VERORDENING winkeltijden Lelystad 2010

Geldend van 23-05-2013 t/m 19-12-2018

Intitulé

VERORDENING winkeltijden Lelystad 2010

De raad van de gemeente Lelystad,

op voorstel van het college van de gemeente Lelystad d.d. 28 januari 2011;

gelet op de Winkeltijdenwet en het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet;

B E S L U I T:

vast te stellen de navolgende

VERORDENING winkeltijden Lelystad 2010

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    de wet: de Winkeltijdenwet;

  • b.

    winkel: een winkel als bedoeld in artikel 1 van de wet;

  • c.

    feestdag: nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag, eerste kerstdag en tweede kerstdag;

  • d.

    college: het college van de gemeente Lelystad;

  • e.

    kuststrook: het gebied gelegen ten westen van de Houtribweg vanaf de jachthaven Flevo Marina;

  • f.

    Batavia Stad: het gebied van de kuststrook begrensd door het Oostvaardersdiep, de Houtribdreef en de Markerwaarddijk.

Artikel 2. Beslistermijn
  • 1. Het college beslist op een aanvraag om een ontheffing binnen acht weken.

  • 2. Het college kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 3. Overdracht van de ontheffing
  • 1. Een ontheffing op grond van deze verordening is overdraagbaar na verkregen toestemming van het college.

  • 2. In geval van een voorgenomen overdracht doet de houder van de ontheffing hiervan onmiddellijk schriftelijk mededeling aan het college onder vermelding van de naam en het adres van de voorgestelde rechtverkrijgende.

Artikel 4. Intrekken of wijzigen van de ontheffing

Het college kan een ontheffingintrekken of wijzigen indien:

  • a.

    ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten dit noodzakelijk maken in verband met het belang of de belangen ter bescherming waarvan de ontheffing is vereist;

  • c.

    het gebruik van de winkel of de uitoefening van een bedrijf anders dan in een winkel gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of het woon- en leefklimaat ter plaatse;

  • d.

    de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • e.

    van de ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;

  • f.

    de houder dit aanvraagt.

Artikel 5. Zon- en feestdagenregeling (koopzondagen)
  • 1. De verboden genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b van de wet, gelden niet op ten hoogste twaalf, door het college aan te wijzen, zondagen of feestdagen per kalenderjaar.

  • 2. Deze bevoegdheid geldt voor elk deel van de gemeente afzonderlijk.

Artikel 6. Openstelling van levensmiddelenwinkels op de avonden van zon- en feestdagen
  • 1. Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b van de wet genoemde verboden aan winkels waar uitsluitend of hoofdzakelijk eet- en drinkwaren plegen te worden verkocht met uitzondering van sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet.

  • 2. Het college kan de ontheffing voor ten hoogste één winkel per 15.000 inwoners verlenen.

  • 3. Aan de ontheffing worden in elk geval de volgende voorschriften verbonden:

    • a.

      de winkel dient op de zondagen en de feestdagen vóór 16.00 uur gesloten te zijn,

    • b.

      er dienen hoofdzakelijk eet- en drinkwaren te worden verkocht, met uitzondering van sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet.

  • 4. De ontheffing kan worden geweigerd indien de woonsituatie of de leefsituatie, de veiligheid of de openbare orde in de omgeving van de winkel op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de openstelling.

Artikel 7. Ontheffing zon- en feestdagenregeling voor bijzondere situaties
  • 1. Het college kan voor wat betreft zondagen of feestdagen ontheffing verlenen van de in artikel 2 van de wet genoemde verboden, ten behoeve van:

    • a.

      bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard;

    • b.

      het uitstallen van goederen;

    • c.

      tentoonstellingen in kunstateliers en galeries.

  • 2. De ontheffing kan worden verleend in geval van feestelijkheden, bijeenkomsten, veilingen of beurzen.

Artikel 8. Verbod straatverkoop bepaalde goederen op zon- en feestdagen

(vervallen)

Artikel 9. Openstelling op werkdagen tussen 22.00 en 06.00 uur (nachtwinkels)
  • 1. Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, van de wet.

  • 2. De ontheffing kan worden geweigerd indien de woonsituatie of de leefsituatie, de veiligheid of de openbare orde in de omgeving van de winkel op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de openstelling van de winkel.

Artikel 10. Toerisme

De verboden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet gelden, om reden van op de gemeente gericht toerisme, voor zover zij betrekking hebben op de zondagen en de feestdagen, niet voor winkels op het grondgebied van de gemeente Lelystad gedurende het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december op de tijdstippen tussen 10.00 en 22.00 uur.

Artikel 11. Kampeerterreinen

Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van de verboden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet ten behoeve van de verkoop van levensmiddelen in een winkel gelegen op een kampeerterrein:

  • a.

    gedurende de periode van 1 april tot en met 1 oktober;

  • b.

    op zon- en feestdagen van 10.00 tot 22.00 uur en op Goede Vrijdag van 19.00 tot 22.00 uur

Artikel 12. Intrekking voorgaande regeling

Vervallen.

Artikel 13. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt de dag na publicatie van het besluit tot wijziging in werking.

Artikel 14. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening winkeltijden Lelystad 2010.

Lelystad, 23 april 2013.

De raad van de gemeente Lelystad,

de griffier, de voorzitter,

Algemene toelichting

De Winkeltijdenwet

Op 1 juni 1996 is de Winkeltijdenwet tezamen met het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet in werking getreden. Deze wet stelt ruimere regels voor de openingstijden van winkels dan zijn voorganger, de Winkelsluitingswet 1976.

De tekst van de Winkeltijdenwet en het bijbehorende Vrijstellingenbesluit zijn gepubliceerd in het Staatsblad van 28 maart 1996, onder nummer 182 en 183. Op dit moment is een wijziging van de Winkeltijdenwet bij de Eerste Kamer in behandeling (EK 2009-2010; 31728). Deze wijziging heeft tot doel een inkadering te geven van de bevoegdheid om toeristische gebieden aan te wijzen, waar de winkels op alle zon- en feestdagen open mogen zijn. Het gaat om een aantal extra eisen aan de besluitvorming en een aanscherping van de bevoegdheid op grond van artikel 3, derde lid, onder a, van de wet. Verder worden door deze wetswijziging de vrijstellingen die de raad op basis van dit artikel bij verordening kan geven, vatbaar voor bezwaar en beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Uitgangspunten Winkeltijdenwet

In concreto komen deze uitgangspunten neer op het volgende.

  • a.

    Op maandag t/m zaterdag, de werkdagen, is openstelling van winkels toegestaan tussen 06.00 en 22.00 uur. Gemeenten mogen tijdens deze uren geen beperkingen opleggen aan de openstelling van winkels.

  • b.

    Aan het aantal openingsuren per winkel per week is geen maximum verbonden.

  • c.

    Tijdens de nachturen van 22.00 tot 06.00 uur is winkelopening op werkdagen niet toegestaan. Gemeenten kunnen echter vrijstellingen of ontheffingen van deze verplichte winkelsluiting verlenen. Op Goede Vrijdag, Kerstavond (24 december) en. Dodenherdenking (4 mei) moeten de winkels vanaf 19.00 uur dicht zijn.

  • d.

    Op zon- en feestdagen is winkelopening niet toegestaan. Voor maximaal 12 zon- en feestdagen per kalenderjaar kan de gemeente vrijstelling of ontheffing van deze verplichte sluiting verlenen. De Winkeltijdenwet merkt in dit verband als feestdagen aan: nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en eerste en tweede kerstdag.

  • e.

    Winkels waar uitsluitend of hoofdzakelijk levensmiddelen worden verkocht (in de praktijk gaat het vaak om supermarkten) kunnen ontheffing krijgen om op zon- en feestdagen vanaf 16.00 uur open te zijn. Ze moeten dan wel op alle zon- en feestdagen voor 16.00 uur dicht zijn, ook als die als koopzondag zijn aangewezen. Belangrijk is ook dat er in een gemeente maar één ontheffing per 15.000 inwoners mag worden verleend.

  • f.

    De raden kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van de verplichte winkelsluiting op zon- en feestdagen in verband met op de gemeente of een deel daarvan gericht autonoom toerisme. Zoals hiervoor vermeld wordt deze bevoegdheid door het wetsvoorstel 31728 nader ingekaderd.

De Winkeltijdenwet is niet alleen van toepassing op winkels: het is op de in artikel 2, eerste lid, van de wet bedoelde dagen en tijden ook verboden om in de uitoefening van een bedrijf (anders dan in een winkel) goederen te koop aan te bieden of te verkopen aan particulieren. Dit volgt uit artikel 2, tweede lid.

Gemeentelijke bevoegdheden

Als algemene regel geldt dat op zon- en feestdagen de winkels gesloten zijn. Hierop bestaat een aantal uitzonderingen in de vorm van vrijstellings- en ontheffingsmogelijkheden. Hiermee kan het gemeentebestuur ook buiten de wettelijk geregelde sluitingstijden winkelopening toestaan. Deze bevoegdheden kunnen worden ingedeeld in de volgende vier categorieën.

1.Bevoegdheden op werkdagen

De gemeentelijke bevoegdheden op werkdagen behelzen feitelijk de mogelijkheid om ook na 22.00 uur winkelopening toe te staan (art. 7 van de Winkeltijdenwet). De winkeltijdenverordening moet in een grondslag voorzien om de detailhandelsactiviteiten mogelijk te maken die na 22.00 uur op werkdagen plaatsvinden. Dat is gebeurd in artikel 9 van de verordening.

2.Bevoegdheden op zon- en feestdagen en 19-uurdagen

De gemeenteraad heeft op grond van artikel 3, eerste lid, Winkeltijdenwet de bevoegdheid om per kalenderjaar maximaal twaalf zondagen of feestdagen als koopzondag aan te wijzen. Deze bevoegdheid geldt per deel van de gemeente afzonderlijk en kan worden overgedragen aan het college van burgemeester en wethouders. Ook kan de raad het college van burgemeester en wethouders een ontheffingsbevoegdheid toekennen.

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, Winkeltijdenwet bepaalt dat de winkels op zondag gesloten moeten zijn. In het eerste lid, onder b, wordt een aantal andere dagen genoemd waarop de winkels gesloten moeten zijn, namelijk nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en eerste en tweede kerstdag. Deze dagen zijn in artikel 1 van de verordening gedefinieerd als feestdagen. Daarnaast noemt artikel 2, eerste lid onder b, van de Winkeltijdenwet nog drie dagen waarop de winkels gesloten moeten zijn vanaf 19.00 uur: Goede Vrijdag, 4 mei en 24 december. Deze dagen vallen dus niet onder het begrip feestdagen. In deze toelichting worden ze verder aangeduid als “19-uurdagen”.

Nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en eerste en tweede kerstdag zijn ook in artikel 1 van het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet gedefinieerd als feestdagen.

Artikel 3, eerste lid, van de Winkeltijdenwet noemt als dagen die als koopzondag kunnen worden aangewezen naast de zondagen alleen de hiervoor vermelde feestdagen nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en eerste en tweede kerstdag. Daaruit volgt dat de 19-uurdagen niet als koopzondag kunnen worden aangewezen indien zij op een zondag vallen.

3.Bevoegdheden voor specifieke situaties

De gemeente heeft de bevoegdheid om bij verordening een vrijstelling te verlenen van het verbod om op zon- en feestdagen open te zijn vanwege op de gemeente of een deel daarvan gericht autonoom toerisme (artikel 3, derde lid, onder a). Deze vrijstelling kan worden verleend voor de gehele gemeente of een deel daarvan. Hierbij geldt de wettelijke voorwaarde dat de lokale aantrekkingskracht voor toeristen niet wordt bepaald door de (vrijgestelde) winkelopening. Deze bevoegdheid is uitgewerkt in artikel 10 van de verordening.

Zoals in de inleiding vermeld is een wetsvoorstel bij de Eerste Kamer in behandeling waardoor deze bepaling verder wordt ingekaderd. Zie voor meer informatie en jurisprudentie de artikelgewijze toelichting bij artikel 10 van deze verordening.

De wet voorziet in artikel 3, vierde lid, in een bevoegdheid van de gemeenteraad om in een verordening een bevoegdheid aan het college van toe te kennen om aan winkels die uitsluitend of hoofdzakelijk eet- en drinkwaren verkopen een ontheffing te verlenen voor opening op zon- en feestdagen vanaf 16.00 uur. Per 15.000 inwoners van de gemeente mag slechts één winkel worden aangewezen. In gemeenten met minder dan 15.000 inwoners mag aan één winkel een dergelijke ontheffing worden verleend. Deze bepaling komt in plaats van de avondwinkelbepaling in de Winkelsluitingswet 1976. Net als onder de Winkelsluitingswet 1976 moeten deze winkels zich uitsluitend of hoofdzakelijk richten op de verkoop van eet- en drinkwaren, met uitzondering van sterke drank in de zin van artikel 1 van de Drank en Horecawet. Het gaat in de praktijk vaak om supermarkten. Doordat artikel 3, vierde lid van de Winkeltijdenwet verwijst naar artikel 2, tweede lid onder a en b, kan een dergelijke supermarkt dus op zondagen, feestdagen en op 19uur dagen geopend zijn. Zie verder de toelichting bij artikel 6 van deze verordening.

Winkels die een ontheffing op grond van artikel 3, vierde lid, hebben mogen op werkdagen ook op de reguliere winkeltijden, dus tussen 06.00 uur en 22.00 uur, onbeperkt geopend zijn. Daarnaast kan nog vrijstelling of ontheffing worden verleend voor de uren tussen 22.00 uur en 06.00 uur (artikel 7 Winkeltijdenwet). De betrokken winkels moeten echter wel op alle zon- en feestdagen gesloten zijn tot 16.00 uur. Dit geldt dus ook voor die zon- en feestdagen die als koopzondag zijn aangewezen.

Het college heeft op grond van artikel 4, eerste lid, van de wet de bevoegdheid om bij plotseling opkomende bijzondere omstandigheden een vrijstelling van de verplichte winkelsluiting te verlenen.

Daarnaast kan de raad het college in bij de verordening aangewezen gevallen de bevoegdheid toe kennen op verzoek een ontheffing verlenen bij bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard en voor het uitstallen van goederen. Zie daarover ook de toelichting bij artikel 7.

Het college kan op grond van artikel 6 van de Winkeltijdenwet op verzoek een ontheffing verlenen voor de openstelling van de winkel op zondag aan winkeliers die tot een kerkgenootschap behoren dat de wekelijkse religieuze rustdag op een andere dag dan de zondag houdt. Deze winkeliers moeten dan wel op hun eigen religieuze rustdag hun winkel gesloten houden.

4.Algemeen

Alle op grond van de wet en de verordening te verlenen vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend; ook kunnen er voorschriften aan worden gebonden. Aan de onthef-fingen op grond van artikel 3, vierde lid, en op grond van artikel 7 van de Winkeltijdenwet (avondopenstelling op zondag respectievelijk op werkdagen) kan bijvoorbeeld de beperking worden verbonden dat er na een bepaald tijdstip geen alcoholhoudende drank mag worden verkocht (CBB 18-03-2009, AWB 08/802 S2, Zaanstad).

Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet

In het Vrijstellingenbesluit worden aan enkele vormen van detailhandel landelijke vrijstellingen verleend van de openingsverboden uit de Winkeltijdenwet. Hierbij worden landelijke vrijstellingen voor de gehele week en landelijke vrijstellingen voor de zondagen en de feestdagen onderscheiden. Voor de detailhandelsactiviteiten van de laatste categorie kunnen voor de werkdagen op lokaal niveau vrijstellingen en ontheffingen worden verleend. De twee categorieën zijn hieronder nader uitgewerkt.

Aan dit onderscheid ligt de keuze ten grondslag om het zwaartepunt bij de mogelijkheid voor het verlenen van vrijstellingen bij de gemeenten te leggen. Voor een beperkt aantal detailhandelsactiviteiten wordt de vrijstelling gedurende de gehele week echter van zo groot landelijk belang geacht, dat hiervoor landelijke vrijstellingen zijn opgenomen. Het gaat om de detailhandel in instellingen voor de volksgezondheid, verkeer en vervoer en de verkoop van nieuwsbladen en tijdschriften. Omdat de bevoegdheid van gemeenten om detailhandel op zon- en feestdagen toe te staan beperkt blijft tot twaalf dagen per jaar, geeft het besluit ook landelijke vrijstellingen voor enkele soorten detailhandel die van oudsher op zon- en feestdagen plaatsvindt. Het gaat deels om winkels die gewoonlijk ook op werkdagen na 22.00 uur geopend zijn. Om de openstelling van deze winkels dan mogelijk te maken, kan in de verordening een vrijstelling of mogelijkheid voor het verlenen van een ontheffing worden opgenomen.

1.Vrijstellingen voor zon- en feestdagen en werkdagen

De vrijstellingen die voor de hele week gelden zijn alleen van toepassing op:

  • a.

    Instellingen van volksgezondheid (apotheken en winkels in en op het terrein van ziekenhuizen en verpleeghuizen). Het college krijgt daarbij de bevoegdheid om op verzoek een ontheffing te verlenen voor verkooppunten van uitsluitend of hoofdzakelijk eet- en drinkwaren, prentbriefkaarten, nieuwsbladen en tijdschriften, alsmede bloemen en planten, op ten hoogste 250 meter afstand van de publieksingang van een ziekenhuis of verpleeghuis. Deze ontheffing mag gelden vanaf een half uur voor de aanvang van de bezoektijden tot het einde daarvan.

  • b.

    Instellingen van verkeer en vervoer (winkels in NS-stationsgebouwen, luchtvaartterreinen voor intercontinentaal verkeer, shops in benzinestations en wegrestaurants en verkoop ten behoeve van de beroepsscheepvaart). Het college krijgt daarbij de bevoegdheid op verzoek een ontheffing te verlenen aan winkels gericht op reizigers in een gebouw voor een knooppunt van openbaar vervoer of voor het verkopen van bloemen en planten op een afstand van ten hoogste 100 meter daarvan.

  • c.

    Instellingen voor de verkoop van nieuwsbladen en tijdschriften.

    • 2.

      Vrijstellingen uitsluitend voor zon- en feestdagen

Vrijstellingen voor uitsluitend de zon- en feestdagen worden in dit besluit verleend voor:

  • a.

    Bepaalde winkels (musea; winkels waar uitsluitend maaltijden, voor directe consumptie geschikte eetwaren, alcoholvrije dranken en, via een automaat, tabak en tabaksproducten, middelen ter voorkoming van zwangerschap en damesverband worden verkocht; videotheken, mits geen andere goederen te koop worden aangeboden of verkocht dan videobanden en andere beelddragers, alsmede tijdschriften en catalogi, die betrekking hebben op het te huur aangeboden assortiment).

  • b.

    Openstelling van winkels anders dan voor verkoop, indien noodzakelijk voor het betreden van een restaurant of lunchroom en voor fietsenwinkels voor zover noodzakelijk voor het huren van fietsen en bromfietsen.

  • c.

    Straatverkoop van eetwaren voor directe consumptie en alcoholvrije dranken. Indien de plaatselijke omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de raad bij verordening bepalen dat deze vrijstelling niet geldt voor de betrokken gemeente of een of meer delen daarvan. Daarin is voorzien in artikel 8 van de verordening.

  • d.

    Verkoop van bloemen en planten gedurende de openingstijden op een afstand van ten hoogste 100 meter van de publieksingang van een begraafplaats.

  • e.

    Verkoop van rechtstreeks verband houdende goederen bij voorstellingen, uitvoeringen of evenementen van culturele aard vanaf een uur voor aanvang tot een uur na afloop.

  • f.

    Verkoop van rechtstreeks verband houdende goederen in of op het terrein van sportcomplexen gedurende de openingstijden van die sportcomplexen.

  • g.

    Winkels in of op het terrein van bejaardenoorden, waar uitsluitend of hoofdzakelijk eet- en drinkwaren, prentbriefkaarten, nieuwsbladen en tijdschriften, alsmede bloemen en planten worden verkocht.

  • h.

    Winkels in fotoartikelen, indien betreden noodzakelijk is voor het maken van portretfoto's ter gelegenheid van de Eerste Heilige Communie.

  • i.

    Verkoop van bloemen en planten op dagen waarop Allerheiligen en Allerzielen worden gevierd.

  • j.

    Verkoop van brood en gebak dat in het bijzonder is bestemd voor hen die zich aan de ramadan houden, en wel tussen twee uur vóór zonsondergang tot zonsondergang gedurende de ramadan, mits in die winkel dat brood en gebak ook pleegt te worden verkocht buiten de periode van de ramadan.

  • k.

    Verkoop van eetwaren voor directe consumptie en alcoholvrije dranken, religieuze artikelen en souvenirs, alsmede bloemen en planten, in de directe omgeving van een bedevaartplaats, gedurende de tijd dat deze plaats als zodanig wordt bezocht.

  • l.

    Verkoop van feestartikelen op zondag waarop carnaval wordt gevierd, vanaf 12.00 uur en op zon- en feestdagen waarop in de gemeente een kermis wordt gehouden, gedurende de openingstijden van die kermis.

Handhaving

De controle op de naleving van de regels is in eerste instantie een taak van de plaatselijk bevoegde politie in overleg met de gemeente. De Belastingdienst/FIOD-ECD wordt daarbij ingeschakeld als er een landelijke coördinatie vereist is.

Uiteraard is ook bestuursrechtelijke handhaving mogelijk. Over de handhaving van de Winkeltijdenwet heeft de Minister van Economische Zaken op 22 december 2006 een brief naar alle gemeenten gestuurd. Over de samenloop van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving heeft de VNG nadere informatie gegeven. Deze is te vinden op de website van de VNG, http://www.vng.nl/eCache/DEF/62/907.html.

Artikelgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsbepalingen

Voor de definitie van winkel wordt verwezen naar artikel 1 van de Winkeltijdenwet. Daarin is een winkel gedefinieerd als: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin goederen aan particulieren plegen te worden verkocht.

Voor de omschrijving van het begrip feestdag is aansluiting gezocht bij artikel 2, eerste lid onder b van de Winkeltijdenwet. In de wet is geen definitie opgenomen van feestdag, maar worden de volgende dagen genoemd als dagen waarop de winkels gesloten moeten zijn (naast de zondag): nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en eerste en tweede kerstdag. Deze dagen zijn in artikel 1 van de verordening gedefinieerd als feestdag. Daarnaast noemt artikel 2, eerste lid, onder b, van de Winkeltijdenwet nog drie dagen waarop de winkels gesloten moeten zijn vanaf 19.00 uur: Goede Vrijdag, 4 mei en 24 december. Deze dagen vallen dus niet onder het begrip feestdag in de verordening.

Door in de verordening het begrip feestdag te definiëren, kan waar nodig worden volstaan met het woord “feestdag” of “feestdagen” en hoeven niet steeds alle dagen bij naam genoemd te worden. Koninginnedag en Bevrijdingsdag (5 mei) zijn, voor zover deze dagen niet op zondag vallen, in de wet niet aangemerkt als een dag waarop de winkels gesloten moeten zijn.

Artikel 3. Overdracht van de ontheffing

De bepaling bindt de overdracht van de ontheffing aan de toestemming van het college. De ontheffing kan aan een (rechts)persoon worden verleend als het gaat om straatverkoop als bedoeld in artikel 2, tweede lid van de Winkeltijdenwet. Als het om een winkel gaat, heeft de ontheffing naar zijn aard betrekking op het pand waarin het winkelbedrijf wordt uitgeoefend. Als het om een ontheffing voor straatverkoop gaat biedt de tussenkomst het college de gelegenheid om inzicht te krijgen in de handel en wandel van de opvolger. Als het gaat om overdracht van het winkelpand aan een ander rechthebbende, moet het college kunnen toetsen of de ontheffing in stand kan blijven of dat er eventueel andere voorschriften aan moeten worden verbonden. Er kan immers sprake zijn van een heel ander soort winkel dan voorheen.

Artikel 5. Zon- en feestdagenregeling (koopzondagen)

Dit artikel is een uitwerking van artikel 3, tweede lid, Winkeltijdenwet, dat de raad de mogelijkheid geeft de bevoegdheid die in het eerste lid aan de raad wordt gegeven, te delegeren aan het college. Dit is wel een beperkte delegatie: de raad zelf verleent vrijstelling, B&W bepalen wanneer die precies geldt door het aanwijzen van maximaal 12 koopzondagen per jaar. De eerste twee leden van artikel 3 Winkeltijdenwet luiden:

  • 1.

    De gemeenteraad kan voor ten hoogste twaalf door hem aan te wijzen dagen per kalenderjaar vrijstelling verlenen van de in artikel 2 vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op de zondag, nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en eerste of tweede kerstdag. De beperking tot twaalf dagen per kalenderjaar geldt voor elk deel van de gemeente afzonderlijk.

  • 2.

    De gemeenteraad kan, al dan niet onder het stellen van regels, de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Artikel 6. Openstelling van levensmiddelenwinkels op zon- en feestdagen

Dit artikel van de verordening steunt op artikel 3, vierde lid, van de Winkeltijdenwet, dat luidt:

4.Voorts kan de gemeenteraad bij verordening aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen op een daartoe strekkende aanvraag en met inachtneming van de in die verordening gestelde regels ontheffing te verlenen van de in artikel 2, eerste lid, onder a en b, vervatte verboden, voor zover het winkels betreft die gesloten zijn op de in die verboden bedoelde dagen tussen 0 uur en 16 uur, en waar uitsluitend of hoofdzakelijk eet- en drinkwaren plegen te worden verkocht met uitzondering van sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet. De verordening bepaalt in ieder geval het aantal winkels waarvoor in de gemeente ontheffing kan worden verleend. Dit aantal kan ten hoogste één winkel per 15.000 inwoners van de gemeente zijn of, indien het inwonertal lager is dan 15.000, één winkel.

De vereisten uit de Winkeltijdenwet zijn dus:

de ontheffing kan alleen worden verleend aan winkels:

  • -

    die gesloten zijn op zon- en feestdagen vóór 16 uur, ook als die als koopzondag zijn aangewezen (verwerkt in onderdeel a van derde lid), en

  • -

    waar hoofdzakelijk eet- en drinkwaren worden verkocht met uitzondering van sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet (verwerkt in het eerste lid van artikel 6 van deze verordening);

    er mag maar 1 ontheffing verleend worden per 15.000 inwoners (verwerkt in het tweede lid van artikel 6 van deze Verordening). Dit aantal moet strikt worden toegepast, er mag dus niet naar boven worden afgerond. Een gemeente die minder dan 15.000 inwoners heeft mag aan één winkel de ontheffing ex artikel 3, vierde lid verlenen.

Het zal vaak voorkomen dat er – na toetsing aan de weigeringsgronden - meer aanvragen liggen dan dat er ontheffingen kunnen worden verleend. Het verdient aanbeveling dat het college beleid ontwikkelt over de manier waarop in dat geval wordt geselecteerd tussen de aanvragers. Dit kan bijvoorbeeld door een systeem van loting. Ook zou een rouleersysteem in het leven kunnen worden geroepen, waarbij diverse supermarkten tijdelijk ontheffing krijgen, elk voor een afzonderlijke periode. Ontheffing voor een bepaalde periode heeft ook los daarvan het voordeel dat er na verloop van tijd kan worden geëvalueerd.

Ook kan het college de ontheffingen elk jaar aan andere winkels verlenen of de ontheffingen verdelen via een vergelijkende toets (zie CBb 8 januari 2010, AB 2010, 73). Een vergelijkende toets in dit verband houdt in dat het college een tijdvak bekend maakt waarbinnen ondernemers die interesse hebben een ontheffing kunnen aanvragen, waarna het college alle factoren afweegt voordat het besluit welke winkel de ontheffing voor de zondagavondopenstelling krijgt. Er werd in het concrete geval van de hiervoor aangehaalde uitspraak onder andere gekeken naar mogelijke overlast, voldoende parkeergelegenheid en een afscheiding tussen de (verkoop van) sterke drank en de overige winkelruimte.

Artikel 7. Ontheffing zon- en feestdagenregeling voor bijzondere situaties

Dit artikel steunt op artikel 4, tweede lid, Winkeltijdenwet. Artikel 4 luidt:

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling van de in artikel 2 vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op de zondag, nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en eerste of tweede kerstdag, verlenen op grond van plotseling opkomende bijzondere omstandigheden.

  • 2.

    Zij kunnen in door de gemeenteraad bij verordening aangewezen gevallen ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde verboden ten behoeve van bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard en ten behoeve van het uitstallen van goederen.

  • 3.

    De vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend. Aan de vrijstellingen en ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden.

Aangezien de Winkeltijdenwet in artikel 7, eerste lid een directe bevoegdheid verleent aan het college om vrijstelling te verlenen op grond van plotseling opkomende bijzondere omstandigheden hoeft deze mogelijkheid niet afzonderlijk te worden genoemd in de verordening. Wel worden hier op grond van het tweede lid van artikel 7 van de Winkeltijdenwet de gevallen aangewezen waarin ontheffing kan worden verleend ten behoeve van bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard.

Uit de bewoordingen van artikel 4, eerste lid, van de Winkeltijdenwet in relatie tot die van 3, vierde lid volgt dat deze ontheffing zowel op aanvraag als ambtshalve kan worden verleend.

In artikel 7, eerste lid onder c worden tentoonstellingen in kunstateliers en galeries genoemd. De reden daarvan is het volgende. Kunstateliers en galeries zijn winkels, maar hebben in de Winkeltijdenwet een speciale status, die voortkomt uit de oude Winkelsluitingswet en het daarop berustende Besluit gemeentelijke ontheffingen Winkelsluitingswet. In artikel 4 van dat landelijk geldende besluit was een afzonderlijke regeling opgenomen voor kunstateliers en galeries.

Deze bepaling hield in dat burgemeester en wethouders ontheffing konden verlenen ten behoeve van het uitstallen van niet fabrieksmatig vervaardigde kunstvoorwerpen door of voor rekening van de vervaardiger daarvan, voor de zon- en feestdagen en de sluitingsuren op werkdagen. Bij het opstellen van de Winkeltijdenwet in 1996 is deze ontheffingsmogelijkheid niet meer expliciet overgenomen in het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet. Daar kwamen direct veel vragen over. In overleg met het ministerie van Economische Zaken zijn de kunstateliers en de galeries in artikel 7, tweede lid, van de toenmalige en nu het eerste lid van de huidige verordening Winkeltijdenwet opgenomen. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de wet, zoals uitgewerkt in artikel 7, eerste lid van de verordening, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen voor de zon- en feestdagen voor bijzondere situaties. De wet laat hierin de gemeenten beleidsvrijheid. Met gebruikmaking van deze beleidsvrijheid kan de ontheffing verleend worden voor tentoonstellingen in kunstateliers en galeries. De achtergrond van deze bijzondere status voor kunstateliers en galeries is dat de mogelijkheden voor kunstenaars aan hun werk bekendheid te geven door middel van (verkoop)tentoonstellingen niet te zeer aan banden gelegd mag worden. Bovendien spelen concurrentieoverwegingen hier nauwelijks een rol, gezien het individuele karakter van de betrokken voorwerpen. 

Onder bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard kunnen feestelijkheden worden verstaan. In een uitspraak van 28 oktober 2008, LJN: BG2147 (Amsterdam Noord), heeft het CBB het begrip “feestelijkheden” ingevuld. Het ging in deze zaak onder meer om de vraag of allerlei buitenlandse en nogal buitenissige feestdagen zoals de Chinese dag van het kind, de Amerikaanse "doe vriendelijk dag" en dergelijke konden worden aangemerkt als "feestelijkheden" zoals bedoeld in de Winkeltijdenverordening van het desbetreffende stadsdeel. Uit de uitspraak blijkt "….dat het moet gaan om feestelijkheden die bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard zijn. Bij het hanteren van het begrip "bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard" moet er een verband kunnen worden aangewezen met een gebeurtenis dan wel met het beleven of uiten van opvattingen of gevoelens, waaraan blijkens een breed gedragen mening van de bevolking of een bevolkingsgroep op landelijk dan wel op lokaal niveau, een feestelijke, gedenkwaardige betekenis moet worden gehecht."

In een uitspraak van 18 december 2009 bepaalde de voorzieningenrechter dat het verlenen van ontheffing om op zondag 20 december open te zijn in verband met het plaatsvinden van een feestelijkheid (de laatste zondag voor Kerstmis), niet mogelijk was. In deze mondelinge uitspraak overwoog de rechter: “Er is echter niet gebleken welke feestelijkheid op die dag plaats zal vinden en tevens niet of de genoemde feestelijke activiteiten ten tijde van het verlenen van de ontheffing reeds gepland waren. Doordat de ontheffing is verleend aan alle winkeliers in de gemeente Lisse, komt de ontheffing eigenlijk overeen met het aanwijzen van een extra algemene koopzondag. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat de gemeenteraad de mogelijkheid heeft om burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven twaalf koopzondagen aan te wijzen. De gemeenteraad heeft deze bevoegdheid echter beperkt tot zes zon- en feestdagen, van welke bevoegdheid ook gebruik is gemaakt. Door het aanwijzen van deze extra koopzondag, hebben burgemeester en wethouders in strijd met de verordening gehandeld.” (LJN BK 7097, Lisse).

Artikel 8. Verbod straatverkoop van bepaalde goederen op zon- en feestdagen

De vrijstelling die hier wordt bedoeld betreft het te koop aanbieden en verkopen van voor directe consumptie geschikte eetwaren en alcoholvrije dranken. In de vorige versie van de verordening was deze bevoegdheid gedelegeerd aan het college. De bevoegdheidgrondslag ontbreekt hiervoor echter in het Vrijstellingenbesluit en ook in de Winkeltijdenwet. Op grond van art 10.15 van de Algemene wet bestuursrecht is delegatie alleen mogelijk als daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. De raad zal dus, indien gewenst, zelf gebieden moeten aanwijzen waar straatverkoop op zon- en feestdagen niet is toegestaan.

Artikel 9. Openstelling op werkdagen tussen 22.00 en 06.00 uur

Dit artikel steunt op artikel 7, tweede lid, van de Winkeltijdenwet. Artikel 7 luidt:

  • 1.

    De gemeenteraad kan bij verordening vrijstelling verlenen van de in artikel 2 vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op werkdagen.

  • 2.

    De gemeenteraad kan bij verordening aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om, met inachtneming van de in die verordening te stellen regels, vrijstelling en op een daartoe strekkende aanvraag ontheffing van de in het eerste lid bedoelde verboden te verlenen.

  • 3.

    De vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder beperkingen worden verleend. Aan de vrijstellingen en ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden.

Het verbod van artikel 2 van de wet voor de werkdagen staat in het eerste lid, onder c en houdt in dat de winkels niet tussen 22 en 6 uur open mogen zijn. Hetzelfde geldt voor straatverkoop (art 2, tweede lid van de Winkeltijdenwet). Er kunnen dus gebieden worden aangewezen waar de winkels door de week wel tussen 22 en 6 uur open mogen zijn en waar straatverkoop mag plaatsvinden. Artikel 7 van de wet geeft de mogelijkheid gebieden of vormen van detailhandel aan te wijzen waarvoor het verbod niet geldt. De gemeenteraad kan dit rechtstreeks in de verordening doen. Ook kan in afzonderlijke gevallen ontheffing worden verleend.

De verordening gaat ervan uit dat voor de nachtelijke openstelling de ontheffing het belangrijkste instrument is. Per geval is dan een afweging te maken of de gewenste openstelling zich verhoudt met belangen van de woon- en leefomgeving, de veiligheid en de openbare orde.

De vrijstellingen en ontheffingen kunnen onder beperkingen en voorschriften worden verleend. Aan de ontheffing kan bijvoorbeeld de beperking worden verbonden dat er na een bepaald tijdstip geen alcoholhoudende drank mag worden verkocht (CBB 18-03-2009, AWB 08/802 S2, Zaanstad) .

In het Vrijstellingenbesluit is voor een aantal overige vormen van detailhandel alleen de openstelling op zon- en feestdagen geregeld. De openstelling van deze vormen van detailhandel op de uren tussen 22.00 en 06.00 uur op werkdagen wordt door de verordening geregeld.

Artikel 10. Toerisme

Met dit gedeelte van de toelichting geeft de gemeenteraad gevolg aan de motiveringsplicht als bedoeld in artikel 3 lid 7 Winkeltijdenwet (verder te noemen WTW). Deze motivering dient in ieder geval twee onderdelen te bevatten. In eerste plaats dient de gemeenteraad te motiveren dat is voldaan aan de hierboven genoemde voorwaarden voor toepassing van artikel 3, derde lid, onder a. In de tweede plaats dient de motivering van het besluit een grondig inzicht te geven in de belangenafweging die aan het besluit ten grondslag ligt.

De hierna gegeven motivering voldoet aan deze wettelijke eisen.

Toepassingsvoorwaarden

De gemeenteraad heeft op grond van artikel 3, lid 3, WTW de bevoegdheid om bij verordening als de onderhavige vrijstelling te verlenen van het verbod om winkels op zon- en feestdagen geopend te hebben. Deze bevoegdheid is aan voorwaarden gebonden. Deze voorwaarden zijn gesteld in artikel 3, lid 3, onder a, van de WTW.

Er dient binnen de gemeente sprake te zijn van:

  • 1.

    op de gemeente of een deel daarvan gericht toerisme met een substantiële omvang;

  • 2.

    mits de aantrekkingskracht voor dat toerisme geheel of nagenoeg geheel is gelegen buiten de verkoopactiviteiten die door de vrijstelling mogelijk worden gemaakt (het toerisme dient autonoom te zijn).

De vaststelling of aan deze voorwaarden is voldaan, vergt een beoordeling van alle feiten en omstandigheden van het geval, welke nauw verweven is met de specifieke situatie van deze gemeente. De gemeenteraad heeft daarom een zekere beoordelingsvrijheid, die de rechter bij zijn toetsing behoort te respecteren.

De gemeenteraad stelt vast dat, om de hiernavolgende redenen, aan deze toepassingsvoorwaarden is voldaan.

Autonoom toerisme met een substantiële omvang

In recente jurisprudentie inzake gemeente Tilburg (AWB 12/336 AWB 12500, LJN: BZ0745)   wordt het begrip toeristische aantrekkingskracht van delen van de gemeente zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef onder a, van de Winkeltijdenwet strikt uitgelegd. Dat betekent dat wanneer de in de gemeente gelegen toeristische attracties zich niet in betekenende mate onderscheiden van datgene wat ter zake bij veel andere gemeenten voorhanden is, deze attracties op zichzelf noch tezamen de toeristische aantrekkingskracht vormen.

In de gemeente Lelystad is sprake van autonoom toerisme met een substantiële omvang. In deze gemeente zijn namelijk een aantal unieke toeristische trekpleisters c.q. voorzieningen aanwezig, op grond waarvan de gemeente Lelystad zich onderscheidt van andere gemeenten.

De volgende attracties en voorzieningen vormen op zichzelf en tezamen de toeristische aantrekkingskracht van Lelystad:

  • -

    de Oostvaardersplassen. Van een dergelijk uniek natuurgebied is er maar één in heel Nederland. Het natuurgebied kent internationale en zelfs wereldwijde interesse. Het gebied trekt naar schatting door Staatsbosbeheer ongeveer 200.000 bezoekers per jaar. Verwacht wordt dat dit aantal verder zal stijgen, helemaal wanneer het op termijn beoogde Natuur Activiteiten Centrum doorgang zal vinden;

  • -

    Natuurpark Lelystad. Eveneens een uniek park in de directe nabijheid van Lelystad. Het aantal bezoekers bedraagt 150.000 per jaar. De eigenaar van het park (Flevolandschap) werkt actief aan ontwikkeling van de gebieden in haar beheer zodat meer bezoekers welkom geheten kunnen worden in onder meer het Natuurpark;

  • -

    nautische musea aan de Kust. Nieuwland Erfgoed Centrum (36.000 bezoekers per jaar), Bataviawerf (80.000 bezoekers per jaar) en het Nationaal Scheepsarcheologisch Museum. Deze musea zijn specifiek thematisch van aard en daarmee eveneens uniek in Nederland;

  • -

    Aviodrome. Dit museum trekt jaarlijks 200.000 bezoekers en vertelt het verhaal over de ontwikkeling van de (Nederlandse) luchtvaart. Het museum kent een aantal unieke stukken in de collectie waaronder diverse vliegtuigen, maar ook het vroegere luchthavengebouw van Schiphol;

  • -

    watersport en oeverrecreatie. Niet geheel uniek waar het gaat om de ‘gebruikelijke’ zeilvaart, maar wel waar het gaat om mogelijkheden voor o.a. de Bruine Vloot en chartermogelijkheden in Bataviahaven, en de kwaliteit van vaarwater. Niet voor niets heeft in 2010 het WK Yngling plaatsgevonden in Lelystad. Watersport en oeverrecreatie zijn goed voor 400.000 activiteiten per jaar. Lelystad wil de belangrijke nautische competentie en kwaliteit de komende jaren verder uitbouwen.

Autonoom Toerisme

Deze toeristische trekpleisters maken al jaren onderdeel uit van deze gemeente en trekken grote aantallen toeristen. Derhalve is gebleken dat ze een autonome aantrekkingskracht hebben op toeristen.

Substantiële omvang

Uit cijfers en overige hierna te beschrijven omstandigheden blijkt dat deze trekpleisters ruim 1,1 miljoen bezoekers per jaar trekken tegen een inwonersaantal van ongeveer 76.000. Daarmee is sprake van meer dan ‘enig’ toerisme. Dit toerisme kent een substantiële omvang, wat hierna verder wordt toegelicht, o.a. op basis van het adviesrapport Advisering Winkeltijdenwet en hantering toeristisch regime in Lelystad en het aanvullend rapport Toerisme in Lelystad, omvang, bestedingen, spreiding en werkgelegenheid van De Afdeling Onderzoek.

Openstelling ten behoeve van het toerisme

De toeristische trekpleisters zijn deels gelegen in het buitengebied (met name Oostvaardersplassen), maar ook dichter op (Natuurpark Lelystad, Aviodrome) of zelfs in het stedelijke gebied van Lelystad (Kuststrook, nautische musea).

In de parlementaire geschiedenis bij de laatste wetswijziging van de WTW is opgemerkt dat het verband tussen het toerisme en zondagopenstelling aanwezig moet zijn of tot stand moet komen.

Dit hangt mede af van de aard van (autonome) toeristische aantrekkingskracht. De vaststelling of aan deze voorwaarde is voldaan, vergt een beoordeling van alle feiten en omstandigheden van het geval welke nauw verweven is met de specifieke situatie ter plaatse (lokaal maatwerk).

Voor de gemeente Lelystad geldt dat de economie van Lelystad een positief effect ondervindt van de toeristische trekpleisters binnen en om de gemeente. Door zondagopenstelling gedurende het gehele jaar toe te staan, zullen de toeristen die naar de toeristische bestemmingen trekken profijt ondervinden van de bijkomende faciliteiten die voortaan op zondag in Lelystad geopend zijn, met alle economische voordelen van dien. Deze impuls zal verder stimuleren dat de toeristische bestemmingen nog vaker op zondag bezocht zullen worden.

Al sinds de jaren ’70 werd al in veel gemeenten aan toeristen de mogelijkheid gegeven om te winkelen na(ast) hun primaire toeristische doel van een bezoek aan natuur- of stedenschoon. Na meer dan dertig jaar kan de gemeente Lelystad daarmee in redelijkheid aannemen dat ter ondersteuning van het substantiële en autonome toerisme in de gemeente zondagopenstelling wenselijk is, door het geven van de mogelijkheid aan toeristen om in combinatie met hun bezoek aan een toeristische attractie of een toeristisch evenement gebruik te maken van supermarkten en/of andere winkels in de gemeente Lelystad. Een bezoek aan Oostvaardersplassen kan op die manier bijvoorbeeld uitgroeien tot een ‘dagje Lelystad’. Dat past binnen de ambitie waar Lelystad de laatste jaren actief op inzet, onder andere binnen de Metropool Regio Amsterdam.

In aanvulling hierop wordt opgemerkt dat in een passage in de Memorie van Toelichting wordt gesteld dat bezoekers van natuurgebieden over het algemeen behoefte aan stilte hebben en geen behoefte aan winkelen. Deze passage van de Memorie van Toelichting vormt echter geen belemmering voor de toepassing van de toerismebepaling in Lelystad. De toeristen en bezoekers van de hiervoor genoemde toeristische trekpleisters c.q. voorzieningen zullen naar verwachting (steeds meer) gebruikmaken van de zondagopenstelling in de kernen van de gemeente Lelystad.

Aldus worden deze toeristische trekpleisters bij lange na niet enkel bezocht door de “pure” natuurliefhebbers met slechts behoefte aan stilte en rust waarop de wetgever lijkt te doelen in de genoemde passage van de Memorie van Toelichting. Zelfs als slechts een deel van de bezoekers zou overgaan tot gebruikmaking van bijvoorbeeld de zondagopenstelling van de supermarkten, zou al een impuls aan de economie van Lelystad worden gegeven en zal zondagopenstelling zonder twijfel ondersteunend zijn aan de toeristische trekpleisters in Lelystad.

Een soortgelijke visie wordt gedeeld door de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven in de casus gemeente Rheden; bij grote aantallen toeristen en onder deze omstandigheden heeft de voorzieningenrechter het in zijn uitspraak van 1 september 2011 voorshands niet onaannemelijk geacht dat, hoewel wellicht in de eerste plaats aangetrokken door het natuurgebied, een zondagopenstelling van de in de nabijheid gesitueerde supermarkten, voor een substantieel deel van de toeristen daar in het kader van een toeristisch bezoek een ondersteunende functie kan hebben.

Door de uitspraak van het CBb van 5 oktober 2012 inzake gemeente Harenkarspel ( AWB 11/588 AWB 11962, LJN: BY0042) is er duidelijkheid gegeven over de interpretatie van de wetgever aangaande de term substantieel toerisme. De beoordeling vindt plaats op een aantal aspecten: vergelijking van bezoekersaantallen (zowel dag- als verblijfsbezoekers), inkomsten gerelateerde sectoren, gemeentelijke inkomsten, spreiding en werkgelegenheid. Op basis van een aanvullend onderzoek (Toerisme in Lelystad, omvang, bestedingen, spreiding en werkgelegenheid, de Afdeling Onderzoek, 2012) wordt opnieuw bevestigd dat er in de gemeente Lelystad sprake is van substantieel toerisme.

  • a.

    Gelet op de bezoekersaantallen en de vergelijking met andere gemeenten kan uitgegaan worden van substantieel toerisme. Hoewel het aantal overnachtingen beperkt is, ontvangt Lelystad wel een substantiële hoeveelheid dagbezoekers. Het CBb stelt hieromtrent geen nadere voorwaarden, behalve dat er aangeduid moet worden dat de bezoekersaantallen zich in betekenende mate onderscheiden van andere gemeenten en dat er inzicht moet zijn in het gebruik van andere voorzieningen buiten de door hen bezochte attractie. Aan deze laatstgenoemde voorwaarden wordt voldaan in de omschrijving onder punt b.

  • b.

    De economische betekenis van toerisme is breder dan alleen dagbezoeken en verblijfsrecreatie. Ook horeca, de vervoerssector en detailhandel leveren een belangrijke bijdrage. Kijkend naar het totale plaatje exclusief detailhandel, dan is er sprake van toeristische bestedingen á €102.000.000. Ook in vergelijk met andere gemeenten is er in Lelystad sprake van substantieel toerisme.

  • c.

    Het heffen van toeristenbelasting is een keuze en geen verplichting. In Lelystad is er tot nu toe afgezien van deze belasting. Van gemeentelijke toeristische inkomsten is dus geen sprake. Deze conclusie draagt derhalve niet bij aan de afweging of er sprake is van substantieel toerisme. Het toerisme in Lelystad draagt op een andere manier wel bij, namelijk werkgelegenheid (vooral in de laag- en middelbaar opgeleide werknemers) en een aantrekkelijker vestigingsklimaat.

  • d.

    Er is het hele jaar door sprake van zowel dagbezoekers als verblijfstoerisme. Uiteraard zijn er piek- en dalmomenten, maar er is op ieder moment dus sprake van meer dan enig toerisme. Hiermee wordt voldaan aan de vraag van het CBb of er toeristische aantrekkingskracht gedurende het hele jaar.

  • e.

    Gelet op de huidige werkgelegenheid in de toeristische sector en de vergelijking met andere gemeenten is geconcludeerd dat Lelystad bovengemiddeld scoort, zowel in aantal arbeidsplaatsen als in de ontwikkeling van werkgelegenheid.

Dit alles in aanmerking genomen kan in redelijkheid worden gesteld dat de verruimde zondag-openstelling ondersteunend zal zijn aan het substantieel autonome toerisme in Lelystad.

Nu aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 3, derde lid, onder a, WTW is voldaan is de gemeenteraad bevoegd van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, lid 3, onder a gebruik te maken. In deze verordening, artikel 10 maakt de gemeenteraad van deze bevoegdheid gebruik.

Inventarisatie belangen

De gemeenteraad mag gebruikmaken van de bevoegdheid tot … na afweging van de daarbij betrokken belangen (artikel 3,lid 6 WTW). De gemeenteraad is verplicht in ieder geval de volgende belangen in de afweging te betrekken:

  • a.

    werkgelegenheid en economische bedrijvigheid in de gemeente, waaronder mede wordt begrepen het belang van winkeliers met weinig of geen personeel en van winkelpersoneel;

  • b.

    de zondagsrust;

  • c.

    de leefbaarheid, de veiligheid en de openbare orde in de gemeente.

Over deze belangenafweging overweegt de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven – onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis - in zijn uitspraak van 1 september 2011 in de casus gemeente Rheden, dat het aan de gemeente zelf is om de belangenafweging te maken en te bepalen welk gewicht die belangen krijgen. Een besluit tot vrijstelling als hier aan de orde, komt volgens de voorzieningenrechter alleen op inhoudelijke gronden voor vernietiging in aanmerking indien moet worden geoordeeld dat de gemeente na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. De toetsingsmaatstaf die de rechter hier aanlegt is dus een terughoudende, vooral als het gaat om de vraag welk gewicht de gemeente aan de verschillende, tegengestelde belangen heeft toegekend. De voorzieningenrechter acht het niet de taak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven om die afweging over te doen of zijn oordeel daarvoor in de plaats te stellen.

Omschrijving van de belangen

a. Werkgelegenheid en economische bedrijvigheid in de gemeente, waaronder mede wordt begrepen het belang van winkeliers met weinig of geen personeel en van winkelpersoneel

De aspecten arbeidstijden, openbare orde en veiligheid, hinder en overlast, criminaliteit, politie-inzet die ook na de recente wijziging van de WTW onverminderd van belang zijn, zijn bij vaststelling van de WTW 1996 en bij de recent op 1 januari 2011 gewijzigde WTW reeds door de wetgever uitdrukkelijk mee- en afgewogen. Tevens is destijds en ook nu weer door de wetgever uitgebreid ingegaan op de belangen voor de economie van het verlenen van vrijstelling of ontheffing van het verbod tot zondagopenstelling en het belang van de kleine werkgevers met geen of weinig personeel.

In dit verband moet ook worden gewezen op de wetsgeschiedenis, waaruit volgt dat het gegeven dat zondagopenstelling een ‘ongelijk speelveld’ op kan leveren uitdrukkelijk is meegewogen bij dit wetsvoorstel.

Door de wetgever wordt niet beoogd terug te keren naar het regime van de Winkelsluitingswet.

Winkeliers, klein en groot, kunnen in het huidige bestel al hun eigen afweging maken voor wat betreft openingstijden, gegeven de openingstijden in de desbetreffende gemeente.

Uiteraard dienen de belangen van kleine winkeliers wel expliciet te worden meegewogen.

In de Memorie van Toelichting bij de WTW uit 1996 is over de arbeidstijden nog opgemerkt dat regulering hiervan geen taak is van de overheid, maar dat deze behoort tot de verantwoordelijkheid van marktpartijen.

De effecten van de zondagopenstelling voor winkeliers met weinig of geen personeel zijn nadrukkelijk door de wetgever zowel in 1996 als in bij de huidige wetswijziging gewogen en hebben niet geleid tot een inperking van de mogelijkheden tot verruiming van de zondagopenstelling.

Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in Lelystad wat betreft de belangen van de kleine winkeliers specifieke - andere dan door de wetgever reeds voorziene - belangen spelen die aan zondagopenstelling in Lelystad in de weg zouden staan. Al met al hoeft de gemeenteraad in redelijkheid aan de belangen van de kleine winkeliers geen doorslaggevend gewicht toe te kennen.

Daarnaast is aannemelijk dat zondagopenstelling ook een positief effect zal gaan hebben op de economische lokale bedrijvigheid en daarmee ook op de werkgelegenheid. Winkeliers krijgen door een zondagopenstelling mogelijkheden om benodigde en extra omzet te behalen als de winkeliers hierin kansen zien. De zondagopenstelling zorgt ervoor dat de winkels die open zullen zijn, ook zorgen voor arbeidskrachten. Daarmee geeft een zondagopenstelling ook een stimulans aan de lokale werkgelegenheid.

Op landelijk niveau heeft de minister het CPB al een rapport laten opstellen waaruit blijkt dat de plaatselijke economieën en werkgelegenheid baat hebben bij zondagopenstelling. Voor Lelystad met de substantiële omvang van het plaatselijke toerisme zal dat niet anders zijn.

Uit onderzoek van BRO (Grenzeloos winkelen, 2007; Gemeente Venlo: verruiming koopzondagen?, 2007) bleek ten aanzien van de effecten van de zondagopenstelling het volgende:

  • -

    34% van de uitgaven die op zondag worden gedaan, kunnen gezien worden als extra uitgaven. Dit zijn uitgaven die anders niet zouden worden gedaan (bijvoorbeeld door de toerist) of uitgaven die anders terecht zouden komen in andere sectoren, zoals in de horeca of bij vrijetijdsvoorzieningen;

  • -

    de overige bestedingen (66%) zijn bestedingen die door de consument verschoven worden naar de zondag;

b. Zondagsrust

Ook het belang van de zondagsrust en eventuele verstoring daarvan is uitgebreid aan de orde geweest bij de totstandkoming van de WTW. De discussie daaromtrent heeft voor de wetgever geen aanleiding gevormd af te zien van het verruimen van de mogelijkheden voor zondagopenstelling.

Uit de evaluatie van de WTW in 2006 blijkt dat 7% van de Nederlandse consument de stelling ‘Ik vind het vervelend wanneer winkels op zondag open zijn, omdat het in strijd is met mijn geloof’ deelt.

De invulling van het begrip zondagrust door individuele personen is divers. Zoals uit voorgaande evaluatie van de WTW 1996 blijkt, acht slechts een klein deel van de consumenten zondagopenstelling in strijd met de zondagsrust.

Daarnaast wordt de zondagrust voor de werknemers geborgd binnen de Arbeidstijdenwet. Het is de ondernemer niet toegestaan om medewerkers te verplichten om op zondag te werken. Het uitgangspunt is dat winkelmedewerkers op zondag niet hoeven te werken. Dit is vastgelegd in artikel 5.4 van de Arbeidstijdenwet.

Tevens is er door de gemeente Lelystad specifiek onderzoek gedaan naar de bereidheid van werknemers om op zondag te werken. Uit dit onderzoek is gebleken dat de meningen sterk variëren afhankelijk van het type winkelgebied. Zo is er weinig animo om op zondag te werken in de kleinere winkelcentra, maar wordt het op zondag werken in Batavia Stad als bijzonder gewenst beschouwd. Daarnaast is er ook onderscheid te maken in het type werknemer. Jonge werknemers bij supermarkten willen juist graag op zondag werken omdat dit goed te combineren is met de studie en omdat het meer verdient. 5 tot 10% van de geïnterviewden gaf aan niet te willen werken op zondag wegens religieuze overwegingen.

c. Leefbaarheid, veiligheid en openbare orde

Tijdens de huidige zondagopenstellingen is de leefbaarheid, veiligheid en openbare orde niet in negatieve zin beïnvloed. Daarnaast geldt andersom dat de leefbaarheid binnen de verschillende winkelgebieden in Lelystad juist verhoogd kan worden nu winkels zeven dagen per week geopend kunnen zijn.

De winkels mogen en zullen (net als op elke andere dag in de week) door de zondagopenstelling de bereikbaarheid voor hulpdiensten niet belemmeren. Een zondagopenstelling verschilt hierbij niet in bedrijvigheid op andere dagen dan de zondag.

Het is van belang dat de winkelgebieden leefbaar blijven bij de mogelijkheid van zondagopenstelling. Enerzijds is in verband met de toeristische aantrekkingskracht en de daarmee samenhangende horeca en winkelvoorzieningen winkelopenstelling een pre, anderzijds dient ook het belang van de leefbaarheid voor de inwoners in het oog te worden gehouden. De verwachting is dat er, op wellicht enkele direct omwonenden na, geen overlast zal worden ervaren. In redelijkheid kan de gemeenteraad zich op het standpunt stellen dat verstoring van de leefbaarheid, veiligheid en openbare orde in Lelystad tijdens de zondagopenstelling ook in de toekomst niet zal plaatsvinden.

Wegen belangen

Bij de op grond van artikel 3, lid 6, van de WTW te verrichten belangenafweging heeft de gemeenteraad beleidsvrijheid. Deze vrijheid vindt haar grenzen binnen hetgeen gegeven de omstandigheden redelijk is te achten. Wij zijn van mening, dat voornoemde belangen niet dermate geschaad worden door vaststelling van het raadsbesluit, dat de gemeenteraad niet in redelijkheid kan overgaan tot het toepassen van de vrijstellingsmogelijkheid van de toerismebepaling van de WTW. Verder kan gesteld worden dat winkeliers de vrijheid hebben om te bepalen of zij hun winkels op zondag zullen openen.

Uitkomst belangenafweging

Alle belangen in aanmerking genomen, kan de gemeenteraad in redelijkheid meer gewicht toekennen aan de belangen vóór zondagopenstelling dan aan de belangen tegen zondagopenstelling. De belangen genoemd in artikel 3, lid 6, van de WTW zijn uitdrukkelijk meegewogen bij de totstandkoming van het besluit.

Artikel 13. Inwerkingtreding

In deze verordening is gekozen voor een vaste datum van inwerkingtreding. Dat is duidelijker en later makkelijker terug te vinden dan een afzonderlijk besluit van het college zoals in de vorige versie van de verordening was opgenomen. Deze nieuwe verordening is niet in strijd met de Winkeltijdenwet zoals die na wijziging zal luiden en kan dus eventueel al worden vastgesteld en in werking treden vóór inwerkingtreding van de wijziging van de Winkeltijdenwet.

Na inwerkingtreding van de wijziging van de Winkeltijdenwet hebben de gemeentebesturen nog een jaar de tijd om hun vrijstellingen en ontheffingen in verband met de toeristische aantrekkingskracht te heroverwegen, te onderbouwen en te voorzien van de toelichting die het

nieuwe lid 7 van artikel 3 voorschrijft. Dat volgt uit artikel II van de wijzigingswet.

Artikel 14. Citeertitel

Om te voorkomen dat de nieuwe verordening dezelfde naam heeft als de voorganger – die via artikel 12 wordt ingetrokken op het moment van inwerkingtreding van deze nieuwe – wordt voorgesteld achter de gemeentenaam het jaartal van vaststelling te plaatsen.