Standplaatsenbeleid gemeente Westerveld 2009, versie februari 2013

Geldend van 13-02-2013 t/m 31-10-2018

Intitulé

Standplaatsenbeleid gemeente Westerveld 2009, versie februari 2013

Nieuw titeldeel

STANDPLAATSENBELEID

GEMEENTE WESTERVELD

Diever

2009

Versie februari 2013

1. Inleiding

Op grond van artikel 5.18 van de Algemene Plaatselijke Verordening Westerveld 2012 (hierna te noemen APV) is het verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Als weigeringsgronden worden onder andere genoemd het niet voldoen aan redelijke eisen van welstand, strijdigheid met het bestemmingsplan en nadere regels op grond van artikel 2.10, lid 3. In artikel 2.10, lid 3 staat dat het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels kan stellen ten aanzien van standplaatsen. Tevens wordt in artikel 5.18 verwezen naar de algemeen geldende weigeringsgronden van artikel 1.8: in het belang van openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu.

Regelmatig worden verzoeken voor standplaatsen ontvangen. Vóór de opstelling van dit beleid in 2008 werden de meeste verzoeken gehonoreerd. De middenstand van de diverse dorpskernen van de gemeente Westerveld was hier niet altijd blij mee; zij vrezen voor hun bestaansrecht als er zomaar overal standplaatsen komen. Concurrentie is echter geen grond om een vergunning te weigeren. In de APV 2012 is als weigeringsgrond opgenomen: het in gevaar komen van een redelijk verzorgingsniveau ter plaatse voor de consumenten door het verlenen van een standplaatsvergunning.

Aan de hand van de weigeringsgronden genoemd in artikel 1.8 en het tweede en derde lid van artikel 5.18 van de APV, kan het college beleidsregels vaststellen waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. In een dergelijk beleid worden objectieve, algemeen bekendgemaakte criteria aangegeven die bij de beoordeling van een vergunningaanvraag worden gehanteerd.

Het opstellen van een standplaatsenbeleid heeft door het verhelderen en uniformeren in uitvoering van de regels een positief effect op de deregulering. Door het opstellen van beleid wordt er invulling gegeven aan de APV en wordt de “wildgroei” van standplaatsen en een aantasting van het aanzicht van de dorpskernen voorkomen. Door het opstellen van een standplaatsenbeleid wordt het aantal en de locaties van de standplaatsen in de gemeente Westerveld gereguleerd. Dit voorkomt een concentratie van standplaatsen op bepaalde locaties of op bepaalde dagen.

Het opstellen van een beleidsnotitie voor standplaatsen heeft als doel om:

  • -

    ondernemers duidelijkheid te bieden over hun mogelijkheden en positie;

  • -

    voor het gemeentelijk apparaat helderheid te scheppen over vergunningverlening en handhaving.

Buiten het toepassingsbereik van deze beleidsnotitie blijven de standplaatsen op de reguliere weekmarkten, incidentele snuffel- en rommelmarkten en evenementen als braderieën en kermissen.

Gebleken is dat de tweewekelijkse biologische markt op het terrein bij het Koloniemuseum in Frederiksoord, georganiseerd door de Maatschappij van Weldadigheid, tot 2012 geen “marktstatus” had en de kraamhouders geen standplaatsvergunning hadden.

In de Marktverordening 2012 is opgenomen dat het mogelijk is om een marktorganisatievergunning aan te vragen.

2. Begripsbepaling

In deze beleidsnotitie wordt verstaan onder:

  • a.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • b.

    aanvraag: de aanvraag voor een standplaatsvergunning;

  • c.

    vergunninghouder: iedere natuurlijke- of rechtspersoon aan wie het college een vergunning voor een standplaats heeft verleend;

  • d.

    APV: de Algemene Plaatselijke Verordening van de Gemeente Westerveld;

  • e.

    toezichthouder: de op grond van hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht aangewezen ambtenaar;

  • f.

    feestdagen: (inter)nationale feestdagen;

  • g.

    branche: een tak van handel of nijverheid die bij de Kamer van Koophandel algemeen aanvaard is;

  • h.

    standplaats: een plaats niet zijnde een winkel waar goederen te koop worden aangeboden;

  • i.

    standplaatsmarkt: een verzameling standplaatsen waarbij de locatie is bepaald;

  • j.

    vaste standplaats: een standplaats waarbij de locatie is bepaald;

  • k.

    losse standplaatsen: een standplaats voor met name incidentele- of seizoensgebonden standplaatsen waarbij de locatie wordt bepaald bij de behandeling van de aanvraag van de vergunning;

  • l.

    standplaats bij particulier: een standplaats die op het grondgebied van een particulier wordt ingenomen;

  • m.

    dagdeel: een deel van een dag dient te worden aangemerkt als een dag.

3. Juridisch kader

Op grond van artikel 5.18 van de APV 2012van de gemeente Westerveld is het zonder vergunning van het college verboden een standplaats in te nemen of te hebben.

Een vergunning kan worden geweigerd:

-in het belang van

* de openbare orde;

* de openbare veiligheid;

* de volksgezondheid;

* de bescherming van het milieu;

- indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;

- indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

Een vergunning moet, met inachtneming van bijzondere omstandigheden, worden geweigerd:

- vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit of nadere regels op grond van artikel 2.10, lid 3.

Volgens artikel 9 van de Europese Dienstenrichtlijn is een vergunningstelsel geoorloofd indien het noodzakelijk, evenredig en niet discriminatoir is. Voor het noodzaakvereiste moet bezien worden of er een 'rule of reason' ofwel een dwingende reden van algemeen belang is. Een dwingende reden van algemeen belang is onder meer handhaving van de maatschappelijke orde en bescherming van het milieu en stedelijk milieu, daaronder begrepen de stedelijke en rurale ruimtelijke ordening. Standplaatsenbeleid dient het verdelen van de beschikbare standplaatsen en het mogelijk maken van een maximumstelsel. Het beleid heeft tevens tot doel overlast te voorkomen, bijvoorbeeld stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval.

Weigeringsgronden

Artikel 5.18 van de APV bevat in het derde lid een verwijzing naar de algemeen geldende weigeringsgronden van artikel 1.8 APV: strijdigheid met openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu. Bovendien worden als weigeringsgronden aangemerkt: redelijke eisen van welstand en strijdigheid met een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit of nadere regels op grond van artikel 2.10, lid 3 en het redelijkerwijs te verwachten in gevaar komen van een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse.

Openbare orde en veiligheid

Bij de bescherming van de openbare orde kan gedacht worden aan het voorkomen van overlast. Deze weigeringsgrond valt vaak samen met verkeersveiligheid. Overlast kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden door een verkeersaantrekkende werking van standplaatsen. Hierdoor kan gevaar bestaan voor voetgangers, maar kan ook overlast veroorzaakt worden door overstekende bewegingen van voetgangers en fietsen. Standplaatsen kunnen ook groepsvorming tot gevolg hebben, welke op haar beurt kan leiden tot lawaai, rommel of vernielingen. Zodanige verstoringen kunnen ook de rust en het woongenot van omwonenden aantasten. Ook ongewenste marktvorming dient in het belang van openbare orde en veiligheid tegengegaan te worden.

Verkeersveiligheid

De weigeringsgronden omtrent de openbare orde en openbare veiligheid bevatten tevens de verkeersveiligheid. Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden hebben in de praktijk een verkeersaantrekkend karakter. Door deze verkeersaantrekkende werking ontstaan mogelijk ongewenste oversteekbewegingen door voetgangers en ontoelaatbaar rijwielverkeer in voetgangersgebieden. Ook parkerende en geparkeerde auto's kunnen overlast in de omgeving veroorzaken en beslag leggen op de beschikbare parkeergelegenheid. In het belang van de verkeersveiligheid is het daarom niet mogelijk overal een standplaats in te nemen.

Redelijke eisen van welstand

De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, maar ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen en (beschermde) dorpskernen gewaarborgd.

Bestemmingsplan

Het innemen van een standplaats kan strijdig zijn met het geldende bestemmingsplan. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats moet altijd getoetst worden op de voorschriften van het bestemmingsplan. Door het aanwijzen van locaties voor standplaatsen wordt éénmalig getoetst aan het bestemmingsplan.

Woon- en l eefomgeving

Het college is op grond van artikel 2.10, lid 3 van de APV bevoegd in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels te stellen ten aanzien van standplaatsen. Door het standplaatsenbeleid kan voorkomen worden dat er een wildgroei van standplaatsen plaatsvindt en kan het aantal en de locaties van standplaatsen worden beperkt.

Verzorgingsniveau en Europese dienstenrichtlijn

De Dienstenrichtlijn staat de weigeringsgrond van het in gevaar komen van een redelijk verzorgingsniveau voor standplaatsen die (mede) diensten verlenen niet toe omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het is echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen omdat de Dienstenrichtlijn daarop niet van toepassing is. Het reguleren van de concurrentieverhoudingen is geen huishoudelijk belang van de gemeente. Alleen wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt, mag de gemeente regulerend optreden en een vergunning weigeren. Dan moet echter wel worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.

Inhoud standplaatsenbeleid

Het motief van het beleid moet zijn het ordenend optreden (artikel 149 Gemeentewet). Een standplaatsenbeleid kan opgesteld worden met inachtneming van de genoemde weigeringsgronden. In de jurisprudentie is daarbij uitgemaakt dat een maximumstelsel is toegestaan. Het voordeel van een maximumstelsel is dat in de toekomst niet elke aanvraag afzonderlijk op alle aspecten beoordeeld hoeven te worden. Indien het maximum aantal standplaatsen nog niet verleend is en aan de voorwaarden wordt voldaan, zal de vergunning verleend dienen te worden. Indien het maximale aantal vergunningen verleend is, zal de vergunning geweigerd worden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die vergunningverlening noodzakelijk maken.

De zaken die het college in het standplaatsenbeleid kan vastleggen betreffen:

  • de vaststelling van het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen;

  • de vaststelling van het aantal af te geven standplaatsvergunningen per branche;

  • de aanwijzing van locaties waar standplaatsen mogen worden ingenomen;

  • de aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden ingenomen.

Overige regelgeving

Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van de APV van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan de straathandel:

Grondwet

Artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting) brengt met zich mee dat voor het aanbieden van gedrukte stukken geen vergunning kan worden geëist. Als dit echter gebeurt vanaf een standplaats, is voor het innemen van de standplaats wel een vergunning vereist.

Wet op de Ruimtelijke ordening

Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan. Wanneer wel een vergunning, zoals vereist krachtens de APV, wordt verstrekt, blijven eventuele eisen die in het geldende bestemmingsplan worden gesteld van kracht. Het college kan een aanvraag voor het innemen van een standplaats mede opvatten als een verzoek om vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan. In een dergelijk geval wordt een aanvraag gebruikt voor twee afzonderlijke procedures. Het is dan niet nodig twee afzonderlijke aanvragen in te dienen.

Winkeltijdenwet

De Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de openingstijden van winkels en het leveren van goederen aan particulieren. De bepalingen uit de Winkeltijdenwet gelden ook voor de verkoop van goederen vanaf een standplaats. Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Winkeltijdenwet geschiedt door de Economische Controledienst.

Warenwet

Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet (eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, andere dan van tabak, en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede hoedanigheid en aanduiding van waren. Daarnaast stelt de Warenwet regels met betrekking tot de hygiëne en degelijkheid van producten. Met betrekking tot het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Warenwet is een afzonderlijk regime van toepassing. De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden naast de voorschriften die door het college gesteld kunnen worden op basis van een standplaatsvergunning.

Wet milieubeheer

In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen gelden ook voor een standplaatshouder, voor zover zijn verkoopplek als 'inrichting' kan worden aangemerkt. Van belang is bijvoorbeeld de regelgeving die geldt voor patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Ook de Afvalstoffenverordening speelt wat betreft hinder en overlast een rol voor standplaatshouders en hun bezoekers. Zo is het verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten.

4. Situatievóór 2009

Alvorens deze beleidsnotitie in 2009 is opgezet, heeft in eerste instantie een analyse van de toen bestaande situatie van standplaatslocaties en standplaatsvergunningen plaats gevonden.

4 .1 A anbod standplaatslocaties en vergunningen 2008

In 2008 waren er in Westerveld zeven min of meer structurele locaties beschikbaar als vaste standplaatslocatie. Deze locaties zijn weergegeven in bijlage 1. Het kan hierbij gaan om een dag of dagdeel per week of een standplaats voor meerdere dagen per week.

Havelte

Nabij de C1000 staat op vrijdag een standplaats voor de verkoop van kip.

Op het Piet Soerplein is op woensdagochtend de weekmarkt en in november en december staat er een oliebollenkraam.

Diever

Bij het Dingspilhuus staat op woensdag een standplaats voor de verkoop van kaas en voor een wokmobiel en op donderdagmiddag een standplaats voor de verkoop van brood.

Op het parkeerterrein aan de Hoofdstraat staat een deel van het jaar op donderdag en zaterdag van 8.30 tot 18.00 uur een standplaats voor het uitvoeren van autoreparaties.

Op de Brink staat op donderdag en zaterdag en van mei tot en met september dagelijks een standplaats voor de verkoop van vis.

Op Kasteel nabij de eendenvijver staan dagelijks, van 11.00 tot 22.00 uur, een snackkar en een visboer.

Dwingeloo

Op de Brink staat op donderdag en zaterdag een standplaats voor de verkoop van vis.

Op dinsdagochtend is op de Brink een weekmarkt.

Vledder

Op vrijdag staat op het Lesturgeonplein van 11.00 tot 18.00 uur een standplaats voor de verkoop van vis.

Op donderdagochtend is op het Lesturgeonplein een weekmarkt.

Naast de vaste standplaatsen op gemeentegrond staat er in Uffelte aan de Rijksweg 21 op eigen terrein een standplaats voor de verkoop van planten en bloemen.

Naast de vaste standplaatslocaties zijn er ook nog een aantal locaties in de gemeente waarvoor een standplaatsvergunning voor seizoensverkoop is afgegeven. Het gaat hierbij vooral om oliebollenkramen (november - december) en ijskarren (april – oktober).

Een oliebollenkraam stond in 2008 op de volgende locaties:

In Diever op de Brink van 7 tot en met 12 mei en bij het Dingspilhuus van 16 november tot en met 31 december.

In Havelte op het Piet Soerplein van 16 november tot en met 31 december.

Voor een ijskar is in 2008 voor de volgende locaties voor de zomermaanden (april – oktober) een standplaatsvergunning afgegeven:

In Dwingeloo voor de vijfsprong bij camping Noordster, op de vijfsprong nabij de kruising Drift/Leeuweriksveldweg en voor de Brink bij de C1000.

In Vledder voor het Lesturgeonplein.

In Wateren voor het kruispunt Wateren-Appelschaseweg.

In Holtinge voor het Studentenpad.

In Frederiksoord voor de Van Swietenlaan nabij het voormalig Terra College.

Voor een aantal standplaatslocaties zijn meerdere vaste standplaatsvergunningen afgegeven. Deze vaste standplaatsvergunningen hebben in het algemeen een beperking in tijd, bijvoorbeeld voor 1 of 2 dagen per week, maar er zijn ook standplaatsvergunning afgegeven voor alle dagen in de week.

Naast de jaarvergunningen voor vaste standplaatsen worden seizoenstandplaatsen verleend, bijvoorbeeld voor de verkoop van seizoensgebonden artikelen zoals ijs en oliebollen of losse standplaatsvergunningen voor incidentele acties zoals het repareren van autoruiten.

4 .2 Knelpunten in de situatie voor 2009

In de praktijk van de jaren voor het standplaatsbeleid waren er een aantal knelpunten, te weten:

  • -

    er waren geen beleidsregels voor standplaatsen vastgelegd;

  • -

    de locaties van de standplaatsen waren niet vastgesteld;

  • -

    klachten van winkeliers over:

* ondoorzichtigheid van het standplaatsenbeleid en de handhaving hiervan;

* oneerlijke concurrentie van standplaatshouders;

-de tariefstelling was oneerlijk.

Hieronder worden deze ervaren knelpunten kort toegelicht.

Er ware n geen beleidsregels voor standplaatsen vastgelegd

Tot de inwerkingtreding van het standplaatsenbeleid werd elk verzoek op een standplaatsvergunning incidenteel beoordeeld. Er diende derhalve voor elke aanvraag een afweging gemaakt te worden. Door deze incidentele beoordeling kon rechtsonzekerheid ontstaan. Beleid bevordert de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid. Een aanvraag kon juridisch niet worden geweigerd indien niet een weigeringsgronden opgenomen in de APV van toepassing was. Dit betekende dat er geen vergunning geweigerd kon worden op grond van het feit dat er voor een locatie of een dorpskern al één of meer standplaatsvergunningen verleend waren. Hierdoor ontstond gevaar voor wildgroei en marktvorming.

De locaties van de standplaatsen waren niet vastgesteld

Zoals hierboven is beschreven kon een aanvraag juridisch niet geweigerd worden indien niet een weigeringsgronden van toepassing was. Door het vastleggen van beleid waarbij de locaties voor vaste standplaatsen zijn vastgelegd en door een maximumsysteem te hanteren, kan een evenwichtige verdeling van standplaatsen worden bereikt en kan een wildgroei van standplaatsen worden voorkomen.

De winkeliers ervaarden ondoorzichtigheid van vergunningverlening en handhaving

Door het ontbreken van een standplaatsenbeleid heerste er bij de winkeliers

onduidelijkheid over de omvang van deze vorm van handel en de wijze waarop vergunningverlening en handhaving plaatsvindt.

Klachten van winkeliers over oneerlijke concurrentie van standplaatshouders

Standplaatshouders hebben te maken met lagere exploitatielasten dan winkeliers en kunnen daardoor vaak werken met lagere prijzen dan winkeliers. Dit leidde soms tot klachten of bezwaarschriften van winkeliersverenigingen betreffende oneerlijke concurrentie. De gemeentelijke overheid heeft echter in beginsel geen taak wat betreft het regelen van concurrentieverhoudingen. In de praktijk betekent dit dat een standplaatsvergunning doorgaans niet geweigerd kan worden vanwege het feit dat in de betreffende dorpskern al een winkel in dezelfde branche aanwezig is. In de jurisprudentie is uitgemaakt dat dit slechts mogelijk is indien aangetoond wordt dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt door het innemen van de standplaats.

Wél heeft een gemeente doordat zij de hoogte van de standplaatsvergoeding vaststelt een grote invloed op de genoemde exploitatielasten.

De tariefstelling wa s oneerlijk .

De tariefstelling voor standplaatsen was tot 2009 opgenomen in de legesverordening. Het tarief voor de vergunning was afhankelijk van de termijn dat er een standplaats op één plaats werd ingenomen; er was een tarief per dag, week, maand, kwartaal, half jaar en heel jaar.

Hierbij werd geen onderscheidt gemaakt voor het aantal dagen dat een standplaatshouder per week de standplaats innam. Dit betekende dat een standplaatshouder die één ochtend in de week een standplaats innam een gelijk bedrag betaalde als een standplaatshouder die een hele week een standplaats innam, terwijl een standplaatshouder die drie dagen/dagdelen een standplaats op drie verschillende locaties innam, drie maal het tarief betaalde. Ook waren de standplaatsleges aanzienlijk lager dan de marktgelden voor de weekmarkten.

4 .3 Doel van het opstellen van standplaat sen beleid

Het in de APV opgenomen artikel 5.18 (tot 2010 artikel 5.2.3.2) biedt niet meer dan een kader waarbinnen verdere uitwerking dient plaats te vinden. De praktijk bij het beoordelen van aanvragen voor een standplaatsvergunning in Westerveld was tot 2009 niet in beleidsregels gevat. Een beleidskader was daarom gewenst.

De beleidsnotitie beoogt niet het op grote schaal veranderen van het beleid zoals dat tot 2009 werd gevoerd, maar op het duidelijk stellen en uitwerken van regels zodat voor alle partijen, voor zowel de ondernemer/standplaatshouder als die gemeentelijke diensten die betrokken zijn bij standplaatsen, helderheid wordt verschaft. Het beleid dient voorts praktisch uitvoerbaar te zijn en zo goed mogelijk oplossingen te bevatten voor de gesignaleerde knelpunten.

De volgende punten zijn in het beleid opgenomen:

  • -

    maximum aantal standplaatsen, zowel vaste standplaatsen als seizoensplaatsen;

  • -

    locaties van de vaste standplaatsen;

  • -

    tariefstelling per dag/dagdeel;

  • -

    regels voor de standplaatsen, bijvoorbeeld maximale grootte van de standplaats.

5. Beleidskader en vergunningvoorschriften

5 .1 Beleidskader

Algemeen

Het beleid van standplaatsvergunningen is in hoofdzaak gericht op een rechtvaardige verdeling van de standplaatsen met inachtneming van de weigeringsgronden die geformuleerd zijn in de artikelen 1.8 en 5.18, leden 2 en 3 van de APV, namelijk: het belang van de openbare orde, het belang van openbare veiligheid, het belang van de volksgezondheid, het belang van milieu, de eisen van redelijke welstand, strijdigheid met een geldend bestemmingsplan en het in gevaar komen van een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse. Een weigering van een standplaatsvergunning is juridisch gezien een inbreuk op de vrijheid van burgers om economische activiteiten te ontplooien. Een goede onderbouwing van de weigering is daarom noodzakelijk. De gemeente moet daarbij aantonen dat het publieke belang opweegt tegen de belangen van de aanvrager.

De jurisprudentie heeft uitgemaakt dat niet een onbepaald groot aantal vergunningen afgegeven kan worden. Hierdoor is een maximering toegestaan. Gemeenten kunnen overgaan tot:

• het aanwijzen van locaties waar standplaatsen mogen worden ingenomen;

• het vaststellen van een maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen;

• het aanwijzen van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden ingenomen.

Ruimte die wordt ingenomen door standplaatsen, wordt aan andere functies onttrokken (parkeren, openbare weg, trottoir, etc.). Aangezien het niet wenselijk is om op grote schaal ruimte te onttrekken aan deze openbare functies, wordt een restrictief standplaatsenbeleid voorgesteld.

De belangrijkste onderdelen van het beleid worden hieronder kort uiteen gezet:

a) Vaste standplaatslocaties

b ) Maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen

c ) Vaste standplaatsvergunningen

d ) Aantal standplaatsvergunningen per branche

e ) Maximale groot te van een standplaats

f ) Tijdstippen waarop een standplaats ingenomen mag worden

g) Ontruimen van de standplaats ‘s avonds

h ) Persoonsgebondenheid standplaatsvergunningen

i ) Afwezigheid vergunninghouder

j) Wachtlijst

k ) Intrekken en vervallen verklaren van een standplaatsvergunning

l ) Incidentele standplaatsvergunningen

m ) Maximum duur van incidentele en seizoensgebonden standplaatsvergunningen

n ) Particuliere standplaatsen

o ) Overgangssituatie

p ) Bijzondere gevallen

q ) Stroom

a) Vaste standplaatslocaties

Tot 2009 waren er ongeveer zeven locaties in gebruik ten behoeve van vaste standplaatshouders. Elk van de vier grotere kernen hadden minimaal één standplaatslocatie. Deze locaties zijn opnieuw bekeken en beoordeeld. De beoordeling is gebaseerd op de aspecten die zijn geformuleerd in de artikelen 1.8 en 5.18, lid 2 en 3 van de APV.

In het beleid is opgenomen dat, behoudens bijzondere omstandigheden, voor vaste standplaatsen geen vergunning af te geven op andere dan de volgende locaties:

  • -

    bij het Dingspilhuus in Diever, plaats voor maximaal 2 standplaatsen gelijktijdig en op woensdag maximaal 5 standplaatsen gelijktijdig;

  • -

    tijdelijk op Kasteel in Diever, plaats voor maximaal 1 standplaats;

  • -

    op de Brink in Dwingeloo;

  • -

    op het Lesturgeonplein in Vledder;

  • -

    op het Piet Soerplein in Havelte;

  • -

    op het parkeerterrein tegenover de school in Wapserveen;

  • -

    op de hoek Eemneslaan en Linthorsthomanlaan in Wilhelminaoord;

  • -

    op het parkeerterrein bij Rijksweg 41 in Uffelte.

Zie voor locatieaanduiding de plattegronden in bijlage 3.

Bij het verlenen van de vaste standplaatslocaties is bewust gekozen voor de dorpskernen en bij voorkeur in de nabijheid van winkels. Standplaatshouders zijn gebaat bij de aantrekkingskracht van winkels. De vergunninghouders vragen bij voorkeur een locatie in de grotere dorpskernen nabij winkels. Standplaatsen kunnen het voorzieningenpakket in een dorp (tijdelijk) versterken en aanvullen. Winkels zijn binnen de Gemeente Westerveld vooral te vinden in de kernen Havelte, Diever, Dwingeloo en Vledder.

Alle locaties bevatten één standplaats, met uitzondering van de locatie bij het Dingspilhuus in Diever waar twee standplaatsen gelijktijdig mogelijk zijn en op woensdag vijf. De uitzondering voor het Dingspilhuus is opgenomen omdat in de (grotere) dorpskern Diever geen weekmarkt meer is. Gebleken is dat er bij de bewoners wel behoefte is aan een weekmarkt. Gezien de nog onbekende ontwikkelingen van het Dingspilhuus en de afwezigheid van een stroomvoorziening, is het instellen van een weekmarkt thans nog niet mogelijk. Tot de instelling van een weekmarkt in Diever door de gemeenteraad zijn op woensdag maximaal vijf standplaatsen mogelijk.

Tot 2013 waren ook op de locatie nabij Kasteel te Diever twee standplaatsen toegestaan. Deze uitzondering voor Kasteel was opgenomen omdat hier al een groot aantal jaren twee vaste standplaatsen stonden. Na het vertrek van de tweede standplaatshouder is nog één standplaats toegestaan. Deze laatste uitzondering is echter een tijdelijke. Bij vertrek van de huidige vergunninghouder zal deze standplaatslocatie opgeheven worden.

Bij de meeste locaties is de ruimte te beperkt voor meerdere standplaatsen of weegt het handhaven van de huidige functie zwaarder. Bij meerdere standplaatsen op één plek ontstaat tevens de kans van feitelijke marktvorming. Dit is onwenselijk ten opzichte van de weekmarkten. Zo worden, mede ingegeven vanuit het criterium van “openbare orde”, geen aanvragen gehonoreerd voor het innemen van een standplaats op marktdagen op de locaties Lestergeonplein in Vledder, de Brink in Dwingeloo en het Piet Soerplein in Havelte. Deze laatste met uitzondering voor een seizoensgebonden standplaats voor een oliebollenkraam in de periode 16 november tot en met 31 december. Op dagen dat de markt incidenteel verschoven wordt naar een andere dag, bijvoorbeeld tijdens feestdagen, dienen nadere afspraken gemaakt te worden met degene die voor die betreffende dag een vergunning heeft voor een standplaats.

Ook wordt geen standplaatsvergunning afgegeven op dagen en tijdstippen waarop een standplaatsmarkt, een kermis of evenement wordt gehouden.

Voor de locatie de Brink in Dwingeloo is van belang dat de Brink de status van beschermd dorpsgezicht heeft. Dit heeft als gevolg dat de uitgifte van een standplaats bij voorkeur dient te geschieden op basis van incidentele verkoop. Bij de uitgifte van een vaste standplaatsvergunning dienen de verkoopunits bij voorkeur een transparant karakter te hebben en mogen deze een maximale lengte van 5 meter niet overschrijden en geen uitstallingen hebben.

b ) Maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen

Iedere gemeente kan een maximum aantal af te geven vergunningen vaststellen voor de gemeente als geheel en voor de diverse deelgebieden. In rechterlijke uitspraken wordt wel een verband gelegd tussen het maximum aantal te verlenen vergunningen en de omvang van een kern of gemeente. De gemeente Westerveld heeft bijna 20.000 inwoners verdeeld over 26 kernen. De kernen Havelte, Diever, Dwingeloo en Vledder hebben ongeveer 3.500, 2.475, 4.200 en 2.000 inwoners. De overige inwoners zijn verdeeld over de andere 22 kleine kernen waarvan Uffelte, Wapserveen en Wilhelminaoord rond de 1.000 inwoners hebben. De overige kernen variëren van 700 tot 3 inwoners. Een norm van één standplaatsvergunning op 1.000 inwoners lijkt een reële aanname, waarbij een standplaatslocatie aanwezig is in de kernen vanaf 800 inwoners.

Tot op heden zijn de verzoeken om een vergunning voornamelijk voor de vier grotere dorpskernen. De standplaatslocaties zullen zich dan ook voornamelijk in deze kernen bevinden. Gezien het aantal inwoners in de kernen Uffelte, Wapserveen en Wilhelminaoord zijn hier ook standplaatslocaties gecreëerd. Dit betekent dat in deze zeven kernen elke dag, met uitzondering van de zondag en de ochtenden dat er op een locatie een weekmarkt plaatsvindt of de bibliotheekbus er staat (Wilhelminaoord), minimaal één en maximaal twee vaste standplaatsvergunningen verleend kunnen worden. Hierbij wordt aangetekend dat wanneer er een weekmarkt in Diever ingesteld wordt, het aantal standplaatsen bij het Dingspilhuus met ingang van het kalenderjaar volgende op de instelling van de weekmarkt naar één teruggebracht wordt.

Zoals eerder is aangegeven worden voor Westerveld acht vaste jaarstandplaatslocaties voorgesteld voor tien standplaatsen, met een verloop naar zeven locaties voor acht standplaatsen in verband met de “uitsterfconstructie” van Kasteel als standplaatslocatie. Het maximum aantal vaste standplaatsvergunningen is bereikt, wanneer al deze locaties gedurende de gehele week zijn ingevuld, ervan uitgaande dat per dag door maximaal één ambulante handelaar standplaats wordt ingenomen, met de uitzonderingen voor de dagen dat er weekmarkt is en voor Wilhelminaoord dat de bibliotheekbus op de standplaatslocatie staat (donderdagmiddag). Met andere woorden: het maximale aantal jaarstandplaatsvergunningen voor Westerveld bedraagt:

1 standplaats voor 7 dagen = 7

4 standplaatsen voor 6 dagen = 24

4 standplaatsen voor 5 dagen = 20

1 standplaats 3 extra = 3

Totaal 54 standplaatsen

(met verloop in Diever: Kasteel van 7 en Dingspilhuus van 9 (instellen weekmarkt).

Afgaande op de vraag naar vaste standplaatsvergunningen van de afgelopen jaren en het inwonersaantal van Westerveld kan met het aanbod van deze vaste standplaatslocaties royaal worden volstaan.

c ) Vaste standplaatsvergunningen

Een vaste standplaatsvergunning wordt meestal voor een kalenderjaar verleend. Een vergunninghouder van een vaste standplaatsvergunning kan maximaal twee dagen per week standplaats innemen omdat anders sprake is van een meer (semi) permanent karakter terwijl standplaatsen een mobiel karakter dienen te houden. Kiosken zijn binnen het kader van standplaatsen niet toegestaan. Het verkoopmateriaal dient buiten verkooptijden verwijderd te zijn.

Om onenigheid over het ‘recht op een standplaats’ te voorkomen worden de volgende regels gehanteerd:

• De standplaatshouder die in enig jaar een vergunning heeft voor de betreffende locatie voor bepaalde dagen, heeft voor het volgend jaar het zogeheten eerste recht voor deze locatie en dagen.

• Een tweede ondernemer kan de overgebleven dagen opvullen, een derde de volgende, etc.

• Aanvragen dienen van 1 september tot uiterlijk 1 december in het voorafgaande jaar bij de

gemeente te worden ingediend.

d ) Aantal standplaatsvergunningen per branche

Om een evenwichtige verdeling van de branches en een gevarieerd aanbod per locatie mogelijk te maken, wordt per locatie voor niet meer dan twee dagen per week vergunning verleend binnen dezelfde branche. Juridisch gezien is het als gemeente niet mogelijk om branches te weigeren. Dit betekent feitelijk dat indien voor een standplaatslocatie niet voor alle dagen een vergunning is verleend, een vergunningaanvraag voor eenzelfde branche dan waarvoor op deze locatie al een vergunning is afgegeven, niet geweigerd kan worden.

Een uitzondering van het maximum aantal van twee dagen per week per branche op één locatie geldt voor de huidige standplaatshouder op Kasteel in Diever en gold voor een periode tot en met 2011 voor de standplaatsvergunninghouder die de drie jaren daarvoor een standplaatsvergunning voor alle dagen in de week hadden.

e ) Maximale groot te van een standplaats

Aangezien door het innemen van een standplaats ruimte aan andere openbare functies wordt onttrokken, is het wenselijk is het aantal standplaatsen beperkt te houden. Om dezelfde reden wordt voorgesteld het ruimtebeslag van een individuele standplaats ook beperkt te houden.

De maximale lengte van een standplaatsunit bedraagt 8 meter met een maximale oppervlakte van 20 m². Voor de Brink in Dwingeloo, beschermd dorpsgezicht, geldt een maximale lengte van 5 meter. De motivatie hiervoor is dat het vanuit redelijke eisen van welstand niet wenselijk is grote standplaatsen in onze agrarische, toeristische en weinig bebouwde plattelandsgemeente te hebben. Grotere standplaatsen kunnen terecht op onze weekmarkten. Wij tekenen hierbij tevens aan dat wij streven naar het instellen van een weekmarkt in Diever.

f ) Tijdstippen waarop een standplaats ingenomen mag worden

Het verkopen vanaf een standplaats is gebonden aan de winkelsluitingstijden op grond van de Winkeltijdenwet. Standplaatsvergunningen worden hierop afgestemd.

Uitzonderingen hierop zijn standplaatsen die artikelen verkopen waarvoor ook voor de reguliere verkoop de winkelsluitingstijden niet van toepassing zijn zoals bijvoorbeeld ijs en snacks.

g) Ontruimen van de standplaats ‘s avonds

Aangezien het gaat om ambulante handel dient de standplaats ’s avonds ontruimd te worden. Voorkomen moet worden dat er (semi-)permanent een verkoopkar of andere standplaats-verkooppunt aanwezig blijft zoals dit is gebeurd op Kasteel in Diever. Voor de huidige standplaatshouder (een snackkar) op Kasteel in Diever is bij het opstellen van dit beleid een uitzondering gemaakt voor de ontruimingsplicht. Op termijn zal deze uitzonderingspositie echter worden beëindigd.

Bij tijdelijke seizoensgebonden standplaatsen, zoals oliebollenkramen, is weinig gevaar voor het ontstaan van een permanente standplaats. Door de afmeting van de oliebollenkramen is het voor de vergunninghouder bijna onmogelijk de oliebollenkraam ’s avonds dagelijks te ontruimen. De ontruimingsplicht in de avond geldt dan ook niet voor de tijdelijke, seizoensgebonden oliebollenkramen.

h ) Persoonsgebondenheid standplaatsvergunningen

Een vergunninghouder dient de standplaats persoonlijk in te nemen. De rol van de gemeente is dat wij erop moeten toezien dat de beschikbare plaatsen op rechtvaardige wijze worden verdeeld. Een standplaatsvergunning is niet overdraagbaar omdat anders handel in vergunningen mogelijk wordt.

Overschrijven van een vergunning op naam van een familielid, partner of persoon die werkzaam is in het bedrijf is niet mogelijk. In bijzondere gevallen, bijvoorbeeld bij overlijden van de vergunninghouder, kunnen burgemeester en wethouders besluiten hiervan af te wijken. Hierbij kan aansluiting worden gevonden bij de bepaling over “overschrijving vaste standplaatsvergunning” uit het Marktreglement van de gemeente.

i ) Afwezigheid vergunninghouder

Vergunninghouder met een vaste standplaatsvergunning neemt tenminste eenmaal per twee weken en tenminste tienmaal per dertien weken zijn standplaats in. Indien vergunninghouder wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden niet in staat is zijn standplaats met bovengenoemde frequentie in te nemen, deelt hij dit schriftelijk mee aan het college.

Tijdens afwezigheid van de standplaatshouder wordt de standplaats doorberekend. De plaats kan dan niet door een andere ondernemer worden ingevuld.

Wanneer de afwezigheid door bijzondere omstandigheden langer dan zes weken tot maximaal drie maanden duurt, kan de vergunninghouder een plaatsvervanger voordragen aan de gemeente. Verrekening van de verschuldigde standplaatsgelden dient onderling plaats te vinden.

Wanneer de vergunninghouder langer dan drie maanden geen gebruik maakt van de vergunning, zal deze worden ingetrokken.

j ) Wachtlijst

In de jaren voor 2009 is gebleken dat het aantal locaties voor vaste standplaatsen incidenteel onvoldoende was om te beantwoorden aan de vraag. Met name voor de locatie bij het Dingspilhuus in Diever was incidenteel een grotere vraag zodat voor deze locatie twee standplaatsen mogelijk zijn. Als gevolg van deze vraag zal ook worden onderzocht of er een weekmarkt in Diever ingesteld zal worden. Tevens worden er een drietal standplaatslocaties in de kernen Uffelte, Wapserveen en Wilhelminaoord ingesteld.

Indien er desondanks meer vraag is voor een vaste standplaatsvergunning (op een bepaalde locatie) dan standplaatsen, zullen de verzoeken op een wachtlijst worden geplaatst op volgorde van binnenkomst. Indien voor een bepaalde branche meer verzoeken om standplaatsen worden ontvangen dan verleend kunnen worden, vindt vergunningverlening plaats naar rangorde van binnenkomst.

k ) Intrekken en vervallen verklaren van een standplaatsvergunning

De vergunning kan bij beschikking worden ingetrokken indien:

• De vergunninghouder hierom verzoekt;

• De vergunninghouder zich na twee schriftelijke waarschuwingen niet houdt aan de wet, regelgeving of vergunningvoorschriften omtrent het gebruik van de standplaats;

• De vergunning niet gebruikt wordt volgens de op de aanvraag vermelde gegevens op basis waarvan de vergunning is verstrekt;

• Gedurende drie maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning;

• De vergunninghouder zijn/haar bedrijf beëindigt;

• De vergunninghouder op een andere dag of op een andere locatie een standplaats gaat innemen;

• De vergunninghouder met een ander product een standplaats in wil nemen.

De vergunning vervalt wanneer de vergunninghouder overlijdt.

l ) Incidentele - en/of seizoen standplaatsvergunningen

Incidentele- of seizoenstandplaatshouders kunnen van de aangewezen vaste standplaatslocaties gebruik maken als er in de betreffende periode geen gebruik wordt gemaakt van de locatie door een vaste standplaatshouder.

Aanvragers voor een incidentele- of seizoenstandplaats die gebruik willen maken van een andere locatie dan de aangewezen vaste standplaatslocaties, zullen moeten motiveren waarom ze niet op een vaste standplaatslocaties willen staan en waar ze gedurende de aangevraagde periode wél willen staan. Nadat de aanvraag is ingediend zal in overleg met de gemeentelijke teams Leefomgeving en Openbare Werken worden nagegaan of de gevraagde locatie mogelijk en wenselijk is.

Voorwaarden voor de inname van een incidentele- of seizoensgebondenstandplaats is voornamelijk gelegen in de verkeersveiligheid. Geen standplaats kan worden ingenomen:

  • -

    langs in- en uitvalswegen;

  • -

    langs wegen met vrijliggende fietspaden;

  • -

    binnen een afstand van 20 meter van een kruispunt;

  • -

    langs wegen die worden gebruikt door streekbussen en/of provinciale wegen;

  • -

    op plaatsen waar al een vaste standplaatshouder staat;

  • -

    op plaatsen met een hoge verkeersdruk.

m ) Maximum duur van incidentele - en seizoensgebonden standplaatsvergunningen

Het aantal aanvragen voor incidentele standplaatsen is niet groot. Voorgesteld wordt de mogelijkheid om incidenteel standplaats in te nemen te beperken tot een maximum van 12 dagen. Voor seizoensgebonden producten zoals standplaatsen met kerstbomen of met oliebollen geldt een maximale duur van anderhalve maand. De maximale duur voor een ijscokar is zes maanden (april tot en met september). We gaan er hierbij vanuit dat de ijscokarren weinig ruimte innemen en alleen op dagen dat het mooi weer is standplaats zullen innemen.

Voor incidentele standplaatsen wordt maximaal één standplaatsvergunning per dorpskern per dag afgegeven.

Wij vinden het niet noodzakelijk om een maximum aantal seizoensgebonden standplaatsvergunningen vast te stellen, maar wel een maximum aantal van twee per dorpskern, met een maximum van één per branche.

De locaties voor een incidentele- of seizoensgebonden standplaats wordt per aanvraag bekeken (zie l .).

n ) Particuliere standplaatsen

Particuliere standplaatsen op eigen terrein volgen de beleidslijn en vergunningvoorwaarden zoals deze bij reguliere standplaatsvergunningen worden gehanteerd. Zij vallen echter niet onder de vaste standplaatsen. Het maximum aantal te verlenen vergunningen voor particuliere standplaatsen op eigen terrein bedraagt maximaal één locatie per dorpskern en voor maximaal twee dagen per week.

o ) Overgangssituatie

Overgangsrecht zoals opgenomen in het standplaatsenbeleid 2009 is in 2012 niet meer van toepassing, met uitzondering van Kasteel in Diever.

Kasteel in Diever

Ten aanzien van de standplaatslocatie op Kasteel in Diever is bij het opstellen van het standplaatsenbeleid in 2009 bepaald dat de twee standplaatshouders (thans nog één) op dezelfde voorwaarden als hun vergunningen tot en met 2009 gehandhaafd worden op basis van het feit dat zij al vele jaren voor 7 dagen per week een standplaatsvergunning hebben. Het gaat hierbij om een uitzondering op de regels dat de standplaats maximaal twee dagen per week door dezelfde vergunninghouder mag worden ingenomen en dat de standplaats ‘s avonds ontruimd moet worden.

Voor deze locatie is echter bepaald dat dit een tijdelijke locatie is: zodra een van deze standplaatshouders de vergunning opzegt of niet meer aanvraagt (verlengt), zal voor deze plek geen nieuwe standplaatsvergunning worden afgegeven en vervalt deze standplaatslocatie. Na opzegging of niet verlenging door de nog overblijvende vergunninghouder, zal ook deze locatie als standplaatslocatie vervallen. De standplaatshouder voor de verkoop van vis heeft eind 2012 de standplaatsvergunning opgezegd zodat er thans nog één standplaatshouder (snacks) op Kasteel staat.

Dit betekent echter niet dat de uitzonderingspositie van deze vergunninghouder tot opzegging of niet verlenging zal doorlopen. Bij het opstellen van het beleid in 2009 heeft het college geen nadeel willen toebrengen aan deze standplaatshouder omdat hij al vele jaren op deze standplaats staat. Het college ziet ook geen reden deze uitzonderingspositie thans te beëindigen, maar wel zal de uitzonderingspositie voor deze standplaatshouder op termijn worden beëindigd. De locatie “Kasteel” is de toegangspoort van Diever. De eendenvijver is een blikvanger voor het verkeer dat Diever vanaf de noord-, oost- en westkant binnen komt. Ook bevindt de standplaatslocatie zich nabij de toegang van de begraafplaats. De constante aanwezigheid van de verkoopwagen is dan ook vanuit het oogpunt van welstand onwenselijk. Het college sluit dan ook niet uit dat op termijn een besluit wordt genomen om de standplaatslocatie op te heffen of te verplaatsen.

Tevens kunnen zich omstandigheden voordoen, zoals een herinrichting van Kasteel, waardoor het college zich genoodzaakt zal voelen de standplaatslocatie Kasteel in Diever op te heffen. Aan de huidige standplaatshouder zal dan een andere standplaatslocatie(s) worden aangeboden waarbij de standplaats ’s avonds zal moeten worden ontruimd.

p ) Bijzondere gevallen (hardheidsclausule)

Het is altijd mogelijk dat zich een bijzonder geval voordoet. Omdat het onmogelijk is om alle uitzonderingen in een beleid te verwoorden, behoudt de Gemeente Westerveld zich het recht voor aanvragen op haar merites te beoordelen en per keer te bepalen of het maken van een uitzondering wenselijk is met inachtneming van de toetsingscriteria.

q ) Stroom

Indien een standplaatslocatie zich bij een gemeentelijke stroomkast bevindt, wordt de standplaatshouder in de gelegenheid gesteld stroom af te nemen van de gemeente. Hiervoor is echter wel een vergoeding verschuldigd. Eventuele schade toegebracht aan de stroomkast veroorzaakt door standplaatshouder, zal op de standplaatshouder verhaald worden.

5 .2 Vergunningvoorschriften

In de standplaatsvergunning wordt onder andere vermeld de locatie, branche en maximale afmetingen van de standplaats. Tevens worden aan de standplaatsvergunning voorschriften verbonden. De voorschriften hebben ten doel de openbare orde, veiligheid en het milieu te beschermen.

Als uitgangspunt voor het opstellen van de voorschriften zoals hieronder vermeld, zijn de voorschriften genomen zoals in de jaren tot 2009 in de praktijk zijn gehanteerd aangevuld met voorwaarden die tevens noodzakelijk worden geacht.

  • 1.

    De vergunninghouder maakt persoonlijk gebruik van de vergunning.

  • 2.

    De standplaats dient aan het einde van de dag ontruimd te worden.

  • 3.

    De vergunninghouder mag zich bij de exploitatie van de standplaats niet laten vervangen door een ander, tenzij hij in het bezit is van een machtiging daartoe, afgegeven door het college.

  • 4.

    Het niet daadwerkelijk gebruiken van de vergunning leidt tot intrekking daarvan. Intrekking vindt in elk geval plaats indien gedurende drie maanden geen gebruik van de vergunning wordt gemaakt.

  • 5.

    Er mogen geen andere goederen ten verkoop worden aangeboden dan die waarvoor de vergunning geldt.

  • 6.

    Afvalbakken, parasols, luifels en andere faciliteiten ten behoeve van de verkoop mogen slechts binnen een afstand van 2 meter van de standplaats worden neergezet en geen hinder opleveren.

  • 7.

    Vrije doorgang van het publiek en het verkeer mag niet worden gehinderd.

  • 8.

    Het gebruik van een geluidsinstallatie is niet toegestaan.

  • 9.

    Gedurende de verkoopactiviteiten moet de omgeving van de standplaats een schoon en ordelijk aanzien hebben. Na afloop van de verkoopactiviteiten moet de standplaats en de directe omgeving (binnen een straal van 25 meter) schoon worden opgeleverd. Indien dit wordt nagelaten, zal dit op kosten van vergunninghouder door de gemeente gebeuren.

  • 10.

    Er dient een afvalbak bij de verkoopwagen geplaatst te worden indien de koopwaar ter plekke genuttigd kan worden.

  • 11.

    In de verkoopwagen waar gas, stroom of vuur wordt gebruikt, dient een deugdelijk poederbrandblusapparaat van minstens 6 kg aanwezig te zijn;

  • 12.

    Aanwijzingen en/of bevelen van de politie, brandweer of daartoe aangewezen ambtenaren dienen te worden opgevolgd.

  • 13.

    Vergunninghouder en de personen bedoeld in punt 3, dienen deze vergunning op verzoek te tonen aan de onder 12 genoemde personen.

  • 14.

    Vergunninghouder voor vaste standplaatsen dient het geldig registratiebewijs van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel te Den Haag op verzoek te tonen aan de onder 12 genoemde personen.

  • 15.

    Tijdens de uitvoering van civiel-technische werken, evenementen met vergunning of een vergelijkbare reden waarom de standplaats tijdelijk niet kan worden ingenomen, krijgt vergunninghouder, indien mogelijk, een alternatieve locatie toegewezen en is hij verplicht deze te accepteren. De gemeente stelt zich niet aansprakelijk voor eventuele schade die hieruit voortvloeit.

  • 16.

    Het veroorzaken van schade, hinder of overlast is niet toegestaan.

  • 17.

    De kosten van herstel van schade, welke direct voortvloeien uit het gebruikmaken van de vergunning, ontstaan aan gemeente-eigendommen, komen voor rekening van de vergunninghouder;

  • 18.

    Vergunninghouder is verplicht de redelijkerwijs mogelijke maatregelen te nemen teneinde te voorkomen dat de gemeente, dan wel derden, ten gevolge van het gebruik maken van de vergunning schade zal lijden;

  • 19.

    De gemeente wordt door vergunninghouder gevrijwaard van alle aanspraken van derden tot vergoeding van schade, die mocht ontstaan door of vanwege het gebruik van de vergunning.

  • 20.

    Het leggen van stroomkabels over de weg is niet toegestaan.

  • 21.

    Voor het gebruik van niet-gemeentelijke terreinen dient vooraf schriftelijk toestemming gevraagd te worden aan de eigenaar c.q. beheerder.

  • 22.

    Vergunninghouder is verplicht voldoende verzekerd te zijn tegen vorderingen tot schadevergoeding waartoe hij als gebruiker van een verkoopinrichting krachtens wettelijk aansprakelijkheidsbepalingen zou kunnen worden verplicht wegens aan derden toegebrachte schade.

  • 23.

    Vergunninghouder is verplicht zijn standplaats vanaf zonsondergang te voorzien van een deugdelijke verlichting, waarmee de uitgestalde goederen goed verlicht zijn.

Voor vergunningen die op het moment van inwerkingtreding van dit beleid zijn verleend, zijn de bepalingen van dit beleid geldend voorzover zij voor de vergunninghouder niet nadeliger zijn ten opzichte van de huidige voorwaarden van hun vergunning.

6. Vergunningverlening, kosten en handhaving

Voor de ambulante handelaar die een standplaats wil innemen is met name van belang hoe in de praktijk met het beleidskader wordt omgegaan en hoe de trajecten voor vergunningverlening en handhaving zijn vormgegeven. Daarnaast spelen ook de kosten voor inname van een standplaats een belangrijke rol.

6 .1 procedure van vergunningaanvraag en vergunning verlening

• Aanvraag

Een vergunning voor een vaste standplaats moet in principe jaarlijks vanaf 1 september tot uiterlijk 1 december van het voorafgaande jaar schriftelijk bij het college worden aangevraagd. Afhandeling van de aanvraag geschiedt door de gemeentelijke afdeling Dienstverlening, team Leefomgeving. In de aanvraag dient men, naast naam- en adresgegevens, aan te geven welke producten men wil verkopen en op welke locatie. Hiervoor is een aanvraagformulier ontwikkeld dat op de gemeente website is geplaatst. Ieder jaar dienen standplaatshouders die er dat jaar hebben gestaan een nieuwe aanvraag in te dienen.

Aanvragen voor een incidentele- of seizoenstandplaats dienen in principe minimaal zes weken van te voren te worden aangevraagd.

• Toetsing

Nieuwe aanvragen worden getoetst aan de APV van de gemeente Westerveld alsmede aan de richtlijnen zoals opgenomen in deze nota.

• Advisering

Bij aanvragen voor een incidentele- of seizoenstandplaats op een locatie niet zijnde een aangewezen vaste standplaatslocatie voert het team Leefomgeving overleg met het team Openbare Werken.

• Vergunningverlening

Op aanvragen wordt in principe binnen zes weken beslist. Indien een aanvraag voldoet aan de APV en de richtlijnen in deze nota en er positief wordt geadviseerd, wordt de vergunning

verleend.

• Weigeren van een vergunning

Weigering van een vergunning waarbij enkel wordt verwezen naar gemeentelijk beleid, erkent de rechter niet. In de praktijk houdt dit in dat bij iedere aanvraag voor een standplaats moet worden nagegaan of er redenen zijn om van het vastgestelde beleid af te wijken.

Indien een aanvraag voor een vergunning moet worden geweigerd (omdat deze de toetsing niet doorstaat en er geen bijzondere omstandigheden zijn die vergunningverlening noodzakelijk maakt), neemt het college hierover een besluit.

• Bezwaar

Belanghebbenden kunnen bezwaar maken tegen een verleende vergunning of tegen een weigering om een standplaatsvergunning te verlenen.

6 .2 De kosten van een standplaats

Voor het innemen van een standplaats is een vergoeding verschuldigd. De hoogte van deze vergoeding zal afhankelijk zijn van de tijdsduur van de vergunning en is verschuldigd per dag of dagdeel dat per week van de vergunning gebruik wordt gemaakt. Tot 2010 was voor de verlening van een standplaatsvergunning leges verschuldigd. Mede gezien het de 4.2 genoemde knelpunten (de oneerlijkheid tussen standplaatshouders onderling en tussen standplaatshouders en weekmarktstandplaatshouders) is vanaf 2010 per dag of dagdeel dat per week gebruik gemaakt wordt van de standplaats, een vergoeding verschuldigd. Deze vergoeding is vanaf 1 januari 2010 opgenomen in de “Verordening markt- en standplaatsgelden”.

Voor incidentele- en seizoensvergunningen is per dag, per week, per maand, per kwartaal en per half jaar een standplaatsvergoeding in de Verordening markt- en standplaatsgelden opgenomen.

Een apart tarief is opgenomen voor de seizoensgebonden verkoop van ijs. De seizoenstandplaatsvergunningen voor de verkoop van ijs worden in principe afgegeven voor een periode van een half jaar. De verkoop van ijs is echter sterk weersafhankelijk zodat de standplaatshouders voor de verkoop van ijs doorgaans niet alle vergunde dagen van hun vergunning gebruik maken.

Ook voor standplaatsen van particulieren op eigen grond wordt een apart tarief opgenomen.

6 .3 Handhaving

De marktmeester of een daartoe aangewezen ambtenaar voert controle uit op de naleving van de voorschriften en de beleidsregels en is bevoegd om handhavend op te treden. Bij onregelmatigheden maakt de marktmeester, dan wel een controlerend ambtenaar van de gemeente een verslag op. Na het vaststellen van het niet naleven van de voorschriften door een vergunninghouder volgt een schriftelijke waarschuwing. Bij opnieuw constateren van de betreffende onregelmatigheden zal een tweede schriftelijke waarschuwing uitgaan en een gesprek plaatsvinden tussen de medewerker marktzaken en/of de marktmeester en de betreffende vergunninghouder. Bij herhaling van onregelmatigheden zal het middel van schorsing of intrekken van de vergunning worden toegepast.

Indien wordt geconstateerd dat zonder vergunning standplaats wordt ingenomen, zullen handhavers, dan wel de politie hiertegen handhavend optreden.

Daarnaast zijn politie en gemeentelijke toezichthouders bevoegd tot toezicht, controle en handhaving.

Inhoudsopgave

pagina

Hoofdstuk 1 Inleiding 2

Hoofdstuk 2 Begripsbepaling 3

Hoofdstuk 3 Juridisch kader 4

Hoofdstuk 4 Situatie tot 2009

4.1 Aanbod standplaatslocaties en -vergunningen 8

4.2 Knelpunten in de situatie voor 2009 9

4.3 Doel van een beleidskader 10

Hoofdstuk 5 Beleidskader en vergunningvoorschriften

5.1 Beleidskader 11

5.2 Vergunningvoorschriften 19

Hoofdstuk 6 Vergunningverlening, kosten en handhaving

6.1 Procedure van vergunningaanvraag en –verlening 21

6.2 De kosten van de standplaats 22

6.3 Handhaving 22