Keur oppervlaktewateren waterschap Aa en Maas

Geldend van 16-01-2007 t/m 16-01-2007

Intitulé

Keur oppervlaktewateren waterschap Aa en Maas

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Definities en begripsbepalingen

Artikel 1            Definities en begripsbepalingen

Hoofdstuk 2 Bepalingen inzake het lozen in, onttrekken aan, aanvoeren uit en afvoeren naar oppervlaktewateren

Artikel 2            Meldplicht lozen en afvoeren

Artikel 3            Vergunningplicht lozen en afvoeren

Artikel 4            Vergunningplicht aanvoeren en onttrekken

Hoofdstuk 3 Schouw

Artikel 5            Terinzagelegging, actualisering schouwoverzichtskaarten en uitvoering schouw

Hoofdstuk 4 Inrichting, beheer en onderhoud van oppervlaktewateren

Artikel 6            Onderhoudsplicht niet-leggerwateren

Artikel 7            Ontvangstplicht baggerspecie en maaisel

Artikel 8            Afrasteringen

Artikel 9            Verbodsbepalingen

Artikel 10          Reikwijdte verbodsbepalingen

Artikel 11          Kunstwerken

Artikel 12          Ontheffingverlening

Artikel 13          Toezicht en handhaving

Artikel 14          Strafbepaling

Artikel 15          Regeling schadevergoeding

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Overgangsbepalingen

Artikel 16          Legger

Artikel 17          Verleende vergunningen en ontheffingen

Slotbepalingen

Artikel 18          Inwerkingtreding

Artikel 19          Citeertitel

Toelichting             

Algemenetoelichting

- Formeel wettelijk kader

- Reikwijdte                             

  • Hogere regelgeving                                                      

  • Vastgesteld beleid

  • Specialiteitsbeginsel

  • Eigendomsbeperking

- Relatie Keur en legger

- Valt het waterschap onder de werking van de keur?

- Uitvoering en handhaving

- Doel keur

Hoofdstukgewijze toelichting

Artikelsgewijze toelichting

Bijlagen

Bijlage 1                       Kaartmateriaal met begrenzing beschermingsgebieden

Hoofdstuk 1 Definities en bepalingen

Artikel 1      Definities en begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze keur wordt verstaan onder:

  • a.

    het waterschap: het waterschap Aa en Maas;

  • b.

    Verordening: Verordening waterhuishouding Noord-Brabant 1997;

  • c.

    beheersplan: het beheersplan als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de waterhuishouding en hoofdstuk 3 van de Verordening;

  • d.

    oppervlaktewateren: wateren die dienen voor de afvoer, aanvoer of berging van water, met inbegrip van de waterbodem, taluds en onderhoudspaden;

  • e.

    legger: de legger, waarvan de vaststelling is voorgeschreven ingevolge  artikel 78 van de Waterschapswet en hoofdstuk 9 van de Verordening;

  • f.

    leggerwateren: oppervlaktewateren, geregistreerd in de legger;

  • g.

    niet-leggerwateren: oppervlaktewateren, niet geregistreerd in de legger;

  • h.

    bouwwerken: alle constructies van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming direct of indirect steun vinden in of op de grond;

  • i.

    kunstwerken: waterstaatkundige bouwwerken die van belang zijn voor de waterbeheersing dan wel uit andere hoofde zijn gelegen in of over een watergang.

  • j.

    werken: alle door menselijk toedoen gemaakte of te maken constructies met toebehoren, daaronder begrepen bouwwerken, kunstwerken, kabels en leidingen;

  • k.

    schouw: de periodieke door of namens het dagelijks bestuur te houden controle op het door derden uit te voeren onderhoud van niet-leggerwateren en van de daaronder, -in of -over gelegen kunstwerken;

  • l.

    talud: het hellend oppervlak van de zijdelingse begrenzingen van oppervlaktewateren;    

  • m.

    de insteek: de lijn waar talud en maaiveld elkaar ontmoeten;

  • n.

    de oever: zone tussen de insteek en land, waarin een (geleidelijke) overgang plaatsvindt van natte naar droge omstandigheden;

  • o.

    baggerspecie: bij onderhoud vrijkomende grond met daarin voorkomende stoffen;

  • p.

    maaisel: begroeiing met enige aanhangende baggerspecie;

  • q.

    onderhoudsplichtige: de eigenaar of gebruiker van aangrenzende gronden indien het een niet-leggerwater betreft, dan wel -indien het een legger-water betreft - de kwantiteitsbeheerder die het beheer over dat leggerwater heeft, tenzij de legger aangeeft dat de onderhoudsverplichting bij een ander berust;

  • r.

    beschermingsgebieden: gebieden - zoals aangegeven op de als bijlage 1 opgenomen kaarten – waarvoor een anti-verdrogingsbeleid geldt gericht op behoud en/of herstel van grondwaterstanden en kwelsituaties.

Hoofdstuk 2 Bepalingen inzake het lozen in, onttrekken aan, aanvoeren uit en afvoeren naar oppervlaktewateren

Artikel 2           Meldplicht lozen en afvoeren (incl. drainage)

Degene die water loost in of afvoert naar oppervlaktewateren meldt de wijze daarvan schriftelijk aan het dagelijks bestuur, tenzij het gevallen betreft:

  • a.

    waarvan voor het lozen of afvoeren een vergunning is vereist;

  • b.

    waarvoor een vergunning is verleend die ingevolge artikel 60, derde lid, van de Wet op de waterhuishouding wordt beschouwd als een vergunning op grond van die wet;

  • c.

    van waterafvoer tussen kwantiteitsbeheerders onderling.

Artikel 3           Vergunningplicht lozen en afvoeren (incl. drainage)
  • 1. Het is verboden zonder vergunning op grond van de Wet op de waterhuishouding water te lozen in of af te voeren naar oppervlaktewateren gelegen in beschermingsgebieden;

  • 2. Het is verboden zonder vergunning op grond van de Wet op de waterhuishouding water te lozen in of af te voeren naar oppervlaktewateren gelegen buiten beschermingsgebieden:

    • a.

      indien dit water afkomstig is van een uitbreiding van verhard oppervlak, indien deze uitbreiding groter of gelijk is aan 1000m²;

    • b.

      indien op de voorgenomen wijze van lozing of afvoer meer dan 70m³ water per uur kan worden geloosd of afgevoerd.

  • 3. De vergunningplicht genoemd in het eerste en tweede lid geldt niet voor waterafvoer tussen kwantiteitsbeheerders onderling.

Artikel 4           Vergunningplicht onttrekken en aanvoeren

Het is verboden zonder vergunning op grond van de Wet op de waterhuishouding water te onttrekken aan of aan te voeren uit oppervlaktewateren, met uitzondering van:

  • a.

    het onttrekken met een weidepomp voor het drenken van dieren;

  • b.

    het onttrekken van water voor het blussen van branden;

  • c.

    wateraanvoer tussen kwantiteitsbeheerders onderling.

Hoofdstuk 3 Schouw

Artikel 5            Terinzagelegging, actualisering schouwoverzichtskaarten en uitvoering schouw
  • 1. Jaarlijks wordt op een door het dagelijks bestuur te bepalen datum, schouw gevoerd over niet bij het waterschap in onderhoud zijnde oppervlaktewateren, rekening houdend met de daaraan toegekende functie(s).

  • 2. De oppervlaktewateren waarover schouw wordt gevoerd staan op schouwoverzichtskaarten. Deze kaarten worden jaarlijks gedurende twee weken ter visie gelegd.

  • 3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt ten minste vier weken van tevoren bekendgemaakt in een of meer in het gebied verschijnende dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.

  • 4. In spoedeisende gevallen of buitengewone omstandigheden kan van het eerste, tweede en derde lid worden afgeweken.

  • 5. Indien bij een schouwvoering overtredingen zijn geconstateerd, wordt een herschouw uitgevoerd binnen een door het dagelijks bestuur te bepalen termijn.

Hoofdstuk 4 Inrichting, beheer en onderhoud van oppervlaktewateren

Artikel 6           Onderhoudsplicht niet-legger-wateren

De onderhoudsplichtigen van niet-leggerwateren zijn verplicht:

  • a.

    voorwerpen, obstakels, materialen en stoffen die de aan-, afvoer of berging van water hinderen of kunnen hinderen, te verwijderen;

  • b.

    begroeiingen te maaien en te verwijderen en het uitkomende maaisel binnen twee dagen na het maaien uit het water te halen en op de oever te brengen;

  • c.

    oevers en taluds, alsmede de daartoe behorende verdedigingswerken, in stand te houden voor zover dat nodig is om te voorkomen dat door inzakking de afvoer, aanvoer en/of berging van het water wordt of kan worden gehinderd.

Artikel 7           Ontvangstplicht baggerspecie en maaisel

Het dagelijks bestuur kan bepalen dat de eigenaar of gebruiker verplicht is meer dan de helft of een evenredig gedeelte van de baggerspecie en het maaisel als bedoeld in artikel 9.7.1 tweede lid Verordening te ontvangen.

Artikel 8           Afrasteringen
  • 1. De eigenaren of gebruikers van aan oppervlaktewateren gelegen percelen die worden gebruikt voor het houden van dieren, zijn verplicht een voldoende kerende afrastering te hebben en te houden op een zodanige afstand van de insteek van deze oppervlaktewateren en van een zodanige constructie dat de aan- en afvoer van water en het onderhoud aan de oppervlaktewateren niet wordt gehinderd.

  • 2. Onder de in het eerste lid bedoelde zodanige afstand wordt in geval van leggerwateren verstaan een minimale afstand van 1 meter uit de insteek en in geval van niet-leggerwateren een afstand van tenminste 0,5 meter.

  • 3. De maximale hoogte van afrasteringen langs leggerwateren bedraagt 1.20 meter.

Artikel 9           Verbodsbepalingen
  • 1. Het is verboden:

    • a.

      een oppervlaktewater aan te leggen, te verleggen, geheel of gedeeltelijk te dempen of  in de afmetingen of constructie daarvan veranderingen aan te brengen;

    • b.

      onder, in op of over een oppervlaktewater kunstwerken aan te leggen, te hebben, te wijzigen of op te ruimen;

    • c.

      onder, in of over een oppervlaktewater buizen, kabels of leidingen te leggen, te hebben, te wijzigen of op te ruimen;

    • d.

      de doorstroming of berging van het water op enigerlei wijze te belemmeren of te stremmen;

    • e.

      in, boven of onder oppervlaktewateren:

                               1e         te graven; 

                               2e         werken te maken, te hebben, te herstellen, te vernieuwen, te wijzigen of op te ruimen; 

                               3e         beplantingen aan te brengen, te hebben of te rooien;

    • f.

      oevers en taluds te beschadigen of te vernielen;

    • g.

      beplantingen of materialen dienende ter verdediging van oevers, taluds of waterbodems te beschadigen, te vernietigen, te verplaatsen of te verwijderen;

    • h.

      zich anders dan als rechthebbende, op of in oppervlaktewateren op te houden, indien dat door of namens het bestuur op een voor publiek kenbare wijze is aangegeven;

    • i.

      op of in oppervlaktewateren vistuigen, anders dan sportvistuigen, te plaatsen of te hebben;

    • j.

      in oppervlaktewateren:

                               1e         voorwerpen, materialen of stoffen te deponeren, te lozen of op te slaan; 

                               2e         afval, vuilnis of andere dergelijke stoffen, daaronder begrepen meststoffen en chemische

                                            middelen, te storten, te laten vloeien of te hebben;

    • k.

      nabij oppervlaktewateren:

                              1e         afgravingen voor het winnen van delfstoffen of baggerspecie, alsmede seismische onderzoeken 

                                           te verrichten; 

                              2e         leidingen, tanks, drukvaten of andere vergelijkbare werken neer te leggen, op te richten, te

                                           hebben, te herstellen, te wijzigen, te vernieuwen of op te ruimen; |

                              3e         boringen te verrichten, zoals benodigd voor het exploreren van of winnen van gas, vloei- of 

                                           delfstoffen;

    • l.

      in oppervlaktewateren dieren of planten uit te zetten, die in strijd zijn met of afbreuk doen aan de aan oppervlaktewateren in het provinciale Waterhuishoudingplan of het waterbeheersplan toegekende functies;

    • m.

      het maaiveld te verhogen of te verlagen;

    • n.

      het wegnemen, verplaatsen of beschadigen van aanwezige peilschalen en meetapparatuur;

    • o.

      taluds of de bodem af te branden of het daarop stoken van vuren;

    • p.

      op welke wijze dan ook muggenlarven of watervlooien te scheppen;

    • q.

      om andere reden dan het verrichten van onderhoud vegetatie te verwijderen.

  • 2. De in het eerste lid genoemde verboden zijn niet van toepassing op handelingen ten behoeve van de uitvoering van herstel- en onderhoudswerkzaamheden door of vanwege het waterschap.

Artikel 10         Reikwijdte verbodsbepalingen
  • 1. Het bepaalde in artikel 9 eerste lid onder e, h en j geldt voor leggerwateren met inbegrip van de grond gelegen binnen een afstand van vijf meter gemeten vanuit de insteek.

  • 2. Het bepaalde in artikel 9, eerste lid onder k geldt voor leggerwateren met inbegrip van de grond gelegen binnen een afstand van 10 meter gemeten vanuit de insteek.

Artikel 11         Kunstwerken

Het is met betrekking tot kunstwerken verboden enige handeling te verrichten waardoor deze worden beschadigd of de werking daarvan kan worden belemmerd, veranderd of stopgezet.

Artikel 12         Ontheffingverlening
  • 1. Het dagelijks bestuur kan, rekening houdend met de toegekende waterhuishoudkundige functies en de in het provinciale Waterhuishoudingsplan,  de in het waterbeheersplan vastgestelde doelstellingen ten aanzien van de oppervlaktewateren en de hieruit voortvloeiende onderhoudsbeheersplannen ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 6, 8, 9 en 11, een verleende ontheffing wijzigen of intrekken, ambtshalve dan wel op aanvraag.

  • 2. Aan de ontheffing kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden ter bescherming van de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied.

  • 3. De toepassing van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel kan mede strekken ter bescherming van de aan de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied verbonden belangen, voorzover daarin niet is voorzien door een andere wettelijke regeling.

  • 4. Het dagelijks bestuur is bevoegd voor de in het eerste lid bedoelde aanvraag en de daarbij te verstrekken gegevens een aanvraagformulier vast te stellen.

  • 5. Aanvragen gaan vergezeld van deugdelijke situatietekeningen, kadastrale kaarten, ontwerptekeningen.

Artikel 13         Toezicht en handhaving

Het dagelijks bestuur wijst ambtenaren aan die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze keur bepaalde en de handhaving.

Artikel 14         Strafbepaling
  • 1. Overtreding van de geboden in de artikelen 6, 7, en 8 en van de verboden in de artikelen 9 en 11 alsmede overtreding van de voorschriften van een krachtens hoofdstuk 4 verleende ontheffing wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie als genoemd in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 2. Indien ten tijde van het plegen van de in het eerste lid genoemde overtreding nog geen jaar is verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis tot het dubbele van het gestelde maximum worden opgelegd.

Artikel 15         Regeling schadevergoeding

Aan de eigenaar of gebruiker van erven en gronden langs of in de nabijheid van oppervlaktewateren, die schade lijdt of zal lijden als gevolg van door of vanwege het waterschap verrichte handelingen als bedoeld in hoofdstuk 4, welke schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet anderszins is of kan worden geregeld, wordt door het dagelijks bestuur op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Overgangsbepalingen

Artikel 16         Legger

Totdat de legger is vastgesteld, worden als leggerwateren aangemerkt, de wateren waarvoor het waterschap overeenkomstig artikel 11.3.2 eerste lid Verordening onderhoudsplichtig is.

Artikel 17         Verleende vergunningen en ontheffingen
  • 1. Een vergunning of ontheffing, verleend vóór de inwerkingtreding van deze keur, waarbij een ingevolge deze keur vergunning- of ontheffingplichtig werk of handelen door het bevoegd gezag is toegestaan, wordt geacht ingevolge deze keur te zijn verleend.

  • 2. Voor al hetgeen ten tijde van inwerkingtreding van deze keur rechtmatig tot stand is gebracht, wordt geacht vergunning of ontheffing ingevolge deze keur te zijn verleend.

Slotbepalingen

Artikel 18         Inwerkingtreding
  • 1. Deze keur treedt in werking 6 weken na de dag waarop dit besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

  • 2. Op het tijdstip genoemd in het eerste lid  worden de Keur De Aa 2001, vastgesteld op 9 november 2001 en de Keur op de oppervlaktewateren waterschap De Maaskant 2002, vastgesteld op 23 mei 2002 ingetrokken met dien verstande dat de bepalingen van deze keuren van kracht blijven, indien en voor zover de dienovereenkomstige bepalingen van deze keur niet in werking zijn getreden.

Artikel 19         Citeertitel

Deze keur wordt aangehaald als Keur oppervlaktewateren waterschap Aa en Maas.

Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur op 5 januari 2004,

de griffier,                                             de dijkgraaf,

drs, C.J.E. van Vlokhoven                      drs. L.P.M. van den Berg

Algemene toelichting

Formeelwettelijk kader

Ingevolge artikel 78 Waterschapswet dient het algemeen bestuur de verordeningen te maken die het nodig oordeelt voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen. De keur voor de oppervlaktewateren is zo’n verordening. De taken die het waterschap zijn opgedragen, zijn omschreven in het waterschapsreglement dat door de provincie is vastgesteld.

In het Reglement voor Waterschap Aa en Maas is bepaald dat dit waterschap de zorg heeft voor de waterkeringen en het waterkwantiteits- en kwaliteitsbeheer. Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat het waterschap slechts bevoegd is tot het stellen van keurbepalingen ter bescherming van de waterkwaliteit voorzover daarin bij hogere regeling (zie artikel 4 Uitvoeringsbesluit ex artikel 1, derde lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren) niet is voorzien.

Naast uitvoering van reglementaire taken kan er sprake zijn van opdracht tot uitvoering van taken in medebewind.  Zo heeft het waterschap ingevolge de Wet op de waterhuishouding en de provinciale Verordening waterhuishouding Noord-Brabant de bevoegdheid de vergunningplicht voor het lozen en onttrekken nader uit te werken. Hieraan wordt in de keur voor de oppervlaktewateren invulling gegeven.

Reikwijdte

1. Hogere regelgeving

Het waterschapbestuur is op grond van artikel 59 Waterschapswet niet bevoegd ten aanzien van onderwerpen waarin door een hogere wettelijke regeling is voorzien verordeningen te maken die met die hogere regelingen in strijd zijn. Bovendien mag het waterschapsbestuur geen regels stellen met betrekking tot onderwerpen, waarin door een hogere wettelijke regeling uitputtend wordt voorzien. Afstemming heeft derhalve plaatsgevonden met de Waterstaatswet, de Wet milieubeheer, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet op de waterhuishouding en de provinciale Verordening waterhuishouding Noord-Brabant

2. Vastgesteld beleid

De bepalingen in deze keur dienen te worden toegepast met inachtneming van het voor het waterstaatkundig zorggebied geldende beleid. Voor de waterhuishoudingszorg is dit beleid op rijksniveau vastgelegd in de Nota waterhuishouding en op provinciaal niveau in de waterhuishoudingsplannen. Het in het voor het gebied vastgestelde beheersplan verwoorde beleid is richtinggevend bij de uitvoering van de keur door het waterschap.

3. Specialiteitsbeginsel

Op grond van het in de artikelen 56 en 78 van de Waterschapswet opgenomen specialiteitsbeginsel kan het waterschap alleen regels stellen ter behartiging van zijn reglementaire taken. Tijdens de parlementaire behandeling van de Waterschapswet is er evenwel op gewezen dat het waterschap bij de besluitvorming naast waterstaatkundige belangen ook rekening moet houden met andere publieke belangen. Concreet betekent dit dat het waterschap zijn aandacht niet uitsluitend moet richten op het water zelf, maar ook op de relevante omgeving daarvan, zoals waterbodem, de oever, de infrastructuur. Belangen van natuur, landschap en milieu mogen bij de besluitvorming worden meegenomen voor zover ze betrokken zijn bij de reglementaire taak van het waterschap.

In het vigerende waterbeheersplan wordt invulling gegeven en wordt aangegeven hoe het waterschap vanuit het brede perspectief rekening houdt bij de besluitvorming met natuur-, milieu- en landschapsbelangen. Via de keur zal deze brede belangenafweging gestalte moeten krijgen.

4. Eigendombeperking

Bij de keur wordt het eigendomsrecht beperkt. Artikel 1 boek 5 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het eigendomsrecht kan worden beperkt. De eigendomsrechten mogen, in verband met waterstaatsbelangen, echter niet op onevenredige wijze worden aangetast. Dit aspect dient ook bij de toepassing van de keur in de belangenafweging te worden meegenomen.

Relatie Keur en legger

Uit de legger is af te lezen wie onderhoudsplichtig is, waaruit de onderhoudsverplichting bestaat ofwel waar het gebods- en verbodsregime van de keur van toepassing is. De legger is in deze te beschouwen als een onderdeel van de keur. Wijziging van de legger betekent dan ook een wijziging in de toepassing van de keur.

Valt het waterschap onder de werking van de keur?

De bepalingen in deze keur bevatten uitsluitend geboden en verboden die zich richten tot derden en niet tot het waterschap als lichaam van openbaar bestuur, handelend ter uitvoering van zijn taak. Wanneer het waterschap optreedt als ieder ander privaat persoon heeft het voor de uitvoering van ingevolge de keur vergunningplichtige werken een keurvergunning nodig. Gezien het beperkte uitsluitend waterstaatkundige belangenkader van de keur kan worden gesteld dat het waterschap in het kader van de uitvoering van zijn openbare taak in principe geen keurontheffing nodig heeft.

Uitvoering en handhaving

Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de uitvoering van de keur. Dit betekent enerzijds dat dit bestuur moet zorgen voor de handhaving van de in de keur gestelde geboden en verboden en anderzijds dat het bestuur belast is met de uitvoering van het in de keur opgenomen vergunningenstelsel. Ingevolge de Waterschapswet kan de handhaving geschieden met gebruikmaking van strafvervolging en van bestuursrechtelijk optreden. Bij overtreding van de keur kunnen boetes op grond van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd. Artikel 85 van de Waterschapswet bepaalt dat de door de leden van het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaren belast zijn met de opsporing van de keurovertredingen, onverminderd de bevoegdheid van de bij artikel 141 Wetboek van Strafrecht aangewezen personen. Deze opsporingsambtenaren kunnen de overtreder van de keur een schikkingsvoorstel doen om strafvervolging te voorkomen (artikel 85 derde lid Waterschapswet). Echter de bevoegdheden zoals opgenomen in artikel 85 Waterschapswet bezitten bovengenoemde personen van het waterschap niet zonder meer. De betreffende personen dienen te worden aangewezen en beëdigd door de Minister van Justitie en moeten bovendien aan bepaalde bekwaamheidseisen voldoen. Daarnaast kan het bestuur ook gebruik maken van de bevoegdheden tot het toepassen van bestuursdwang en het opleggen van een last onder dwangsom.

Doel keur

De bepalingen van deze keur hebben uitsluitend tot doel de afvoer en aanvoer of berging van het op de bodem vrij aanwezige oppervlaktewater te bevorderen en de gewenste ontwatering te verkrijgen van de gronden die op dat oppervlaktewater afwateren. Om dit doel te bereiken is nodig dat:

  • a.

    er voldoende berging is om pieken in de toestroming van water te kunnen opvangen;

  • b.

    er voldoende afvoercapaciteit is om het overtollige water af te kunnen voeren;

  • c.

    er een goede afstroming vanaf het aangrenzende maaiveld plaatsvindt;

  • d.

    snel kan worden gesignaleerd of de waterafvoer wordt gestremd.

Hoofdstukgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Definities en begripsbepalingen

Voor een goed begrip van de in de keur opgenomen regeling is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de betekenis van de begrippen die in de keur worden gehanteerd.

Hoofdstuk 2 Bepalingen inzake het lozen in, onttrekken aan, aanvoeren uit en afvoeren naar oppervlaktewateren

Dit hoofdstuk geeft voor het hele waterschapsgebied een verbodsregiem (behoudens vergunning) voor het onttrekken aan en het aanvoeren uit oppervlaktewateren. Tevens bevat het een gebiedsgericht verbodsregiem voor het lozen in en het afvoeren van water naar oppervlaktewateren.

Ook drainage valt onder dit verbodsregiem. Bij drainage wordt grondwater uit percelen geloosd op oppervlaktewater met het doel de grondwaterstand van één of meer percelen in de omgeving te verlagen. Drainage heeft niet alleen effect op de grondwaterstand en grondwaterstroming van percelen, maar ook op die van percelen in de omgeving en kan met name in gebieden met natuurwaarden de grondwaterstand en grondwaterstroming sterk verstoren.

Gekoppeld aan het instrumentarium dat dit hoofdstuk biedt, dient een vergunningenbeleid te worden ontwikkeld.

Hoofdstuk 3 Schouw

Het betreft hier de schouw op het onderhoud aan waterlopen (gebodsbepalingen) en daarnaast wordt bij de schouw gelet op eventuele overtreding van verbodsbepalingen.

Bij de schouw wordt rekening gehouden met de functie(s) zoals deze is (zijn) toegekend aan bepaalde oppervlaktewateren.

Hoofdstuk 4 Inrichting, beheer en onderhoud van oppervlaktewateren

Dit hoofdstuk bevat een aantal gebodsbepalingen en verbodsbepalingen waarmede het beheer en het onderhoud van de waterstaatkundige infrastructuur wordt geregeld. Van deze bepalingen kan ontheffing worden verleend.

Bij ontheffingverlening wordt rekening gehouden met de aan oppervlaktewateren toegekende functies en de in het waterhuishoudingsplan en het beheersplan vastgelegde doelstellingen.

Gekoppeld aan het instrumentarium dat dit hoofdstuk biedt, dient een ontheffingenbeleid te worden ontwikkeld.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

In dit hoofdstuk wordt onder meer geregeld dat (de bepalingen van) de Keur De Aa 2001 en de Keur oppervlaktewateren Maaskant 2002 worden ingetrokken c.q. komen te vervallen zodra de dienovereenkomstige bepalingen van deze nieuwe keur in werking treden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1         Definities en begripsbepalingen
  • Beheersplan: 

    In hoofdstuk 3 van de Verordening is de vaststellingsprocedure van het beheersplan weergegeven.

  • Legger: 

    De legger bestaat uit één of meer kaarten waarop tenminste de oppervlaktewateren staan aangegeven, die in beheer en onderhoud zijn bij het waterschap, alsmede een register waarin gegevens van die oppervlaktewateren zijn opgenomen. In hoofdstuk 9, afdeling 4 van de Verordening is de vaststellingsprocedure van de legger weergegeven.

  • Kunstwerken:

    Het betreft veelal technische bouwsels ten behoeve van de waterbeheersing, niet van zand of aarde, bijvoorbeeld duikers, stuwen en oeverbeschoeiing.

  • Insteek:

    Indien een duidelijk zichtbare insteek ontbreekt (bij voorbeeld bij plasbermen), wordt artikel 34, Boek 5 BW aangehouden voor het bepalen van de insteek. Dit artikel luidt als volgt: “ De oeverlijn […] wordt bepaald door de normale waterstand, of bij wateren waarvan het peil periodiek wisselt, door de normale hoogwaterstand”. Grond, met andere dan de gewoonlijk in het water levende planten begroeid, wordt echter gerekend aan de landzijde van de oeverlijn te liggen, ook al wordt die grond bij hoogwater overstroomd.

  • Oever:

    De aan het oppervlaktewater toegekende functie heeft op grond van de Verordening ook betrekking op de oever. Een vaste breedte van de oever wordt niet genoemd. Bij geschilpunten hierover zullen de mate waarin er een relatie bestaat met het watersysteem en de taakuitoefening van het waterschap een rol spelen.

Artikel 2         Meldplicht lozen en afvoeren

Artikel 3         Vergunningplicht lozen en afvoeren

Artikel 4         Vergunningplicht onttrekken en aanvoeren

Uitleg begrippen

  • Afvoeren: 

    het door middel van een werk of langs natuurlijke weg brengen of laten stromen van water uit een oppervlaktewater naar een ander oppervlaktewater;

  • Lozen: 

    het door middel van een werk brengen van water in een oppervlaktewater, zonder dat het water daarbij uit een ander oppervlaktewater wordt gehaald;

  • Onttrekken: 

    het door middel van een werk halen van water uit een oppervlaktewater, zonder dat het water daarbij in een ander oppervlaktewater wordt gebracht.

  • Aanvoeren: 

    het door middel van een werk of langs natuurlijke weg naar een oppervlaktewater halen of laten stromen van water uit een ander oppervlaktewater;

Formele basis

Ingevolge het bepaalde in de artikelen 12 en 24 juncto artikel 13 van de Wet op de waterhuishouding is het in daartoe bij verordening van het waterschap aangewezen gevallen verboden zonder vergunning water te lozen op of te onttrekken aan oppervlaktewateren dan wel is men verplicht van die lozingen en onttrekkingen hoeveelheden te meten, daarvan aantekening te houden en van de verkregen gegevens opgave te doen aan het waterschap.

In de Verordening waterhuishouding Noord-Brabant is bepaald dat het algemeen bestuur van het waterschap bevoegd is om gevallen van lozen en onttrekken aan te wijzen waarvoor een vergunning- dan wel meldplicht geldt (gedelegeerde bevoegdheid). De Wet op de waterhuishouding beperkt de vergunningplicht (artikel 24 tweede lid) tot lozing en onttrekking van waterhoeveelheden die –zelfstandig of in samenhang met andere lozingen of onttrekkingen -:

  • a.

    van nadelige invloed kunnen zijn op de peilregeling, de grondwaterstand en de waterbeweging;

  • b.

    het waterschap kunnen noodzaken tot bijzondere beheersmaatregelen.

Omdat ook de grondwaterstand als referentiekader in de Wet op de waterhuishouding is opgenomen is het mogelijk drainage aan de vergunningplicht te onderwerpen. De achterliggende reden is dat verlaging van de grondwaterstand zeer vergaande gevolgen voor de natuur met zich kan brengen. De aanleg van drainage is een ingreep die ligt op het raakvlak van grondwater en oppervlaktewater. Bij drainage wordt grondwater uit percelen geloosd op oppervlaktewater met het doel de grondwaterstand van een of meer percelen in de omgeving te verlagen. Drainage heeft niet allen effect op de grondwaterstand en grondwaterstroming van de beoogde percelen, maar ook op die van percelen in de omgeving. Het kan de grondwaterstand en de grondwaterstroming met name in gebieden met natuurwaarden sterk verstoren.

Met name drainages in stedelijk gebied hebben veel effect op de grondwaterstand. Om deze reden is het (afdwingbaar) kunnen sturen van drainage in stedelijk gebied van groot belang.

Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van het belang van de waterhuishouding voor zover het bij of krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewater of Gondwaterwet bepaalde daarin niet voorziet.

Normering in de keur

In het vigerende waterbeheersplan wordt niet concreet ingegaan op de normen ten aanzien van de vergunningplicht voor lozing en onttrekking. Wel wordt in dit plan toegezegd dat het waterschap er door middel van handhaving en vergunningverlening erop toeziet dat activiteiten van derden, zoals uitbreiding van stedelijk gebied en aanleg van drainage en onderbemalingen, geen verdroging veroorzaken en bij voorkeur een bijdrage leveren aan bestrijding van verdroging.

De vergunningplicht ontstaat wanneer de in de keur genoemde ondergrens wordt overschreden.

Lozingen afkomstig van verhard oppervlak

Lozingen afkomstig van een verhard oppervlak dat groter is dan 1000 m2 zijn vergunningplichtig in de eerste plaats om piekafvoeren tot een minimum te beperken. In de tweede plaats om te bewerkstelligen dat dit (regen)water – in het kader van de verdrogingsbestrijding – in plaats van te worden geloosd op de riolering zoveel mogelijk wordt hergebruikt dan wel in de bodem wordt geïnfiltreerd. Gekozen is voor de oppervlakte van 1000m2 omdat dit correspondeert met een strook van 10 bij 100 meter (de gemiddelde oppervlakte van een blok huizen of een bedrijfsgebouw met parkeerterrein).

Lozingen afkomstig van een werk

De vergunningplicht voor het lozen op leggerwaterlopen is gesteld op 70 m3 per uur voor zowel leggerwateren als niet leggerwateren.

Aanscherping van de normering vindt plaats teneinde te beschikken over inzicht in de mate van lozen.

In de artikelen 24 tot en met 33 van de Wet op de waterhuishouding, alsmede in de artikelen 6 tot en met 10, 23 en 24 van de Uitvoeringsregeling waterhuishouding worden specifieke regels gesteld omtrent de vergunning, de aanvraag tot verlening van een vergunning en de beschikking op aanvraag.

Ingevolge het bepaalde in artikel 44 van de Wet op de waterhuishouding staat tegen de betrokken beslissing beroep op gedeputeerde staten open van de provincie. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht staat tegen de beslissing van Gedeputeerde Staten beroep open op de rechtbank. Tegen de door de rechtbank genomen beslissing staat vervolgens beroep op de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State open.

Bij het verlenen van vergunningen die gebaseerd zijn op de Wet op de waterhuishouding moet, naast de peilregeling, en de waterbeheersing, ook rekening worden gehouden met de grondwaterstand. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de Wet op de waterhuishouding een ruimer belangenkader kent dan de Waterschapswet. In het algemeen deel van deze toelichting is aangegeven dat het waterschap bij zijn taakuitoefening ook rekening moet houden met belangen van onder andere natuur, landschap en milieu.

Ingevolge artikel 6.3.1 lid 1 Verordening is het waterschapsbestuur bevoegd om gevallen aan te wijzen waarin degene die water loost in, aanvoert uit, afvoert naar of onttrekt aan oppervlaktewateren op grond van artikel 12 eerste lid Wet op de waterhuishouding, verplicht is de wijze van lozing, aanvoer, afvoer of onttrekking vooraf te melden. Daarnaast kan het algemeen bestuur de gevallen aanwijzen waarin degene die water loost in, aanvoert uit, afvoert naar of onttrekt aan oppervlaktewateren verplicht is de geloosde, aangevoerde, afgevoerde of onttrokken waterhoeveelheden te meten, daarvan aantekening te houden en van de verkregen gegevens opgave te doen.

Ingevolge artikel 6.3.1 lid 2 Verordening is het waterschapsbestuur bevoegd om gevallen aan te wijzen waarin het verboden is zonder vergunning krachtens artikel 24 Wet op de waterhuishouding water te lozen in, aan te voeren uit, af te voeren naar of te onttrekken aan oppervlaktewateren.

In deze keur is van de voornoemde bevoegdheden gebruik gemaakt.

Schematisch weergegeven komt de inhoud van de artikelen 2, 3 en 4 van de keur op het volgende neer (de hoeveelheden zijn vermeld in m3/uur):

Schematische weergave artikelen 2, 3 en 4 van de keur

Vrij

Meldplicht

Vergunningplicht

Onttrekken aan, aanvoeren uit oppervlaktewateren m.u.v. onttrekken met een weidepompje en voor blussen en branden

Onttrekking d.m.v. weidepomp

En blussen van branden

Tussen kwantiteitsbeheer-ders onderling

-

>0

Lozen in, afvoeren naar oppervlaktewateren gelegen in beschermingsgebieden

-

-

>0

Lozen in, afvoeren naar oppervlaktewateren buiten beschermingsgebieden 

a   Van water afkomstig van een uitbreiding van  

     verhard oppervlak

b   van water in zowel leggerwateren als niet-

     leggerwateren

Tussen kwantiteitsbeheer-ders onderling

0-70

>0

>70

Aan een vergunning op basis van de Wet op de waterhuishouding kunnen uitsluitend voorschriften worden verbonden ter bescherming van het belang van de waterhuishouding voor zover het bij of krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren of de Grondwaterwet bepaalde daarin niet voorziet (artikel 24, lid 5 WWH).

Artikel 53 Wet op de waterhuishouding bevat een regeling inzake het toezicht en de opsporing van overtredingen op basis van dit hoofdstuk van de keur.

Artikel 5         Terinzagelegging, actualisering schouwoverzichtskaarten en uitvoering schouw

De onderhoudsverplichting is een verplichting die gedurende het gehele jaar op de onderhoudsplichtige rust.

De terinzagelegging van de schouwkaart(en) wordt tijdig, ruim voor de schouwdatum bekendgemaakt.

De kaarten worden in ieder geval ter inzage gelegd op de districtskantoren en het hoofdkantoor.

Op basis van dit artikel wordt iedere schouwkaart jaarlijks ter visie gelegd.

De schouwvoering richt zich op wateren die een functie in de waterbeheersing vervullen. De gedachte achter de schouw is het in orde houden van het waterhuishoudkundig systeem afgestemd op en behorend bij de bestemming (functie) van de betreffende gronden.

Afhankelijk van de bestemming van de gronden – landbouw, natuur of stedelijk gebied – dient de schouw gedifferentieerd te worden uitgevoerd.

Vanaf dit vertrekpunt wordt door het waterschap het schouwbeleid gevoerd.

Artikel 6         Onderhoudsplicht niet-leggerwateren

In deze bepaling wordt omschreven waartoe onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het gewone onderhoud gehouden zijn.  Van dit gebod kan ontheffing worden verleend, bijvoorbeeld in verband met natuurwaarden.

Volgens de Verordening waterhuishouding Noord-Brabant moeten de onderhoudsplichtigen de niet-leggerwateren voortdurend op afmetingen houden. Daar waar keurafmetingen ontbreken moeten de watergangen op de kennelijke doorgaande breedte, lengte en diepte van de bodem en op de doorgaande breedte tussen de oevers, zoals die breedte, lengte en diepte ter plaatse blijken, worden gehouden.

Waar de feitelijke afmetingen van het profiel van de watergang voor de af- en aanvoer en de berging van water noodzakelijke profielafmetingen overtreffen, behoeft de overprofilering niet door de ondehoudsplichtige in stand te worden gehouden.

Voor de wijze van onderhoud gelden uiteraard ook de beleidsuitgangspunten en doelstellingen als opgenomen in het beheersplan.

Artikel 7         Ontvangstplicht baggerspecie en maaisel

Op grond van artikel 9.7.1 Verordening zijn aangelanden (eigenaren en gebruikers) verplicht specie en maaisel te ontvangen, die vrijkomen bij het periodieke onderhoud ten aanzien van oppervlaktewateren. Bedacht moet worden dat de ontvangstplicht van specie niet onder alle omstandigheden onverkort kan worden gehandhaafd. Fysieke belemmeringen als bebouwing kunnen er aan in de weg staan dat specie op aan wateren gelegen percelen kan worden ontvangen. Voorts kunnen de hoeveelheid uitkomende specie en verontreiniging of besmetting van de baggerspecie aanleiding zijn om de specie af te voeren.

Daarbij geldt de normering zoals opgenomen in het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen (AMvB op basis van de Wet milieubeheer) alsmede de Regeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecie.

De uitvoering van de ontvangstplicht op basis van de Verordening waterhuishouding en de keur geschiedt derhalve met inachtneming van hogere regelingen.

In het voorgaande is reeds aangegeven dat met betrekking tot de ontvangstplicht uitzonderingen kunnen voorkomen in verband met de kwaliteit van de baggerspecie. Een en ander is nader geregeld in hoofdstuk 10, Afvalstoffen, van de Wet milieubeheer en het daarop gebaseerde Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen, alsmede de Regeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecie. Baggerspecie wordt verdeeld in 5 klassen. Van klasse 0 t/m 4 neemt de ernst van de vervuiling toe. Baggerspecie vallend in klasse 0 is als schoon aan te merken; baggerspecie uit klasse 1 en 2 wordt als licht verontreinigd aangemerkt.

Op grond van de bovengenoemde regelgeving mag specie die binnen de klasse 0, 1 en 2 valt op de kant worden gezet en op het aangrenzende perceel worden verspreid. Voor klasse 2 specie geldt een extra beperking. Verspreiding is alleen toegestaan binnen een strook van 20 meter uit de waterloop. Klasse 3 en 4 is zo verontreinigd dat deze niet op de kant mag worden gezet. Deze specie dient naar een stortplaats te worden afgevoerd.

Op grond van artikel 9.7.1 lid 2 Verordening kan het waterschap ingelanden bij keur of ontheffing verplichten meer dan de helft van de specie te ontvangen. Hierbij moet gedacht worden aan de praktijk dat ingelanden om de twee jaar alle specie ontvangen dan wel dat een oppervlaktewater op een afwijkende wijze wordt onderhouden

Artikel 8         Afrasteringen

Deze bepaling heeft tot doel te voorkomen dat oevers en taluds door aftrap van bijvoorbeeld runderen, paarden of schapen inzakken en de af- en of aanvoer van water wordt gehinderd.

Artikel 9         Verbodsbepalingen

Verandering of demping

De genoemde handelingen kunnen de afvoer of aanvoer van water hinderen dan wel het bergend vermogen van het waterhuishoudkundigsysteem nadelig beïnvloeden.

Gravingen

Ter voorkoming van aantasting van de stabiliteit van het watervoerend profiel en de berijdbaarheid van de oeverstroken voor onderhoudsmachines is het verboden om in de waterlopen te graven.

Werken en beplantingen

De betrokken bepalingen  beogen te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel wordt aangetast, de aanvoer, afvoer of berging van water wordt gehinderd, dan wel (de bereikbaarheid van watergangen ten behoeve van) het onderhoud wordt gehinderd.

Het in watergangen aanbrengen van werken is ongewenst vanwege:

  • a.

    de vermindering van de waterberging;

  • b.

    de toenemende kans op opstuwing, met name door in- en uitstromingsverliezen en wrijvingsverliezen door stremmingen, waardoor zowel vertraging van de afstroming als verhoging van de waterstand optreedt;

  • c.

    de toenemende kans van het optreden van verstoppingen;

  • d.

    een toename van het onderhoud, bijvoorbeeld door extra werkzaamheden aan buisleidingen.

Deze bepaling beoogt langs wateren onderhoudsstroken te creëren. Onderhoudsstroken zijn de gronden grenzend aan watergangen en dienend voor het uitvoeren van onderhoud aan en ter bescherming van het profiel van die watergangen. Het beschikken over een onderhoudsstrook is op zichzelf niet voldoende: die strook dient ook zoveel mogelijk  “obstakelvrij”  te zijn. Daarom is in deze bepaling een aantal met name genoemde handelingen opgenomen die binnen een bepaalde strook zijn verboden. Aangezien strikte handhaving van deze strook niet altijd mogelijk en/of noodzakelijk is, kan het waterschap ontheffing verlenen van dit verbod.

Verdedigingmaterialen

De bepaling beoogt de materialen dienende tot verdediging van oevers, taluds en waterbodems te beschermen.

Betreding

Deze bepaling maakt het mogelijk dat wateren, waarbij het met name gaat om de onderhoudspaden, worden afgesloten voor publiek. Voorwaarde daarvoor is wel dat er bordjes “Verboden Toegang”  worden geplaatst.

Vistuigen

De bepaling beoogt te voorkomen dat de aanvoer of afvoer van water en het onderhoud door de aanwezigheid van genoemde voorwerpen wordt gehinderd. Daarnaast moet deze bepaling tegengaan dat kwetsbare oevers en taluds of oeverbegroeiingen worden beschadigd. Daar waar recreatieve waarde aan waterstaatswerken kan worden toegekend kunnen deze werken indien waterstaatkundige belangen zich daar niet tegen verzetten in principe voor recreatief medegebruik worden opengesteld.

Voorwerpen, materialen en stoffen

De bepaling beoogt te voorkomen dat de aanvoer, afvoer of berging van water, dan wel het onderhoud door genoemde handelingen wordt gehinderd. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen en meststoffen kan leiden tot instabiliteit van de taluds.

Afgravingen, seismische onderzoekingen, boringen en werken met een overdruk

Deze verboden beogen de stabiliteit van het watervoerend profiel te beschermen.

Artikel 10       Reikwijdte verbodsbepalingen

Dit artikel geeft het toepassingsbereik aan van in artikel 9 gestelde verboden.

Artikel 11       Kunstwerken

Het vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken en wegmaken van enig goed dat aan een ander toebehoort, is strafbaar gesteld in artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht. Onder enig goed kunnen ook kunstwerken worden verstaan. Omdat hier sprake is van een misdrijf zullen opzet en wederrechtelijkheid bewezen moeten worden. Voor overtredingen is de bewijslast minder zwaar.

Artikel 12       Ontheffingverlening

Van de in hoofdstuk 4 van de keur gestelde verboden en geboden kan het dagelijks bestuur ontheffing verlenen. Op de ontheffingverlening zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De Algemene wet bestuursrecht regelt de aanvraag tot het verlenen van een ontheffing, de voorbereiding van een beslissing op de aanvraag, de beslistermijn en de motivering van de beslissing.

Tegen een beslissing op een aanvraag tot ontheffingverlening staat ingevolge de Algemene wet bestuursrecht, nadat men een bezwaarschrift heeft ingediend bij het bestuursorgaan,  beroep bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State open. Op de bezwaarschriftprocedure zijn de bepalingen van de hoofdstukken 6 en 7  van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.  Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij de beslissing omtrent het verlenen van een keurontheffing en het daaraan verbinden van voorschriften is de bescherming van waterstaatkundige belangen de invalshoek.

Bij de beoordeling van een aanvraag om ontheffing wordt in ieder geval rekening gehouden met de aan de oppervlaktewateren toegekende functies/planvorming. Om een aanvraag goed te kunnen beoordelen dient deze in ieder geval voorzien te zijn van deugdelijke tekeningen en kadastrale gegevens.

Artikel 13       Toezicht en handhaving

Ingevolge artikel 85 van de Waterschapswet zijn de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaren van het waterschap belast met de opsporing van de overtreding van de keur. Noch in de Waterschapwet noch in een provinciale verordening of reglement is het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de keur bepaalde geregeld. Op grond van artikel 56 eerste lid van de Waterschapswet is het waterschapsbestuur bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van de taken die het waterschap in het reglement zijn opgedragen. Aangezien het toezicht daar een belangrijk onderdeel van uitmaakt, is het toezicht hier geregeld.

Artikel 14      Strafbepaling

In artikel 81 Waterschapswet is bepaald welke maximum straf op overtreding van de keur kan worden gesteld (zie ook artikel 23 Wetboek van Strafrecht). In deze keur is deze maximum straf opgenomen. In afwijking van het vorenstaande is op het keurverbod zonder vergunning lozen of onttrekken en de verplichting tot melding van lozingen, het bepaalde in artikel 59 Wet op de waterhuishouding van toepassing.

Naast de strafoplegging door de rechter is het dagelijks bestuur bevoegd bestuursdwang toe te passen (artikel 61 Waterschapswet) of een dwangsom op te leggen ( artikel 5:32 lid 1 Algemene wet bestuursrecht). Het dagelijks bestuur kan de overtreder van hoofdstuk 4 een schikkingsvoorstel doen om strafvervolging te voorkomen (artikel 85 Waterschapswet).

Artikel 15       Regeling schadevergoeding

De Wet op de waterhuishouding kent een soortgelijke schadevergoedingsbepaling (Artikel 40 WWH) Voor wat betreft hoofdstuk 2 van deze keur (lozen/onttrekken/aanvoeren/afvoeren) vloeit het recht op schadevergoeding rechtsreeks uit deze wet voort.

Overgangsbepalingen

Artikel 16       Legger

Dit overgangsartikel is opgenomen om aan te geven welke wateren als leggerwateren worden aangeduid ingeval het bestuur voor een bepaald gebied nog geen legger heeft opgesteld.

Artikel 17       Verleende vergunningen en ontheffingen

Het eerste lid van dit artikel beoogt werken of activiteiten die met ontheffing of vergunning zijn aangebracht en ook ingevolge deze keur ontheffing- of vergunningplichtig zijn de status te geven van werken die met een ontheffing of vergunning zijn aangebracht of worden uitgevoerd op grond van deze keur.

In het tweede lid worden voorwerpen, werken of inrichtingen die vóór de inwerkingtreding van de keur zonder ontheffing legaal aanwezig zijn, aangemerkt als met ontheffing ingevolge de geldende keur aangebracht, mits de rechthebbenden kunnen aantonen dat deze reeds voor de inwerkingtreding aanwezig waren.

Slotbepalingen

Artikel 18       Inwerkingtreding

Op de bekendmaking en inwerkintreding van de waterschapskeur of onderdelen daarvan, zijn de artikelen 73 tot en met 76 van de Waterschapswet van toepassing. Ingevolge het bepaalde in artikel 74 van de Waterschapswet treden bekendgemaakte besluiten (waaronder keuren) in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in die besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen. In afwijking van artikel 74 bepaalt artikel 75 van de Waterschapswet dat  besluiten tot vaststelling of wijziging van een keur niet eerder in werking treden dan nadat de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn (6 weken) is verstreken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit tot vaststelling op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (Artikel 6:8 Algemene wet bestuursrecht).

Artikel 19       Citeertitel

De citeertitel bevat geen jaartal. Deze keur is de eerste keur voor de oppervlaktewateren van het waterschap Aa en Maas. Er bestaat derhalve geen behoefte ter onderscheiding van een andere regeling een jaartal op te nemen.

Bijlage 1       Kaartmateriaal met begrenzing beschermingsgebieden