Verordening behandeling bezwaren Waterschap Rijn en IJssel 2010

Geldend van 26-03-2010 t/m 15-11-2017

Intitulé

Verordening behandeling bezwaren Waterschap Rijn en IJssel 2010

Volledige tekst Verordening behandeling bezwaren Waterschap Rijn en IJssel 2010

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. het waterschap: het waterschap Rijn en IJssel;

b. het college: het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap;

c. een bestuursorgaan: het algemeen bestuur, het college, de dijkgraaf of een ander college met enig openbaar gezag bekleed, ieder voor zover hun bevoegdheid betreffende;

d. de wet: de Wet van 4 juni 1992, houdende algemene regels van bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht), Stb. 1992, 315, zoals deze sindsdien is gewijzigd;

e. de commissie: een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de wet.

HOOFDSTUK 2 BEHANDELING VAN BEZWAREN

Artikel 2 Commissie

1. Er is een commissie voor de voorbereiding van de beslissing op bezwaren als bedoeld in artikel 1:5 van de wet.

2. De commissie is niet bevoegd ten aanzien van:

a. bezwaren als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

b. bezwaren die naar het oordeel van het college kennelijk niet-ontvankelijk zijn;

c. bezwaren die naar het oordeel van het college kennelijk ongegrond zijn;

d. bezwaren waaraan naar het oordeel van het college volledig tegemoet kan worden gekomen zonder dat daarvoor een nader onderzoek nodig is;

e. bezwaren als bedoeld in de Verordening behandeling bezwaren rechtspositionele aangelegenheden Rijn en IJssel.

Artikel 3 Beslissing op bezwaren

Het bestuursorgaan beslist op de bij hem ingediende bezwaren na advies van de commissie.

Artikel 4 Samenstelling commissie

1. De commissie bestaat uit een voorzitter die jurist is en een plaatsvervangend voorzitter die jurist is en minimaal drie leden van wie er ten minste twee jurist zijn, die worden benoemd, geschorst en ontslagen door het algemeen bestuur. Per zitting treden de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en één lid op. De commissie regelt de samenstelling van de commissie per zitting.

2. Tot voorzitter zijn niet benoembaar personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.

3. Voor een opengevallen plaats benoemt het algemeen bestuur desgewenst een nieuwe voorzitter die jurist is, een nieuwe plaatsvervangend voorzitter die jurist is of een nieuw lid voor de resterende zittingsduur van de commissie.

Artikel 5 Zittingsduur

1. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de leden van de commissie treden af op 1 januari van het kalenderjaar volgend op het aftreden van het algemeen bestuur.

2. Het algemeen bestuur kan de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en één of meer leden van de commissie voor één termijn herbenoemen.

3. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de leden van de commissie kunnen te allen tijde ontslag nemen.

4. De aftredende voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en leden van de commissie blijven hun functie waarnemen tot in hun opvolging is voorzien.

Artikel 6 Vergoeding

Het college bepaalt de vergoeding van de commissie.

Artikel 7 Secretariaat

Het secretariaat van de commissie wordt gevoerd door één door het college op het voorstel van de directie aangewezen ambtenaren.

Artikel 8 Ontvangst bezwaarschrift

1. Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst aangetekend.

2. Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt, vergezeld van een schriftelijk commentaar van de afdeling van het ambtelijk apparaat van het waterschap welke het bestreden besluit heeft voorbereid en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken, zo spoedig mogelijk in handen gesteld van de commissie.

Artikel 9 Inlichtingen en advies

1. De voorzitter van de commissie kan ten behoeve van de voorbereiding van het advies rechtstreeks alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen.

2. De voorzitter van de commissie kan uit eigen beweging bij deskundigen advies inwinnen en dezen zo nodig uitnodigen daartoe in de zitting te verschijnen. Indien aan het inwinnen van advies kosten zijn verbonden, is daarvoor vooraf machtiging van het college vereist.

Artikel 10 Plaats en tijdstip zitting

De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting, waarin de belanghebbende(n) en het bestuursorgaan in de gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te doen horen.

Artikel 11 Uitnodiging zitting

1. De voorzitter van de commissie deelt de belanghebbenden en het bestuursorgaan ten minste drie weken voor de zitting schriftelijk mede, dat zij in de gelegenheid worden gesteld zich te doen horen tijdens de zitting.

2. Indien een belanghebbende of het bestuursorgaan wijziging wenst van het tijdstip van de zitting, dient dit binnen drie dagen na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde mededeling, onder opgaaf van redenen te worden verzocht aan de voorzitter van de commissie.

3. De beslissing van de voorzitter, op een verzoek als bedoeld in het tweede lid, wordt zo spoedig mogelijk, maar ten minste twee weken voor de zitting, schriftelijk aan de belanghebbenden en het bestuursorgaan meegedeeld.

Artikel 12 Overdracht bevoegdheden

De bevoegdheden ingevolge de artikelen 2:1, tweede lid, en 7:6, vierde lid, van de wet worden voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van de commissie.

Artikel 13 Quorum

Voor het houden van de zitting is vereist dat ten minste de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter en een lid van de commissie aanwezig zijn.

Artikel 14 Onpartijdigheid voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en leden commissie

De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de voorbereiding van en beraadslaging over het advies inzake de beslissing op het bezwaar, indien bij hen sprake is van vooringenomenheid of persoonlijk belang bij de beslissing.

Artikel 15 Openbaarheid zitting

1. De zitting is openbaar.

2. De deuren worden gesloten, indien de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of een van de aanwezige leden van de commissie dat nodig oordeelt of indien een belanghebbende daartoe verzoekt.

3. Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de zitting plaats met gesloten deuren.

Artikel 16 Verslaglegging zitting

1. Het verslag van de zitting als bedoeld in artikel 7:7 van de wet vermeldt de namen van de aanwezige belanghebbenden en de namen van de vertegenwoordigers van het bestuursorgaan, alsmede hun hoedanigheid. Het vermeldt voorts kort hetgeen tijdens de zitting is gezegd en voorgevallen.

2. Indien de zitting geheel of gedeeltelijk niet openbaar was, of indien belanghebbenden respectievelijk hun gemachtigden niet in elkaars aanwezigheid zijn gehoord, wordt dit in het verslag vermeld.

3. Het verslag verwijst naar de tijdens de zitting overgelegde bescheiden, die aan het verslag worden gehecht.

4. Het verslag wordt ondertekend door de (plaatsvervangend) voorzitter en de secretaris van de commissie.

Artikel 17 Nader onderzoek

1. Indien na afloop van de zitting, maar voor het uitbrengen van advies, nader onderzoek wenselijk is, kan de voorzitter van de commissie uit eigen beweging of op verzoek van de commissie dit onderzoek houden. Verkregen informatie of adviezen worden in afschrift aan het bestuursorgaan en belanghebbenden toegezonden.

2. De leden van de commissie, het bestuursorgaan en de belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de in het eerste lid bedoelde nadere informatie of adviezen, aan de commissie een verzoek richten tot het houden van een nieuwe zitting. De commissie beslist op een dergelijk verzoek.

3. Op een zitting als bedoeld in het voorgaande lid zijn de bepalingen van deze verordening over de zitting zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18 Advies

1. De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het door haar aan het bestuursorgaan uit te brengen advies.

2. De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies. Van minderheidsstandpunten wordt bij het advies melding gemaakt, indien die minderheid dat verlangt.

3. Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel aan het bestuursorgaan voor de te nemen beslissing op het bezwaar.

4. Het advies wordt ondertekend door de (plaatsvervangend) voorzitter en de secretaris van de commissie.

Artikel 19 Uitbrengen advies

1. Het advies wordt, onder medezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen.

2. Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de termijn van twaalf weken, als bedoeld in artikel 7:10 van de wet, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van advies door de commissie en het nemen van een beslissing op het bezwaar door het bestuursorgaan, verzoekt hij het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan tijdig de beslissing op het bezwaar te verdagen.

3. Van de beslissing tot verdaging ontvangt de commissie een afschrift.

HOOFDSTUK 3 SLOTBEPALINGEN

Artikel 20 Intrekking

De Verordening behandeling bezwaarschriften Waterschap Rijn en IJssel 2009 wordt ingetrokken met ingang van 26 maart 2010.

Artikel 21 Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 26 maart 2010.

2. Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening behandeling bezwaren Waterschap Rijn en IJssel 2010".

Toelichting op Verordening behandeling bezwaren Waterschap Rijn en IJssel 2010

Algemene toelichting

Indien tegen een besluit van het waterschap beroep op de administratieve rechter openstaat, dient ingevolge artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), alvorens tegen dat besluit beroep wordt ingesteld, eerst bezwaar te worden gemaakt bij het orgaan dat het besluit heeft genomen, tenzij het besluit:

- op bezwaar of in administratief beroep is genomen;

- aan goedkeuring is onderworpen;

- de goedkeuring van een ander besluit of de weigering van die goedkeuring inhoudt;

- is voorbereid met toepassing van de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure.

Ook vindt geen behandeling van het bezwaar plaats indien het bestuursorgaan instemt met het verzoek tot rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter, ingevolge artikel 7:1a van de Awb.

Bij de behandeling van bezwaren is het bestuursorgaan verplicht belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord.

Dit horen geschiedt door een adviescommissie voor de behandeling van bezwaarschriften als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. De voorzitter maakt geen deel uit van of is niet werkzaam voor het bestuursorgaan. Deze wijze van horen biedt de beste waarborg voor een onafhankelijke behandeling van bezwaarschriften en blijkt in de praktijk een aanzienlijke zeeffunctie te vervullen op het instellen van beroep bij de administratieve rechter.

Deze verordening regelt het horen niet uitputtend omdat de Awb zelf reeds een aantal bepalingen voor het horen geeft. Deze bepalingen zijn deels dwingende bepalingen, waarvan, anders dan bij wet, in formele zin niet kan worden afgeweken. Voorts dient rekening te worden gehouden met de gelaagde structuur van de Awb, in die zin dat regeling van algemeen naar bijzonder plaats heeft. Zo zijn, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit, op de behandeling van bezwaren van toepassing, naast de algemene en bijzondere bepalingen over bezwaar en beroep (hoofdstukken 6 en 7), de definitiebepalingen (hoofdstuk 1), de bepalingen over het verkeer tussen burgers en bestuursorganen (hoofdstuk 2), de algemene bepalingen over besluiten (hoofdstuk 3), alsmede de bijzondere bepalingen over bepaalde besluiten, met name beschikkingen (hoofdstuk 4).

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

Fiscale bezwaarschriften worden niet in de commissie behandeld. Het bepaalde onder b, c en d ligt in de lijn van het bepaalde in artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 4

De Awb schrijft slechts ten aanzien van de voorzitter voor dat deze geen deel mag uitmaken van of niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.

Ingeval het aantal door de commissie te behandelen zaken gering is kan degene die tot plaatsvervanger is benoemd gewoonlijk niet of nauwelijks actief worden. Dit maakt het niet alleen moeilijk geschikte vervangers te vinden; maar het is ook onbevredigend met het oog op betrokkenheid, continuïteit en ervaring.

Hierin kan o.a. worden voorzien door:

- naast de voorzitter ook de plaatsvervangend voorzitter in elke commissievergadering aanwezig te doen zijn;

- geen plaatsvervangend lid of plaatsvervangende leden, maar een voldoende aantal geschikte leden te benoemen en hen, volgens een door de commissie vast te stellen rooster, bij toerbeurt ter vergadering op te roepen.

Artikel 5

De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd door het algemeen bestuur. Daaruit volgt dat het aftreden van de voorzitter en de leden van de commissie samenvalt met het aftreden van de leden van het algemeen bestuur.

Uitgangspunt is dat voorzitters en leden niet onbeperkt zitting hebben in de commissie, maar na twee termijnen opstappen.

Bij de in lid 2 van artikel 5 bedoelde mogelijkheid van herbenoeming voor één termijn wordt uitgegaan van de zittende op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, derhalve per 26 maart 2010. De dan zitting hebbende voorzitter(s) en leden kunnen derhalve nog eenmaal worden herbenoemd.

Artikel 8

Artikel 6:14 Awb verplicht tot schriftelijke bevestiging van ontvangst van een bezwaarschrift. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van 6 weken is ontvangen of bij verzending binnen Nederland, indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd. Als de termijn wordt overschreden is het bezwaar niet-ontvankelijk.

Artikel 9

De voorzitter van de commissie draagt zorg voor een voldoende voorbereiding van de advisering over de beslissing op het bezwaar. Ten behoeve daarvan is het noodzakelijk dat hij alle inlichtingen kan inwinnen, die benodigd zijn voor een beoordeling van de ontvankelijkheid en de zaak zelf.

Het inwinnen van advies bij externe deskundigen brengt uitgaven met zich die ten laste van het waterschap komen. Het college is belast met de uitvoering van de begroting, zodat het aan dit bestuursorgaan is om te beoordelen of de betrokken uitgaven kunnen worden gedaan.

Artikel 11

De termijn tussen de oproeping en de zitting dient zodanig te zijn dat belanghebbenden en het bestuursorgaan voldoende tijd hebben om zich op de zitting voor te bereiden. Gekozen is voor een termijn van drie weken, mede in verband met de termijn van twaalf weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist (artikel 7:10 Awb). Voorzien is in de mogelijkheid om uitstel van de zitting te verzoeken. Als regel zou kunnen worden gehanteerd dat een zodanig verzoek eenmalig en voor een beperkte tijd wordt gehonoreerd om overschrijding van de beslistermijn te voorkomen.

Artikel 12

Deze bepaling regelt de overdracht van:

- de bevoegdheid tot het verlangen van overlegging van een schriftelijke machtiging (artikel 2:1, tweede lid, Awb);

- de bevoegdheid tot het om reden van geheimhouding achterwege laten van het partijen op de hoogte te stellen van het verhandelde ter zitting, ingeval zij niet in elkaars aanwezigheid zijn gehoord (artikel 7:6, vierde lid, Awb).

Het stellen van een termijn voor verzuimherstel was tot dusver gedelegeerd aan de voorzitter van de bezwarencommissie. In de praktijk ligt het meer voor de hand om deze termijn door (of in mandaat namens) het college te laten stellen. Hiermee wordt voorkomen dat de voorzitter van de commissie moet worden ingeschakeld voor zaken van hoofdzakelijk administratieve aard.

Artikel 15

Ingevolge artikel 7:5, tweede lid, Awb besluit het bestuursorgaan of het horen in het openbaar plaatsvindt, tenzij bij wettelijke regeling anders is bepaald. De onderhavige verordening bepaalt dat het horen in principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft mogelijk, bijvoorbeeld in het geval bijzonder persoonlijke zaken van familiaire, medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan de orde komen.

Artikel 16

Artikel 7:7 Awb bepaalt dat van het horen een verslag wordt gemaakt, maar stelt geen inhoudelijke eisen aan de verslaglegging. Deze eisen worden in de onderhavige bepaling gesteld.

Ingevolge artikel 7:13, zesde lid, Awb maakt het verslag deel uit van het advies van de commissie aan het bestuursorgaan.

Artikel 17

Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om belanghebbenden en bestuursorgaan opnieuw te horen. De onderhavige bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een nieuwe zitting te houden. Artikel 7:9 Awb bepaalt dat, indien het in vorenbedoeld geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, belanghebbenden opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord.

Artikel 19

De beslistermijn bedraagt twaalf weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken, behoudens de mogelijkheid tot opschorting en/of verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de commissie dat, ingeval hij voorziet dat de termijn van twaalf weken niet wordt gehaald, hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt om de beslissing op het bezwaar te verdagen. Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn de artikelen 3:41 tot en met 3:45 van die wet, regelende de bekendmaking en mededeling van besluiten, in casu niet van toepassing. De beslissing tot verdaging moet wel - eventueel door toezending aan belanghebbenden – worden bekendgemaakt omdat artikel 3:40 Awb (een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt) in artikel 7:14 van die wet niet van toepassing is uitgesloten.