Aansluitverordening Uitwaterende Sluizen 1998

Geldend van 15-03-1998 t/m 22-12-2009

Intitulé

Aansluitverordening Uitwaterende Sluizen 1998

Artikel 1 - Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder

  • a.

    het bestuursorgaan: het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap;

  • b.

    afvalwater: alle water en/of afvalstoffen waarvan de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

  • c.

    afvalstoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;

  • d.

    zuiveringstechnische werken: werken in beheer bij het hoogheemraadschap die zijn ingericht en/of worden aangewend voor transport en/of behandeling van afvalwater;

  • e.

    openbare riolering: gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater die wordt aangesloten op een zuiveringstechnisch werk;

  • f.

    vervuilingseenheid (v.e.): voor zuurstofbindende stoffen: een inwoner-equivalent als bedoeld in artikel 19 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren; voor andere stoffen: elke in het heffingsjaar geloosde kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink en/of elke in het heffingsjaar geloosde 100 gram van de stoffen arseen, cadmium en kwik;

  • g.

    aansluitpunt: het punt waar de openbare riolering op het zuiveringstechnische werk van het hoogheemraadschap wordt aangesloten.

Artikel 2 - Aansluitvergunning

  • 1. Het is verboden zonder vergunning een openbare riolering aan te sluiten op een zuiveringstechnisch werk en/of afvalwater vanuit de openbare riolering in dit werk te brengen.

  • 2. Het bestuursorgaan kan de in het eerste lid bedoelde vergunning (hierna te noemen aansluitvergunning) verlenen, weigeren, en - al dan niet op aanvraag - wijzigen of intrekken.

  • 3. Aan de aansluitvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften kunnen uitsluitend strekken:

    • tot bescherming van de zuiveringstechnische werken en tot verzekering van de doelmatige werking daarvan;

    • tot het tegengaan en het voorkomen van verontreiniging van het oppervlaktewater waarin met behulp van het in het eerste lid bedoelde zuiveringstechnisch werk afvalwater wordt gebracht.

  • 4. In de aansluitvergunning kan - al dan niet op aanvraag - worden bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij vast te stellen termijn.

  • 5 . Indien de houder van een tijdelijke aansluitvergunning uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de termijn opnieuw een aanvraag om verlening van een vergunning heeft ingediend die voldoet aan de eisen die bij of ingevolge de verordening met betrekking tot de aanvraag zijn gesteld blijft de tijdelijke vergunning van kracht totdat op die aanvraag onherroepelijk is beslist.

Artikel 3 - Gegevensverstrekking

  • 1. Bij de aanvraag tot verlening of wijziging van een aansluitvergunning kan de aanvrager worden verplicht ten minste de volgende gegevens te verstrekken:

    • de technische gegevens van het rioolstelsel, waaronder mede begrepen de verschillende aansluitpunten en een overzichtstekening van het rioleringsgebied;

    • het aantal woonruimten per aansluitpunt dat is en zal worden aangesloten op de riolering;

    • het aantal en de aard van de bedrijfsruimten per aansluitpunt die zijn en zullen worden aangesloten op de openbare riolering, met uitzondering van de categorieën van bedrijven die zijn aangewezen bij besluit van 4 november 1983, Stbl. 577, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 26 november 1990, Stbl. 598;

    • een raming van de per aansluitpunt te lozen hoeveelheid afvalwater uitgedrukt in m³/h, gedifferentieerd naar hoeveelheden droogweerafvoer en regenweerafvoer alsmede gegevens over de pompovercapaciteit uitgedrukt in mm/h;

    • een raming van de per aansluitpunt te lozen hoeveelheden afvalstoffen, uitgedrukt in v.e. en gedifferentieerd naar inwoners en bedrijven;

    • per aansluitpunt het aantal hectare verhard oppervlak waarvan het afvloeiend hemelwater wordt afgevoerd via de openbare riolering;

    • gegevens over de in het kader van beheer en onderhoud van het rioolstelsel te ondernemen activiteiten.

  • 2. De aanvraag om een aansluitvergunning maakt deel uit van de vergunning, voor zover dat in de vergunning is aangegeven.

  • 3 . De aanvraag alsmede de in het eerste lid bedoelde gegevens worden in 5-voud verstrekt.

Artikel 4 - Nieuwe ontwikkelingen

De houder van een aansluitvergunning verstrekt aan het bestuursorgaan alle hem ter beschikking staande informatie voor zover deze van belang kan worden geacht voor de bescherming van de in artikel 2, derde lid, genoemde belangen, zoals informatie over planologische ontwikkelingen.

Artikel 5 - Doorvertaling van voorschriften

  • 1. Ter uitwerking van het bepaalde in artikel 2, derde lid, kan het bestuursorgaan:

    • ter verzekering van de nakoming van voorschriften, gesteld in de vergunning op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren die is verleend voor het brengen van afvalwater vanuit het betreffende zuiveringstechnische werk op oppervlaktewater;

    • ter bescherming van de doelmatige werking van de zuiverïngstechnische werken;

    • met het oog op de realisering van de op het ontvangende oppervlaktewater van toepassing zijnde kwaliteitsdoelstellingen;

    • in de aansluitvergunning voorschriften stellen ten aanzien van het brengen van afvalstoffen vanuit de openbare riolering op het zuiveringstechnische werk. Deze voorschriften kunnen in ieder geval betrekking hebben op: het stellen van emissiegrenswaarden voor daarbij aan te wijzen stoffen en/of het stellen van signaleringswaarden voor daarbij aan te wijzen stoffen.

  • 2. Bij het door hem stellen van voorschriften en nadere eisen krachtens de Wet milieubeheer houdt de houder van de aansluitvergunning in ieder geval rekening met de grenswaarden en signaleringswaarden, als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6 - Informatieverplichting bij (dreigende) verstoringen van de doelmatige werking

  • 1 . Indien door de samenstelling en/of hoeveelheid van het afvalwater, dat vanuit de openbare riolering in het zuiveringstechnische werk wordt gebracht, een verstoring van de doelmatige werking van het betreffende zuiveringstechnische werk optreedt of dreigt op te treden en/of nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater ontstaan of dreigen te ontstaan, is de houder van de aansluitvergunning verplicht al dan niet op verzoek van het bestuursorgaan onverwijld gegevens te verstrekken die nodig zijn om de oorzaken hiervan te achterhalen.

  • 2. In gevallen, als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan de houder van de aansluitvergunning in ieder geval opdracht geven opgave te doen van hetzij direct hetzij indirect op de openbare riolering aangesloten bedrijfsruimten.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde opgave kan de volgende gegevens betreffen:

    • naam en adres van de bedrijfsruimten;

    • aard van elke bedrijfsruimte afzonderlijk;

    • vermelding van de aard en samenstelling van het afvalwater en een raming van de jaarlijks te lozen hoeveelheden afvalstoffen;

    • afschrift van reeds verleende vergunningen of ontheffingen krachtens de Wet milieubeheer dan wel afschrift van een melding als bedoeld in artikel 8.41 van de Wet milieubeheer voor zover deze (mede) betrekking hebben op het lozen van afvalwater in de openbare riolering;

    • aanduiding van de aansluitingen) per bedrijf of instelling op een rioleringskaart.

Artikel 7 - Onderzoeksverplichting bij stelselmatige overschrijdingen

  • 1. Indien bij het brengen van afvalwater vanuit de openbare riolering op het zuiveringstechnische werk een in de aansluitvergunning opgenomen grenswaarde en/of signaleringswaarde als bedoeld in artikel 5, eerste lid, stelselmatig wordt overschreden, doet het bestuursorgaan hiervan schriftelijk melding aan de houder van de aansluitvergunning.

  • 2. Indien door het bestuursorgaan een melding, als bedoeld in het eerste lid, is gedaan, kan het bestuursorgaan aan de houder van de aansluitvergunning de verplichting opleggen om de nodige maatregelen te treffen om een toename van de geconstateerde overschrijding van de betreffende grenswaarde en/of signaleringswaarde te voorkomen.

  • 3. In gevallen als bedoeld in het eerste lid kan het bestuursorgaan aan de houder van de aansluitvergunning tevens bij beschikking de verplichting opleggen om onderzoek te verrichten naar de oorzaken van de overschrijdingen en naar de mogelijkheden om de overschrijdingen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.

  • 4. Bij de in het derde lid bedoelde beschikking kan het bestuursorgaan aan de houder van de aansluitvergunning:

    • met betrekking tot daarbij aan te geven grenswaarden, signaleringswaarden en afvalstoffen voorschriften stellen ten aanzien van het onderzoek als bedoeld in het derde lid;

    • nadere eisen stellen met betrekking tot: de termijn waarbinnen en de wijze waarop het onderzoek dient te worden uitgevoerd en de termijn waarbinnen en de wijze waarop de resultaten van het onderzoek aan het bestuursorgaan dienen te worden overgelegd.

  • 5. De houder van de aansluitvergunning is verplicht op basis van de resultaten van het onderzoek maatregelen te treffen teneinde de overschrijdingen, als bedoeld in het eerste lid, ongedaan te maken, te beperken of te voorkomen. Bij beschikking kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop en de termijn waarbinnen bedoelde maatregelen dienen te worden uitgevoerd.

Artikel 8 - Voorbereidingsprocedure

  • 1. Het bestuursorgaan stelt in ieder geval de navolgende overheidsorganen in de gelegenheid hem van advies te dienen met betrekking tot het ontwerp van de beschikking op een aanvraag tot verlening of wijziging van een aansluitvergunning alsmede met betrekking tot het voornemen tot het ambtshalve verlenen, wijzigen of intrekken van een aansluitvergunning:

    • de ter plaatse bevoegde inspecteur van het staatstoezicht op de Volksgezondheid belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu;

    • indien vanuit het zuiveringstechnisch werk waarop is of wordt aangesloten afvalwater wordt gebracht op een oppervlaktewater ten aanzien waarvan het hoogheemraadschap niet is belast met de zorg voor het waterkwaliteitsbeheer: het openbaar lichaam dat met dit beheer is belast.

  • 2. De beschikking tot verlening, wijziging of intrekking van een aansluitvergunning of tot weigering daarvan wordt schriftelijk medegedeeld aan de inspecteur en het openbaar lichaam, als bedoeld in het eerste lid en aan het waterschap dat ter plaatse van de lozing van het effluent met het kwantiteitsbeheer is belast.

Artikel 9 - Schadevergoeding

Indien en voor zover blijkt dat een houder van een aansluitvergunning door een wijziging of intrekking daarvan schade lijdt die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen, zal hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding worden toegekend. Het bestuursorgaan neemt het besluit inzake de toekenning van een schadevergoeding bij afzonderlijke beschikking.

Artikel 10 - Toezicht

  • 1. De door het bestuursorgaan aangewezen ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, zijn bevoegd, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is:

    • a.

      het afvalwater dat in een openbare riolering wordt getransporteerd direct voorafgaande aan het brengen van dit afvalwater op een zuiveringstechnisch werk te meten alsmede monsters daarvan te nemen;

    • b.

      zich te doen vergezellen door personen, die daartoe door hen zijn aangewezen alsmede de benodigde apparatuur mede te brengen.

  • 2. De houder van de aansluitvergunning is verplicht aan voornoemde ambtenaren alle medewerking te verlenen die deze met het oog op de vervulling van hun taak behoeven.

Artikel 11 - Strafbepaling

Overtreding van bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als genoemd in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Artikel 12 - Overgangsbepaling

  • 1. Een aansluitvergunning, verleend aan een gemeente vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, wordt voor de toepassing van deze verordening beschouwd als een aansluitvergunning in de zin van deze verordening.

  • 2. Een aanvraag tot verlening of wijziging van een aansluitvergunning, ontvangen en als ontvankelijk beschouwd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, wordt beschouwd als een ontvankelijke aanvraag in de zin van deze verordening.

Artikel 13 - Inwerkingtreding en citeertitel

Deze aansluitverordening treedt in werking op 15 maart 1998. Op dat moment komt de Aansluitverordening Uitwaterende Sluizen (vastgesteld in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en Westfriesland op 16 maart 1988, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 september 1991) te vervallen.

Deze verordening kan worden aangehaald als Aansluitverordening Uitwaterende Sluizen 1998.