Telecommunicatieverordening gemeente Nieuwegein

Geldend van 16-02-2012 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2012

Intitulé

Telecommunicatieverordening gemeente Nieuwegein

De raad van de gemeente Nieuwegein;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 mei 2009;

gelet op artikel 5.4, vierde lid, van de Telecommunicatiewet, artikel 149 van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht;

besluit vast te stellen de

Telecommunicatieverordening gemeente Nieuwegein

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.

wet:

Telecommunicatiewet;

b.

openbaar elektronisch telecommunicatienetwerk:

telecommunicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1, onder h, van de wet;

c.

kabels:

kabels als bedoeld in artikel 1.1, onder z, van de wet;

d.

voorzieningen:

ondergrondse ondersteuningswerken als bedoeld in artikel 5.15, van de wet, en kabels;

e.

openbare gronden:

openbare wegen en wateren als bedoeld in artikel 1.1, onder aa, van de wet;

f.

aanbieder:

aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 5.1 van de wet;

g.

werkzaamheden:

werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk in of op openbare gronden;

h.

gedoogplichtige:

degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de wet;

i.

college:

college van burgemeester en wethouders;

j.

melding:

melding als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder a, van de wet;

k.

instemmingsbesluit:

besluit van het college als bedoeld in artikel 5.4 eerste lid, onder b, van de wet;

l.

huisaansluiting:

het gedeelte van een kabel van minder dan 25 m in openbare gronden dat een openbaar elektronisch communicatienetwerk verbindt met een netwerk-aansluitpunt als bedoeld onder artikel 1.1, onder k, van de wet;

m.

werkzaamheden van niet ingrijpende aard:

werkzaamheden aan het openbare elektronische communicatienetwerk met een tracélengte van minder dan 25 m, uitgezonderd de plaatsing van handholes, en niet vallend onder artikel 3 en het aanbrengen of verwijderen van kabels in en vanuit reeds aangebrachte voorzieningen.

Artikel 2 Wijze van melding van voorgenomen werkzaamheden

  • 1. Een aanbieder die werkzaamheden wil verrichten, meldt dit voornemen ten minste vier weken voor de aanvang aan het college met een door het college vastgesteld formulier.

  • 2. Een aanbieder die werkzaamheden wil verrichten, kan hierover vooroverleg voeren met het college ten einde de melding, bedoeld in het eerste lid van dit artikel voor te bereiden.

  • 3. Indien de werkzaamheden mede betrekking hebben op gronden van een andere gedoogplichtige dan de gemeente, wordt het college uiterlijk twee weken na ontvangst van de melding in het eerste lid schriftelijk in kennis gesteld van de resultaten van het overleg tussen de aanbieder en de andere gedoogplichtige.

  • 4. Voor het verrichten van werkzaamheden van niet ingrijpende aard kan de aanbieder volstaan met een melding aan het college minimaal twee dagen voorafgaande aan de werkzaamheden op een door het college te bepalen wijze.

Artikel 3 Ernstige belemmeringen en storingen

Ingeval van spoedeisende werkzaamheden ten gevolge van ernstige belemmering of storing van de communicatie in de zin van artikel 5.6, tweede lid, van de wet volstaat de aanbieder met een melding voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. De aanbieder maakt achteraf zo spoedig mogelijk melding van de werkzaamheden via een door de burgemeester vast te stellen formulier aan de burgemeester of een daartoe gemachtigde ambtenaar.

Artikel 4 Gegevensverstrekking

  • 1. Bij een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening, verstrekt de aanbieder in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      naam, (e-mail)adres en telefoon- en faxnummer van degene die de kabel of het netwerk in eigendom heeft, beheert of exploiteert.

    • b.

      een opgave van het aantal kabels en/of buizen dat direct met kabels wordt gevuld of ingeblazen en een opgave van het aantal buizen dat leeg wordt aangebracht;

    • c.

      een opgave van belanghebbenden en instanties die vooraf in kennis worden gesteld van de voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en de aard van de werkzaamheden;

    • d.

      een uitvoeringsplan met daarin opgenomen:

      • 1e

        een opgave van het gewenste tracé met daarbij duidelijke (digitale) tekeningen en daarop aangegeven wat de te verbinden locaties zijn;

      • 2e

        een opgave van de objecten die ten tijde van de werkzaamheden worden geplaatst, alsmede van de gewenste situering daarvan;

      • 3e

        een omschrijving van de opbrekingen van de verharding;

      • 4e

        de doorsnede van de kabel en indien van toepassing de kabelgoot;

      • 5e

        de opgave van ondergrondse (handholes en dergelijke) of bovengrondse kasten waarvoor geen bouwvergunning noodzakelijk is, alsmede de situering en afmetingen daarvan;

      • 6e

        naam, (e-mail)adres, telefoon- en faxnummer van de contactpersoon, aannemers of onderaannemers die belast zijn met de werkzaamheden en van een door hen aangewezen contactpersoon die ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden vierentwintig uur per dag bereikbaar is in verband met mogelijke calamiteiten;

      • 7e

        de maatregelen die de bereikbaarheid van de in de openbare grond aanwezige kabels en leidingen waarborgen;

      • 8e

        de bereikbaarheid van percelen en opstallen in de nabijheid van de uit te voeren werkzaamheden;

      • 9e

        alle overige van belang zijnde feiten en omstandigheden gelet op de in artikel 5.4 leden 2 en 3 van de wet genoemde belangen;

  • 2. Het college kan nadere regels stellen aan de gegevens die bij de melding worden verstrekt alsook over de wijze waarop deze gegevens worden verstrekt.

Artikel 5 Beslistermijn en aanhouding

  • 1. Een beslissing op een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening wordt genomen uiterlijk acht weken na ontvangst van de melding. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel houdt het college de beslissing aan, indien er in verband met werkzaamheden ten behoeve van het openbare elektronisch communicatienetwerk een vergunning als bedoeld in de Woningwet, de Wet milieubeheer of een kapvergunning is vereist.

  • 3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 6 Voorschriften en beperkingen bij instemming

  • 1. Het instemmingsbesluit heeft een maximale werkingsduur van twaalf maanden. De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen twaalf maanden na aanvang van de werkzaamheden, tenzij in het instemmingsbesluit anders is bepaald.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen omtrent het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels, het bevorderen van medegebruik van voorzieningen en het afstemmen van de voorgenomen werkzaamheden met beheerders van overige in de grond aanwezige werken, alsook over de afmetingen van kasten, handholes en andere toebehoren, behorende bij een openbaar elektronisch communicatienetwerk.

  • 3. Indien binnen 3 jaar na groot onderhoud of herinrichting van de openbare gronden de aanbieder werkzaamheden moet uitvoeren, kan het college bijzondere voorwaarden stellen aan het herstel. De hiermee gepaard gaande kosten zijn voor rekening van de aanbieder.

  • 4. Aan herstel van bijzondere bestrating kan het college nadere voorwaarden stellen.

Artikel 7 Wijzigen of intrekken instemming

Het college kan een instemmingsbesluit wijzigen of intrekken indien:

    • a.

      de aanbieder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het instemmingsbesluit de werkzaamheden als omschreven in het instemmingsbesluit is begonnen;

    • b.

      de aanbieder de exploitatie en het onderhoud van de kabels en of leidingen gedurende een aaneengesloten periode van tenminste zes maanden staakt dan wel de kabels anderszins gedurende een periode van tenminste zes maanden niet in gebruik is en niet onderhouden is;

    • c.

      blijkt dat het instemmingsbesluit op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend;

    • d.

      het instemmingsbesluit in strijd met enig wettelijk voorschrift is verleend;

    • e.

      de aanbieder het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften in het instemmingsbesluit niet naleeft;

    • f.

      na het verlenen van het instemmingsbesluit naar het oordeel van het college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van het instemmingsbesluit onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan het verleende instemmingsbesluit niet kan worden tegemoetgekomen;

    • g.

      noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken.

Artikel 8 (Mede)gebruik van voorzieningen en vooroverleg

  • 1. Een aanbieder is verplicht om bij de aanleg van kabels in openbare gronden zoveel mogelijk (mede)gebruik te maken van bestaande, hetzij door andere aanbieders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde voorzieningen.

  • 2. Het vooroverleg als bedoeld in artikel 2, tweede lid, dan wel een door het college geëntameerd overleg naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is er mede op gericht te bepalen of en zo ja langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Indien de aanbieder een redelijk aanbod wordt gedaan om gebruik te maken van de vooraangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels, is de aanbieder verplicht om voor de aanleg of uitbreiding van zijn netwerk van deze voorzieningen gebruik te maken.

  • 4. Indien de openbare gronden geen ruimte bieden voor de aanleg van nieuwe kabels, dient de aanbieder een alternatief tracé te kiezen, of aan andere aanbieders een billijk verzoek tot medegebruik van kabels te doen, op grond van artikel 5.12, van de wet.

Artikel 9 Overdracht voorzieningen

Indien kabels en beschermingswerken worden overgedragen aan een nieuwe aanbieder draagt deze zorg voor een voldoende, algemene registratie van zijn kabels; melding bij het Kadaster wordt als voldoende aangemerkt.

Artikel 10 Melding wijziging voorzieningen

De aanbieder stelt het college onverwijld schriftelijk in kennis van het feit dat de eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel verandert of dat de kabel niet langer ten dienste staat van een openbaar elektronisch telecommunicatienetwerk in of op openbare gronden.

Artikel 11 Intrekking oude verordening

De Telecommunicatieverordening gemeente Nieuwegein, vastgesteld bij raadsbesluit van 20 mei 1999, wordt ingetrokken.

Artikel 12 Overgangsrecht

  • 1. De Telecommunicatieverordening gemeente Nieuwegein, bedoeld in artikel 11, blijft van kracht op meldingen waarop reeds krachtens diezelfde verordening is beslist, maar waarvan de uitvoering op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog niet is gerealiseerd.

  • 2. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een melding is gedaan op grond van de Telecommunicatieverordening gemeente Nieuwegein, bedoeld in artikel 11, maar waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2009.

Artikel 14 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Telecommunicatieverordening gemeente Nieuwegein.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 juni 2009.

de griffier de voorzitter

Toelichting Telecommunicatieverordening gemeente Nieuwegein

Inleiding

Op 1 februari 2007 is in werking getreden een wijziging van de Telecommunicatiewet (Stb. 2007,17). De wijzingen betreffen met name hoofdstuk 5 van de wet: De aanleg, instandhouding en opruiming van kabels. In dit hoofdstuk is onder meer geregeld de gedoogplicht van de gemeente voor telecommunicatiekabels in de openbare gronden met het adagium ‘leggen om niet, verleggen om niet’. De wetswijziging is er mede op gericht de belangen van gemeenten als beheerder van de openbare gronden en de aanbieders van openbare elektronisch communicatienetwerken (telecombedrijven) meer in evenwicht te brengen. De belangrijkste wijzigingen betreffen kort de volgende onderwerpen:

Lege buizen

In de eerste plaats is met het wetsontwerp een technisch-juridische fout goedgemaakt.

Daardoor vallen lege buizen die bestemd zijn voor telecomkabels, alsnog onder hetzelfde juridische regime als 'gevulde' buizen. Dit betekent dat ook het verplaatsen van de lege buizen bij de uitvoering van werken of de oprichting van gebouwen op kosten van het telecommunicatiebedrijf (hierna: telecombedrijf) moet gebeuren.

Gedoogplicht openbare gronden

Artikel 5.2, eerste lid, van de wet bepaalt dat de gedoogplicht geldt voor openbare gronden in de gemeente. Als door een bestemmingswijziging de grond zijn openbaarheid verliest vervalt de gedoogplicht, ook al blijft de grond daarbij in eigendom van de gedoogplichtige. Een voorbeeld: een woonwijk wordt helemaal opnieuw ingericht, waardoor de telecomkabels in tuinen van nieuw te bouwen woningen komen te liggen. Geldt dan nog de gedoogplicht? Nee, de gedoogplicht vervalt puur op basis van het feit dat de grond niet meer openbaar is. Op basis van lid 1 van artikel 5.2 van de wet doet het er niet toe of er sprake is van uitvoering van werken of de oprichting van gebouwen op die locatie. Hoe dit in de praktijk gaat werken is nog onduidelijk. Zo is het de vraag of de kabel echt verwijderd moet worden als deze geen hinder oplevert.

Aanbieder netwerk

Artikel 5.1 van de wet breidt het begrip 'aanbieder van een elektronisch communicatienetwerk' uit tot een aanlegger van een netwerk die dit niet zelf gaat exploiteren. Dat is bijvoorbeeld een aannemer die voor eigen rekening en risico een openbaar elektronisch telecommunicatienetwerk (hierna: telecomnetwerk) aanlegt om het te verkopen of te verhuren. Het telecomnetwerk dient wel binnen 10 jaar in gebruik te zijn genomen als ‘openbaar elektronisch communicatienetwerk’.

Medegebruik

Volgens artikel 5.2, zevende lid, van de wet dient het telecombedrijf op verzoek van de gedoogplichtige gebruik te maken van reeds aanwezige mantelbuizen indien deze tegen een marktconforme prijs ter beschikking worden gesteld. Die mantelbuizen kunnen zijn aangelegd door de gemeente zelf of door een ander telecombedrijf. Doel hiervan is te voorkomen dat er overbodig wordt gegraven in gemeentegrond. De minister van EZ kan in verband met het medegebruik aanvullende voorwaarden stellen bij de aanleg van netwerken.

De verplichting tot mede gebruik wordt opgelegd in het instemmingsbesluit.

Gedoogplicht lege buizen 10 jaar

Op grond van artikel 5.2, lid 8, van de wet dienen lege buizen binnen 10 jaar in gebruik te zijn genomen voor openbare telecommunicatiediensten. Het telecombedrijf moet het in gebruik nemen schriftelijk melden aan de gemeente. Heeft deze dit binnen genoemde periode niet gedaan, dan is de gedoogplicht vervallen en kan de gemeente de verwijdering van de lege buizen op kosten van het telecombedrijf vorderen of precario heffen.

Voor reeds liggende lege buizen geldt op basis van het tweede lid van artikel 20.5 van de wet, een overgangsmaatregel. Tot 1 januari 2018 moeten deze worden gedoogd, tenzij deze gevaar of ernstige hinder opleveren. De telecombedrijven zijn verplicht na inwerkingtreding van het wetsontwerp de lege buizen schriftelijk aan de gemeente te melden.

Publiekrechtelijke instemming versus privaatrechtelijk toestemming

Voor het aanleggen van een telecomnetwerk heeft het telecombedrijf in principe zowel een publiekrechtelijke instemming van de gemeente nodig op grond van de Telecommunicatiewet, als een privaatrechtelijke toestemming van de gemeente als eigenaar/beheerder van de openbare grond. Om "dubbel werk" te voorkomen is in de wet bepaald dat het instemmingsbesluit van de gemeente tevens de privaatrechtelijke toestemming inhoudt. Dit is geregeld in artikel 5.4, lid 7 van de wet.

Instemmingsbesluit Telecommunicatieverordening

Artikel 5.4 van de wet gaat gedetailleerd in op de instemmingsprocedure. Hierbij is meer rekening gehouden met de belangen van de gedoogplichtige gemeente. Zo moet het tijdstip waarop van de werkzaamheden worden gestart aan de kabel(s) niet later liggen dan 12 maanden na datum van het instemmingsbesluit, tenzij er zwaarwichtige redenen zijn van publiek belang om de werkzaamheden later te starten.

Herbestraten

Artikel 5.7 van de wet geeft antwoord op de vraag wie herbestraat na beëindiging van de werkzaamheden. Dit is de aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk (aanlegger), tenzij de gemeente heeft aangegeven dit zelf te willen doen. De gemeente dient hiervoor marktconforme tarieven in rekening te brengen.

Volgens de Memorie van Toelichting betreft het niet alleen herbestraten, maar dient het ruimer te worden gezien: werkzaamheden die nodig zijn in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk vallen daar ook onder. Als voorbeeld wordt genoemd het treffen van veiligheidsmaatregelen zoals het aanbrengen van verlichting, afzettingen of het tijdelijk verplaatsen van verkeersborden. Indien de gedoogplichtige als beheerder (gemeente) deze maatregelen moet treffen dient de aanlegger de kosten daarvan te vergoeden aan de gemeente (de gedoogplichtige) volgens marktconforme prijzen.

De gedoogplichtige kan er ook zelf voor kiezen om werkzaamheden te doen (bv het dicht maken van een geul). De aanbieder zal dan ook de kosten die voortvloeien uit de werkzaamheden om de grond weer in de oude staat terug te brengen (ook marktconform) moeten dragen.

VNG heeft in samenspraak met aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken afspraken gemaakt met betrekking tot te vergoeden kosten ingeval van het herbestraten van openbare wegen.

De gemeente Nieuwegein volgt deze tarieven niet en maar hanteert wel het daarvoor geautomatiseerd ontworpen systeem.

Kosten die aanvullend worden gemaakt op de kosten die noodzakelijk zijn voor het terugbrengen van de grond in de oude toestand komen niet voor rekening van de aanbieder.

Verplaatsen van kabels

Artikel 5.8 van de wet geeft een uitbreiding van de plicht tot het nemen van maatregelen dan wel het verplaatsen op kosten van het telecombedrijf bij de uitvoering van werken of de oprichting van gebouwen. Deze verplichting geldt ook als de gemeente (op basis van bijvoorbeeld een overeenkomst met een projectontwikkelaar) de plicht heeft de grond te leveren zonder concrete problemen vanwege telecomkabels in verband met de oprichting van gebouwen door deze projectontwikkelaar. Indien echter de gebouwen niet worden gerealiseerd dient de gemeente de verplaatsingskosten te vergoeden.

Indien een verzoek tot het nemen van maatregelen of het verplaatsing van kabels door de gemeente wordt gedaan binnen vijf jaar nadat op basis van een instemmingsbesluit deze kabels zijn gelegd, dan komen de kosten daarvan voor rekening van de verzoekende gemeente (zie artikel 5.8 lid 4 Telecommunicatiewet) anders verwoord: indien binnen vijf jaar na een verzoek tot het nemen van maatregelen op grond van het eerste of tweede lid opnieuw een verzoek wordt gedaan door degene op wie de gedoogplicht rust, komen de daarmee verbonden kosten voor rekening van degene op wie de gedoogplicht rust).

Het telecombedrijf dient binnen 16 weken na ontvangst van het verzoek tot het nemen van maatregelen over te gaan. Betreft het een verzoek tot verplaatsen van de kabels dan dient telecombedrijf binnen 12 weken na het beschikbaar komen van een plaats waarheen de kabels verlegd kunnen worden, te starten met de werkzaamheden.

Indien de gemeente en een telecombedrijf het niets eens zijn over de vraag wie de verplaatsingskosten moet betalen, kan dit geschil zowel door de gemeente als het telecombedrijf worden voorgelegd aan de OPTA, die binnen acht weken uitspraak doet.

Exploitatie van openbare elektronische communicatienetwerken

Het is gemeenten verboden openbare elektronische communicatienetwerken te exploiteren. Echter, wanneer een gemeente kan aantonen dat een breedbandig openbaar elektronisch telecommunicatienetwerk niet tot stand komt door de markt, dan mag zij onder strikte voorwaarden genoemd in artikel 5.14 van de wet, een belang hebben in een dergelijke onderneming.

Eigendom netwerken

De wet bepaalt dat het telecombedrijf eigenaar is van zijn netwerk. Voor andere netwerken van nutsleidingen als water, elektriciteit, etc. bestond de vraag of de grondeigenaar door zogenaamde verticale natrekking eigenaar is, of het nutsbedrijf door horizontale natrekking. In het wetsontwerp is een wijziging van het Burgerlijk Wetboek opgenomen waardoor het nu vaststaat dat netwerken eigendom zijn van de bevoegde aanlegger. Dit geldt ook voor reeds aangelegde netwerken. Deze bepaling luidt nu als volgt:

Artikel 5:20 Burgerlijk Wetboek

  • 1.

    De eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt:

    • a.

      de bovengrond;

    • b.

      de daaronder zich bevindende aardlagen;

    • c.

      het grondwater dat door een bron, put of pomp aan de oppervlakte is gekomen;

    • d.

      het water dat zich op de grond bevindt en niet in open gemeenschap met water op eens anders erf staat;

    • e.

      gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak;

    • f.

      met de grond verenigde beplantingen.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 behoort de eigendom van een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, dat in, op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd, toe aan de bevoegde aanlegger van dat net dan wel aan diens rechtsopvolger.

Evenals de oude wet heeft het telecombedrijf op basis van artikel 5.4, lid 1, wet voorafgaand aan de start van de werkzaamheden voor het leggen, instandhouding of verwijderen van kabels in de openbare grond een instemmingsbesluit van het college nodig.

De leden 2 en 3 bepalen welke voorschriften het college aan het instemmingsbesluit kunnen verbinden.

De leden 4 en 5 leggen de verplichting op aan de gemeenteraad tot het bij verordening regels vast te stellen omtrent:

  • a.

    het tijdstip, voorafgaand aan het verrichten van de werkzaamheden, waarop de melding uiterlijk moet zijn gedaan;

  • b.

    de gegevens die bij de melding moeten worden verstrekt, waaronder het uitvoeringsplan;

  • c.

    de wijze van uitvoering van de werkzaamheden bij aanleg, instandhouding en opruiming;

  • d.

    het bevorderen van medegebruik van voorzieningen;

  • e.

    het afstemmen van de voorgenomen werkzaamheden met beheerders van overige in de grond aanwezige werken;

  • f.

    de wijze van melding en uitvoering van spoedeisende werkzaamheden in verband met ernstige belemmeringen of storing van de communicatie;

In de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden van al dan niet ingrijpende aard.

Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten

Op 21 april 2008 is de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION), ook wel genoemd de grondroerdersregeling in werking getreden.

Deze wet voorziet in een verplichte registratie van kabels en buizen en een verplichte informatie-uitwisseling bij graafwerkzaamheden om op deze wijze schade aan kabels en buizen te voorkomen bij de uitvoering van deze werkzaamheden. De wet vervangt de (vrijwillige) registratie van ondergrondse netten door het deelnemerschap aan KLIC. Bij het van kracht worden van de artikelen in de grondroerdersregeling die registratie bij het Kadaster voorschrijven is het overbodig geworden een bepaling daarover op te nemen in deze verordening.

Beleidsregels OPTA

Op 28 juni 2008 zijn de beleidsregels inzake de aanleg, instandhouding en opruiming kabels in werking getreden. Deze beleidsregels zijn opgesteld door de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA). De beleidsregels zijn beperkt tot de bevoegdheden van de OPTA ten aanzien van het beslechten van geschillen en het behandelen van handhavingsverzoeken met betrekking tot hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet.

Wat betekenen deze beleidsregels voor de gemeente Nieuwegein in praktijk?

In artikel 5.4, lid 7 van de Telecommunicatiewet is bepaald dat als een gemeente gedoogplichtige is artikel 5.3 Telecommunicatiewet geen toepassing vindt voor zover de belangen van de gemeente kunnen worden behartigd in het door burgemeester en wethouders te verlenen instemmingsbesluit. Privaatrechtelijke belangen van de gemeente worden niet behartigd door een verleend instemmingsbesluit.

Indien er een geschil is tussen de gemeente en een aanbieder over de aanleg van kabels, het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en het medegebruik van voorzieningen, kan aan de OPTA om een beschikking verzocht worden.

De OPTA is bevoegd te oordelen over geschillen:

  • -

    met betrekking tot artikel 5.3 Telecommunicatiewet indien de gemeente meent ten onrechte in zijn civielrechtelijke hoedanigheid als gedoogplichtige te zijn aangesproken;

  • -

    met betrekking tot artikel 5.3 Telecommunicatiewet indien zij in hun civielrechtelijke hoedanigheid als gedoogplichtige geen overeenstemming kunnen bereiken met een aanbieder inzake de gedoogplicht;

  • -

    gemeenten kunnen het college om een beschikking vragen in alle gevallen waarin sprake is van openbare grond, waarover zij in hun civielrechtelijke hoedanigheid als gedoogplichtige met de aanbieder geen overeenstemming kunnen bereiken;

  • -

    andere overheden kunnen de OPTA om een beschikking vragen in alle gevallen waarin de vigerende regelgeving niet voorziet;

  • -

    gemeenten en andere overheden kunnen de OPTA om een beschikking vragen indien zij geen overeenstemming kunnen bereiken met een aanbieder over het medegebruik van voorzieningen op grond van artikel 5.2 lid 7 of artikel 5.12 Telecommunicatiewet en

  • -

    in de gevallen waarin een aanbieder van mening is dat een gemeente of een ander overheidsorgaan ten onrechte andere wetgeving aanwendt om zich te onttrekken aan de gedoogplicht, kan de OPTA zijn handhavende bevoegdheid toepassen.

De beleidsregels regelen verder procedurele bepalingen ten aanzien van de geschilbeslechting, aanleg van kabels, maatregelen ten aanzien van kabels en medegebruik van voorzieningen alsmede bepalingen met betrekking tot handhaving.

Artikelsgewijs

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

De begripsomschrijvingen zijn voor zover nodig aan de nieuwe nummering van de Telecommunicatiewet aangepast.

Kanttekeningen:

  • ·

    Openbaar telecommunicatie elektronisch communicatienetwerk

    De gedoogplicht van de gemeente geldt slechts voor openbare elektronische communicatienetwerken, in artikel 1.1 h van de Telecommunicatiewet gedefinieerd als een ‘elektronisch communicatienetwerk dat geheel of hoofdzakelijk wordt gebruikt om openbare elektronische communicatiediensten aan te bieden, waaronder mede begrepen een netwerk, bestemd voor het verspreiden van programma’s voor zover dit aan het publiek geschiedt.

  • ·

    Kabels en ondersteuningswerken

    Onder kabels verstaat de Telecommunicatiewet het geheel van voorzieningen ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, dus de ondersteuningswerken (buizen), maar ook de benodigde kasten en dergelijke.

    In de begripsomschrijving zijn de voorzieningen apart genoemd.

    Voorzieningen, niet in gebruik voor een openbaar elektronisch communicatienetwerk, vallen volgens artikel 5.15 van de wet ook onder de gedoogplicht met dien verstande dat de gedoogplicht eindigt, indien niet na 10 jaar de ondersteuningswerken deel zijn gaan uitmaken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk (artikel 5.2, lid 8 van de wet).

  • ·

    Werkzaamheden van niet-ingrijpende aard

    Met het apart definiëren van dergelijke werkzaamheden wordt gevolg gegeven aan artikel 5.4, lid 5, van de wet. Binnen de begripsbepaling zijn enige voorbeelden opgenomen van niet ingrijpende werkzaamheden. Het staat de gemeente vrij de omschrijving van werkzaamheden van niet ingrijpende aard zelf anders in te vullen. Het is immers een uitzondering op de standaard meldplicht van artikel 4 van de modelverordening en daarom een limitatieve opsomming.

Artikel 2 Wijze van melding van voorgenomen werkzaamheden

De algemene melding voor de uitvoering van werkzaamheden dient, in samenhang met artikel 5, lid 1, van de verordening, te geschieden vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden.

In het tweede lid is uitdrukkelijk de mogelijkheid opgenomen om voor de melding overleg te voeren. In dit overleg kan onder meer aan de orde komen het mogelijk medegebruik van voorzieningen en het splitsen van de werkzaamheden bij omvangrijke projecten. Op deze wijze wordt bevorderd dat de termijn van vier weken ook werkelijk kan worden gehaald.

Het vierde lid geeft de mogelijkheid van een eenvoudige melding van twee dagen voor de aanvang van de werkzaamheden op een door het college te bepalen wijze. Er kan bijvoorbeeld geopteerd worden om meldingen via geautomatiseerd systeem uit te voeren. Dit systeem kan ook worden benut om meldingen ter verkrijging van een instemmingsbesluit daarin bij te houden.

Artikel 3 Ernstige belemmeringen en storingen

In dit artikel wordt aan artikel 5.4, lid 4, sub f en artikel 5.6 van de Telecommunicatiewet voldaan. In dit geval kan worden volstaan aan een melding aan de burgemeester of een door hem of haar aan te stellen ambtenaar. Ernstige belemmeringen of storingen in de communicatie zijn niet nader omschreven, wel wordt in de toelichting op de wet als voorbeeld gegeven de situatie van een kabelbreuk. Het gemeentebestuur zal moeten beoordelen of een ernstige belemmering of storing in de communicatie voor één individuele aansluiting voldoende reden is om als spoedeisend te worden aangemerkt. Om onduidelijkheid te voorkomen is het raadzaam om deze overweging kenbaar te maken aan de in de gemeente opererende telecombedrijven.

Artikel 5.6, lid 5 van de Telecommunicatiewet geeft de mogelijkheid in de verordening gebieden aan te wijzen waar om redenen van veiligheid dit artikel niet van toepassing is. Hierbij is gedacht aan bijvoorbeeld industriegebieden met daarin liggende buisleiding voor transport van gevaarlijke stoffen. In dergelijke gebieden is het niet aanvaardbaar dat daar zonder toezicht van de gemeente wordt gegraven.

Deze calamiteitenmelding is overeenkomstig de WION.

Artikel 4 Gegevensverstrekking

Dit artikel is een invulling van artikel 5.4, vierde lid van de Telecommunicatiewet.

Artikel 5 Beslistermijn en samenloop

Aansluitend op artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht dient het college uiterlijk acht weken na ontvangst van de melding de beslissing te nemen en indien dit niet mogelijk is een redelijke termijn te noemen waar binnen de beslissing tegemoet kan worden voorzien.

Voor het verkrijgen van een instemmingsbesluit om werkzaamheden in, op of aan telecommunicatienetwerken te verrichten is het niet wenselijk dat hierop een lex silencio positivo van toepassing is. Er zijn immers dwingende redenen van algemeen belang, namelijk de openbare orde en veiligheid, die in een inhoudelijke toets van een dergelijke aanvraag vergen. Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb wordt niet van toepassing verklaard.

Het tweede lid regelt dat het college de beslissing aanhoudt indien er een andere vergunning van een al dan niet ander bestuursorgaan nodig is, zoals een vergunning op basis van de Woningwet (bouwvergunning) en/of Wet Milieubeheer. Deze vergunningen kunnen noodzakelijk zijn indien bijvoorbeeld “kasten” een dergelijke omvang hebben dat een bouwvergunning is vereist en/of een milieuvergunning nodig is vanwege het geluid van de ventilatieapparatuur in de kast. Ook kunnen vergunningen noodzakelijk zijn op grond van een plaatselijke verordening bijvoorbeeld een kapvergunning. Artikel 5.5 van de Telecommunicatiewet bepaalt dat het college zorg draagt voor inhoudelijke afstemming tussen de betrokken bestuursorganen.

In de Wet samenhangende besluiten wordt de coördinatie tussen samenhangende besluiten expliciet geregeld.

Artikel 6 Voorschriften en beperkingen bij instemming

In de oude modelvergunning was opgenomen, welke voorschriften het college aan het instemmingsbesluit kon verbinden. In aansluiting hierop heeft de wetgever deze voorschriften nu in de wet opgenomen, zodat deze niet nogmaals in de verordening zijn opgenomen.

Het gaat om de volgende bepalingen:

Artikel 5.4 leden 2 en 3 van de Telecommunicatiewet:

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen om redenen van openbare orde, veiligheid, het voorkomen of beperken van overlast, de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, dan wel ondergrondse ordening in het instemmingsbesluit voorschriften opnemen.

  • 3.

    De voorschriften kunnen slechts betrekking hebben op

    • a.

      De plaats van de werkzaamheden;

    • b.

      het tijdstip van de werkzaamheden, met dien verstande dat het toegestane tijdstip van aanvang van aanvang, behoudens zeer zwaarwichtige redenen van publiek belang als genoemd in het tweede lid, niet later mag plaatsvinden dan 12 maanden na de datum van afgifte van het instemmingsbesluit;

    • c.

      de wijze van uitvoering van de werkzaamheden;

    • d.

      het bevorderen van medegebruik van de voorzieningen;

    • e.

      het afstemmen van overig in de grond aanwezige werken.

Deze bepalingen dient het college in acht te nemen bij het geven van voorschriften bij het instemmingbesluit. Hierbij moet worden bedacht dat het instemmingsbesluit een beschikking is in het kader van de Algemene wet bestuursrecht en de aanbieder, indien deze het niet eens is met de gegeven voorschriften bij het instemmingsbesluit, in bezwaar bij het college van burgemeester en wethouders en in beroep (en hoger beroep) bij de bestuursrechter.

Het derde lid van artikel 6 van de verordening geeft invulling aan artikel 5.4, tweede en derde lid van de wet.

Artikel 6, eerste lid, beperkt de werkingsduur van het instemmingsbesluit om te voorkomen dat een aanbieder nog gebruik maakt van een dergelijk besluit geruime tijd na afgifte. Immers het intussen gewijzigde gebruik van de openbare gronden kan het aanleggen van een telecomkabel onwenselijk maken.

Het tweede lid geeft als aanvulling dat het college naast voorschriften over tijdstip plaats en dergelijke met betrekking tot de uitvoering ook voorschriften opstellen over de uitstraling, vormgeving, kleur, situering en afmetingen van voorzieningen als kasten handholes en dergelijke behorende bij het netwerk.

Het derde lid heeft betrekking op de situatie dat er een kabel dient te worden gelegd in openbare gronden die recent zijn geherstructureerd, bijvoorbeeld herbestraat. In dat geval heeft het college de mogelijkheid extra voorschriften te stellen boven de gebruikelijk gehanteerde voorschriften (natuurlijk wel binnen het kader van artikel 5.4 leden 2 en 3 van de wet).

Het vierde lid heeft betrekking op het geval dat kabels dienen te worden gelegd in bijvoorbeeld een winkelgebied met sierbestrating.

Artikel 7 Wijzigen of intrekken instemmingsbesluit

Aangezien het college het bevoegd gezag om een instemmingsbesluit te verlenen is het juridisch zuiver indien ook de gronden voor de intrekking in de verordening te regelen in plaats van uitvoeringsregels op grond van deze verordening. Verwezen wordt naar aanwijzing 78 van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving.

In de onderdelen a tot en met g wordt expliciet bepaald in welke gevallen een verleend instemmingsbesluit kan worden gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 8 (Mede)gebruik van voorzieningen en vooroverleg

Zoals aangeven kunnen de voorschriften bij het instemmingsbesluit het medegebruik van voorzieningen bevorderen. Het medegebruik beperkt het graven in de openbare gronden en strekt daarmee tot voordeel van de gemeente. Het medegebruik kan aan de orde komen in het vooroverleg over het af te geven instemmingsbesluit. In lid 3 is de verplichting voor de aanbieder opgenomen van vooraangelegde voorzieningen, indien daartoe een redelijk aanbod wordt gedaan.

De vraag wat een redelijk aanbod is kan worden beantwoord als volgt: de aanwezige voorziening is zowel in kwaliteit als in kosten een volwaardig alternatief voor het eigen graafrecht van de aanbieder.

Het vierde lid behandelt de situatie indien de gemeentelijke leidingprofielen geen ruimte bieden voor de aanleg van kabels.

Artikel 9 en artikel 10 Overdracht voorzieningen en Melding wijziging voorzieningen

De rechter heeft uitgesproken dat de werking van het instemmingsbesluit eindigt zodra de werkzaamheden waarvoor instemming is gevraagd, zijn beëindigd. Dit betekent dat het college geen verplichtingen op basis van het instemmingsbesluit aan de aanbieder kan opleggen nadat deze zijn werkzaamheden heeft beëindigd. Echter het instemmingsbesluit dient voor de gemeente ook om een registratie up-to-date te houden van de in het openbaar gebied liggende kabels en de beheerders/eigenaren daarvan. Om deze reden zijn de artikelen 9 en 10 in de verordening opgenomen.

Artikel 5 lid 2b van het wetsontwerp Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten verstrekt de dienst (het Kadaster) op verzoek aan bestuursorganen gebiedsinformatie voor zover deze noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taak. Dan voorziet deze wet in de informatiebehoefte van de gemeente over de in het openbaar gebied liggende telecomkabels.

Artikel 11 Intrekking oude verordening

De oude verordening moet worden ingetrokken zodat de nieuwe verordening in werking kan treden.

Artikel 12 Overgangsrecht

Het moment van afgeven van het instemmingsbesluit bepaalt of de oude of nieuwe verordening van kracht is op de (voorgenomen) graafwerkzaamheden. De nog lopende instemmingbesluiten voor kabel(s) die nog niet of niet volledig zijn gelegd blijven van kracht met dien verstande dat vallen onder de nieuwe verordening.

Artikel 13 Inwerkingtreding

De inwerkingtreding van de verordening is conform het bepaalde in Gemeentewet. Een periode van een maand is nodig voor de implementatie van de verordening (en het uitvoeringsbesluit). Hierbij wordt gerefereerd aan artikel 2, vierde lid, van de verordening en het Uitvoeringsbesluit Telecommunicatieverordening Nieuwegein. De datum van inwerkingtreding is daarom op 1 juli 2009. Op hetzelfde tijdstip wordt de oude telecommunicatieverordening ingetrokken zoals bepaald is in artikel 10.

Artikel 14 Citeerartikel

Door toevoeging van de naam van de gemeente aan de citeertitel is het voor eenieder die de verordening opvraagt duidelijk dat dit de verordening betreft van die met name genoemde gemeente.