Regels subsidieverstrekking SmpG Cultuur en Erfgoed 2013

Geldend van 17-09-2013 t/m 31-08-2014

GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND

Gelet op artikel 3.6 van de Subsidieregeling Meerjarenprogramma’s Gelderland 2012 en op de artikelen 1.5 en 2.1 en paragraaf 4.1 van de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998;

BESLUITEN

vast te stellen de volgende gewijzigde regeling: Regels subsidieverstrekking SmpG Cultuur en Erfgoed 2013

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    AsG: de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998;

  • b.

    SmpG: Subsidieregeling Meerjarenprogramma’s Gelderland 2012;

  • c.

    Gelderland Cultuurprovincie!: Besluit van Provinciale Staten van 7 november 2012 (PS 2012-744);

  • d.

    partner: een rechtspersoon die is aangewezen door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 1, onder h, SmpG 2012;

  • e.

    samenwerkingsverband: twee of meer partners die hun individuele aanvragen gezamenlijk indienen en die ook bij de uitvoering van hun programma’s samenwerken;

  • f.

    scoringscriteria: nadere uitwerking van de criteria waarmee de rangschikking van de aanvragen wordt uitgevoerd;

  • g.

    cultureel ondernemerschap: de wijze waarop een partner in zijn aanvraag onderbouwt hoe hij in de periode 2014-2016 de afhankelijkheid van subsidies in zijn bedrijfsvoering en activiteiten zal verminderen;

  • h.

    cofinanciering: een financiele bijdrage van een derde, niet zijnde een subsidie van een bestuursorgaan, of de inzet van eigen middelen;

  • i.

    Erfgoedobject: Een onroerend goed dat wettelijke bescherming geniet op grond van de Monumentenwet 1988 of een gemeentelijke verordening.

Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen

 

Artikel 2.1 Algemene bepalingen subsidieverstrekking

  • 1 Subsidie als bedoeld in artikel 5 van de SmpG wordt verstrekt voor activiteiten die uitvoering geven aan de doelstellingen van het programma Gelderland Cultuurprovincie!

  • 2 Een subsidie wordt uitsluitend verstrekt:

    • a.

      voor kosten van eenmalige activiteiten voor zover die kosten rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de tostandkoming van activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt, en

    • b.

      als de begroting van de activiteit met inbegrip van de gevraagde provinciale subsidie sluitend is.

Artikel 2.2 Aanvraag

  • 1 Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 1.

  • 2 Indien partners samenwerken in een samenwerkingsverband, dienen zij hun aanvraag in via een penvoerder.

  • 3 Uit de aanvraag van partners die tevens een begrotingssubsidie van de provincie ontvangen voor de jaren 2014 tot en met 2016 dient duidelijk te blijken voor welke aanvullende, niet door deze begrotingssubsidie gedekte activiteiten subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 2.3 Niet subsidiabele kosten

Er wordt geen subsidie verstrekt voor:

  • a.

    verrekenbare of compensabele belastingen, of heffingen;

  • b.

    de omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting in aftrek kan brengen of gecompenseerd wordt uit het BTWcompensatiefonds als genoemd in artikel 2 van de Wet op het BTWcompensatiefonds;

  • c.

    kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, provinciale leges, boetes en sancties;

  • d.

    kosten gemaakt na 31 december 2016 met uitzondering van accountantskosten zoals bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van de AsG;

  • e.

    kosten verbonden aan de oprichting van een privaatrechtelijk rechtspersoon;

  • f.

    niet noodzakelijke of bovenmatige kosten.

Artikel 2.4 Afwijzing

Subsidie wordt niet verleend indien:

  • a.

    uit de rangschikking van de aanvraag aan de hand van de scoringscriteria volgt dat de score van de aanvraag minder dan 60 punten bedraagt;

  • b.

    het subsidiebedrag minder zou bedragen dan € 10.000;

  • c.

    de cofinanciering minder bedraagt dan 25%.

Artikel 2.5 Uurloon en uurtarief

Loonkosten zijn subsidiabel zijn en worden berekend door één van de volgende methoden:

  • a.

    Een vast uurtarief van maximaal € 35,--.

  • b.

    Het per medewerker berekend uurloon vermeerderd met een opslag voor indirecte kosten van maximaal 20% van het uurloon met een maximum van € 91,--.

  • c.

    Voorzover het uurloon voor zelfstandigen en Directeur Groot Aandeelhouders of andere personen waarbij het loon niet eenduidig bepaald kan worden subsidiabel is, bedraagt dit maximaal € 35,--

Artikel 2.6 Rangschikking

  • a.

    Een aanvraag kan maximaal 100 punten scoren.

  • b.

    Voor het invullen van de themadoelen (inhoud) worden maximaal 70 punten toegekend en voor het cultureel ondernemerschap maximaal 30 punten.

  • c.

    Gedeputeerde Staten plaatsen de aanvragen per thema in een prioriteitsvolgorde.

  • d.

    De prioriteitsvolgorde wordt bepaald op basis van de scores per titel van hoofdstuk 3.

  • e.

    Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit.

Artikel 2.7 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1 De subsidieontvanger voert een zodanige administratie dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden:

    • a.

      de aard, inhoud en voortgang van de verrichte werkzaamheden;

    • b.

      het aantal uren dat per persoon is besteed aan activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;

    • c.

      de specifiek ten behoeve van de activiteiten gemaakte en betaalde kosten.

  • 2 De administratie wordt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling bewaard.

  • 3 Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, dienen zij hun rapportages in via een penvoerder.

  • 4 De jaarlijkse rapportage als bedoeld in artikel 7 van de SmpG 2012, wordt voor 1 mei van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop dit betrekking heeft ingeleverd bij Gedeputeerde Staten.

Hoofdstuk 3 Themagebonden bepalingen

titel 3.1 Podiumkunsten

Artikel 3.1.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een programma waarvan de activiteiten voldoen aan de volgende criteria:

  • a.

    Realisatie van een onderscheidend en concurrerend cultuuraanbod ,

  • b.

    Instandhouden én ontwikkelen van kwalitatief hoogwaardig jeugdtheater of

  • c.

    De ondersteuning van talentontwikkeling als kernwaarde.

Artikel 3.1.2 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 75 % van de subsidiabele kosten met een maximum van 75.000 euro per partner voor de programmaperiode 2014-2016.

Artikel 3.1.3 Nadere uitwerking criteria

De nadere uitwerking van de criteria als bedoeld in artikel 3.1.1. is opgenomen in bijlage 2 van deze regeling.

titel 3.2 Beeldende kunst en vormgeving

Artikel 3.2.1 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een programma waarvan de activiteiten voldoen aan de volgende criteria:

  • a.

    een bijdrage leveren aan het versterken van ondernemerschap in de sectoren beeldende kunst, mode en vormgeving binnen de culturele sector, op een

    wijze die anderen tot voorbeeld kunnen zijn;

  • b.

    het verdienvermogen van kunstenaars vergroten zonder afbreuk te doen aan de artistieke authenticiteit;

  • c.

    het versterken van cultureel ondernemerschap in de beeldende kunst, mode en vormgeving door enerzijds het creatieve vermogen in de sector beter te

    laten renderen en anderzijds het bewustzijn van de mogelijkheden bij potentiële opdrachtgevers te vergroten.

Artikel 3.2.2 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van 50.000 euro per partner voor de programmaperiode 2014-2016.

titel 3.3 Media en bibliotheken

Artikel 3.3.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een programma waarvan de activiteiten voldoen aan de volgende criteria:

  • a.

    Verbeterde kennisontwikkeling, mediawijsheid en verbetering van de laaggeletterdheid of

  • b.

    Ruimte voor creatieve ondernemers om nieuwe media, zoals social media en serious gaming in te zetten, zodat cultuur aan andere sectoren verbonden wordt.

Artikel 3.3.2 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 75 % van de subsidiabele kosten met een maximum van 40.000 euro per partner voor de programmaperiode 2014-2016.

Artikel 3.3.3 Nadere uitwerking criteria

De nadere uitwerking van de criteria als bedoeld in artikel 3.3.1. is opgenomen in bijlage 2 van deze regeling.

titel 3.4 Festivals

Artikel 3.4.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een programma waarvan de activiteiten voldoen aan de volgende criteria:

  • a.

    Festivals die zich kenmerken door een veelbelovend programma en hoge kwaliteit, beeldbepalend zijn door uniek aanbod in Gelderland met (inter)nationale uitstraling, en daarmee

  • b.

    Gelderland op de kaart zetten met artistieke of inhoudelijke kwaliteit en

  • c.

    Verbreding realiseren van het publiek.

Artikel 3.4.2 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 75 % van de subsidiabele kosten met een maximum van 60.000 euro per partner voor de programmaperiode 2014-2016. 

Artikel 3.4.3 Nadere uitwerking criteria

De nadere uitwerking van de criteria als bedoeld in artikel 3.4.1. is opgenomen in bijlage 2 van deze regeling.

titel 3.5 Kwaliteit in de uitvoering

Artikel 3.5.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een programma waarvan de activiteiten voldoen aan de volgende criteria:

  • a.

    Bevordering van de deskundigheid van gemeenten op het terrein van de instandhouding van het erfgoed en van de archeologie,

  • b.

    Door samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en onderwijs, maakt jongeren enthousiast voor een carrière in de restauratiebouw,

  • c.

    zorgen voor kwaliteit en continuiteit in het beheer van ons erfgoed of

  • d.

    de toekomstbestendigheid van erfgoed wordt versterkt door innovatie, met name op het terrein van het energiebeheer.

Artikel 3.5.2 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 75 % van de subsidiabele kosten met een maximum van 500.000 euro per partner voor de programmaperiode 2014-2016. 

Artikel 3.5.3 Nadere uitwerking criteria

De nadere uitwerking van de criteria als bedoeld in artikel 3.5.1. is opgenomen in bijlage 2 van deze regeling.

Titel 3.6 Musea en geschiedenis

Artikel 3.6.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een programma waarvan de activiteiten voldoen aan de volgende criteria:

  • a.

    Op innovatieve manier het verhaal kunnen blijven vertellen over Gelderse cultureel erfgoed, het verhaal over ons verleden of

  • b.

    Musea vervullen een scharnierfunctie tussen kunst en cultuur uit het verleden en hedendaagse cultuuruitingen.

Artikel 3.6.2 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 75 % van de subsidiabele kosten met een maximum van 500.000 euro per partner voor de programmaperiode 2014-2016.

Artikel 3.6.3 Nadere uitwerking criteria

De nadere uitwerking van de criteria als bedoeld in artikel 3.6.1. is opgenomen in bijlage 2 van deze regeling.

Titel 3.7 Herbestemming

Artikel 3.7.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een programma waarvan de activiteiten voldoen aan de volgende criteria:

  • a.

    Het inzichtelijk maken van cultuurhistorische waarden van herbestemd erfgoed (industrieel erfgoed of religieus erfgoed) inzichtelijk maken of

  • b.

    Investeren in complexe herbestemmingsopgaves met aandacht voor energietransitie, waarbij industrieel erfgoed prioriteit krijgt.

Artikel 3.7.2 Hoogte van de subsidie

De subsidie voor bedraagt maximaal 75 % van de subsidiabele kosten met een maximum van 500.000 euro per partner voor de programmaperiode 2014-2016.

Artikel 3.7.3 Waardenstellend onderzoek

Subsidie onder het thema Herbestemming wordt verstrekt voor het laten uitvoeren van een waardenstellend onderzoek.

Artikel 3.7.4

De subsidie voor bedraagt maximaal 75 % van de subsidiabele kosten met een maximum van 15.000 euro.

Artikel 3.7.5 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • 1.

    de activiteiten regulier beheer en onderhoud van gebouwen, bouwwerken of landschapselementen betreffen of

  • 2.

    de bouwkundige investeringen niet voldoen aan de op 24 januari 2006 door Gedeputeerde Staten vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften Duurzame Instandhouding Cultuurhistorische Waarden (PB 2006/17) en de Lijst met subsidiabele kosten en werkzaamheden ten behoeve van de berekening van de subsidiabele instandhoudingskosten (PB 2006/18).

Artikel 3.7.6 Nadere uitwerking criteria

De nadere uitwerking van de criteria als bedoeld in artikel 3.7.1. is opgenomen in bijlage 2 van deze regeling.

Titel 3. 8 Landschap en Archeologie

Artikel 3.8.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een programma waarvan de activiteiten voldoen aan de volgende criteria:

  • a.

    Inzichtelijk maken erfgoedwaarden van natuur en landschap, cultuurhistorische waarden van buitenplaatsen en buitenplaatsrijke gebieden,

  • b.

    Investeren in de instandhouding en kwaliteit van het erfgoed van natuur en landschap, in de instandhouding en kwaliteit van buitenplaatsen (restauratie, functieverandering, duurzaamheids-bevordering), waarbij het verbinden met kunst- of cultuurelementen positief wordt gewaardeerd of

  • c.

    Versterken van de programmatische samenwerking en afstemming met het netwerk, vergroting van het cultuurhistorisch besef en draagvlak.

Artikel 3.8.2 Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 75 % van de subsidiabele kosten met een maximum van 500.000 euro per partner voor de programmaperiode 2014-2016.

Artikel 3.8.3 Waardenstellend onderzoek

Subsidie onder het thema Herbestemming wordt verstrekt voor het laten uitvoeren van een waardenstellend onderzoek.

Artikel 3.8.4

De subsidie voor bedraagt maximaal 75 % van de subsidiabele kosten met een maximum van 15.000 euro. 

Artikel 3.8.5 Weigeringsgrond

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • 1.

    de activiteiten regulier beheer en onderhoud van gebouwen, bouwwerken of landschapselementen betreffen of

  • 2.

    de bouwkundige investeringen niet voldoen aan de op 24 januari 2006 door Gedeputeerde Staten vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften Duurzame Instandhouding Cultuurhistorische Waarden (PB 2006/17) en de Lijst met subsidiabele kosten en werkzaamheden ten behoeve van de berekening van de subsidiabele instandhoudingskosten (PB 2006/18).

Artikel 3.8.6 Nadere uitwerking criteria

De nadere uitwerking van de criteria als bedoeld in artikel 3.8.1. is opgenomen in bijlage 2 van deze regeling.

Titel 3.9 Pacten

(gereserveerd)

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

 

Artikel 4.1. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regels subsidieverstrekking SmpG Cultuur en Erfgoed 2013.

Artikel 4.2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 3 juni 2013.

Ondertekening

Gedeputeerde Staten van Gelderland

 

Bijlage 1 Aanvraagformulier behorende bij de Regels Subsidieverstrekking Cultuur en Erfgoed SmpG 2013, besluit van 4 juni 2013, nr. 2012-020928, te vinden in Provinciaal Blad nr. 2013/106 van 5 juni 2013.

Bijlage 2 Nadere uitwerking criteria SmpG-subsidies Programma Cultuur en Erfgoed, behorend bij de Regels Subsidieverstrekking Cultuur en Erfgoed SmpG 2013, besluit van 4 juni 2013, nr. 2012-020928, te vinden in Provinciaal Blad nr. 2013/106 van 5 juni 2013 en gewijzigd bij besluit van 10 september 2013, nr. 2012-020928, te vinden in Provinciaal Blad nr. 2013/173 van 13 september 2013.