.000,00 subsidie is verleend, kan de subsidieontvanger in de plaats van afzonderlijke financiële verslagen en in afwijking van het bepaalde in het derde lid volstaan met het overleggen van:

  • a. één op alle gesubsidieerde activiteiten betrekking hebbend financieel verslag dat is voorzien van een door een accountant afgegeven verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid of

  • b. de jaarrekening waarin alle afzonderlijke activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt afzonderlijk zijn verantwoord en die jaarrekening vergezeld gaat van een door een accountant afgegeven verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid.

5. Gedeputeerde Staten kunnen in regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid, of bij de subsidieverlening afwijken van het eerste, derde en vierde lid.

6. Een door een accountant af te geven verklaring omtrent getrouwheid en rechtmatigheid wordt opgesteld met inachtneming van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld controleprotocol.

Artikel 24. Baten en lasten

1. De vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, vindt plaats op basis van een verklaring inzake werkelijke baten en lasten.

2. In de verklaring bedoeld in het eerste lid geeft de subsidieontvanger aan:

  • a. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting;

  • b. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;

  • c. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele lasten is;

  • d. wat het totale bedrag van de gerealiseerde baten, inclusief bijdragen van derden, is; en

  • e. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is.

Artikel 25. Ambtshalve vaststellen

Gedeputeerde Staten kunnen, indien bij de subsidieverlening niets anders is bepaald en onverminderd het bepaalde in artikel 17, derde lid, de subsidie ambtshalve vaststellen.

Paragraaf 9 Termijnen

Artikel 26. Aanvraag subsidieverlening

1. Een aanvraag tot subsidieverlening kan het hele jaar worden ingediend, tenzij Gedeputeerde Staten hiervoor in regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid, een termijn hebben opgenomen.

2. In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag voor een boekjaarsubsidie voor 1 oktober voorafgaand aan het boekjaar ingediend.

3. Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag voor een boekjaarsubsidie die na 1 oktober voorafgaand aan het boekjaar is ingediend in behandeling nemen, indien de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd van bijzonder belang is voor het bereiken van de provinciale doelstelling op het terrein waarop de aanvraag betrekking heeft.

4. Aanvragen als bedoeld in het derde lid worden in behandeling genomen nadat een besluit is genomen omtrent de tijdig ingediende aanvragen, tenzij het subsidieplafond ruimte biedt om alle ingediende aanvragen te honoreren.

Artikel 27. Ontvangstbevestiging

Gedeputeerde Staten bevestigen schriftelijk binnen twee weken na binnenkomst de ontvangst van een aanvraag tot subsidieverlening of -vaststelling.

Artikel 28. Beslissen aanvraag

1. Gedeputeerde Staten beslissen binnen de bij regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid, bepaalde termijn, of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen 13 weken na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een aanvraag tot subsidieverlening.

2. De in het eerste lid bedoelde termijn van 13 weken bedraagt 22 weken indien:

  • a. sprake is van een aanvraag voor een incidentele subsidie, waarvoor een besluit van Provinciale Staten als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, onderdeel a, nodig is;

  • b. sprake is van cofinanciering in het kader van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Europese Commissie goedgekeurd programma;

  • c. over de aanvraag extern advies wordt ingewonnen;

  • d. een nader onderzoek is ingesteld.

3. De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt 40 weken indien de verlening mede afhankelijk is van het oordeel van een internationale beoordelingscommissie of van internationale peerreviews.

4. Voor aanvragen die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie worden aangemeld bij de Europese Commissie begint de termijn van 13 weken op de dag dat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

5. Voor aanvragen voor een begrotingssubsidie begint, in afwijking van het eerste lid, de termijn van 13 weken te lopen op de dag na die waarop Provinciale Staten een besluit hebben genomen over de begroting.

Artikel 29. Subsidievaststelling

1. De subsidieontvanger van een projectsubsidie of een incidentele subsidie, die een subsidieverleningsbeschikking heeft ontvangen dient binnen 26 weken na de datum waarop de activiteit op grond van de subsidieverleningsbeschikking moet zijn uitgevoerd of, indien dat eerder is, 26 weken na de uitvoering van de activiteit een aanvraag tot subsidievaststelling in bij Gedeputeerde Staten.

2. De subsidieontvanger van een boekjaarsubsidie die een subsidieverleningsbeschikking heeft ontvangen, dient binnen 26 weken na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij Gedeputeerde Staten bij de subsidieverlening hebben bepaald dat de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld.

3. Gedeputeerde Staten beslissen binnen 22 weken na ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, mits deze aan alle vereisten voldoet.

4. Het subsidiebedrag wordt binnen 30 dagen na de subsidievaststelling betaald.

Artikel 30. Ambtshalve vaststellen

Subsidies die ambtshalve worden vastgesteld, stellen Gedeputeerde Staten vast binnen 22 weken na voltooiing van de activiteit.

Paragraaf 10 Intrekken en wijzigen

Artikel 31. Intrekken en wijzigen

Vervallen.

Paragraaf 11 Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen

Artikel 32. Schakelbepaling

1. Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op boekjaarsubsidies vanaf € 125.000,00.

2. In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten in regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid of bij de subsidieverleningsbeschikking bepalen dat de toepassing van afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk achterwege blijft.

Artikel 33. Verstrekken boekjaarsubsidie

1. Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie verstrekken voor een periode van maximaal vier achtereenvolgende boekjaren.

2. Deze periode eindigt in ieder geval op 31 december van het eerste kalenderjaar na het jaar waarin de verkiezingen voor Provinciale Staten hebben plaatsgehad.

3. In bijzondere gevallen kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid een subsidie verstrekken voor meer dan vier achtereenvolgende boekjaren.

4. Gedeputeerde Staten vermelden in een subsidieverleningsbeschikking voor meer dan één boekjaar het totale maximale subsidiebedrag en de verdeling daarvan over de verschillende boekjaren.

Artikel 34. Aanvraag boekjaarsubsidie

1. Voor de toepassing van deze verordening wordt een werkplan van de subsidieaanvrager gelijkgesteld met het activiteitenplan als bedoeld in artikel 4:61 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Naast de in artikel 4:62 van de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven overzichten bevat het activiteitenplan in ieder geval:

  • a. een beschrijving van de beleidsdoelstellingen van de subsidieaanvrager in relatie tot het provinciale beleid waarbinnen de te subsidiëren activiteit wordt uitgevoerd; en

  • b. een beschrijving van de wijze waarop de scheiding tussen de uitvoering van beleid en de controle daarop is georganiseerd.

3. Bij toepassing van artikel 10 gaat een aanvraag vergezeld van een meerjarenplan en een financiële vertaling daarvan.

4. In aanvulling op het derde lid kunnen Gedeputeerde Staten een aanvrager verzoeken een integrale kostprijsberekening te overleggen. De integrale kostprijs bevat alle kosten voor personeel, huisvesting en voorzieningen, gedeeld door het voor de activiteit in te zetten aantal arbeidsuren.

Artikel 35. Loon- en prijscompensatie

Indien Provinciale Staten gelden voor loon- en prijscompensatie beschikbaar hebben gesteld kunnen Gedeputeerde Staten het bedrag van de verleende subsidie dienovereenkomstig verhogen.

Artikel 36. Reservevorming

1. Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieontvanger bij de subsidieverstrekking toestaan een reserve te vormen met een deel van het verstrekte subsidiebedrag voor dat boekjaar voor een specifiek doel.

2. De toevoeging aan de reserve bedoeld in het eerste lid bedraagt jaarlijks niet meer dan 10% van het voor dat boekjaar verstrekte bedrag.

3. Voor zover gevormd met provinciale middelen bedraagt de totale omvang van een reserve voor een specifiek doel nooit meer dan 25% van de laatst verstrekte boekjaarsubsidie.

4. Indien de totale reserve van een subsidieontvanger verminderd met de specifieke reserve die gevormd is met toepassing van het eerste lid, meer bedraagt dan de omvang van de uitgaven zoals vermeld in de laatst opgemaakte jaarrekening en voor zover deze uitgaven betrekking hebben op de door de provincie gesubsidieerde activiteiten, wordt het meerdere in mindering gebracht op het vast te stellen subsidiebedrag.

5. Gedeputeerde Staten kunnen in regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid, afwijken van het bepaalde in het vierde lid. 

Paragraaf 12 Slotbepalingen

Artikel 37. Verrekening

Gedeputeerde Staten kunnen een terug te vorderen subsidiebedrag verrekenen met een aan dezelfde subsidieontvanger verstrekte subsidie.

Artikel 38. Afwijkingsbevoegdheid

Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van deze verordening en de regels bedoeld in artikel 3, tweede lid:

  • a. indien subsidie wordt verstrekt voor activiteiten waarvoor ook door andere bestuursorganen subsidie wordt verstrekt;

  • b. indien subsidie wordt verstrekt aan een consessiehouder als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000 of een vervoerder als bedoeld in het Besluit personervervoer 2000;

    c. indien subsidie wordt verstrekt in de vorm van een lening of garantstelling;.

    d. voorzover dit voor subsidieverstrekking noodzakelijk is gelet op:

    • 1˚. een wet of een daarop gebaseerde regeling;

    • 2˚. Europeesrechtelijke bepalingen ter voorkoming van met de interne markt onverenigbare staatssteun; of

    • 3˚. bepalingen inzake Europese cofinanciering.

Artikel 38a. Afwijkingsbevoegdheid in verband met COVID-19
  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van deze verordening en de regels bedoeld in artikel 3, tweede lid, indien de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel kunnen worden uitgevoerd als gevolg van de uitbraak van COVID-19 of als gevolg van de maatregelen in het kader van deze uitbraak.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen de afwijkingsbevoegdheid bedoeld in het eerste lid uitsluitend toepassen voor:

    • a.

      het vergoeden van gemaakte kosten voor subsidiabele activiteiten in het geval de prestatie niet of niet geheel kan worden geleverd, voor zover de activiteit of prestatie niet kan worden uitgesteld;

    • b.

      bepalingen over uitvoerings- en realisatietermijnen;

    • c.

      bepalingen over bevoorschotting, indien inzichtelijk kan worden gemaakt dat de activiteit waarvoor subsidie wordt verstrekt doorgang kan vinden;

    • d.

      bepalingen over minimale subsidiehoogte;

    • e.

      bepalingen over verantwoordingsvereisten voor subsidies verstrekt op grond van artikel 17, derde of vierde lid.

  • 3. Onverminderd het tweede lid wordt de afwijkingsbevoegdheid bedoeld in het eerste lid in ieder geval niet toegepast voor het afwijken van bepalingen over de absolute maximale subsidiehoogte en aanvraagtermijnen.

  • 4. Om voor vergoeding van de gemaakte kosten voor subsidiabele activiteiten zoals bedoeld in lid 2, onderdeel a, in aanmerking te komen maakt de subsidieontvanger aannemelijk:

    • a.

      dat de activiteiten niet kunnen worden uitgevoerd of de prestatie niet kan worden gerealiseerd als gevolg van de uitbraak van COVID-19 of maatregelen ter bestrijding van COVID-19;

    • b.

      dat de activiteit niet op een later tijdstip kan worden uitgevoerd;

    • c.

      welke kosten gemaakt zijn voor de uitgevoerde activiteiten en overlegt hiervan een financieel verslag.

Artikel 39. Hardheidsclausule

1. Gedeputeerde Staten kunnen de bepalingen bij of krachtens deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige subsidieverstrekking, naar hun oordeel tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden.

2. Het bepaalde in het eerste lid wordt toegepast binnen de doelstelling van deze verordening en de daarop gebaseerde regelgeving.

Artikel 40. Toezichthouders

1. Met het toezicht op de naleving van deze verordening en regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid, zijn belast de bij besluit van Gedeputeerde Staten aangewezen ambtenaren.

2. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Provinciaal Blad.

Artikel 41. Intrekking en overgangsrecht

De Algemene subsidieverordening Zuid-Holland wordt ingetrokken, met dien verstande dat de daarin neergelegde bepalingen van kracht blijven ten aanzien van subsidieaanvragen die voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend en subsidieaanvragen op grond van de Subsidieverordening externe veiligheid 2011-2014 Zuid-Holland.

Artikel 42. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2013.

Artikel 43. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013.

Ondertekening

Den Haag, 12 december 2012
Provinciale Staten van Zuid-Holland,  
J. FRANSSEN, voorzitter
H. ENGELS-VAN NIJEN, griffier 
 

Toelichting

ALGEMEEN

Hoofdstuk 1. Aanleiding nieuw subsidiesystematiek

In 2009 is in het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten het Kader financieel beheer rijkssubsidies vastgesteld en zijn per 1 januari 2010 bijbehorende Aanwijzingen voor subsidieverstrekking in werking getreden. Het is een rijksbreed bindend kader dat de uitvoering en verantwoording van rijkssubsidies vereenvoudigt en uniformeert. Dit Rijksbreed subsidiekader (RSK) beoogt vermindering van de regeldruk en de uitvoerings- en controlelasten bij subsidies. De landelijke trend is dat medeoverheden, zoals provincies en gemeenten, zich aansluiten bij dit Rijksbreed subsidiekader en de systematiek overnemen. Het ontwikkelde subsidiekader uniformeert en vereenvoudigt de regels voor de verantwoording en het financieel beheer van subsidies.

Hoofdstuk 2. De wettelijke basis van de verordening

In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in Hoofdstuk 4, titel 4.2 een wettelijke regeling opgenomen voor het verstrekken van subsidies door bestuursorganen. Belangrijk uitgangspunt van deze regeling is dat een bestuursorgaan slechts subsidie verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift. De Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013 (Asv) beoogt deze wettelijke grondslag te geven voor subsidies waarvoor niet elders een wettelijke grondslag aanwezig is.

2.1 Wanneer is de Asv van toepassing

De Asv is een kaderverordening. De verordening beschrijft welke subsidievormen worden onderscheiden en bevat verder delegatie- en bevoegdheidsbepalingen. Daarnaast geeft de Asv algemene procedureregels voor subsidieverstrekking. De Asv geeft Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om de inhoudelijke en beleidsmatige aspecten van het subsidiebeleid nader uit te werken in subsidieregelingen. In een subsidieregeling kunnen Gedeputeerde Staten nadere regels stellen ten aanzien van bijvoorbeeld de te subsidiëren activiteit, de subsidievereisten en de subsidieverplichtingen voor de subsidieontvanger.

2.2 Relatie tot andere wetgeving

Zoals aangegeven is op het verstrekken van subsidies de Awb van toepassing. De subsidietitel van de Awb geeft een chronologische en betrekkelijk gedetailleerde regeling van het subsidieverstrekkingproces vanaf de aanvraag tot en met de vaststelling. Om een volledig beeld te krijgen van alle regels die op provinciale subsidies betrekking hebben, is het daarom onvoldoende alleen de Asv te lezen. De subsidieontvanger dient tevens de Awb en de toepasselijke op de Asv gebaseerde subsidieregelingen in acht te nemen. Daarnaast kunnen ook beleidsregels van toepassing zijn.

Hoofdstuk 3. Rijksbreed subsidiekader

Het Rijksbreed subsidiekader is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

3.1.1. Proportionaliteit

Dit betekent dat er een redelijke verhouding is tussen het subsidiebedrag en de lasten die met de subsidie gemoeid gaan. In het RSK wordt aan dit uitgangspunt invulling gegeven door te werken met drie subsidiearrangementen. De arrangementen onderscheiden zich van elkaar door de voorwaarden en verplichtingen die worden gesteld aan de uitvoering en verantwoording van de subsidie. De arrangementen zijn ingedeeld op basis van de hoogte van het subsidiebedrag. Hoe lager het subsidiebedrag hoe minder verantwoordingseisen er worden gesteld en hoe eenvoudiger de uitvoering is.

Het gaat om de volgende in de tabel opgenomen arrangementen:

Hoogte subsidiebedrag

Arrangement

Tot € 25.000,-

Direct of ambtshalve (zonder nadere aanvraag tot vaststelling) vaststellen, desgevraagd verantwoording over de prestatie.

Vanaf € 25.000,- tot € 125.000,-

Verantwoording over de prestatie.

Vanaf € 125.000,-

Verantwoording over kosten en prestaties met verplichte controleverklaring door een onafhankelijk accountant.

De arrangementen zijn niet statisch. Het is mogelijk om bij de subsidieverlening in een concrete situatie een soepeler arrangement van toepassing te verklaren.

3.1.2. Sturen op prestaties en hoofdlijnen

Het RSK gaat, vooral voor de kleinere subsidies, uit van het subsidiëren van de prestatie in plaats van werkelijke kosten. Prestatie subsidiering houdt in dat er een vast bedrag wordt gesubsidieerd ten behoeve van een vooraf overeengekomen activiteit of prestatie. Bij subsidies gebaseerd op een verantwoording van de kosten, wordt vaak zekerheid gezocht in de administratieve verplichtingen zoals het overleggen van facturen en urenadministratie. Hiermee gaan hoge administratieve en bestuurlijke lasten gepaard. Door het vaststellen op basis van de prestaties en het vervallen van de financiële verantwoording bij kleine subsidies, worden de lasten verminderd.

3.1.3. Uniformering en vereenvoudiging van het subsidieproces

In het RSK zijn processtappen, begrippen en verplichtingen die bij iedere subsidie terugkeren, vereenvoudigd en geüniformeerd. Het gaat daarbij om gestandaardiseerde termijnen voor de subsidieaanvrager en subsidieverstrekker. Daarnaast worden de informatieverplichtingen voor de subsidieontvangers verminderd, doordat bijvoorbeeld de tussentijdse rapportages voor kortlopende subsidies vervallen.

3.1.4. Verantwoord vertrouwen en risicoacceptatie

Het RSK gaat uit van werken vanuit vertrouwen in plaats van wantrouwen. Hieraan wordt invulling gegeven door niet alle subsidieontvangers te belasten met verantwoordingen, rapportages en controles. De aandacht verschuift naar risicogroepen en naar de uitzondering. Er komt ook meer verantwoordelijkheid bij de subsidieontvanger te liggen. De subsidieontvanger moet zelf melden wanneer de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet meer kunnen worden uitgevoerd of niet wordt voldaan aan de gestelde verplichtingen. De provincie kan hierop handelen en nieuwe verplichtingen opleggen, de subsidieverlening intrekken of de bevoorschotting opschorten. Werken vanuit vertrouwen betekent het accepteren van een zeker risico. Om dat verantwoord te kunnen doen moet provinciaal beleid worden ontwikkeld waar risicomanagement, strikte handhaving en registratie van misbruik onderdeel van uit maken. Risicomanagement houdt in dat mogelijke risico’s voorafgaand aan het verlenen van subsidies in kaart worden gebracht, goed worden afgewogen en hierop wordt geanticipeerd, door bijvoorbeeld een extra meldingsverplichting op te nemen.

3.2. Verschillen met de voorgaande Asv

Zoals in voorgaande paragrafen reeds is beschreven gaat het RSK-subsidiekader uit van proportionaliteit tussen het subsidiebedrag en de lasten. Dit heeft geleid tot het invoeren van drie standaard uitvoerings- en verantwoordingsarrangementen waarvan de toepassing wordt bepaald door de hoogte van het subsidiebedrag. Andere noemenswaardige wijzigingen die hebben plaatsgevonden, komen hieronder kort aan de orde.

De opbouw van de verordening is aangepast en volgt het proces van subsidieverstrekking in plaats van de verschillende soorten subsidies die kunnen worden onderscheiden. Er is voor deze opbouw gekozen om de inzichtelijkheid en leesbaarheid van de regeling te vergroten.

Provinciale Staten kunnen nu op elk moment subsidieplafonds vaststellen, waarbij het nog steeds de voorkeur heeft om dit te doen vooruitlopend op de vaststelling van de begroting, bij de Kadernota of de Voorjaarsnota, of bij de vaststelling van de begroting zelf.

Begrotingssubsidies hoeven niet per se boekjaarsubsidies te zijn, maar kunnen desgewenst ook betrekking hebben op een specifieke activiteit. Het instrument van de begrotingssubsidie kan hierdoor ruimer worden ingezet en er hoeft geen subsidieregeling voor een specifiek geval te worden gemaakt.

Er zijn weigeringsgronden toegevoegd voor aanvragers die doelstellingen beogen of activiteiten ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde en voor activiteiten die de provincie of haar ingezeten niet ten goede komen.

Gedeputeerde Staten krijgen de mogelijkheid om een subsidieontvanger van een boekjaarsubsidie toe te staan om een reserve te vormen voor een specifiek doel. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om een egalisatiereserve of een reserve voor een reorganisatie. De omvang van een dergelijke reserve wordt wel gerelateerd aan de omvang van de subsidie. Ditzelfde geldt ook voor een algemene reserve die een subsidieontvanger mag aanhouden. Wordt deze te groot dan kan de subsidie lager worden vastgesteld.

Afwijken van de subsidieverordening door Gedeputeerde Staten is mogelijk indien een ander bestuursorgaan voor dezelfde activiteit ook subsidie verstrekt, bijvoorbeeld om te voorkomen dat er verschillende verantwoordingseisen aan de ontvanger worden gesteld, afwijken van de regeling is ook mogelijk voor zover dit noodzakelijk is in verband met een nationale wet, Europese co-financiering of ter voorkoming van ongeoorloofde staatsteun.

4. Hoofdlijnen subsidiesysteem

In deze verordening is aansluiting gezocht bij het systeem van de Awb. De Awb geeft een betrekkelijk gedetailleerde regeling van het proces van subsidieverstrekking. Dit proces start met een aanvraag om subsidie, waarop een subsidieverleningsbeschikking volgt. Deze beschikking geeft de subsidieontvanger aanspraak op uitbetaling van de subsidie, mits hij de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, overeenkomstig de beschikking en de daaraan verbonden verplichtingen verricht. Na afloop van de activiteiten - die eventueel worden gefinancierd uit verleende voorschotten - vraagt de subsidieontvanger een beschikking tot vaststelling van de subsidie aan. In deze aanvraag legt hij dan rekening en verantwoording af, waarbij hij aantoont dat de activiteiten overeenkomstig de subsidieverlening en de daaraan verbonden verplichtingen hebben plaatsgevonden. Het bestuursorgaan neemt vervolgens een vaststellingsbesluit en gaat tot uitbetaling over, waarbij een verrekening plaatsvindt met eventueel uitbetaalde voorschotten. Bij de vaststelling kan ook een korting worden toegepast indien de subsidieontvanger in de uitvoering van de gesubsidieerde activiteit tekort is geschoten. De Awb biedt ook ruimte om met één subsidiebeschikking te volstaan; dat is dan een vaststelling. Dit wordt toegepast bij subsidies tot € 25.000,-, tenzij deze zijn verleend, dan worden zij ambtshalve vastgesteld. Een enkele subsidievaststelling kan zowel plaatsvinden bij activiteiten die reeds plaatsgevonden hebben als bij toekomstige activiteiten. De overige regels van de subsidietitel zien toe op de andere onderdelen van het proces van subsidieverstrekking. Zij omvatten onderwerpen als het weigeren van subsidie, het intrekken, wijzigen of beëindigen van subsidie en het betalen of terugvorderen van subsidie. Tenslotte biedt de subsidietitel uit de Awb een (facultatieve) standaardregeling voor subsidiëring van rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties per boekjaar.

5. Aanbestedingsrecht en Europees recht

5.1. Subsidies en het aanbestedingsrecht

Het Europees en Nederlands aanbestedingsrecht is van toepassing op overheidsopdrachten voor het uitvoeren van werken, het leveren van producten en het verrichten van diensten. Maar ook in relatie tot subsidies kan men met het aanbestedingsrecht te maken krijgen.

Als de provincie een project subsidieert, dient onder omstandigheden de subsidieontvanger het aanbestedingsrecht in acht te nemen. Is de subsidieontvanger, tevens opdrachtgever, een overheidsorganisatie of publiekrechtelijke instelling, dan is het aanbestedingsrecht altijd van toepassing. In dat geval heeft de organisatie of instelling waarschijnlijk een eigen aanbestedingsbeleid dat bij opdrachten binnen het subsidieproject moet worden gevolgd.

Is de subsidieontvanger een private organisatie, dan is er meestal geen aanbestedingsplicht. Dit is echter anders als de private organisatie voor een project rechtstreeks meer dan 50% overheidssubsidie ontvangt en derden bepaalde bouwwerken of civieltechnische werken met daaraan verbonden diensten laat uitvoeren. Als de waarde van een dergelijke opdracht boven het van toepassing zijnde Europese drempelbedrag voor werken uitkomt, is de subsidieontvanger verplicht het Europees aanbestedingsrecht toe te passen en de opdracht Europees aan te besteden.

5.2. Subsidies en Europese staatssteunregels

De regeling omtrent staatssteun is neergelegd in de artikelen 107 tot en met 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Staatssteun omvat, kort gezegd, alle voordelen van nationale overheden die door bepaalde ondernemingen worden genoten, anders dan op grond van normale commerciële transacties. Artikel 107, eerste lid, van het VWEU omvat vijf criteria aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of in een concreet geval een subsidie of (wijziging van) een subsidieregeling als staatssteun moet worden aangemerkt:

1. de maatregel wordt door de overheid verleend of met overheidsmiddelen bekostigd;

2. de maatregel komt ten goede aan bepaalde ondernemingen of producties (selectiviteit);

3. de maatregel verschaft een voordeel dat niet langs normale weg (via de markt) zou zijn verkregen;

4. de maatregel vervalst de mededinging of dreigt deze te vervalsen;

5. de maatregel beïnvloedt het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig.

Provinciale subsidies aan ondernemingen voldoen doorgaans aan deze criteria en zijn daarom in beginsel verboden. In beginsel, want naast de uitzonderingen van artikel 107, tweede en derde lid, van het VWEU kan voor de verstrekking van dergelijke subsidies voorafgaand daaraan goedkeuring worden verkregen van de Europese Commissie. Overigens dient het begrip ‘onderneming’ in het Europees recht ruim te worden opgevat. Ingevolge de jurisprudentie van het Europese Hof is een onderneming ‘elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.’ Daarbij geldt dat het aanbieden van goederen en diensten een economische activiteit is, waarbij het niet van belang is of er feitelijk sprake is van concurrentie.

Als een aangevraagde subsidie zou leiden tot verstrekking van onrechtmatige staatssteun kan de provincie deze weigeren. Omdat de plicht tot het naleven van het Europese staatssteunrecht al rechtstreeks volgt uit het Europese recht, behoeft de bevoegdheid om de subsidie te weigeren op grond van het staatssteunrecht geen grondslag in de Asv of een subsidieregeling.

Als de provincie de betreffende subsidie desondanks wenst te verstrekken, geldt als hoofdregel dat zij de subsidie moet aanmelden bij de Europese Commissie. De Europese Commissie onderzoekt vervolgens of de subsidie verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Voor een aanmeldplichtige subsidie(regeling) geldt een standstill-beginsel. Dat wil zeggen dat de subsidie(regeling) niet mag worden uitgevoerd voordat de Commissie bij beschikking goedkeuring heeft verleend of geacht wordt goedkeuring te hebben verleend (artikel 108, derde lid, van het VWEU). Ook kan de Commissie ingevolge artikel 108, tweede lid, van het VWEU bepalen dat de betreffende subsidie(regeling) binnen een bepaalde termijn moet worden opgeheven of gewijzigd.

Op de aanmeldplicht bestaat echter een aantal uitzonderingen. Een belangrijke uitzondering betreft de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EG) nr. 2008/800, hierna: AGV). De AGV biedt de mogelijkheid om voor bepaalde categorieën van staatssteun die steun direct te verlenen, zonder eerst een aanmeldprocedure te doorlopen en een goedkeuring te hoeven afwachten. Deze verordening ziet op steunmaatregelen die reëel bijdragen aan het scheppen van banen en het versterken van het Europese concurrentievermogen.

Een tweede belangrijke uitzondering op de aanmeldplicht is de de-minimis steun. Verordening 1998/2006 (PbEU 2006, L379) bepaalt dat ‘de-minimis’-steun niet valt onder het verbod van artikel 107, eerste lid, van het VWEU. De verordening is van toepassing op gevallen waarin het bruto steunbedrag, ongeacht vorm en doel en vóór aftrek van de directe belastingen, voor een onderneming over een periode van drie jaar het plafond van € 200.000,- niet overschrijdt. De de-minimisplafonds verschillen overigens per sector. Omdat de provincie bij de verstrekking van een dergelijke subsidie zich ervan moet vergewissen dat het voor de subsidieontvanger geldende plafond over de afgelopen drie fiscale jaren niet wordt overschreden, moet de subsidieontvanger een de-minimisverklaring ondertekenen.

De Europese Commissie heeft tot slot onder meer de bevoegdheid om de provincie op te dragen een in strijd met de Europese staatssteunregels verstrekte subsidie terug te vorderen tot 10 jaar na de dag waarop de subsidie aan de subsidieontvanger is verstrekt. Nationale termijnen voor terugvordering staan hieraan niet in de weg.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit artikel wordt een aantal begrippen verduidelijkt die in de verordening worden gehanteerd.

Artikel 2. Toepassingsbereik

De Asv is van toepassing op de meeste subsidies die vanuit de provincie worden verstrekt. De verordening is ook van toepassing op de jeugdzorg en is daarom aangewezen als de verordening die Provinciale Staten op grond van de Wet op de jeugdzorg verplicht moeten vaststellen. De Asv is niet van toepassing op subsidies waarvoor door Provinciale Staten een uitputtende regeling is getroffen. Subsidieverstrekking in het kader de Wet BDU verkeer en vervoer, de Wet personenvervoer 2000 en de Tijdelijke verordening stimulering Voordelta valt gelet op het specifieke karakter hiervan niet onder de Asv.

Artikel 3. Bevoegdheid

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot het verstrekken van subsidies in de vorm van boekjaar- en projectsubsidies. De activiteiten waarvoor subsidies worden verstrekt moeten passen binnen de begrotingsprogramma’s. Gedeputeerde Staten moeten daarbij altijd de door Provinciale Staten vastgestelde provinciebegroting in acht nemen. Het tweede lid geeft Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om subsidieregels vast te stellen. Gedeputeerde Staten kunnen uitvoeringsbesluiten nemen met betrekking tot het verstrekken van begrotingssubsidies. Ten aanzien van het verstrekken van incidentele subsidies hebben Gedeputeerde Staten de bevoegdheid deze tot maximaal € 50.000,- te verstrekken onder de voorwaarden zoals in het artikel is opgenomen. Gedeputeerde Staten zijn op grond van artikel 4:81 van de Awb bevoegd beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de hierboven genoemde bevoegdheden. Het zesde lid geeft de situaties aan, wanneer Gedeputeerde Staten bij het vaststellen van de regels, zoals bepaald in het tweede lid, mogen afwijken van de bepalingen in de Asv.

Artikel 4. Specifieke gelden

In de praktijk komt het voor dat op rijksniveau gelden beschikbaar worden gesteld voor de realisering van bepaalde projecten met de bedoeling dat de provincie deze middelen bij wijze van subsidie doorgeeft aan de uitvoerder van het project. Dit artikel biedt hiervoor een grondslag zonder dat een aparte subsidieregeling moet worden vastgesteld. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van de artikelen in de Asv.

Artikel 5. Instellen subsidieplafonds

Provinciale Staten kunnen subsidieplafonds vaststellen. Het subsidieplafond is een instrument waarmee het bestuursorgaan de uitgaven op grond van een subsidieregeling binnen het in de begroting vastgelegde kader kan houden. Het is volgens artikel 4:25 van de Awb alleen mogelijk om met subsidieplafonds te werken, als de verordening daar de mogelijkheid voor biedt. Het subsidieplafond moet bekend worden gemaakt voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld. Er kan bijvoorbeeld gewerkt worden met jaarlijkse of halfjaarlijkse subsidierondes. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond moet het bestuursorgaan ook de wijze van verdeling van de beschikbare middelen aangeven. De verdelings-maatstaf/rangschikking volgt uit de subsidieregeling.

Indien specifieke uitkeringen van het rijk gedurende het jaar worden verhoogd kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieplafonds verhogen met deze extra rijksmiddelen.

Voorts kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieplafonds die worden vastgesteld eveneens verhogen voorzover Provinciale Staten bij de vaststelling van de begroting meer middelen beschikbaar stellen dan is geraamd bij de vaststelling van het subsidieplafond of met de onbenutte middelen uit de voorafgaande termijn voorzover deze op hetzelfde jaar betrekking hebben.

Artikel 6. Inzicht subsidieverlening

Gedeputeerde Staten verlenen Provinciale Staten periodiek, doch minimaal één keer per jaar, inzicht in de subsidies die zijn verleend over een aangeduid tijdvak.

Artikel 7. Doeltreffendheid

In artikel 4:24 van de Awb staat dat tenminste éénmaal per vijf jaar een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk wordt gepubliceerd. In de verordening is bepaald dat Gedeputeerde Staten het jaar voorafgaand aan de verkiezingen voor Provinciale Staten een verslag publiceren over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk. Twee jaar na de verkiezingen van Provinciale Staten stelt Gedeputeerde Staten een tussentijds verslag op. Een regelmatige evaluatie van beleid en regelgeving kan bijdragen aan de beheersing van overheidsuitgaven. En zo ook kan de formulering van heldere doelstellingen voor een subsidieregeling en het gebruik daarbij van duidelijke prestatie-indicatoren - ingegeven door het RSK - daar een bijdrage aan leveren. Als uit de evaluatie blijkt dat subsidiëring niet doelmatig is, of het doel van de subsidie is bereikt, kan het subsidiebeleid worden aangepast.

Artikel 8. Misbruik en oneigenlijk gebruik

In dit artikel wordt aan Gedeputeerde Staten de opdracht gegeven misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies tegen te gaan. Gedeputeerde Staten hebben de in dit artikel genoemde verplichtingen voor het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies uitgewerkt in een beleidsregel (M&O-beleid). Het M&O-beleid vormt een belangrijk onderdeel van de nieuwe subsidiesystematiek en ziet op een sluitend systeem van eigen verantwoordelijkheid, (steekproefsgewijze) verantwoording, risicogerichte controle en een actieve en consistente handhaving. Daarnaast maken ook de risicoanalyses vooraf, steekproefsgewijze controles, een register misbruik en oneigenlijk gebruik (zwarte lijst) en de periodieke evaluatie van alle subsidieregelingen deel uit van dit beleid.

Artikel 9. Aanvraagformulier

Subsidie wordt, indien Gedeputeerde Staten hierin hebben voorzien, verplicht aangevraagd met een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. Het aanvraagformulier bevat een overzicht van de gegevens die van de subsidieaanvrager benodigd zijn om een subsidieaanvraag goed te kunnen beoordelen. Het bestaat uit een algemeen deel met algemene gegevens, zoals naam, adres, woonplaats en een bijzonder deel. De in het bijzondere deel gevraagde gegevens zijn specifiek afgestemd op de desbetreffende subsidieregeling. Het aanvraagformulier geeft ook aan welke overige bescheiden moeten worden ingediend. Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 4:5 van de Awb besluiten een aanvraag niet te behandelen indien niet voldaan is aan een voorgeschreven vereiste. De aard en de hoeveelheid van de gevraagde gegevens moeten op basis van het proportionaliteitsbeginsel altijd in redelijke verhouding staan tot de aard en de omvang van de gevraagde subsidie. Indien de ingediende gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van een aanvraag mogen Gedeputeerde Staten op basis van artikel 4:2 van de Awb die gegevens vragen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover subsidieaanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 10. Indieningsvereisten

Voor de vereisten waaraan een subsidieaanvraag minimaal moet voldoen indien geen aanvraagformulier is vastgesteld, wordt voor een activiteitenplan verwezen naar artikel 4:62 van de Awb. Dit artikel van de Awb bepaalt dat een activiteitenplan een overzicht behelst van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen en vermeldt per activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen. Het tweede onderdeel geeft aan dat eveneens een begroting is vereist. Het derde onderdeel van het eerste lid geeft aan dat de actuele statuten moeten worden overgelegd bij privaatrechtelijke rechtspersonen, voor zover zij nog niet bekend zijn bij de provincie. Gedeputeerde Staten kunnen wel afwijken van laatstgenoemde vereiste. De overige bepalingen zien op het overleggen van de jaarrekening of financieel jaarverslag en de verplichting om melding te maken van subsidieaanvragen die bij Gedeputeerde Staten (bijvoorbeeld bij een andere afdeling) of bij andere bestuursorganen voor dezelfde activiteit zijn aangevraagd.

Artikel 11. Algemene weigeringsgronden

De weigeringsgronden hebben een imperatief karakter waardoor bij weigering kan worden volstaan met de verwijzing naar het artikelonderdeel dat van toepassing is. Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid voor Gedeputeerde Staten om in een subsidieregeling af te kunnen wijken van de onderdelen a tot en met d van het eerste lid. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat ook afgeweken kan worden van de overige (harde) weigeringsgronden. De eis om een eventuele afwijking vast te leggen in nadere regels is ingegeven door het rechtszekerheidsbeginsel.

Het derde lid voorziet in de mogelijkheid om af te kunnen wijken van onderdeel a van het eerste lid, zonder dat deze mogelijkheid in een subsidieregeling is vastgelegd. Hierdoor kan ook van dit onderdeel worden afgeweken bij incidentele en begrotingssubsidies.

Artikel 12. Weigering van projectsubsidies

Met dit artikel worden in aanvulling op artikel 11 een drietal weigeringsgronden gegeven voor de verstrekking van projectsubsidies. Met deze gronden wordt tot uitdrukking gebracht dat een projectsubsidie niet is bedoeld om de alledaagse bedrijfsvoering van de aanvrager te financieren. Gedeputeerde Staten kunnen, indien hiertoe in specifieke gevallen aanleiding bestaat, hier wel van afwijken door middel van een subsidieregeling.

Artikel 13. Weigering van incidentele subsidies

In aanvulling op artikel 11 geeft dit artikel vijf extra weigeringsgronden voor de verstrekking van incidentele subsidies. Het is niet de bedoeling om incidentele subsidies te verstrekken voor de alledaagse bedrijfsvoering, maar ook reguliere activiteiten en jaarlijkse activiteiten komen hiervoor niet in aanmerking. Een aanvraag voor een incidentele subsidie moet ook worden geweigerd indien deze niet past binnen het door de provincie gevoerde beleid of onvoldoende prioriteit heeft. Gedeputeerde Staten hebben geen mogelijkheid om van deze imperatieve weigeringsgronden af te wijken.

Artikel 14. Bibob Om te voorkomen dat de overheid ongewild criminaliteit in de hand werkt is er de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Voor de invoering van de Wet Bibob konden alleen de politie en het Openbaar Ministerie ingrijpen als er sprake was van malafide praktijken. Met de Wet Bibob heeft ook de provincie een bestuurlijk instrument waarmee ze de mogelijkheid heeft om natuurlijke en rechtspersonen te screenen en criminele activiteiten aan te pakken. Bij een vermoeden van malafide praktijken kunnen Gedeputeerde Staten aanvragers en ontvangers van een subsidie van ten minste € 250.000,- laten onderzoeken bij het landelijk bureau Bibob. De bevoegdheid van Gedeputeerde Staten om een subsidie te weigeren of in te trekken op grond van dit artikel is discretionair. Dat wil zeggen dat Gedeputeerde Staten hieromtrent beleidsvrijheid hebben.

Artikel 15. Schakelbepaling Artikel 4:35 van de Awb bevat een aantal gronden voor weigering van verlening van subsidie. Teneinde deze gronden ook tot afwijzingsgrond te maken voor subsidies die alleen worden vastgesteld (zonder dat hieraan voorafgaand een beschikking tot verlening is gegeven), is artikel 4:35 van de Awb hierop van overeenkomstige toepassing verklaard.

Artikel 16. Niet-subsidiabele kosten

De in het eerste lid genoemde kosten zijn niet-subsidiabel. BTW die de subsidieontvanger niet kan compenseren of verrekenen komt voor subsidie in aanmerking tenzij anders wordt bepaald. Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor een met omzetbelasting-belaste subsidie. Indien de subsidie een belaste subsidie betreft, dan krijgt de subsidieontvanger ook de BTW vergoed. Dit zal veelal het geval zijn bij prijssubsidies. De Belastingdienst bepaalt of sprake is van een belaste subsidie.

Artikel 17. Subsidieverlening

In het eerste lid staat de standaarduitgangssituatie dat een subsidie-verleningsbeschikking wordt opgesteld voorafgaand aan het vaststellen van subsidie.

In het derde lid is bepaald dat Gedeputeerde Staten een subsidie tot € 25.000,- kunnen verstrekken zonder verleningsbeschikking (met toepassing van artikel 4:29 Awb). Omdat er bij deze mogelijkheid geen verleningsbeschikking is, maar alleen een vaststellingsbeschikking, wordt in de vaststellingsbeschikking aangegeven welke eisen er worden gesteld ten behoeven van een inhoudelijke controle, die dan steekproefsgewijs achteraf plaatsvindt. Bij toepassing van de andere mogelijkheid uit het derde lid wordt de subsidie verleend met een verleningsbeschikking en wordt er voor 100% voorschot verleend. Dit voorschot kan in termijnen worden verstrekt. De subsidie wordt vervolgens na afloop van de activiteit ambtshalve vastgesteld door de provincie.

Het vierde lid heeft betrekking op subsidies tussen de € 25.000,- en € 125.000,-. De hoofdregel is dat het subsidiebedrag een vast bedrag is voor een prestatie of prestatie-eenheid. In tegenstelling tot subsidie van minder dan € 25.000,- wordt hier wel steeds verantwoording afgelegd. De verantwoording geschiedt over de prestatie of over een vooraf over-eengekomen meetbare prestatie-eenheid. Bij de prestatieverantwoording kunnen verschillende instrumenten worden gebruikt. De gewenste bewijsstukken die nodig zijn om de prestatie te verantwoorden, worden in de verordening of in de verleningsbeschikking opgenomen. De mogelijkheid bestaat om steekproefsgewijs aanvullende informatie op te vragen of ter plekke te controleren of de prestatie is verricht. Er wordt geen bijkomende financiële verantwoording over de werkelijke kosten én geen accountantsverklaring gevraagd. Als de prestatie niet of niet geheel conform de verleningsbeschikking wordt uitgevoerd, bepalen Gedeputeerde Staten, afhankelijk van de oorzaak van de afwijking, of het subsidiebedrag lager moet worden vastgesteld.

Het vijfde lid heeft betrekking op situaties dat het niet mogelijk is om de prestatie(-eenheid) vooraf te definiëren. In deze gevallen is het ook niet goed mogelijk een subsidiebedrag hieraan te koppelen omdat de kosten dan vooraf moeilijk zijn in te schatten. Als in deze specifieke gevallen het verlenen van een vast bedrag voor een vooraf gedefinieerde prestatie tot onaanvaardbare resultaten zou leiden, biedt het subsidiesysteem de mogelijkheid om in de beschikking tot subsidieverlening te bepalen dat de subsidieontvanger op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten mag aantonen dat de activiteiten zijn verricht. Het zesde lid geeft aan dat Gedeputeerde Staten subsidies verlenen – indien de betreffende begroting nog niet is vastgesteld - onder voorbehoud dat de activiteiten passen binnen de begroting die door Provinciale Staten wordt vastgesteld. Een project- of incidentele subsidie hoeft niet onder dit voorbehoud te worden verleend, indien de subsidie voortvloeit uit een beleidsplan of een beleidsvisie (inclusief bijbehorende financiële paragraaf), die door Provinciale Staten is vastgesteld.

Artikel 18. Algemene verplichtingen

Uitgangssituatie is dat de subsidieontvanger zijn activiteiten uitvoert in overeenstemming met de aanvraag of het activiteitenplan. De subsidieontvanger is verplicht tijdig schriftelijk en gemotiveerd te melden bij Gedeputeerde Staten als aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen en eventuele voorwaarden zal worden verricht, dan wel indien er anderszins iets wijzigt in de activiteiten en/of kosten en opbrengsten die van invloed kunnen zijn op de subsidie. In dat geval zal beoordeeld moeten worden of daaraan consequenties worden verbonden voor de subsidie. Zo zou het kunnen dat in het geval de activiteiten niet of niet geheel worden uitgevoerd, de subsidie lager of op nihil wordt vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken bij de vaststelling, de subsidie lager dan wel op nihil worden vastgesteld of kan bij een steekproefsgewijze controle, met toepassing van artikel 4:49 van de Awb, alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken. De ontvanger wist immers en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo’n geval ook proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan het RSK. De verplichting tot mededeling aan Gedeputeerden Staten dat met subsidie verkregen goederen en rechten na de subsidievaststelling worden vervreemd of anderszins aan derden ter beschikking worden gesteld, is gesteld op vijf jaar na subsidievaststelling. Dit in verband met het bepaalde in het derde lid van artikel 4:49 van de Awb. Op grond van laatstgenoemde bepaling hebben Gedeputeerde Staten gedurende deze termijn de mogelijkheid om de subsidievaststelling in te trekken of ten nadele van de ontvanger te wijzigen. Een besluit hiertoe zou kunnen leiden tot terugvordering van de subsidie. Het vierde lid geeft Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om indien sprake is van vermogensvorming door de subsidieontvanger als gevolg van de verstrekte subsidie, te bepalen dat de subsidieontvanger een vergoeding is verschuldigd, zoals is bedoeld in artikel 4:41 van de Awb. Deze vergoeding is alleen verschuldigd indien zich een geval voordoet als genoemd in het tweede lid van artikel 4:41 van de Awb. In al deze gevallen komt de subsidie niet meer ten goede aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt. Het vijfde lid geeft aan dat de waardering van de onroerende zaak wordt vastgesteld aan de hand van de actuele WOZwaarde van de onroerende zaak.

Het zesde lid ziet nu op een verzoek aan de subsidieontvanger, aangezien het gelet op artikel 4:39 van de Awb niet is toegestaan om niet-doelgebonden verplichtingen op te leggen die niet zien op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. Het verzoek heeft ook betrekking op publicaties via email of internet.

Artikel 19. Medewerking controle

Als logische aanvulling op de meldingsplicht bevat dit artikel de verplichting voor de subsidieontvanger om desgevraagd kosteloos medewerking te verlenen aan een door of vanwege Gedeputeerde Staten gevorderde controle van de administratie of een ander onderzoek naar gegevens die in het kader van de subsidieverstrekking van belang kunnen worden geacht. Deze controle behelst mede de controle die in het kader van een steekproef wordt gehouden.

Artikel 20. Tussentijds voortgangsverslag

Bij subsidies tot € 25.000,- mogen Gedeputeerde Staten geen verplichting opleggen om een tussentijds voortgangsverslag te overleggen. De subsidieontvanger is zelf verantwoordelijk voor het melden van afwijkende omstandigheden, waardoor de noodzaak om tussentijdse rapportages en verantwoordingen op te vragen afneemt. Een tussentijds voortgangsverslag mag alleen worden opgelegd indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt meer dan 12 maanden bedraagt. In het kader van het vertrouwensprincipe worden niet meer alle subsidieontvangers in alle gevallen belast met verantwoordingen, rapportages en controles.

Bij subsidies vanaf € 25.000,- hebben Gedeputeerde Staten wel de discretionaire bevoegdheid om de verplichting van een tussentijds voortgangsverslag op te leggen. Dat blijkt uit de “kan”-bepaling in het tweede lid. Het derde lid geeft Gedeputeerde Staten de bevoegdheid tot het vaker opleggen van een tussentijds voortgangsverslag. Dit dient in de verleningsbeschikking te worden opgenomen en het gebruik maken van deze bevoegdheid zal mede afhangen van de uitkomsten van de uitgevoerde risicoanalyse. Deze bepaling dient terughoudend te worden toegepast om zo de uitgangspunten van het RSK niet te veel te ondermijnen.

Artikel 21. Administratieve verplichtingen

Het RSK-subsidiemodel gaat voor subsidies onder de € 125.000,- uit van prestatiesubsidiëring in plaats van subsidiëring op basis van werkelijke kosten. Prestatiesubsidiëring betekent dat er een vast bedrag wordt betaald voor een vooraf afgesproken activiteit ofwel prestatie. Door het vaststellen op basis van prestaties en het schrappen van een gedetailleerde financiële verantwoording in de zin van het eerste lid van artikel 4:37, onder b en f van de Awb en de accountantscontrole worden bij de kleinere subsidies de administratieve lasten en uitvoeringslasten fors verminderd.

Artikel 22. Voorschotten en betaling

Voorschotten worden automatisch (ambtshalve) verstrekt volgens een in de subsidieregeling of in de verleningsbeschikking opgenomen bevoorschottingsregime. De subsidieontvanger hoeft geen aparte aanvraag voor bevoorschotting in te dienen (de bevoorschottingsbeschikking wordt gegeven op het moment van de verleningsbeschikking) of tussentijdse overzichten van prestaties of kosten en opbrengsten te overleggen. Bij meerjarige subsidies staat de liquiditeitsbehoefte hierbij centraal. Indien de subsidieontvanger op grond van zijn meldingsplicht aangeeft, dat de uitvoerng van de gesubsidieerde activiteit niet conform de verlenings-beschikking plaatsvindt, kunnen Gedeputeerde Staten, indien nodig, het bevoorschottingsregime en de hoogte van de nog te ontvangen voorschotten aanpassen.

Artikel 23. Aanvraag subsidievaststelling

Voor de subsidievaststelling zal een subsidieontvanger standaard moeten aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn uitgevoerd. De verantwoording geschiedt over de uitgevoerde activiteiten of over een vooraf bepaalde meetbare prestatie-eenheid. Daarbij zal vooraf door de subsidieverstrekker in de verleningsbeschikking al moeten worden aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende stukken worden gebruikt, zoals een bestuurs- of managementverklaring, beeld- of geluidsmateriaal, artikelen uit gedrukte media of andere bewijsstukken.

Indien subsidie wordt verstrekt aan een gemeente of een openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen in het kader van een specifieke uitkering wordt – ongeacht de hoogte van het bedrag - met toepassing van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet verantwoording afgelegd overeenkomstig de systematiek van “single information single audit” (SiSa). Gedeputeerde Staten kunnen hiervoor afwijken van dit artikel op grond van onderdeel a van artikel 38.

Artikel 24. Werkelijke kosten en opbrengsten

Na een verlening op grond van het vijfde lid van artikel 17 is het mogelijk om af te rekenen op basis van een opgave van de totale werkelijke kosten en opbrengsten. De afrekening vindt plaats op basis van een verklaring van de subsidieontvanger over de totaal gerealiseerde kosten en opbrengsten. Bij toepassing van deze variant komt een afzonderlijke prestatieverantwoording te vervallen; een verklaring zoals omschreven in het tweede lid volstaat. De opgave van de gerealiseerde kosten en opbrengsten vormt de grondslag voor de berekening van het subsidie-bedrag. Hierdoor worden detaildiscussies over onderliggende financiële posten voorkomen. Indien de subsidiabele kosten, na aftrek van de gerealiseerde opbrengsten (inclusief gerealiseerde bijdragen van derden) en de gerealiseerde eigen bijdrage, lager zijn dan begroot wordt de subsidie lager vastgesteld. Indien de subsidiabele kosten hoger uitvallen dan begroot, wordt ten hoogste het verleende subsidiebedrag uitgekeerd. Steekproefsgewijs kunnen Gedeputeerde Staten de opgegeven totalen controleren.

Artikel 25. Ambtshalve vaststellen

Naast de subsidies die in het eerste arrangement van het RSK niet direct zijn vastgesteld, maar zijn verleend, kunnen Gedeputeerde Staten ook andere subsidies ambtshalve vaststellen. Artikel 4:47 van de Awb is hierop van toepassing. Dit kan zich voordoen in situaties waarbij Gedeputeerde Staten om enige reden geen behoefte meer hebben aan een verantwoording, omdat het ook zonder deze verantwoording duidelijk is dat de activiteit waarvoor de subsidie is verleend ook daadwerkelijk is verricht. Ook kunnen Gedeputeerde Staten de bevoegdheid tot ambtshalve vaststellen gebruiken in het geval de subsidieontvanger in gebreke blijft met het indienen van een aanvraag tot subsidievaststelling en Gedeputeerde Staten het niet opportuun achten de subsidie volledig in te trekken.

Artikel 26. Aanvraag subsidieverlening

Een aanvraag voor subsidie kan in principe het hele jaar door worden ingediend, tenzij in nadere regels een indieningstermijn of een uiterste indieningsdatum voor een aanvraag wordt bepaald. Voor boekjaarsubsidies is in deze verordening de uiterste indieningstermijn bepaald op 1 oktober van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft. Aanvragen voor incidentele subsidies dienen uiterlijk 13 weken voor het tijdstip van de activiteit, waarop de subsidie betrekking heeft te worden aangevraagd, deze termijn bedraagt 22 weken indien sprake is van een aanvraag voor een incidentele subsidie, waar een besluit van Provinciale Staten voor noodzakelijk is.

Het vierde lid biedt de mogelijkheid een te laat ingediende aanvraag voor een boekjaarsubsidie alsnog in behandeling te nemen indien deze van bijzonder belang is voor het bereiken van een provinciale doelstelling. Aanvragers kunnen geen beroep doen op toepassing van deze bepaling. Het is aan Gedeputeerde Staten om gemotiveerd te bepalen waarom een aanvraag hiervoor in aanmerking komt. In verband met de rechtszekerheid bepaalt het vijfde lid dat aanvragen die te laat zijn ingediend pas worden behandeld nadat de tijdig ingediende aanvragen zijn beoordeeld, tenzij het subsidieplafond ruimte biedt om alle ingediende aanvragen te honoreren.

Artikel 28. Beslissen aanvraag

De hier genoemde beslistermijnen betreffen maximumtermijnen. Uiteraard wordt er naar gestreefd de beslistermijn zo kort mogelijk te houden. Indien een beschikking niet binnen de termijn kan worden gegeven, wordt dit aan de aanvrager medegedeeld en wordt daarbij een zo kort mogelijke termijn genoemd, waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14 Awb). De in dit artikel genoemde termijnen kunnen op basis van artikel 4:15 van de Awb worden opgeschort met de duur van een eventuele reactietermijn voor de aanvrager voor het aanleveren van door Gedeputeerde Staten gevraagde informatie om de aanvraag te completeren.

Het tweede en derde lid geeft aan wanneer de beslistermijnen 22 weken, respectievelijk 40 weken bedragen. Met het inwinnen van advies in het tweede lid wordt bedoeld het inwinnen van extern advies.

Indien de aanvraag een begrotingssubsidie betreft gaat de termijn van 13 weken in nadat Provinciale Staten de provinciale begroting voor het volgende boekjaar hebben vastgesteld.

Artikel 29. Subsidievaststelling

De subsidieontvanger van een projectsubsidie of een incidentele subsidie dient in beginsel zelf de vaststelling bij Gedeputeerde Staten aan te vragen, de termijn is binnen 26 weken na afloop van de activiteiten of na afloop van het tijdvak waarvoor de verlening gold.

De subsidieontvanger van een boekjaarsubsidie, die een verlenings-beschikking heeft ontvangen dient binnen 26 weken na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

De termijn waarbinnen Gedeputeerde Staten gehouden zijn te beslissen op een aanvraag voor subsidievaststelling is bepaald op 22 weken. Indien door de subsidieaanvrager niet alle gegevens zijn overlegd om op de aanvraag te kunnen beslissen, wordt de termijn met toepassing van artikel 4:15 van de Awb opgeschort tot alle noodzakelijke gegevens door de subsidieontvanger zijn overlegd.

Artikel 30. Ambtshalve vaststellen

Gelet op het bepaalde in artikel 4:47 van de Awb is de termijn waarbinnen Gedeputeerde Staten de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld, bepaald op 22 weken.

Artikel 31 Intrekken en wijzigen

Het eerste lid ziet met name op de Europeesrechtelijke plicht om een verleende subsidie die onverenigbare staatssteun blijkt te zijn, terug te vorderen. Dat vereist een intrekking of wijziging van de verleende subsidie. In het tweede lid wordt bepaald dat die intrekking of wijziging terugwerkt tot het moment waarop de subsidie is verleend. Dit zware middel is vereist omdat de subsidie niet had mogen worden verleend. In de Awb is bepaald dat intrekking, wijziging en terugvordering (art. 4:49, derde lid Awb en art. 4:57 Awb) – globaal gezegd – uitsluitend mogelijk is als dit binnen een termijn van 5 jaar gebeurt. Europeesrechtelijk wordt geëist dat intrekking, wijziging en terugvordering gedurende 10 jaar mogelijk is. De Awb is op dit punt dus niet aangepast aan de Europeesrechtelijke regels. Het beginsel van gemeenschapstrouw (artikel 10 EG-verdrag) vereist dat de provinciale regels in overeenstemming zijn met het Europees recht, ook als de Awb anders bepaalt. Om die reden is in het vierde lid bepaald dat de Awb-artikelen waarin de termijn van 5 jaar is geregeld, niet van toepassing zijn.

Artikel 32. Schakelbepaling

Afdeling 4.2.8 van de Awb is bedoeld als uitwerking van en aanvulling op de overige afdelingen van titel 4.2 van de Awb. Zij bevat facultatief recht, dat wil zeggen dat een subsidieverstrekkende overheid haar kan toepassen, maar zij is daartoe niet verplicht. Met dit artikel wordt bepaald dat afdeling 4.2.8 van toepassing is op boekjaarsubsidies vanaf € 125.000,-. Deze grens vloeit voort uit het RSK. De toepassing kan desgewenst geheel of gedeeltelijk achterwege blijven. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de verplichtingen die een subsidieontvanger heeft op grond van artikel 4:71 van de Awb als te vergaand worden beschouwd of dat de subsidie niet na ieder boekjaar moet worden vastgesteld, zoals voortvloeit uit artikel 4:73 van de Awb.

Artikel 33. Verstrekken boekjaarsubsidie

De maximale periode van vier jaar waarvoor een boekjaarsubsidie kan worden verstrekt, hangt samen met de vierjaarlijkse verkiezingen van Provinciale Staten. Het tweede lid geeft aan dat deze periode in ieder geval eindigt op 31 december van het kalenderjaar na het jaar waarin deze verkiezingen hebben plaatsgehad. Desgewenst kunnen de bestaande boekjaarsubsidies daarna weer voor een nieuwe periode van maximaal vier jaar worden verstrekt. Bij de beëindiging van een boekjaarsubsidie die voor een periode van meer dan drie jaar is verstrekt, moet rekening worden gehouden met het bepaalde in artikel 4:51 eerste lid van de Awb.

Artikel 34. Aanvraag boekjaarsubsidie

Door een werkplan van de subsidieaanvrager gelijk te stellen met een activiteitenplan wordt voorkomen dat een subsidieaanvrager apart een activiteitenplan moet opstellen. Hiermee worden de administratieve lasten beperkt. De overige leden van dit artikel behelzen de extra vereisten waaraan de aanvraag voor een boekjaarsubsidie moet voldoen. De kostprijsberekening bedoeld in het vierde lid maakt het mogelijk om inzicht te krijgen in de verhouding tussen directe en indirecte kosten.

Artikel 35. Loon- en prijscompensatie

Loon- en prijscompensatie kan worden bereikt door verhoging van het bedrag van de subsidieverlening aan individuele subsidieontvangers. De beschikking tot subsidieverlening waarmee de subsidie in eerste instantie is verleend, zal in dat geval dienen te worden gewijzigd. De subsidie kan zo overeenkomstig de subsidieverlening worden vastgesteld conform artikel 4:46 eerste lid van de Awb.

Artikel 36. Reservevorming

Gedeputeerde Staten kunnen bij de subsidieverlening bepalen dat een deel van het verleende subsidiebedrag wordt aangewend om reserve te vormen. Het specifieke doel ten behoeve waarvan reservevorming plaatsvindt wordt door Gedeputeerde Staten bepaald. Voorbeelden hiervan zijn een egalisatiereserve, een reorganisatiereserve of een verbouwingsreserve. Het vierde lid bepaalt dat een subsidie lager kan worden vastgesteld indien de algemene reserve te groot wordt.

Artikel 37. Verrekening

Uit artikel 4:93 van de Awb vloeit voort dat verrekening van een bestuursrechtelijke geldschuld met een bestaande vordering slechts mogelijk is voor zover daarin bij wettelijk voorschrift is voorzien. Dat betekent dat teveel betaalde subsidie voor het ene jaar niet zomaar mag worden verrekend met subsidie voor het volgende jaar. Er moet een wettelijke grondslag (een wet of een provinciale verordening) zijn waarin staat dat verrekend mag worden. Het gaat hierbij om een ‘kan-bepaling’, er kan verrekend worden, er moet niet worden verrekend.

Artikel 38. Afwijkingsbevoegdheid Met dit artikel worden drie mogelijkheden gegeven aan Gedeputeerde Staten om af te wijken van de Asv of een subsidieregeling. De eerste mogelijkheid ziet op de situatie dat een subsidieaanvrager ook een aanvraag voor subsidie heeft ingediend bij een ander bestuursorgaan. Met toepassing van dit artikel kan bijvoorbeeld worden voorkomen dat de subsidieaanvrager aan allerlei verschillende administratieve procedures moet voldoen of gehouden is aan verschillende verplichtingen te voldoen. Zeker indien het andere bestuur een substantieel grotere subsidie verstrekt dan de provincie ligt het voor de hand aansluiting te zoeken bij de verplichtingen van dat andere bestuursorgaan.

De tweede mogelijkheid kan bijvoorbeeld worden toegepast indien een subsidie moet worden vastgesteld met gebruikmaking van de verantwoordingsprocedure uit de Financiële-verhoudingswet (SiSa). In dat geval kunnen de arrangementen voor de vaststelling van subsidies tot € 125.000,- zoals deze in deze verordening zijn neergelegd (namelijk vaststelling op basis van prestatie) niet worden toegepast. Ook de derde mogelijkheid kan worden toegepast om subsidies van minder dan € 125.000,- toch op kosten vast te stellen, indien dit vanuit het oogpunt van staatssteun of Europese cofinanciering noodzakelijk is.

Artikel 39. Hardheidsclausule

In deze verordening is een hardheidsclausule voor individuele gevallen opgenomen. De hardheidsclausule kan worden toegepast in het geval onverkorte toepassing van deze verordening en de daarop berustende subsidieregelingen, gelet op het belang van het doel van de regeling, in onvoorziene gevallen leidt tot onbillijkheden. De hardheidsclausule dient weloverwogen te worden ingezet. Toepassing dient goed gemotiveerd te worden om precedentwerking te voorkomen. Een subsidieaanvrager kan geen beroep op dit artikel doen, dan wel daar rechten aan ontlenen.

Artikel 40. Toezicht De werkzaamheden die door of namens de provincie worden verricht om na te gaan of subsidievereisten en subsidieverplichtingen worden nageleefd, worden aangeduid als toezicht op de naleving van die voorschriften. Artikel 5:11 van de Awb vereist dat de grondslag voor inschakeling van een toezichthouder is geregeld bij of krachtens wettelijk voorschrift.

Artikel 41. Intrekking en overgangsrecht

In dit artikel is het overgangsrecht opgenomen. Aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend, worden volgens de oude Asv behandeld. Dit geldt ook voor alle besluiten die samenhangen met dergelijke aanvragen, zoals besluiten omtrent verlening, wijziging, intrekking, bevoorschotting en vaststelling. Indien tegen deze besluiten bezwaar is gemaakt of (hoger) beroep ingesteld, geldt de oude Asv. Subsidies die zijn of nog worden verstrekt op grond van de Subsidie-verordening externe veiligheid 2011-2014 worden volledig afgehandeld op grond van de oude Asv. De verordening externe veiligheid 2011-2014 vormt geen uitputtende regeling, maar verklaart de bestaande Algemene subsidieverordening Zuid-Holland expliciet van toepassing. Door het overgangsrecht hoeven Provinciale Staten de Subsidieverordening externe veiligheid 2011-2014 Zuid-Holland niet te wijzigen en kan de laatste subsidieverstrekking op grond van de verordening voor het jaar 2014 ongewijzigd plaatsvinden.

Artikel 42. Inwerkingtreding In dit artikel is bepaald dat deze verordening in werking treedt op 1 juli 2013.

TOELICHTING BEHORENDE BIJ HET BESLUIT VAN PROVINCIALE STATEN VAN ZUID-HOLLAND VAN 23 MAART 2016 TOT WIJZIGING VAN DE ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING ZUID-HOLLAND 2013

ALGEMEEN

Ruim drie jaar na de vaststelling van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013 (Asv) worden met deze verordening de eerste wijzigingen van de Asv vastgesteld. De wijzigingen zijn voor een deel noodzakelijk door het vervallen van de bevoegdheden die Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten hadden op grond van de Wet op de jeugdzorg. Ook de bevoegdheden die Gedeputeerde Staten hadden op grond van de Wet BDU verkeer en vervoer zijn vervallen. Juist hierdoor zal de Asv ook van toepassing moeten zijn op de provinciale subsidies met betrekking tot verkeer en vervoer.

Om beter tot uitdrukking te laten komen dat de provincie boekhoudkundig een stelsel van baten en lasten toepast zijn in de Asv de begrippen “kosten en opbrengsten” en “uitgaven en inkomsten” vervangen door “baten en lasten”.

Waar mogelijk zijn bepalingen meer in lijn gebracht met de Aanwijzingen voor regelgeving.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

A. Met deze bepaling wordt vastgelegd dat de begripsbepalingen zoals deze in de Asv worden gehanteerd dezelfde betekenis hebben in regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid van de Asv. De wijziging van de begripsbepaling voor accountant brengt geen inhoudelijke wijziging met zich mee.

B. Het toepassingsbereik is op een aantal punten gewijzigd. De verwijzing naar de Wet op de jeugdzorg komt te vervallen aangezien Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten geen medebewinds-bevoegdheden meer hebben met betrekking tot de jeugdzorg. Gedeputeerde Staten blijven bevoegd subsidie te verstrekken aan concessiehouders als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000 en vervoerders als bedoeld in het Besluit personenvervoer 2000. Het is wenselijk dat de Asv nu van toepassing is op de regels als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Asv voor verkeer en vervoer. De aanpassingen in het derde en vierde lid zijn van redactionele aard en brengen geen inhoudelijke wijzigingen met zich mee.

C. De wijziging van artikel 3 is tekstueel van aard en beoogt geen inhoudelijke wijziging.

D. De wijziging van artikel 4, eerste lid is tekstueel van aard en beoogt geen inhoudelijke wijziging.

E. De wijziging van artikel 6 vindt plaats om duidelijk te maken dat het inzicht dat Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten geven, betrekking heeft op verleende subsidies en subsidies die zonder daaraan voorafgaande verlening zijn vastgesteld.

F. Met de wijziging van artikel 8, derde lid wordt de aard van de registratie die Gedeputeerde Staten houden met betrekking tot misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies nader gespecificeerd.

G. De extra algemene weigeringsgrond die wordt toegevoegd aan artikel 11 zorgt ervoor dat subsidie geweigerd moet worden indien de aanvrager in verband met met de interne markt onverenigbare staatssteun bij een eerdere verstrekking nog geld moet terugbetalen. Dit komt vrijwel nooit voor. Maar op dit moment is dat in ieder geval al een vereiste voor steunverlening onder de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorien steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, PbEU L187).

H. Doordat het derde lid van artikel 6 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) is vervallen is de Wet Bibob nu van toepassing op alle subsidies en hoeft een subsidieregeling dit niet meer specifiek te bepalen. Daarnaast behoeft deze subsidieregeling ook niet meer de goedkeuring van de Minister van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Justitie. In verband hiermee kan artikel 14, dat een beperkte toepassing van de Wet Bibob regelde, volledig vervallen.

I. Met deze wijziging vervalt het tweede lid van artikel 16. Het tweede lid beoogde te regelen dat slechts niet verrekenbare /compensabele omzetbelasting/BTW voor subsidie in aanmerking komt. Dat volgt echter uit het eerste lid en dat maakt bij nader inzien het tweede lid overbodig. Verder was de redactie van het tweede lid onduidelijk.

J. De wijziging van het vijfde lid van artikel 17 hangt samen met het baten en lastenstelsel zoals dit door de provincie wordt gehanteerd. Het zesde lid komt te vervallen omdat er in de praktijk geen subsidies werden verstrekt waarop dit begrotingsvoorbehoud van toepassing is. Incidentele en projectsubsidies worden namelijk alleen verstrekt indien zij passen binnen een door Provinciale Staten vastgesteld beleidsplan of vastgestelde beleidsvisie. Het begrotingsvoorbehoud vormt voor de ontvanger bovendien een te grote onzekerheid om met de activiteiten te starten.

K. Het nieuwe lid van artikel 18 biedt de mogelijkheid om doelgebonden verplichtingen op te leggen voor zover deze noodzakelijk zijn gelet op Europeesrechtelijke bepalingen ter voorkoming van onverenigbare staatssteun of bepalingen inzake Europese cofinanciering.

L. De wijzigingen in artikel 21 hangen allemaal samen met de terminologie rond het baten en latenstelsel.

M. Op grond van het nieuwe zesde lid van artikel 23 moet een accountantsverklaring worden opgesteld conform een door Gedeputeerde Staten vastgesteld controleprotocol. Dit zal leiden tot eenduidige controleverklaringen waarin altijd de door Gedeputeerde Staten gewenste informatie wordt gegeven.

N. De wijzigingen in artikel 24 hangen allemaal samen met de terminologie rond het baten en latenstelsel.

O. Artikel 26, eerste lid is alleen tekstueel gewijzigd. Het derde lid komt te vervallen omdat dit onbedoeld maar niet ten onrechte opgevat kon worden als een weigeringsgrond voor te laat ingediende aanvragen.

P. De wijzigingen van het eerste lid en in het tweede lid van artikel 28 zijn tekstueel van aard. Het nieuwe vierde lid geeft aan dat de afhandelingstermijn voor aanvragen die worden voorgelegd aan de Europese Commissie in verband met mogelijke met de interne markt onverenigbare staatssteun pas begint na een eindsbeslissing van de Europese Commissie.

Q. Artikel 31 voorziet in het regelen van terugvordering van met de interne markt onverenigbare staatssteun. Terugvordering is in dergelijke gevallen een verplichting op basis van Europees rechtwaar ook het provinciebestuur toe gehouden is. Echter, er is geen duidelijke wetttelijke grondslag in de Algemene wet bestuursrecht om hierover wettelijke voorschriften op te nemen in de Asv. Daarom vervalt deze bepaling.

R. Artikel 37 is zodanig gewijzigd dat deze alleen nog de mogelijkheid biedt om verrekening toe tepassen met betrekking tot andere subsidiebedragen en niet meer met vorderingen die voortvloeien uit andere rechtsverhoudingen. Met de wijziging van artikel 37 wordt beter aangesloten bij de uitvoeringspraktijk, de bedoeling van de wetgever en de terminologie van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 4:93 Algemene wet bestuursrecht bevat regels over verrekening in het bestuursrecht. Voordat titel 4.4 Awb in werking trad gold op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad dat de regels over verrekening in het bestuursrecht van overeenkomstige toepassing waren. De wetgever heeft echter gemeend dat in het bestuursrecht behoefte bestaat aan een afwijkende regeling inzake verrekening. De achtergrond daarvan is dat de publiekrechtelijke taken die door verschillende bestuursorganen binnen een en hetzelfde openbare lichaam worden verricht zo divers zijn dat verrekening van uit die taken voortvloeiende geldvorderingen in beginsel niet aan de orde kan zijn. Het werd dan ook niet (langer) wenselijk gevonden dat een burger met een beroep op de privaatrechtelijke regels inzake verrekening, het betalen van bijvoorbeeld een geldboete zou kunnen weigeren omdat hij nog recht heeft op huurtoeslag.

Uit artikel 4:93, eerste lid, Awb volgt dat de bevoegdheid tot verrekening slechts bestaat indien zij bij wettelijk voorschrift is toegekend. Dus ‘Geen verrekening, tenzij…’. Artikel 4:57, derde lid, Awb biedt aan het bestuursorgaan de mogelijkheid om de voor een bepaald jaar betaalde subsidiebedragen te verrekenen met de voor een later jaar uit te betalen subsidiebedragen. Daarmee is de in artikel 4:93, eerste lid, Awb voor verrekening vereiste wettelijke grondslag gegeven. Voorwaarde is wel dat het dezelfde subsidieontvanger en dezelfde gesubsidieerde activiteiten betreft. Van dezelfde gesubsidieerde activiteiten is geen sprake als de subsidieontvanger toevallig een volgend jaar in aanmerking komt voor een subsidie op grond van dezelfde regeling, bijvoorbeeld als in jaar 1 een projectsubsidie is verleend voor een aanpassing van een stal en in jaar 2 voor aanpassing van een tweede stal.

Uit artikel 4:95, vierde lid, Awb volgt dat betaalde voorschotten moeten worden verrekend met het te betalen subsidiebedrag. Het is in beginsel toelaatbaar om teveel betaalde voorschotten uit verschillende jaren te verrekenen met het subsidiebedrag van één later jaar.

S. Artikel 38 met daarin de afwijkingsbevoegheden wordt uitgebreid met een bepaling ten aanzien van de Wet personenvervoer 2000 en het Besluit personenvervoer 2000. Met name de aanvraagprocedure en verantwoordingseisen brengen met zich mee dat er afgeweken moet worden van de Asv. Ook is een afwijkingsbevoegheid gecreëerd die betrekking heeft op subsidieverstrekking in de vorm van een lening of garantstelling. Verplichtingen en verantwoordingseisen kunnen hierbij in grote mate afwijken van de reguliere subsidieverstrekking waarbij in beginsel geen subsidiegeld terugbetaald hoeft te worden en ook geen zekerheid wordt verschaft.

T. Artikel 40 is in overeenstemming gebracht met de Aanwijzingen voor de regelgeving. Daarnaast volgt uit het tweede lid een beperking van de bevoegdheden van de toezichthouders die ook van toepassing is op toezichthouders die worden aangewezen op grond van artikel 4:59, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht. Aan deze bevoegdheden bestaat bij subsidies zelden behoefte.

3

Wat willen we bereiken? Een effectieve toepassing van het beleidsinstrument subsidieverstrekking. Wat gaan we daarvoor doen? De Algemene subsidieverordening (Asv) op een aantal punten, verduidelijken, aanpassen aan gewijzigde wetgeving en een aantal bevoegdheden bezien. Wat mag het kosten? n.v.t.

Den Haag, 16 maart 2016

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

secretaris, drs. J.H. de Baas

voorzitter, drs. J. Smit

Toelichting:

ALGEMEEN

Als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en de maatregelen van het kabinet, zijn er op verschillende terreinen problemen ontstaan bij het uitvoeren van gesubsidieerde activiteiten. Het is voorzienbaar dat deze problemen zich voorlopig zullen blijven voordoen. De meest voorkomende problemen bevinden zich op het terrein van vertraging in uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en het niet of niet geheel kunnen uitvoeren van gesubsidieerde activiteiten.

De provincie wil subsidieontvangers die met vertraging of afstel van hun activiteiten vanwege de uitbraak van COVID-19 en de daaromtrent genomen maatregelen te maken krijgen, zoveel mogelijk tegemoetkomen. Binnen de bestaande verordening en subsidieregelingen is het niet altijd mogelijk om de beschikkingen zodanig aan te passen dat deze zaken worden opgelost. Daarom wordt met de invoeging van artikel 38a in de verordening de mogelijkheid geschapen om voor de meest voorkomende problemen een snelle oplossing te kunnen bieden.

Naast de afwijkingsmogelijkheid in verband met COVID-19, is een klein aantal wijzigingen van ondergeschikte aard opgenomen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

  • A.

    De terminologie is in overeenstemming gebracht met de terminologie van de in 2016 opnieuw ingevoerde Beleidsregel ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik bij subsidieverstrekking.

  • B.

    Artikel 38a biedt Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om af te wijken van de bepalingen in deze verordening en de hierop gebaseerde subsidieregelingen indien, als gevolg van de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen die als gevolg daarvan zijn genomen, activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt niet, niet binnen de in de beschikking of subsidieregeling voorgeschreven termijn of niet geheel kunnen worden uitgevoerd. Dit betekent dat er een verband moet zijn tussen het niet, niet tijdig of niet geheel kunnen uitvoeren van de activiteiten en de coronacrisis.

    Het tweede lid beschrijft in welke gevallen de in het eerste lid omschreven afwijkingsbevoegdheid kan worden toegepast.

    • a.

      Indien de activiteit niet meer kan worden uitgevoerd en er wel kosten zijn gemaakt dan kunnen deze kosten toch worden vergoed, uiteraard enkel indien dit mogelijk is binnen de geldende wettelijke kaders, waaronder de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

    • b.

      Indien de activiteit niet kan worden uitgevoerd binnen de in een regeling gestelde termijn, dan kan op grond van deze bepaling de looptijd worden verlengd.

    • c.

      Deze bepaling maakt het mogelijk om hogere bevoorschottingspercentages te verlenen dan mogelijk is op grond van een subsidieregeling. Hierbij moet de subsidieontvanger wel inzichtelijk kunnen maken dat de activiteit doorgang kan vinden.

    • d.

      Indien op grond van onderdeel a een activiteit niet of niet geheel kan worden uitgevoerd en op grond daarvan vindt aanpassing van de maximale subsidie plaats, waarbij het subsidiebedrag onder een in een subsidieregeling bepaald minimum zou komen, leidt toepassing van dit artikel ertoe dat de subsidie toch kan worden aangepast naar dit bedrag onder het minimum zoals bepaald in de subsidieregeling.

    • e.

      Voor subsidies die zijn verstrekt op grond van het eerste en tweede USK-arrangement is in de regel geen kostenoverzicht vereist en dit kan op grond van artikel 21, eerste lid, ook niet worden gevraagd van de subsidieontvanger. Indien de subsidieontvanger zijn gemaakte kosten toch vergoed wil zien, is een kostenoverzicht noodzakelijk om te kunnen bepalen welke activiteiten zijn uitgevoerd en welke kosten daarbij horen. Deze bepaling maakt het vragen van een kostenoverzicht mogelijk.

In het derde lid is bepaald dat afwijken van bepalingen over het maximaal te verstrekken subsidiebedrag op grond van dit artikel niet mogelijk is. Indien moet worden afgeweken van de in een subsidieregeling opgenomen aanvraagperiode, dan moet de subsidieregeling worden aangepast, zodat dit voor alle potentiële indieners kenbaar is.

In het vierde lid is bepaald dat om van de afwijkingsbevoegdheid genoemd in het tweede lid, onderdeel a, gebruik te kunnen maken de subsidieontvanger dient te kunnen aantonen dat de gevraagde voorziening noodzakelijk is als gevolg van de coronacrisis. Ook moet worden aangetoond dat uitvoeren van de activiteit op een later tijdstip niet mogelijk is. Daarnaast dient hij te kunnen aantonen welke activiteiten wel zijn uitgevoerd en welke kosten hiervoor zijn gemaakt.