Procedureverordening nadeelcompensatie Waterschap Rijn en IJssel

Geldend van 01-04-2011 t/m 22-03-2019

Intitulé

Procedureverordening nadeelcompensatie Waterschap Rijn en IJssel

Volledige tekst

Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. bestuur: het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rijn en IJssel;

b. verzoeker: de indiener van een verzoek als bedoeld in artikel 2;

c. schade: schade als bedoeld in artikel 7.14 of artikel 7.15 van de Waterwet;

d. commissie: de adviescommissie, bedoeld in artikel 5.

Het verzoek om schadevergoeding

Artikel 2

1. Een verzoek om vergoeding van schade wordt schriftelijk ingediend bij het bestuur.

2. Het verzoek wordt ondertekend en bevat tenminste:

a. de naam en het adres van de verzoeker;

b. de dagtekening;

c. een aanduiding van het besluit of het handelen dat de schade naar het oordeel van de verzoeker heeft veroorzaakt;

d. de datum of het tijdstip dat de schade zich aan de verzoeker voor het eerst heeft geopenbaard en een onderbouwing daarvan;

e. een opgave van de aard en omvang van de schade, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is;

f. een omschrijving van de wijze waarop de schade naar het oordeel van de verzoeker dient te worden vergoed;

g. een specificatie van het schadebedrag voor zover de verzoeker een vergoeding in geld wenst.

3. De verzoeker verschaft de gegevens en bescheiden die voor het nemen van een besluit op zijn verzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen;

4. Het bestuur bevestigt binnen twee weken schriftelijk de ontvangst van het verzoek en stelt de verzoeker daarbij in kennis van de te volgen procedure op grond van deze verordening.

5. Indien naar het oordeel van het bestuur niet of niet voldoende is voldaan aan het gestelde in het tweede of derde lid, stelt deze de verzoeker in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen een door het bestuur te stellen termijn.

Niet behandelen van het verzoek

Artikel 3

Het bestuur kan overeenkomstig artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht besluiten de aanvraag niet te behandelen indien het verzoek niet overeenkomstig artikel 2 is ingediend.

Vereenvoudigde afhandeling van het verzoek

Artikel 4

1. Het bestuur kan het verzoek zonder nader onderzoek of advies van de commissie afdoen indien:

a. het naar zijn oordeel kennelijk ongegrond is;

b. het naar zijn oordeel kennelijk gegrond is;

c. het voor de betreffende specifieke categorieën van schadeveroorzakende gebeurtenissen beleidsregels heeft vastgesteld ten aanzien van de berekening van de hoogte van de te vergoeden schade.

2. Een besluit om het verzoek overeenkomstig het eerste lid af te doen, wordt aan de verzoeker per aangetekende brief meegedeeld binnen acht weken na ontvangst van het verzoek dan wel binnen acht weken nadat de termijn is verstreken gedurende welke de verzoeker het verzuim kon herstellen.

3. Het bestuur kan de in het vorige lid bedoelde termijn éénmaal met een redelijke termijn verlengen. Het bestuur stelt de verzoeker daarvan schriftelijk in kennis.

Adviescommissie

Artikel 5

1. Het bestuur stelt een commissie in die tot taak heeft het bestuur te adviseren ten aanzien van de besluiten op verzoeken om schadevergoeding.

2. De commissie bestaat uit drie onafhankelijke leden, die door het bestuur voor een periode van vier jaren worden benoemd. Herbenoeming is mogelijk. Het bestuur benoemt tevens een plaatsvervangend voorzitter en twee plaatsvervangende leden.

3. Het bestuur verleent ontslag na een schriftelijke kennisgeving van het betreffende lid. Het bestuur kan tevens op eigen initiatief de leden van de commissie schorsen of ontslag verlenen, indien naar het oordeel van het bestuur daartoe gegronde reden bestaat.

4. De leden van de commissie maken geen deel uit van de bestuurlijke of ambtelijke organisatie van het waterschap. De leden maken tevens geen deel uit van de bezwaarschriftencommissie van het betreffende waterschap.

5. De voorzitter en de overige leden van de commissie ontvangen door het bestuur vast te stellen bezoldigingen.

6. De leden van de commissie hebben een geheimhoudingsplicht.

7. De commissie is adviseur in de zin van afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 6

1. Het bestuur voorziet in het secretariaat van de commissie.

2. Het secretariaat heeft een geheimhoudingsplicht.

Advisering door de adviescommissie

Artikel 7

1. Indien geen toepassing wordt gegeven aan de artikelen 3 en 4, stelt het bestuur het verzoek om schadevergoeding na ontvangst van de informatie, bedoeld in artikel 2 in handen van de commissie.

2. Het bestuur en de verzoeker verschaffen de commissie op verzoek aanvullende gegevens en bescheiden die voor het geven van het advies nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

3. De commissie doet in elk geval onderzoek naar:

a. de vraag of de verzoeker schade heeft geleden, dan wel schade zal lijden;

b. de vraag of de door de verzoeker gestelde schade een gevolg is van een rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer;

c. de omvang van de schade als bedoeld onder a.;

d. de vraag of de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven;

e. de vraag of de vergoeding van de schade niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

4. De commissie kan inlichtingen en adviezen van deskundigen inwinnen en een plaatsopneming houden. De kosten die hier redelijkerwijs uit voortvloeien komen ten laste van het waterschap.

Artikel 8

1. De commissie stelt de verzoeker en het bestuur in de gelegenheid om te worden gehoord.

2. Indien de verzoeker of het bestuur wenst af te zien van de mogelijkheid te worden gehoord, stellen zij de commissie daarvan schriftelijk in kennis.

3. Van het horen wordt een verslag opgemaakt.

4. De commissie geeft tijdens of zo spoedig mogelijk na de hoorzitting aan hoeveel tijd zij nodig heeft voor het opstellen van een advies.

Artikel 9

1. De commissie brengt advies uit op basis van haar bevindingen.

2. Het advies gaat in ieder geval in op:

a. de in artikel 7, derde lid genoemde onderwerpen;

b. de hoogte van de uit te keren schadevergoeding;

c. indien het verzoek daartoe aanleiding geeft, dan wel indien het bestuur een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan, voorstellen voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kan worden beperkt of ongedaan gemaakt.

3. De commissie brengt advies uit binnen de door de commissie aangegeven termijn. Zij kan deze termijn met ten hoogste acht weken verlengen.

4. De commissie zendt het advies terstond toe aan de verzoeker en het bestuur, en voegt hierbij het verslag van het horen.

De beslissing op het verzoek

Artikel 10

1. Het bestuur besluit zo spoedig mogelijk op het verzoek, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van het advies van de commissie.

2. Het bestuur kan het besluit bedoeld in het eerste lid éénmaal voor ten hoogste zes weken verdagen.

3. Het besluit wordt de verzoeker binnen twee weken na de vaststelling toegezonden.

Artikel 11

1. Het bestuur draagt binnen zes weken na het onherroepelijk worden van het in artikel 10 bedoelde besluit zorg voor betaling van het vastgestelde bedrag.

2. De betaling vindt plaats onder verrekening van eventueel met toepassing van artikel 12 verleende voorschotten.

3. Indien de schade in een andere vorm dan geld wordt vergoed, wordt daarmee een aanvang gemaakt binnen een redelijke termijn na het onherroepelijk worden van het in artikel 10 bedoelde besluit.

Voorschot

Artikel 12

1. De verzoeker kan het bestuur op ieder moment na de indiening van het verzoek vragen om verlening van een voorschot op de schadevergoeding.

2. Het bestuur kan een voorschot verlenen, indien redelijkerwijs valt te verwachten dat de verzoeker schade lijdt of zal lijden en indien zijn belang vordert dat aan hem een voorschot wordt verstrekt. Het bestuur informeert de commissie over het besluit tot bevoorschotting.

3. Met het verlenen van een voorschot wordt geen recht op schadevergoeding erkend.

4. Het bestuur kan aan het verlenen van een voorschot voorwaarden verbinden.

5. Het voorschot wordt uitsluitend verleend indien de verzoeker schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling wanneer op grond van het besluit van het bestuur omtrent het verzoek en de bij dat besluit behorende gegevens blijkt dat het voorschot geheel of gedeeltelijk ten onrechte is verstrekt.

Hardheidsclausule

Artikel 13

Indien een strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot een beslissing die onmiskenbaar als onbillijk moet worden aangemerkt, kan het bestuur van het gestelde in deze verordening afwijken.

Intrekking verordening en overgangsbepaling

Artikel 14

1. De Schadevergoedingsregeling Waterschap Rijn en IJssel wordt ingetrokken.

2. De Schadevergoedingsregeling Waterschap Rijn en IJssel blijft van toepassing op verzoeken om schadevergoeding indien de schade is veroorzaakt door een uitoefening van een taak of bevoegdheid die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening.

Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 15

1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: Procedureverordening nadeelcompensatie Waterschap Rijn en IJssel.

Toelichting

Algemene toelichting

Inleiding

Het vergoeden van schade die is ontstaan door een rechtmatig handelen door een bestuursorgaan wordt ‘nadeelcompensatie' genoemd. Artikel 7.14 van de Waterwet (Wtw) bevat een algemene regeling die voorziet in de vergoeding van schade als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer.

Artikel 7.14 Wtw heeft niet alleen betrekking op schade die uit de toepassing van de Waterwet voortvloeit maar ook op de uitoefening van taken en bevoegdheden die zowel op de Waterschapswet als op een verordening zoals de keur berusten.

Voorbeelden van schadeveroorzakende handelingen die onder de reikwijdte van artikel 7.14 Wtw vallen zijn onder meer de uitvoering van waterstaatkundige werkzaamheden, de aanleg of wijziging van waterstaatswerken, het verlenen, aanscherpen en intrekken van vergunningen of het opleggen van gedoogplichten.

Artikel 7.15 Wtw is een specifieke schadevergoedingsregeling voor schade bij waterberging. Het artikel is geen zelfstandige grondslag voor vergoeding van schade in verband met wateroverlast en overstroming, maar is een nadere uitwerking van artikel 7.14 Wtw. In artikel 7.15 Wtw is uitdrukkelijk geregeld dat ook schade door wateroverlast of overstroming in aanmerking komt voor vergoeding krachtens artikel 7.14 Wtw. Dit betekent echter niet dat elke vorm van wateroverlast of overstroming onder de reikwijdte van artikel 7.14 Wtw valt. Uit de samenhang tussen de artikelen 7.14 en 7.15 Wtw volgt dat de wateroverlast of overstroming het gevolg moet zijn van een maatregel die door het waterschap is genomen met het oog op het vergroten van de afvoer- en en bergingscapaciteit van watersystemen.

Naast de schadevergoedingsregeling van artikel 7.14 kent de Waterwet enkele specifieke schaderegelingen: een regeling voor schade toegebracht aan waterstaatswerken (artikelen 7.21 WTw) en een schadevergoedingsregeling in verband met grondwateronttrekkingen (artikel 7.18 Wtw e.v.).

De schadevergoedingsregelingen in de wet zijn bedoeld als uitputtende regelingen zodat aanvullende regeling van het recht op schadevergoeding bij verordening zoals een keur of een provinciale verordening niet mogelijk is.

Voorrangsregeling

Omdat het waterschap aan de lat staat om de wateropgave het hoofd te bieden door (onder andere) bergingsgebieden te realiseren- en een bestemmingsplanwijziging in het verlengde daarvan ligt - is het onwenselijk dat er voor de gemeente een primaire schadevergoedingsplicht ontstaat (ook al kan zij de hogere kosten verhalen op het waterschap).

De wetgever heeft dat in de Invoeringswet bij de Waterwet onderkend en heeft daarom een ‘voorrangsregeling' in het leven geroepen (artikel 7.16 Wtw). Deze regeling houdt in dat als er een beroep op de wettelijke nadeelcompensatieregeling uit de Waterwet mogelijk is (artikel 7.14 Wtw), de wettelijke regels ten aanzien van planschade in de Wet ruimtelijke ordening buiten toepassing blijven. Dat betekent dat als een benadeelde kan vragen om nadeelcompensatie (en dat zal bij het aanleggen van bergingsgebieden altijd zo zijn als de wettelijke procedures gevolgd worden) het waterschap ook een oordeel moet geven over het al dan niet aanwezig zijn van planologisch nadeel door een eventuele wijziging van het bestemmingsplan.

Hoe het waterschap tot een oordeel over de ruimtelijke aspecten moet komen, zegt de wetgever niet, anders dan de regeling die voor de nadeelcompensatieverzoeken geldt.

Procedureverordening

De waterschappen zijn bevoegd om ter uitvoering van artikel 7.14 Wtw een verordening op te stellen met regels van procedurele aard. De onderhavige verordening is een verordening als bedoeld in artikel 7.14, lid 2, tweede volzin en lid 3, derde volzin Wtw. Het is een procedurele regeling die van toepassing is op alle verzoeken om schadevergoeding die (na inwerkingtreding van de verordening) bij het waterschap op grond van artikel 7.14 of artikel 7.15 Wtw worden ingediend. De regels van deze verordening hebben geen betrekking op de toepassing van de in de inleiding genoemde specifieke schaderegelingen voor schade aan waterstaatswerken en schade wegens onttrekken van grondwater .

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

In dit artikel worden regels gegeven voor het indienen van een verzoek om schadevergoeding. De regeling sluit aan bij de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), handelend over het aanvragen van een beschikking.

Lid 1

Het artikellid schrijft voor dat een aanvraag van een beschikking schriftelijk moet worden gedaan. Aan de eis van schriftelijkheid is ook voldaan indien een aanvraag langs elektronische weg wordt gedaan.

Leden 2 en 3

Deze artikelleden bepalen aan welke eisen een aanvraag moet voldoen. Ze noemen een aantal formele en materiële eisen. Bij de materiële eisen gaat het om gegevens die het verzoek met argumenten onderbouwen en om gegevens die het bestuur en de commissie nodig hebben om zich een beeld van de betrokken belangen te vormen.

Uit artikel 3:2 Awb vloeit voort dat op het bestuursorgaan de verplichting rust de nodige gegevens te verzamelen, maar het bestuursorgaan kan binnen redelijke grenzen daarvoor een beroep doen op de aanvrager.

Van een verzoeker wordt verlangd dat hij alle gegevens, van welke aard dan ook, verschaft die het dagelijks bestuur nodig heeft voor het beoordelen van de gegrondheid van zijn verzoek.

Met het eerste lid, onder f, wordt bedoeld de benadeelde in de gelegenheid te stellen suggesties te doen over de wijze van schadevergoeding. Denkbaar is immers dat het nemen van feitelijke maatregelen adequater is dan het verlenen van een schadevergoeding in geld.

Het bepaalde onder g ziet op de situatie dat verzoeker schadevergoeding in geld wenst. In dat geval wordt verlangd dat in het verzoek de hoogte van het naar het oordeel van verzoeker te vergoeden schadebedrag wordt aangegeven.

Dat bedrag hoeft niet hetzelfde te zijn als de totale geleden schade, alleen al omdat in de vergoeding daarvan deels voorzien kan zijn door een andere compensatieregeling of verzekering.

Lid 5

In dit lid wordt bepaald welke de gevolgen zijn van het in strijd met de voorschriften van deze regeling indienen van een verzoek tot schadevergoeding. Het bestuur is verplicht de verzoeker in de gelegenheid te stellen zijn gebrekkige verzoek te herstellen. Hier wordt aangesloten bij het regime van artikel 4:5 van de Awb.

Artikel 3

Dit artikel bepaalt de gevallen waarin het dagelijks bestuur het verzoek niet in behandeling hoeft te nemen. In voorliggende gevallen worden de verzoeken niet aan de commissie voorgelegd.

Met het ‘niet in behandeling nemen' eindigt het besluitvormingstraject. Het is niet toegestaan om buiten de in de wet aangewezen gevallen een aanvraag - daaronder valt ook een verzoek om nadeelcompensatie - buiten behandeling te laten (ABRS 28 mei 2003, JB 2003/188). Daarom is het hier het meest zuiver om te verwijzen naar dit artikel:

Artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht

1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of

b. de aanvraag geheel of gedeeltelijjk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,

mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuurorgaan gestelde termijn aan te vullen.

2. Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen.

3. Indien de aanvraag of een van de daarbij behordende gegevens of bescheiden omvangrijk of ingewikkeld is en een samenvatting voor de beoordeling of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een samenvatting aan te vullen.

4. Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Artikel 4

Deze verordening gaat ervan uit dat het onnodig is om voor eenvoudige gevallen de zware procedure van advisering op het verzoek om schadevergoeding door een commissie te volgen.

Lid 1

a. Kennelijk ongegrond

Indien een verzoek naar het oordeel van het dagelijks bestuur kennelijk ongegrond is, wordt het verzoek zonder behandeling door het bestuur afgewezen.

Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer aanstonds, dat wil zeggen bij een summier onderzoek, duidelijk is dat de schade niet door het bestuursorgaan veroorzaakt is of zal worden. Ook in gevallen waarin verzoeker onvoldoende aannemelijk weet te maken dat de schade redelijkerwijs niet te zijnen laste behoort te blijven, kan er aanleiding bestaan het verzoek als kennelijk ongegrond af te wijzen. Kennelijk ongegrond is voorts het verzoek betreffende een schade waarvan de vergoeding anderszins is verzekerd.

Dit artikellid strekt er ook toe duidelijk te maken dat een verzoek om schadevergoeding dat niet steunt op een rechtmatige overheidsdaad als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen. De artikelen 7.14 en 7.15 Wtw hebben immers uitsluitend betrekking op schade die het gevolg is van een rechtmatige schadeoorzaak. Deze verordening voorziet niet in vergoeding van schade waaraan een onrechtmatige daad of wanprestatie ten grondslag ligt.

Bijzondere aandacht verdient het geval waarin nog niet vaststaat dat de schadeoorzaak voor rechtmatig moet worden gehouden, omdat nog niet onherroepelijk is beslist op een aanhangig gemaakt beroep tegen het schadeveroorzakende besluit. Ook dan kan het verzoek om schadevergoeding wegens kennelijke ongegrondheid afgewezen worden. Er is immers niet voldaan aan het vereiste van de rechtmatigheid van de schadeoorzaak. Overigens laat dit onverlet dat de verzoeker een herhaald verzoek kan indienen wanneer wel aan dit vereiste is voldaan. Hetzelfde geldt overigens zolang nog een bestuursrechtelijk rechtsmiddel kan worden aangewend tegen de schadeoorzaak.

Ook wanneer de verjaringstermijn overschreden is overeenkomstig artikel 7.14, derde lid, eerste volzin, Awb is sprake van een kennelijk ongegrond verzoek.

b. Kennelijk gegrond

Indien reeds na summier onderzoek blijkt dat het verzoek kan worden gehonoreerd, is sprake van kennelijke gegrondheid van het verzoek. De kennelijke gegrondheid van de aanvraag moet duidelijk zijn zonder dat nader op de inhoudelijke merites van de zaak wordt ingegaan.

c. Beleidsregels

Het dagelijks bestuur kan beleid formuleren omtrent de vraag hoe moet worden omgegaan met de toekenning van nadeelcompensatie bij specifieke van schadeveroorzakende gebeurtenissen, bijvoorbeeld bij het nemen van peilbesluiten of bij verlegging van kabels en leidingen als gevolg van aanpassing van waterstaatswerken. In de beleidsregels kan worden aangegeven welke schadesoorten voor vergoeding in aanmerking komen en hoe de berekening van de schadevergoeding op hoofdlijnen plaatsvindt. De beleidsregels zijn dan de basis voor de beoordeling van verzoeken om toekenning van nadeelcompensatie.

Lid 2 en 3

Deze artikelleden regelen de beslistermijnen van een vereenvoudigd afgehandeld verzoek. Hier is wederom aansluiting gezocht bij de wettelijke Awb-termijnen.

Het tweede lid geeft aan dat het bestuur binnen acht weken na de ontvangst van het verzoek zijn beslissing tot vereenvoudigde behandeling van het verzoek aan verzoeker bij aangetekende brief kenbaar dient te maken. Deze bepaling geldt uitsluitend voor het geval dat beslist wordt zonder raadpleging van een commissie. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in afdeling 4.1.3 van de Awb. Artikel 4:13 Awb bepaalt de beslistermijn in algemene zin op acht weken na de ontvangst van de aanvraag met dien verstande dat op grond van artikel 4:15 Awb de termijn wordt opgeschort gedurende de termijn die een verzoeker wordt gelaten voor het alsnog verschaffen van de benodigde gegevens dan wel de binnen die termijn gelegen feitelijk gebruikte termijn om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Artikel 4:14 Awb maakt het mogelijk de termijn met een redelijke termijn te verlengen indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven.

Artikel 5

Dit artikel regelt de benoeming van de adviescommissie.

Het bestuur benoemt een commissie die tot taak heeft het bestuur te adviseren over verzoeken om schadevergoeding. De commissie bestaat uit drie leden. Het bestuur benoemt tevens een plaatsvervangend voorzitter en 2 plaatsvervangende leden. Op deze wijze wordt bij absentie van de reguliere voorzitter of leden de continuïteit van de procedure gewaarborgd.

De leden zijn onafhankelijk, dat wil zeggen dat zij niet onder het gezag van het waterschap staan en niet anderszins een functie vervullen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de vervulling van de functie van commissielid. Omdat tegen het besluit op het verzoek bezwaar open staat bij het waterschap, is het ook onwenselijk dat de leden van de adviescommissie deel uitmaken van de bezwaarschriftencommissie. Ook mag er geen sprake zijn van belangenverstrengeling.

Meer in algemene zin valt op te merken dat het inschakelen van een adviescommissie bij de behandeling van zaken als deze bijdraagt aan een zorgvuldige voorbereiding van de te nemen beslissingen en daarmee aan de legitimiteit daarvan voor de betrokken burgers.

Hoewel dat niet uitdrukkelijk bepaald is, zal het voorzitterschap van de commissie in verband met de aard van de materie in de regel worden opgedragen aan een jurist. De overige leden zullen doorgaans een andere deskundigheid inbrengen, bijvoorbeeld die van accountant, boekhoudkundige of makelaar.

De leden ontvangen een bezoldiging ten laste van het waterschap dat op het verzoek om schadevergoeding moet beslissen. Als op 1 dag verzoeken van meerdere waterschappen aan de orde komen, ontvangen de leden de bezoldiging van die waterschappen cumulatief. De reden daarvoor is dat de vergoeding niet alleen presentie dekt, maar ook de tijd die de leden nodig hebben om de specifieke zaak voor te bereiden.

De commissie is adviseur in de zin van afdeling 3.3 van de Awb. De regels die voor wettelijke adviseurs gelden zijn dus tevens van toepassing op de adviescommissie in de zin van deze verordening.

Artikel 6

Omdat de commissie meerdere waterschappen adviseert ligt het voor de hand dat het waterschap dat het schadeveroorzakende besluit heeft genomen in het secretariaat in dat specifieke geval voorziet.

De bepaling is als zodanig open gehouden, zodat elk waterschap vrij is zelf vorm te geven aan het secretariaat. Het is denkbaar dat het bestuur een ambtenaar aan wil wijzen, maar ook dat het een extern bureau het secretariaat van de commissie wil laten voeren. Op deze manier wordt de administratieve druk van het secretariaat tevens verdeeld over de deelnemende waterschappen.

Op het secretariaat rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de commissie zelf. Het gaat hier niet alleen om geheimhouding voor de buitenwereld, maar evenzeer om geheimhouding voor de eigen organisatie. Dit is in het bijzonder van belang als het secretariaat wordt gevoerd door het betreffende waterschap. De geheimhoudingslicht verzekert volledige onafhankelijkheid van de adviescommissie.

Artikel 7

Dit artikel regelt in algemene zin de werkwijze van de commissie.

Lid 2

In het tweede lid wordt geregeld dat - naast de verzoeker - ook het bestuur aan de commissie de gegevens verschaft die nodig zijn voor een goede vervulling van haar taak. Tot die gegevens behoren niet alleen het verzoek met de daarbij behorende, eventueel later toegevoegde, bescheiden, maar ook de zich onder het bestuur bevindende gegevens over de schadeoorzaak.

Lid 3

De commissie heeft tot taak het bestuur te adviseren over de op het verzoek te nemen beslissing en stelt daartoe een onderzoek in naar de vraag of de verzoeker schade heeft geleden of zal lijden. Tevens doet zij onderzoek naar de schadeoorzaak, de schadeomvang, de aansprakelijkheid en de vraag of de vergoeding van de schade niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. Wanneer blijkt dat de schade niet het gevolg is van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer behoeven uiteraard niet de andere vragen beantwoord te worden. Het behoort immers niet tot de bevoegdheid van de adviescommissie om te adviseren omtrent vergoeding van schade als gevolg van onrechtmatig handelen.

Het zal voorts niet altijd nodig zijn de omvang van de schade nauwkeurig vast te stellen, bijvoorbeeld wanneer duidelijk is dat de schade vanwege voorzienbaarheid of maatschappelijk risico redelijkerwijs ten laste van de verzoeker behoort te blijven.

Lid 4

Het vierde lid stelt de commissie in de gelegenheid inlichtingen in te winnen bij derden. Indien daarmee kosten zijn gemoeid, bijvoorbeeld omdat een deskundigenadvies wordt gevraagd, komen deze ten laste van het waterschap.

Artikel 8

Dit artikel regelt het horen van de betrokkenen. Op deze wijze wordt voorzien in hoor en wederhoor.

Van de commissie wordt verwacht dat zij aangeeft hoeveel tijd zij nodig heeft voor het opstellen van een advies. Op deze wijze wordt de rechtszekerheid ten aanzien van de afhandelingstermijn van het verzoek bevorderd.

De complexiteit van het verzoek brengt met zich mee dat de termijn van advisering van verzoek tot verzoek kan variëren. Daarom is ervoor gekozen geen gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 3:6 Awb biedt om bij verordening een termijn stellen. Wel blijft het op basis van dit artikel mogelijk dat het bestuur in een individueel geval de adviescommissie een termijn stelt voor het uitbrengen van zijn advies.. Dit zal per verzoek bekeken moeten worden.

Indien het advies van de commissie niet voldoet aan de gestelde eisen, kan het bestuur het advies terugleggen bij de commissie en de besluitvormingstermijn verdagen.

Artikel 9

Het advies van de commissie, zo aansprakelijkheid moet worden aangenomen, betreft mede de hoogte van de schadevergoeding. De commissie kan desgevraagd ook maatregelen (in natura) voorstellen die geschikt zijn om de schade te beperken of ongedaan te maken.

Artikel 10 en 11

Het bestuur besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van het advies, op het verzoek om schadevergoeding. Het besluit wordt de verzoeker zo spoedig mogelijk toegezonden. Uit artikel 4:87 Awb volgt dat betaling plaatsvindt binnen zes weken na het bekend worden van de beslissing, tenzij de beschikking (eerste lid) of een wettelijk voorschrift (tweede lid) een ander tijdstip vermeldt. In deze verordening wordt de betaling(stermijn), in afwijking van de algemene regel van de Awb, gekoppeld aan het moment van onherroepelijk worden van het besluit inzake de schadevergoeding.

In het belang van de voortvarende uitvoering van het besluit tot schadevergoeding zal in veel gevallen in het schrijven waarmee de beslissing wordt toegezonden een bankrekeningnummer worden gevraagd.

Artikel 12

In artikel 12 is voorzien in de mogelijkheid van bevoorschotting. Een bevoorschottingsregeling is essentieel voor een adequate nadeelcompensatieregeling. (Vz. ABRS 18 november 1997, AB 1998,60).

De verzoeker die naar redelijke verwachting schade lijdt of zal lijden en wiens belang vordert dat aan hem een voorschot op deze vergoeding wordt toegekend, kan het dagelijks bestuur verzoeken hem een voorschot te verlenen. Over dat verzoek wordt de ingeschakelde adviescommissie geïnformeerd. Indien het dagelijks bestuur beslist tot toekenning van een voorschot wordt daarmee geen aansprakelijkheid erkend. Het voorschot kan volgens deze verordening uitsluitend worden verleend indien de verzoeker schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald. Een beslissing omtrent bevoorschotting kan, anders dan de beslissing omtrent schadevergoeding als bedoeld in artikel 10 worden genomen voordat het schadeveroorzakende besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Een verzoek om bevoorschotting als bedoeld in artikel 12 van deze verordening biedt derhalve geen grondslag om zogenoemde schaduwschade te vergoeden. Een verzoek om bevoorschotting dient te worden onderscheiden van een verzoek om vergoeding van schade die verzoeker lijdt door een handeling van het dagelijks bestuur in het kader van de voorbereiding van een eventueel te nemen besluit.Op grond van het vierde lid kan het bestuur voorwaarden verbinden aan een voorschot. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de verkrijgende voorwaarde van een bankgarantie.

Artikel 13

Via de hardheidsclausule is aan het bestuur de mogelijkheid gelaten om in incidentele gevallen, bijvoorbeeld in het geval dat een bedrijf vanwege de strikte toepassing van het in deze verordening gestelde in continuïteitsproblemen geraakt dan wel dreigt te geraken, van het bepaalde in deze verordening af te wijken en een afwijkende procedure te volgen voor behandeling van het verzoek om schadevergoeding.

Artikel 14

Ingevolge artikel 3.3 van de Invoeringswet Waterwet treden de bepalingen van de Waterwet in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Inwerkingtreding van de voor de verordening relevante bepalingen 7.14 en 7.15 Wtw heeft plaats gevonden op 22 december 2009.

Artikel 2.37 van de Invoeringswet Waterwet bepaalt dat de artikelen 7.14 en 7.15 Wtw niet van toepassing zijn met betrekking tot schade die is veroorzaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.14.

Schade die na dit tijdstip (dus na 22 december 2009) is veroorzaakt valt onder artikel 7.14 (en evt. 7.15) Wtw.

Verzoeken tot vergoeding van de schade, waarbij de oorzaak heeft plaatsgevonden voor inwerkingtreding van deze procedureverordening, worden behandeld volgens de toen geldende procedureverordening. Dit blijft zo, ook na inwerkingtreding van deze verordening. De oude verordening blijft dus bestaan voor het be- en afhandelen van de schadevergoedingsverzoeken ten aanzien van ‘oude oorzaken'. De onderhavige procedureverordening geldt alleen voor verzoeken om schadevergoeding met een oorzaak na inwerkingtreding van deze verordening.