Verordening op de waterschapsomslagen 2002

Geldend van 01-01-2007 t/m 31-12-2008

Intitulé

Verordening op de waterschapsomslagen 2002

Volledige tekst van de Verordening op de waterschapsomslagen 2002

Hoofdstuk I  Inleidende bepalingen

Artikel 1 (Begripsbepalingen)

Deze verordening verstaat onder:

beheersgebied: het gebied van het waterschap, zoals bedoeld in artikel 2 van het provinciale reglement voor het waterschap;

b taakgebied: een bij provinciaal reglement voor het waterschap aangegeven, binnen het beheersgebied van het waterschap gelegen gebied, waarin het waterschap een of meer van de aan haar opgedragen taken behartigt;

woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;

kadastrale registratie: de registratie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Kadasterwet;

de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks bestuur van het Gemeenschappelijk Belasting Kantoor Oost Nederland aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet;

Omslagklassenverordening: de verordening van het waterschap, bedoeld in artikel 120, zevende lid, van de Waterschapswet;

Kostentoedelingsverordening: de verordening van het waterschap, bedoeld in artikel 119, eerste lid, van de Waterschapswet;

h waterkeringszorg: de zorg voor de waterkering zoals genoemd in artikel 3, lid 2:a van het provinciale reglement voor het waterschap;

i waterkwantiteitsbeheer: de zorg voor het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer zoals genoemd in artikel 3, lid 2:b van het provinciale reglement voor het waterschap.;

Artikel 2 (Belastbaar feit en omslagplichtigen)

  • 1 Ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de aan het waterschap opgedragen taken op het gebied van de waterkeringszorg en het waterkwantiteitsbeheer, zoals genoemd in de onderdelen h. en i. van artikel 1, worden onder de verzamelnaam ‘waterschapsomslagen’ directe belastingen geheven.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde waterschapsomslagen worden geheven van de omslagplichtigen:

    • a

      bedoeld in de hoofdstukken II en III, terzake van de in die hoofdstukken genoemde onroerende zaken, voorzover deze zijn gelegen in een taakgebied en deze belang hebben bij de behartiging van de in die hoofdstukken nader omschreven taken;

    • b

      bedoeld in hoofdstuk IV, terzake van het ingezetene zijn in een taakgebied.

Hoofdstuk II  Omslagheffing ongebouwd

Artikel 3 (Omslagplicht zakelijk genothebbenden ongebouwd)

  • 1 Met betrekking tot de taken van het waterschap inzake het waterkwantiteitsbeheer en de waterkeringszorg wordt onder de naam omslagheffing ongebouwd een waterschapsomslag geheven van degenen die in een taakgebied krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken.

  • 2 Als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een ongebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de desbetreffende kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

  • 3 Ingeval een ongebouwde onroerende zaak is onderworpen aan verschillende soorten van beperkt recht, wordt uitsluitend geheven van degene die het genot heeft van het beperkt recht, waaraan ingevolge artikel 24 van de Waterschapswet stemrecht is verbonden.

Artikel 4 (Omslagplicht eigenaar–gebruikers en pachters ongebouwd)

In het waterschap Rijn en IJssel wordt onder de naam pachtersomslag geen waterschapsomslag geheven.

Artikel 5 (Belastingobject ongebouwd)

1 Voor de toepassing van artikel 3 wordt als één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat hetgeen wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak niet in aanmerking wordt genomen.

2 Indien een deel van een kadastraal perceel of een deel van een gedeelte van een kadastraal perceel buiten het taakgebied van het waterschap is gelegen, wordt uitsluitend het binnen een dergelijk gebied van het waterschap gelegen deel in aanmerking genomen.

3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden openbare land– en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning, als ongebouwde eigendommen aangemerkt.

Artikel 6 (Heffingsmaatstaf ongebouwd)

  • 1 Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de Omslagklassenverordening geldt voor de waterschapsomslagen, bedoeld in de artikelen 3, als heffingsmaatstaf de oppervlakte van de ongebouwde onroerende zaak.

    De oppervlakte wordt uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan.

  • 2 Indien de oppervlakte van een ongebouwde onroerende zaak niet in de kadastrale registratie staat vermeld, stelt de ambtenaar belast met de heffing deze door middel van meting of schatting vast.

Artikel 7 (Tarieven ongebouwd)

Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de Kostentoedelingsverordening bedragen de tarieven van de waterschapsomslag per hectare, bedoeld in artikel 3: 

a  voor de waterkeringszorg € 4,26;

b  voor het waterkwantiteitsbeheer € 67,77.

Artikel 8 (Vrijstelling ongebouwd)

De waterschapsomslagen, bedoeld in artikel 3, worden niet geheven terzake van ongebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, genothebbende is.

Hoofdstuk III  Omslagheffing gebouwd

Artikel 9 (Omslagplicht zakelijk genothebbenden gebouwd)

  • 1 Met betrekking tot de taken van het waterschap inzake het waterkwantiteitsbeheer en de waterkeringszorg wordt onder de naam omslagheffing gebouwd een waterschapsomslag geheven van degenen die in een taakgebied krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken.

  • 2 Als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een gebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de desbetreffende kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

  • 3 Ingeval een gebouwde onroerende zaak is onderworpen aan verschillende soorten van beperkt recht, wordt uitsluitend geheven van degene die het genot heeft van het beperkte recht, waaraan ingevolge artikel 24 van de Waterschapswet stemrecht is verbonden.

Artikel 10 (Belastingobject gebouwd)

  • 1 Voor de toepassing van artikel 9 wordt als één gebouwde onroerende zaak aangemerkt:

    • a

      een gebouwd eigendom;

    • b

      een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

    • c

      een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a bedoelde gebouwde eigendommen of van in onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

    • d

      het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van een in onderdeel a bedoeld eigendom, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c bedoeld samenstel;

    • e

      het binnen het taakgebied of waterschapsgebied gelegen deel van een in onderdeel a bedoeld eigendom, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c bedoeld samenstel of van een in onderdeel d bedoeld deel.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid maken de ongebouwde eigendommen voorzover die dienstbaar zijn aan een gebouwd eigendom, aan een gedeelte van een gebouwd eigendom of aan een samenstel van gebouwde eigendommen, als bedoeld in onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b of onderdeel c, van dat lid, deel uit van de gebouwde onroerende zaak, met uitzondering van de ongebouwde eigendommen, voorzover de waarde daarvan bij de waardebepaling op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken op basis van het bepaalde krachtens artikel 18, derde lid, van die wet buiten aanmerking wordt gelaten.

Artikel 11 (Heffingsmaatstaf gebouwd)

  • 1 Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de Omslagklassenverordening geldt voor de waterschapsomslag, bedoeld in artikel 9, indien de gebouwde onroerende zaak tevens een onroerende zaak is als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, als heffingsmaatstaf de op de voet van hoofdstuk IV van die wet voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het tijdvak waarbinnen het desbetreffende kalenderjaar valt.

  • 2 In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de omslagen terzake van gebouwde onroerende zaken buiten aanmerking gelaten, voorzover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in het eerste lid bedoelde waarde, de waarde van werktuigen als bedoeld in artikel 220d, eerste lid, onderdeel j, Gemeentewet, juncto artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ.

  • 3 Bij de toepassing van het tweede lid is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, 19, eerste lid, onderdelen b en c, tweede lid, onderdelen b en c, 20, tweede lid, en 22, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Voor de omslagen terzake van gebouwde onroerende zaken die deel uitmaken van een onroerende zaak als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf gesteld op het gedeelte van de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde dat kan worden toegekend aan de gebouwde onroerende zaak.

  • 5 Indien het eerste of vierde lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, wordt de heffingsmaatstaf van die gebouwde onroerende zaak bepaald met toepassing van het tweede en derde lid en met overeenkomstige toepassing van het vierde lid alsmede van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 19, 20 tweede lid, en 22, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 12 (Tarieven gebouwd)

Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de Kostentoedelingsverordening bedragen de tarieven van de waterschapsomslag, bedoeld in artikel 9, voor elke volle € 2.500,–– van de heffingsmaatstaf:

a  voor de waterkeringszorg € 0,13;

b  voor het waterkwantiteitsbeheer € 0,32.

Artikel 13 (Vrijstellingen gebouwd)

De waterschapsomslag, bedoeld in artikel 9, wordt niet geheven terzake van:

a  straatmeubilair, waaronder worden begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen

– niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van een in het taakgebied gelegen gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen.

b  gebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap genothebbende is krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

Hoofdstuk IV  Omslagheffing ingezetenen

Artikel 14 (Omslagplicht ingezetenen)

  • 1 Met betrekking tot de taken van het waterschap inzake het waterkwantiteitsbeheer en de waterkeringszorg wordt onder de naam ingezetenenomslag een waterschapsomslag geheven van degenen die in een taakgebied ingezetenen zijn.

  • 2 Als ingezetene wordt aangemerkt degene die blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar het gebruik heeft van woonruimte. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het gebruik van woonruimte door de leden van een gezamenlijke huishouding aangemerkt als gebruik door een door de ambtenaar belast met de heffing aan te wijzen lid van dat huishouden.

Artikel 15 (Tarieven ingezetenen)

Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de Kostentoedelingsverordening bedragen de tarieven van de waterschapsomslag, bedoeld in artikel 14, per woonruimte per taakgebied:

a  voor de waterkeringszorg € 6,18;

b  voor het waterkwantiteitsbeheer € 23,40.

Hoofdstuk V  Heffing en invordering

Artikel 16 (Wijze van heffing)

De waterschapsomslagen worden geheven bij wege van aanslag.

Artikel 17 (Aanslagen bij meerdere omslagplichtigen )

Indien voor de toepassing van de artikelen 3 en 9 met betrekking tot eenzelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht kan worden aangewezen, kan de aanslag worden gesteld ten name van één van hen.

Artikel 18 (Afronding en niet opleggen van aanslagen)

  • 1. Aanslagen van minder dan € 5,-- worden niet opgelegd.

  • 2. Voor de toepassing van het bepaalde in lid 1 wordt het totaal van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één aanslag.

Artikel 19 (Betalingstermijn)

  • 1 Aanslagen en navorderingsaanslagen in de waterschapsomslag bedoeld in de artikelen 3 en 9 moeten worden betaald in één termijn, die vervalt twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2 Tenzij op het aanslagbiljet anders is vermeld, dienen de aanslagen in de omslag, bedoeld in artikel 14, te worden betaald tegelijk met, op dezelfde wijze als en in zoveel termijnen als die waarop de nota’s van het waterbedrijf, in welks verzorgingsgebied de ruimte is gelegen, moeten worden betaald.

  • 3 In afwijking van het tweede lid moeten de aanslagen en navorderingsaanslagen in de omslag, bedoeld in artikel 14, indien dit op het aanslagbiljet is vermeld, worden betaald in één termijn, die vervalt twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 4 Een met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete als genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, die gelijktijdig en in verband met de vaststelling van de belastingaanslag is opgelegd, is invorderbaar overeenkomstig de termijnen die gelden voor de belastingaanslag.

Artikel 20 (Nadere regels)

Het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de waterschapsomslagen.

Hoofdstuk VI  Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 21

Van de waterschapsomslag ongebouwd, bedoeld in hoofdstuk II van deze verordening en van de waterschapsomslag gebouwd, bedoeld in hoofdstuk III van deze verordening, wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 22 (Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing en citeertitel)

  • 1 De Verordening op de waterschapsomslagen van 2 januari 1997, laatstelijk gewijzigd bij besluit van het algemeen bestuur van 21 december 2000, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij, met uitzondering van artikel 18, lid 1 van die verordening, van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van haar bekendmaking.

  • 3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2002.

  • 4 Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening op de waterschapsomslagen 2002’.

Toelichting op de Verordening op de waterschapsomslagen 2002 (behorende bij de versie 2002)

Algemeen deel

Ongebouwde en gebouwde belastingobjecten

De wettelijke regeling met betrekking tot de omslagheffing brengt mee dat ook voorschriften worden gegeven inzake de belastingobjecten die in de omslagheffing worden betrokken. De bepalingen betreffende de afbakening van het individuele belastingobject waarvoor omslag verschuldigd is, vormen een substantieel, maar gecompliceerd onderdeel van de onderhavige regelgeving. Voor de bepaling van de omvang van een gebouwde onroerende zaak dient in beginsel volledig te worden aangesloten bij hoofdstuk II van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Omdat de objectafbakening voor de omslagheffing op bepaalde punten (met name het onderscheid tussen gebouwde en ongebouwde onroerende zaken) afwijkt van die voor de Wet WOZ zijn de objectafbakeningsvoorschriften voor de omslagheffing zelfstandig opgenomen in artikel 117 van de Waterschapswet.

Bij de afbakening van het WOZ–belastingobject maakt het geen verschil of een onroerende zaak ongebouwd, dan wel gebouwd is. In beide gevallen geldt ten aanzien van het belastingobject de WOZ–waarde, waarbij uiteraard een deel van de waarde onder omstandigheden buiten aanmerking wordt gelaten (zie de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ).

De Waterschapswet daarentegen maakt wel een onderscheid tussen ongebouwde en gebouwde onroerende zaken. De maatstaf van heffing voor ongebouwde belastingobjecten is de oppervlakte. Voor gebouwde belastingobjecten geldt als heffingsmaatstaf de waarde in het economische verkeer, die is toegekend op basis van de Wet WOZ.

In beginsel is de situatie feitelijk aldus dat alles wat voor de Wet WOZ – met uitzondering van die eigendommen waarvan de waarde op grond van artikel 18, derde lid, wet WOZ buiten aanmerking wordt gelaten – als een onroerende zaak wordt aangemerkt, voor de omslagheffing gebouwd als een gebouwd belastingobject wordt beschouwd. Op deze hoofdregel zijn echter uitzonderingen mogelijk die zijn terug te voeren zijn op het onderscheid tussen de samenstelbepaling in de Wet WOZ (en de Gemeentewet) en het dienstbaarheidscriterium in de Waterschapswet. Zo komt het wel voor dat een WOZ–object bestaat uit een samenstel van ongebouwde en gebouwde eigendommen, waarvan de ongebouwde eigendommen evenwel niet dienstbaar zijn aan de zich hierop bevindende gebouwde eigendommen. Een voorbeeld hiervan zijn opstallen (denk aan kleedruimten) die zich bevinden op sportterreinen en die worden gebruikt ten behoeve van de sportbeoefening op die terreinen. Zie in dit verband artikel 117 van de Waterschapswet.

Geen heffingsmaatstaf ingezetenenomslag

Met betrekking tot de ingezetenenomslag geeft de Waterschapswet geen voorschriften voor de in aanmerking te nemen maatstaf van heffing. Dit hangt samen met het feit dat de ingezetene als persoon een rechtstreeks belang heeft bij de uitoefening van een of meer waterschapstaken. Het belang waar het bij de ingezetenen om gaat, is een algemeen taakbelang, dat wordt gekenmerkt doordat het subject– of persoonsgericht is. Dit belang bestaat hierin dat een ingezetene ongestoord kan wonen, werken en recreëren, dus ook zich vrijelijk kan verplaatsen in het gebied van het waterschap.

Aangezien het in casu om een immaterieel belang gaat kan dan ook niet worden gesteld dat de ene ingezetene een groter belang heeft bij een bepaalde taak dan de andere ingezetene.

Daarentegen is het belang dat ten grondslag ligt aan de omslagheffingen ongebouwd en gebouwd, een specifiek taakbelang dat daardoor uit zijn aard object- of zaakgericht is. Dit houdt in dat het belang van de ongebouwde en gebouwde objecten bij de uitoefening van een of meer waterschapstaken op de voorgrond staat. De instandhouding en het optimaal functioneren van die objecten zijn mede afhankelijk van goede waterschapsvoorzieningen. Gelet op het verschil in oppervlakten van de ongebouwde objecten en het verschil in waarden in het economische verkeer van de gebouwde objecten, behoeft het geen betoog dat het belang van het ene object groter kan zijn dan dat van het andere bij de behartiging van een of meer waterschapstaken. Dit verschil in belang is tot uitdrukking gebracht in de heffingsmaatstaven die op de betreffende ongebouwde en gebouwde onroerende zaken van toepassing zijn. Via de objecten worden de daartoe gerechtigde zakelijk genothebbenden of de gebruikers en pachters van ongebouwde objecten in de omslagheffing gebouwd of de omslagheffing ongebouwd betrokken.

Nu voor de ingezetenenomslag geen heffingsmaatstaf nodig is, kan worden volstaan met de constatering van het belastbare feit, te weten het bij het begin van het belastingjaar blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens woonplaats hebben in het taakgebied van het waterschap en het aldaar gebruik hebben van woonruimte. Zie in dit verband de artikelen 118, derde lid, 120, achtste lid, en 121 van de Waterschapswet.

Geen omslag gebruikers bedrijfsgebouwd

Van de vijf in artikel 116 van de Waterschapswet genoemde categorieën omslagplichtigen is één categorie buiten beschouwing gelaten, namelijk de gebruikers van bedrijfsmatig geëxploiteerde gebouwde onroerende zaken. Omdat elke categorie van omslagplichtigen een substantieel belang bij de uitoefening van de waterschapstaak moet hebben en naar de huidige inzichten dit belang van de evengenoemde categorie in relatie tot de overige categorieën beperkt is, is er geen reden om de omslagheffing voor gebruikers van bedrijfsgebouwd in de model–verordening te regelen. Zie in dit verband ook de kostentoedelingsverordening, waarin geen kosten worden toegedeeld aan de gebruikers van bedrijfsgebouwd. Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat ter zake van het bedrijfsgebouwd uiteraard wel omslagheffing van de zakelijk genothebbenden plaatsvindt.

Formele criteria inzake heffing en invordering

Voorts dienen de heffing en de invordering van waterschapsbelastingen, waaronder de omslagheffing, te voldoen aan een aantal criteria van formele aard. De belastingverordening dient alle wezenlijke elementen te bevatten, waaruit duidelijk blijkt wie belastingplichtig is, voor welk belastbaar feit, op grond van welke maatstaf, tegen welk tarief, op welke wijze de belasting wordt geheven en ingevorderd en met ingang van welk tijdstip. Zie in dit verband de artikelen 110 en 111 van de Waterschapswet.

Hoofdstukindeling

De omslagenverordening bestaat uit zes hoofdstukken.

Het eerste hoofdstuk heeft betrekking op begripsbepalingen en het belastbare feit in algemene zin. Het tweede, derde en vierde hoofdstuk hebben betrekking op de specifieke – materiële – bepalingen inzake de omslagheffing ongebouwd, respectievelijk de omslagheffing gebouwd en de ingezetenenomslag. Het vijfde hoofdstuk ziet op de formele bepalingen met betrekking tot de in de hoofdstukken II, III en IV nader geregelde waterschapsomslagen, in materiële zin. Het zesde hoofdstuk bevat bepalingen van overgangsrecht, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing en citeertitel.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 (begripsbepalingen)

In artikel 1 zijn enkele begrippen die in het vervolg van de verordening meerdere malen voorkomen, nader gedefinieerd.

Onderdeel a (taakgebied)

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Waterschapswet dienen de provincies bij reglement de grenzen van het gebied van het waterschap vast te stellen, waarin een of meer van de bij dat reglement aan het waterschap opgedragen taken worden uitgeoefend. Tot die taken kan ook het waterkwaliteitsbeheer behoren.

De reglementaire waterschapstaken kunnen bestaan uit de hoofdtaken waterkeringszorg, waterkwantiteitsbeheer, en daarnaast kan het reglement nog aanvullende neventaken opdragen, zoals het (vaar)wegenbeheer. In de gevallen waarin meerdere taken moeten worden behartigd, kan het voorkomen dat die taken niet op het gehele territoir van het waterschap worden uitgeoefend. Afhankelijk van de waterstaatkundige situatie, zal het kunnen voorkomen dat een bepaalde taak slechts in een deel van dat gebied wordt behartigd. Wanneer deze omstandigheid zich voordoet, zal het waterschapsreglement een regeling moeten bevatten, waarbij het waterschapsgebied wordt opgesplitst in even zovele gebieden waarin de desbetreffende taken worden uitgeoefend. Voor de toepassing van deze verordening wordt zo’n gebied aangeduid als ‘taakgebied’.

Is aan een waterschap slechts één taak opgedragen, dan zal de omvang van het taakgebied altijd per definitie samenvallen met die van het gehele waterschapsgebied. Zijn meerdere taken opgedragen, dan bestaat het waterschapsgebied uit verschillende taakgebieden. Indien in een zelfde deel van het waterschapsgebied meerdere taken worden uitgeoefend, dan is het heel goed mogelijk dat twee of meer taakgebieden elkaar geheel of gedeeltelijk overlappen.

Zoals gezegd kan het in de praktijk soms ook voorkomen dat niet op het gehele territoir van het waterschapsgebied een waterschapstaak wordt uitgeoefend. Dat vindt zijn oorzaak bijvoorbeeld in de volgende omstandigheden:

– de begrenzing van het waterschapsgebied is gebaseerd op de kwaliteitstaak, terwijl de overige waterschapstaken (in de zin van de Waterschapswet) in een beperkter deel van dat gebied worden uitgeoefend;

– het waterschapsgebied bestaat – op grond van ‘schaaloverwegingen’ – uit meerdere waterstaatkundige eenheden, waartussen de taakuitoefening sterk verschilt;

Het is duidelijk dat het waterschapsreglement nauwkeurig de grenzen moet aangeven van de in het waterschapsgebied gelegen taakgebieden. Het ligt voor de hand ervan uit te gaan dat per waterschapstaak een taakgebied wordt vastgesteld, tenzij in exact hetzelfde gebied verschillende waterschapstaken worden uitgeoefend. Binnen de grenzen van een taakgebied bevinden zich de onroerende zaken en de ingezetenen waarvan de specifieke, respectievelijk algemene taakbelangen worden behartigd door de uitoefening van de desbetreffende waterschapstaak.

Onderdeel b (woonruimte)

Deze definitie is per 1 januari 2001, bij de inwerkingtreding van de Wet houdende vervanging van hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo), opgenomen in artikel 118, derde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet. Reeds bij de totstandkoming van de Waterschapswet is voor dit begrip verwezen naar het stelsel van de verontreinigingsheffing krachtens de Wvo. De uitleg van het begrip woonruimte in artikel 17, onderdeel c, Wvo in de zin van ‘zelfstandige’ woonruimte is derhalve in de Waterschapswet overgenomen.

Onderdeel c (kadastrale registratie)

In artikel 117, vierde lid, van de Waterschapswet is slechts sprake van ‘kadastrale registratie’. In deze begripsbepaling wordt nader gepreciseerd wat daaronder moet worden verstaan.

Onderdelen e en f (Omslagklassenverordening en Kostentoedelingsverordening)

Het stelsel van de waterschapsomslagen wordt in juridische zin vormgegeven door een samenhangend geheel van verordeningen. Het betreft de Kostentoedelingsverordening, de Omslagklassenverordening (indien van toepassing) en de eigenlijke belastingverordening (de onderhavige verordening op de waterschapsomslagen).

Artikel 2 (belastbaar feit en omslagplichtigen)

Artikel 2 is het kernartikel van de verordening, omdat op grond van het daarin bepaalde het waterschap daadwerkelijk zijn bevoegdheid tot het heffen en invorderen van waterschapsomslagen kan uitoefenen. Artikel 2 draagt het karakter van een ‘raambepaling’. Het beperkt zich tot het vermelden van de hoofdzaken – de behartiging van de waterschapstaak/taken en het belang daarbij van de onderscheidene categorieën omslagplichtigen – zonder deze nader te benoemen. Een en ander wordt uitgewerkt in de hoofdstukken II, III en IV, betrekking hebbend op de omslagheffing ongebouwd, respectievelijk de omslagheffing gebouwd en de omslagheffing van ingezetenen. In die hoofdstukken worden in de eerste plaats de waterschapstaken gespecificeerd. Volgens de Waterschapswet worden die taken onderscheiden in waterkeringszorg en waterkwantiteitsbeheer. Het is echter mogelijk dat in het waterschapsreglement daarnaast nog een aantal neventaken aan het waterschap is opgedragen. Daartoe kunnen bijvoorbeeld het wegenbeheer en het vaarwegenbeheer worden gerekend. In dat geval worden in de daarvoor in aanmerking komende hoofdstukken ook de neventaken genoemd. Zie in dit verband de artikelen 3, eerste lid, 4,  9, eerste lid en 14, eerste lid.

In de hoofdstukken II, III en IV zijn voorts bepalingen opgenomen omtrent wie als omslagplichtige wordt aangemerkt, welk belastingobject in aanmerking wordt genomen, naar welke maatstaf de omslag wordt geheven, alsmede welk tarief en welke vrijstellingen van toepassing zijn. Alleen in hoofdstuk IV betreffende de omslagheffing van ingezetenen ontbreken de bepalingen inzake het belastingobject, de heffingsmaatstaf en de vrijstellingen. Dit hangt samen met het feit dat het aan de ingezetenenomslag ten grondslag liggende algemene taakbelang voor alle ingezetenen gelijk is. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen hierover in het algemene deel van deze toelichting is opgemerkt.

Artikel 3 (omslagplicht zakelijk genothebbenden ongebouwd)

Inleiding

Artikel 3 vormt het eerste artikel van hoofdstuk II dat gaat over de omslagheffing ongebouwd. Voor alle duidelijkheid wordt erop gewezen dat in dit hoofdstuk in beginsel twee categorieën omslagplichtigen aan de orde zijn. Dit houdt verband met de omstandigheid dat voor beide categorieën de regels inzake de objectafbakening en de in aanmerking te nemen heffingsmaatstaf gelijkluidend zijn. Artikel 3 heeft betrekking op de categorie omslagplichtigen die bestaat uit degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken (zakelijk genothebbenden ongebouwd). Artikel 4 ziet op de categorie omslagplichtigen, bestaande uit degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, danwel krachtens een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst het gebruik hebben van ongebouwde onroerende zaken (eigenaar–gebruikers en pachters ongebouwd).

Indien de pachters in het bestuur van het waterschap zijn vertegenwoordigd, wordt er niet alleen omslag geheven ter zake van het genot van de ongebouwde onroerende zaken, maar daarnaast ook ter zake van het gebruik daarvan.

Blijkens het Provinciaal Reglement is in het bestuur van het waterschap Rijn en IJssel geen aparte categorie pachters vertegenwoordigd, reden waarom hiervoor geen omslagplicht wordt vastgesteld. Artikel 4 wordt evenwel wèl in de verordening vermeld om qua artikelnummering aan te blijven sluiten bij het landelijke model.

Eerste lid (benoeming waterschapstaak/taken en omslagplichtigen)

Voor een beter begrip van dit artikellid wordt tevens verwezen naar de toelichting op de artikelen 1, onderdeel a, en 2.

In dit lid dient of dienen de aan het waterschap uit de Waterschapswet voortvloeiende (hoofd)taak/taken, alsmede in voorkomende gevallen de bij het waterschapsreglement opgedragen neventaken, te worden vermeld, waarbij de onroerende zaken van de zakelijk genothebbenden ongebouwd belang hebben. Of van belang sprake is, dient in eerste instantie te blijken uit het feit dat de desbetreffende ongebouwde onroerende zaak in het bij waterschapsreglement vastgestelde taakgebied is gelegen. In geval van substantiële verschillen in belang heeft het waterschap een omslagklassenverordening ingesteld. Onder omstandigheden kan er echter ook sprake zijn van een ontbreken van elk belang (deze omstandigheid kan zich voordoen indien er noch bovenstrooms, noch via de ondergrond afstroming op watergangen in beheer bij het waterschap plaatsvindt). Indien in de omschrijving van het taakgebied, dan wel bij de opstelling van de Omslagklassenverordening (nulklasse) hiermee geen rekening is gehouden, biedt deze bepaling een mogelijkheid de betreffende onroerende zaak alsnog vrij te stellen van omslagheffing.

Tweede lid (toestand op 1 januari is bepalend voor wie omslagplichtig is)

In dit artikellid wordt voorgeschreven wie als zakelijk genothebbende ongebouwd moet worden aangemerkt. Dat is degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de desbetreffende kadastrale registratie staat vermeld. Zie in dit verband artikel 1, onderdeel c.

De aandacht wordt erop gevestigd dat zich problemen kunnen voordoen in de gevallen waarin een akte tot overdracht van een onroerende zaak kort vóór 1 januari is verleden, doch die overdracht op 1 januari nog niet in de kadastrale registratie is ingeschreven. De levering van de desbetreffende onroerende zaak is eerst compleet op het tijdstip waarop de overdracht in de kadastrale registratie is ingeschreven.

Zolang dat niet is gebeurd, blijft de overdragende partij formeel de zakelijk genothebbende voor die onroerende zaak. In de praktijk wordt een bevredigende oplossing gevonden door gebruikmaking van het wettelijke rechtsbegrip ‘genot krachtens bezit’ in de situatie waarin een onroerende zaak kort vóór 1 januari bij notariële akte is overgedragen, doch deze overdracht pas na dat tijdstip in de openbare registers is ingeschreven. Indien uit de feitelijke omstandigheden duidelijk kan worden geconcludeerd dat de overdragende partij bij de ondertekening van de overdrachtsakte tevens de feitelijke beschikkingsmacht over de onroerende zaak aan de verkrijgende partij heeft overgedragen, dan kan daaruit worden afgeleid dat de verkrijgende partij op 1 januari het genot krachtens bezit had van de desbetreffende onroerende zaak.

Derde lid (omslagplicht in geval van meerdere genothebbenden krachtens beperkt recht)

Dit artikellid geeft een voorschrift voor de aanwijzing van de omslagplichtige genothebbende ongebouwd in de gevallen, waarin geen sprake is van genot krachtens eigendom of bezit, maar wel van genot krachtens beperkt recht. In die gevallen kan zich de situatie voordoen, waarin op dezelfde ongebouwde onroerende zaak verschillende soorten van beperkt recht zijn gevestigd. Deze rechten kunnen bestaan uit een combinatie van twee of meer van de rechten van beklemming, van erfpacht, van opstal en van vruchtgebruik. Wanneer zich zo’n combinatie van beperkte rechten voordoet, schrijft artikel 118, vijfde lid, van de Waterschapswet voor dat als genothebbende ongebouwd wordt aangemerkt degene die ingevolge artikel 24 van de Waterschapswet als eerste van de in dat artikel genoemde genothebbenden krachtens beperkt recht wordt genoemd. (Het genot waaraan stemrecht wordt toegekend.) De volgorde van artikel 24 van de Waterschapswet in aanmerking nemende, dienen in de onderhavige situatie als genothebbende krachtens beperkt recht te worden aangemerkt achtereenvolgens de vruchtgebruiker, de opstaller, de erfpachter of de beklemde meier.

Gewezen wordt ook op een bijzonder voorschrift in artikel 24, eerste lid, tweede volzin, Waterschapswet. Dit voorschrift bepaalt dat indien een recht van opstal uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de aanleg of het onderhoud, danwel ten behoeve van de aanleg én het onderhoud, van ondergrondse danwel bovengrondse leidingen, niet de opstaller, maar de eigenaar van de grond stemgerechtigd is. Het is ook de eigenaar van de grond die in deze situatie in de omslagheffing moet worden betrokken.

Artikel 4 (omslagplicht eigenaar–gebruikers en pachters ongebouwd)

Inleiding

Artikel 4 regelt de omslagplicht van eigenaar–gebruikers en pachters van ongebouwde onroerende zaken, kortweg de pachtersomslag genoemd. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen is opgemerkt in de inleiding van de toelichting op artikel 3, dat ook van toepassing is op artikel 4.

Hierbij is overigens reeds aangegeven dat aan artikel 4 in het waterschap Rijn en IJssel geen betekenis kan worden toegekend.

Artikel 5 (belastingobject ongebouwd)

Inleiding

Conform hetgeen is bepaald in artikel 117, derde en vierde lid, aanhef, van de Waterschapswet, wordt het belastingobject voor de omslagheffing ongebouwd aangeduid als ‘één ongebouwde onroerende zaak’.

De Waterschapswet biedt twee mogelijkheden om de omvang van zo’n ongebouwde onroerende zaak te bepalen. De eerste mogelijkheid bestaat uit de in de wet verankerde hoofdregel inzake de afbakening van het ongebouwde belastingobject, hierna ook wel nader aan te duiden als ‘wettelijk object’. Als alternatief biedt de Waterschapswet een tweede mogelijkheid namelijk dat als een ongebouwd belastingobject wordt aangemerkt een kadastraal perceel, ook wel nader aan te duiden als ‘kadastraal object’. Indien het waterschap van deze mogelijkheid gebruik maakt, dient deze wel uitdrukkelijk in de omslagverordening te worden opgenomen. Aangezien in de praktijk de laatste mogelijkheid meest gebruikelijk is, is deze in de verordening gecontinueerd.

Aanhef

Omdat tot de inwerkingtreding van de Waterschapswet de waterschappen als regel voor de afbakening van de ongebouwde belastingobjecten aansluiting zochten bij de indeling van alle grond, dus ook de ondergrond van gebouwde eigendommen, in kadastrale percelen, zoals die zijn opgenomen in de kadastrale registratie (Kadaster), heeft de wetgever erin voorzien dat deze praktijk ook kan worden voortgezet onder de werking van de Waterschapswet. In de inleiding van de toelichting op artikel 5 werd reeds opgemerkt dat deze ‘alternatieve’ keuze voor kadastrale percelen uitdrukkelijk in de omslagverordening tot uitdrukking moet komen. Artikel 5 wil in deze behoefte voorzien.

Eerste lid (afscheiding gebouwde eigendommen van kadastraal perceel)

Zolang een kadastraal perceel bestaat uit alleen ongebouwde eigendommen, zullen zich bij de afbakening van een ongebouwde onroerende zaak geen moeilijkheden voordoen. Problemen kunnen rijzen, wanneer zich op een kadastraal perceel gebouwde eigendommen bevinden. Artikel 117, vierde lid, onderdeel b, bepaalt dat in zo’n geval van het kadastrale perceel de op dat perceel gelegen gebouwde eigendommen moeten worden afgescheiden, met inbegrip van de bij die gebouwde eigendommen behorende dienstbare grond. Indien zich derhalve op het kadastrale perceel gebouwde eigendommen bevinden, dienen eerst met toepassing van de afbakeningsvoorschriften van artikel 10 van de model–verordening die gebouwde eigendommen tot een of meer gebouwde onroerende zaken – voor de omslagheffing gebouwd – te worden geformeerd. Verwezen wordt naar de toelichting op de genoemde artikelonderdelen hierna.

Wat van dat perceel dan nog resteert als ongebouwd, kan als een zelfstandig ongebouwd belastingobject in de omslagheffing worden betrokken.

Tweede lid (belastingobject dat binnen meer dan een taakgebied of op de grens van twee of meer waterschappen is gelegen)

De situatie kan zich voordoen, waarin met toepassing van de afbakeningsbepalingen van artikel 5, eerste lid, een ongebouwde onroerende zaak als zelfstandig belastingobject ontstaat, die op de grens tussen twee of meer waterschappen is gelegen. Indien deze situatie zich voordoet, schrijft onderdeel d voor dat alleen het gedeelte van de volgens de algemene afbakeningsregels tot stand gekomen ongebouwde onroerende zaak, dat binnen het gebied van het waterschap is gelegen, in de omslagheffing ongebouwd kan worden betrokken. Dit gedeelte vormt voor de omslagheffing ongebouwd een zelfstandig ongebouwd belastingobject, derhalve in zekere zin een ‘geamputeerde’ ongebouwde onroerende zaak. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat een object op de grens van een of meer taakgebieden is gelegen. In dat geval vormt het gedeelte dat binnen het taakgebied is gelegen een zelfstandige ongebouwde onroerende zaak.

Derde lid (wegen e.d. ongebouwd)

Het derde lid bevat een fictiebepaling, waarin wordt voorgeschreven dat openbare landwegen, waterwegen en spoorwegen met inbegrip van de van die wegen deel uitmakende kunstwerken, worden aangemerkt als ongebouwde objecten. Teneinde te voorkomen dat talloze geschillen ontstaan over de vraag of een dergelijke (vaar)weg als een gebouwd object danwel als een ongebouwd object moet worden beschouwd, heeft de wetgever besloten deze problematiek op te lossen door de onderhavige fictiebepaling in artikel 117, vijfde lid, van de Waterschapswet op te nemen.

Artikel 6 (heffingsmaatstaf ongebouwd)

De heffingsmaatstaf van een ongebouwde onroerende zaak bestaat uit de oppervlakte daarvan. Hoewel de Waterschapswet daaromtrent niets bepaalt, wordt die oppervlakte uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan.

Evenmin schrijft de Waterschapswet voor dat voor het vaststellen van de oppervlakte aansluiting moet worden gezocht bij de kadastrale registratie. In de praktijk is dit evenwel algemeen gebruikelijk. Artikel 6 gaat er dan ook impliciet van uit dat bij het vaststellen van de heffingsmaatstaf de kadastrale oppervlakte als regel doorslaggevend is, zoals in het tweede lid van dat artikel tot uitdrukking is gebracht.

Indien in een concreet geval blijkt dat de kadastrale oppervlakte niet juist of niet bekend is, dient de ambtenaar belast met de heffing door middel van meting of schatting de concrete oppervlakte vast te stellen.

Ingevolge artikel 120, zevende lid, van de Waterschapswet heeft het waterschap de bevoegdheid een omslagklassenverordening vast te stellen teneinde te voorkomen dat verschillen in hoedanigheid of ligging van ongebouwde of gebouwde onroerende zaken leiden tot onevenredig voordeel of nadeel voor de omslagplichtigen. Die omslagklassenverordening moet regels bevatten met betrekking tot een correctie van de volgens de algemeen geldende bepalingen bepaalde heffingsmaatstaven voor ongebouwde en gebouwde belastingobjecten.

Toegepast op de tarieven voor het belastingjaar 2002 omvatten die correcties:

Tarieven

Tarieven 2002 o.b.v. omslagklassen

Ongebouwd

wkz

Klasse

factor

resultaat

afgerond €

3,98

1

1

3,98

3,98

3,98

2

0

0

0

wkb

70,81

1

1

70,81

70,81

70,81

2

0,7

49,567

49,57

70,81

3

0,5

35,405

35,41

70,81

4

0,35

24,7835

24,78

70,81

5

0

0

0

Gebouwd

wkz

0,18

1

1

0,18

0,18

0,18

2

0

0

0

wkb

0,45

1

1

0,45

0,45

0,45

2

0

0

0

Artikel 7 (tarieven ongebouwd)

De tarieven van waterschapsomslagen worden in belangrijke mate bepaald door de kostentoedeling aan de onderscheidene categorieën omslagplichtigen, zoals die is vastgelegd in de kostentoedelingsverordening. Het verdient daarom aanbeveling dit verband tussen kostentoedeling en tarief in het tariefartikel tot uitdrukking te brengen.

De kostentoedelingsverordening bevat bepalingen, waarbij het aandeel in de door het waterschap gemaakte kosten, gespecificeerd naar de taken waterkeringszorg en waterkwantiteitsbeheer, wordt toegerekend aan de onderscheidene categorieën belanghebbenden bij de behartiging van die taken. De mate van belang die een bepaalde categorie heeft, wordt uitgedrukt in een percentage van de kosten voor de behartiging van de desbetreffende waterschapstaak. Deze systematiek van de kostentoedelingsverordening en het onderscheid in taakgebieden dwingen ertoe dat in de tariefartikelen voor de verschillende waterschapsomslagen een gedifferentieerde tariefstelling moet worden opgenomen, waarbij de relatie tot de waterschapstaak tot uitdrukking wordt gebracht. In de bepalingen van de kostentoedelingsverordening worden uitsluitend de eerdergenoemde waterschapstaken genoemd. Het provinciale reglement kan voorschrijven dat naast de in de Waterschapswet genoemde (hoofd)taken ook nog een kostentoedeling moet worden gemaakt voor in het reglement nader omschreven neventaken. In dat geval dient in het tariefartikel een apart tarief per neventaak te worden opgenomen.  Kortom, het tariefartikel dient even zo vele tarieven te bevatten als het aantal in de kostentoedelingsverordening opgesomde (neven)taken, waarbij een bepaalde categorie omslagplichtigen belang heeft en waarvoor een – percentueel – kostenaandeel is vastgesteld.

Het hanteren van verschillende tarieven voor een bepaalde categorie omslagplichtigen houdt niet in, dat ook zo vele afzonderlijke aanslagen, al dan niet verenigd op één aanslagbiljet, moeten worden opgelegd. Een zakelijk genothebbende ongebouwd krijgt één aanslag, ook al zijn op de heffingsmaatstaf van zijn ongebouwde onroerende zaak verschillende tarieven toegepast. Wel verdient het aanbeveling op het aanslagbiljet tot uitdrukking te brengen dat het weliswaar gaat om één aanslag, doch dat het bedrag van de aanslag de resultante is van de toepassing van verschillende tarieven.

Voor alle duidelijkheid wordt erop gewezen dat, indien eenzelfde persoon – natuurlijk of rechtspersoon – bijvoorbeeld zowel zakelijk genothebbende ongebouwd als zakelijk genothebbende gebouwd is, aan hem twee aanslagen moeten worden opgelegd (al dan niet verenigd op één aanslagbiljet), ook al zijn de eindbedragen van die twee aanslagen opgebouwd uit verschillende tarieftoepassingen.

Ingevolge artikel 120, achtste lid, van de Waterschapswet dient het tarief van de omslagheffing ongebouwd en gebouwd per eenheid van de heffingsmaatstaf gelijk te zijn. Ingevolge artikel 6 wordt de heffingsmaatstaf uitgedrukt in hectaren. Het logische gevolg hiervan is dat het tarief per hectare in een bedrag wordt uitgedrukt.

Het tarief in onderdeel a heeft betrekking op de omslagheffing genothebbenden ongebouwd voor de waterkeringszorg; het tarief in onderdeel b op de omslagheffing genothebbenden  ongebouwd voor het waterkwantiteitsbeheer.

Artikel 8 (vrijstellingen)

Opmerking vooraf

Hoewel artikel 8 betrekking heeft op vrijstellingen betreffende de omslagheffing ongebouwd, zijn in deze toelichting beschouwingen opgenomen, die evenzeer gelden voor de omslagheffing gebouwd.

In algemene zin brengt de aard van de omslagheffing mee dat er geen plaats is voor vrijstellingen. Elk onroerend object dient in de omslagheffing te worden betrokken, tenzij dat object aanwijsbaar geen belang heeft bij de behartiging van de waterschapstaak– of taken. Vandaar dat in artikel 1, onderdeel a, het taakgebied wordt geïntroduceerd, waaruit grosso modo blijkt of een bepaald object belang heeft. Voorts wordt in artikel 2 nog eens uitdrukkelijk herhaald dat een onroerende zaak alleen in de omslagheffing kan worden betrokken, voorzover die zaak belang heeft. Artikel 2 kan van belang zijn in individuele gevallen, waarvoor de omschrijving of begrenzing van het taakgebied geen uitsluitsel biedt. Artikel 2 fungeert alsdan als het ware als een vangnetbepaling.

Gezien de nauwe relatie tussen belang en betaling, is het niet logisch in de omslagverordening een expliciete vrijstelling voor objecten zonder belang op te nemen.

Met betrekking tot de objecten met een verminderd belang is het aantal en de omvang van deze objecten van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of ter zake een vrijstellingsbepaling in de omslagverordening moet worden opgenomen. Voor de gevallen van verminderd belang – waardoor dus ook een lagere omslag is verschuldigd – dient immers in principe een oplossing te worden gevonden in de omslagklassenverordening.

In het algemeen kan worden gesteld dat het opnemen van vrijstellingsbepalingen in een belastingregeling wordt ingegeven door overwegingen van maatschappelijke en/of politieke aard dan wel op grond van doelmatigheid. Een vergelijking met de gemeentelijke onroerende–zaakbelastingen dringt zich op. Evenals de omslagheffing biedt het zakelijke en objectieve karakter van de onroerende–zaakbelastingen in beginsel geen ruimte voor vrijstellingen. Bij de indiening van het wetsvoorstel tot invoering van de onroerende–zaakbelastingen was daarin om die reden geen regeling omtrent verplichte vrijstellingen opgenomen. Het regeringsvoorstel behelsde wel een ‘beperking’ van het collectieve belastingobject waarover belasting kon worden geheven door de heffing over landbouw– en andere cultuurgronden uit te sluiten (politieke vrijstelling). Bij amendement van de Tweede Kamer werden voorts wettelijke vrijstellingen voorgeschreven voor kerken, natuurterreinen e.d. (maatschappelijke vrijstellingen).

In dit verband moet worden gewezen op een fiscaal–theoretisch verschil tussen de onroerende–zaakbelastingen enerzijds en de omslagheffing anderzijds. De onroerende–zaakbelastingen zijn algemene belastingen, waarvan de opbrengsten voor allerlei gemeentelijke doeleinden kunnen worden aangewend. De gemeenteraad beslist over de wenselijke opbrengsten en dus over de hoogte van het tarief. De omslagheffing daarentegen is een bijzonder soort bestemmingsbelasting, waarvan de opbrengst – dus ook het tarief – wordt bepaald door de hoogte van de kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de waterschapstaak– of taken. De kostentoedelingsverordening speelt in dit kader een doorslaggevende rol.

Dit fiscaal–theoretische verschil heeft tot gevolg dat voor een algemene belasting gemakkelijker vrijstellingen kunnen worden verleend dan voor een specifieke bestemmingsbelasting. Bij de laatstbedoelde belasting leidt een vrijstelling ertoe dat niet vrijgestelde belastingplichtigen moeten opdraaien voor het aandeel in de kosten van de vrijgestelde belastingplichtigen, die verhoudingsgewijs een even groot profijt kunnen hebben bij de te financieren bestemmingsvoorzieningen.

Vorenstaande uiteenzettingen leiden tot de conclusie dat er voor de omslagheffing geen plaats is voor vrijstellingen die zijn gebaseerd op maatschappelijke en/of politieke overwegingen. Het verdient wel aanbeveling vrijstellingen op te nemen, die zijn gebaseerd op doelmatigheidsoverwegingen. Daarbij dient een kosten/baten–analyse tot uitgangspunt te worden genomen. In de gevallen waarin de hoogte van de perceptiekosten geen redelijke proportie meer hebben tot de hoogte van het omslagbedrag, kan een (doelmatigheids)vrijstelling op haar plaats zijn.

Daarnaast bestaat de mogelijkheid om door het instellen van een aanslaggrens (zie artikel 18) te voorkomen dat er aanslagen van zeer lage bedragen worden opgelegd.

De achterliggende gedachte bij de vrijstelling van ongebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap genothebbende is krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, is dat het weinig doelmatig wordt geacht dat het waterschap zelf ter zake wordt aangeslagen. (Indien evenwel verschillende kwantiteitstaken niet in één hand berusten, kan dit tot uitvoeringsproblemen leiden, met name in het geval dat de aanslagoplegging gecombineerd wordt uitgevoerd.)

Artikel 9 (omslagplicht genothebbenden gebouwd)

Artikel 9 regelt de omslagplicht van degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken, ook wel de genothebbenden gebouwd genoemd (vgl. artikel 116, onderdeel c, Waterschapswet). Wie de genothebbende is wordt in het algemeen op grond van de kadastrale registers vastgesteld.

Indien een gebouwde onroerende zaak uitsluitend is belast met het recht van eigendom, spreekt het voor zich dat de eigenaar als zakelijk gerechtigde in de omslagheffing wordt betrokken. Is evenwel sprake van een situatie waarin op de gebouwde onroerende zaak een beperkt zakelijk recht is gevestigd, dan kan zich de vraag voordoen wie belastingplichtig is. De Hoge Raad gaf hierover een fundamentele beslissing in het arrest van 18 april 1990, nr. 26 607, BNB 1990 /197, Belastingblad 1990, blz. 419. In dit arrest bepaalde de Hoge Raad dat degene die het van het eigendomsrecht afgeleide beperkte recht heeft, in de belastingheffing moet worden betrokken. De beperkt zakelijke rechten die tot omslagplicht leiden zijn:

1 het appartementsrecht;

2 het recht van erfpacht;

3 het recht van vruchtgebruik;

4 het recht van gebruik en bewoning;

5 het recht van opstal; en

6 het recht van beklemming.

Het appartementsrecht is geregeld in de artikelen 5:106 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van hetgeen in deze artikelen is bepaald, is alleen een eigenaar, erfpachter of opstaller bevoegd een gebouw met toebehoren en de daarbij behorende grond te splitsen in appartementsrechten. De gerechtigde tot een appartementsrecht – het Burgerlijke Wetboek noemt hem appartementseigenaar – moet voor de toepassing van artikel 24 Waterschapswet worden aangemerkt als eigenaar, erfpachter of opstaller.

Artikel 10 (belastingobject gebouwd)

Inleiding

Conform hetgeen is bepaald in artikel 117, eerste lid, aanhef, van de Waterschapswet, wordt het belastingobject voor de omslagheffing gebouwd aangeduid als ‘één gebouwde onroerende zaak’.

Artikel 10 van de verordening bevat voorschriften met betrekking tot de wijze waarop de omvang van een gebouwde onroerende zaak wordt bepaald. Het gaat hier dus om de afbakening van het belastingobject gebouwd. Artikel 10 is inhoudelijk gelijk aan artikel 117 Waterschapswet, welke bepaling op haar beurt aansluit bij de objectafbakeningsvoorschriften van artikel 16 van de Wet WOZ. Wat betreft de aansluiting bij de Wet WOZ is het uiteraard zo dat in artikel 117, eerste lid, Waterschapswet en artikel 10 van de verordening slechts is uitgegaan van de bepalingen uit de Wet WOZ die betrekking hebben op gebouwde eigendommen.

Artikel 10, tweede lid, beschrijft een bijzondere situatie inzake de objectafbakening bij de omslagheffing gebouwd welke als zodanig niet in de Wet WOZ voorkomt. Zie ook artikel 117, tweede lid, Waterschapswet. Op grond van deze bepaling maken ongebouwde eigendommen die dienstbaar zijn aan een gebouwd eigendom, deel uit van de gebouwde onroerende zaak. In de praktijk betekent dit dat dergelijke ongebouwde onroerende zaken hun karakter van ongebouwde onroerende zaak verliezen (en opgaan in het gebouwde object).

Op grond van de Wet WOZ zijn de gemeenten verplicht om de waterschappen mededeling te doen van onder andere de aanduiding van de onroerende zaak, de waarde van de onroerende zaak en de naam, het adres en de woon– of vestigingsplaats van degene te wiens aanzien de WOZ–beschikking wordt genomen. Opgemerkt wordt dat de gemeenten onder vigeur van de Wet WOZ ook verplicht zijn aan de waterschappen de relevante gegevens te verstrekken van gebouwde objecten ten aanzien waarvan voor de gemeentelijke onroerende–zaakbelastingen een facultatieve dan wel een verplichte vrijstelling geldt. Zie ook de toelichting op artikel 13 hierna.

Onder de Wet WOZ zijn de gemeenten ook verplicht tot het waarderen van objecten in aanbouw. Deze objecten vormen voor de waterschappen gebouwde onroerende zaken, die in de omslagheffing gebouwd moeten worden betrokken.

Eerste lid, onderdeel a (een gebouwd eigendom)

Van oudsher werd onder een gebouwd eigendom een constructie van min of meer duurzame aard verstaan, die dient voor het bewaren van zaken of het beschutten van personen tegen atmosferische invloeden. In jurisprudentie die in de zeventiger jaren inzake de gemeentelijke onroerende–zaakbelastingen is ontstaan, heeft de Hoge Raad evenwel uitgesproken dat het begrip gebouwde eigendom geenszins beperkt is tot bouwwerken die beschutting bieden tegen atmosferische invloeden, maar dat daartoe ook installaties, open inrichtingen, locaties en dergelijke bouwsels of constructies in de open lucht behoren. In nog latere jurisprudentie heeft de Hoge Raad dit ook bevestigd ten aanzien van hoogspanningsmasten, open zwembaden, windmolens, en dergelijke. Alhoewel bij het begrip ‘gebouwde eigendom’ vaak zal worden gedacht aan het gebruikelijke beeld (een hoofdgebouw, eventueel met bijgebouwen en omliggende, dienstbare grond en het woonhuis met garage, schuur en tuin), zijn er in de praktijk dus meer onroerende zaken die hiertoe behoren.

Eerste lid, onderdeel b (een gedeelte van een gebouwd eigendom)

Onderdeel b van artikel 10, eerste lid, bepaalt dat een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt, als een gebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt. Bedoeld worden dan gedeelten die elk nog als een zelfstandige en onafhankelijke eenheid kunnen worden gebruikt. In dit verband kan worden gedacht aan appartementen in een flatgebouw, maar ook aan een etage in een woonhuis die is voorzien van eigen sanitaire voorzieningen en kookgelegenheid, welke afzonderlijk wordt verhuurd.

Delen van gebouwen die niet zelfstandig en onafhankelijk kunnen worden gebruikt, zoals veelal het geval zal zijn bij kamerverhuur, vormen geen afzonderlijk in de omslagheffing te betrekken belastingobjecten. In het geval van kamerverhuur maken de verhuurde kamers deel uit van het gebouw, voor het geheel waarvan de zakelijk gerechtigde in de omslagheffing gebouwd wordt betrokken.

Eerste lid, onderdeel c (een samenstel)

Dit onderdeel bevat de zogenaamde samenstelregeling. Van een samenstel (ook wel complex genoemd) is sprake indien twee of meer gebouwde eigendommen die met toepassing van de afbakeningsvoorschriften van de onderdelen a en b van artikel 10 elk als een afzonderlijk belastingobject zouden moeten worden aangemerkt, niettemin tezamen als één zelfstandig belastingobject worden beschouwd. Dat is het geval wanneer die onroerende eigendommen bij een zelfde (rechts)persoon in gebruik zijn en naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren.

Omtrent de inhoud van het begrip ‘naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behorend’ kan aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie die gevormd is over het begrip ‘naar maatschappelijke opvatting bij elkaar behorend’ onder de gemeentelijke onroerende–zaakbelastingen. Daaruit blijkt dat tal van omstandigheden voor dit begrip van belang zijn. Ook de afstand tussen de eigendommen kan hierbij een rol spelen. De complexbepaling zal veelal van toepassing zijn bij industrieterreinen. Ook in het geval van agrarische bedrijven kan de situatie zodanig zijn dat sprake is van een samenstel of complex. Ook in situaties waarin gedeelten van een gebouwd eigendom die naar indeling zijn bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt tezamen als één geheel worden gebruikt – als voorbeeld kan worden genoemd de samenvoeging van twee appartementen in een appartementsgebouw –, is sprake van een samenstel dat voor de toepassing van de Wet WOZ als één gebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt.

In het arrest van 15 juli 1987, nummer 24 238, Belastingblad 1987, blz. 537, BNB 1987/275 (gemeente Woerden) oordeelde de Hoge Raad dat een NS–terrein, waartoe onder meer een stationsgebouw, seinhuis, perrons, dienstgebouwen, een voetgangersbrug en spoorbanen behoorden, een complex vormt. Ook een ziekenhuis met een zusterhuis zijn in de jurisprudentie als een complex aangemerkt (Hoge Raad 9 september 1992, nr. 28 352, Belastingblad 1992, blz. 649, BNB 1991/341).

Eerste lid, onderdeel d (object dat binnen het gebied van meer dan een gemeente is gelegen)

Dit onderdeel ziet op de situatie waarin het gebouwde eigendom, het gedeelte daarvan of het samenstel, niet in zijn geheel binnen het gebied van een en dezelfde gemeente is gelegen, maar deels ook in het gebied van een andere gemeente ligt. Doet deze situatie zich voor, dan vormt het deel dat binnen het gebied van een gemeente valt, een afzonderlijke gebouwde onroerende zaak die ook afzonderlijk in de heffing zal moeten worden betrokken. In het geval waarin een gebouwde eigendom dus op de grens van twee of meer gemeenten ligt, maar wel volledig binnen het gebied van het waterschap valt, zal het waterschap van elke betrokken gemeente de WOZ–gegevens ontvangen die betrekking hebben op dat deel van de onroerende zaak dat in die betreffende gemeente ligt. Omdat elk deel ingevolge de wet een afzonderlijke onroerende zaak vormt, zal het waterschap elk deel ook afzonderlijk in de heffing van de omslag gebouwd moeten betrekken.

Eerste lid, onderdeel e (belastingobject dat binnen meer dan een taakgebied of op de grens van twee of meer waterschappen is gelegen)

Indien met toepassing van de afbakeningsvoorschriften van artikel 10, onderdelen a, b, c en d, een gebouwde onroerende zaak tot stand komt, die is gelegen op de grens van twee of meer waterschappen, kan alleen het binnen het gebied van het waterschap gelegen gedeelte van die zaak in de omslagheffing gebouwd worden betrokken. Dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel 117, eerste lid, onderdeel e, van de Waterschapswet.

Ingevolge het onderhavige onderdeel e dient een dergelijk ‘geamputeerd’ binnen het gebied van het waterschap gelegen gedeelte van een gebouwde eigendom te worden aangemerkt als een zelfstandige gebouwde onroerende zaak.

Daarnaast doet zich de mogelijkheid voor dat een belastingobject is gelegen op de grens van twee of meer taakgebieden. In dat geval wordt eveneens het binnen het taakgebied gelegen gedeelte als een zelfstandige gebouwde onroerende zaak aangemerkt.

Tweede lid (ongebouwde eigendommen behorende bij de gebouwde onroerende zaak)

Het tweede lid van artikel 10, welke bepaling is gebaseerd op artikel 117, tweede lid, Waterschapswet, beschrijft een fictie. Zoals uit deze bepaling blijkt maken de ongebouwde eigendommen die dienstbaar zijn aan een gebouwd eigendom, een gedeelte daarvan of een samenstel, deel uit van de gebouwde onroerende zaak. Dit betekent dat een ongebouwd eigendom dat dienstbaar is aan een gebouwd eigendom niet als een ongebouwde onroerende zaak maar als (deel van) een gebouwde onroerende zaak moet worden aangemerkt. Een dergelijke ongebouwde eigendom vormt met het gebouwde eigendom één gebouwde onroerende zaak.

Voor het antwoord op de vraag onder welke omstandigheden een ongebouwd eigendom dienstbaar is aan een gebouwd eigendom kan als algemene regel gelden dat hiervan sprake is in die gevallen waarin de gebruiksmogelijkheden van het gebouwde object positief worden beïnvloed door het ongebouwde object. Het ongebouwde object zal samen met het gebouwde object in gebruik zijn en daarbij behoren. Gangbare voorbeelden zijn de tuin, het erf, de moestuin of de paardenwei bij de woning. Ook grote(re) oppervlakken ongebouwd kunnen echter tot een gebouwd object behoren, indien ze daaraan dienstbaar zijn.

Opgemerkt zij overigens dat de wetgever in hetzelfde artikel een aantal ongebouwde onroerende zaken benoemt die nimmer deel uit kunnen maken van een gebouwde onroerende zaak. Deze ongebouwde onroerende zaken zijn en blijven dus ongebouwd. Het betreft hier de ongebouwde onroerende zaken die zijn genoemd in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ (Regeling van 23 december 1994, Stcrt.252 en zoals nadien gewijzigd).

Artikel 11 (heffingsmaatstaf gebouwd)

Inleiding

Ingevolge artikel 120, tweede lid, van de Waterschapswet geldt in het geval waarin de gebouwde onroerende zaak tevens een onroerende zaak is als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet WOZ, als heffingsmaatstaf de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ voor die onroerende zaak vastgestelde waarde. Dit is logisch, omdat in dit geval in beide wetten wordt uitgegaan van hetzelfde object, dezelfde onroerende zaak, en een object nu eenmaal slechts één waarde kan hebben.

Het uitgangspunt dat in de Wet WOZ ten aanzien van het waardebegrip is neergelegd is dat de waarde wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (artikel 17, tweede lid, Wet WOZ). Deze waarde is beter bekend als de waarde in het economische verkeer en geldt ook voor de heffing van de gemeentelijke onroerende–zaakbelastingen.

De waarde in het economische verkeer is altijd van toepassing op objecten die tot woning dienen en op niet–woningen met een rijksmonumentale status.

Voor niet–woningen die niet op de rijksmonumentenlijst voorkomen wordt uitgegaan van de gecorrigeerde vervangingswaarde indien deze waarde hoger is dan de waarde in het economische verkeer.

Een belastingplichtige die het niet eens is met de waarde die voor zijn onroerende zaak is vastgesteld, dient binnen zes weken na de dag van dagtekening van de WOZ–beschikking hiertegen bij de gemeente in bezwaar te komen. Doet hij dit niet, dan staat de waarde onherroepelijk vast. Slechts in bijzondere situaties kan de waarde dan nog door de gemeente worden herzien.

Eerste lid (waardevaststelling door gemeente)

Dit artikellid bepaalt dat als heffingsmaatstaf voor een gebouwde onroerende zaak die tevens een onroerende zaak is in de zin van de Wet WOZ, in aanmerking moet worden genomen de waarde in het economische verkeer die de gemeente in het kader van die wet voor die zaak heeft vastgesteld. Het waterschap kan niet zelfstandig van die waarde afwijken. De door de gemeente vastgestelde WOZ–waarde geldt ingevolge hetgeen bepaald is in artikel 22 van de Wet WOZ voor een tijdvak van vier achtereenvolgende jaren. De waarde wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld.Op grond van de artikelen 25 en 26 van de Wet WOZ kunnen overigens ook tussentijdse waardebeschikkingen worden genomen. Het tijdvak waarvoor deze tussentijdse beschikkingen gelden zal niet gelijk (maar korter) zijn dan vier jaar.

Op grond van artikel 27 van de Wet WOZ zijn gemeenten onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden ook bevoegd een eenmaal vastgestelde WOZ–waarde te herzien. Een feit dat de heffingsambtenaar bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan evenwel geen grond voor herziening opleveren. Herziening gebeurt bij een voor bezwaar vatbare beschikking.

Tweede en derde lid (waarde van werktuigen)

Het tweede en het derde lid van artikel 11 van de verordening betreffen de werktuigenvrijstelling. Deze vrijstelling is geregeld in artikel 220d, eerste lid, onderdeel j van de Gemeentewet en artikel 2, eerste lid, onderdeel e van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ. Op grond van het bepaalde in artikel 120, lid 6, van de Waterschapswet moeten waterschappen rekening houden met deze vrijstelling indien zij in het kader van het opleggen van een aanslag gebouwd de waarde van een onroerende zaak zelf bepalen (zie ook artikel 11, vijfde lid, van de verordening en de toelichting daarop). De waarderingsregels van de Wet WOZ zijn hierbij van toepassing.

Vierde lid (gebouwde onroerende zaak is deel van het WOZ–object)

In het geval waarin het gebouwde object voor de waterschapsomslag deel uitmaakt van het WOZ–object (dit wil dus zeggen dat het WOZ–object meer omvat dan het gebouwde object voor het waterschap of anders gezegd: het waterschapsobject is niet een WOZ–conform object) zou het niet juist zijn om de totale WOZ–waarde, zoals door de gemeente aan het WOZ–object toegekend, als heffingsmaatstaf voor de omslagheffing gebouwd te nemen. De Waterschapswet schrijft voor (vgl. artikel 120, vijfde lid, Waterschapswet) dat de heffingsmaatstaf voor de omslag gebouwd in een dergelijk geval wordt gesteld op het gedeelte van de WOZ–waarde dat kan worden toegekend aan de gebouwde onroerende zaak.

Artikel 120, vijfde lid, van de Waterschapswet zal naast de gevallen waarin het waterschapsobject gebouwd deel uitmaakt van het WOZ–object, in de praktijk ook toepassing vinden in gevallen waarin het WOZ–object wordt doorsneden door de waterschapsgrens.

Het aantal gevallen waarin het waterschapsobject gebouwd niet gelijk is aan het WOZ–object, is in de praktijk betrekkelijk gering. Voorbeelden zijn sportterreinen met kleedkamers en kantine, de kazerne bij een militair oefenterrein en het CBR–oefenterrein waarop zich een gebouwtje bevindt.

Vijfde lid (ontbreken WOZ–waarde)

Het vijfde lid van de verordening geeft de zogenaamde vangnetbepaling van artikel 120, zesde lid, van de Waterschapswet weer. Deze bepaling maakt het voor het waterschap mogelijk om in gevallen waarin de gemeente voor een onroerende zaak onverhoopt (nog) geen WOZ–waarde heeft vastgesteld, toch belasting te heffen. Voorwaarde daarbij is dat het waterschap ten aanzien van het betreffende object een waarde vaststelt en daarbij de regels van de Wet WOZ inzake de waardebepaling volgt. De waarde dient te worden vastgesteld door de ambtenaar belast met de heffing als bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet. Opgemerkt wordt dat een aldus vastgestelde waarde niet bij een zogenaamde vervangende WOZ–beschikking aan de belastingplichtige wordt bekendgemaakt, maar dat de vaststelling en bekendmaking van de waarde geschieden in het kader van het vaststellen van de aanslag in de waterschapsomslag gebouwd. Anders dan het geval is bij de WOZ–beschikking, geldt de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde niet voor een periode van vier jaar. Opgemerkt wordt overigens dat het waterschap de aanslag die op grond van de vangnetbepaling is opgelegd ambtshalve zal dienen te verminderen indien de naderhand door de gemeente vastgestelde WOZ–waarde lager is dan de waarde waarvan het waterschap bij de aanslagregeling is uitgegaan. Ernstig dient rekening te worden gehouden met het feit dat in de omgekeerde situatie (de naderhand door de gemeente vastgestelde waarde is hoger dan de waarde die door het waterschap is vastgesteld) het waterschap de te weinig geheven belasting wellicht niet zal kunnen verhalen op de belastingplichtige. Hiervoor is immers het opleggen van een navorderingsaanslag noodzakelijk. Zoals bekend kunnen navorderingsaanslagen slechts onder strikte voorwaarden worden opgelegd (vgl. artikel 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen).

Invloed omslagklassenverordening op heffingsmaatstaf

Indien het waterschap ook ten behoeve van gebouwde onroerende zaken een omslagklassenverordening heeft vastgesteld, dient dit in de redactie van artikel 11 tot uitdrukking te worden gebracht. De omslagklassenverordening bewerkstelligt immers dat in de volgens de algemene regels berekende heffingsmaatstaven correcties worden aangebracht teneinde te voorkomen dat verschillen in hoedanigheid of ligging van ongebouwde en gebouwde onroerende zaken leiden tot onevenredig voor– of nadeel voor de omslagplichtigen. In het eerste lid is dan ook een bepaling opgenomen die refereert aan het verband tussen de omslagverordening en de omslagklassenverordening. In dit verband wordt gewezen op het voorschrift van artikel 111 van de Waterschapswet, dat bepaalt dat de belastingverordening alle elementen dient te bevatten die van belang zijn voor de heffing en de invordering van de in die verordening geregelde belasting. De omslagklassenverordening beïnvloedt de grootte van de heffingsmaatstaf en is dus een van die elementen.

In de omslagklassenverordening dient te worden geregeld op welke wijze en in welke mate de op de voet van de omslagverordening berekende heffingsmaatstaf dient te worden gecorrigeerd.

Het verdient aanbeveling op het aanslagbiljet (of op een bijlage daarvan) aan te geven in welke omslagklasse de betrokken onroerende zaken zijn ingedeeld, zodat de omslagplichtige kan controleren of die verordening juist is toegepast en of het waterschap de heffingsmaatstaf op correcte wijze heeft gecorrigeerd.

Artikel 12 (tarieven gebouwd)

Hetgeen is opgemerkt in de toelichting op artikel 7 inzake de tarieven voor het ongebouwd is ook van toepassing op artikel 12 dat betrekking heeft op de tarieven voor het gebouwd. De verschillen met artikel 7 bestaan hieruit dat de tarieven van artikel 12 zijn uitgedrukt in eenheden van de heffingsmaatstaf, welke op hun beurt zijn uitgedrukt in een bepaald eurobedrag. De eenheid in euro’s (€ 2.268) stemt – na afronding – overeen met de eenheid (ƒ 5.000,––) waarvan tot 1 januari 2002 in de belastingverordeningen van veel waterschappen en in de Gemeentewet ter zake van de ozb werd uitgegaan.

De Waterschapswet schrijft in artikel 120, achtste lid, voor dat het tarief van de belasting per eenheid van de heffingsmaatstaf gelijk is. Hierbij valt op dat anders dan in de Gemeentewet het geval is (vgl. artikel 220f, eerste lid, Gemeentewet), in de Waterschapswet de grootte van de eenheid niet uitdrukkelijk is geregeld. In theorie zouden de waterschappen dus ook voor een andere eenheid kunnen kiezen dan de eenheid die hiervóór is genoemd. Een dergelijke werkwijze is uit praktische overwegingen in het verleden echter afgeraden en wordt ook nu weer afgeraden.

Artikel 13 (vrijstellingen gebouwd)

Hetgeen is opgemerkt in de opmerking vooraf in de toelichting op artikel 8 inzake de vrijstelling ongebouwd is mutatis mutandis ook van toepassing op artikel 13 dat betrekking heeft op de vrijstellingen gebouwd.

Algemeen

De Wet WOZ verplicht de gemeenten voor alle onroerende zaken een waarde vast te stellen. (De waarde van onroerende zaken die zijn opgenomen in de reeds eerder genoemde Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ blijft evenwel buiten aanmerking.) Deze verplichting leidt in de praktijk ertoe dat de gemeenten ook ten aanzien van onroerende zaken die zij zelf niet in de heffing van de gemeentelijke onroerende–zaakbelastingen betrekken (omdat deze op grond van de Gemeentewet verplicht daarvan zijn vrijgesteld of omdat in de belastingverordening facultatieve vrijstellingen zijn opgenomen), de waarde moeten vaststellen indien het waterschap de betreffende onroerende zaak of onroerende zaken wel in de omslagheffing gebouwd betrekt. Met uitzondering van de situatie bedoeld in artikel 120, zesde lid, Waterschapswet (artikel 11, vijfde lid, van de verordening) hoeven en mogen de waterschappen de waarde van deze onroerende zaken niet zelf te bepalen. De waarde moet gewoon door de gemeenten worden aangeleverd.

De objecten die ingevolge de Gemeentewet verplicht van de heffing van ozb zijn vrijgesteld, zijn genoemd in artikel 220d, eerste lid, van de Gemeentewet en betreffen zowel gebouwde als ongebouwde onroerende zaken (en combinaties daarvan). In het kader van de omslagheffing gebouwd zijn uiteraard met name de gebouwde onroerende zaken uit genoemde bepaling van de Gemeentewet relevant.

Bijzondere aandacht wordt gevraagd voor het feit dat de Gemeentewet enkele typische waterschapswerken vrijstelt.

Blijkens de onderdelen g en h van artikel 220d, eerste lid, Gemeentewet, zijn waterverdedigings– en waterbeheersingswerken en werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool– en ander afvalwater verplicht van de heffing van ozb vrijgesteld indien deze werken worden beheerd door publiekrechtelijke rechtspersonen (of organen daarvan). Met uitzondering van de objecten die als waterverdedigingswerk dienen, zijn de gemeenten echter wel verplicht voor deze objecten een WOZ–waarde vast te stellen. Dit is een gevolg van het feit dat de waterschappen bij de invoering van de Wet WOZ hebben aangegeven deze objecten doorgaans wel in de heffing van de omslag gebouwd te zullen betrekken. Het spreekt voor zich dat zij hiertoe de beschikking moeten hebben over de WOZ–waarden van deze objecten, welke waarden door de gemeenten moeten worden vastgesteld.

Onderdeel a (straatmeubilair)

In artikel 13 van de model–verordening is een vrijstelling opgenomen voor straatmeubilair. De vrijstelling is vormgegeven als een ‘verplichte’ vrijstelling die dus voor alle waterschappen zou moeten gelden. Voorzover bekend is dit in de praktijk ook het geval. De vrijstelling komt, voor zover bekend, tevens in alle gemeentelijke verordeningen op de onroerende–zaakbelastingen voor.

Het opnemen van de vrijstelling ter zake straatmeubilair is ingegeven door overwegingen van doelmatigheid. Met name de problemen die zich naar verwachting bij de objectafbakening en de waardering van straatmeubilair kunnen voordoen, hebben ons tot het opnemen van deze vrijstellingsbepaling in de verordening doen besluiten.

Onderdeel b (eigendommen van het waterschap)

In onderdeel b van artikel 13 is een vrijstelling opgenomen voor gebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap zelf genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Indien het waterschap van oordeel is dat het niet zinvol is onroerende zaken waarvan hij zelf zakelijk genothebbende is in de omslagheffing gebouwd te betrekken, dient voor die objecten in de verordening een vrijstelling te worden opgenomen. Onderdeel b van artikel 13 voorziet hierin. Zie ook de toelichting op artikel 8 (vrijstelling gebouwd), waarin ook in algemene zin een en ander over mogelijke vrijstellingen is opgenomen.

Onroerende zaken waarvan het waterschap het zogenaamde bloot eigendom heeft (dat wil zeggen dat het waterschap op de betreffende onroerende zaken ten behoeve van een ander een beperkt zakelijk recht heeft gevestigd), vallen niet onder de vrijstellingsregeling.

Artikel 14 (omslagplicht ingezetenen)

Inleiding

Artikel 14 bevat bepalingen met betrekking tot de omslagheffing van ingezetenen.

Tussen de ingezetenen en de andere categorieën omslagplichtigen, te weten de zakelijk genothebbenden ongebouwd, de eigenaar–gebruikers en pachters ongebouwd en de zakelijk genothebbenden gebouwd bestaan belangrijke verschillen, die bepaalde consequenties hebben voor de omslagheffing. In het algemene deel van deze toelichting werd daar reeds op gewezen.

De rechtsgrond voor de omslagheffing terzake van ingezetenen is de omstandigheid dat dezen binnen het beheersgebied van het waterschap kunnen wonen, werken en recreëren en dat zij zich daarin vrijelijk kunnen verplaatsen, een en ander voorzover de behartiging van de waterschapstaak of –taken hen daartoe in staat stelt.

Daarmee is tevens het ingezetenenbelang als algemeen belang bij het kunnen wonen, werken en recreëren in het gebied van het waterschap aangegeven. Aangezien de behartiging van de waterschapstaak of –taken ten aanzien van de ingezetenen immateriële waarden dient, moet het ingezetenenbelang worden gezien als een immaterieel belang, welke los staat van het belang dat de specifieke onroerende zaak (de woonruimte) bij de taakuitoefening door het waterschap heeft. Doordat het ingezetenenbelang het waterschappelijk welzijn van natuurlijke personen tot oogmerk heeft, is dit belang naar zijn aard subject– of persoonsgericht. Bij de andere categorieën omslagplichtigen daarentegen gaat het om materiële belangen bij de behartiging van de waterschapstaak of –taken. Daar gaat het om de instandhouding en het in het kader van hun functie optimaal kunnen aanwenden van gebouwde en ongebouwde onroerende zaken, welke aanwending zonder doeltreffende waterschapsvoorzieningen niet mogelijk zou zijn. Het belang van de onderwerpelijke onroerende zaken staat in die gevallen voorop. De belangen die ten grondslag liggen aan de omslagheffingen ongebouwd en gebouwd zijn naar hun aard dan ook object– of zaakgebonden.

De beschouwingen in het voorgaande maken duidelijk dat het belang van de categorie ingezetenen wezenlijk verschilt van dat van de overige categorieën omslagplichtigen.

Het algemene taakbelang is opgebouwd uit de immateriële of welzijnscomponenten van de uit te oefenen specifieke taken. In de kostentoedelingsverordening moet worden aangegeven hoe groot die componenten zijn, uitgedrukt in een percentage van de kosten per taak. Die percentages kunnen van taak tot taak verschillen. Het is zelfs denkbaar dat bij een bepaalde taak in het geheel geen kosten worden toegerekend aan de ingezetenen, omdat een aanwijsbaar ingezetenenbelang niet of nauwelijks aanwezig is. Een en ander hangt samen met de omvang van het beheersgebied van het waterschap en die van de inliggende taakgebieden, alsmede van de geografische situatie in die gebieden. Hoe groter het waterschapsgebied en hoe groter de geografische differentiatie, des te meer verschillen zich kunnen voordoen bij de behartiging van het algemene taakbelang ten behoeve van de ingezetenen. Het aandeel in de totale kosten per specifieke waterschapstaak, dat aan de ingezetenen moet worden toegerekend, kan van taak tot taak verschillen en in bepaalde gevallen zelfs nihil zijn. Hieruit vloeit voort dat per waterschapstaak al dan niet een tarief moet worden vastgesteld voor de ingezetenenomslag en dat de tarieven in het geval waarin het waterschap meerdere taken uitoefent, onderling kunnen verschillen. Het logische gevolg hiervan is dat de hoogte van de ingezetenenomslag in deze gevallen niet voor alle ingezetenen gelijk zal zijn, maar afhankelijk is van het taakgebied waarin de woonruimte van een ingezetene is gelegen. De Hoge Raad heeft dit in het arrest van 10 augustus 2001, nr. 36.014, bevestigd. De Hoge Raad gaat in dit arrest zelf een stap verder door te overwegen dat waterschappen waarvan het gebied uit verschillende taakgebieden bestaat, de vrijheid hebben hetzij in het gehele gebied de ingezetenenomslag op een gelijk bedrag per woonruimte te stellen, hetzij per taakgebied de ingezetenenomslag op een gelijk bedrag per woonruimte te stellen.

In het algemene deel van deze toelichting is reeds opgemerkt dat de Waterschapswet met betrekking tot de ingezetenenomslag geen heffingsmaatstaf voorschrijft. Weliswaar schrijft artikel 121 van de Waterschapswet voor dat het tarief van de ingezetenenomslag op een gelijk bedrag per woonruimte wordt vastgesteld, maar daardoor is de woonruimte nog geen maatstaf van heffing geworden. De in artikel 121 gebezigde term ‘woonruimte’ moet dan ook worden gezien als onderdeel van het belastbare feit, genoemd in artikel 118, derde lid, van de Waterschapswet. Dit belastbare feit wordt omschreven als ‘het blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van het belastingjaar hebben van woonplaats in het gebied van het waterschap en het aldaar in gebruik hebben van woonruimte’. Indien aan deze twee voorwaarden is voldaan – die tezamen het belastbare feit vormen – kan een inwoner van het waterschap als ingezetene worden aangemerkt.

Eerste lid (benoeming waterschapstaak/taken en omslagplichtigen)

Op grond van artikel 2 van de verordening is het waterschap bevoegd een omslag te heffen van ingezetenen. Zie het eerste lid en het tweede lid, aanhef en onderdeel b, van dat artikel. In de toelichting op artikel 2 is uiteengezet dat de nadere invulling van deze heffingsbevoegdheid is uitgewerkt in hoofdstuk IV van de verordening, waarvan artikel 14 het eerste artikel vormt.

In het eerste lid moet de waterschapstaak of moeten de waterschapstaken worden vermeld, die het waterschap op grond van het provinciale reglement ten behoeve van de ingezetenen moet of moeten behartigen.

Tweede lid (toestand op 1 januari is bepalend voor wie omslagplichtig is)

In het tweede lid wordt bepaald wie als ingezetene moet worden aangemerkt. Dat is degene die op 1 januari van het kalenderjaar blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte.

Indien een woonruimte wordt gebruikt door personen die met elkaar een gezamenlijke huishouding vormen, wordt slechts een van hen in de heffing van de ingezetenenomslag betrokken. De ambtenaar die bij het waterschap belast is met de heffing van de omslag wijst hiertoe een lid van dat huishouden aan. Hij houdt hierbij rekening met het beleid ‘aanwijzing belastingplichtigen’ dat ter zake binnen het waterschap geldt. Indien conform dit beleid is gehandeld, dienen bezwaren op grond van het feit dat een ander lid van het huishouden de aanslag had moeten ontvangen, ongegrond te worden verklaard.

Indien sprake is van gebruik van een onzelfstandig deel van een woonruimte – bijvoorbeeld in het geval van kamerverhuur –, kan ter zake van dit gebruik geen ingezetenenomslag worden geheven. In het arrest Walcheren (Hoge Raad 26 juni 1996, nr. 31 176, Belastingblad 1996, blz. 436) oordeelde de Hoge Raad dat het heffen van ingezetenenomslag pas aan de orde kan zijn indien het gaat om het gebruik van zelfstandige woonruimte.

Met ingang van 1 januari 2001 is in de Waterschapswet een definitie van het begrip woonruimte opgenomen die inhoudelijk gelijk is aan de definitie uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (artikel 17, onderdeel c). Opgemerkt wordt dat de heffing van de ingezetenenomslag, indien ook voor het overige aan de voorwaarden voor heffing wordt voldaan, niet beperkt is tot het gebruik van onroerende zaken. Ook het gebruik van (roerende) woonwagens en woonboten als woonruimte leidt tot heffing.

Artikel 15 (tarieven ingezetenen)

In de inleiding van de toelichting op artikel 14 is de nodige aandacht besteed aan de tarieven van de ingezetenenomslag. Daarin is uiteengezet dat het belang bij de behartiging van een bepaalde waterschapstaak kan bestaan uit een of meer specifieke taakbelangen van de onroerende zaken en uit een algemeen taakbelang van de ingezetenen. Per waterschapstaak kan de omvang van het algemene taakbelang verschillen of zelfs geheel ontbreken. Uit de kostentoedelingsverordening moet blijken op welke wijze de belangenafweging per waterschapstaak is geconcretiseerd. Hieruit vloeit logischerwijze voort dat ook het ingezetenentarief per waterschapstaak kan verschillen of ontbreken.

Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting op artikel 7, dat handelt over de tarieven ongebouwd. Hetgeen daarin is opgemerkt geldt mutatis mutandis ook voor de ingezetenentarieven.

Artikel 16 (wijze van heffing)

Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, maar niet bij wege van afdracht op aangifte. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. Het hangt van de aard en de ingewikkeldheid van de desbetreffende belasting af, welke van deze drie heffingstechnieken het meest doelmatig is. Het gaat het bestek van deze toelichting te buiten nader in te gaan op de werking en de voor– en nadelen van de genoemde drie heffingstechnieken.

Volstaan wordt met de constatering dat uit de huidige uitvoeringspraktijk blijkt dat waterschapsomslagen in de regel worden geheven bij wege van aanslag. Deze heffingswijze is in artikel 16 daarom als hoofdregel opgenomen.

Artikel 17 (Aanslagen bij meerdere omslagplichtigen)

Ingevolge hetgeen is bepaald in artikel 142, eerste tot en met derde lid, van de Waterschapswet, zijn waterschappen bevoegd om in gevallen waarin terzake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, de belastingaanslag ten name van een van hen te stellen. Degene op wiens naam de aanslag is gesteld is bevoegd hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn belastingplicht, naar evenredigheid van ieders belastingplicht te verhalen op de overige belastingplichtigen. De genoemde wettelijke bepalingen geven de waterschappen ook de bevoegdheid de aanslag voor het geheel in te vorderen bij degene op wiens naam de aanslag is gesteld. De toevoeging ‘cum suis,’ die in het verleden wel eens werd gebruikt om aan te geven dat er buiten degene die op het aanslagbiljet was genoemd ook andere personen belastingplichtig waren, behoeft gezien het bovenstaande niet meer op het aanslagbiljet te worden opgenomen. Indien een waterschap er, om wat voor reden dan ook, voor kiest wel gebruik te maken van de cs–code, kan dit echter wel. Gebruik van de cs–code maakt de aanslag in ieder geval niet nietig.

Degenen op wiens naam de belastingaanslag niet is gesteld (maar die dus wel belastingplichtig zijn), zijn bevoegd tegen de aanslag bezwaar en beroep in te stellen. Artikel 142, vierde lid, van de Waterschapswet biedt hiertoe de mogelijkheid. Indien deze belastingplichtigen daarom vragen dienen zij, voor zover deze gegevens voor het maken van bezwaar redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht, op de hoogte te worden gesteld van de gegevens met betrekking tot de aanslag.

Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat de belastingplichtigen op wiens naam de aanslag niet is gesteld, er wellicht niet altijd in zullen slagen hun bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn van zes weken in te dienen. Het kan immers gebeuren dat zij door de andere belastingplichtige pas op een zodanig moment van de aanslag in kennis worden gesteld, dat zij onmogelijk aan de ter zake geldende wettelijke termijn kunnen voldoen. In deze situaties dient op grond van artikel 6:11 Awb te worden beoordeeld of de indiener van het bezwaarschrift al dan niet in verzuim is. Van belang hierbij is dat de belastingplichtige indien hij eenmaal van de aanslag kennis draagt, zijn bezwaarschrift zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, dient in te dienen.

Artikel 17 van de model–verordening heeft uitsluitend betrekking op de traditionele omslagen. Voor de ingezetenenomslag kent de Waterschapswet een eigen regeling, welke is opgenomen in artikel 118, derde lid, onder a, van deze wet.

Op basis van deze bepaling kan in gevallen waarin sprake is van gebruik van een woonruimte door meerdere personen die gezamenlijk een huishouding vormen, slechts één persoon belastingplichtig zijn. Zoals we hiervoor hebben gezien verschilt deze situatie van die van de traditionele omslagen waar situaties kunnen voorkomen waarin meerdere personen belastingplichtig zijn (bijvoorbeeld in situaties van mede–eigendom).

Artikel 18 (Afronding en niet opleggen van aanslagen)

Artikel 18 van de verordening is een weergave van hetgeen is bepaald in artikel 122 van de Waterschapswet. In de verordening wordt in artikel 18, eerste lid, een andere situatie weergegeven dan in artikel 18, tweede lid. In artikel 18, eerste lid wordt geanticipeerd op een verwachte wijziging van de Waterschapswet per 1 januari 2002, waarbij in het kielzog van de euro–wetgeving onder andere artikel 122, eerste lid, uit de wet zal worden geschrapt. In artikel 18, tweede lid, wordt de situatie anno 2001 weergegeven. In deze situatie is sprake van een op de waterschappen rustende wettelijke verplichting om het bedrag van de omslag per aanslag naar beneden af te ronden. In artikel 18 van de model–verordening is uiteraard ook rekening gehouden met de invoering van de euro per 1 januari 2002.

Anticiperen op een verwachte wijziging van de Waterschapswet per 1 januari 2002 (artikel 18, lid 1)

In artikel 18, eerste lid, wordt geanticipeerd op een verwachte wijziging van de Waterschapswet per 1 januari 2002, waarbij onder andere artikel 122, eerste lid, van de Waterschapswet zal worden afgeschaft. Indien deze wijziging wordt gerealiseerd, bestaat voor de waterschappen geen wettelijke verplichting meer om de belastingbedragen naar beneden af te ronden op gehele euro's. In artikel 18, eerste lid, ontbreekt daarom deze in artikel 18, tweede lid, onderdeel a genoemde verplichting.

Verplichte afronding (artikel 18, tweede lid, onderdeel a)

De afrondingsregel van artikel 122, eerste lid, Waterschapswet is een bepaling van dwingend recht. De waterschappen zijn op dit moment dus verplicht dit voorschrift, op straffe van nietigheid van de aanslag, op te volgen.

Niet opleggen van aanslagen (artikel 18, tweede lid, onderdeel b)

Het voorschrift over het niet opleggen van aanslagen moet gezien worden als een doelmatigheidsbepaling die voorkomt dat aanslagen worden opgelegd voor betrekkelijk geringe bedragen. Deze situatie kan zich met name bij onroerende zaken met een relatief geringe waarde voordoen. Er dient per waterschap een bestuurlijke afweging plaats te vinden over de hoogte van het bedrag waaronder geen aanslagen worden opgelegd. Een en ander zal veelal afhankelijk zijn van de perceptiekosten, waaronder in dit verband moet worden verstaan de kosten die met de aanslagoplegging zelf gemoeid zijn. Indien besloten wordt onder een bepaald bedrag geen aanslagen op te leggen, dient de belastingverordening van het waterschap hierover uitsluitsel te geven.

Alhoewel artikel 122, tweede lid, Waterschapswet niet een verplichting aan (maar een bevoegdheid van) de waterschappen inhoudt, is in de verordening het opnemen van bedoelde doelmatigheidsbepaling nadrukkelijk als uitgangspunt genomen.

Op één aanslagbiljet verenigde aanslagen (artikel 18, tweede lid, onderdeel c)

Indien op één aanslagbiljet meerdere aanslagen zijn verenigd, worden deze aanslagen voor de toepassing van de regels inzake afronding en de regels inzake het niet opleggen van aanslagen, als één aanslag aangemerkt. Het belang van deze bepaling blijkt bijvoorbeeld in situaties waarin een belastingplichtige zakelijk genothebbende is van een aantal objecten met geringe waarde. Indien het waterschap de aanslagen die op deze objecten betrekking hebben verenigt op één aanslagbiljet, wordt wellicht boven het bedrag uitgekomen dat bedoeld is in het tweede lid. Is dit het geval, dan is het waterschap bevoegd het totaalbedrag van de aanslag te heffen en in te vorderen. Op dit totaalbedrag is de afrondingsregel van toepassing.

Artikel 19 (Betalingstermijnen)

In artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 is geregeld dat een belastingaanslag twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet invorderbaar is. Voor navorderingsaanslagen geldt een betalingstermijn van één maand na de dagtekening (artikel 9, tweede lid, Invorderingswet). Voor een beschikking inzake een bestuurlijke boete die gelijktijdig en in verband met een aanslag is opgelegd gelden gelijke betalingstermijnen als voor de aanslag (artikel 9, derde lid, Invorderingswet). Artikel 9 Invorderingswet, die ter zake als hoofdregel geldt, is ook van toepassing op de waterschappen.

Opgemerkt zij overigens dat de waterschappen ingevolge artikel 139, eerste lid, Waterschapswet, bevoegd zijn in hun belastingverordening andere betalingstermijnen dan de hiervoor genoemde termijnen op te nemen. Er kan zowel voor kortere als voor langere betalingstermijnen worden gekozen. Voor de omslagheffing ongebouwd/gebouwd is daarom aangesloten bij de bestaande praktijk van 3 maanden.

In gevallen waarin wordt meegelift met een nutsbedrijf, zal veelal sprake zijn van andere betalingstermijnen dan die in de Invorderingswet zijn genoemd. Veelal zal de aanslag of kennisgeving in evenzovele termijnen moeten worden betaald als voor de nota van het nutsbedrijf van toepassing is. In deze  verordening is voor wat betreft de ingezetenenomslag met die situatie rekening gehouden.

Artikel 20 (Nadere regels)

In artikel 20 is bepaald dat het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap nadere regels kan geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de omslagen. Deze bepaling is in de verordening opgenomen teneinde kenbaar te maken dat er in de praktijk naast de in de verordening geregelde onderwerpen, voor de heffing of invordering van de betreffende belasting nog andere onderwerpen van belang kunnen zijn. Het gaat hier met name om regels die gelden bij het doen van aangifte, het opleggen van voorlopige aanslagen en de invorderingsrente. Gelezen in samenhang met artikel 123, vierde lid, Waterschapswet, dienen de betreffende onderwerpen bij besluit van het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap nader te worden geregeld.

Artikel 21 (Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing en citeertitel)

Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van de datum van ingang van de heffing. Deze bepaling voorkomt dat op enig moment twee verschillende verordeningen van kracht zijn.

De oude verordening blijft evenwel van toepassing op belastbare feiten die zich voor de datum van ingang van de heffing hebben voorgedaan. Voor ‘oude’ belastbare feiten blijft heffing op basis van de oude verordening in de praktijk dus van toepassing. Dit is in alleen anders voor de toepassing van artikel 18, variant II (het schrappen van de afrondingsregel voor de oplegging van aanslagen). Indien dus bijvoorbeeld in het jaar 2002 een aanslag wordt opgelegd die betrekking heeft op het jaar 2001, hoeft het bedrag van die aanslag niet naar beneden te worden afgerond.

Het tweede lid van artikel 21 regelt de inwerkingtreding en de bekendmaking van de verordening. Ingevolge artikel 73 van de Waterschapswet verbinden besluiten van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Aangezien een belastingverordening een besluit van het bestuur van het waterschap is dat algemeen verbindende voorschriften inhoudt, is bekendmaking van de verordening een wettelijk vereiste.

De Hoge Raad heeft gedurende de afgelopen tijd in een reeks van arresten beslist over de bekendmaking van belastingverordeningen (zie onder andere Hoge Raad 24 december 1997, nrs. 31 643 en 32 325, Belastingblad 1998, blz. 146 en 148; Hoge Raad 10 augustus 1998, nr. 33 632, BNB 2000/15 en Hoge Raad 27 juli 1999, nr. 34 499, Belastingblad 1999, blz. 637).

In de arresten geeft de Hoge Raad aan onder welke voorwaarden nog wel van een correcte publicatie kan worden gesproken en wanneer daarvan geen sprake (meer) is. Het arrest van 27 juli 1999 betrof een kwestie waarin een wijzigingsverordening weliswaar op de voorgeschreven wijze bekend was gemaakt, maar waarin de heffing voortijdig had plaatsgevonden.

Opgemerkt zij dat het merendeel van de genoemde arresten betrekking heeft op de publicatie van gemeentelijke belastingverordeningen. Opvallend is dat de bepalingen die terzake in de Gemeentewet zijn opgenomen redactioneel enigszins verschillen van de desbetreffende bepalingen uit de Waterschapswet (zie de artikelen 139 en 140 Gemeentewet en de artikelen 73 en 74 Waterschapswet). Nu de bepalingen uit de Waterschapswet zelf stringenter lijken te zijn geformuleerd dan de bepalingen uit de Gemeentewet, moet ervan worden uitgegaan dat de visie die de Hoge Raad in deze arresten heeft neergelegd, ook voor de waterschappen geldt.

Bekendmaking belastingverordeningen

Artikel 73, tweede lid, Waterschapswet regelt de wijze waarop de bekendmaking van waterschapsverordeningen dient te geschieden. Blijkens deze bepaling geschiedt de bekendmaking door:

1 Plaatsing in een vanwege het waterschapsbestuur tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie en

2 Door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag– of nieuwsblad.

Ad 1: Plaatsing in vanwege het waterschapsbestuur tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie

De verordening moet worden geplaatst in een publicatie die tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar is gesteld. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de enige eisen die aan een algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie wordt gesteld, is dat deze een register moet bevatten en een nummering voor de overzichtelijkheid.

Waar het in feite dus om gaat, is dat er bij het waterschap een uitgave (een Blad) aanwezig moet zijn dat vergelijkbaar is met het Staatsblad voor rijkswetten of het Provincieblad voor provinciale verordeningen en dat dit Blad door het waterschap tegen betaling van kosten (leges) algemeen verkrijgbaar moet worden gesteld. In het vervolg van deze toelichting zal dit Blad gemakshalve ook wel worden aangeduid met de term ‘Waterschapsblad’.

Ad 2: Het doen van mededeling in een plaatselijk verschijnend dag– of nieuwsblad

Van het feit dat de verordening in een vanwege het waterschapsbestuur tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie (lees: het Waterschapsblad) is geplaatst, moet het waterschap mededeling doen in een plaatselijk verschijnend dag– of nieuwsblad. Uit het feit dat de wetgever de term ‘mededeling’ gebruikt, kan worden afgeleid dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest de waterschappen te verplichten de integrale tekst van de verordening in het dag– of nieuwsblad op te nemen.

Terinzagelegging

Ingevolge het vierde lid van artikel 73 moet de verordening tegelijk met de bekendmaking voor een periode van 12 weken voor een ieder ter inzage worden gelegd. De ter inzage legging gebeurt op de secretarie van het waterschap (het waterschapskantoor) of op een andere door het waterschap te bepalen plaats.

Inwerkingtreding

Ingevolge artikel 74 van de Waterschapswet treedt de verordening inwerking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in de verordening een ander tijdstip is aangewezen. In de verordening is ervoor gekozen de verordening op de eerste dag na die van de bekendmaking in werking te laten treden.

De datum van inwerkingtreding mag echter geenszins zodanig worden gekozen dat deze komt te liggen voor de datum van vaststelling en de bekendmaking van de verordening.

Ingevolge artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen die in de belastingverordening moet worden geregeld, het tijdstip van ingang van de heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening, maar die is niet persé noodzakelijk. In het derde lid van artikel 22 van de model–verordening is de datum van ingang van de heffing vastgesteld op 1 januari 2002. Deze bepaling maakt duidelijk op welk moment de nieuwe financiële verplichtingen die aan de burgers worden opgelegd, een aanvang nemen.

Ingevolge het vierde lid van het onderhavige artikel 22 wordt de verordening voorzien van een citeertitel en een jaartal. Als jaartal is opgenomen het eerste jaar waarin het waterschap de omslagen op basis van deze verordening heft, in dit geval 2002.