Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2013

Geldend van 26-03-2015 t/m 31-01-2017

Intitulé

Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2013

De raad van de gemeente Schouwen-Duiveland;

  

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 22 januari 2013;

 

overwegende dat de gemeente de administratieve lasten rondom het subsidiebeleid wil verminderen en het huidige subsidiebeleid wil verbeteren;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

 

 

 

 

besluit :

 

vast te stellen de volgende verordening

 

Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2013

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Omschrijving van gebruikte begrippen

Deze verordening verstaat onder:

  • a

    aanvraag: een aanvraag als bedoeld in artikel 4:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) om in aanmerking te komen voor een subsidie in het kader van deze verordening;

  • b

    aanvrager: een rechtspersoon die voor een budgetsubsidie of projectsubsidie in aanmerking wil komen;

  • c

    accountantsverklaring: een in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde gewaarmerkte verklaring over het gevoerde financieel beheer en de financiële verantwoording, waaruit in ieder geval blijkt of de ontvangen subsidie besteed is aan de in de verlening genoemde beleidsdoelen en of de besteding rechtmatig is verlopen (controleverklaring) of een verklaring omtrent de getrouwheid van het beeld in de beoordeelde jaarrekening (beoordelingsverklaring);

  • d

    activiteiten: werkzaamheden die zijn gericht op door de gemeente nagestreefde doelen die van ideële of materiële aard kunnen zijn, waarvan de resultaten meetbaar zijn in termen van kwantiteit, kwaliteit of geld en die ten goede komen aan de inwoners van de gemeente Schouwen-Duiveland;

  • e

    activiteitenplan: een overzicht en omschrijving van de geplande activiteiten;

  • f

    afschrijving: Investeringen die over meerdere jaren een nut afwerpen komen over meerdere jaren ten laste van de rekening van baten en lasten en worden niet in het jaar van aanschaf volledig ten laste van de exploitatierekening gebracht;

  • g

    Awb: de meest recente versie van de Algemene wet bestuursrecht;

  • h

    beleidsregel: een bij besluit vastgestelde algemene regel,niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van het college;

  • i

    boekjaar: een kalenderjaar;

  • j

    budgetsubsidie: een subsidie voor activiteiten met een voortdurend karakter;

  • k

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland;

  • l

    dorpsraad: een orgaan dat door de gemeente bij convenant is ingesteld en dat gevraagd en ongevraagd advies uitbrengt of uit kan brengen onderwerpen betreffende de leefbaarheid en de directe leefomgeving van de inwoners;

  • m

    eigen middelen: alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de subsidieontvanger kan beschikken, waaronder inkomsten uit contributies, inkomsten uit deelnemersbijdragen, inkomsten uit donaties, erfstellingen, legaten, reserves, voorzieningen en aan instellingen gelieerde organisaties, exclusief opgebouwde reserves en/of voorzieningen waar de gemeente toestemming voor heeft gegeven;

  • n

    erkende organisatie: een rechtspersoon als bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die als zodanig door het college is erkend in het kader van het subsidiebeleid en die is opgenomen in het register;

  • o

    nadere regel: een door het college vastgestelde algemene regel inhoudende een zelfstandige normstelling als nadere uitwerking van de Algemene subsidieverordening met externe werking;

  • p

    project: een eenmalige activiteit of samenstelling van activiteiten die niet behoort of behoren tot de reguliere activiteiten van de aanvrager en die duidelijk gebonden is of zijn aan een bepaalde tijd;

  • q

    raad: de gemeenteraad van de gemeente Schouwen-Duiveland;

  • r

    rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die zich ten doel stelt om zonder winstoogmerk de belangen van ideële of materiële aard van de inwoners van de gemeente Schouwen-Duiveland te behartigen;

  • s

    register: het overzicht van de door het college in het kader van deze verordening erkende organisaties en instellingen waarmee zij een structurele subsidierelatie onderhoudt;

  • t

    reserve: een vrij te bestemmen deel van het eigen vermogen

  • u

    subsidie: de aanspraak op financiële middelen die door de gemeente worden verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan de gemeente geleverde goederen of diensten, en anders dan ter uitvoering van een door een hogere overheid opgelegde taak;

  • v

    subsidiebeschikking: een beschikking die een omschrijving bevat van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend en het bedrag van de subsidie, dan wel het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld en de wijze waarop dit bedrag wordt betaald;

  • w

    subsidieplafond: een bedrag dat gedurende een begrotingsjaar door de raad ten hoogste beschikbaar wordt gesteld voor vormen van subsidie die op basis van deze verordening en de geldende deelverordening worden verleend;

  • x

    subsidievaststelling: een beschikking die een omschrijving bevat van de activiteiten waarvoor subsidie is vastgesteld of ten hoogste zal worden vastgesteld, en de wijze waarop dit bedrag wordt betaald;

  • y

    subsidieverlening: het besluit tot verstrekking van een subsidie;

  • z

    uitvoeringsovereenkomst: een overeenkomst tussen het college en een subsidieontvanger ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening;

  • aa

    vermogensplan: een overzicht van alle aanwezige reserves en voorzieningen welke met oogmerken gevormd (gaan) worden, inclusief de hoogte van de reserves en voorzieningen en de verwachte storting/ onttrekking van de reserve;

  • bb

    verplichting: een door het college aan een subsidieontvanger opgelegde taak;

  • cc

    voorziening: deel van het vreemde vermogen welke gereserveerd is voor toekomstige lasten, tekorten, risico’s of verplichtingen die voortvloeien uit de voorbije periode.

HOOFDSTUK 2 WERKINGSSFEER VAN DEZE VERORDENING

Artikel 2.1 Reikwijdte van de verordening

1 Deze verordening is van toepassing op de subsidiering van activiteiten, die door aanvragers van subsidie in het belang van de gemeente worden uitgevoerd en waarop geen andere verordening van toepassing is of een andere verplichting tot (mede)financiering door de gemeente geldt.

2 Alleen activiteiten die passen binnen de door de raad of het college geformuleerde beleidsdoelen kunnen voor een subsidie in aanmerking komen.

Artikel 2.2 Verdeling van de bevoegdheden

1 De raad is bevoegd de beleidskaders vast te stellen op grond waarvan het college subsidie kan verstrekken.

2 De raad stelt jaarlijks per programma het subsidieplafond vast. De subsidieplafonds worden bekend gemaakt voor het begin van het tijdvak waarvoor ze zijn vastgesteld.

3 Het college is door de raad belast met de uitvoering van deze verordening en voor zover van toepassing van titel 4.2 Awb.

4 Het college is bevoegd tot heroverweging van de omvang en bestemming van de beschikbare subsidiemiddelen binnen de door de raad per programma vastgestelde subsidieplafonds.

5 Het college kan ter nadere uitwerking van deze verordening nadere regels en beleidsregels vaststellen.

Artikel 2.3 Tot subsidie gerechtigde partijen

1 In beginsel kunnen alleen rechtspersonen in aanmerking komen voor een budgetsubsidie.

2 Rechtspersonen kunnen alleen voor een budgetsubsidie in aanmerking komen als zij in het kader van deze verordening door het college zijn erkend als gesubsidieerde organisatie en zijn opgenomen in het register als bedoeld in artikel 2.4.

3 In bijzondere gevallen kan het college een budgetsubsidie verlenen aan een natuurlijke persoon of een groep of groepen van natuurlijke personen.

4 Projectsubsidies kunnen zowel door erkende als door niet erkende organisaties en door natuurlijke personen worden aangevraagd.

Artikel 2.4 Het erkennen van organisaties

1 Een verzoek tot de in artikel 2.3 lid 2 bedoelde erkenning wordt ingediend bij het college met behulp van een daartoe door het college vastgesteld formulier.

2 Bij het in het voorgaande lid bedoeld verzoek tot erkenning overlegt de verzoeker:

  • a

    een gewaarmerkt exemplaar van de oprichtingsakte van de rechtspersoon waarin de laats bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde statuten zijn opgenomen;

  • b

    verdere gegevens die het college nodig acht voor het uitvoeren van deze verordening.

3 Het college beslist binnen twaalf weken na indiening van een verzoek als bedoeld in dit artikel.

4 Deze termijn kan eenmalig worden verlengd met vier weken.

Artikel 2.5 Subsidievormen

1 De gemeente Schouwen-Duiveland onderscheidt de volgende subsidievormen:

  • a

    budgetsubsidie

  • b

    projectsubsidie

2 Door het college vast te stellen nadere regels kunnen als nadere uitwerking van deze verordening de aard en de bijzondere criteria van de verschillende subsidiesoorten specificeren.

Artikel 2.6 Het verzoek tot aanvullende informatie

1 Het college kan binnen zes weken na ontvangst van een aanvraag tot subsidieverlening of subsidievaststelling aan de aanvrager verzoeken om binnen een termijn van vier weken aanvullende informatie te verstrekken (hersteltermijn).

2 Als naar het oordeel van het college sprake is van bijzondere omstandigheden bij de aanvrager dan kan het college op een daartoe door de aanvrager schriftelijk ingediend en gemotiveerd verzoek afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn.

Artikel 2.7 Niet subsidiabele activiteiten

1 Activiteiten die naar hun inhoud of naar de wijze van organisatie niet verenigbaar zijn met algemeen gangbare normen of uitgangspunten van doelmatigheid en soberheid komen niet voor subsidie in aanmerking.

2 Naast het bepaalde in het eerste lid van dit artikel komen niet voor subsidie in aanmerking:

  • a

    afdrachten of bijdragen aan landelijke organisaties;

  • b

    jubilea en promotie van organisaties, verenigingen, instellingen en/of daarbij

    betrokken personen;

  • c

    uitgave van boekwerken, drukwerk, krant en van productie van beeld- en geluidsdragers, tenzij het passend wordt geacht binnen de gemeentelijke beleidsdoelstellingen;

  • d

    het realiseren van doelstellingen van de aanvrager gericht op het verkrijgen van financiering, bijvoorbeeld donaties, contributies, collectes, sponsorings(diners), benefietbijdrage;

  • e

    bloemen, aankleding gebruiksruimte, verblijfskosten, prijzen en presentjes, catering en/of maaltijden voor deelnemers en gasten, programmaboekjes et cetera.

Artikel 2.8 Weigering van een subsidieaanvraag

1 De subsidieaanvraag wordt in ieder geval geweigerd als een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

  • a

    de aanvrager verbonden is aan een commerciële instelling die dezelfde of vergelijkbare activiteiten aanbiedt;

  • b

    de voor subsidie voorgedragen activiteiten in dezelfde of vergelijkbare vorm aangeboden worden door een commerciële instelling;

  • c

    de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

  • d

    de subsidie niet wordt aangewend in overeenstemming met het doel waarvoor deze wordt verleend;

  • e

    de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie te verbinden verplichting(en);

  • f

    de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen over de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

  • g

    de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag heeft geleid.

2 De subsidieaanvraag wordt geweigerd als de activiteiten al door het college langs andere weg worden bekostigd.

3 De subsidieaanvraag wordt geweigerd als naar het oordeel van het college op het betreffende beleidsterrein al voldoende al dan niet gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd die in het directe belang van de inwoners van Schouwen-Duiveland zijn.

4 De subsidieaanvraag wordt geweigerd als de aanvrager de kosten van de activiteit uit eigen middelen of uit middelen van derden kan betalen.

5 Activiteiten die enkel zijn gericht op religieuze, levensbeschouwelijke, politieke of commerciële doeleinden worden niet gesubsidieerd.

6 De subsidieaanvraag wordt geweigerd als de aanvrager failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

7 De subsidieaanvraag wordt geweigerd als met het verlenen ervan de subsidieplafonds worden overschreden.

Artikel 2.9 Het verlenen van subsidie onder voorbehoud

Als de subsidie is of wordt verleend ten laste van een begroting die nog niet is goedgekeurd door de raad, dan wordt de subsidie verleend onder voorwaarde dat de raad voldoende gelden beschikbaar stelt.

Artikel 2.10 Verplichtingen van de subsidieontvanger

1 Aanvullend op de elders in deze verordening vermelde verplichtingen, informeert de subsidieontvanger het college per omgaande en schriftelijk over:

  • a

    ontwikkelingen die ertoe leiden of kunnen leiden dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of slechts gedeeltelijk kunnen plaatsvinden, daaronder begrepen wijzigingen in de financiële en organisatorische verhoudingen met derden;

  • b

    ontwikkelingen die ertoe leiden of kunnen leiden dat de aan de subsidie verbonden voorwaarden of verplichtingen niet of slechts gedeeltelijk kunnen worden nagekomen;

  • c

    het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten;

  • d

    wijzigingen in de statuten en de rechtsvorm, onder toezending van een afschrift van de notariële akte waarin de wijziging is opgenomen;

  • e

    besluiten en procedures die leiden of kunnen leiden tot beëindiging van de activiteiten dan wel ontbinding van de rechtspersoon;

  • f

    wijzigingen in bestuurssamenstelling of adreswijzigingen.

2 De subsidieontvanger dient de subsidie alleen te besteden aan de activiteiten waarvoor het college de subsidie beschikbaar heeft gesteld.

3 De subsidieontvanger is verplicht zich te houden aan de in de beschikking gestelde voorwaarden, inclusief de verplichtingen die zijn opgenomen in met de aanvrager te sluiten uitvoeringsovereenkomst.

4 De subsidieontvanger is verplicht een administratie bij te houden over het jaar of de jaren waarover subsidie is verleend.

5 De in het vorige lid bedoelde administratie wordt gevoerd overeenkomstig algemeen maatschappelijk aanvaardbare normen en zoals geformuleerd in art. 2:10 Burgerlijk Wetboek.

6 De bescheiden die deel uitmaken van de in de leden 4 en 5 bedoelde administratie worden gedurende zeven kalenderjaren door de subsidieontvanger of diens rechtsopvolger bewaard.

7 Bij tussentijdse ontbinding van de rechtspersoon waaraan een subsidie is verleend treft deze een voorziening voor behoud en toegankelijkheid van de in leden 4 en 5 bedoelde administratie tot aan het verstrijken van de in lid 6 bedoelde termijn.

8 Het college kan aan de subsidieontvanger aanvullende verplichtingen opleggen.

Artikel 2.11 Verbodsbepalingen voor de subsidieontvanger

1 Het is de subsidieontvanger niet toegestaan schenkingen aan derden te doen of op enigerlei wijze of in enigerlei vorm aan sponsoring te doen, behoudens voorafgaande en schriftelijk verleende toestemming van het college.

2 Het is de subsidieontvanger niet toegestaan onderscheid te maken naar ras, geloofsovertuiging, levensovertuiging, sekse of seksuele geaardheid.

3 Het is de subsidieontvanger niet toegestaan om overschotten van de verleende subsidie af te dragen aan landelijke (koepel)organisaties.

4 Onverminderd het bepaalde in de vorige leden is het de subsidieontvanger wel toegestaan activiteiten te organiseren, die gericht zijn op een of meer specifieke doelgroepen.

Artikel 2.12 Het recht op reservering, voorziening en afschrijving

1 Het vormen van, dan wel doen van toevoegingen aan een bestemmingsreserve of voorziening met gemeentelijke budgetsubsidie is uitsluitend mogelijk na voorafgaande schriftelijke verleende toestemming van het college.

2 Rechten en verplichtingen betreffende reservering, voorziening en afschrijving in het kader van budgetsubsidies kunnen worden opgenomen in een met de subsidieontvanger af te sluiten uitvoeringsovereenkomst.

3 De hoogte van een reservering of voorziening dient in een naar maatschappelijk algemeen aanvaardbare verhouding te staan tot het totaal aan lasten en te verwachten kosten van de organisatie.

4 Positieve rekeningsaldi mogen worden gereserveerd. Het is toegestaan een algemene reserve te vormen van ten hoogste € 5.000 of maximaal 5% van de exploitatie-uitgaven.

5 Het in het vierde lid van dit artikel bepaalde laat onverlet de bevoegdheid van het college te beoordelen of de subsidieaanvrager de kosten van de activiteit of activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd niet geheel of gedeeltelijk uit eigen middelen of uit middelen van derden kan betalen.

6 Het aanleggen van reserveringen, het treffen van voorzieningen of het doen van afschrijvingen in het kader van projectsubsidies is niet toegestaan.

Artikel 2.13 Het afsluiten van een uitvoeringsovereenkomst

1 Het college kan bij de subsidieverlening tevens een uitvoeringsovereenkomst afsluiten met de subsidieontvanger.

2 De uitvoeringsovereenkomst wordt aangegaan voor de looptijd van de subsidieverlening en maakt integraal deel uit van de subsidiebeschikking.

Artikel 2.14 Beschikking tot verlenen en/of vaststellen van de subsidie

In de beschikking staat voor zover van toepassing:

  • a

    de omschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt of is verleend en de prestaties die daarvoor worden geleverd;

  • b

    de resultaten die met de activiteiten moeten worden bereikt of hadden moeten worden bereikt;

  • c

    het bedrag van de subsidie of het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden bepaald en de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;

  • d

    het tijdvak waarvoor de subsidie is of wordt verleend;

  • e

    door het college vast te stellen dan wel vastgestelde verplichtingen;

  • f

    de wijze waarop de subsidie wordt uitbetaald;

  • g

    bezwaar- en beroepsmogelijkheden.

Artikel 2.15 Rapportage en verantwoording

1 De subsidieontvanger dient bij het verzoek tot vaststellen van de subsidie een inhoudelijke en financieel verslag in over de besteding van subsidie waarop het verzoek tot vaststelling betrekking heeft.

2 De in deze verordening gestelde termijn voor rapportage en verantwoording kan eenmalig in overleg met de aanvrager worden verlengd. Bij verschil van inzicht beslist het college.

3 Bij het overschrijden van de overeengekomen of door het college vastgestelde termijn kan het college de subsidie ambtshalve vaststellen.

Artikel 2.16 Evaluatie werking verordening

Eén keer in de vier jaar stelt het college een verantwoording op over de bestede subsidies, de werking van deze verordening en over het gevoerde subsidiebeleid.

HOOFDSTUK 3 BUDGETSUBSIDIE

Artikel 3.1 De aanvraag

1 Een aanvraag voor een budgetsubsidie tot € 25.000 wordt jaarlijks voor 1 oktober voorafgaand aan de periode van vier jaar als bedoeld in artikel 3.2 lid 3 waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, ingediend bij het college met behulp van een door het college vastgesteld formulier.

2 Een aanvraag voor een budgetsubsidie boven € 25.000 wordt voor 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, ingediend bij het college met behulp van een door het college vastgesteld formulier.

3 De aanvrager kan het college verzoeken om uitstel van de in het eerste en tweede lid genoemde termijn.

4 Het in het vorige lid bedoelde verzoek moet minimaal vier weken voor het verstrijken van de in het eerste en tweede lid genoemde termijn schriftelijk en voorzien van een motivering bij het college worden ingediend.

5 Bij de aanvraag wordt door de aanvrager ingediend:

  • a

    het aanvraagformulier;

  • b

    een activiteitenplan voor het boekjaar waarop de aanvraag betrekking heeft en waarin de aard en omvang van de activiteiten, de te leveren prestaties, de doelgroepen, de beoogde doelstelling(en) en het gevraagde subsidiebedrag zijn vermeld;

  • c

    een motivering waarom de uit te voeren activiteiten niet kostendekkend zijn of kunnen zijn, en waarom gemeentelijke subsidiëring gewenst is;

  • d

    een begroting van baten en lasten voor het boekjaar waarop de aanvraag betrekking heeft en de vier jaar volgend op dit boekjaar;

  • e

    een balans van het boekjaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft en waaruit het eigen vermogen van de organisatie blijkt;

  • f

    een vermogensplan;

  • g

    een opgave van bij derden aangevraagde subsidie voor dezelfde activiteiten, met daarbij de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvra(a)g(en).

6 Het college kan eisen formuleren waaraan het activiteitenplan moet voldoen.

Artikel 3.2 De verlening

  • 1. Het college beslist op een aanvraag binnen 4 weken na vaststelling van de begroting door de raad.

  • 2. Deze termijn kan eenmalig worden verlengd met vier weken.

  • 3. Een budgetsubsidie die de grens van € 25.000 niet overschrijdt wordt verleend voor een periode van 4 jaar.

  • 4. Een budgetsubsidie boven € 25.000 wordt verleend voor 1 jaar.

Artikel 3.3 Betaalbaarstelling

1 Een budgetsubsidie tot € 10.000 wordt jaarlijks in één termijn betaalbaar gesteld.

2 Een budgetsubsidie boven € 10.000 wordt in twee termijnen per jaar betaalbaar gesteld, te weten per 1 januari en per 1 juli.

3 In afwijking van het bepaalde in lid 2 kunnen andere betalingstermijnen worden vastgesteld.

Artikel 3.4 De rapportage en verantwoording

1 Over de besteding van een budgetsubsidie tot € 25.000 hoeft door de subsidieontvanger geen rapportage en verantwoording te worden afgelegd behoudens het bepaalde in de nadere regels “Steekproefsgewijze controle subsidies gemeente Schouwen-Duiveland”.

2 Over de besteding van een budgetsubsidie boven € 25.000 legt de subsidieontvanger jaarlijks voor 1 mei volgend op het jaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft rapportage en verantwoording af op basis van een inhoudelijk verslag in de vorm van een jaarverslag en een financieel verslag in de vorm van een jaarrekening.

3 Bij subsidies vanaf € 25.000 voegt de subsidieontvanger aan de in het tweede lid bedoelde rapportage en verantwoording een verklaring van een accountant toe over de getrouwheid van de jaarrekening voor zover de subsidie de grens van € 250.000 niet overschrijdt.

4 Bij subsidies vanaf € 250.000 voegt de subsidieontvanger aan de in het tweede lid bedoelde rapportage en verantwoording een verklaring van een accountant toe over de getrouwheid van de jaarrekening en de rechtmatige besteding van de verleende subsidie.

5 Als een subsidieontvanger verplicht is tot het indienen van een rapportage en verantwoording, dan dient hij daarbij tevens een verzoek in bij het college tot vaststellen van de subsidie.

Artikel 3.5 De vaststelling

1 Het college beslist op een verzoek tot vaststelling van de budgetsubsidie uiterlijk op 1 augustus volgend op de datum waarop het verzoek tot vaststelling is ingediend.

2 Deze termijn kan eenmalig worden verlengd met vier weken.

3 Budgetsubsidie tot € 25.000 worden na het verstrijken van de periode waarvoor zij zijn verleend ambtshalve vastgesteld, behoudens het bepaalde in artikelen 5.1, 5.2, 5.3. en artikel 6.5.

HOOFDSTUK 4 PROJECTSUBSIDIE

Artikel 4.1 De aanvraag

1 Een aanvraag voor een projectsubsidie kan door meerdere (rechts)personen gezamenlijk worden ingediend, waarbij één van de aanvragers optreedt als hoofdaanvrager.

2 Een aanvraag voor een projectsubsidie dient minimaal acht weken voor aanvang van de activiteit(en) ingediend te worden bij het college

3 Als een aanvraag niet tijdig is ingediend, dan wordt deze in afwijking van het bepaalde in het tweede lid van artikel 2.6 door het college buiten behandeling gesteld.

4 Een projectaanvraag is minimaal € 500 groot.

5 Bij de aanvraag wordt door de aanvrager ingediend:

  • a

    het aanvraagformulier;

  • b

    beschrijving van de activiteit(en) (activiteitenplan), inclusief het doel waarvoor subsidie aangevraagd wordt, de te leveren prestaties en de beoogde maatschappelijke effecten;

  • c

    een motivering waarom de uit te voeren activiteiten niet kostendekkend zijn of kunnen zijn, en waarom gemeentelijke subsidiëring gewenst is;

  • d

    een begroting waarin alle baten en lasten van de activiteit(en) zijn weergegeven;

  • e

    een opgave van bij derden aangevraagde subsidie voor dezelfde activiteit(en), met daarbij de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvra(a)g(en);

  • f

    inzicht in de reserves, eigen middelen en voorzieningen van de aanvrager als de aanvrager een rechtspersoon is;

  • g

    een gewaarmerkt exemplaar van met daarin opgenomen de laatste bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde statuten als de aanvrager een rechtspersoon;

  • h

    een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel als de aanvrager een rechtspersoon is.

6 Het college kan eisen formuleren waaraan het activiteitenplan moet voldoen.

7 De kosten van de activiteit(en) die al zijn gestart voor de subsidieverlening zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het college, komen niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 4.2 De verlening

1 Het college beslist op een aanvraag voor een projectsubsidie uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

2 Deze termijn kan eenmalig worden verlengd met twee weken.

Artikel 4.3 Betaalbaarstelling

  • 1. Een projectsubsidie tot € 10.000 wordt in één termijn betaalbaar gesteld.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kunnen andere betalingstermijnen worden vastgesteld.

Artikel 4.4 De rapportage en verantwoording

1 Behoudens het bepaalde in artikel 4.5 wordt over een verleende projectsubsidie door de subsidieontvanger binnen acht weken na afloop van het project verantwoording afgelegd.

2 Het college kan nadere regels stellen waaraan de in het vorige lid bedoelde verantwoording moet voldoen.

Artikel 4.5 De vaststelling

1 Projectsubsidies tot € 2.500 zijn bij subsidieverlening met toepassing van artikel 4:43 Awb al definitief vastgesteld.

2 Het college beslist op verzoek tot vaststelling als bedoeld in artikel 4.4. lid 1 binnen 6 weken.

3 De in het vorige lid bedoelde termijn kan eenmalig worden verlengd met twee weken.

HOOFDSTUK 5 HET WIJZIGEN OF INTREKKEN VAN SUBSIDIE

Artikel 5.1 Het wijzigen of intrekken van subsidie na subsidieverlening

1 Zolang als de subsidie niet is vastgesteld kan het college de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen als:

  • a

    er feiten of omstandigheden bekend worden waarvan het college bij de subsidieverlening niet op de hoogte was of redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn, en op grond waarvan de subsidie niet of anders zou zijn verleend;

  • b

    deze feiten of omstandigheden zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten;

  • c

    de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid;

  • d

    de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of redelijker wijze behoorde te weten;

  • e

    de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

  • f

    de subsidieontvanger niet voldoet aan de aan de subsidie verbonden verplichting(en);

  • g

    de subsidieontvanger de subsidie niet aanwendt voor organisatieonderdelen waarvoor de subsidie is bedoeld;

  • h

    een subsidie is verleend onder het voorbehoud dat de raad voldoende middelen beschikbaar stelt en dat niet het geval is.

2 De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

Artikel 5.2 Het wijzigen of intrekken van subsidie na subsidievaststelling

1 Het college kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen als:

  • a

    er feiten of omstandigheden bekend worden waarvan het college bij de subsidievaststelling niet op de hoogte was of redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn, en op grond waarvan de subsidie niet of anders zou zijn vastgesteld;

  • b

    deze feiten of omstandigheden zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten;

  • c

    de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidievaststelling zou hebben geleid;

  • d

    de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of redelijker wijze behoorde te weten;

  • e

    de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

  • f

    de subsidieontvanger niet voldoet aan de aan de subsidie verbonden verplichting(en);

  • g

    de subsidieontvanger de subsidie niet heeft aangewend voor organisatieonderdelen waarvoor de subsidie is bedoeld.

2 De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

3 De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de instelling worden gewijzigd als sinds de dag waarop zij aan de subsidieontvanger bekend gemaakt vijf jaren zijn verstreken.

Artikel 5.3 Het wijzigen van subsidie bij voorbehoud

1 Het college kan een verleende subsidie wijzigen als het bedrag van de subsidie afhankelijk is gesteld van de werkelijke kosten van de activiteit(en) of het project.

2 Tot de wijziging uit het vorige lid kan ook worden besloten als uit het inhoudelijk en het financieel verslag en de eventuele accountantsverklaring blijkt dat er kosten zijn gemaakt en opgevoerd die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd of die niet verenigbaar zijn met algemeen gangbare normen of uitgangspunten van doelmatigheid en soberheid.

HOOFDSTUK 6 HET VERLENEN VAN VOORSCHOTTEN, TERMIJNBEDRAGEN, BETALEN, OPSCHORTEN VAN BETALING EN TERUGVORDEREN VAN SUBSIDIE

Artikel 6.1 Het vaststellen van voorschotten

1 Het college kan aan een subsidieontvanger één of meer voorschotten verlenen, voor zover dit bij de subsidieverlening is bepaald.

2 De beschikking voor de subsidieverlening vermeldt het bedrag van het voorschot, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

Artikel 6.2 Het vaststellen van termijnbedragen

Het college kan een subsidie in termijnbedragen betaalbaar stellen, mits in de beschikking tot subsidieverlening is bepaald hoe de termijnbedragen worden berekend en de manier waarop zij betaalbaar worden gesteld.

Artikel 6.3 Betalen van de subsidie

1 Behoudens het bepaalde in deze verordening wordt de subsidie binnen vier weken na de subsidieverlening of de subsidievaststelling betaalbaar gesteld.

2 De subsidie wordt overeenkomstig de subsidieverlening of de subsidievaststelling betaalbaar gesteld, onder verrekening van betaalde voorschotten.

Artikel 6.4 Opschorten van de betalingsverplichting

1 De verplichting tot betalen van een subsidiebedrag, respectievelijk termijnbedragen wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het college de subsidieontvanger schriftelijk informeert over het bestaan van een ernstig vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 5.1 of artikel 5.2.

2 De opschorting duurt tot en met de dag waarop de beschikking over het wijzigen of intrekken bekend is gemaakt aan de subsidieontvanger, of de dag waarop sinds de kennisgeving bedoeld in artikel een termijn van dertien weken is verstreken.

Artikel 6.5 Terugvorderen van onverschuldigd betaalde subsidie

Onverschuldigd betaalde subsidie kan worden teruggevorderd binnen vijf jaar na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de wijziging of intrekking van de subsidievaststelling heeft plaatsgevonden.

HOOFDSTUK 7 SLOT- en OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 7.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende van het bepaalde in deze verordening gemotiveerd afwijken indien toepassing van de verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 7.2 Overgangsbepalingen

1Bij het in werking treden van deze verordening wordt de Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2010, laatstelijk gewijzigd vastgesteld door de raad op 17 december 2009 ingetrokken.

2 De over de kalenderjaren 2012 en 2013 verleende subsidies worden afgehandeld overeenkomstig de Algemene subsidieverordening van de gemeente Schouwen-Duiveland 2010, laatstelijk gewijzigd vastgesteld door de raad op 17 december 2009, behoudens begunstigende werking die voortvloeit uit de Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2013, laatstelijk gewijzigd vastgesteld door de raad op 21 februari 2013.

3 Projectsubsidies die voor meerdere jaren zijn verleend op het tijdstip van het in werking treden van deze verordening worden afgehandeld overeenkomstig de Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2010, laatstelijk gewijzigd vastgesteld door de raad op 17 december 2009, behoudens begunstigende werking die voortvloeit uit de Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2013, laatstelijk gewijzigd vastgesteld door de raad op 21 februari 2013.

Artikel 7.3 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 4 maart 2013.

Artikel 7.4 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2013.

Ondertekening

Vastgesteld door de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland in zijn openbare vergadering van 21 februari 2013.

T.van Oostenbrugge G.C.G.M. Rabelink

griffier voorzitter

Nota-toelichting behorend bij de Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2013

ALGEMEEN DEEL

 

De ontstaansgeschiedenis

 

De raad heeft in zijn vergadering van 17 december 2009 de Kadernota Subsidies vastgesteld. Deze nota geldt nog steeds als het beleidskader voor het verstrekken van subsidies in de gemeente Schouwen-Duiveland. Ook heeft de raad toen de Algemene subsidieverordening 2010 vastgesteld als juridische uitwerking van de Kadernota Subsidies.

 

In 2011 is een enquête gehouden onder 135 organisaties die jaarlijks subsidie ontvangen. Wij hebben hun vragen gesteld over de klantvriendelijkheid en klantgerichtheid rondom het subsidieproces. De enquête leverde 53 respondenten op. De organisaties vonden vooral de administratieve verbeteringen belangrijk. Kwaliteit van brieven en de gevoerde gesprekken scoorden over de gehele linie voldoende. Evenals informatieverstrekking over het nieuwe subsidiebeleid en de daaraan gekoppelde voorwaarden.

 

In 2011 en 2012 is een evaluatie uitgevoerd op de eerste cyclus van subsidieaanvraag – verlening – verantwoording en vaststelling. Deze cyclus loopt over 3 jaar. De evaluatie betrof zowel een analyse van de administratieve organisatie rondom het subsidieproces, als een juridisch-technische analyse van de Algemene subsidieverordening 2010 en daarbij behorende regelgeving in de vorm van Beleidsregels. In de analyse is ook een relatie gelegd met de bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die betrekking hebben op subsidies (Titel 4.2 Subsidies) en met de Modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

 

 Uit deze analyse kwam naar voren dat:

- het subsidie proces vaak onnodig lange doorlooptijden kent;

- de administratieve lasten voor gesubsidieerde organisaties en de gemeente hoog zijn;

- de subsidieregelgeving complex is;

- de samenhang tussen de verschillende onderdelen van de regelgeving sterker kan;

- de regelgeving niet transparant is;

- de regelgeving moeilijk toegankelijk is voor derden (subsidieaanvragers).

 

 

De belangrijkste wijzigingen in de regelgeving

 

beperking tot twee soorten subsidie

In de nieuwe Algemene subsidieverordening 2013 (Asv 2013) komen nog maar twee soorten subsidie terug: budgetsubsidies en projectsubsidies.

In de budgetsubsidies onderscheiden we drie categorieën:

.     budgetsubsidies onder € 25.000

.     budgetsubsidies van € 25.000 tot € 250.000

.     budgetsubsidies van € 250.000 en hoger.

     

versterken van de inhoudelijke samenhang

De vier stappen uit het subsidieproces zijn in deze Asv 2013 consequent per soort subsidie beschreven: aanvragen – verlenen – rapporteren en verantwoorden – vaststellen.

 

tot subsidie gerechtigde partijen

In beginsel kan alleen subsidie worden aangevraagd door rechtspersonen zoals bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. In bijzondere gevallen wordt een subsidie verleend aan natuurlijke personen.

 

budgetsubsidies verlenen voor 4 jaar

Met het oog op het verminderen van de administratieve lasten worden budgetsubsidies onder de grens € 25.000 verstrekt voor een periode van vier jaar, voor het eerst ingaand per 1 januari 2015.

 

register van gesubsidieerde organisaties

In het verlengde van het verlenen van budgetsubsidies voor vier jaar wordt in kader van deze Asv 2013 gewerkt met overzicht van organisaties waarmee de gemeente een subsidierelatie onderhoudt. Die organisaties worden opgenomen in een openbaar register. Eenmaal opgenomen in het register wil niet zeggen dat een organisatie voor vier jaar verzekerd is van subsidie. De in deze verordening geformuleerde mogelijkheden tot het tussentijds wijzigen, intrekken of terugvorderen van subsidie zijn hoe dan ook van kracht op organisaties die zijn opgenomen in het register.

 

eenvoudig regime voor het verantwoording van subsidie

Voor het verantwoorden van subsidie is een eenvoudig regime ontwikkeld. Budgetsubsidies onder

€ 25.000 worden steekproefsgewijze gecontroleerd. Budgetsubsidies tussen € 25.000 en € 250.000 worden verantwoord met een inhoudelijk en financieel verslag plus een ‘beoordelingsverklaring’ van een externe accountant (beoordeling van de getrouwheid van het beeld in de beoordeelde jaarrekening). Budgetsubsidies boven € 250.000 worden verantwoord met een inhoudelijk en financieel verslag plus een controleverklaring van een accountant (controle of de ontvangen subsidie besteed is aan de in de verleningsbeschikking genoemde beleidsdoelen). Bij projectsubsidies onder

€ 2.500 is de verlening meteen ook de formele vaststelling van de subsidie.

 

nadere uitwerking Asv 2013

In de Asv 2013 zijn niet alle onderdelen uitputtend uitgewerkt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de steekproefsgewijze controle van budgetsubsidies onder € 25.000. Uitwerking volgt via nadere regels of beleidsregels. Het vaststellen van nadere regels en beleidsregels is een bevoegdheid van het college.

 

de relatie met de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Het verdient aanbeveling om naast deze verordening ook ken­nis te nemen van de Algemene wet bestuursrecht. De hoofdstukken 1 tot en met 4.2 van deze wet gelden namelijk ook voor de besluiten van de gemeente over subsidies. Die hoofdstukken werken dus door in deze verordening.

 

In deze verordening wordt niet verwezen naar bepalingen uit de Awb als dat wel zou kunnen. Er is voor gekozen om voor de gebruiker van de verordening een zo volledig mogelijk procesverloop te schetsen van het aanvragen van subsidie tot en met de vaststelling van de subsidie. Daarom zijn de relevante begrippen uit de Awb integraal overgenomen. Het veelvuldig verwijzen naar bepalingen uit de Awb zou de gebruiksvriendelijkheid van de Asv 2013 niet ten goede komen.

 

de relatie met de Modelverordening van de VNG

De Asv 2013 is breder en diepgaander dan de Modelverordening van de VNG. Deze laatste is erg summier en meer als leidraad bedoeld dan als uitputtende verordening.

 

 

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

 

HOOFDSTUK 1  ALGEMENE BEPALINGEN

 

Artikel 1.1                  Omschrijving van gebruikte begrippen

 

In dit artikel zijn de begrippen omschreven die in deze verordening worden gebruikt. Deze begrippen zijn ook van toepassing op de nadere uitwerking van de Asv 2013 in bijvoorbeeld nadere regels en beleidsregels. Van begrippen die in de Awb zijn genoemd, zijn de definities uit die wet overge­nomen.

 

 

HOOFDSTUK 2           WERKINGSSFEER VAN DEZE VERORDENING

 

Artikel 2.1                  Reikwijdte van de verordening

 

Subsidie wordt alleen verleend voor activiteiten die in het belang zijn van inwoners van de gemeente Schouwen-Duiveland. Dat betekent dat de activiteiten in overwegende mate gericht moeten zijn op de belangen van inwoners van de gemeente.

 

 

Artikel 2.2                  Verdeling van de bevoegdheden

 

In het kader van het begrotingsrecht stelt de raad de financiële kaders voor het subsidiebeleid vast. De raad stelt de algemene inhoudelijke beleidskaders vast en de daarvoor beschikbare middelen. De raad stelt per programma vast hoeveel subsidie maximaal mag worden uitgegeven; dat zijn de subsidieplafonds. Daarmee worden de aanspraken op subsidies beperkt tot een gelimiteerd bedrag. Zo wordt voorkomen dat er regelingen ontstaan met een zogenaamde open einde.

 

Door het vaststellen van subsidieplafonds ontstaat voor het college een grond voor het weigeren van een subsidieaanvraag als met het verlenen van de subsidie de subsidieplafonds zouden worden overschreden.

 

Uiteraard moeten de subsidieplafonds op tijd, maar in ieder geval vóór de aanvang van het tijdvak waarvoor ze zijn vastgesteld, bekend worden gemaakt.

 

Het college is bevoegd om binnen de grenzen van het subsidieplafond per programma een eigen verdelingskeuze maken; dat zijn de subsidieverdeelsleutels.

 

 

Artikel 2.3        Tot subsidiegerechtigde partijen

 

Een budgetsubsidie kan in principe alleen worden aangevraagd door rechtspersonen zoals bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het derde lid van dit artikel geeft aan het college uitdrukkelijk de bevoegdheid om in bijzondere gevallen op basis van de inhoud van de aanvraag ook aan natuurlijke personen een budgetsubsidie te verlenen.

 

 

Artikel  2.4               Het erkennen van organisaties

 

Dit artikel regelt de procedure tot erkenning van rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties die in aanmerking willen komen voor een budgetsubsidie. Het artikel regelt hoe de erkenning wordt aangevraagd en welke documenten bij de aanvraag moeten worden ingediend. Het regelt ook binnen welke termijn het college op de aanvraag moet beslissen. Met het aanleggen van een dergelijk register wordt gezorgd voor een beheersbaar subsidieproces; er ontstaat voor een langere periode ‘rust aan de aanvraagkant’ zodat het college de inkomende stroom van subsidieverzoeken beter kan overzien en ook reguleren in relatie tot de subsidieplafonds. Wisselingen op jaarbasis worden nu zoveel mogelijk uitgesloten dan wel beheersbaar gemaakt.

 

 

Artikel 2.5                    Subsidievormen

 

Dit artikel hoeft geen nadere toelichting.  Artikel  2.6                              Het verzoek tot aanvullende informatie

 

Als een aanvraag onvolledig is, dan geeft het college de aanvrager de gelegenheid de aanvraag compleet te maken. Het college kan daarvoor een termijn stellen.

 

Als de gegevens binnen de gevraag­de termijn niet zijn verstrekt, dan besluit het college de aanvraag buiten behandeling te stellen.

 

Dat kan geen pro forma besluit zijn. Het college moet hierover expliciet een besluit nemen en moet de subsidieaanvrager in een beschikking informeren over het genomen besluit om de aanvraag buiten behandeling te stellen.

 

Als het college geen besluit neemt binnen de hersteltermijn dan moet de aan­vraag volgens de normale procedure worden afgehandeld.

 

Voor aanvragen van een projectsubsidie geldt geen hersteltermijn. Die moet in een keer goed zijn.

 

 

Artikel 2.7                  Niet subsidiabele activiteiten

 

Dit artikel geeft aan welke activiteiten niet voor subsidie in aanmerking kunnen komen. In het eerste lid is het algemene beginsel van doelmatigheid en soberheid geformuleerd. In het tweede lid wordt dwingend aangegeven welke activiteiten zeker daaronder vallen.

 

Subsidie voor voorzieningen die als ‘ luxe’ kunnen worden gezien, kunnen nu expliciet op die grond worden afgewezen. Bij de beoordeling hanteert het college als maatstaf ‘algemeen gangbare normen of uitgangspunten voor doelmatigheid en soberheid’.

 

De afdrachten die lokale afdelingen van landelijke (koepel)organisaties moeten doen áán die landelijke (koepel)organisaties worden niet gesubsidieerd omdat landelijke (koepel)organisaties geen direct belang van de inwoners van de gemeente dienen.

 

Ook wordt geen subsidie verleend voor het ‘maken van geld met geld’ via bijvoorbeeld sponsorbijeenkomsten of benefietconcerten.

 

Als luxe wordt bijvoorbeeld aangemerkt de aankledingen van gebruiksruimtes of programmaboekjes en catalogi bij projecten.

 

In het kader van de scheiding van Kerk en Staat worden geen subsidies verleend voor activiteiten die alleen een religieus of levensbeschouwelijk doel dienen.

 

Evenmin worden subsidies verleend voor politieke doelen.

 

Ook zuiver commerciële doelen zijn uitgesloten van subsidie.

 

 Artikel  2.8                   Het weigeren van een subsidieaanvraag

 

Dit artikel regelt een aantal situaties waarin een subsidieaanvraag wordt geweigerd. Er is gekozen voor een dwingende formulering om duidelijkheid te scheppen over de situaties waarin de subsidieaanvraag in ieder geval wordt geweigerd. Ook in andere gevallen dan de in het artikel genoemde, kan het college op naar haar mening goede gronden, een aanvraag weigeren.

 Artikel  2.9                              Het verlenen van subsidie onder voorbehoud 

Dit artikel geeft een regeling voor het geval de raad niet voldoende middelen beschikbaar stelt. Het artikel kan worden gezien als een instrument om de subsidie-uitgaven beheersbaar te houden. Het begrotingsvoorbehoud is een oplossing voor het probleem dat het soms onver­mijdelijk is om subsidies te verlenen ten laste van een nog niet vastgestelde of goed­gekeurde begroting. Door het begrotingsvoorbehoud krijgt het college de bevoegdheid om op de subsidieverlening terug te komen als dat redelijkerwijs noodzakelijk is.

 

Het begrotingsvoorbehoud kan als een opschortende of een ontbindende voorwaarde worden geformuleerd of toegepast.

 

Bij een opschortende voorwaarde wordt de subsidieverlening pas feitelijk van kracht als de begro­ting is vastgesteld of goedgekeurd. Deze methode ligt voor de hand als er niet al vóór de goedkeuring of vaststelling van de begroting voorschotten moeten worden betaald.

 

Een ontbindende voorwaarde moet worden opgenomen als wel al voor­schotten moeten worden verleend.

 

Het beginsel van rechtszekerheid dwingt het college ertoe binnen vier weken na vaststelling of goed­keuring van de begroting een eventueel noodzakelijk beroep te doen op het begrotingsvoorbehoud. Dit vereiste vloeit voort uit artikel 4:34 Awb.

 

 

Artikel  2.10              Verplichtingen van de subsidieontvanger

 

De subsidieontvanger moet te allen tijde aan het college melden als er zich in of rondom zijn organisatie of project ontwikkelingen voordoen die direct of indirect van invloed zijn of kunnen zijn op de subsidieverlening of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend. Op die manier kan het college zicht houden op wat er met de verleende subsidie gebeurt. Dit is nadrukkelijk geformuleerd als een zorgplicht voor de subsidieontvanger; de actieve informatieverplichting is een gerechtvaardige verplichting.

 

Nadrukkelijk is als verplichting geformuleerd dat de subsidieontvanger een deugdelijke administratie moet voeren en het behoud daarvan ook moet borgen of garanderen na beëindiging van de rechtspersoon. Dat is niet alleen bedoeld als bescherming van de ontvanger zelf, maar het geeft de gemeente ook de mogelijkheid om nader onderzoek te kunnen doen als er zich calamiteiten voordoen. Die zorgplicht geldt ook voor natuurlijke personen.

 

 

Artikel 2.11                  Verbodsbepalingen voor de subsidieontvanger

 

Parallel aan het niet subsidiëren van activiteiten die gericht zijn op het ‘maken van geld met geld’, mag de subsidieontvanger anderen ook niet daartoe in staat stellen door op te treden als sponsor en daarvoor subsidiegelden te gebruiken.

 

In dit artikel is ook het algemene discriminatieverbod opgenomen.

 

 Artikel  2.12                Het recht op reservering, voorziening en afschrijving

 

Dit artikel geeft voor budgetsubsidies een algemene basisregel over de rechten en verplichtingen rondom het vormen van reserves, voorzieningen en de afschrijvingen. Die basisregel heeft de vorm van een percentage van de exploitatie-uitgaven, met een minimumbedrag.

 

Voor projectsubsidies geldt het principe dat de niet aan het project bestede middelen na afloop van het project rechtstreeks terugvloeien naar de gemeente.Artikel 2.13                  Het afsluiten van een uitvoeringsovereenkomst

 

Het college kán met een gesubsidieerde organisatie een uitvoeringsovereenkomst sluiten; het is dus geen verplichting. Uitvoeringsovereenkomsten kunnen aan de orde komen bij het verlenen van budgetsubsidies boven € 250.000. Ook voor budgetsubsidies onder die grens kunnen uitvoeringsovereenkomsten gesloten worden, maar doorgaans niet voor budgetsubsidies onder € 25.000. Het college beslist daarover per subsidieaanvraag.

 

Een uitvoeringsovereenkomst mag geen herhaling zijn van de beschikking. De kernelementen van de subsidierelatie tussen de gemeente en de gesubsidieerde organisatie moeten in de subsidiebeschikking staan, zoals een aanduiding van de activiteiten, eventuele aanvullende verplichtingen, het bedrag van de subsidie of de berekeningswijze van het bedrag.

 

De uitvoeringsovereenkomst kan nooit in de plaats komen van de subsidiebeschikking. Dat is van belang omdat naar de gangbare rechtsopvattingen bij een geschil over de beschik­king de bestuursrechter bevoegd is. Bij een geschil over de uitvoeringsovereen­komst ligt die bevoegdheid bij de burgerrechter.

 

Een eventuele verplichting die aan de subsidieontvanger wordt opgelegd om mee te werken aan een uitvoeringsovereenkomst moet als voorwaarde worden opgenomen in de subsidiebeschikking. Dat mag dus geen terloops gedane mededeling zijn, maar moet deel uitmaken van de voor bezwaar en beroep openstaande beschikking.

 

 

Artikel 2.14                Beschikking tot het verlenen en/of vaststellen van de subsidie

 

Dit artikel regelt de minimale inhoudsvereisten van de beschikking tot het verlenen en/of vaststellen van de subsidie.

 

 

Artikel 2.15                Rapportage en verantwoording

 

Dit artikel geeft de procedure aan die wordt gevolgd bij het vaststellen van een subsidie en het geeft een algemene aanduiding van de schriftelijke stukken die moeten ingediend bij een verzoek tot vaststelling van subsidie. In hoofdstuk 3 van de Asv 2013 worden nadere regels gesteld ten aanzien van de rapportage en verantwoording van budgetsubsidies en in hoofdstuk 4 ten aanzien van projectsubsidies.

 

Artikel 2.16                  Evaluatie werking Asv 2013

 

Artikel 4:24 van de Awb bepaalt dat ten minste eens in de vijf jaar een verslag wordt gepubliceerd over de doel­treffendheid en de effecten van subsidies in de praktijk, tenzij bij wettelijk voor­schrift anders is bepaald. Dit artikel dwingt tot een periodieke evaluatie van het subsidie-instrument en waar nodig tot aanpassingen. In deze Asv 2013 is gekozen voor een cyclus van 4 jaar.

 

Vorm en inhoud van het verslag zijn vrij. Het kan bijvoorbeeld in de vorm van een op zichzelf staande beleidsrapportage of een rapportage in de begrotingstoelichting. Voor de inhoud geldt als algemene eis dat inzichtelijk wordt gemaakt hoe doeltreffend subsidies zijn en wat de beoogde en eventuele neveneffecten zijn in de praktijk.

 

 

HOOFDSTUK 3           BUDGETSUBSIDIE

 

Algemeen

 

Hoofdstuk 3 omvat 5 artikelen waarin per stap uit het subsidieproces is aangegeven hoe het proces verloopt.

 

 

Artikel 3.1                    De aanvraag

 

Budgetsubsidies onder € 25.000 kunnen worden aangevraagd voor een periode van vier jaar. Een aanvraag moet worden ingediend vóór 1 oktober voorafgaand aan die periode van vier jaar.

 

Budgetsubsidies boven € 25.000 worden jaarlijks aangevraagd; ook vóór 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

 

Lid 5 van dit artikel regelt uitvoerig de minimale inhoudelijke eisen waaraan de aanvraag moet voldoen.

 

 

Artikel 3.2                    De verlening

 

Dit artikel regelt de duur van de verleende subsidie. Per 1 januari 2015 kan een budgetsubsidie onder € 25.000 voor vier jaar worden verleend. Aanvragen die voor 2013 zijn ingediend worden in principe verleend voor 2013 en 2014.

 

 

Artikel 3.3                  Betaalbaarstelling

 

Dit artikel regelt dat een budgetsubsidie in één of meer termijnen betaalbaar kan worden gesteld. Deze bepalingen zijn in overeenstemming met het bepaalde in de Financiële verordening van de gemeente Schouwen-Duiveland.

 

 

Artikel 3.4                  De rapportage en verantwoording

 

Dit artikel regelt de procedure voor rapportage en verantwoording van budgetsubsidies in een oplopende vorm van zwaarte van de verantwoording.

 

Rapportage en verantwoording van een budgetsubsidie onder € 25.000 vindt steekproefsgewijze plaats. Dit is de lichtste vorm van verantwoording. De procedure daarvoor en de omvang van de steekproef wordt vastgelegd in een nadere regel.

 

Het tweede en derde lid van dit artikel regelen voor de budgetsubsidies boven € 25.000 dat er een beoordelingsverklaring of een controleverklaring aan de financiële verantwoording wordt toegevoegd.

 

Het vierde lid regelt dat voor de budgetsubsidies vanaf € 250.000 een accountantsverklaring wordt toegevoegd aan het financieel verslag waarin de accountant niet alleen zijn oordeel uitspreekt over de getrouwheid van de jaarrekening, maar ook over de rechtmatigheid van de besteding van de subsidie. Dit is de zwaarste vorm van verantwoording.

 

 

Artikel 3.5                  De vaststelling

 

Hier is in algemene zin de termijn vastgelegd waarbinnen het college moet beslissen op een verzoek tot vaststelling van een budgetsubsidie.

 

Als een organisatie waaraan een budgetsubsidie is verleend onder € 25.000 met toepassing van de nadere regels ‘Steekproefsgewijze controle’ in de steekproef is gevallen, dan dient die organisatie uiteraard een verzoek tot vaststelling van de subsidie in. Daartoe wordt ze schriftelijk door het college uitgenodigd.

 

Budgetsubsidies die buiten de steekproef zijn gevallen worden na het verstrijken van de termijn van vier jaar, respectievelijk twee jaar voor de subsidies die voor 2013-2014 zijn verleend, ambtshalve vastgesteld.

 

Uiteraard blijven in alle gevallen de bepalingen over het wijzigen of intrekken van subsidie (art. 5.1 t/m 5.3) en over het terugvorderen van subsidie (art. 6.5) onverminderd van kracht.

 

 

HOOFDSTUK 4           PROJECTSUBSIDIE

 

Artikel 4.1                  De aanvraag

 

Projectsubsidies kunnen gedurende het hele jaar worden aangevraagd, maar uiteraard binnen de grenzen van het beschikbare subsidieplafond. Bij de verlening geldt het beginsel ´wie het eerst komt, die het eerst maalt´. Het overschrijden van het subsidieplafond voor projectsubsidies is dus een directe afwijzingsgrond.

 

Om een zorgvuldige afweging van de aanvraag door het college mogelijk te maken is een minimumtermijn van acht weken opgenomen die moet liggen tussen het tijdstip van het indienen van de aanvraag en de start van het project.

 

Anders dan bij budgetsubsidies is er geen hersteltermijn opgenomen voor onvolledige aanvragen. Daarmee wordt voorkomen dat pro forma aanvragen worden ingediend. Deze regel geeft ook minder administratieve drukte binnen de gemeentelijke organisatie. Tegen diezelfde achtergrond is ook een drempel gevoerd voor de minimale omvang van een project. Kleinschalige activiteiten kunnen onder de vlag van de dorpsraden worden uitgevoerd; dat is een deel van de concrete invulling van hun functie. Waar nog geen dorpsraad actief is wordt per aanvraag een passende voorziening getroffen.

 

In dit artikel is met het oog op een zorgvuldige afweging door het college een aantal algemene eisen geformuleerd waaraan een aanvraag voor een projectsubsidie moet voldoen. Daarnaast kan het college nadere eisen formuleren waaraan een projectplan moet voldoen. Die eisen kunnen worden vastgelegd in nadere regels.

 

Ten slotte worden projectkosten die al zijn gemaakt voordat de subsidie is verleend uitgesloten van subsidie.

 

 

Artikel 4.2                  De verlening

 

Het college moet binnen zes weken na het indienen van de aanvraag een beslissing nemen, maar kan die termijn met twee weken verlengen als de zorgvuldigheid die nodig is om de aanvraag te beoordelen dat noodzakelijk maakt. Als de aanvrager de aanvraag tijdig indient weet hij vóór de start van het project of de subsidieaanvraag wordt gehonoreerd. Als dat in de praktijk tot een tijdsklem leidt, kan het college in uitzonderlijke gevallen een beroep doen op de hardheidsclausule.

 

 

Artikel 4.3                  Betaalbaarstelling

 

Dit artikel hoeft geen nadere toelichting.

 

 

Artikel 4.4                  De rapportage en verantwoording

 

Alleen over projectsubsidies boven € 2.500 moet rapportage en verantwoording worden afgelegd in de vorm van een inhoudelijk en financieel verslag. Het college kan per geval nadere regels stellen waaraan de rapportage en verantwoording moet voldoen.

 

 

Artikel 4.5                  De vaststelling

 

Dit artikel hoeft geen nadere toelichting.

 

 

HOOFDSTUK 5           HET WIJZIGEN OF INTREKKEN VAN SUBSIDIE

 

Artikel 5.1                  Het wijzigen of intrekken van subsidie na subsidieverlening

Artikel 5.2                  Het wijzigen of intrekken van subsidie na vaststelling

 

Een subsidie kan niet abrupt worden gewijzigd of ingetrokken. Een dergelijk besluit moet zorgvuldig worden genomen (het zorgvuldigheidsbeginsel). Het college moet een redelijke termijn in acht nemen voordat het tot intrekking of wijziging overgaat.

 

Het tussentijds wijzigen of intrekken van een subsidie of het wijzigen of intrekken van een subsidie nadat die al is vastgesteld is een stevige inbreuk op het vertrouwensbe­ginsel. Dat is één van de grondslagen van de relatie tussen de overheid enerzijds en de gesubsidieerde organisaties anderzijds. Daarom stelt dit artikel strenge eisen aan het wijzigen of intrekken van een subsidie.

 

Als een subsidie is verleend op grond van onjuiste feiten of omstandigheden die het college niet kon kennen ten tijde van het verlenen van de subsidie, dan ligt het voor de hand dat de subsidie niet hoeft te worden voortgezet. Nieuwe feiten hoeven zich niet pas ná de subsidievaststelling te hebben voorgedaan. Vereist is dat het college bij de vaststelling van de subsidie niet op de hoogte was van de nieu­we feiten of hiervan niet op de hoogte kon zijn of had kunnen zijn.

 

Veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten moeten zich in overwegende mate verzetten tegen voortzetting of ongewijzigde voorzetting van de subsidie. Deze formulering geeft aan dat er sprake moet zijn van veranderde omstandigheden die een zwaarwegend belang opleveren, of van een beleidswijziging waarvoor zwaarwegende redenen bestaan. Van een veranderde omstandigheid is bijvoorbeeld sprake als de gemeente zich onder invloed van gewijzigd rijksbeleid gedwongen ziet om ingrijpende bezuinigingen door te voeren.

 

Als jaarlijkse subsidieverlening plaatsvindt, ligt tussentijdse intrekking of wijziging meestal minder voor de hand en komt weigering van de nieuwe subsidie voor een volgend tijdvak of jaar eerder in aanmerking.

 

Hoofdregel is dat intrekking of wijziging gebeurt met terugwerkende kracht. De intrekking zónder terugwerkende kracht is bedoeld voor die gevallen waarin de subsidieontvanger de onjuistheid van feiten of omstandigheden niet kende of niet behoorde te kennen. Is dat wel het geval, dan is intrekking met terugwerkende kracht mogelijk.

 

Bij subsi­dies voor voortdurende activiteiten eist de redelijkheid soms echter dat de intrekking niet verder terugwerkt dan tot op het moment waarop de activiteiten zijn beëindigd of het moment waarop in strijd met opgelegde verplichtingen is gehandeld.

 

De lengte van de redelijke termijn hangt af van de aard van de subsidie en de gesubsidieerde activiteiten. De memorie van toelichting bij de Awb noemt enkele relevante factoren. Aan de subsidieontvanger moet tijd worden gegund om rechtmatige verplichtingen ten opzichte van derden zorgvuldig te kunnen afwikkelen. Bij bijvoorbeeld noodzakelijk ontslag van personeel als gevolg van de intrekking van subsidie moet de subsidieontvanger in staat worden gesteld de voorgeschreven opzegtermijnen in acht te nemen.

 

Naarmate het intrekken of wijzigen sterker ingrijpt in de financiële situatie van de subsidieontvanger, moet deze meer tijd krijgen om zich op de nieuwe situatie te kunnen voorbereiden. Bij een volledige intrekking wordt meestal een langere termijn in acht genomen, dan bij relatief geringe verlaging van het subsidiebedrag.

 

Soms kan een korte termijn aanvaardbaar zijn, als het college bereid is de nadelige gevolgen voor haar rekening te nemen, door bijvoorbeeld lopende financiële verplichtingen van de subsidieontvanger over te nemen.

 

De subsidie kan op nihil worden vastgesteld als de sub­sidieontvanger de activiteit(en) in het geheel niet heeft verricht.

 

Ook bij het niet naleven van aanvullende verplichtingen kan de subsidie op nihil worden vastgesteld. Het enkele feit dat niet wordt of is voldaan een door het college opgelegde administratieve verplichting kan zelfs tot een nihil-vaststelling leiden.

 

Ook hier moet altijd het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen. Bij het geven van onjuiste inlichtingen door de subsidieontvanger is niet vereist dat de subsidieontvanger op de hoogte was van de onjuistheid van de gegevens of hiervan op de op de hoogte behoorde te zijn. Het is in ieder geval mogelijk om de subsidie vast te stellen op het bedrag dat uit de juiste gegevens voortvloeit.

 

Bij een kennelijk onjuiste subsidieverlening gaat het bijvoorbeeld om een typefout waardoor de subsidieverlening een factor 10 te hoog is. Eerdere contacten tussen de gemeente en de subsidieontvanger kunnen dan van belang zijn bij de vraag of de subsidieontvanger wist of behoorde te weten dat de subsidieverlening onjuist was.

 

Een subsidievaststelling kan tot uiterlijk vijf jaar na de datum van de vaststelling worden ingetrokken.

 

 

Artikel 5.3                  Het wijzigen van subsidie bij voorbehoud

 

In dit artikel wordt geregeld dat het college een verleende subsidie altijd kan wijzigen na vaststelling of gewijzigde vaststelling van de begroting door de raad.

 

Als een projectsubsidie is verleend onder voorbehoud van werkelijke kosten en bij de subsidieverlening is volstaan met het aangeven van de bereke­ningswijze van het subsidiebedrag en dus geen maximum bedrag is genoemd, dan moet de subsidie in de wijzigingsbeschikking wel aan een maximum worden gebonden. Een systeem waarbij ongelimiteerd feitelijke kosten kunnen worden gedeclareerd is ongewenst. Het in de beschikking genoemde bedrag is dus de maximale subsidie.

 

 

HOOFDSTUK 6          HET VERLENEN VAN VOORSCHOTTEN, TERMIJNBEDRAGEN,

BETALEN, OPSCHORTEN VAN BETALING EN TERUGVORDEREN VAN SUBSIDIE

 

Artikel 6.1                    Het vaststellen van voorschotten

 

Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om te werken met voorschotten.

 

Met het verlenen van voorschotten wordt vooruit gelopen op het betaalbaar stellen van het subsidiebedrag zelf. Voor de praktijk is voorschotverlening van groot belang. Veel activiteiten zijn gebaat bij het beschikbaar zijn van liquide middelen zodat de subsidieontvanger kan voldoen aan zijn financiële verplichtingen ten opzichte van derden.

 

Het is goed mogelijk om het verlenen van de subsidie en het verlenen van een voorschot te combineren in één beschikking. Dat voorkomt een eventuele ‘dubbele rechtsbescherming’ c.q. dubbele beroeps- en bezwaarprocedure. De beschikking tot het verlenen van het voorschot verliest zijn geldigheid door het vaststellen van de subsidie.

 

 

Artikel 6.2                    Het vaststellen van termijnbedragen

 

Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om de subsidie in twee of meer termijnen uit te betalen.

 

 

Artikel 6.3                    Betalen van subsidie

 

Dit artikel verplicht het college tot betaalbaarstelling van het vast­gestelde subsidiebedrag onder aftrek van betaalde voorschotten.

 Artikel  6.4                               Opschorten van de betalingsverplichting

 

Dit artikel geeft een beperkte mogelijkheid om betaling van subsidie of voorschotten stop te zetten als het intrekken of wijzigen van een subsidie wordt overwogen.

 

Het voornemen tot het wijzigen of intrekken wordt vaak ingegeven door een handelen of nalaten van de subsidieontvanger zelf, waardoor het college het wenselijk kan vinden de subsidie onmiddellijk stop te zetten, vooruitlopend op de wijzigings- of intrekkingsbeschikking zelf. Zo wordt voorkomen dat de subsidie later moet worden teruggevorderd of zelfs niet meer kan worden teruggevorderd wegens gebrek aan baten of middelen bij de subsidieontvanger.

 

De bevoegdheid tot het opschorten is niet beperkt tot gevallen waarin de subsidieontvanger een verwijt kan worden gemaakt. Ook een voorgenomen intrekking wegens het inroepen van een begrotingsvoorbehoud valt onder het bereik van het artikel.

 

Omdat het om een ingrijpende bevoegdheid gaat vereist het artikel een ernstig vermoeden dat er grond is voor het wijzigen of intrekken van de subsidie. Om dezelfde re­den kunnen de betalingen niet onbeperkt worden opgeschort. De Awb hanteert hier dwingend de termijn van dertien weken (art. 4.56 Awb). Daarna herleeft de betalingsverplichting. De opschorting is dus een tijdelijke maatregel. Binnen dertien weken moet er definitief beslist worden over de wijziging of intrek­king.

 

 

Artikel 6.5                  Terugvorderen van onverschuldigd betaalde subsidie

 

Dit artikel geeft de mogelijkheid om onverschuldigd betaalde subsidie en voorschotten terug te vorderen. Dat kan het geval zijn als het bedrag van betaalde voorschotten het vastgestelde subsidiebedrag te boven gaat.

 

Een dergelijke situatie doet zich bijvoorbeeld voor als bij de eindafrekening van projecten de kosten lager blijken te zijn dan het bedrag van de raming dat als grondslag heeft gediend voor het bepalen van het voorschot.

 

Voor het terugvorderen geldt een verjaringstermijn van 5 jaar (Awb arti­kel 4:57).

 

In plaats van het terugvorderen van onver­schuldigd betaalde subsidies of voorschotten kan het college ook besluiten om het bedrag te verrekenen met subsidies of voorschotten voor een volgend tijdvak. 

 

HOOFDSTUK 7           SLOTBEPALINGEN

 Artikel 7.1                    Hardheidsclausule

 

Het college kan altijd bij bijzondere omstandigheden afwijken van de bepalingen in deze Asv 2013 of de strikte toepassing hiervan versoepelen. Dan gaat het zuiver om knelpunten als gevolg van procesbepalingen. Daarbij gaat het niet om het ‘passend maken van een aanvraag’ als die inhoudelijk niet binnen de kaders van de verordening valt. Als dat wel gebeurt dan dreigt overschrijding van de grens van één van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het verbod op willekeur.

 

 

Artikel 7.2                    Overgangsbepalingen

 

Dit artikel regelt de afhandeling van de subsidies over 2012 verleende subsidies. Deze subsidies worden in principe afgehandeld volgens de Algemene subsidieverordening 2010. Als afhandeling volgens de Asv 2013 gunstiger is voor de subsidieontvanger dan wordt de Asv 2013 toegepast. Dat moet per soort subsidie worden beoordeeld.

 

Dit artikel regelt ook dat budgetsubsidies onder € 25.000 die zijn aangevraagd voor 2013 worden afgehandeld volgens de Asv 2013 en worden per jaar verleend voor 2013 en 2014.

 

Artikel  7.3                  Inwerkingtreding

 

Dit artikel bepaalt de datum waarop deze verordening van kracht wordt.

  Artikel 7.4                    Citeertitel

 

Dit artikel bepaalt de citeertitel van de verordening.