Beleidsregel 4 Compensatie verhard oppervlak

Geldend van 25-02-2009 t/m 15-12-2009

Beleidsregel 4 Compensatie verhard oppervlak

1  Inleiding

Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebods- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels.

Deze notitie betreft de beleidsregel voor de compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak in Rijnlands beheergebeid. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de formele artikelen uit de beleidsregel in kwestie (paragraaf 4). Deze artikelen worden in paragraaf 5 stuk voor stuk kort toegelicht.

Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen. Alle documentatie is te vinden op www.rijnland.net

2 Kader

2.1 Verbod in de Keur

Op grond van de Keur (artikel 14, lid 2) is het verboden in het beheersgebied van Rijnland gebouwen, bouwwerken e.d. te plaatsen, onbebouwde/onverharde grond te verharden en werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan neerslag versneld tot afvoer komt. Op grond van artikel 14 lid 1 en 2 is het verboden in het beheersgebied van Rijnland werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan een toename van de kwel of wegzijging van het grondwater is te verwachten en werken te maken of te hebben of handelingen te verrichten die direct of indirect verzilting kunnen veroorzaken of bevorderen.

2.2  Toepassingsgebied

Het toepassingsgebied van deze beleidsregel is het gehele beheersgebied van Rijnland.

2.3  Raakvlakken met ander beleid

  • Beleidsregel ‘Alternatieve waterberging’.

  • Beleidsregel ‘Dempingen’.

  • Beleidsregel ‘Inrichting watersysteem’.

  • Beleidsregel ‘Minimaal oppervlak open water’.

3 Toelichting van de activiteit

Regenwater dat op een onverharde bodem valt, zakt voor een belangrijk deel in de bodem weg: infiltratie, zoals dat heet. Een deel van het regenwater verdampt en een deel komt terecht in het grondwater (wegzijging), terwijl een ander deel ondergronds afstroomt naar het oppervlaktewater of elders aan de oppervlakte komt (kwel). Slechts een beperkt deel stroomt bovengronds af naar het oppervlaktewater. De mate waarin het water kan infiltreren verschilt per bodemtype. Zandgrond kan veel water herbergen. Maar klei- en veengrond veel minder .

In verhard gebied vindt nauwelijks of geen infiltratie in de bodem plaats. Vrijwel al het water stroomt direct af naar het oppervlaktewater of de riolering. Dit betekent dat bij een flinke regenbui het oppervlaktewatersysteem een grote afvoerpiek moet opvangen. Bij de nieuwbouw van stedelijk gebied, de verdichting van bestaand gebied, de aanleg van kassen of de aanleg van wegen is sprake van het verharden van gebieden waar voordien water in de bodem kon infiltreren. De toename van verhard gebied betekent een geringere infiltratiecapaciteit naar de bodem en als gevolg daarvan een toename van periodieke belastingen van het oppervlaktewatersysteem.

Zoals verwoord in de Vierde nota waterhuishouding en het Waterbeleid 21e eeuw mogen problemen niet worden afgewenteld op de omgeving (waterneutraal bouwen). Dit betekent onder meer dat we regenwater niet zo snel mogelijk afvoeren, maar dat wij als hoogheemraadschap – samen met onze partners – eerst alles in het werk gaan stellen om water in de bodem en in open water vast te houden en te bergen. Het beleid van Rijnland houdt in dat de initiatiefnemer afdoende compenserende maatregelen neemt, opdat het oppervlaktewatersysteem na de realisering van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien.

Bij volledige herinrichting van polders / peilvakken (van bijvoorbeeld landbouw naar stedelijk gebied) waar onder meer  door opspuiting de drooglegging verandert, moet een geheel nieuw watersysteem worden ontworpen dat voldoet aan de criteria van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). De compenserende maatregelen voor verhard oppervlak zijn in dit soort gebieden niet van toepassing.

4  Voorwaarden compensatie verhard oppervlak

Op grond van de Keur (artikel 14, lid 1, 2 en 3) heeft het bestuur van Rijnland de volgende voorwaarden opgesteld voor het aanbrengen van verhard oppervlak.

Artikel 1: begripsomschrijving

In deze voorwaarden wordt verstaan onder:

  • a.

    Alternatieve waterberging: het op andere wijze dan door middel van open water bergen van regen)wateroverschotten; bijvoorbeeld door middel van grasdakken.

  • b.

    Oeverlijn: de scheidingslijn tussen water en land.

  • c.

    Peilvak: een geografisch afgebakend gebied waar één en hetzelfde waterpeil wordt nagestreefd.

  • d.

    Verhard oppervlak: het netto-oppervlak dat bebouwing, wegen, (tuin)bestrating en overige verhardingen in beslag neemt.

  • e.

    Waterneutraal bouwen:           bij ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt en/of waarbij het waterbergend vermogen afneemt, moeten aanvullende maatregelen de negatieve effecten (grotere aan- en afvoer van water) voorkomen; uitgangspunt is dat dit plaatsvindt in het plangebied.

Artikel 2: gevallen waarin geen compensatie is vereist

Voor projecten met een te verharden oppervlak kleiner dan 500 m2 is geen compensatie vereist, tenzij:

  • sprake is van meerdere te ontwikkelen min of meer aaneengesloten bouwplannen die bij elkaar groter zijn dan 500 m2.

  • het nieuw aan te leggen verhard oppervlak meer dan 10% van het oppervlak van het peilvak (waarin betreffend verhard oppervlak wordt aangelegd) beslaat.

  • het betreffende peilvak de toename van de piekafvoer door uitbreidingen van het verhard oppervlak  niet kan verwerken.

Artikel 3: percentages oppervlak extra open water

Indien een initiatiefnemer meer dan 500 m2 extra verhard oppervlak wil aanleggen is de volgende compensatie in de vorm van open water vereist:

Compensatie in de vorm van open water

Oppervlakte aanleg extra verhard oppervlak

Minimaal benodigd oppervlak extra open water uitgedrukt als percentage van het aan te leggen  extra verhard oppervlak

Boezem

Polder

< 500 m2

Zie artikel 2

Zie artikel 2

≥ 500 m2 < 10.000 m2

15 %

15 %

≥ 10.000 m2

15 %

Maatwerkberekening

Artikel 4: alternatieve waterberging

Onder voorwaarden is compensatie in de vorm van alternatieve waterberging mogelijk; zie hiervoor de beleidsregel Alternatieve waterberging.

Artikel 5: voorkeursvolgorde locaties voor compensatie

Voor de locatie van de compensatie geldt de volgende voorkeursvolgorde:

1. Compensatie moet in hetzelfde peilvak plaatsvinden.

2.  Als optie 1 niet mogelijk is, en als de waterstaatkundige situatie het toelaat, moet compensatie plaatsvinden in een peilvak dat deel uitmaakt van dezelfde bemalingseenheid.

3. is ook optie 2 niet mogelijk, en als de waterstaatkundige situatie het toelaat, dan is  compensatie in een ander peilvak mogelijk.

4. Als ook optie 3 niet mogelijk is, en als de waterstaatkundige situatie het toelaat, is pas financiële compensatie mogelijk; hiervoor wordt per gedempte vierkante meter oppervlaktewater een afkoopsom van € 98 gerekend.

p.s. Of in het zelfde peilvak (optie 1) of in het daaropvolgende peilvak (optie 2) moet worden gecompenseerd, hangt af van de gebiedskenmerken en zal door Rijnland worden bepaald.

Artikel 6: eerst compenseren, pas daarna verharden

Voordat het verhard oppervlak is aangelegd dient de vereiste compensatie te zijn gerealiseerd

Artikel 7: maatvoering

Indien het te compenseren water gerealiseerd wordt door een verbreding (oeververlegging) van een bestaand oppervlaktewater, dan dient deze verbreding minimaal 0,5 m gemeten uit de oeverlijn te bedragen.

Artikel 8: open verbinding

Het nieuw te creëren open water dient in open verbinding te staan met de rest van het watersysteem.

Artikel 9: dimensionering

De dimensionering van het nieuw te creëren open water moet voldoen aan de voorwaarden die in de beleidsregel ‘Aanleg nieuwe oppervlaktewateren / inrichting watersysteem’ zijn weergegeven.

Artikel 10: zoute kwel polders

In gebieden met sterke (zilte) kwel en/of inzijging kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld (zie kaartenbijlage 2; zoutekwelpolders).

Artikel 11: uitzonderingsbepaling voor hoog gelegen infiltratiegebieden

Indien een initiatiefnemer in een hooggelegen infiltratiegebied (zie kaartenbijlage 5; Duingebied Rijnland) verhard oppervlak aanlegt, is deze vrijgesteld van de verplichting bergend oppervlak in de vorm van open water aan te leggen. In plaats daarvan dient de initiatiefnemer voldoende voorzieningen te creëren waarmee schoon regenwater in de ondergrond kan infiltreren.

5  Toelichting per artikel

Toelichting artikel 1: begripsomschrijving

Zie ook de uitgebreide Rijnlandse begrippenlijst (bijlage 1) waarin tekeningen en bronverwijzingen zijn opgenomen.

Gedraineerd oppervlak

Gedraineerde gebieden, zoals (kunststof)sportvelden worden niet als verhard gebied aangemerkt.

Het stellen dat gedraineerde gebieden altijd sneller afvoeren dan onverhard gebied en daardoor per definitie een negatief effect hebben op de berging, behoeft nuancering.  De processen rondom drainage, afvoer en waterberging zijn complex. Afhankelijk van de bodemopbouw, drainagemethodiek (hoogte, diepte, materiaal) kan drainage in theorie in een aantal situaties zelfs een positieve bijdrage aan de totale berging opleveren.

Het in de Nota Waterneutraal bouwen gestelde uitgangspunt dat drainage zonder meer als verhard gebied moet worden beschouwd bleek onhoudbaar. Om per geval de effecten van drainage te kunnen bepalen, is per aanvraag een complexe berekening noodzakelijk. Mede gezien het feit dat het merendeel van de (landbouw)gronden die gedraineerd moesten worden al gedraineerd zijn, heeft Rijnland bij het vaststellen van de beleidsregel ‘Dempingen en Verhard oppervlak’ al in 2006 doen besluiten geen compensatieplicht in te stellen voor de aanleg van nieuw te draineren gebieden. Betreffende beleidsregel heeft in 2006 de nota Waterneutraal bouwen vervangen.

Aan de ene kant heeft dat tot gevolg dat als een gemeente een nieuw sportveld (b.v. kunststofveld) aanlegt, er geen compenserend oppervlaktewater hoeft te worden gegraven. Aan de andere kant betekent dat wel, dat als een reeds gedraineerd oppervlak wordt omgezet van onverhard naar verhard oppervlak er gecompenseerd moet worden.

Toelichting artikel 2: gevallen waarin geen compensatie is vereist

Vanwege de ondergrens van 500 m2 bestaat de kans dat het verhard oppervlak sluipenderwijs toeneemt zonder dat er gecompenseerd wordt. Om dit te voorkomen beoordeelt Rijnland of er sprake is van een individueel project of van meerdere te ontwikkelen min of meer aaneengesloten bouwplannen en/of  projecten.

Voor zeer kleine watersystemen (kleiner dan 500 m2), maar ook voor slecht functionerende watersystemen, kan elke uitbreiding van verhard oppervlak al te veel zijn. In deze situaties dient per geval beoordeeld te worden wat mogelijk is.

Toelichting artikel 3: percentages oppervlak extra open water

Zoals in de tabel in artikel 3 staat vermeld dient ter compensatie van de aanleg van verhard oppervlak 15 % extra open water te worden gegraven (de zogenaamde 15% regel).

De 15% regel is, in het kader van de nota Waterneutraal bouwen, berekend voor de boezem. Gezien de geringe drooglegging in de boezem is een forse compensatie vereist om de negatieve effecten van de aanleg van verhard oppervlak te compenseren.

Voor polders gelden in principe andere normen. Gezien de veelheid aan grondsoorten, droogleggingen etc. zijn maatwerkberekeningen noodzakelijk om per peilvak de vereiste hoeveelheid compensatie te kunnen bepalen. Om te voorkomen dat voor elke ‘kleine’ uitbreiding complexe berekeningen moeten worden gemaakt, is in polders de 15% regel ook voor uitbreidingen tot 10.000 m2 van toepassing verklaard. Indien gewenst kan door de initiatiefnemer ook een maatwerkberekening worden uitgevoerd.

Wordt er in polders meer dan 10.000 m2 extra verhard oppervlak aangelegd, dan is een maatwerkberekening noodzakelijk.

De maatwerkberekening dient door en op kosten van de initiatiefnemer in nauw overleg met Rijnland te worden uitgevoerd. Voor wat betreft de uitgangspunten die gelden voor de maatwerkberekening dient contact opgenomen te worden met Rijnland.

Toelichting artikel 5: voorkeursvolgorde locaties voor compensatie

Het hoogheemraadschap stelt voorwaarden aan de locatie van de compensatie. De basis hiervoor is de voor de waterbeheersing noodzakelijk geachte ligging en spreiding. Indien in hetzelfde peilvak geen of slechts gedeeltelijke fysieke compensatie (of binnen een straal van 5 km in de boezem) valt te creëren, moet compensatie (geheel of voor het resterende deel) plaatsvinden in een peilvak dat deel uitmaakt van dezelfde bemalingseenheid. Als ook dit niet mogelijk is, dient elders in Rijnland te worden gecompenseerd. Voorwaarde is dat de waterstaatkundige situatie in het peilvak waar het verhard oppervlak wordt aangelegd het toestaat dat elders wordt gecompenseerd.

Er zijn situaties waar het niet de voorkeur heeft om in het zelfde peilvak te compenseren, maar in het daaropvolgende peilvak. Voorbeelden zijn peilvakken waar het water zeer snel via een stuw afvoert op het volgende peilvak. In dergelijke gevallen kan het beter zijn de compensatie te graven in het ‘ontvangende’peilvak. Per aanvraag moet Rijnland beoordelen waar de compensatie moet plaatsvinden.

Het hoogheemraadschap kan de mogelijkheid bieden om het gedempte water financieel te compen-seren als de initiatiefnemer aan het hoogheemraadschap kan aantonen dat geen locatie is te vinden waar fysieke compensatie kan plaatsvinden. Nota bene: financiële compensatie is alleen mogelijk als de waterhuishoudkundige situatie het toelaat. Het hoogheemraadschap hecht een zeer groot belang aan fysieke compensatie en de compensatie van verhard oppervlak komt alleen voor financiële compensatie in aanmerking indien de initiatiefnemer veel moeite heeft gedaan om deze fysieke compensatie te realiseren.

De hoogte van de afkoopsom van € 98,- is gebaseerd op de kosten van grondaankoop en de aanleg van vervangende waterpartijen. Het hoogheemraadschap zal de verkregen compensatiegelden gebruiken voor het realiseren van water op die plaatsen binnen het beheersgebied waar meer bergingscapaciteit is gewenst.

Toelichting artikel 6: eerst compenseren, pas daarna verharden

Het hoogheemraadschap stelt als voorwaarde dat eerst fysieke compensatie plaatsvindt voordat het verhard oppervlak wordt aangelegd. Een andere werkwijze zou immers een tijdelijke vermindering van de bergingscapaciteit van het watersysteem betekenen en kan leiden tot lokale wateroverlast.

Toelichting artikel 7: maatvoering

In theorie zou een aanvrager kunnen compenseren door een sloot over een lengte van 1 kilometer met 1 centimeter te verbreden. In de praktijk is dit niet te controleren; vandaar dat wordt geëist dat een minimale breedte van 0,5 meter wordt aangelegd.

Toelichting artikel 8: open verbinding

Om te kunnen bijdragen aan de berging in het watersysteem is het van belang dat nieuw te graven water in open verbinding staat met dat watersysteem. Het graven van een geïsoleerde vijver in een nieuwbouwwijk wordt dus niet beschouwd als compensatie voor de aanleg van verhard oppervlak.

Toelichting artikel 9: dimensionering

De voorwaarden voor breedte, lengte, onderwatertalud, etc, zullen door het hoogheemraadschap afhankelijk van de lokale situatie worden vastgesteld.

Bij de beoordeling van het nieuw aan te leggen watersystemen, maar ook bij maatregelen gericht op vasthouden en bergen, wordt tevens gekeken naar de gevolgen voor de waterkwaliteit en de ecologie. Uitgangspunt is dat de maatregelen geen blijvende negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het oppervlaktewater.

Toelichting artikel 10: zoute kwel polders

Fysieke compensatie in gebieden met een sterke (zilte) kwel en/of inzijging kan tot gevolg hebben dat de (zilte) kwel of inzijging toeneemt waardoor de waterkwaliteit mogelijk afneemt en/of een verstoring van de waterbalans optreedt; zie kaartenbijlage 2; zoute kwel polders. Werken die in betreffende gebieden worden uitgevoerd worden per geval door Rijnland beoordeeld.

Toelichting artikel 11: uitzonderingsbepaling voor hoog gelegen infiltratiegebieden

Het graven van oppervlaktewateren in bijvoorbeeld de duinen is niet zinvol omdat het regenwater doorgaans direct infiltreert in de bodem. Beter is het om voorzieningen aan te leggen waarmee schoon regenwater afkomstig vanaf verhard oppervlak in de bodem kan infiltreren. Welke voorzieningen nodig zijn, moet de initiatiefnemer in overleg met het hoogheemraadschap bepalen.

Gezien de hoge grondwaterstanden die in bijna heel Rijnland voorkomen, moet met de infiltratie van regenwater in Rijnland voorzichtig worden omgegaan. Om grondwateroverlast te voorkomen is gedegen onderzoek noodzakelijk voordat aan infiltratie kan worden gedacht. Rijnland bepaalt welke hoger gelegen gebieden in aanmerking komen voor vrijstelling, zie kaartenbijlage 5; Duingebied Rijnland.