Algemene subsidieverordening Roosendaal

Geldend van 29-04-2013 t/m heden

Intitulé

Algemene subsidieverordening Roosendaal

De raad van de gemeente Roosendaal;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 maart 2013;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit:

vast te stellen de ‘Algemene subsidieverordening Roosendaal’

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Algemene bepalingen

In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal;

  • b.

    raad: de gemeenteraad van de gemeente Roosendaal;

  • c.

    eenmalige subsidie: subsidie ten behoeve van incidentele projecten of activiteiten die niet behoren tot de reguliere bezigheden van de subsidieaanvrager en waarvoor het college slechts voor een van tevoren bepaalde tijd van maximaal vier jaar subsidie wil verstrekken;

  • d.

    jaarlijkse subsidie: subsidie die per (boek)jaar of voor een bepaald aantal boekjaren aan een organisatie voor een periode van maximaal vier jaar wordt verstrekt.

Artikel 2 Reikwijdte verordening
  • 1. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, is deze verordening van toepassing op de volgende beleidsterreinen:

    • a. algemeen bestuur;

    • b. openbare orde en veiligheid;

    • c. verkeer, vervoer en waterstaat;

    • d. economische zaken;

    • e. onderwijs;

    • f. cultuur en recreatie;

    • g. sport;

    • h. sociale voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening;

    • i. volksgezondheid en milieu;

    • j. ruimtelijke ordening en volkshuisvesting.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen, waarin de te subsidiëren activiteiten, de doelgroepen, de verdeling, vermogensvorming, subsidieplafonds en indieningstermijn van de subsidie per beleidsterrein zoals bedoeld in het eerste lid worden omschreven.

  • 3. De raad stelt tenminste eenmaal in de 4 jaar de maatschappelijke effecten vast die de gemeente in een nader te bepalen periode wil bereiken. Deze maatschappelijke effecten vormen het referentiekader op grond waarvan subsidies worden verstrekt.

  • 4. Het college kan bepalen dat deze verordening niet van toepassing is op bepaalde subsidies.

Artikel 3 Bevoegdheid college
  • 1. Het college besluit over het verstrekken van subsidies met in achtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen of het subsidieplafond en - indien de begroting nog niet is vastgesteld, dan wel goedgekeurd - onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

  • 2. Het college is bevoegd om voorwaarden aan de beschikking tot subsidie­verlening te verbinden.

Hoofdstuk 2 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

Artikel 4 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
  • 1. Het college kan subsidieplafonds vaststellen.

  • 2. Bij de vaststelling van een subsidieplafond wordt aangegeven op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

  • 3. Bij de bekendmaking van de subsidieplafonds wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging van de subsidieplafonds en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

  • 4. Een subsidie ten laste van een begroting, die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.

Hoofdstuk 3 Aanvraag van de subsidie

Artikel 5 Bij aanvraag in te dienen gegevens
  • 1. De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college met behulp van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

  • 2. Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager de volgende gegevens:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waar subsidie voor wordt aangevraagd;

    • b.

      de maatschappelijke effecten, die daarmee worden bereikt, en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen. In het bijzonder ook in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen en op door de gemeente Roosendaal vastgestelde maatschappelijke effecten;

    • c.

      een begroting en dekkingsplan van de kosten van de activiteiten waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • d.

      indien van toepassing bij een jaarlijkse subsidie, de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag.

  • 3. Het college kan andere dan, of slechts enkele van, de in het tweede lid genoemde gegevens verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk, respectievelijk voldoende, zijn.

Artikel 6 Aanvraagtermijn
  • 1. Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt gedaan tussen 1 juli en 1 oktober in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

  • 2. Het college kan bij verordening met betrekking tot de in artikel 2 lid 2 genoemde onderwerpen een andere indieningstermijn vaststellen.

Artikel 7 Beslistermijn
  • 1. Het college beslist op een aanvraag om een eenmalige subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, dan wel, indien het college hiertoe regels heeft opgesteld, 13 weken gerekend vanaf de uiterste indieningdatum voor het aanvragen van de subsidie.

  • 2. Het college beslist op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie uiterlijk vóór 31 december van het jaar waarop de aanvraag is ingediend.

Hoofdstuk 4 Weigering van de subsidie

Artikel 8 Weigeringsgronden
  • 1. Het college kan, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, een aanvraag voor subsidie in elk geval weigeren:

    • a.

      indien de activiteiten van de aanvrager niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of niet of nauwelijks ten goede komen aan de gemeente Roosendaal of haar ingezetenen;

    • b.

      in gevallen en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    • c.

      indien de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd niet of onvoldoende bijdragen aan een of meerdere vastgestelde maatschappelijke effecten dan wel niet passen binnen het beleid van de gemeente;

    • d.

      indien aannemelijk is dat de gelden niet of in onvoldoende mate zullen worden besteed aan het maatschappelijke effect waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;

    • e.

      indien de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien, die in strijd zijn met de wet- en regelgeving, het algemeen belang of de openbare orde;

    • f.

      indien de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd uitsluitend of in hoofdzaak het doel hebben het uitdragen van overtuigingen en denkbeelden van religieuze, levensbeschouwelijke of politieke aard;

    • g.

      indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit warvoor de gemeente Roosendaal al een subsidie aan de aanvrager heeft verleend.

  • 2. Het college kan bij verordening de weigeringsgronden, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, aanvullen.

Hoofdstuk 5 Verlening van de subsidie

Artikel 9 Verlening subsidie
  • 1. Bij het besluit tot verlenen van de subsidie geeft het college aan op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaats vindt.

  • 2. Het college kan verplichtingen aan de beschikking tot subsidieverlening verbinden met betrekking tot het beheer en gebruik van de subsidie.

Artikel 10 Betaling en bevoorschotting
  • 1. Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, wordt gegeven, vindt de betaling van de gehele subsidie in één termijn plaats.

  • 2. Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, wordt gegeven, wordt 100% bevoorschot.

  • 3. Indien besloten wordt tot bevoorschotting van de subsidie, worden in het besluit tot subsidieverlening, de hoogte en termijnen van de voorschotten bepaald.

Hoofdstuk 6 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 11 Meldingsplicht

De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college, zodra aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 12 Bezoldiging subsidieontvanger
  • 1. De subsidieontvanger, waarop artikel 4.1 eerste en tweede lid van de Wet normering

    bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector en artikel 4.2 van de Wet

    normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector van toepassing is, die een subsidie ontvangt van in totaal meer dan € 50.000,- zendt het college uiterlijk op 1 juli de gegevens en de motivering zoals bedoeld in deze wet.

  • 2. Indien de subsidieontvanger de in het eerste lid bedoelde verplichting niet nakomt, kan het in de verleningsbeschikking genoemde subsidiebedrag bij de subsidievaststelling worden verminderd met maximaal 25%.

  • 3. De subsidieontvanger waarop de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector van toepassing is, en die een subsidie ontvangt van in totaal meer dan € 50.000,-, is verplicht om de bezoldigingsnorm zoals bepaald bij of krachtens deze wet voor een ieder bij de subsidieontvanger in acht te nemen. Indien voor een sector een hoger bezoldigingsmaximum is afgesproken tussen de sector en de minister, dan geldt dit maximum.

  • 4. Indien de subsidieontvanger de in het vorige lid bedoelde verplichting niet nakomt, kan het in de verleningsbeschikking genoemde subsidiebedrag bij de subsidievaststelling worden verminderd. De vermindering is gelijk aan het bedrag van de overschrijding van de geldende inkomensgrens in het kalenderjaar waarop de verleningsbeschikking betrekking heeft.

  • 5. Het college kan besluiten dat de regeling als bedoeld in dit artikel ook geldt voor andere rechtspersonen en organisaties mits:

    • a.

      de bekostiging van deze rechtspersonen of organisaties middellijk of rechtstreeks gedeeltelijk uit publieke middelen plaatsvindt of heeft plaatsgevonden of indien deze rechtspersonen of organisaties een wettelijke taak vervullen of anderszins een publiek belang dienen, of

    • b.

      sprake is van een gelieerde rechtspersoon.

Artikel 13 Overige verplichtingen van de subsidieontvanger
  • 1. De subsidieontvanger verricht de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2. De subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:

    • a.

      besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, dan wel ontbinding van de rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden voorwaarden geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;

  • 3. De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor handelingen als vermeld in artikel 4:71 Algemene wet bestuursrecht.

  • 4. Indien sprake is van ontbinding van de rechtspersoon die subsidie ontvangt, kan het college besluiten dat het batig saldo van de liquidatierekening, gelimiteerd tot het bedrag dat opgebouwd is met (behulp van) gemeentelijke subsidie, vervalt aan de gemeente.

Hoofdstuk 7 Verantwoording en vaststelling van de subsidie

Artikel 14 Verantwoording subsidies tot en met € 10.000
  • 1. Subsidies tot en met € 10.000 worden door het college:

    • a.

      direct vastgesteld; of

    • b.

      ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.

  • 2. Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan het college de aanvrager verplichten om op de door hem aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 15 Verantwoording subsidies vanaf € 10.000 tot en met € 100.000
  • 1. Bij subsidies vanaf € 10.000 tot en met € 100.000, dient de ontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college:

    • a.

      bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten;

    • b.

      bij een jaarlijkse subsidie, uiterlijk op 30 april in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk 4 maanden na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2. De aanvraag tot subsidievaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;

    • b.

      een door het bestuur gewaarmerkt financieel verslag of een door het bestuur gewaarmerkte jaarrekening;

  • 3. Het college kan bepalen dat andere, of minder dan de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd.

Artikel 16 Verantwoording subsidies vanaf € 100.000
  • 1. Bij subsidies vanaf € 100.000, dient de ontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college:

    • a.

      bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten;

    • b.

      bij een jaarlijkse subsidie, uiterlijk op 30 april in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk 4 maanden na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2. De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;

    • b.

      een door het bestuur gewaarmerkt financieel verslag of een door het bestuur gewaarmerkte jaarrekening;

    • c.

      een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop;

    • d.

      een accountantsverklaring.

  • 3. Het college kan bepalen dat in het inhoudelijk verslag als bedoeld in het vorige lid tevens wordt vermeld in hoeverre de activiteiten hebben bijgedragen aan de in de aanvraag aangegeven maatschappelijke effecten.

  • 4. Het college kan bepalen dat andere, of minder dan de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd.

Artikel 17 Vaststelling subsidie
  • 1. Het college stelt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast.

  • 2. Het college kan deze termijn eenmaal voor ten hoogste 8 weken verdagen.

  • 3. Het college kan bij verordening categorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen, waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in te dienen.

  • 4. Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip bedoeld in de artikelen 15, eerste lid en artikel 16, eerste lid is ontvangen, gaat het college zes weken na een eenmalige rappel over tot ambtshalve vaststelling.

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen

Artikel 18 Standaardberekeningswijzen van uurtarieven
  • 1. Indien bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, dienen deze tarieven door de subsidieaanvrager te worden berekend met gebruikmaking van een door het college voor te schrijven standaardberekeningswijze.

  • 2. Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van door het college bepaalde definities.

Artikel 19 Vorming van reserves
  • 1. Het college kan bij de vaststelling van de subsidie toestemming verlenen aan de subsidieontvanger om het positieve verschil tussen de verleende subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten toe te voegen aan de algemene reserves of bestemmingsreserves. Dit kan slechts wanneer de subsidieontvanger alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend heeft verricht en aan alle verplichtingen opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening heeft voldaan.

  • 2. Het in lid 1 genoemde positieve verschil mag niet meer dan 5% van het verleende subsidiebedrag bedragen. Overschrijding van dit percentage leidt tot terugvordering van (een gedeelte van) de subsidie.

  • 3. In bijzondere gevallen kan het college afwijken van de in  het tweede lid genoemd percentage. Deze bevoegdheid heeft het college slechts indien de subsidieontvanger naar het oordeel van het college de noodzaak voor een hogere reservering voldoende heeft aangetoond.

Artikel 20 Hardheidsclausule
  • 1. Het college kan deze verordening, met uitzondering van de artikelen 1 tot en met 3, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de subsidieaanvrager of -ontvanger leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

  • 2. Het van toepassing verklaren van het eerste lid wordt gemotiveerd in het besluit en hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de gemeenteraad.

Artikel 21 Intrekking

De Algemene Subsidieverordening Roosendaal 2006 wordt ingetrokken.

Artikel 22 Overgangsbepaling

Aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden afgedaan volgens de bepalingen van de Algemene Subsidieverordening Roosendaal 2006.  

Artikel 23 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van de derde dag volgend op haar bekendmaking.

Artikel 24 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Algemene subsidieverordening Roosendaal (ASV).

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 17 april 2013.

de griffier, de voorzitter,