Keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland

Geldend van 01-01-2007 t/m 21-12-2009

Intitulé

Keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland

Het algemeen bestuur van waterschap Rivierenland;

gelezen het voorstel van het college van dijkgraaf en heemraden d.d. 22 september 2006;

gelet op artikel 59 van de Waterschapswet;

BESLUIT:

vast te stellen de Keur voor waterkeringen en wateren van waterschap Rivierenland;

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 - Begripsomschrijvingen

  • 1. In deze Keur wordt verstaan onder:

    • a.

      Bestuursorgaan: het dagelijks bestuur;

    • b.

      Waterstaatswerken: waterkeringen en wateren (met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken), die als zodanig in de legger zijn aangegeven;

    • c.

      Kern-, Beschermings-, en buitenbeschermingszones (keurzones): de zones behorend tot en langs waterstaatswerken, die als zodanig in de legger zijn aangegeven;

    • d.

      Werken: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of inrichtingen met toebehoren ;

    • e.

      Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond  is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter  plaatse te functioneren;

    • f.

      Kunstwerken: waterstaatkundige bouwwerken die van belang zijn voor de functie die waterstaatswerken hebben, dan wel uit andere hoofde behoren tot of gelegen zijn in, op, over of onder een waterstaatswerk;

    • g.

      Legger: staat van waterstaatswerken waarvan de vaststelling is voorgeschreven bij of krachtens Wet of bij verordening, en waarop naast onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen, de ligging, vorm, afmetingen en constructie van de betrokken waterstaatswerken zijn aangegeven.

    • h.

      Gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;

    • i.

      Agrarische activiteiten: agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij;

    • j.

      Lozen: het in oppervlaktewateren brengen van afvalstoffen, verontreinigde of schadelijke stoffen, zoals genoemd in de artikelen 23 tot en met 25 van deze keur;

    • k.

      Insteek van het oppervlaktewater: snijpunt van de raaklijnen van het talud en het horizontale maaiveld. 

  • 2. Voor waterstaatswerken, waarvoor bij of krachtens wet, bij provinciale verordening of bij waterschaps-reglement het vaststellen van een legger niet is voorgeschreven of voor waterstaatswerken waarvoor het vaststellen van een legger wel is voorgeschreven maar nog niet heeft plaatsgevonden, wordt als legger aangemerkt de bij deze Keur behorende kaarten en de eventueel daarbij behorende toelichting, waarop de onderhoudsplichtige is genoemd en waarop de ligging en zoveel mogelijk de vorm, de afmeting en de constructie van de waterstaatswerken zijn aangegeven.

Artikel 2 - Hoofdelijke aansprakelijkheid

  • 1. Wanneer percelen met een beperkt recht zijn bezwaard, dan wel krachtens persoonlijk recht in gebruik zijn gegeven, rusten de in deze Keur aan de eigenaar opgelegde verplichtingen op de beperkt gerechtigden en in geval er sprake is van een persoonlijk gebruiksrecht op de gebruikers.

  • 2. Voor de nakoming van de in deze Keur aan de eigenaar opgelegde verplichtingen is ieder van de in het eerste lid genoemde gerechtigden alsmede de eigenaar hoofdelijk aansprakelijk.

Hoofdstuk II Gedoogbepalingen

Artikel 3 – Gedoogbepalingen onderhoud en uitvoering van werkzaamheden

  • 1. De eigenaren van waterstaatswerken of van nabij waterstaatswerken gelegen percelen zijn verplicht, voor zover zulks nodig is ten behoeve van werkzaamheden door of vanwege het waterschap ter behartiging van de opgedragen waterstaatszorg:                        

    • a.

      degenen, die met het onderhoud van waterstaatswerken en het toezicht daarop zijn belast op hun percelen toe te laten;

    • b.

      materieel waaronder machines op hun percelen toe te laten;

    • c.

      alle tijdelijke werken en verrichtingen in en op hun percelen toe te laten.

  • 2. Van de uit te voeren werken en verrichtingen worden, gewoon onderhoud en spoedeisende gevallen uitgezonderd, de eigenaren van de gronden, en de in artikel twee, eerste lid, genoemde gerechtigden tot de desbetreffende gronden ten minste twee maal vierentwintig uren tevoren schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 4 – Gedoogbepaling waterberging

De eigenaren, van gronden, die als waterbergingsgebied zijn opgenomen op de legger zijn gehouden tijdelijke berging van water op die gronden te gedogen, wanneer naar het oordeel van het bestuursorgaan  de belangen van die eigenaren onteigening niet vorderen.

Hoofdstuk III Gebodsbepalingen

Artikel 5 – Afrasteringen

  • 1. De eigenaren, van percelen die gebruikt worden voor het houden van dieren en die gelegen zijn nabij  waterstaatswerken, zijn verplicht langs hun percelen een voldoende kerende afrastering aan te brengen en te onderhouden.

  • 2. Het bestuursorgaan besluit omtrent de aanwijzing van waterstaatswerken als bedoeld in het eerste lid en stelt algemene regels omtrent afrasteringconstructies en wijzen van plaatsing.

Artikel 6 – Coupures en buisleidingen

De eigenaren van in waterkeringen voorkomende coupures en buisleidingen dragen zorg dat deze op eerste aanzegging door of namens het bestuursorgaan terstond worden gesloten.

Artikel 7 – Stuwen

  • 1. De eigenaren van aangewezen stuwen dragen zorg dat deze op eerste aanzegging door of namens het bestuursorgaan op een peil worden gesteld als in de aanzegging is aangegeven.

  • 2. Het bestuursorgaan besluit omtrent de aanwijzing.

  • III.1 Onderhoud aan waterstaatswerken

Artikel 8 – Onderhoudsplicht

Onderhoudsplichtig zijn diegenen, die in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, Waterschapswet tot het plegen van gewoon en of buitengewoon onderhoud aan waterstaatswerken zijn aangewezen.

III.2 Onderhoud aan waterstaatswerken bestaande uit waterkeringen

Artikel 9 – Gewoon onderhoud

De onderhoudsplichtigen dragen zorg voor de goede staat van de waterkeringen door  het herstellen van beschadigingen, het verwijderen van drijfvuil en het in stand houden van de grasmat van de waterkering en overige bekleding, functioneel voor de waterkering. Begroeiingen die schadelijk zijn voor de instandhouding van de waterkering, dienen door de onderhoudsplichtigen te worden verwijderd.

Artikel 10 – Buitengewoon onderhoud

De onderhoudsplichtigen van waterkeringen zijn verplicht tot instandhouding overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm, afmeting en constructie.

Artikel 11 – Werken

De onderhoudsplichtigen van werken die in, op, aan of boven de kernzone van waterkeringen of de (buiten)beschermingszone zijn aangebracht en een (mede)waterkerende functie hebben zijn verplicht deze waterkerend te houden.

III.3 Onderhoud aan waterstaatswerken bestaande uit wateren

Artikel 12 – Gewoon onderhoud

De onderhoudsplichtigen dragen zorg voor een goede staat van de wateren door het schonen en maaien van de wateren, door het verwijderen van begroeiingen en materialen uit de wateren en het instandhouden van de oevers en taluds met de daartoe behorende kunstwerken.

Artikel 13 – Buitengewoon onderhoud

De onderhoudsplichtigen van wateren zijn verplicht tot instandhouding overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm, afmeting en constructie.

Artikel 14 – Specieberging/berging van maaisel

  • 1. Op percelen gelegen aan waterstaatswerken, waarvan het onderhoud geschiedt door of  onder toezicht van het waterschap moeten de specie en het maaisel worden ontvangen, die tot behoorlijk onderhoud en ten behoeve van de af- en/of aanvoer van water uit die wateren worden verwijderd.

  • 2. De eigenaren van gronden gelegen aan wateren zijn verplicht de specie en/of het maaisel, welke in het kader van behoorlijk onderhoud door henzelf of onder toezicht van het waterschap uit die wateren is verwijderd, van de beschermingszones te verwijderen op aanwijzing van het bestuursorgaan en binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn.

Artikel 14a – Onderhoud bermsloten

  • 1. Bij het onderhoud aan de bij de legger aangewezen bermsloten worden alle specie, maaisel en andere vaste stoffen op de tegenover de weg liggende gronden gedeponeerd.

  • 2. Indien er zich omstandigheden voordoen waarbij het, gezien het feitelijke gebruik van de tegenover de weg liggende gronden, in redelijkheid niet mogelijk is om de specie, het maaisel en  andere vaste stoffen op de in het vorige lid bedoelde wijze te deponeren, dan worden alle specie, maaisel en andere vaste stoffen gebracht op de wegberm. In dat geval zijn de eigenaren van de tegenover de weg liggende gronden verplicht alle specie, maaisel en andere vaste stoffen binnen 30 dagen van de bermen te verwijderen.

  • 3. De leden 1 en 2 zijn alleen van toepassing op buiten de bebouwde kom gelegen bermsloten andere dan rijks- en provinciale wegen en voor zover niet bij ontheffing anders is bepaald.

Hoofdstuk IV Verbodsbepalingen

IV.1   Algemeen

Artikel 15 – Waterstaatswerken

Het is, tenzij anders door het bestuursorgaan is bepaald, verboden:

  • a.

    in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van  waterstaatswerken werkzaamheden te verrichten;

  • b.

    in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken werken of (opgaande hout-) beplantingen aan te brengen, of  te hebben ;

  • c.

    in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken stoffen, voorwerpen of dieren te brengen of te hebben op andere dan daarvoor bestemde plaatsen;

  • d.

    in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken activiteiten te houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen;

  • e.

    in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken zich anders dan als rechthebbende te bevinden indien dat vanwege het bestuursorgaan op kenbare wijze is aangegeven;

  • f.

    in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van  waterkeringen met rij- of voertuigen dan wel lastdier te rijden of vee te drijven buiten de op een waterkering gelegen verharde weg;

  • g.

    in de kernzone van een waterkering bemesting toe te passen;

  • h.

    in de kernzone van een waterkering dijkbekledingen te beschadigen.

Artikel 15a – Nieuwe Waterstaatswerken

Het is verboden waterkeringen en wateren (met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken) te graven of aan te leggen met als oogmerk deze te verbinden met bestaande waterstaatswerken.

Artikel 15b – Afmeren of ligplaats nemen / hebben

Het is verboden binnen de kernzone van waterstaatswerken, anders dan op daartoe kennelijk ingerichte plaatsen, vaartuigen of vlotten af te meren, te laden of te lossen, of daarmee ligplaats te nemen of te hebben, tenzij in verband met door het bestuursorgaan toegestane recreatieve activiteiten.

Artikel 16 – Buitenbeschermingszones behorend bij een waterkering

Het is verboden in de buitenbeschermingszones van een waterkering:

  • a.

    afgravingen en seismische onderzoeken te verrichten;

  • b.

    werken met een overdruk van 10 bar of meer te brengen en te hebben;

  • c.

    explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben.

IV.2   Water afvoeren naar, aanvoeren uit, lozen in en onttrekken aan oppervlaktewateren

Artikel 17 – Meldplicht  lozen van water

  • 1. Degene, die water loost in wateren die op de legger staan vermeld als zijnde A-wateren, meldt de wijze van lozing aan het bestuursorgaan indien de hoeveelheid te lozen water meer dan 60 m3/uur bedraagt.

  • 2. Degene, die water loost in wateren die op de legger staan vermeld als zijnde B-wateren,meldt de wijze van lozing aan het bestuursorgaan indien de hoeveelheid te lozen water meer dan 10 m3/uur bedraagt.

Artikel 18 – Vergunningplicht aan– en afvoeren

Het is verboden zonder vergunning van het bestuursorgaan water af te voeren naar of aan te voeren uit wateren.

Artikel 19 – Vergunningplicht lozen

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bestuursorgaan water te lozen in wateren die op de legger staan vermeld als zijnde C-wateren.

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van het bestuursorgaan water te lozen indien de hoeveelheid te lozen water meer dan 100 m3/uur bedraagt én voorzover het ontvangende water in de legger is aangeduid als A-water;

  • 3. Het is verboden zonder vergunning van het bestuursorgaan water te lozen indien de hoeveelheid te lozen water meer dan 30 m3/uur bedraagt én voorzover het ontvangende water in de legger is aangeduid als B-water;

Artikel 19a –  Vergunningplicht lozen vanaf nieuw verhard oppervlak

Het is verboden, zonder ontheffing, hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak op een water te lozen.

Artikel 20 – Vergunningplicht drainage

Het is zonder vergunning verboden om, in gebieden zoals aangegeven op de bij deze keur behorende kaart, door middel van drainagebuizen gronden te ontwateren.

Het verbod geldt niet voor kwantiteitsbeheerders voor zover zij zelf het beheer voeren over de gebieden waarop de ontwatering betrekking heeft.

Artikel 21 – Meldplicht en vergunningplicht onttrekken

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bestuursorgaan water te onttrekken aan wateren.

  • 2. Er is geen vergunning nodig, maar wel een melding , indien:

    • a.

      de hoeveelheid te onttrekken water 30 m3/uur of minder bedraagt én voorzover het water waaruit wordt onttrokken in de legger is aangeduid als A-water;

    • b.

      de hoeveelheid te onttrekken water 10 m3/uur of minder bedraagt én voorzover het water waaruit wordt onttrokken in de legger is aangeduid als B-water;

  • 3. De melding ingevolge de voorgaande leden gaat vergezeld van:

    • a.

      een situatieschets;

    • b.

      een opgave van de aard en herkomst van het water;

    • c.

      het maximum debiet in m3/uur; 

    • d.

      het gemiddelde debiet in m3/uur;

    • e.

      de aanvang en duur.

Artikel 22 – Meet– en registratieplicht    

  • 1. Het bestuursorgaan kan aan de meldplichtige ingevolge artikel 17 en artikel 21 de verplichting opleggen de waterhoeveelheden te meten, daarvan aantekening te houden en van de gegevens opgave te doen.

  • 2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden opgelegd voor die gevallen waarin inzicht in de verplaatste, geloosde of onttrokken waterhoeveelheden noodzakelijk is voor het te voeren beheer.

IV.3 Bijzondere (verbods)bepalingen ter uitvoering van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren

Artikel 23 - Lozen en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen   

  • 1. Lozen is verboden.

  • 2. in afwijking van het eerste lid is lozen, met uitzondering van agrarische activiteiten, toegestaan, indien het betreft: het op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen door pleksgewijze, driftvrije toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het talud.

Artikel 24 - Lozen van (hemel)water afkomstig van opslag -en stallingsplaatsen

  • 1. Lozen is verboden.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is lozen, met uitzondering van agrarische activiteiten toegestaan, indien het betreft:  het lozen van hemelwater en water dat bij het reinigen van verhard oppervlak vrijkomt, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in het derde en het vierde lid.

  • 3. Materialen, apparaten, voedingsstoffen, afvalstoffen en grondstoffen waarmee het hemelwater verontreinigd kan raken worden zodanig op verhard oppervlak opgeslagen of gestald, dat te lozen hemelwater en water waarmee het verhard oppervlak wordt gereinigd daarmee niet in contact kan komen.   

  • 4. Materialen, apparaten, voedingsstoffen, afvalstoffen en grondstoffen worden op onverhard oppervlak langs oppervlaktewater:

    • a.

      op een afstand van tenminste 5 meter tot de insteek van het oppervlaktewater opgeslagen of gestald of;

    • b.

      zodanig opgeslagen of gestald dat hemelwater niet in contact kan komen met die materialen, apparaten, voedingsstoffen, afvalstoffen en grondstoffen.

IV.4 Bijzondere bepalingen betreffende verbodsbepalingen

Artikel 25 - Verbod tot verbranden van afvalstoffen

  • 1. Het verbranden van afvalstoffen langs oppervlaktewater is verboden.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid is het verbranden van afvalstoffen toegestaan, indien het  voldoet aan de voorschriften, genoemd in het derde en vierde lid.

  • 3. Het verbranden van afvalstoffen op verhard oppervlak geschiedt zodanig dat niet geloosd wordt. 

  • 4. Het verbranden van afvalstoffen op onverhard oppervlak geschiedt:

    • a.

      op een afstand van tenminste 5 meter tot de insteek van het oppervlaktewater of;  

    • b.

      zodanig dat niet geloosd wordt.

Artikel 26 – Vrijstelling verboden – algemene regels

  • 1. De in artikel 15 genoemde verboden zijn niet van toepassing op handelingen, werken, werkzaamheden en gedragingen ten behoeve van het herstel van, onderhoud of buitengewoon onderhoud aan waterstaatswerken.

  • 2. Het bestuursorgaan bepaalt bij algemene regeling voor welke handelingen, werken, werkzaamheden en gedragingen daarbij te stellen algemene regels gelden en de verboden in artikel 15 geen toepassing vinden.

  • 3. Bij de algemene regeling bedoeld in het tweede lid, kan de verplichting worden opgelegd handelingen, werken, werkzaamheden en gedragingen te melden.            

Artikel 27 – Vrijstelling verbod onttrekken

  • 1. Het in artikel 21 genoemde verbod vindt geen toepassing indien sprake is van:

    • a.

      incidentele nachtvorstberegening mits sprake is van een peilverlaging van ten hoogste 5 centimeter per onttrekker  of

    • b.

      incidentele seizoensonttrekkingen mits sprake is van een peilverlaging van ten hoogste 5 centimeter per onttrekker.

  • 2. Degene die een onttrekking doet zoals vermeld in het eerste lid, dient deze te melden.         

Artikel 28 – Algeheel verbod aan- en afvoer, onttrekken en lozen van water

Het is verboden water aan- en af te voeren, te onttrekken of te lozen indien het bestuursorgaan zodanig verbod algemeen heeft bekendgemaakt op grond van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of in ongerede raken van een waterstaatswerk dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan.

Artikel 29 – Verbod aan- en afvoer, onttrekken en lozen wateren hoogst ecologische niveau

Het is verboden water aan– en af te voeren, te onttrekken aan of te lozen op wateren van het hoogste ecologische niveau, die als zodanig op de legger zijn vermeld.

IV.5 Ontheffing van gebods- en verbodsbepalingen

Artikel 30 – Mogelijkheid tot ontheffingverlening

  • 1. Het bestuursorgaan kan van de in deze keur gestelde gebods– en verbodsbepalingen in artikel 5 tot en met 16 vrijstelling dan wel ontheffing verlenen.

  • 2. Een verleende ontheffing kan door het bestuursorgaan worden gewijzigd en geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken.

Artikel 31 – Beperkingen en voorschriften bij ontheffing van artikel 15, 15a, 15b en 16

  • 1. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 2. Een ontheffing kan worden verleend onder de beperking dat daarvan binnen een daarbij te stellen termijn gebruik moet zijn gemaakt ter voorkoming dat de ontheffing van rechtswege vervalt.

  • 3. Aan een ontheffing kan het voorschrift worden verbonden dat de houder van de ontheffing financiële zekerheid stelt voor de kosten van verwijdering van het op grond van de ontheffing aangebrachte werk na beëindiging van het gebruik daarvan.

  • 4. Aan een ontheffing kan het voorschrift worden verbonden dat de houder van de ontheffing een betaling of anderszins compensatie verricht met het oog op de bescherming van de belangen, waarom het vereiste van een ontheffing is gesteld.

  • 5. Een ontheffing geldt, tenzij in de ontheffing anders is bepaald, voor de rechtsopvolgers van de houder van de ontheffing.

Hoofdstuk V Toezicht op de naleving

Artikel 32 – Schouw

  • 1. Door of namens het bestuursorgaan wordt schouw gevoerd over de waterstaatswerken volgens een door het bestuur vastgesteld schema.

  • 2. Het bestuursorgaan kan indien het zulks nodig acht besluiten een extra schouw te voeren.

  • 3. Het bestuursorgaan stelt de datum van de schouw vast en maakt die ten minste twee weken tevoren bekend door kennisgeving ervan in een dag–, nieuws– of huis–aan–huisblad, dan wel op andere geschikte wijze.

  • 4. De in het derde lid voorgeschreven bekendmaking kan in spoedeisende gevallen voor de aanvang van een extra schouw worden vervangen door een persoonlijke mededeling. Daarbij kan met een kortere termijn dan genoemd in het derde lid worden volstaan.

Artikel 33 – Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in of krachtens deze keur zijn belast de daartoe door het bestuursorgaan aangewezen ambtenaren en schouwmeesters.

Artikel 34 – Strafbepalingen

  • 1. Overtreding van de bepalingen van deze keur wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als genoemd in artikel 23 Wetboek van strafrecht, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 2. Indien ten tijde van het plegen van de in het eerste lid genoemde overtreding nog geen jaar is verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de overtreder wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis tot het dubbele van het gestelde maximum worden opgelegd.

Hoofdstuk VI Overige bepalingen

Artikel 35 – Schadevergoeding

De belanghebbende die schade lijdt of zal lijden, als gevolg van de toepassing van bepalingen van deze keur, welke schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van belanghebbende behoort te blijven, wordt een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding verstrekt, indien de vergoeding niet anderszins is verzekerd. Hierbij wordt de procedure gevolgd zoals vastgelegd in de nadeelcompensatieregelingen van het waterschap.

Hoofdstuk VII Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 36 – Vergunningen en ontheffingen

  • 1. Een vergunning of ontheffing, verleend vóór inwerkingtreding van deze keur, waarbij een ingevolge deze keur vergunning– of ontheffingplichtig werk of handelen door het bevoegd gezag is toegestaan, wordt geacht ingevolge deze keur te zijn verleend.

  • 2. Voor al hetgeen ten tijde van inwerkingtreding van deze keur rechtmatig tot stand is gebracht, wordt geacht ontheffing of vergunning ingevolge deze keur te zijn verleend.

Artikel 37 – Leggers en/of kaarten

Voor waterstaatswerken, waarvoor bij of krachtens wet, of bij verordening het vaststellen van een legger niet is voorgeschreven, en voor waterstaatswerken, waarvoor het vaststellen van een legger wel is voorgeschreven maar waar vaststelling nog niet heeft plaatsgehad, wordt als legger aangemerkt de bij deze keur behorende kaart, waarop de ligging en indien mogelijk vorm, afmetingen en constructie van de betrokken waterstaatswerken zijn aangegeven.

Artikel 37a – Zones

  • 1. Voor waterkeringen waarvoor een legger werd vastgesteld waarin géén keurzones werden aangewezen en voor waterkeringen waarvoor geen legger is vastgesteld en voor de waterkeringen vermeld op de kaart als bedoeld in artikel 37, gelden de volgende zones:

    • a.

      kernzone: de waterkering zelf (inclusief een aanwezige steun-/pipingberm) met aan weerszijden een strook van 4 m, gerekend vanuit de teen van de waterkering;

    • b.

      beschermingszone: een strook van 20 m aan weerszijden van de kernzone;

    • c.

      buitenbeschermingszone: - buitendijks: de strook gelegen tussen de beschermingszone en het zomerbed van de rivier; - binnendijks: een strook van 100 m gerekend vanaf de beschermingszone.

  • 2. Voor wateren waarvoor een legger werd vastgesteld waarin géén keurzones werden aangewezen en voor de wateren waarvoor geen legger is vastgesteld, gelden de op de kaart als bedoeld in artikel 37 vermelde zones.         

Artikel 38 – Onderhoud aan waterstaatswerken

Voor waterstaatswerken, waarvoor bij of krachtens wet, bij provinciale verordening of bij waterschapsreglement het vaststellen van een legger niet is voorgeschreven, alsmede voor waterstaatswerken, waarvoor vaststelling van een legger wel is voorgeschreven maar waar vaststelling nog niet heeft plaatsgehad en waarvoor de in artikel 37 genoemde kaarten nog geen deel uitmaken van deze keur, geldt dat het gewoon en buitengewoon onderhoud wordt uitgevoerd door degene die vóór inwerkingtreding van deze keur het onderhoud verrichtte.

Artikel 39 – Buitengewoon onderhoud aan waterstaatswerken

  • 1. De onderhoudsplichtigen van waterstaatswerken zijn, in geval van ontbreken van een legger, verplicht tot instandhouding overeenkomstig het bepaalde omtrent richting, vorm, afmeting en constructie op de kaart ingevolge artikel 37.

  • 2. Bij gebreke van een legger en kaart zijn de onderhoudsplichtigen verplicht tot instandhouding overeenkomstig de oorspronkelijke richting, vorm, afmeting en constructie.

Hoofdstuk VIII Inwerkingtreding

Artikel 40

Deze keur treedt in werking op 1 januari 2007.

Met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze keur vervalt de keur voor waterkeringen en wateren van waterschap Rivierenland, zoals vastgesteld door het algemeen bestuur van het waterschap Rivierenland bij besluit van 3 januari 2005.

Toelichting op de Keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland

Algemene toelichting

Wetgeving en beleid

Deze keur is gebaseerd op de Waterschapswet, de Wet op de waterhuishouding en de Waterstaatswet 1900. De keur ziet derhalve op de uitoefening van de natte waterstaatszorg door waterschappen. In het kader van deze wetten gaan regering en parlement ervan uit dat het waterschap het geroepen instituut vormt voor het stellen van gebods- en verbodsregels met betrekking tot de bij het waterschap in beheer zijnde waterstaatswerken. In deze keur wordt ervan uitgegaan dat in provinciale verordeningen geen gebods- en verbodsbepalingen voorkomen betreffende de waterstaatswerken in beheer bij het waterschap die aan bepalingen van de keur derogeren. Bij het opstellen van de keur is met name rekening gehouden met de wijziging van de Wet op de waterhuishouding (Wet van 23 februari 2004, houdende wijziging van enige bepalingen van de Wet op de waterhuishouding ten behoeve van de introductie van algemene regels in het waterkwantiteitsbeheer en enkele andere onderwerpen, Staatsblad 2004, 191) en met Kabinetsvisie ‘Andere overheid’ van 1 december 2003 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 362,nr.1). Aan deze stukken ligt het streven ten grondslag naar minder regels, minder lasten voor burgers en bedrijven, een vereenvoudiging van regelgeving en het werken met meer algemene regels, waarbij vergunningverlening indien mogelijk vermeden wordt.

Nieuwe keur

De voorliggende keur is gebaseerd op de model-keur van 24 juni 2005, zoals opgesteld door de Unie van Waterschappen en komt in de plaats van de model-keur van maart 1991. Laatsgenoemd model is als gevolg van de wijziging van de Wet op de waterhuishouding en de kabinetsvisie ‘Andere overheid’ minder actueel.

De inhoud en opbouw van deze keur zijn nagenoeg gelijk aan het model van 1991. De keur stelt regels in belang van de waterkeringszorg en het waterkwantiteitsbeheer. De wegenzorg is evenals in het Unie-model van 1991 buiten beschouwing gelaten. De waterkwaliteitszorg is in het model geen onderwerp van regeling waar het betreft de regulering van lozingen van schadelijke of verontreinigende stoffen op oppervlaktewater (bescherming van de fysisch/chemische waterkwaliteit). De Wet verontreiniging oppervlaktewateren regelt dit uitputtend en laat derhalve geen ruimte voor aanvullende regeling op decentraal niveau. Wel  zijn in de keur  bijzondere (verbods)bepalingen opgenomen ter uitvoering van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en bepalingen ten behoeve van het kwantiteitsbeheer en beheer van waterstaatwerken die dienen ter bescherming van de ecologische waterkwaliteit.

De opbouw van de voorliggende keur l volgt het model. Eerst komen de algemene bepalingen aan de orde, daarna de gedoogbepalingen, de gebodsbepalingen en verbodsbepalingen, vervolgens de bepalingen omtrent toezicht, overige bepalingen en het overgangsrecht. Het feit dat de wetgever voornemens is de vigerende waterbeheerswetten te integreren in één Waterwet heeft ertoe geleid niet in de richting van aparte keuren te koersenvoor wat betreft bescherming en onderhoud van wateren, bescherming en onderhoud van waterkeringen of ter uitvoering van de Wet op de waterhuishouding.

Bij het opstellen van de keur zijn definitiebepalingen waarin waterstaatswerken en de begrenzingen daarvan worden omschreven zoveel mogelijk vermeden door te werken met leggers en kaarten, waarop de waterstaatswerken qua ligging, vorm, afmeting en constructie zijn aangegeven. Verder zijn de verbodsbepalingen in de voorliggende keur veel abstracter geformuleerd dan voorheen het geval was. Aan het bestuursorgaan (het dagelijks bestuur) wordt in deze keur meer dan in de vorige keur op grond van artikel 83, vierde lid, Waterschapswet de bevoegdheid gegeven nadere regels te stellen (artikel 26, tweede lid van de keur). In de keur wordt ook de mogelijkheid geboden tot het stellen van absolute verboden in die zin dat waar een absoluut verbod geldt er geen mogelijkheid is een vergunning te verlenen (artikel 28 en artikel 29 van de keur). Nieuw is verder dat door opneming van een daartoe strekkende bepaling in de keur buiten twijfel wordt gesteld dat de houder van een ontheffing de verplichting kan worden opgelegd financiële zekerheid te stellen voor de bekostiging van de verwijdering van het op grond van de ontheffing aangebrachte werk na de beëindiging van het gebruik daarvan (artikel 31 lid 3 van de keur). Voorts is de mogelijkheid opgenomen een voorschrift aan de ontheffing te verbinden op grond waarvan de houder van een ontheffing een betaling of anderszins compensatie verricht met het oog op de bescherming van het belang of de belangen waarom het vereiste van  ontheffing is gesteld (artikel  31 lid 4 van de keur).

Beleid en beleidsregels voor toepassing van de keur

De bepalingen in de keur dienen te worden toegepast met inachtneming van het voor het betrokken waterstaatkundig zorggebied geldende beleid. Het in het beheersplan van het waterschap verwoorde beleid zal richtinggevend moeten zijn bij de uitvoering van de keur door het waterschap. In concreto betekent dit dat als een beek ingevolge het beheersplan een ecologische functie heeft een ontheffingsaanvraag, die bij inwilliging daarvan tot gevolg heeft dat die functie verdwijnt dan wel wordt ondermijnd, geweigerd kan worden omdat de waterstaatkundige functie van de beek zich verzet tegen de inwilliging van de aanvraag.

Voor de toepassing van de keur heeft het  dagelijks bestuur beleidsregels vastgesteld voor de ontheffing- en vergunningverlening die richting gevend zijn voor op grond van de keur te nemen besluiten en waarnaar ter motivering van de besluiten kan worden verwezen en waarvan slechts gemotiveerd kan worden afgeweken (Titel 4.3 Awb).

Ontheffing eigen-dienst

In die gevallen waarin het waterschap optreedt als ieder ander particulier persoon heeft het voor de uitvoering van verboden handelingen een ontheffing nodig net zoals ieder ander privaat persoon.

De in artikel 15 van de keur genoemde verboden zijn niet van toepassing op handelingen, werken, werkzaamheden en gedragingen ten behoeve van het herstel van, onderhoud- of buitengewoon onderhoud aan waterstaatswerken die door het waterschap als beheerder worden verricht. De in de keur gestelde bepalingen over het onttrekken en lozen van water ter uitvoering van de Wet op de waterhuishouding zien evenmin op normale beheersactiviteiten van de beheerder. Een beheerder voert water aan of af.

Indien het waterschap als beheerder echter nieuwe werken uitvoert, of wijzingen aanbrengt in bestaande waterstaatswerken geldt in principe dat het zich zelf daarvoor een ontheffing ingevolge de keur moet verlenen.

In die gevallen waarin een besluit tot aanleg of verbetering van waterstaatwerken wordt genomen dat ingevolge artikel 148 en 153 Waterschapswet aan de goedkeuring van gedeputeerde staten is onderworpen, dan wel waartegen administratief beroep bij dat college openstaat, zou kunnen worden betoogd dat een ontheffing  niet nodig is. Immers, vanwege de goedkeuring dan wel het administratief beroep en het beroep en hoger beroep dat tegen besluiten van gedeputeerde staten in deze mogelijk is, beschikken belanghebbenden reeds over rechtsmiddelen om zich tegen de aanleg of verbetering van waterstaatswerken te keren. Op genoemde besluiten is bovendien ingevolge artikel 79 Waterschapwet de inspraakverordening van het waterschap van toepassing. Het besluit tot aanleg of verbetering moet dan wel zodanig concreet zijn dat voor belanghebbenden duidelijk is wat voor hem de gevolgen zijn. In die situatie waarin geen wijziging van bestaande leggerprofielen plaats vindt, behoeft geen ontheffing eigen dienst te worden verleend. Voor nieuwe door het waterschap uit te voeren werken behoeft geen ontheffing eigen dienst te worden verleend indien reeds een leggerwijziging heeft plaats gevonden. Zo niet dan ligt verlening van een ontheffing eigen dienst in de rede.

Keur en legger

Voor het merendeel van de bij waterschappen in beheer zijnde waterstaatswerken geldt dat de begrenzingen van deze werken ingevolge wettelijke regeling dienen te worden vastgelegd in leggers.  Het aangeven van de begrenzingen van waterkeringen en wateren, waarop de gebods- en verbodsbepalingen van de keur van toepassing zijn, heeft niet plaats door de fysieke begrenzingen van deze waterstaatswerken in de keur zelf te omschrijven maar door verwijzing naar de legger, waarin die begrenzingen zijn vastgelegd. Hierdoor zijn de begrenzingen van de waterstaatswerken niet direct uit de keur af te lezen.

Deze constructie heeft als voordeel dat door het ontbreken van een omschrijving van de fysieke begrenzingen in de keur, van één type waterstaatswerk kan worden uitgegaan (immers er hoeft niet per type waterkering en water een omschrijving van de fysieke begrenzingen te worden gegeven), waardoor in de keur niet voor elk type een onderscheiden gebods- en verbodsregime behoeft te worden opgenomen.

Voor degenen tot wie de keurbepalingen zich richten, is het onderscheid naar typen waterstaatswerken (de onderscheiden typen waterkeringen en wateren) vaak moeilijk te maken, zodat niet duidelijk is welk gebods- en verbodsregime op een bepaalde waterkering of een bepaald water van toepassing is.

In het onderhavige systeem is uit de legger – naast de vermelding van de onderhoudsplichtigen – op te maken tot hoever waterstaatswerken en beschermingszones zich uitstrekken; ofwel waar het gebods- en verbodsregime van de keur van toepassing is. De legger is in deze te beschouwen als een onderdeel van de keur. Wijziging van de legger betekent dan ook een wijziging in de inrichting en de toepassing van de keur. Voor belanghebbenden dient dit te worden duidelijk gemaakt, bijvoorbeeld door het geven van voorlichting. De keur wordt  voor het publiek op internet toegankelijk gemaakt.

Voor de vaststelling of wijziging van de keur is in de artikelen 79 en 80 Waterschapswet een aantal specifieke procedurevoorschriften gesteld die op de vaststelling van de legger op overeenkomstige wijze dienen te worden toegepast zodat de voorbedoelde toepassing van de legger ook uit oogpunt van rechtsbescherming te legitimeren is. Voor de beheerder heeft het onderhavige systeem het voordeel dat hij op duidelijke wijze voor zijn beheersobjecten gegradeerde beschermingsregimes van verschillende zwaarte in de legger kan vaststellen.

Onderkend wordt dat  het waterschap niet altijd beschikt  over actuele leggers van waterstaatswerken terwijl ook niet voor alle waterstaatswerken in beheer bij het waterschap het vaststellen van een legger is voorgeschreven. Anderzijds is het zo dat de Wet op de waterkering tot het opstellen van leggers voor ‘primaire waterkeringen’ verplicht. Voor waterstaatswerken, waarvoor het vaststellen van een legger niet is voorgeschreven of waarvoor nog geen legger is vastgesteld, voorziet de keur in het overgangsrecht zoals beschreven in de artikelen 37 en 37a.  Overigens maakt het waterschap in de praktijk gebruik van de zogenaamde beheersregisters. Hierop wordt de feitelijke situatie binnen het beheersgebied weergegeven die uiteindelijk kunnen leiden tot een leggerwijziging. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat een dergelijk beheersregister niet de juridische status van een legger heeft. 

Conserverende werking keur

Van de keur kan een zekere conserverende werking uitgaan indien daarin het toekomstig tracé van een waterstaatwerk wordt beschermd. De Kroon oordeelde bij KB van 28 mei 1975, no. 45 (zoetwaterleiding Delfland) dat de in de Wet op de ruimtelijke ordening aan de gemeenteraad gegeven bevoegdheid onverlet laat de aan een waterschap gegeven bevoegdheid om in het belang van de waterstaatszorg voorzieningen te treffen. De Kroon nam daarbij in aanmerking dat de duur van de conserverende werking (in casu tien jaar) een beperkte was.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1

I Algemene bepalingen

Artikel 1

Waterstaatswerk

Die objecten (waterkeringen en wateren), die in de legger als waterstaatswerk zijn aangeduid vormen de te beschermen en te onderhouden waterstaatswerken. De objecten zijn primaire, regionale en overige waterkeringen (bandijken en slaperdijken, zomerkaden, boezemkaden, voorliggende waterkeringen, waterwerken en andere op de legger aangegeven kaden),  primaire, secundaire en tertiaire watergangen, waterpartijen en waterbergingsgebieden etc. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat ook de beschermingszones tot het waterstaatswerk worden gerekend. Bij waterstaatswerken behorende tot de categorie waterkeringen kunnen als zodanig (als waterstaatswerk) worden aangewezen de  kernzone met inbegrip van de daarin of daaraan aangebrachte werken, die een waterkerende functie of medewaterkerende functie hebben en met inbegrip van de daarbij behorende beschermingszones. Bij waterstaatswerken bestaande uit wateren kan daarbij gedacht worden aan de kernzone met inbegrip van de werken en gronden die een functie hebben voor af- aanvoer en/of berging van water en/of onderhoud met het oog op af- aanvoer en/of berging van water. In principe kan ieder object met een waterstaatkundige functie voor plaatsing in de legger als waterstaatswerk in aanmerking komen. Door de omvang te beperken tot dat deel dat bescherming behoeft, wordt bewerkstelligd dat een keur op maat wordt bereikt.

De in de legger aangegeven omvang van het waterstaatswerk en buitenbeschermingszones bepalen de werking van de verbodsbepalingen van artikel 15, 15a, 15b en 16.

Werken

Onder het begrip werken wordt verstaan alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of inrichtingen met toebehoren, zoals dammen, duikers, antiworteldoek, voorzieningen ten behoeve van onderbemaling etc.

Bouwwerk

De Woningwet geeft geen definitie van het begrip bouwwerk. Voor wat betreft het begrip bouwwerk

wordt in jurisprudentie echter aangesloten bij de definitie die de Modelbouwverordening geeft. Het ligt voor de hand om in de keur dezelfde definitie te hanteren. Er zijn twee soorten bouwwerken, te weten gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde.Voorbeelden van gebouwen zijn woningen, schuren, kantoren, carports en constructies met meer dan twee wanden. Voorbeelden van bouwwerken niet zijnde gebouwen zijn een vlaggenmast, terreinafscheidingen, een standbeeld of een afdak met slechts één muur.

Buiten-beschermingszones

Deze zones  liggen naast de waterstaatswerken, die in de legger zijn vermeld. In deze zones gelden minder verbodsbepalingen.

Legger

Als legger wordt in deze keur aangemerkt, elke staat van werken, waarvan de vaststelling is voorgeschreven bij of krachtens de wet, bij waterschapsreglement of provinciale verordening. De keur bepaalt niet aan welke vormvereisten een legger moet voldoen omdat deze vereisten over het algemeen in de regeling, waarin de vaststelling wordt voorgeschreven zijn vervat. De Wet op de waterkering verplicht de beheerders van ‘primaire waterkeringen’ tot het vaststellen van een legger, waarin is omschreven waaraan de waterkering moet voldoen naar richting, vorm, afmeting en constructie.

Artikel 2 Hoofdelijke aansprakelijkheid

Ingevolge het bepaalde in het eerste lid van dit artikel zijn de gebruikers verplicht de ingevolge de keur op de eigenaar rustende verplichtingen na te komen ingeval er sprake is van een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2, tweede lid, zijn de eigenaren, overige zakelijk gerechtigden tot, en gebruikers van de grond hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van verplichtingen, die ingevolge de keur op de eigenaar van de grond rusten. Veelal is immers niet de eigenaar maar de feitelijke gebruiker van de grond degene die bij machte is aan die verplichtingen te voldoen of die bij de voldoening aan die verplichtingen is gebaat.

II Gedoogbepalingen

Artikel 3 Gedoogplichten

De gedoogplichten voor de eigenaren van nabij waterstaatswerken gelegen gronden als neergelegd in dit artikel zijn gedeeltelijk dezelfde als verwoord in de artikelen 9 en 10 Waterstaatswet 1900. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid worden eigenaren en gebruikers ten minste twee maal vierentwintig uren van tevoren schriftelijk in kennis gesteld van de werken en/of verrichtingen die op hun gronden worden uitgevoerd. Dit laatste hoeft echter niet indien het betreft de uitvoering van gewoon onderhoud of spoedeisende gevallen.

Artikel 4 Waterberging

Deze gedoogplicht geldt alleen indien de belangen van de eigenaren niet van dien aard zijn dat onteigening gevorderd is. Niettemin kan er aanleiding zijn de eigenaren – zo schadelijke gevolgen optreden – te compenseren. Beoordeling van een verzoek om compensatie gebeurt volgens regels gesteld in de nadeelcompensatieregeling van het waterschap.

De ingebruikname van bergingsgebieden moet zijn gebaseerd op een geldige titel. Met andere woorden, ingebruikname moet mogelijk zijn op grond van een wettelijk voorschrift dan wel  worden toegestaan door de rechthebbende op de grond. Zonder een publiek– of privaatrechtelijke titel is feitelijke ingebruikname van een bergingsgebied onrechtmatig.

Het vorenstaande impliceert overigens niet dat telkenmale voorafgaande aan het feitelijke (laten) onderlopen van een bergingsgebied daartoe een besluit zou moeten worden genomen. Indien daartoe een ingebruikstellinghandeling benodigd is, bijvoorbeeld de bediening van een inlaatwerk (sluisje of klepduiker), moet deze worden gezien als een feitelijke handeling. Soms loopt een bergingsgebied vanzelf onder en is een ingebruikstellinghandeling niet nodig.

Een publiekrechtelijke titel voor ingebruikname van een bergingsgebied kan zijn gelegen in een peilbesluit bedoeld in artikel 16 Wet op de waterhuishouding. Dit zal met name het geval zijn indien extra waterberging in een gebied wordt bewerkstelligd door het tijdelijk handhaven van hogere waterstanden zonder dat er sprake is van inundatie. Door een geringere drooglegging kan schade optreden voor de eigenaar of gebruiker van het betrokken perceel. Artikel 40 van de Wet op de waterhuishouding regelt de vergoeding van schade door de waterbeheerder ten gevolge van door hem genomen peilbesluiten.

Voor ingebruikname van een bergingsgebied waarbij een verdergaande inbreuk op eigendomsrechten wordt gemaakt biedt een voorschrift strekkend tot het gedogen van die inbreuk ingevolge de keur (politieverordening) van het waterschap een rechtsgeldige titel.

Afhankelijk van de beantwoording van de vraag of door ingebruikname van het gebied als waterbergingsgebied normaal grondgebruik nog mogelijk is, volstaan voornoemde besluiten als titel voor ingebruikname. Bepalend voor de beantwoording van die vraag is het vigerend grondgebruik in relatie tot frequentie en mate waarin waterberging in het gebied plaats heeft.

Is normaal grondgebruik door het in gebruik nemen als bergingsgebied niet langer mogelijk, dan ligt aankoop van grond of vestiging van een erfdienstbaarheid daarop in de rede. Kan hierover geen overeenstemming met rechthebbenden op de grond worden bereikt, dan is onteigening van het gebied of, indien mogelijke, toepassing van artikel 12 Waterstaatswet 1900 noodzakelijk.

Een privaatrechtelijke titel voor ingebruikname van een bergingsgebied kan zijn gelegen in een overeenkomst, de vestiging van een erfdienstbaarheid of de verkoop van de betrokken grond. Het laatste eventueel met terugverpachting van de grond.

III Gebodsbepalingen

Artikel 5  Afrasteringen

Deze bepaling  geeft aan dat waterstaatswerken beschermd moeten worden tegen aftrap door vee en andere gedomesticeerde dieren. Eigenaren van nabij gelegen percelen die gebruikt worden voor het houden van dieren zijn verplicht langs hun percelen een voldoende kerende afrastering aan te brengen en deze te onderhouden. Het bestuursorgaan heeft de bevoegdheid om bij algemene regel gebieden aan te wijzen waar een afrastering niet verplicht is. De bepaling legt aan het bestuursorgaan  de verplichting op algemene regels te stellen omtrent afrasteringconstructies en wijzen van plaatsing.  Onder dieren wordt verstaan: alle gedomesticeerde dieren, zowel grote huisdieren zoals paarden, rundvee, varkens en andere hoefdieren maar ook kleine huisdieren zoals kippen en ganzen etcetera.

Artikel 6 Coupures en buisleidingen

De eigenaren van coupures en buisleidingen in waterkeringen, zoals sluizen, uitwateringen en andere doorgangen zijn verplicht deze op eerste aanzegging door of namens het bestuursorgaan te sluiten met het oog op het voorkomen van overstroming van achter de waterkering gelegen gronden.

Artikel 7 Stuwen

Meestal zijn de stuwen in beheer bij het waterschap. In het geval dat het beheer/bediening van een stuw bij een particulier berust en hij bij de afstemming van die bediening op zijn belangen een situatie schept die voor het verdere beheer van het waterschap nadelig uitpakt, is het noodzakelijk dat het waterschap voor harmonie zorg kan dragen. Met het oog op de rechtszekerheid moet het bestuursorgaan aangeven voor welke stuwen een aanzegging met rechtsgevolg mogelijk is. Op de aanwijzing is de procedure van de keur van toepassing (zie de toelichting op artikel 5).

III.1 Onderhoud aan waterstaatswerken

Artikel 8 Onderhoudsplicht

Onderhoudsplichtigen worden ingevolge artikel 78, tweede lid, Waterschapswet aangewezen in de legger. De keur sluit hierop aan door als onderhoudsplichtigen aan te wijzen degenen die in de legger tot het plegen van gewoon of buitengewoon onderhoud zijn vermeld.

Die aanwijzing geschiedt niet naar individu maar naar een categorie personen , bijvoorbeeld de aangrenzende grondgebruikers of -eigenaren.

Door het bepaalde in dit artikel gaat de legger als het ware deel uitmaken van de keur. Keur en legger doorlopen ingevolge de Waterschapswet een vaststellingsprocedure van overeenkomstige aard zodat ook bij de onderhavige wijze van aanwijzing van onderhoudsplichtigen een voldoende rechtsbescherming van belanghebbenden is verzekerd.

Bij de invoering van de Flora- en faunawet in 2002 ontstond onduidelijkheid over het al dan niet onder de verbodsbepalingen van deze wet vallen van onderhoudsactiviteiten ten behoeve van de waterstaatszorg. Door aanpassing van het Besluit beschermde dier- en plantensoorten, waarin de vrijstellingen van verboden ingevolge de Flora- en Faunawet zijn geregeld, en het opstellen van een gedragscode voor het beheer en onderhoud van waterstaatswerken, waarin is omschreven hoe te voldoen aan het vereiste van zorgvuldig handelen ingevolge artikel 2 van de wet, wordt uitvoering van onderhoud van waterstaatswerken in overeenstemming met het gestelde in de Flora- en faunawet mogelijk  gemaakt.

III.2 Onderhoud aan waterstaatswerken bestaande uit waterkeringen

Artikel 9 Gewoon onderhoud aan waterkeringen

In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het gewone onderhoud aan waterkeringen gehouden zijn. De bestrijding van muskusratten op waterkeringen gebeurt, met uitsluiting van derden, van overheidswege (provincie of waterschap).

Artikel 10 Buitengewoon onderhoud aan waterkeringen

In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen die verplicht zijn tot de uitvoering van het buitengewoon onderhoud aan waterkeringen gehouden zijn. Als buitengewoon onderhoud wordt in de keur aangemerkt het instandhouden van de waterkering overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm afmeting en constructie. Dit onderhoud aan waterkeringen wordt waar het ‘primaire waterkeringen’ betreft, maar veelal ook bij overige waterkeringen, door het waterschap waarbij de waterkering in beheer is, uitgevoerd. De onderhavige bepaling ziet zoals in de algemene toelichting is vermeld niet op de situaties waarin het vorenstaande het geval is maar op de omstandigheid waarin dit onderhoud bij derden berust en richt zich dus niet tot het waterschap als waterkeringbeheerder maar tot derden-onderhoudsplichtigen. De situatie waarin derden-onderhoudsplichtigen tot instandhouding van waterkeringen verplicht zijn, doet zich met name regelmatig voor bij boezemkaden of kaden in de uiterwaarden van rivieren.

Voor de situatie dat geen legger aanwezig is en op de kaart geen vorm, afmetingen of constructie zijn aangegeven, wordt in het overgangsrecht voorzien (artikel 39 lid 2).

Artikel 11 Werken met een (mede) waterkerende functie

Het bepaalde in dit artikel richt zich in principe tot onderhoudsplichtigen van in, op, aan of over de kernzone van waterkeringen of (buiten)beschermingszones van waterkeringen gelegen werken die een waterkerende of mede waterkerende functie hebben, en die anders dan met ontheffing zijn aangebracht. Immers voor met ontheffing aangebrachte werken zullen bepalingen met een strekking als die van artikel 10 in de ontheffingsvoorschriften behoren zijn opgenomen.

III.3 Onderhoud aan waterstaatswerken bestaande uit wateren

Artikel 12 Gewoon onderhoud aan wateren

In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het gewone onderhoud aan wateren gehouden zijn. De onderhoudsplichtigen zijn te allen tijde gehouden voorwerpen, materialen en stoffen die af- en/of aanvoer dan wel de berging van water hinderen uit de wateren te verwijderen. Dit is anders bij het schonen van de wateren, dat een aantal malen per jaar (meestal in het voor- en najaar), vóór de vooraf aan te kondigden schouw moet gebeuren om de maatgevende af- en/of aanvoer van water veilig te stellen.

De oevers en taluds alsmede de daartoe behorende oeververdedigingswerken dienen behoorlijk in stand te worden gehouden, voor zover dat nodig is om te voorkomen dat door inzakking de af-en/of aanvoer van water wordt gehinderd dan wel aangelegde onderhoudsstroken en/of afrasteringen door inzakking worden bedreigd. Waar de feitelijke afmetingen van het profiel de voor de af- en/of aanvoer van water noodzakelijke profielafmetingen overtreffen, kan de onderhoudsplichtige niet worden verplicht de overprofilering in stand te houden.

Artikel 13 Buitengewoon onderhoud aan wateren

In deze bepaling wordt omschreven waartoe derden-onderhoudsplichtigen, die tot de uitvoering van het buitengewoon onderhoud aan wateren zijn verplicht, gehouden zijn. Als buitengewoon onderhoud wordt in de keur aangemerkt het instandhouden van de wateren overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm afmeting en constructie.

Het buitengewoon onderhoud wordt waar het betreft wateren van overwegend belang voor de af- en/of aanvoer van water voor een groter gebied veelal uitgevoerd door het waterschap dat kwantiteitsbeheerder van de betrokken wateren is. De onderhavige bepaling ziet niet op deze situatie maar op de omstandigheid waarin dit onderhoud bij derden berust en richt zich dus niet tot het waterschap als kwantiteitsbeheerder maar tot derden-onderhoudsplichtigen. De situatie waarin derden-onderhoudsplichtigen tot instandhouding van wateren verplicht zijn, doet zich met name voor bij scheisloten en sloten en greppels die uitsluitend de ontwatering van een bepaald perceel dienen.

Voor de situatie dat geen legger aanwezig is en op de kaart geen vorm, afmetingen of constructie zijn aangegeven, wordt in het overgangsrecht een voorziening getroffen.

Artikel 14 Specieberging/ berging van maaisel

Artikel 11 Waterstaatswet 1900 bepaalt dat bij verordening kan worden bepaald, dat op erven en gronden gelegen aan een watergang, waarvan het onderhoud geschiedt door of onder toezicht van het openbaar gezag, de specie moet worden ontvangen, die tot behoorlijk onderhoud voor de af- of aanvoer van water, uit de watergang moet worden verwijderd. De verordeningen waarbij voorgenoemde duldingsplicht wordt opgelegd zijn thans in de regel waterschapsverordeningen (keuren). Artikel 11 Waterstaatswet 1900 geeft een ontvangstplicht voor specie. Artikel 14 van de keur geeft ook een ontvangstplicht voor het maaisel dat vrijkomt in het kader van het onderhoud. De bevoegdheid regels omtrent de ontvangstplicht van maaisel te stellen ontleent het algemeen bestuur van het waterschap rechtstreeks aan artikel 78, eerste lid, Waterschapswet.

Bij het onderhoud vrijkomende bagger en groenresten (maaisel) worden beschouwd als afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer. Artikel 10.2 van die wet verbiedt in principe het storten van afvalstoffen buiten een inrichting. Het op de kant zetten van baggerspecie is onder de daarbij bepaalde condities vrijgesteld van dit stortverbod in het ‘Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen’. Voorzien is in een wijziging van dit besluit, waarbij ook het storten van groenafval vrijkomend bij onderhoudsactiviteiten wordt toegestaan (Stcrt. 12 oktober 2004, nr. 196, pag. 10).

Bedacht dient te worden dat de ontvangstplicht van specie of maaisel niet onder alle omstandigheden onverkort kan worden gehandhaafd. Fysieke belemmeringen als bebouwing of smalle wegbermen kunnen er aan in de weg staan dat de specie of maaisel op aan wateren gelegen percelen kan worden ontvangen. Voorts kunnen de hoeveelheid uitkomende specie of maaisel en verontreiniging of besmetting aanleiding zijn om specie of maaisel af te voeren respectievelijk de veroorzaakte schade aan gronden te vergoeden voor zover deze redelijkerwijze niet ten laste van de betrokken aangeland dient te blijven.

In het tweede lid is de plicht tot verwijdering van specie van de beschermingszones vastgelegd. In voorkomend geval, wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan het bestuursorgaan een aanwijzing geven, om te voorkomen dat de specie die bij het onderhoud uit de wateren is verwijderd in de wateren geraakt en daardoor de af- en/of aanvoer van water hindert, dan wel de gedeponeerde specie de doorgang voor onderhoudsmachines bemoeilijkt. Vindt specieberging haar oorsprong in de Waterstaatswet 1900, het opnemen van bepalingen omtrent de berging van maaisel behoort tot de autonome bevoegdheid van het waterschapsbestuur.

Artikel 14a Onderhoud bermsloten

Dit artikel biedt een regeling voor het onderhoud van een groot aantal bermsloten (niet zijnde hoofdwatergangen) in het beheersgebied van het voormalige Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch. De regeling vindt zijn basis in de in het verleden gemaakte afspraken met de gemeenten in het betreffende gebied. Bij de overdracht van het wegbeheer door het Hoogheemraadschap aan de gemeenten is indertijd afgesproken dat de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de bermsloten is toebedeeld aan het Hoogheemraadschap. De werking van de regeling blijft beperkt tot buiten de bebouwde kom gelegen bermsloten voor zover deze niet langs rijks- en/of provinciale wegen zijn gelegen. Onderdeel van de destijds gemaakte afspraken is wel dat de gemeente ten minste 2 maal per jaar een onderhoudsronde uitvoert langs alle door het waterschap te onderhouden bermsloten en hoofdwatergangen voor zover deze langs de openbare weg zijn gelegen. De gemeente maait het aan de wegberm grenzend talud. De door het waterschap te onderhouden bermsloten zijn aangegeven op de bij deze keur behorende legger. De regeling van art. 14a is enkel van toepassing op de op de legger aangeven bermsloten. Het artikel omvat een regeling van de ontvangstplicht op de tegenoverliggende oevers. Het onderhoud van de bermsloten wordt als hoofdregel vanaf de wegzijde uitgevoerd. Met “tegenoverliggende gronden” wordt dan ook bedoeld: de gronden die aan de overkant van de bermsloot liggen (vanaf de weg gezien).

Lid 3 bevat een regeling voor die gevallen waarin de ontvangst van specie/maaisel op de tegenoverliggende gronden in redelijkheid niet mogelijk is, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van siertuinen, gewassen en dergelijke.

IV Verbodsbepalingen

Artikel 15 Waterstaatswerken

Ingevolge dit artikel worden de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken beschermd. In tegenstelling tot de regeling in de vorige keur wordt in deze nieuwe keur beoogd met een meer globale regeling die bescherming te bieden. In de vorige keur zijn vele specifieke verbodsbepalingen opgenomen. Bij nadere beschouwing blijkt dat deze specifiek verboden handelingen gepaard gaan met het verrichten van werkzaamheden of het aanbrengen van werken. Het streven naar minder regels en  vereenvoudiging van regelgeving dat aan deze nieuwe keur ten grondslag ligt, brengt mee dat in deze keur dan ook een meer algemene verbodsregeling is opgenomen, die voldoende bescherming kan bieden. In de Wet beheer rijkswaterstaatswerken vindt de bescherming van rijkswaterstaatswerken op nagenoeg gelijke wijze plaats.

Bij het stellen van verbodsbepalingen ten aanzien van wateren die scheepvaartweg zijn in de zin van de Scheepvaartverkeerswet dient te worden bedacht dat ook het bevoegd gezag ingevolge die wet regels kan stellen, onder meer in het belang van de instandhouding van de vaarweg, ter bescherming van de waterhuishouding, de oevers en waterkeringen en ter bescherming van in of boven de vaarweg aanwezige werken tegen schade door scheepvaart. De bevoegdheden van het bevoegd gezag ingevolge de Scheepvaartverkeerswet en de waterbeheerder kunnen elkaar op dit punt overlappen. Dit kan gevolgen voor de keurbevoegdheid van het waterschapsbestuur hebben als het waterschap niet als bevoegd gezag ingevolge de Scheepvaartverkeerswet is aangewezen. In artikel 42 Scheepvaartverkeerswet wordt de betrokken competentievraag geregeld. Hier is bepaald dat de bevoegdheid van onder andere waterschappen tot het stellen van regels in het belang van het waterbeheer gehandhaafd blijft voor zover deze regels niet in strijd zijn met het krachtens de Scheepvaartverkeerswet bepaalde. Bij strijdigheid van de keur met het krachtens de Scheepvaartverkeerswet bepaalde houdt het in de keur bepaalde van rechtswege op te gelden.

Het verbod in artikel 15, aanhef en onder a, betreft het verrichten van werkzaamheden. Bij het begrip “werkzaamheden” moet een verband gelegd worden met verrichten van handelingen. Onder werkzaamheden vallen o.a. aanleg-,bagger-,boor-, bouw-, graaf-, demping- herstel-, onderhoud-, plant- reparatie-, revisie-, sloop-, uitbreiding-, verbouw en herbouwwerkzaamheden. Werkzaamheden betreffen zowel werkzaamheden die tot doel hebben verandering te brengen in de staat van waterstaatswerken, als werkzaamheden die dat niet tot doel hebben maar waarvan onbedoeld effect is dat verandering wordt gebracht in de staat van die werken.

Van het begrip 'werken' is in artikel 1 een definitie gegeven.

Ingevolge het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder b, is het verboden om werken of (opgaande hout-) beplantingen aan te brengen of te hebben binnen de kernzone en beschermingszones van waterstaatswerken. Dit verbod zou betekenen dat ook éénjarige gewassen niet zijn toegelaten. Voor de eigenaar zou daarmee de beschermingszone niet voor gewassenteelt beschikbaar zijn omdat de zone bereikbaar moet zijn voor inspectie en onderhoud. Daarom is voor éénjarige planten of gewassen een uitzondering gemaakt in een algemene regel.Het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, geeft een regeling voor het brengen, plaatsen en hebben van stoffen, voorwerpen of huisdieren.

Het verbod geldt niet voor plaatsen die voor opslag van stoffen en voorwerpen of houden van huisdieren bestemd zijn. Voor het begrip ‘dier’ wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.

Ingevolge het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder d, is het verboden activiteiten te houden op andere dan de daarvoor aangewezen plaatsen. Onder activiteiten worden verstaan: het organiseren van recreatieve activiteiten (in groepsverband), het houden van wedstrijden, tentoonstellingen, feesten, markten en kermissen etc.

Het verbod ingevolge artikel 15, aanhef en onder e, om zich te bevinden, anders dan als rechthebbende op een waterstaatswerk als dat is aangegeven, heeft als achtergrond dat waterstaatswerken in principe toegankelijk zijn voor recreatief medegebruik in individuele gevallen. De toegang kan aan de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde niet worden ontzegd omdat hij dan praktisch ieder genot van de zaak komt te ontberen.

Het verbod ingevolge artikel 15, aanhef en onder f, geldt voor zover het waterstaatswerk niet bestaat uit een verharde weg.

Met het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder g, kan worden voorkomen dat door de wijze van bemesting een waterstaatswerk in het ongerede raakt.

Met het bepaalde ingevolge artikel 15, aanhef en onder h beoogt de in de kernzone of in de beschermingszones aangebrachte materialen ter verdediging van de waterkering, doorgaans een vegetatiemat (een dichte grasmat, eventueel aangevuld met kruiden e.d.), te beschermen. Uiteraard vallen ook andere, harde materialen onder de bescherming van dit artikel.

Artikel 15a Nieuwe waterstaatswerken

In artikel 15a wordt het graven of de aanleg van nieuwe waterstaatswerken geregeld. Het gaat daarbij om waterstaatswerken die nog niet op een legger kunnen voorkomen maar na de aanleg wel in beheer bij het waterschap zullen komen. In de praktijk zal het bestuur van het waterschap met behulp van dit artikel in staat zijn om bij nieuwe werken al in een vroeg stadium (ontwerpfase) de waterstaatkundige belangen te behartigen.

Artikel 15b Afmeren of ligplaats nemen/hebben

Ingevolge het bepaalde in dit artikel is het verboden binnen kernzones van  waterstaatswerken anders dan op daartoe kennelijk ingerichte plaatsen vaartuigen of vlotten af te meren, te laden of te lossen, of daarmee ligplaats in te nemen of te hebben. De bepaling beoogt genoemde handelingen te reguleren door deze alleen toe te staan op plaatsen, die zodanig zijn ingericht dat de oevers en taluds niet worden beschadigd. De betrokken bepaling geldt niet in geval het betreft door het bestuur toegestane recreatieve activiteiten.

Artikel 16 Buitenbeschermingszones behorend bij een waterkering

Deze zones liggen naast de kern- en beschermingszones van een waterkering en zijn als zodanig in de legger aangegeven. De verboden ingevolge artikel 15, die de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk  beschermen zijn verdergaand dan de verboden voor de buitenbeschermingszone. In de buitenbeschermingszone wordt het verboden die handelingen te verrichten die een bedreiging kunnen vormen voor de stabiliteit van de waterkering.

De handelingen ingevolge artikel 15 mogen wel verricht worden in de buitenbeschermingszone omdat ze de stabiliteit van  de waterkering niet aantasten.

Mocht in de praktijk zich de behoefte voordoen dat met één buitenbeschermingszone niet volstaan kan worden, dan kan overgegaan worden tot een soort primaire en secundaire zone met een verschillend verbodsregime.

IV.2 Water afvoeren naar, aanvoeren uit, lozen in en onttrekken aan oppervlaktewateren

Op 1 juni 2004 is de Wet houdende wijziging van enige bepalingen van de Wet op de waterhuishouding ten behoeve van de introductie van algemene regels in het kader van het kwantiteitsbeheer en enkele andere onderwerpen in werking getreden. Ingevolge deze wetswijziging zijn niet langer gedeputeerde staten, maar is slechts de waterbeheerder bevoegd om bij verordening de gevallen aan te wijzen waarin een registratie- of een vergunningplicht geldt. Bij de aanwijzing van de registratie- en vergunningplichtige gevallen wordt rekening gehouden met het beheersplan. Bij de wetswijziging is ook een nieuw artikel 33a in de Wet op de waterhuishouding opgenomen. Dit artikel geeft aan de waterbeheerder de bevoegdheid bij verordening algemene regels te stellen ten aanzien van het lozen van water in, het ontrekken van water aan, het afvoeren van water naar, of het aanvoeren van water uit oppervlaktewateren, waarover hij het beheer voert. Ingevolge het tweede lid van artikel 33a kunnen de regels enkel betreffen de lozing, onttrekking, aanvoer of afvoer van waterhoeveelheden die, niet zelfstandig maar wel in samenhang met andere lozingen, onttrekkingen, aanvoer of afvoer, van nadelige invloed kunnen zijn op de peilregeling, de grondwaterstand of de waterbeweging, dan wel de kwantiteitsbeheerder kunnen nopen tot bijzondere beheersmaatregelen. De regels kunnen het belang van de waterhuishouding beschermen voor zover het bepaalde ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewater en de Grondwaterwet daarin niet voorzien (derde lid van artikel 33a). De regels – aldus het vierde lid van artikel 33 - kunnen een algeheel verbod of een bepaalde beperking inhouden van het met behulp van daarbij aan te geven categorieën van werken afvoeren, aanvoeren, lozen of ontrekken van waterhoeveelheden. De regels kunnen betrekking hebben op alle of bepaalde oppervlaktewateren. De regels kunnen geen betrekking hebben op gevallen waarin ingevolge artikel 24, eerste lid Wet op de waterhuishouding een vergunning is vereist.

De regels zijn bedoeld voor die situaties waarin daarmee alle aspecten van een bepaalde handeling kunnen worden geregeld en er daarnaast geen behoefte ontstaat aan een individuele belangenafweging met aan een vergunning verbonden voorschriften.

In de artikelen 17 tot en met 22 zijn  de gevallen aangewezen waarin een meldplicht voor onttrekken en lozen van water en de vergunningplicht voor aan- en afvoer van water, de vergunningplicht voor lozen van water en de vergunningplicht voor onttrekken van water gelden.

In de keur zijn geen definities gegeven van aan-, afvoer, lozen en ontrekken van water. Er is ervan uitgegaan dat deze begrippen inmiddels eenduidig worden uitgelegd in die zin dat onder aanvoeren van water wordt verstaan: het door middel van een werk of langs natuurlijke weg halen of laten stromen van water uit een ander oppervlaktewater; onder afvoeren van water: het door middel van een werk of langs natuurlijke weg brengen of laten stromen van water uit een oppervlaktewater naar een ander oppervlaktewater; onder lozen van water: het door middel van een werk brengen van water in een oppervlaktewater en het vanaf verhard oppervlak laten afstromen van water in een oppervlaktewater al dan niet via de bodem, zonder dat het water daarbij uit een ander oppervlaktewater wordt gehaald en onder onttrekken van water: het door middel van een werk halen van water uit een oppervlaktewater, zonder dat het water daarbij in een ander oppervlaktewater wordt gebracht.

Artikel 17 Meldplicht lozen van water

De lozingen met debieten lager dan beschreven in artikel 17, lid 1 en 2 zijn vrijgesteld van meldings- en vergunningplicht. Deze debieten moeten door A- en B-watergangen met minimum afmetingen probleemloos kunnen worden afgevoerd. 

Artikel 18 Vergunningplicht aan- en afvoeren

Voor het aan en afvoeren van water bestaat op grond van artikel 18 altijd een vergunningplicht.  Hierdoor vervalt de meldplicht.

Het aan- en afvoeren van water betekent het via een werk of langs natuurlijke weg halen, brengen of laten stromen van water uit een oppervlaktewater naar een ander oppervlaktewater. Hierbij kun gedacht worden aan het plaatsen van gemalen, stuwen, onderbemalingen en het aansluiten van nieuwe wateren op bestaand water of het met elkaar verbinden van bestaande wateren. Afhankelijk van de situatie moet het waterschap goed kunnen beoordelen of het aan- en afvoeren van water geen nadelige gevolgen heeft voor de waterbeheersing. Gelet op de verschillende manieren van water aan- en afvoeren en de variaties in het beheersgebied, is het moeilijk te omschrijven wanneer een dergelijk werk alleen met een melding kan worden afgedaan. Het is daarom ook moeilijk om een reëel debiet vast te stellen voor de vergunningplicht voor het hele beheersgebied.

Artikel 19 Vergunningplicht lozen

De debieten van artikel 19 lid 2 en 3 zijn dusdanig vastgesteld dat er geen afwateringsproblemen mogen ontstaan. Lozingen zijn toegestaan als de watergang het extra debiet kan verwerken. Dit is natuurlijk afhankelijk van de dimensie van de betreffende watergang en de aanwezige kunstwerken. Voor de vergunningplicht ten aanzien van lozingen wordt onderscheid gemaakt in de A, B en C-watergangen zoals vermeld op de legger. Lozingen op C-watergangen zijn altijd vergunningsplichtig omdat het waterschap  niet op voorhand weet wat de dimensies van deze watergangen zijn en of er kunstwerken voorkomen.

Artikel 19a Lozen vanaf verhard oppervlak

Het is verboden hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak op een water te lozen.

Het doel van dit verbod is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak in het be­heersgebied versneld op het watersysteem wordt geloosd. Deze lozing dient te worden beperkt tot de maatgevende afvoer van het landelijke gebied.

Uit­brei­ding van verhard oppervlak (dakvlakken van kassen , gebouwen etc. en verhardingen en semi-verhardingen e.d.)  moet dus, vanuit hydrologische optiek gezien, waterbalans-neutraal plaatsvinden. Bij ontheffing kunnen daarom eisen worden gesteld aan vervangende bergingscapaciteit, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert.

Artikel 20 Vergunningplicht drainage

In het algemeen is drainage van gronden een activiteit, welke een beperkte invloed heeft op grondwaterstanden en op het peil van oppervlaktewater. Drainage is daarom als handeling en/of werk niet verboden. Binnen het beheersgebied van het Waterschap zijn er echter wel deelgebieden, waar het belang van grondwaterstanden  en grondwaterstromingen verlangt, dat drainage niet of niet zonder meer kan plaatsvinden. Te denken valt bijvoorbeeld aan het voorkomen van verdroging in natuurgebieden.

Deze “gevoelige”gebieden zijn weergegeven op de bij deze Keur behorende kaart.

Voor drainage binnen deze gebieden is dus wel een voorafgaande vergunning nodig.

Een vergunning voor drainage in de op de kaart aangegeven gebieden wordt alleen verleend indien dit niet leidt tot schade aan de aanwezige natuurfuncties. Kader voor het bepalen van de natuurfunctie vormen de onderscheidene “Natuurdoeltypekaarten”, zoals deze behoren bij de Provinciale gebiedsplanen voor Natuur en Landschap.

Gezien de grote verscheidenheid van mogelijke natuurwaarden in de diverse gebieden zal een aanvraag om drainagevergunning altijd van geval tot geval moeten worden beoordeeld.

Indien een vergunning kan worden verleend, kunnen daaraan voorschriften worden verbonden, bijvoorbeeld met betrekking tot het type drainagebuizen, de hoogteligging ten opzichte van NAP, de hoogteligging ten opzichte van het maaiveld, de diameter of de onderlinge afstand tussen de drainagebuizen. 

Artikel 21 Meldplicht en vergunningplicht onttrekken.

De debieten die in dit artikel worden vermeld, hebben met name betrekking op structurele onttrekkingen. Met een structurele onttrekking wordt een permanente onttrekking bedoeld. Omdat voor een structurele onttrekking niet alleen de watergang maar ook de inlaatcapaciteit geschikt moet zijn, is het van belang om alle onttrekkingen in beeld te hebben

Doordat er verschillende typen van onttrekken zijn, dient elke onttrekking uit A- en B-watergangen te worden gemeld. Voor A- en B- watergangen geldt boven de in sub a en b genoemde debieten een vergunningplicht. Deze debieten zijn laag gehouden. Er wordt onderscheid gemaakt in A en B watergangen vanwege de dimensionering van de watergang en de onderhoudsplicht. Onttrekkingen uit C-wateren zijn altijd vergunningsplichtig omdat het waterschap niet op voorhand weet wat de dimensies van deze watergangen zijn en of er kunstwerken voorkomen. Op deze manier wordt het voor peilbeheerders inzichtelijker aan welke percelen in het beheersgebied zich onttrekkingspunten bevinden zodat ze het peilbeheer beter kunnen reguleren.

Artikel 22 Meet- en registratieplicht

Een meet- of registratieplicht kan ingevolge artikel 22, tweede lid slechts worden opgelegd in die gevallen waarin inzicht in de verplaatste, geloosde of onttrokken hoeveelheden water voor het door het waterschap te voeren beheer nodig is. Het waterschap dient derhalve de oplegging van de verplichting inhoudelijk te kunnen motiveren.

IV.3 Bijzondere (verbods)bepalingen ter uitvoering van de Wet verontreiniging  oppervlaktewateren

De Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) en haar uitvoeringsbesluiten reguleren lozingen zodanig, dat in beginsel geen nadere regelgeving in de keur noodzakelijk is. Uit de handhavingspraktijk van Waterschap Rivierenland is gebleken dat het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en/of het Besluit Glastuinbouw een aantal tekortkomingen kent voor wat betreft specifieke lozingen als gevolg van niet agrarische activiteiten van bedrijven en particulieren. Deze lozingen worden niet geregeld in het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en/of het Besluit Glastuinbouw, dat immers alleen is gebaseerd op “agrarische activiteiten”, maar vallen onder de werking van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Voor deze lozingen is een vergunning vereist op basis van de Wvo. Het verlenen van vergunningen voor deze lozingen acht het waterschap niet wenselijk en doelmatig, doch ook niet noodzakelijk. Mede gezien de Kabinetsvisie ‘Andere Overheid’, waarin het streven is opgenomen naar een vereenvoudiging van regelgeving door meer te werken met algemene regels, zodat vergunningverlening vermeden wordt, kiest het waterschap voor de systematiek van het stellen van algemene regels voor deze lozingen. De lozingen zijn geschikt voor een regulering op basis van algemene regels, omdat artikel 23 (gebruik gewasbeschermingsmiddelen), artikel 24 (opslag- en stallingsplaatsen) en artikel 25 (brandplaatsen) onder voorwaarden alleen de lozing van (hemel)water toestaan indien deze lozingen uiterst beperkt van karakter zijn voor wat betreft de gevolgen van de lozing voor het oppervlaktewater. Een lozing anders dan de lozing van (hemel)water is niet toegestaan en valt weer automatisch onder de werking van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wvo. Het voordeel voor de handhavingspraktijk is dat de keur in de artikelen 23 tot en met 25 duidelijk aangeeft aan welke voorwaarden de activiteiten moeten voldoen, voordat een lozing van (hemel)water is toegestaan. Hoewel het waterschap in het kader van daadwerkelijke handhaving wel steeds een lozing zal moeten constateren, voordat er sprake kan zijn van een overtreding van de keur, zal van de artikelen 23 tot en met 25 een aanmerkelijke preventieve werking uitgaan. In die situaties is het immers bekend welke voorwaarden van toepassing zijn. Het waterschap kan bedrijven en particulieren bij controles daarop wijzen en zij kunnen vervolgens hun activiteiten op de voorwaarden afstemmen. Bovendien kan het waterschap in dergelijke situaties overgaan tot preventieve handhaving door bijvoorbeeld het opleggen van een preventieve dwangsom. 

De bevoegdheid tot het stellen van algemene regels ontleent het waterschap aan artikel 78, eerste lid, van de Waterschapswet.

Artikel 23 Lozen en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 23 staat alleen toe het pleksgewijs en driftvrij toepassen van gewasbeschermingsmiddelen nabij oppervlaktewater (op het talud) bij niet agrarische activiteiten. Deze bepaling biedt het waterschap de mogelijkheid op te treden tegen het spuiten van slootkanten, zodra dit een pleksgewijze bestrijding  van onkruid overstijgt. Hiervoor gelden vanzelfsprekend ook de wettelijke gebruiksvoorschriften, zoals die voor het betreffende gewasbeschermingsmiddel zijn gesteld.

Artikel 24 Lozen van (hemel)water afkomstig van opslag- en stallingsplaatsen

Artikel 24 heeft betrekking op de feitelijke opslag danwel stalling bij niet-agrarische activiteiten van materialen, apparatuur, voedingsstoffen en grondstoffen, waarmee het hemelwater verontreinigd kan raken.

Artikel 24 lid 2 is opgesteld ter uitvoering van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en ziet, in tegenstelling op artikel 19a, op de waterkwaliteit. Artikel 19a spreekt over het verbod van lozen vanaf verhard oppervlak. Het doel van dit verbod is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak in het beheersgebied versneld op het watersysteem wordt geloosd (waterkwantiteit).

Het derde lid van artikel 24 handelt over de opslag danwel stalling van die goederen op verhard oppervlak en staat het lozen toe van hemelwater en water dat bij het reinigen van verhard oppervlak vrijkomt, indien de lozing van dat (hemel)water voldoet aan de voorwaarden, zoals genoemd in het derde lid. Met een dergelijke opslag danwel stalling kan het in oppervlaktewater geraken van verontreiniging door de afstroming van (hemel)water van verhard oppervlak worden voorkomen. Deze bepaling veronderstelt een zorgvuldige bedrijfsvoering en zorgvuldige behandeling van de opgeslagen of gestalde goederen, aangezien anders bij de afstroming van (hemel)water verontreiniging in oppervlaktewater kan geraken. Dat betekent dat daartoe gemorste goederen moeten worden opgeruimd en dat verhard oppervlak moet worden schoongehouden.

Het vierde lid betreft de opslag danwel stalling van de voornoemde goederen op onverhard terrein. De afstroming van verontreinigd (hemel)water wordt met een dergelijke opslag danwel stalling voorkomen door daarbij een afstand aan te houden tot de insteek van tenminste 5 meter of het toepassen van een andere voorziening waarmee afstroming naar oppervlaktewater wordt voorkomen, zoals bijvoorbeeld het toepassen van een grondwal. Daartoe behoort wederom een zorgvuldige bedrijfsvoering en een zorgvuldige behandeling van de betreffende goederen.

Artikel 25 Verbod tot verbranden van afvalstoffen

Het verbranden van afvalstoffen nabij oppervlaktewater is vanwege het belastende karakter ervan in beginsel ongewenst en kan niet zonder het treffen van maatregelen worden toegestaan. Het waterschap heeft vanuit zijn taak als waterkwaliteitsbeheerder een eigen verantwoordelijkheid voor het beoordelen van de toelaatbaarheid van dergelijke activiteiten.

Als gevolg van het verbranden van afvalstoffen nabij oppervlaktewater kan een lozing van verschillende schadelijke en verontreinigende stoffen plaatsvinden. Het verbranden van afvalstoffen op verhard oppervlak is daarom alleen toegestaan als daarbij geen lozing plaatsvindt. Op onverhard oppervlak is dat het geval als het verbranden van afvalstoffen geschiedt op een afstand van tenminste 5 meter tot de insteek. Dit verbod met algemene regel geldt zowel voor agrarische als niet-agrarische activiteiten, aangezien het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij geen specifieke regeling bevat voor het verbranden van afvalstoffen.

IV.4 Bijzondere bepalingen betreffende verbodsbepalingen.

In dit hoofdstuk worden ter uitvoering van artikel 33a van de Wet op de waterhuishouding bij keur algemene regels gesteld omtrent  de vergunningplicht  voor de aan- en afvoer, lozen en onttrekking van water (zie verder de algemene toelichting bij hoofdstuk IV. 2). Zoals in de toelichting op pagina 1 is aangegeven, is op 1 december 2003 de Kabinetsvisie ‘Andere Overheid’ verschenen. Ook daaraan ligt het streven ten grondslag naar vereenvoudiging van regelgeving en het meer werken met algemene regels, waarbij vergunningverlening vermeden wordt. In dit hoofdstuk wordt niet alleen een algemene regel in de vorm van vrijstelling gesteld  van de vergunning voor  het ontrekken van water maar ook een algemene regel in de vorm van vrijstellingen van de verboden ingevolge artikel 15 (verbodsbepalingen betreffende waterstaatswerken). De bevoegdheid tot het stellen van die regels wordt niet ontleend aan de wijziging van de Wet op de waterhuishouding maar aan de bevoegdheid ingevolge artikel 78, eerste lid, Waterschapswet, waarbij de aanleiding tot het stellen van zulke regels mede gezocht moet worden in de eerder genoemde Kabinetsvisie 'Andere Overheid'.

De systematiek in dit hoofdstuk is dat het algemeen bestuur algemene regels stelt omtrent vrijstellingen en met toepassing van artikel 83, vierde lid, Waterschapswet tevens het  dagelijks bestuur de bevoegdheid geeft de algemene regels uit te breiden. Op de uitbreiding van de algemene regels door het  dagelijks bestuur is,zoals reeds eerder vermeld, de procedure van de totstandkoming van een reguliere keur van toepassing.

Artikel 26 Vrijstelling verboden algemene regels

De verboden ingevolge artikel 15 omtrent waterstaatswerken zijn wat betreft het bepaalde in de aanhef, onder a en b, breed geformuleerd. Dit kan ten gevolge hebben dat handelingen, werkzaamheden en aanbrengen van werken ontheffingplichtig zijn terwijl de noodzaak daartoe niet aanwezig is. Zo zal in waterbergingsgebieden niet het volledige verbodsregime van artikel 15 van toepassing hoeven zijn. In artikel 26 van de keur is bij wijze van algemene regeling een vrijstelling opgenomen voor onderhoudswerkzaamheden aan waterstaatswerken. Bij waterschapskeur zijn afhankelijk van de lokale situatie meer algemene regels in de vorm van vrijstellingen  opgenomen. Deze algemene regels zijn als bijlage bij de keur gevoegd. Het bestaande ontheffingenbeleid  is dienstig  geweest aan het formuleren van die algemene regels.

Het tweede lid voorziet in een aanvullende keurbevoegdheid van het bestuursorgaan op het terrein van algemene regels, leidende tot vrijstellingen.

Uit het derde lid van artikel 26 blijkt dat bij de algemene regeling zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel de verplichting kan worden opgelegd handelingen, werken, werkzaamheden en gedragingen te melden.

Artikel 27 Vrijstelling verbod onttrekken

Op grond van artikel 21 is het boven een bepaald aantal m3 verboden om zonder vergunning van het bestuursorgaan water te onttrekken aan wateren. Door het onttrekken van water uit een watergang kan het peil nadelig worden beïnvloed. Omdat het waterschap het waterpeil in het beheersgebied zoveel mogelijk conform het peilbesluit moet houden en de wateraanvoer beperkt is, kan niet ongelimiteerd water worden onttrokken. Bovendien is het van belang dat onttrekkingen niet leiden tot problemen voor andere ingelanden. Vrijstelling van dit verbod is slechts mogelijk in twee situaties zoals genoemd in artikel 27, te weten incidentele beregening en seizoensonttrekkingen. Bovendien is de vrijstelling gebonden aan een maximale grens per onttrekker.

Voor wat betreft incidentele beregening gaat het om nachtvorstberegening die in een beperkte periode plaatsvindt. Voor wat betreft de incidentele seizoensonttrekking gaat het om situaties waarin sprake is van een langere drogere periode waarin de wateraanvoer naar een aantal gebieden problematisch is.

Om zicht te houden op de incidentele onttrekkingen wordt in het tweede lid van artikel 27 een melding verplicht gesteld. De vrijstelling zoals genoemd in artikel 27 laat omverlet dat het bestuursorgaan een algeheel verbod kan stellen op grond van artikel 28.

Artikel 28 Algeheel verbod aan- en afvoer, onttrekken en lozen van water

In situaties waarbij het krijgen van een vergunning vanwege de waterstaatkundige belangen die in het geding zijn niet tot de mogelijkheden behoort en iedere vergunningaanvraag tot een weigering leidt, brengt de realiteit mede dat het beter is een absoluut verbod in het leven te roepen. Artikel 28 voorziet in zodanig verbod ingeval van schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of in ongerede raken van een waterstaatswerk dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan.

In artikel 29 wordt een absolute bescherming gegeven aan wateren met het hoogste ecologisch niveau die als zodanig op de legger  zijn vermeld.

IV.5 Ontheffing van gebods- en verbodsbepalingen

Van de in de keur gestelde geboden en verboden in artikel 5 tot en met 16 kan het bestuursorgaan vrijstelling dan wel ontheffing verlenen. De keur kent traditioneel een ontheffingenregime, waarbij een bepaald handelen in principe verboden is, behoudens het geval dat het waterschapsbestuur daarvoor ontheffing heeft verleend.

De bevoegdheid tot vergunningverlening voor aan- en afvoer, lozing en onttrekking van water is gebaseerd op de Wet op de waterhuishouding. Reden waarom in de keur deze bevoegdheid niet expliciet verleend behoeft/kan worden. Het vergunningenregime van de Wet op de waterhuishouding geldt slechts in daartoe aangewezen gevallen. Deze wet bevat de verder procedurevoorschriften betreffende de vergunningverlening in de artikelen 25 tot en met 33.

Op de ontheffingverlening ingevolge artikel 30 zijn de bepalingen van hoofdstuk 4, titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Voor het opnemen van bepalingen inzake vergunningverlening, die afwijken van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht wordt geen aanleiding gezien. Het verdient dan ook aanbeveling deze wet van toepassing te laten zijn door in de keur geen bepalingen aangaande de vergunningverlening op te nemen. De Algemene wet bestuursrecht regelt de aanvraag tot het verlenen van een vergunning (Afdeling 4.1.1), de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag (Afdeling 4.1.2), en de beslistermijn (Afdeling 4.1.3). Ten aanzien van de voorbereiding en de motivering van de beslissing geldt dat de Algemene wet bestuursrecht een vereenvoudigde procedure toelaat voor spoedeisende beslissingen en beslissingen waarbij uit de aard van de aanvraag of beslissing volgt dat een vereenvoudigde procedure kan worden toegepast (artikel 3. 47).

Zoals hiervoor vermeld zijn op de vergunningverlening betreffende het lozen of onttrekken dan wel aanvoeren of afvoeren van water, de bepalingen inzake vergunningverlening van de Wet op de waterhuishouding van toepassing (artikelen 25 tot en met 33, Wet op de waterhuishouding).

Bezwaar-, en beroep kunnen worden ingediend conform de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 31 Beperkingen en voorschriften bij ontheffing van artikel 15, 15a, 15b en 16

Aan een keurontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij de beslissing omtrent het verlenen van een keurontheffing en het daaraan verbinden van voorschriften, is de bescherming van waterstaatkundige belangen de invalshoek, waarbij ook de vastgelegde functie van het waterstaatswerk een belangrijke rol vervult. In het eerste lid wordt de gangbare praktijk vastgelegd.

Voor een aantal beperkingen en voorschriften geldt dat niet ondubbelzinnig vast staat dat deze aan een ontheffing kunnen worden verbonden zonder expliciete wettelijke grondslag. Het tweede tot en met vierde lid voorziet in die grondslagen.

In het tweede lid wordt de mogelijkheid geopend een ontheffing te verlenen onder de beperking binnen een gestelde termijn van de ontheffing gebruik te maken. Dit ter voorkoming dat een vergunde situatie te lang onzeker blijft.

In het derde en vierde lid wordt de bevoegdheid vastgelegd financiële voorschriften te verbinden aan de ontheffing. Het bestuursorgaan kan aan de houder van de ontheffing verplichten zekerheid te stellen voor de kosten van verwijdering van de met ontheffing aangebrachte werken. Indien de houder van de ontheffing niet tot verwijdering overgaat na beëindiging van het gebruik van het met ontheffing aangebrachte werk kan het bestuursorgaan met gebruikmaking van de consigneerde gelden tot verwijdering overgaan.

Het vierde lid geeft de mogelijkheid aan de houder van de ontheffing de verplichting op te leggen een compensatie te verrichten dan wel zorg te dragen in financiële zin dat het bestuursorgaan op zijn kosten de compensatie verricht. Bijvoorbeeld als een ontheffingsaanvraag wordt ingediend voor werkzaamheden ertoe strekkende dat een deel van oppervlaktewater, dat blijkens het beheersplan een waterbergende functie heeft, wordt gedempt, dan kan aan de ontheffing het voorschrift worden verbonden dat houder van de ontheffing elders in natura voor vervangende berging zorgdraagt dan wel een zodanige betaling verricht dat het bestuursorgaan de berging elders realiseert.

V Toezicht op de naleving

Artikel 32 en 33 Schouw

De schouwvoering als bedoeld in deze bepaling betreft met name de schouw op initiatief van het bestuur op het onderhoud aan waterkeringen en wateren. Schouwvoering betreft de uitoefening van toezicht op naleving van met name de onderhoudsbepalingen in de keur. Daarnaast wordt bij de schouw gelet op eventuele overtreding van verbodsbepalingen. Het aantal malen dat per jaar de schouw op initiatief van het bestuur wordt gevoerd  staat niet vermeld in de keur maar  is ter nadere vaststelling aan het bestuursorgaan overgelaten. Daarnaast biedt  de keur de mogelijkheid dat bijvoorbeeld in jaren waarin wateren snel dichtgroeien het bestuursorgaan kan besluiten een extra schouw te voeren.

Aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren en particuliere schouwmeesters geschiedt krachtens het bepaalde in artikel 33 van de keur door het bestuursorgaan . Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht bevat bepalingen omtrent de bevoegdheden van toezichthoudende ambtenaren. Ingevolge artikel 85 van de Waterschapswet zijn de leden van het dagelijks bestuur en de door dat bestuur aangewezen ambtenaren van het waterschap belast met de opsporing van de overtreding van de Keur.

Noch in de Waterschapswet noch in een provinciale verordening of reglement is het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Keur bepaalde geregeld. Op grond van artikel 56 Waterschapswet is het waterschapsbestuur bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van de taken die het waterschap in het reglement zijn opgedragen. Aangezien het toezicht daarvan een belangrijk onderdeel uitmaakt, is het toezicht hier geregeld.

Artikel 34 Strafbepalingen

In artikel 81 Waterschapswet is bepaald welke maximum straf op overtreding van de keur kan worden gesteld. In de onderhavige keur is deze maximum straf opgenomen (drie maanden hechtenis of een geldboete van de tweede categorie als genoemd in artikel 23, Wetboek van strafrecht). In afwijking van het vorenstaande is op het keurverbod tot het zonder vergunning lozen of onttrekken dan wel aanvoeren of afvoeren van water en de verplichting tot melding en/of registratie van lozingen en onttrekkingen,  (artikel 17 tot en met 22), het bepaalde inzake strafbedreiging in artikel 59 Wet op de waterhuishouding rechtstreeks van toepassing. Ingevolge deze bepaling wordt overtreding gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de vierde categorie.

Voor overtreding van de meld- en registratieplicht zoals bedoeld in artikel 22 geldt een maximum straf van drie weken of een geldboete van de eerste categorie.

De opsporingsambtenaar kan de overtreder van de keur een schikkingsvoorstel doen om strafvervolging te voorkomen (artikel 85, derde lid, Waterschapswet).

Deze strafbepalingen staan los van het bestuursrechtelijk instrumentarium – bestuursdwang en last onder dwangsom - waarover het bestuursorgaan ingeval van overtreding kan beschikken.

VI Overige bepalingen

Artikel 35 Schadevergoeding

Ingevolge het bepaalde in dit artikel wordt de belanghebbende die schade lijdt of zal lijden, als gevolg van de toepassing van bepalingen van de keur, welke schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van belanghebbende behoort te blijven, een schadevergoeding verstrekt, indien de vergoeding niet anderszins is verzekerd. De Wet op de waterhuishouding kent een soortgelijke schadevergoedingsbepaling (artikel 40). Voor zover de keur een uitwerking van deze wet is vloeit het recht op schadevergoeding rechtstreeks uit de wet voort. Hierbij wordt de procedure gevolgd zoals vastgelegd in de nadeelcompensatieregelingen van het waterschap.

VII Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 36 Vergunningen en ontheffingen

Het eerste lid van dit artikel beoogt werken die vóór inwerkingtreding van de keur met vergunning of ontheffing zijn aangebracht en ook ingevolge de geldende keur vergunning- of ontheffingplichtig zijn de status te geven van werken die met een vergunning of ontheffing ingevolge de keur zijn aangebracht.

Ingevolge het tweede lid worden werken, die vóór inwerkingtreding van de keur zonder vergunning of ontheffing legaal konden worden aangelegd en ingevolge de geldende keur vergunning- of ontheffingplichtig zijn, aangemerkt als met vergunning of ontheffing ingevolge de geldende keur aangebracht.

Artikel 37 Leggers en/of kaarten

In het geval dat leggers ontbreken, kan ingevolge dit artikel een kaart als overgangsmaatregel de functie van legger vervullen.

Artikel 37a

Dit artikel bepaalt de maten van de zones voor die waterstaatswerken, waarvoor een legger ontbreekt of voor die waterstaatswerken waar weliswaar een legger is vastgesteld, maar geen keurzones zijn aangewezen.

Artikel 38 Onderhoud

Het bepaalde in dit artikel beoogt te bewerkstelligen dat bij het nog ontbreken van een legger en een keurkaart het onderhoud aan waterstaatswerken wordt voortgezet door degenen die vóór inwerkingtreding van de keur het onderhoud feitelijk verrichtte.

Artikel 39 Buitengewoon onderhoud

Bij gebreke van een legger geschiedt ingevolge het eerste lid het onderhoud overeenkomstig hetgeen omtrent richting, vorm en afmeting op de kaart is vermeld.

Bij ontbreken van legger en kaart is het handhaven van de bestaande situatie doorslaggevend voor het onderhoud.

VIII Inwerkingtreding

Artikel 40

Op bekendmaking van waterschapskeuren zijn de artikelen 73 tot en met 76 Waterschapswet van toepassing. Artikel 75 van de Waterschapswet stelt dat besluiten tot vaststelling en wijziging van een Keur niet eerder in werking treden dan nadat de in artikel 6:7 Awb bedoelde termijn is verstreken (= zes weken met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt).

Bijlage 1 Algemene regels behorend bij de Keur voor waterkeringen en wateren van het Waterschap Rivierenland

Artikel 26 van de keur stelt dat het bestuursorgaan bij algemene regeling bepaalt voor welke handelingen, werken, werkzaamheden en gedragingen daarbij te stellen algemene regels gelden en de verboden in artikel 15 geen toepassing vinden. Bij de algemene regeling kan de verplichting worden opgelegd handelingen, werken, werkzaamheden en gedragingen te melden. Een ontheffingsaanvraag doorloopt een daartoe ingerichte procedure, welke doorgaans enige weken in beslag neemt. Aan het in behandeling nemen van een ontheffingsaanvraag zijn voorts legeskosten verbonden. Ter bestrijding van de regeldruk kan voor sommige werken de ontheffingsplicht worden vervangen door algemene regels. Voor zover en indien men zich aan deze algemene regels houdt, blijft het verbod van artikel 15 buiten toepassing en is dus geen ontheffing benodigd. Indien blijkt dat wordt afgeweken van de algemene regels, dient de situatie in overeenstemming te worden gebracht met deze regels, of dient alsnog ontheffing te worden aangevraagd. In dit laatste geval wordt de aanvraag aan bestaande beleidsregels getoetst.

Ten aanzien van de volgende verboden zijn algemene regels opgesteld:

1) het plaatsen en hebben van een afrastering langs watergangen

2) het aanbrengen van beschoeiingen

3) het aanbrengen van dammen met duikers in C-watergangen

4) het aanbrengen en hebben van gras en éénjarige gewassen in de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken

5) het maken en hebben van oeververbindingen vanaf woonschepen

6) het aanbrengen en hebben van steigers en vlonders in stedelijk gebied, langs particuliere tuinen

7) het plaatsen en hebben van een uitstroomvoorziening in watergangen waarvan het onderhoud bij de legger aan het waterschap zelf is opgedragen

8) het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan de openbare wegen op en nabij waterkeringen

9) het gebruik van percelen nabij de waterkering als tuin en bouwland

10) het aanbrengen van erfverharding in de beschermingszone van de waterkering

11) het plaatsen, hebben en onderhouden van tijdelijke objecten nabij waterkeringen

12) het plaatsen, hebben en onderhouden van een afrastering langs waterkeringen.

13) niet-dijkkruisende huisaansluitingen van nutsvoorzieningen bij woningen op en aan de waterkering.

14) het uitvoeren van interne verbouwingen van panden nabij de waterkering.

1. Het plaatsen, hebben en onderhouden van een afrastering langs watergangen, voor zover gelegen buiten de kern- en beschermingszones van waterkeringen

  • Op grond van artikel 5 lid 1 van de keur zijn de eigenaren van percelen, die gebruikt worden voor het houden van dieren en die gelegen zijn nabij waterstaatswerken, verplicht langs hun percelen een voldoende kerende afrastering aan te brengen en te onderhouden. Op grond van artikel 5 lid 2 besluit het bestuursorgaan omtrent de aanwijzing van waterstaatswerken als bedoeld in het eerste lid en stelt algemene regels omtrent afrasteringsconstructies en wijzen van plaatsing. Hierna worden algemene regels gesteld voor afrasteringen langs watergangen.

  • Het gebod van artikel 5 lid 1 van de keur geldt niet voor de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, gezien de aard en het karakter van het gebied.

  • Op grond van artikel 15 sub b van de keur voor waterkeringen en wateren van waterschap Rivierenland is het verboden om in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken, werken of (opgaande hout-) beplantingen aan  te brengen of te hebben. Hieronder wordt onder andere begrepen het plaatsen, hebben en onderhouden van afrasteringen langs watergangen.

  • Het plaatsen en hebben van een afrastering is vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomende werk ,dat in bij de keur aangewezen gevallen verplicht wordt gesteld. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel.

  • Voor het plaatsen en hebben van een afrastering langs watergangen is geen ontheffing van het verbod van artikel 15 sub b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de afrastering wordt parallel aan de watergang geplaatst; 2. de afrastering bestaat uit houten palen met draad of gaas en een maximale hoogte van 90 centimeter boven maaiveld heeft;

  • 3. de afrastering wordt op een afstand van 1.00 meter vanaf de insteek van de watergang geplaatst;

  • 4. de afrastering is van een zodanige constructie dat de aan-en afvoer van water en het onderhoud aan de watergangen door of vanwege het waterschap niet  worden gehinderd;

  • 5. de werken dienen in goede staat te worden onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen direct moeten worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de rayonopzichter. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd.

2.  Het aanbrengen van beschoeiingen buiten natuurgebieden, ecologische verbindingszones en kern- en beschermingszones van waterkeringen

  • Op grond van artikel 15 sub b van de keur voor waterkeringen en wateren van waterschap Rivierenland is het verboden om in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken, werken of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen van beschoeiingen

  • Het aanbrengen van beschoeiingen betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt relatief een eenvoudig en veel voorkomende werk in/nabij de watergang. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

  • Voor het aanbrengen van een beschoeiing in een watergang is geen ontheffing van het verbod van artikel 15 sub b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de plaatsing wordt overeenkomstig principetekening nummer 1 uitgevoerd;

  • 2. de beschoeiing/betuining bestaat uit deugdelijk, niet uitlogend, materiaal en wordt aan de achterzijde (de zijde waar de grondaanvulling plaatsvindt) voorzien van een anti-worteldoek;

  • 3. de toe te passen materialen mogen niet uit gewolmaniseerd of gecreosoteerd hout bestaan;

  • 4. de beschoeiing/betuining wordt op deugdelijke wijze verankerd door middel van trekankers in het ach­terliggende perceel en op zodanige wijze dat geen vervorming kan plaatsvinden;

  • 5. indien de constructie van de beschoeiing/betuining niet- of slecht waterdoorlatend is, dient ten behoeve van de ontwatering, achter de beschoeiing/betuining een drainage met een doorsnede van 100 mm te worden aangebracht, welke afwatert op de watergang;

  • 6. de grondaanvulling achter de beschoeiing/betuining bestaat uit materialen die niet schadelijk zijn voor het milieu (bouwstoffen cat. 0 of I);

  • 7. de werken dienen in goede staat te worden onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen van de beschoeiing/betuining met bijbehorende werken, het talud en/of maaiveld van de beschermingszone achter de beschoeiing/betuining direct moeten worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de rayonopzichter. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd;

  • 8. het aanbrengen van een beschoeiing in een watergang dient 2 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld;

  • 9. bij de melding als bedoeld onder 8 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop minimaal vermeld de locatie van het uit te voeren werk (een herkenbare plaatsaanduiding dmv straatnamen, huisnummers, kadastrale aanduiding en – indien bekend – de aanduiding van de betreffende watergang).

3. Het aanbrengen van dammen met duikers in C-watergangen

  • Op grond van artikel 15 sub b van de keur voor waterkeringen en wateren van waterschap Rivierenland is het verboden om in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken werken  of (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen van dammen met duikers in C-watergangen

  • Het aanbrengen van dammen met duikers in C-watergangen betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt relatief een eenvoudig en veel voorkomende werk in/nabij een watergang met een relatief beperkte waterhuiskundige functie. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

  • Voor het aanbrengen van aanbrengen van dammen met duikers in C-watergangen is geen ontheffing van het verbod van artikel 15 sub b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de plaatsing wordt overeenkomstig principetekening nummer 6a uitgevoerd;

  • 2. de minimale doorsnede van een duiker bedraagt 500 mm.;

  • 3. de duiker dient ter ontsluiting van percelen;

  • 4. de totale duikerlengte bedraagt maximaal 10 meter;

  • 5. de vrije doorstroming is minimaal 200 mm ten opzichte van het winterpeil (er moet in de duiker minimaal 200 mm vrije ruimte boven het waterpeil zijn);

  • 6. het toe te passen materiaal voor duikers is bij voorkeur beton of pvc;

  • 7. de werken worden in goede staat onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen direct moeten worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de rayonopzichter. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd;

  • 8. het aanbrengen van een dam met duikers in een C-watergang dient 2 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld bij Waterschap Rivierenland;

  • 9. bij de melding als bedoeld onder 8 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop minimaal vermeld de locatie van het uit te voeren werk (een herkenbare plaatsaanduiding dmv straatnamen, huisnummers, kadastrale aanduiding en – indien bekend – de aanduiding van de betreffende watergang).  

4. het aanbrengen en hebben van gras en éénjarige gewassen in de beschermingszones van waterstaatswerken

Op grond van artikel 15 onder b van de keur voor waterkeringen en wateren van waterschap Rivierenland is het verboden in, op, onder en boven waterstaatswerken, werken of (opgaande hout)beplantingen aan  te brengen, of te hebben. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen en hebben van gras en éénjarige gewassen.

Binnen de kernzone is gras als taludbescherming toegestaan en zelfs gewenst.

Bij A- en B-watergangen en waterkeringen mogen binnen de beschermingszone gras en éénjarige gewassen worden aangebracht en gehouden.

5. Het maken en hebben van oeververbindingen vanaf woonschepen buiten de kern- en beschermingszones van waterkeringen

  • Op grond van artikel 15 sub b van de keur voor waterkeringen en wateren van waterschap Rivierenland is het verboden om in, op, onder en boven waterstaatswerken werken of opgaande houtbeplantingen aan  te brengen, of te hebben. Hieronder is ook begrepen het maken en hebben van een oeververbinding (loopplank) vanaf een woonschip.

  • Het maken en hebben van een oeververbinding vanaf een woonschip betreft een vanuit waterhuishoudkundig oogpunt relatief eenvoudig werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

  • Voor het aanbrengen en hebben van oeververbindingen vanaf woonschepen is geen ontheffing op grond van artikel 15 sub vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de oeververbinding wordt zodanig aangebracht dat de eventueel ter plaatse door de legger aangewezen beschermingszone vrij bereikbaar en vrij van obstakels blijft ten behoeve van het onderhoud van de watergang;

  • 2. de oeververbinding wordt op deugdelijke wijze in de oever verankerd, zodanig dat stabiliteit van de wal of het talud niet wordt aangetast;

  • 3. de oeververbinding is zodanig geconstrueerd, dat deze op eenvoudige wijze kan worden losgekoppeld in geval van optredende grote peilfluctuaties;

  • 4. in het geval dat de oeververbinding aan een stenen kade wordt gemaakt, gelden er géén maximale maten ten aanzien van lengte en breedte van de oeververbinding. In situaties waar sprake is van een talud mag de oeververbinding niet breder zijn dan 1,5 m. en dient deze een zodanige lengte te hebben, dat er tussen het schip en de oever een wateroppervlak van minimaal twee meter breed aanwezig blijft;

  • 5. de werken dienen in goede staat te worden onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen direct moeten worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de rayonopzichter. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd;

  • 6. het aanbrengen van een oeververbinding vanaf een woonschip dient 2 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld;

  • 7. bij de melding als bedoeld onder 6 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop minimaal vermeld de locatie van het uit te voeren werk (een herkenbare plaatsaanduiding dmv straatnamen, eventuele huisnummers, kadastrale aanduiding en – indien bekend – de aanduiding van de betreffende watergang).

6.  Het aanbrengen en hebben van steigers en vlonders in stedelijk gebied, langs particuliere tuinen buiten vaarwegen als bedoeld in de keur scheepvaartregeling, buiten de kern- en beschermingszones van waterkeringen

  • Op grond van artikel 15 sub b van de keur voor waterkeringen en wateren van waterschap Rivierenland is het verboden om in, op, onder en boven waterstaatswerken werken of (opgaande hout)beplantingen aan te brengen, of te hebben. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen en hebben van steigers en vlonders

  • Voor het aanbrengen van een steiger of vlonder is, voor zover het valt onder de hierboven aangewezen waterstaatswerken (in stedelijk gebied, langs particuliere tuinen), geen ontheffing op grond van artikel 15 sub b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. Wateren dienen een minimale bovenbreedte te hebben van 7 meter en sluiten aan op eigendom of bezit van de initiatiefnemer;

  • 2. de maximale afmeting van de steiger is 3,00 m. lang en 1,00 m breed, waarbij de steiger  maximaal 1,00 m. in de watergang mag oversteken. Palen (of andere ondersteuningsconstructies) mogen in de kernzone niet worden toegepast. De hoogte van de onderzijde van de steiger dient  minimaal 20 cm boven zomerpeil of boezempeil te liggen;

  • 3. langs A-watergangen waar bij aanleg een overbreedte van minimaal 2,00 m. is toegepast en waarbij deze overbreedte een C-status heeft verkregen, is het plaatsen en hebben van steigers op palen binnen deze zone toegestaan;

  • 4. voor steigers of vlonders die als collectieve voorziening worden gewenst (b.v.vissteiger), geldt dat door de aanvrager een verklaring van geen bezwaar van de eigenaar van de oever moet worden overlegd;

  • 5. de werken dienen in goede staat te worden onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen direct moeten worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de rayonopzichter. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd;

  • 6. het aanbrengen van een steiger of vlonder in of nabij een watergang dient  2 weken voorafgaand  aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld;

  • 7. bij melding als bedoeld onder 1 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop         minimaal vermeld de betreffende watergang(en), de locatie van het uit te voeren werk/werkzaamheid, alsmede een herkenbare plaatsaanduiding (middels straatnamen, huisnummers etc.).                        

7. Het plaatsen en hebben van een uitstroomvoorziening in watergangen waarvan het onderhoud bij de legger aan het waterschap zelf is opgedragen

  • Op grond van artikel 15 sub b van de keur voor waterkeringen en wateren van waterschap Rivierenland is het verboden om in, op, onder en boven waterstaatswerken, werken of (opgaande hout)beplantingen aan te brengen, of te hebben. Hieronder is ook begrepen het plaatsen en hebben van uitstroomvoorzieningen. Onder het maken en hebben van een uitstroomvoorziening wordt uitdrukkelijk niet begrepen het lozen van water zelf.

  • Het plaatsen van een uitstroomvoorziening van hemelwater, vindt doorgaans via een leiding in de kernzone van een watergang plaats. Een uitstroomvoorziening betreft een vanuit waterhuishoudkundig oogpunt relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in watergangen. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

  • Met betrekking tot het onderhoud van de watergang is daarbij van belang dat de uitstroomvoorziening zodanig wordt aangebracht dat deze het onderhoud niet belemmert of ten gevolge van dit onderhoud kan worden beschadigd. Ook dient uitspoeling van het talud te worden voorkomen. Laatstgenoemde belangen spelen met name een rol bij door het waterschap onderhouden watergangen.

  • Voor het aanbrengen en hebben van uitstroomvoorzieningen in watergangen waarvan het onderhoud bij de legger aan het waterschap zelf is opgedragen is geen ontheffing op grond van artikel 15 sub b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de uitmonding van het lozingspunt voor de hemelwaterafvoer wordt in het talud van de watergang aangebracht door middel van een betonnen uitstroomvoorziening (bak) die zich verzonken in het talud en buiten het profiel van de watergang bevindt conform één van principetekeningen nummer 11 of 12;

  • 2. de uitstroomvoorziening met bijbehorende werken wordt zodanig aangebracht, dat de eventueel ter plaatse door de legger aangewezen beschermingszone vrij bereikbaar en vrij van obstakels blijft ten behoeve van het onderhoud van de watergang;

  • 3. indien de uitstroomvoorziening naar het oordeel van het waterschap geen functie meer vervult, dient deze op eerste aanmaning door of namens het college van dijkgraaf en heemraden te worden verwijderd. Hiervoor dient een ontheffingsaanvraag te worden gedaan bij Waterschap Rivierenland;

  • 4. de werken dienen in goede staat te worden onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen direct moeten worden hersteld, al dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de rayonopzichter. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd;

  • 5. het aanbrengen van een uitstroomvoorziening dient 2 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld;

  • 6. bij de melding als bedoeld onder 5 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop minimaal vermeld de locatie van het uit te voeren werk (een herkenbare plaatsaanduiding d.m.v. straatnamen, huisnummers, kadastrale aanduiding en – indien bekend – de aanduiding van de betreffende watergang).

  • Voor uitstroomvoorzieningen in C-watergangen alsmede B-watergangen waarvan het onderhoud niet bij legger aan het waterschap is opgedragen, is geen ontheffing nodig en behoeft ook niet aan deze algemene regels te worden voldaan.

8 Het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan de openbare wegen op en nabij waterkeringen.

  • Op grond van artikel 15 sub a van de keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland is het verboden om in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken, tenzij anders door het bestuursorgaan is bepaald, werkzaamheden te verrichten. Hieronder is ook begrepen het plegen van onderhoud aan openbare wegen op en nabij de dijken.

  • Het plegen van onderhoud aan dijkwegen betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomende werkzaamheid in/nabij een waterkering. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Tot het onderhoud van de dijkweg wordt gerekend het verbeteren van de kwaliteit van de wegverharding, van de berm en van de verkeersvoorzieningen, waarbij het in alle gevallen geen uitbreiding betreft. Tot het onderhoud van de dijkweg wordt niet gerekend het gesloten maken van open bestrating of half-verhardingen (bijvoorbeeld door asfaltering).

  • Voor het plegen van onderhoud aan de openbare wegen op de waterkeringen is, voor zover het valt onder de hierboven aangewezen waterstaatswerken, geen ontheffing van artikel 15 sub a vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. het uitvoeren van de werkzaamheden wordt 3 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk aan het waterschap gemeld;

  • 2. bij de melding als bedoeld onder 1 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop minimaal de locatie van het uit te voeren werk vermeld wordt (een herkenbare plaatsaanduiding d.m.v. straatnamen, eventuele huisnummers, dijkpalen en kadastrale aanduiding) en de aard van de werkzaamheden;

  • 3. bij wegonderhoud dient vooraf contact opgenomen te worden met de onderhoudscoördinator dijken. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd;

  • 4. de werkzaamheden mogen alleen in de periode van 1 april tot 15 oktober worden uitgevoerd.

9 Het gebruik van percelen in de beschermingszone van de waterkering als tuin en bouwland.

  • Op grond van artikel 15 sub a van de keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland is het verboden om in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken, tenzij anders door het bestuursorgaan is bepaald, werkzaamheden te verrichten. Hieronder is ook begrepen het gebruik van percelen vlakke grond als tuin of bouwland.

  • Het gebruik van percelen vlakke grond als tuin of bouwland  betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomende werkzaamheid nabij een waterkering. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Tot het gebruik als tuin of bouwland wordt gerekend:

  • het spitten, ploegen, eggen en andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en –bewerkingen (maximaal 0,30 m diep);

  • het zaaien of poten, telen en oogsten van éénjarige gewassen;

  • het planten van struiken, heesters, heggen en laagstamfruitbomen.

  • Voor het gebruik van percelen vlakke grond als tuin of bouwland nabij waterkeringen is, voor zover het valt onder de hierboven aangewezen waterstaatswerken, geen ontheffing van artikel 15 sub a vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de gewassen en lage (hout)beplanting belemmeren het beheer en onderhoud van de waterkering niet;

  • 2. het gebruik mag niet strijdig zijn met het vastgestelde beleid in het Beheerplan Primaire Waterkeringen of hier afbreuk aan doen.

10 Het aanbrengen van erfverharding in de beschermingszone van de waterkering.

  • Op grond van artikel 15 sub b van de keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland is het verboden om in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken, tenzij anders door het bestuursorgaan is bepaald werken of opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen van erfverharding.

  • Het aanbrengen van erfverharding betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in/nabij een waterkering. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

  • Voor het aanbrengen van erfverhardingen is, voor zover het valt onder de hierboven aangewezen waterstaatswerken, geen ontheffing van artikel 15 sub b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. de erfverharding bedraagt minder dan 500 m2;

  • 2. de constructie van de (half)verharding inclusief fundering reikt niet dieper dan 0,30 meter beneden oorspronkelijk maaiveld;

  • 3. het gewicht van de nieuwe constructie is niet minder dan dat van de verwijderde bovenlaag. Dit om de stabiliteit van de waterkering te waarborgen;

  • 4. het aanbrengen van een erfverharding dient 3 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld aan het waterschap;

  • 5. bij de melding als bedoeld onder 1 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop minimaal de locatie van het uit te voeren werk vermeld wordt (een herkenbare plaatsaanduiding d.m.v. straatnamen, eventuele huisnummers, dijkpalen en kadastrale aanduiding).

  • Zodra de erfverharding zich zowel binnen de beschermingszone van een watergang, als binnen de beschermingszone van de waterkering bevindt is ontheffing vereist.

11 Het plaatsen, hebben en onderhouden van tijdelijke (semi-permanente) objecten in de beschermingszone van waterkeringen.

  • Op grond van artikel 15 sub b van de keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland is het verboden om in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken, tenzij anders door het bestuursorgaan is bepaald werken of

  • (opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben. Hieronder is ook begrepen het plaatsen van tijdelijke (semi-permanente) objecten zoals bijvoorbeeld speeltoestellen, prefab tuinhuisjes, demontabele zwembaden en brievenbussen.

  • Het plaatsen van tijdelijke (semi-permanente) objecten betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk nabij een waterkering. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.                                         

  • Voor het plaatsen, hebben en onderhouden van tijdelijke (semi-permanente) objecten nabij waterkeringen is, voor zover het valt onder de hierboven aangewezen waterstaatswerken, geen ontheffing van artikel 15 sub b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. het te plaatsen object  – met uitzondering van de stellaag) – wordt niet ingegraven;

  • 2. de eventuele stellaag van het tijdelijk object reikt niet dieper dan 0,30 meter beneden oorspronkelijk maaiveld;

  • 3. het gewicht van de eventuele stellaag is niet minder dan dat van de verwijderde bovenlaag;

  • 4. het plaatsen van deze objecten is niet strijdig met de overige belangen van het waterschap;

  • 5. het aanbrengen van het object dient 3 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld;

  • 6. bij de melding als bedoeld onder 1 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop minimaal de locatie van het uit te voeren werk vermeld wordt (een herkenbare plaatsaanduiding d.m.v. straatnamen, eventuele huisnummers, dijkpalen en kadastrale aanduiding.

12 Het plaatsen, hebben en onderhouden van een afrastering in de beschermingszone van waterkeringen.

  • Op grond van artikel 5 lid 1 van de keur zijn de eigenaren van percelen, die gebruikt worden voor het houden van dieren en die gelegen zijn nabij waterstaatswerken, verplicht langs hun percelen een voldoende kerende afrastering aan te brengen en te onderhouden. Op grond van artikel 5 lid 2 besluit het bestuursorgaan omtrent de aanwijzing van waterstaatswerken als bedoeld in het eerste lid en stelt algemene regels omtrent afrasteringsconstructies en wijzen van plaatsing. Hierna worden algemene regels gesteld voor afrasteringen langs waterkeringen.

  • Op grond van artikel 15 sub b van de keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland is het verboden om in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken, tenzij anders door het bestuursorgaan is bepaald werken of (opgaande hout)beplantingen aan te brengen, of te hebben. Hieronder is ook begrepen het plaatsen van afrasteringen.                                            

  • Het plaatsen van afrastering betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk nabij een waterkering. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.                                         

  • Voor het plaatsen, hebben en onderhouden van afrastering langs waterkeringen is, voor zover het valt onder de hierboven aangewezen waterstaatswerken, geen ontheffing op grond van artikel 15 sub b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. De afrastering is voldoende veekerend, met een maximale hoogte van 1 m, waarbij de palen tot maximaal 0,60 m diep reiken;

  • 2. De afrastering wordt geplaatst op de perceelsgrens;

  • 3. De afrastering dient in goede staat te worden onderhouden. Dit betekent in ieder geval dat beschadigingen en/of verzakkingen direct moeten worden hersteld, als dan niet op aanzeggen van het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap. Hierbij dient vooraf contact opgenomen te worden met de onderhoudscoördinator dijken. Zijn aanwijzingen dienen direct te worden opgevolgd;

  • 4. Het plaatsen van de afrastering dient 3 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld aan het waterschap;

  • 5. Bij de melding als bedoeld onder 1 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop minimaal de locatie van het uit te voeren werk vermeld wordt (een herkenbare plaatsaanduiding d.m.v. straatnamen, eventuele huisnummers, dijkpalen en kadastrale aanduiding).

13 Niet-dijkkruisende huisaansluitingen van nutsvoorzieningen bij woningen op en aan de waterkering.

  • Op grond van artikel 15 sub b van de keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland is het verboden om in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken, tenzij anders door het bestuursorgaan is bepaald werken of opgaande hout-)beplantingen aan te brengen, of te hebben. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, hebben, houden en onderhouden van huisaansluitingen van nutsvoorzieningen voor woningen op en aan de waterkering.

  • Het aanleggen en hebben van huisaansluitingen van nutsleidingen betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk nabij een waterkering. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

  • Voor het aanleggen en hebben van niet-dijkkruisende huisaansluitingen van nutsvoorzieningen in en nabij waterkeringen is, voor zover het valt onder de hierboven aangewezen waterstaatswerken, geen ontheffing op grond van artikel 15 sub b vereist, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. een kabel en of leiding wordt rechtstreeks in een te graven sleuf gelegd, met een maximale afdekking boven de kabel en/of leiding van 1,00 meter die niet breder en dieper uitgegraven wordt dan strikt noodzakelijk is;

  • 2. de leiding heeft een maximale diameter van 110 mm en/of een maximale druk van 3 bar, wordt uit één stuk uitgevoerd in HDPE/PE80 en voldoet aan de NEN-3650 serie;

  • 3. vrijvervalleidingen worden samengesteld uit buizen en hulpstukken van hoogwaardig PVC (klasse 34 of SN8), PE40 SDR6 of PE80 SDR13,6, waarbij de leidingkoppelingen dienen te zijn voorzien van rubberen afdichtingsringen;

  • 4. Het aanleggen van een huisaansluiting van een nutsleiding wordt 3 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk gemeld aan het waterschap;

  • 5. Bij de melding als bedoeld onder 1 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop minimaal de locatie van het uit te voeren werk vermeld wordt (een herkenbare plaatsaanduiding d.m.v. straatnamen, eventuele huisnummers, dijkpalen en kadastrale aanduiding) en informatie over de toe te passen materialen en afmetingen.

14 Het uitvoeren van interne verbouwingen van panden nabij de waterkering

  • Op grond van artikel 15 sub b van de keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland is het verboden om in, op, onder en boven de kern- en beschermingszones van waterstaatswerken, tenzij anders door het bestuursorgaan is bepaald werken of (opgaande hout)beplantingen aan te brengen, of te hebben. Hieronder is ook begrepen het uitvoeren van een inwendige verbouwing van een bestaand pand nabij de waterkering..

  • Het uitvoeren van een inpandige verbouwing betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk nabij een waterkering. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

  • Voor het uitvoeren van interne verbouwingen van panden nabij waterkeringen is, voor zover het valt onder de hierboven aangewezen waterstaatswerken, geen ontheffing van artikel 15 sub b vereist indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • 1. Het vloeroppervlak van het gebouw neemt niet toe;

  • 2. Het volume van het gebouw neemt niet meer dan 20% toe;

  • 3. Er vindt geen grondroering plaats;

  • 4. De stabiliteit van de waterkering wordt niet nadelig beïnvloed;

  • 5. Het uitvoeren van een interne verbouwing van een pand nabij de waterkering dient 3 weken voorafgaand aan de uitvoering schriftelijk te worden gemeld aan het waterschap;

  • 6. Bij de melding als bedoeld onder 1 dient een situatietekening te worden gevoegd waarop minimaal de locatie van het uit te voeren werk vermeld wordt (een herkenbare plaatsaanduiding d.m.v. straatnamen, eventuele huisnummers, dijkpalen en kadastrale aanduiding) en informatie over de toe te passen materialen en afmetingen.

bijlage3overzichtskaartwaterkeringen.keurwsrl.pdf (4528 Kb)

bijlage4overzichtskaartgebiedenvergunningplichtdrainage.keurwsrl.pdf

principetekeningnr.1beschoeiing.pdf (83 Kb)

principetekeningnr.2betuining.pdf (82 Kb)

principetekeningnr.3betuiningbijkabels.pdf (84 Kb)

principetekeningnr.4drainage.pdf (88 Kb)

principetekeningnr.5aanlegsteigervaarwegen.pdf (82 Kb)

principetekeningnr.5asteiger-vlondersted.gebied.pdf (84 Kb)

principetekeningnr.5bsteiger-vlondersted.gebiedoverbreedte.pdf (86 Kb)

principetekeningnr.6adammetduikerc-wgalg.regel.pdf (166 Kb)

principetekeningnr.6bdammetduiker.pdf (166 Kb)

principetekeningnr.6cdammetduikerbeschoeiing.pdf (166 Kb)

principetekeningnr.7onttrekkingsconstructieslang.pdf (148 Kb)

principetekeningnr.7aonttrekkingsconstructieput.pdf (103 Kb)

principetekeningnr.8hekwerkmetpoort.pdf (81 Kb)

principetekeningnr.9brugbod.br.tot15m.pdf (90 Kb)

principetekeningnr.9abrugbod.br.vanaf15m.pdf (88 Kb)

principetekeningnr.10brugduiker.pdf (90 Kb)

principetekeningnr.10abrugduikersmal.pdf (94 Kb)

principetekeningnr.11uitstroomconstructiewaterplaat.pdf (352 Kb)

principetekeningnr.12uitstroomconstructiewaterbak.pdf (89 Kb)

principetekeningnr.12auitstroomconstructiewatergoot.pdf (81 Kb)

principetekeningnr.13lozenhwaglastuinbouw.pdf (82 Kb)

principetekeningnr.14uitstroomretentievijverstuw.pdf (86 Kb)

principetekeningnr.14auitstroomretentievijverput.pdf (97 Kb)