Algemene plaatselijke Verordening Gemeente Schagen

Geldend van 17-01-2013 t/m 29-02-2016

Intitulé

Algemene plaatselijke Verordening Gemeente Schagen

De raad van de gemeente Schagen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2 januari 2013;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

overwegende dat het wenselijk wordt geacht om op gemeentelijk niveau regels te stellen ter handhaving van de openbare orde, zedelijkheid, de bescherming van het milieu en andere onderwerpen met betrekking tot de huishouding van de gemeente;

BESLUIT:

Vast te stellen de volgende verordening:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 ;

  • b.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;

  • c.

    bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening daaronder wordt verstaan;

  • d.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • e.

    gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan;

  • f.

    handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

  • g.

    openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  • h.

    openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;

  • i.

    rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

  • j.

    weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan;

  • k.

    voertuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a en onder a1, van het Reglement verkeerregels en verkeertekens 1990, met uitzondering van:

    1. treinen en trams;

    2. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.

  • l.

    vaartuig: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten;

  • m.

    woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd.

Artikel 1.2 Beslistermijn

  • 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.

  • 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of artikel 4:11.

Artikel 1.3 Indiening aanvraag

  • 1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

  • 2. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.

Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen

  • 1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

e. indien de houder dit verzoekt.

Artikel 1.7 Termijnen

Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel 1.8 Weigeringsgronden

  • 1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

    a. de openbare orde;

    b. de openbare veiligheid;

    c. de volksgezondheid;

    d. de bescherming van het milieu.

  • 2. De vergunning of ontheffing kan tevens geweigerd worden indien aannemelijk is dat de feitelijke toestand niet in overeenstemming zal zijn met hetgeen in de aanvraag is vermeld.

Artikel 1.9 Leges

De aanvrager is in door de gemeenteraad te bepalen gevallen en volgens door de gemeenteraad te geven regels leges verschuldigd ter zake van de behandeling van een aanvraag om een vergunning of ontheffing. Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen als betaling achterwege blijft.

Hoofdstuk 2 Openbare orde

Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats zich tezamen met anderen te begeven naar of al dan niet tezamen met anderen deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.

  • 2. Degene die op een openbare plaats

    a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

  • 3. is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 4. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  • 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  • 6. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

  • 7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 2 Betoging

Artikel 2.2 Optochten

[gereserveerd]

Artikel 2.3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  • 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties , geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  • 2. De kennisgeving bevat:

    a. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    b. het doel van de betoging;

    c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  • 3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  • 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.

  • 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2.4 Afwijking termijn

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Artikel 2.5 Te verstrekken gegevens

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Afdeling 3 Verspreiding van gedrukte stukken

Artikel 2.6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  • 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

  • 2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  • 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2.7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.

[gereserveerd]

Artikel 2.8 Dienstverlening

[gereserveerd]

Artikel 2.9 Straatartiest e.d.

  • 1. Het is verboden om zonder daarvan bij de burgemeester melding te hebben gedaan op openbare plaatsen ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden.

  • 2. De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent het optreden, met dien verstande dat die nadere regels geen betrekking hebben op de inhoud van het optreden.

Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2.10 Voorwerpen op of aan de weg

  • 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien:

    a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of

    b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

  • 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,5 m wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.

  • 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden.

  • 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  • 5. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht .

  • 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

    a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:19; en

    c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

  • 7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken , artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 , of de provinciale wegenverordening.

  • 8. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2. De vergunning wordt verleend:

    a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan; of

    b. door het college in de overige gevallen.

  • 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

  • 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht , de Wet beheer rijkswaterstaatswerken , de provinciale wegenverordening, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Schagen

  • 5. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.12 Maken, veranderen van een uitweg

  • 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien:

    a. degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of

    b. het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.

  • 2. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien:

    a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

    b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

    d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen;

  • 3. De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.

  • 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement.

Afdeling 6 Veiligheid op de weg

Artikel 2.13 Veroorzaken van gladheid

[gereserveerd]

Artikel 2.14 Winkelwagentjes

  • 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en

    b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.

  • 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.

  • 3. Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2.15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2.16 Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2.17 Kelderingangen e.d.

  • 1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  • 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

    b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  • 2. De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht .

  • 3. De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2.19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

[gereserveerd]

Artikel 2.20 Vallende voorwerpen

[gereserveerd]

Artikel 2.21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900 , de Onteigeningswet , of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2.22 Objecten onder hoogspanningslijn

  • 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.23 Veiligheid op het ijs

  • 1. Het is verboden:

    a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordening Noord-Holland.

Afdeling 7 Evenementen

Artikel 2.24 Begripsbepaling

  • 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    a. bioscoopvoorstellingen;

    b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;

    c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen ;

    d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

    e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties ;

    f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening.

  • 2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    a. een herdenkingsplechtigheid;

    b. een braderie;

    c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;

    d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    e. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement).

Artikel 2.25 Evenement

  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  • 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod voor door hem aan te wijzen categorieën evenementen.

  • 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien:

    a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen;

    b. het evenement tussen 09.00 en 00.00 uur plaats vindt. Indien de dag waarop het evenement georganiseerd wordt, gevolgd wordt door een vrije dag is de eindtijd gesteld op 01.00 uur;

    c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.00 uur. Indien het evenement plaatsvindt op een zondag dient rekening gehouden te worden met de Zondagswet;

    d. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

    e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object;

    f. er een organisator is; en

    g. de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

  • 4. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  • 5. De organisator c.q. vergunningaanvrager van door de burgemeester aan te wijzen categorieën vergunningplichtige vechtsportwedstrijden of gala’s, is niet van slecht levensgedrag.

  • 6. De burgemeester weigert de vergunning als de organisator c.q. vergunningaanvrager van een evenement als bedoeld in lid 5 van slecht levensgedrag is.

  • 7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994 .

  • 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.26 Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2.27 Begripsbepalingen

  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    a. openbare inrichting:

    i. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis of strandpaviljoen;

    ii. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid;

    b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

    c. terras aan de openbare weg: een terras dat direct grenst aan de openbare weg en/of rechtstreeks vanaf de openbare weg toegankelijk is.

    d. strandpaviljoen: een openbare inrichting die zich geheel of gedeeltelijk bevindt op het strand.

    e. gebied I: het gebied met de postcodeaanduidingen: 1741 en 1742, zoals op de bij deze verordening behorende kaart is aangegeven (bijlage I).

    f. gebied II: het gebied met de volgende postcodeaanduidingen: 1738, 1744, 1746, 1747 en 1749, zoals op de bij deze verordening behorende kaart is aangegeven (bijlage I).

    g. gebied III: het gebied met de volgende postcodeaanduidingen: 1751, 1752, 1753, 1754, 1755, 1756 en 1757, zoals op de bij deze verordening behorende kaart is aangegeven (bijlage I).

  • 2. Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

  • 3. Onder paracommerciële openbare inrichting wordt in deze paragraaf verstaan: een inrichting als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en Horecawet.

  • 4. Deze afdeling verstaat niet onder bezoekers:

    a. de gezinsleden van de exploitant van de inrichting, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

    b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid van het Wetboek van Strafrecht (hotelgasten en hun medereizigers);

    c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2.28 Exploitatie openbare inrichting

  • 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit of indien de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende(n) overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  • 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in

    a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    b. een zorginstelling;

    c. een museum;

    d. een bedrijfskantine of – restaurant;

    e. paracommerciële inrichtingen

  • 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 2.29 Sluitingstijd

  • 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten:

    a. voor zover het inrichtingen betreft die gelegen zijn in gebied I: tussen 00.00 en 06.00 uur;

    b. voor zover het inrichtingen betreft die gelegen zijn in gebied II: op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.30 en 06.00 uur (sluitingstijd), met dien verstande dat na 01.00 uur geen bezoekers mogen worden binnengelaten en dat na 03.00 uur geen consumpties mogen worden verstrekt, geen levende of mechanische muziek ten gehore mag worden gebracht en de verlichting binnen het bedrijf op volle sterkte dient te zijn aangeschakeld.

    c. Voor zover het inrichtingen betreft die gelegen zijn in gebied III: tussen 02.00 en 06.00 uur.

  • 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  • 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

  • 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.28, vierde lid onder a*, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  • 5. Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

  • 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  • 7. Strandpaviljoens. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt voor strandpaviljoens dat zij gesloten moeten zijn: a. in de periode die aanvangt op 1 november en loopt tot en met 31 maart: tussen 23.00 uur en 08.00 uur; b. in de periode die aanvangt op 1 april en loopt tot en met 31 oktober: tussen 02.00 uur en 06.00 uur.

  • 8. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt voor paracommerciële openbare inrichtingen op of behorend bij een sportcomplex of sportterrein dat zij slechts geopend mogen zijn tussen één uur voor en twee uur na verenigingsactiviteiten, met dien verstande dat zij in ieder geval gesloten moeten zijn tussen 00.00 uur en 08.00 uur.

  • 9. Op de ontheffing is Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

Artikel 2.30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  • 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2.31 Verboden gedragingen

  • Het is verboden in een openbare inrichting:

  • a. de orde te verstoren;

  • b. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

  • c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van de zitplaatsen die aanwezig zijn op het terras.

Artikel 2.32 Handel binnen openbare inrichtingen

  • 1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht .

  • 2. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2.33 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet , treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2.34 Het college als bevoegd bestuursorgaan

[gereserveerd] zie 2:33

Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2.35 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting:

1. de al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft

2. houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.

Artikel 2.36 Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2.37 Nachtregister

De houder van een inrichting waarin seizoenarbeiders gehuisvest worden, is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden.

Artikel 2.38 Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2.39 Speelgelegenheden

  • 1. In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:

    a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;

    b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; en

    c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen , of de handeling als bedoeld in artikel l, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten

  • 3. De burgemeester weigert de vergunning:

    a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

    b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan

  • 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.40 Kansspelautomaten

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    a. Wet: de Wet op de kansspelen ;

    b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet ;

    c. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet ;

    d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet .

  • 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.

  • 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2.41 Betreden besloten woning of lokaal

  • 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

  • 4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.

Artikel 2.41A Verblijfsontzeggingen

Het is degene aan wie dit door de burgemeester in het belang van de openbare orde of zedelijkheid is bekendgemaakt, verboden zich anders dan in een openbaar middel van vervoer te bevinden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen gedurende de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt gedurende de in de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste twaalf aaneengesloten weken.

Artikel 2.42 Plakken en kladden

  • 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  • 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  • 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  • 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 5. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  • 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2.43 Vervoer plakgereedschap e.d.

  • 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2.44 Vervoer inbrekerswerktuigen

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2.45 Betreden van plantsoenen e.d.

  • 1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.

  • 2. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.46 Rijden over bermen e.d.

  • 1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening.

Artikel 2.47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats:

    a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    b. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 .

Artikel 2.48 Verboden drankgebruik

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op:

    a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en

    b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet.

Artikel 2.49 Verboden gedrag bij of in gebouwen

  • 1. Het is verboden:

    a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  • 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2.50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2.51 Neerzetten van fietsen e.d.

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien:

a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of

b. daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2.52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2.53 Bespieden van personen

  • 1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

  • 2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.

Artikel 2.54 Bewakingsapparatuur

[gereserveerd]

Artikel 2.55 Nodeloos alarmeren

[gereserveerd]

Artikel 2.56 Alarminstallaties

[gereserveerd]

Artikel 2.57 Loslopende honden

  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    a. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is;

    b. buiten de bebouwde kom op voor voertuigen openstaande wegen zonder dat die hond aangelijnd is;

    c. buiten de bebouwde kom op openbare plaatsen op door het college aan te kondigen tijden, zonder dat deze zijn aangelijnd;

    d. in het gebied van de Pettemerduinen, zoals op de bij deze verordening behorende kaart is aangegeven (bijlage II), zonder dat de hond aangelijnd is;

    e. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    f. op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  • 2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod in het eerste lid aanhef en onder a en b niet geldt.

  • 3. De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

    a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

    b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2.58 Verontreiniging door honden

  • 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond

    a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

    b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

  • 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2.59 Gevaarlijke honden

  • 1. Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  • 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  • 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2.60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  • 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    a. aanwezig te hebben;

    b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

    c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of

    d. te voeren.

  • 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.61 Wilde dieren

[gereserveerd]

Artikel 2.62 Loslopend vee

De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2.63 Duiven

[gereserveerd]

Artikel 2.64 Bijen

  • 1. Het is verboden bijen te houden:

    a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;

    b. binnen een afstand van 30 meter van de weg.

  • 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

  • 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.

  • 4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement Noord-Holland.

  • 5. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen.

  • 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.64A Stuifvrijhouden van gronden

De gebruikers of, bij gebreke van dezen, de eigenaren van gronden zijn verplicht te zorgen dat deze gronden zodanig stuifvrij worden gehouden, dat geen hinder, overlast of schade door verstuiving kan worden veroorzaakt.

Artikel 2.64B Beregeningsinstallaties

  • 1. Het is verboden om binnen de bebouwde kom, op minder dan 100 meter gemeten vanaf een gevel van een woning van derden of andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, een landbouw of motorvoertuig of pomp in bedrijf te hebben voor het aandrijven van een beregeningsinstallatie voor de beregening van landbouwgewassen.

  • 2. Het gestelde in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing als er ter plaatse aan het bevoegd gezag kan worden aangetoond dat er gebruik wordt gemaakt van een geluidsarm of geluidsgedempt landbouw- of motorvoertuig of pomp.

  • 3. Het is de eigenaar en/of gebruiker van een perceel grond verboden daarop een beregeningsinstallatie in werking te hebben op zodanige wijze dat door het beregeningswater overlast of hinder ontstaat voor eigenaren of gebruikers van omliggende percelen en wegen.

Artikel 2.65 Bedelarij

Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2.66 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

1. handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

2. verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.

Artikel 2.67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  • 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

    a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

    d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  • 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

  • 3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  • a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

  • 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

  • 2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;

  • 3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

  • 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  • b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  • c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  • d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2.69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

[gereserveerd]

Artikel 2.70 Handel in horecabedrijven

[Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel 2:32]

Afdeling 13 Vuurwerk

Artikel 2.71 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit ).

Artikel 2.72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen.

  • 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.

  • 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  • 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  • 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  • 3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht .

Artikel 2.73A Carbid, acetyleengas afkomstig van carbid, waterstof en gasmengsels of stoffen met vergelijkbare eigenschappen

  • 1. Het is verboden:

    a. acetyleengas (C2H2) afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumcarbide, chemische formule CaC2) en water of

    b. waterstof (H2) afkomstig van een reactie tussen natronloog (natriumhydroxide, chemische formule NaOH) en water of

    c. Gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen of

    d. Al dan niet vernevelde vloeistoffen of stoffen met vergelijkbare eigenschappen in een al dan niet afgesloten vat, bus, fles of dergelijk voorwerp op explosieve wijze te verbranden of te bewerken op zodanige wijze dat daardoor gevaar, schade of hinder voor de omgeving kan worden veroorzaakt.

  • 2. Het is verboden carbid op of aan de openbare weg of op een voor publiek toegankelijke plaats voorhanden te hebben.

  • 3. Het is verboden carbid af te leveren en ter aflevering voorhanden te hebben wetende of vermoedende dat daarmee een gebruik wordt gemaakt als omschreven in lid 1.

  • 4. Het bepaalde in de leden 2 en 3 geldt niet voor degene die aannemelijk maakt, dat het carbid niet gebezigd wordt of bestemd is voor handelingen die ingevolge het bepaalde in lid 1 verboden zijn.

  • 5. Het is verboden carbid op of aan de openbare weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats achter te laten of voorhanden te hebben op een zodanige wijze dat derden onbedoeld met die stof in contact kunnen komen.

  • 6. Het verbod als bedoeld in lid 1 onder b, c en d is niet van toepassing op het normale gebruik van wettelijk toegestane verbrandingsmotoren.

  • 7. Dit artikel is niet van toepassing voorzover de Wet Milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Afdeling 14 Drugsoverlast

Artikel 2.74 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet , of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2.75 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de volgende artikelen van deze verordening groepsgewijs niet naleven:

  • 2:1 - samenscholing en ongeregeldheden

  • 2:6 - beperking aanbieden e.d. van geschreven en gedrukte

    stukken of afbeeldingen

  • 2:10 - het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie hiervan

  • 2:11 - aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  • 2:42 - plakken en kladden

  • 2:45 - betreden van plantsoenen e.d.

  • 2:47 - hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  • 2:48 - verboden drankgebruik

  • 2:49 - verboden gedrag bij of in gebouwen

  • 2:50 - hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

  • 2:73 - bezigen van consumenten vuurwerk tijdens de jaarwisseling

  • 5:33 - beperking verkeer in natuurgebieden

  • 5:34 - verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Artikel 2.76 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2.77 Cameratoezicht op openbare plaatsen

  • 1. De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

Afdeling 16 Strand

Artikel 2.78 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

1. Badseizoen: de periode van 1 april tot 1 oktober daaraanvolgend van enig jaar;

2. Badstrand: de gedeelten van het strand, welke ter exploitatie aan derden zijn verpacht en als zodanig middels één of meer borden zijn aangeduid;

3. Strand: strook van zand of kiezelstenen direct naast de zee;

4. Toegangspaden: de afritten van wegen en paden welke vanaf de openbare weg toegang geven tot het strand;

5. Kamperen: het in de open lucht opslaan of opgeslagen hebben of houden van kampeerbenodigdheden met het kennelijk oogmerk ter plaatse de nacht door te brengen;

6. Waterrecreatie: het tegen betaling verrichten van handelingen in of op het water ten behoeve van vermaak van personen;

7. Waterscooter: een snelle motorboot, gebouwd of ingericht om door één of meer personen skiënd door of over het water te worden voortbewogen;

8. Watersport: het verrichten van handelingen door personen in of op het water ter bevordering van vaardigheden en/of kracht.

Artikel 2.79 Vaartuigen

  • 1. Het is verboden:

    a. een vaartuig vanaf de weg of vanuit zee op het strand te brengen, op het strand te hebben of vanaf de weg of het strand in zee te brengen;

    b. met een vaartuig in de door boeien gemarkeerde gebieden tussen de strandhoofden te varen.

  • 2. De in het eerste lid gestelde verboden zijn niet van toepassing op:

    a. vaartuigen in gebruik bij politie, kustbeheerder, de Nederlandse Reddingsmaatschappij, de reddingsbrigade;

    b. door de burgemeester en wethouders nader aan te wijzen weg- en/of strandgedeelten, voor zover het niet betreft de watersportbeoefening in school- of verenigingsverband waarbij toezicht noodzakelijk is. Sportvissen wordt in dit kader niet onder watersportbeoefening verstaan.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in lid 1 genoemde verbod voor zover het betreft watersportbeoefening in school- of verenigingsverband en voor zover bij die ontheffing toezicht wordt opgedragen.

  • 4. De in het eerste lid opgenomen bepalingen blijven voor waterscooters onverkort van toepassing.

  • 5. a. Burgemeester en wethouders kunnen strandgedeelten aanwijzen als activiteitenstrand ten behoeve van waterrecreatie;

    b. Het in sub a aangewezen strandgedeelte is alleen toegankelijk voor waterrecreatieve activiteiten waarvoor door de burgemeester en wethouders ontheffing is verleend;

    c. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in lid één genoemde verbod voor zover het betreft waterrecreatieve activiteiten.

Artikel 2.80 Voertuigen

  • 1. Het is zonder ontheffing van het college verboden met voertuigen, alsmede zeilwagens, vliegerbuggy’s, windrijders en andere dergelijke zeilvoertuigen op het strand te rijden, deze aldaar te brengen of te hebben.

  • 2. Het in eerste lid gestelde verbod geldt niet voor fietsen, zeilwagens, windrijders, vliegerbuggy’s en andere dergelijke voertuigen, gedurende de periode van 1 oktober tot 1 april alsmede buiten deze periode vóór 09.00 uur en na 19.00 uur.

  • 3. Van het in het eerste lid vervatte verbod zijn uitgezonderd bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen en fietsen ten behoeve van het door de burgemeester en wethouders als zodanig erkende reddingswezen, het onderhoud van de zeewering, de burgemeesterstrandvonder, de door hem aangewezen hulpstrandvonders, ambtenaren van de gemeente Schagen, de brandweer en de ambtenaren van politie in de uitoefening van hun taak.

Artikel 2.81 Plaatsen (brom)fietsen

Onverminderd het bepaalde in het Regelement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 is het verboden fietsen of bromfietsen te plaatsen of geplaatst te houden op de toegangspaden of tegen de langs de toegangspaden aanwezige afrastering.

Artikel 2.82 Hinderlijk geluid

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4:6 van deze verordening is het verboden op het strand of de toegangspaden door middel van geluidsproducerende of geluidsversterkende apparatuur hinderlijk geluid te veroorzaken dan wel door middel van geschreeuw, gezang of spreekkoren de omgeving te hinderen.

  • 2. Het in het eerste lid genoemde verbod is niet van toepassing op ambtenaren van de politie en op leden van het reddingswezen bij de uitoefening van hun taak.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen voor het gebruik van geluidsproducerende of geluidsversterkende apparatuur door anderen dan genoemd in het tweede lid ontheffing verlenen.

Artikel 2.83 Rijdieren

  • 1. Het is verboden gedurende het badseizoen van 09.00 tot 19.00 uur op het strand of de toegangspaden een paard of een ander rijdier te berijden of mee te voeren.

  • 2. De eigenaar of houder van het rijdier is verplicht ervoor te zorgen dat het rijdier zich niet van uitwerpselen ontdoet op het strand of de toegangspaden en eventuele uitwerpselen te verwijderen.

  • 3. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor ambtenaren van de politie bij uitoefening van hun taak.

Artikel 2.84 Honden

  • 1. Het is gedurende het badseizoen verboden om van 09.00 tot 19.00 uur één of meer honden op het strand of de toegangspaden te hebben, anders dan vastgezet of vastgehouden aan een lijn met een lengte van maximaal 1,50 meter.

  • 2. De eigenaar, houder of verzorger van iedere zich op het strand bevindende hond is verplicht er zorg voor te dragen, dat daardoor aan anderen geen overlast of hinder wordt veroorzaakt.

  • 3. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op het strand of op de toegangspaden.

  • 4. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het derde lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

Artikel 2.85 Open vuur

Onverminderd het bepaalde in artikel 5:34 van deze verordening is het verboden open vuren op of nabij het strand te ontsteken of te hebben.

Artikel 2.86 Afvalresten

Het is verboden op of aan het strand of de toegangspaden:

  • a. Spijsresten, papier, afval of andere voorwerpen of stoffen weg te stoppen, te begraven of te laten liggen;

  • b. voertuigen of andere voorwerpen te reinigen of te doen reinigen.

Artikel 2.87 Hinderlijk spel

Het is verboden op of aan het badstrand gedurende het badseizoen te spelen of te laten spelen op zodanige wijze, dat schade, gevaar of hinder wordt of kan worden veroorzaakt aan andere strandbezoekers of aan hun bezit.

Artikel 2.88 Ongeklede recreatie

Het is verboden naakt te recreëren buiten de strandgedeelten gelegen tussen de strandhoofden 8.400 en 9.400, 14.500 en 16.800.

Artikel 2.89 Toegang tot het strand

Tenzij men daartoe bevoegd is, is het op het badstrand gedurende het badseizoen verboden:

  • a. op de aanwezige strandtrappen en –plankieren de vrije doortocht te belemmeren;

  • b. de aanwezige strandtrappen of –plankieren te verleggen, op te tillen, te beschadigen of op andere wijze afbreuk te doen aan de bruikbaarheid daarvan.

Artikel 2.90 Drijfmiddelen

  • 1. Het is verboden zich, al of niet voortgetrokken door een vaartuig, met een luchtbed of luchtkussen, een opblaasbare band of ander voorwerp, dat als drijfmiddel kan worden gebruikt, in zee te begeven of te bevinden.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het als zodanig gebruiken of aan boord van een voertuig hebben van reddingsmiddelen.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in lid één gestelde verbod.

Artikel 2.91 Baden

  • 1. Degenen die zich vanaf het strand in zee begeeft dan wel zich in zee bevindt, is verplicht de aanwijzingen van de dienstdoende ambtenaren van politie, badmeesters en/of leden van de reddingsbrigade op te volgen.

  • 2. Het is verboden zich in zee te begeven of te bevinden op plaatsen en/of tijden waar dit verbod door middel van een of meer borden en/of vlaggen is aangeduid.

Artikel 2.92 Goederen, diensten e.d.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5:14 en 5:15 van deze verordening is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan het strand of de toegangspaden:

  • a. Goederen, hoe dan ook genaamd, te verkopen, te verhuren of ten verkoop of verhuur in voorraad te hebben;

  • b. tegen betaling of andere vergoeding, in welke vorm dan ook, zich aan te bevelen of beschikbaar te stellen voor het verrichten van enigerlei diensten of prestatie;

  • c. een inrichting te hebben, bestemd tot of gebruikt voor het nemen van zee-, zonne- of luchtbaden;

  • d. redevoeringen, toespraken of een openbare vertoning te houden;

  • e. enig strandgedeelte of toegangspad geheel of gedeeltelijk af te sluiten.

Artikel 2.93 Kamperen

Het is aan anderen dan militairen in dienstverband verboden op het strand of de toegangspaden te kamperen dan wel terreinen voor kamperen beschikbaar te stellen of te gedogen dat de terreinen tot dat doel gebruikt worden.

Artikel 2.94 Evenementen en wedstijden

(vervallen)

Artikel 2.95 Vliegeren

  • 1. Het is verboden op het strand of de toegangspaden, alsmede de zeewering in Petten vliegers op te laten of daarboven (in de lucht) aanwezig te hebben die bestuurbaar zijn door twee of meer stuurlijnen.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op de door burgemeester en wethouders hiervoor aangewezen strandgedeelten.

Afdeling 17 Overige vormen van openluchtrecreatie

Artikel 2.96 Recreatiegebied Schagerwiel

  • 1. Het is verboden zich op of in de Schagerwiel te begeven en zich op het aan dit water gelegen strand, alsmede de boulevard te bevinden, dagelijks, gedurende het tijdvlak gelegen tussen 22.00 uur en 08.00 uur.

  • 2. Het is verboden met voertuigen op het strand en/of de boulevard als bedoeld in het eerste lid te rijden, deze aldaar te brengen of te hebben.

  • 3. Het is verboden om:

    a. een gemotoriseerd vaartuig vanaf de weg of vanaf de Schagerwiel op het strand en/of de boulevard aldaar te brengen, op het strand en/of de boulevard te hebben of vanaf de weg of vanaf het strand op de Schagerwiel te brengen;

    b. met een gemotoriseerd vaartuig op de Schagerwiel te varen.

  • 4. Het is verboden op de Schagerwiel te (wind)surfen.

  • 5. Het is verboden om in de Schagerwiel te duiken.

  • 6. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid.

Hoofdstuk 3. Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Artikel 3:1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

  • d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

  • e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;

  • f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;

  • g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;

  • h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:

  • 1. de exploitant;

  • 2. de beheerder;

  • 3. de prostituee;

  • 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;

  • 5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening;

  • 6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet , de burgemeester.

Artikel 3:3 Nadere regels

Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk.

Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie , sekswinkels en dergelijke

Artikel 3:4 Seksinrichtingen

  • 1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    a. de persoonsgegevens van de exploitant;

    b. de persoonsgegevens van de beheerder; en

    c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.

  • 3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:5 Gedrageisen exploitant en beheerder

  • 1. De exploitant en de beheerder:

    a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

    b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en

    c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet:

    a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

    b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

    c. binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht , wegens dan wel mede wegens overtreding van:

    - bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet , de Opiumwet , de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen ;

    - de artikelen 137c tot en met 137g , 140 , 240b , 242 tot en met 249 , 252 , 250a (oud), 273a , 300 tot en met 303 , 416 , 417 , 417bis , 426 , 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht ;

    - de artikelen 8 en 162, derde lid , alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994 ;

    - de artikelen 1, onder a, b en d , 13 , 14 , 27 en 30b van de Wet op de Kansspelen ;

    - de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen ;

    - de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie .

  • 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:

    a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen , tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;

    b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

  • 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:

    a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

    b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 5. De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Artikel 3:6 Sluitingstijden

  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met zondag tussen 00.00 en 06.00 uur.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.

  • 3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting

  • 1. Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:

    a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingstijden vaststellen;

    b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld in het eerste lid bekend op de voet van artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat exploitant of de beheerder bedoeld in artikel 3:4 in de seksinrichting aanwezig is.

  • 2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:

    a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht , in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie ; en

    b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Artikel 3:9 Straatprostitutie

  • 1. Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee, uit te nodigen dan wel aan te lokken:

    a. op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;

    b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.

  • 2. Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het eerste lid, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  • 3. Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen of gebieden en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  • 4. De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid onder b.

  • 5. De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

Artikel 3:10 Sekswinkels

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

  • 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:

    a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

    b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

  • 2. Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet .

Afdeling 3. Beslistermijn: weigeringsgronden

Artikel 3:12 Beslistermijn

  • 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 3:13 Weigeringsgronden

  • 1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien:

    a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;

    b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; of

    c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

  • 2. Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van:

    a. de openbare orde;

    b. het voorkomen of beperken van overlast;

    c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

    d. de veiligheid van personen of goederen;

    e. de verkeersvrijheid of -veiligheid;

    f. de gezondheid of zedelijkheid; of

    g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer

Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie

  • 1. De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig artikel 3:4 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

  • 2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3:15 Wijziging beheer

  • 1. Indien de beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Afdeling 5. Overgangsbepaling

Artikel 3:16 Overgangsbepaling

[gereserveerd]

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting

Artikel 4:1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer ;

  • b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit ;

  • c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

  • g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;

  • h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

  • i. Horecaconcentratiegebied: de Markt in de stad Schagen en directe omgeving zoals aangegeven op bijlage III behorende bij de Apv Schagen.

Artikel 4:2 Aanwijzen collectieve festiviteiten

  • 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17 , 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet op ten hoogste zeven door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen:

    a. De markt in Schagen en directe omgeving, overeenkomstig het zogenaamde horecaconcentratiegebied.

    b. De dorpskernen: Petten; Burgerbrug; Burgervlotbrug; Callantsoog; Dirkshorn; Eenigenburg; Groenveld; Groote Keeten; Krabbendam; Kalverdijk; Kerkbuurt; De Stolpen; Oudesluis; Petten; ’t Rijpje; Schagerbrug; Schoorldam; Sint Maarten; Sint Maartensbrug; Sint Maartensvlotbrug; Sint Maartenszee; Stroet; Tuitjenhorn; Valkoog; Waarland; Warmenhuizen en ’t Zand.

    c. Het overige gebied van de gemeente Schagen.

  • 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  • 6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek -hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17 , 2.19 en2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening- uiterlijk om 02.00 uur te worden beëindigd.

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten

  • 1. Het is een inrichting, welke is gelegen binnen het horecaconcentratiegebied toegestaan 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17 , 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. In het overige gebied van de gemeente Schagen is dit aantal gesteld op maximaal 6 incidentele festiviteiten.

  • 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 3. De kennisgeving dient te gebeuren middels een door of namens het college vastgesteld formulier.

  • 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17 , 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening - uiterlijk om 02.00 uur beëindigd.

  • 7. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid geldt de mogelijkheid om meer mechanisch of akoestisch muziekgeluid te mogen produceren alleen voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  • 8. het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  • 9. Het ongebruikt laten van een collectieve dag betekent niet dat het aantal dagen incidentele dagen evenredig toeneemt. Uitwisselen tussen collectieve en incidentele dagen is niet toegestaan.

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten

Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.

Artikel 4:5 Onversterkte muziek

  • 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;

    d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

    e. Tabel

    7.00-19.00 uur

    19.00-23.00 uur

    23.00-7.00 uur

    LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

    LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 2. Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

  • 3. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 en artikel 4:3.

Artikel 4:6 Overige geluidshinder

  • 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder , de Zondagswet , de Wet openbare manifestaties , het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.

  • 4. Het college kan activiteiten aanwijzen waarop het verbod in het eerste lid niet van toepassing is voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften.

  • 5. De in het hiervoor genoemde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen:

    a. het maximale geluidniveau;

    b. de situering van geluidsbronnen;

    c. de frequentie en tijden van gebruik;

    d. communicatie.

  • 6. Het college kan een activiteit als bedoeld in het vierde lid die voldoet aan de nader gestelde voorschriften alsnog verbieden wanneer dit naar zijn oordeel noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu.

  • 7. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 2.25 of artikel 2.64b van toepassing is.

  • 8. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:6A Mosquito

  • 1. In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

  • 3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

  • 4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

  • 5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste 3 maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste 3 maanden verlengen.

Artikel 4:6B Geluidhinder door dieren

Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

Artikel 4:6C Geluidoverlast door motorvoertuigen, bromfietsen e.d.

Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets zodanig te gedragen dat daardoor voor omwonenden of overigens voor de omgeving geluidhinder of overlast ontstaat.

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7 Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:9A Voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten

De eigenaren, pachters, gebruikers en beheerders van en de rechthebbende en toezichthouders op de binnen de gemeente gelegen gronden of wegen zijn verplicht de zich op die gronden of op de bermen van die wegen bevindende akkermelkdistels (sonchus arvensis) en akkerdistels (cirsium arvense), voordat deze gaan bloeien, te bestrijden.

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10 Begripsbepalingen

  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    a. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of een heg, met de onder e genoemde minimale dwarsdoorsnede;

    b. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

    c. kapvergunningplichtige houtopstand: houtopstand die staat vermeld op de “Lijst kapvergunningplichtige houtopstand” die als bijlage IV bij deze verordening is gevoegd;

    d. houtwal: een afscheiding in het landschap, die wordt gevormd door een, al dan niet verhoogde, smalle strook grond met daarop volgroeide beplanting in de vorm van hakhout en struiken;

    e. boom: een houtig opgaand gewas met een stamdiameter van minimaal 10 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de diameter van de dikste stam;

    f. bijzondere boom/monumentale boom: een boom die als zodanig is aangeduid op de “Lijst kapvergunningplichtige houtopstand” die als bijlage III bij deze verordening is gevoegd, met een relatief hoge leeftijd of met een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of met een bijzondere functie voor de omgeving;

    g. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand;

    h. kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ten behoeve van het periodiek noodzakelijk onderhout;

    i. iepziekte: de aantasting van iepen door schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

    j. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus;

    k. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1 lid 5 van de Boswet.

    l. perceel: een bebouwd perceel met erf en tuin;

    m. vellen: rooien, kappen, verplanten, het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel bovengronds als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

    n. boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

    o. bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de kapvergunningplichtige houtopstand te vellen of te doen vellen (Bomenlijst).

  • 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    a: houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;

    b: houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.11E

    c: houtopstand voor het vellen waarvan een vergunning is verleend op grond van een geldend bestemmingsplan(aanlegvergunning);

    d: houtopstand met een stamdiameter van minder dan 15 centimeter op 100 centimeter hoogte boven het maaiveld, tenzij het een bijzondere boom/monumentale boom betreft of houtopstand die is geplant in het kader van een herplantplicht op grond van artikel 3.11C of artikel 4.11E In geval van meerstammigheid geldt de diameter van de dikste stam;

    e: wegbeplanting en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen;

    f: op bedrijfseconomische wijze geëxploiteerde vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

    g: fijnsparren niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    h: kweekgoed;

    i: houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:

    - ofwel geen groter oppervlakte beslaat dan 10 are;

    - ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.

    j: het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van regulier onderhoud.

  • 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:11A Aanvraag vergunning

  • 1. De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degenen die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  • 2. Wanneer door of namens de Minister van Landbouw en Innovatie aan het bevoegd gezag een afschrift is toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het bevoegd gezag dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.

Artikel 4:11B Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning geheel of gedeeltelijk worden geweigerd op grond van:

  • a. de natuurwaarde van de houtopstand;

  • b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

  • c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

  • d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

  • e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of

  • f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

Artikel 4:11C Bijzondere vergunningvoorschriften

  • 1. Aan de vergunning kan het voorschrift worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant;

  • 2. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 3. De rechtsopvolger van degene aan wie een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, is verplicht op gelijke wijze daaraan te voldoen.

  • 4. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren tot het opstellen en overleggen van een bomen effect analyse in geval van bouw of aanleg van werken nabij te behouden bomen.

Artikel 4:11D Vervaltermijn vergunning

De vergunning als bedoeld in artikel 4:11 eerste lid vervalt indien daarvan niet binnen maximaal drie jaar na het onherroepelijk zijn van de vergunning gebruik is gemaakt. Betreft het een vergunning voor het vellen van meer dan één houtopstand, dan vervalt de vergunning eveneens drie jaar na het onherroepelijk worden ervan, ook indien in fasen geveld wordt of één of meer houtopstanden reeds geveld zijn.

Artikel 4:11E Herplant- en instandhoudingsplicht

  • 1. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop de houtopstand zich bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn.

  • 2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 3. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, dan kan het bevoegd gezag aan de zakelijke gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

    a. overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor de bedreiging wordt weggenomen;

    b. of een bomen effect analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag.

  • 4. De rechtsopvolger van degene aan wie de verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, is verplicht op gelijke wijze daaraan te voldoen.

Artikel 4:11F Schadevergoeding

Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de toepassing van artikel 4:11 schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het bevoegd gezag hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Artikel 4:11G Bestrijding iepziekte

  • 1. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

    a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

    b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;

    c. of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

  • 2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.

  • 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in lid twee bedoelde verbod.

Artikel 4:11H Bescherming publieke houtopstand

Het is verboden om houtopstanden, die geen particulier eigendom zijn:

  • a.

    Te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

  • b.

    Te snoeien, behoudens vooraf verkregen toestemming van de eigenaar of zakelijk gerechtigde.

Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege

[gereserveerd]

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

  • 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer , in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken

    voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens een Provinciale Verordening.

Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen

[gereserveerd]

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  • 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer .

Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame

[gereserveerd]

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:17 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  • 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

  • 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid voor maximaal vier achtereenvolgende dagen indien de ontheffing wordt aangevraagd door een groep of vereniging in combinatie met een aanvraag voor een evenementenvergunning.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    a. de bescherming van natuur en landschap; of

    b. de bescherming van een stadsgezicht.

  • 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen

  • 1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 1. Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) .

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

  • 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  • 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 4. Het college kan van het in het derde lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

  • 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  • 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

  • 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer .

Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.

  • 1. Het is verboden een tractor, vaartuig, woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen, trailer, sulky of ander dergelijk voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

    b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a.

  • 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  • 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  • 4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  • 5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

  • 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is

Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen

  • 1. Het is verboden met een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  • 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing:

    a. op de weg;

    b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en

    c. op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets

  • 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

  • 2. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.

  • 3. Het is verboden om fietsen of bromfietsen langer dan 28 dagen op dezelfde locatie op de weg te laten staan.

Afdeling 2. Collecteren

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

  • 2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

  • 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 3. Venten

Artikel 5:14 Begripsbepaling

  • 1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  • 2. Onder venten wordt niet verstaan:

    a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet ;

    b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22;

    c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15 Ventverbod

  • 1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 20.00 en 09.00 uur.

  • 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet .

Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting

  • 1. Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet .

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachte en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7 eerste lid van de Grondwet verboden:

    a. op door het college aangewezen openbare plaatsen; of

    b. op door het college aangewezen dagen en uren.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 4. Standplaatsen

Artikel 5:17 Begripsbepaling

  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  • 2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet ;

    b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

    a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

  • 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen

  • 1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer , de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

  • 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht

[gereserveerd]

Afdeling 5. Snuffelmarkten

Artikel 5:22 Begripsbepaling

  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.

  • 2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:

    a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet ;

    b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt

  • 1. Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren:

    a. vanwege strijd met het bestemmingsplan;

    b. indien de burgemeester het organiseren van de snuffelmarkt verboden heeft in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu;

    c. indien degene die voornemens is de markt te organiseren daarvan niet tevoren melding heeft gedaan.

  • 2. De organisator doet de melding als bedoeld in het eerste lid, onder c binnen vier weken voorafgaand aan de snuffelmarkt met vermelding van:

    a. naam en adres van de organisator;

    b. adres van het gebouw waar de snuffelmarkt gehouden wordt;

    c. de dagen en tijdstippen waarop de snuffelmarkt wordt gehouden;

    d. de frequentie van het houden van de snuffelmarkt;

    e. het soort van goederen en diensten dat wordt aangeboden en verhandeld;

    f. het aantal standplaatsen; en

    g. het te verwachten aantal bezoekers.

  • 3. De snuffelmarkt kan worden gehouden indien de burgemeester niet binnen twee weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat het organiseren van de snuffelmarkt wordt verboden in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. De burgemeester geeft daarvan binnen twee weken na ontvangst van de melding aan de organisator met opgaaf van redenen bericht.

  • 4. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet .

Afdeling 6. Openbaar water

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  • 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

  • 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

  • 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht , de Scheepvaartverkeerswet , het Binnenvaartpolitiereglement , de Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Schagen.

Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

  • 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  • 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

    a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

    b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

  • 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer , het Binnenvaartpolitiereglement , de Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Holland, de Provinciale landschapsverordening Noord-Holland, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken of de Woonschepenverordening gemeente Schagen.

Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats

  • 1. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

  • 2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement , de Waterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Holland of de Provinciale landschapsverordening Noord-Holland.

Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats

Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid bepaalde.

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken

  • 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht , het Binnenvaartpolitiereglement , de Waterwet , de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Holland.

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30 Veiligheid op het water

  • 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement , de Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Holland of de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen

  • 1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  • 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:31A Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • - motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 ;

  • - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994 .

  • - weg; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 .

Artikel 5:32 Crossterreinen

  • 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

  • 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  • 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    a. het voorkomen van overlast;

    b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    c. de veiligheid van het publiek.

  • 3. Het verbod in het eerst lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

    a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing:

    a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

  • 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 8. Verbod vuur te stoken

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  • 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

    c. vuur voor koken, bakken en braden.

  • 3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

Afdeling 9. Verstrooiing van as

Artikel 5:35 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36 Verboden plaatsen

  • 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    a. verharde delen van de weg;

    b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

    c. kinderspeelterreinen;

    d. boven en in directe omgeving van delen van voor recreatie bedoelde wateren, parken en de toegangspaden hiernaar.

  • 2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

  • 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  • 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:37 Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Afdeling 10. Straatnaamborden, huisnummers e.d.

Artikel 5:38 Gedoogplicht aanduidingen

  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk,vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders, straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen, worden aangebracht, aangehouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het college geeft tevoren schriftelijk kennis aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun voornemen over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen.

Artikel 5:39 Verwijderen e.d. aanduidingen

  • 1. Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in artikel 5:38, eerste lid te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen of onleesbaar te maken.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

  • 3. Het in het eerste lid geldt niet voor de rechthebbende op een bouwwerk die met inachtneming van het door burgemeester en wethouders vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te brengen. Burgemeester en wethouders kunnen ter zake nadere regels stellen.

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs-en slotbepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling

1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: artikel

2:1 lid 1, 2 en 3 2:73, lid 1 en 2 5:10, lid 1

2:6 lid 1 2:73a, lid 1, 2 en 3 5:11, lid 1

2:9 lid 1 2:74 5:12, lid 1, 2 en 3

2:10 lid 1 2:75 5:13, lid 1

2:11 lid 1 2:79, lid 1 5:15, lid 1 en 2

2:12 lid 1 2:80, lid 1 5:16, lid 2

2:14 lid 2 2:81 5:18, lid 1

2:15 2:82, lid 1 5:19

2:16 2:83, lid 1 5:23, lid 1

2:17, lid 1 2:84, lid 1 5:24, lid 1

2:18, lid 1 2:85 5:25, lid 1

2:22, lid 1 2:86 5:26, lid 1 en 2

2:21, lid 1 2:87 5:27

2:23, lid 1 2:88 5:28, lid 1

2:25, lid 1 2:89 5:29

2:26 2:90, lid 1 5:30, lid 1

2:28, lid 1 2:91, lid 1 en 2 5:31, lid 1 en 2

2:29, lid 2 2:92 5:32, lid 1

2:31 2:93 5:33, lid 1

2:32, lid 2 2:95, lid 1 5:34, lid 1

2:36 2:96, lid 1, 2, 3, 4 en 5 5:36, lid 1, 2

2:37 3:4, lid 1 5:37

2:38 3:6, lid 1 en 3 5:38, lid 1

2:39, lid 2 3:8, lid 1 en 2 5:39, lid 1

2:41, lid 1 en 2 3:9, lid 1, 4 en 6

2:41a 3:10

2:42, lid 1, 2 en 5 3:11, lid 1

2:43, lid 1 4:4

2:44, lid 1 4:6, lid 1

2:45, lid 1 4:6B

2:46, lid 1 4:6C

2:47, lid 1 4:7

2:48, lid 1 4:8

2:49, lid 1en 2 4:9

2:50 4:9A

2:51 4:11, lid 1

2:52 4:11E

2:53, lid 1 en 2 4:11H

2:57, lid 1 4:13, lid 1

2:58, lid 1 4:15, lid 1

2:59, lid 1 4:18, lid 1

2:60, lid 1 5:2, lid 3

2:62 5:3, lid 1

2:64, lid 1 5:4

2:64A 5:5, lid 1

2:64B, lid 1 5:6, lid 1

2:65 5:7, lid 1

2:67, lid 1 5:8, lid 1 en 2

2:72, lid 1 5:9, lid 1

2. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: n.v.t..

Artikel 6:2 Toezichthouders

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: de bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten belaste personen.

  • 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 Intrekking oude verordening

De Algemene plaatselijke verordening Harenkarspel 2009, de Algemene plaatselijke verordening Schagen 2009, de Algemene plaatselijke verordening Zijpe 2010 en de Bomenverordening Harenkarspel 2010 worden ingetrokken.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens een verordening bedoeld in artikel 6:4 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6.6 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is bekend gemaakt.

Artikel 6:7 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Schagen.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 januari 2013,
De voorzitter,
G. Westerink
De griffier,
E. van der Voorde

Bijlage I Postcodeaanduidingen m.b.t. Hoofdstuk 2, afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen

Bijlage I

Bijlage II Losloopgebied Pettemerduinen

Bijlage II

Bijlage III Horecaconcentratiegebied stad Schagen

Bijlage III

Bijlage IV Lijst kapvergunningplichtige houtopstanden

A:Houtopstanden op gronden die in de vigerende bestemmingsplannen de bestemming ‘Duinen’, ‘Natuurgebied’, ‘Landschappelijk waardevolle houtopstand en begroeiing’ of ‘Waardevolle houtopstanden’ hebben.

B: Houtopstanden op publieke percelen van gemeente, waterschap, provincie of het Rijk.

C: Houtopstanden op percelen met een oppervlakte van meer dan 500 m², waarbij onder perceel moet worden verstaan:

1: een kadastraal perceel; of

2: een geheel van twee of meer kadastrale percelen die bij dezelfde eigenaar/gebruiker in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.

D: Houtopstanden die zijn geplant in het kader van een herplantplicht op grond van artikel 4:11C of artikel 4:11E van de Algemene plaatselijke verordening Schagen.

E: Houtopstanden gelegen op het grondgebied van de voormalige gemeente Harenkarspel, met uitzondering van houtopstanden, niet zijnde monumentale bomen, op percelen met een oppervlakte van minder dan 500m².

F: Onderstaande ‘Bijzondere/Monumentale bomen’

Kern

Straat

Huisnr.

Kadastraal perceel

Boomsoort

Boom

nummer

Stam

diameter

Leeftijd

Burgerbrug

Grote Sloot

68

Tilia europeaea

40-50 cm

>60 jaar

Burgervlotbrug

Parallelweg/Zijpersluis

2

Pyrus

20-30 cm

40-50 jaar*

Dirkshorn

Dorpsstraat

22

HRKOO I 3581

Ulmus glabra ‘Exoniensis’

Oudesluis

Grote Sloot

470

Ulmus hollandica ‘Belgica’

>100 cm

> 60 jaar

Oudesluis

Grote Sloot

470

Ulmus hollandica ‘Belgica’

>100 cm

> 60 jaar

Oudesluis

Grote Sloot

470

Ulmus hollandica ‘Belgica’

>100 cm

> 60 jaar

Oudesluis

Korte Ruigeweg

73

Fagus sylvatica ‘Atropunicea’

50-60 cm

> 60 jaar

Oudesluis

Sportlaan

73

Salix Alba

>100 cm

> 60 jaar

Schagerbrug

Grote Sloot

336

Tilia Europaea

40-50 cm

50-60 jaar

Schagerbrug

Grote Sloot

336

Tilia Europaea

40-50 cm

50-60 jaar

Schagerbrug

Grote Sloot

342

Aesculus hippocastanum

90-100 cm

>60 jaar

Schagerbrug

Grote Sloot

367

Fagus sylvatica ’Atropunicea’

60-70 cm

>60 jaar

Schagerbrug

Grote Sloot

373

Fraxinus excelsior

60-70 cm

>60 jaar*

Schagerbrug

Grote Sloot

431

Fraxinus excelsior ‘Pendula’

60-70 cm

>60 jaar

Schagerbrug

J.A. de Boerstraat

42

Ulmus Hollandica ‘Groeneveld’

50-60 cm

50-60 jaar*

Schagerbrug

Jochem Blaauboerstraat

1

Quercus cerris

30-40 cm

30-40 jaar*

Schagerbrug

Schagerweg

40a

Aesculus hippocastanum

50-60 cm

>60 jaar

Schagerbrug

Schagerweg

52

Tilia platphyllos

50-60 cm

>60 jaar

Schagerbrug

Schagerweg

97

Salix sepulcralis ‘Chrysocoma’

60-70 cm

40-50 jaar*

Schagen

Acaciaplein, achter de flats in een park

Vleugelnoot

100

Schagen

Bachstraat/Griegstraat

Italiaanse populier

79

Schagen

Bachstraat/Griegstraat

Italiaanse populier

80

Schagen

Bachstraat/Griegstraat

Italiaanse populier

81

Schagen

Bach/Haydnstraat

Italiaanse populier

75a

Schagen

Bach/Haydnstraat

Italiaanse populier

75b

Schagen

Bach/Haydnstraat

Italiaanse populier

76

Schagen

Bach/Haydnstraat

Italiaanse populier

78

Schagen

Bernhardstraat/Dorpen

Treurwilg

140

Schagen

Bernhardstraat/Dorpen

Treurwilg

141

Schagen

Begraafplaats Hoep

Gewone Esdoorn

27

Schagen

Begraafplaats Hoep

Gewone esdoorn

32

Schagen

Begraafplaats Hoep

Zomereik

33

Schagen

Begraafplaats Hoep

Es

36

Schagen

Begraafplaats Hoep

Sierkers

37

Schagen

Begraafplaats Hoep

Sierkers

38

Schagen

Begraafplaats Hoep

Hollandse Linde

39

Schagen

Begraafplaats Hoep

Gewone Esdoorn

40

Schagen

Begraafplaats Hoep

Canadese populier

42

Schagen

Begraafplaats Hoep

Canadese populier

43

Schagen

Begraafplaats Hoep

Canadese populier

44

Schagen

Begraafplaats Hoep

Canadese populier

45

Schagen

Begraafplaats Hoep

Valse acacia

46

Schagen

Begraafplaats Hoep

Hollandse Iep

47

Schagen

Begraafplaats Hoep

Gewone Esdoorn

182

Schagen

Begraafplaats Hoep

Hollandse Linde

184

Schagen

Beukenlaan

14

Honingboom

145

Schagen

Bonkelaarsdijk

4

Hollandse Iep

156

Schagen

Bonkelaarsdijk

4

Hollandse Iep

157

Schagen

Bonkelaarsdijk

4

Hollandse Iep

158

Schagen

Bonkelaarsdijk

4

Hollandse Iep

159

Schagen

Bonkelaarsdijk

4

Hollandse Iep

160

Schagen

Bonkelaarsdijk

4

Hollandse Iep

161

Schagen

Christoffelhof

Witte paardenkastanje

180

Schagen

De Miede, nabij verzorgingshuis De Bron

Linde

133

Schagen

Dorpen

11

Witte Kastanje

20

Schagen

Dorpen

11

Witte Kastanje

21

Schagen

Dorpen

11

Witte Kastanje

22

Schagen

Dorpen

11

Witte Kastanje

23

Schagen

Dorpen

50

Bruine Beuk

17

Schagen

Dorpen

50

Gewone Esdoorn

135

Schagen

Grote Wallerweg

10

Hollandse Iep

142

Schagen

Grote Wallerweg

31

Treures

105

Schagen

Havenstraat

13

Canadese populier

28

Schagen

Havenstraat

15

Canadese populier

29

Schagen

Havenstraat

19

Canadese populier

30

Schagen

Havenstraat

23

Canadese populier

31

Schagen

Hoep

t.h.v. 2

Canadese populier

48

Schagen

Hoep

t.h.v. 2

Canadese populier

49

Schagen

Hoep

t.h.v. 2

Canadese populier

50

Schagen

Hoep

t.h.v. 2

Canadese populier

51

Schagen

Hoep

t.h.v. 2

Canadese populier

52

Schagen

Hoep

t.h.v. 2

Canadese populier

53

Schagen

Hoep

20

Notenboom

147

Schagen

Hoep

28

Bruine beuk

101

Schagen

Hofstraat

9

Es

181

Schagen

Jacob Marisstraat

t.h.v.4

Italiaanse populier

93

Schagen

Jacob Marisstraat

t.h.v.6

Italiaanse populier

92

Schagen

Jacob Marisstraat

t.h.v.13

Italiaanse populier

91

Schagen

Jacob Marisstraat

t.h.v. 21

Italiaanse populier

90

Schagen

Jacob Marisstraat

t.h.v.24

Italiaanse populier

89

Schagen

Julianalaan

2

Witte paardenkastanje

13a

Schagen

Julianalaan

2

Witte paardenkastanje

13b

Schagen

Julianalaan

2

Witte paardenkastanje

13c

Schagen

Julianalaan

2

Witte paardenkastanje

13d

Schagen

Kogerlaan

t.o. 39

Koningslinde

151

Schagen

Laan

8

Treurwilg

1

Schagen

Laan

t.h.v.19

Witte paardenkastanje

18

Schagen

Laan

t.h.v.19

Witte paardenkastanje

19

Schagen

Landbouwstraat

5

Goud-es

138

Schagen

Landbouwstraat

5

Vleugelnoot

139

Schagen

Landbouwstraat

12

Krimlinde

137

Schagen

Landbouwstraat

35

Rode paardenkastanje

2

Schagen

Lauriestraat

2

Witte paardenkastanje

12

Schagen

Lauriestraat

4

Esdoorn

146

Schagen

Lauriestraat, oostzijde

4

Canadese Populier

5

Schagen

Lauriestraat, oostzijde

4

Canadese populier

6

Schagen

Lauriestraat, oostzijde

4

Canadese Populier

7

Schagen

Lauriestraat, oostzijde

4

Bruine Beuk

72

Schagen

Lauriestraat/Laanplein

Treurwilg

8

Schagen

Lauriestraat

t.h.v.19

Treurwilg

11

Schagen

Lauriestraat

t.h.v. 31

Treurwilg

10

Schagen

Lauriestraat

t.h.v. 37

Treurwilg

9

Schagen

Loet

12

Abeel

68

Schagen

Magnusstraat/Landbouwstraat

Witte paardenkastanje

25

Schagen

Magnusstraat/Landbouwstraat

Witte paardenkastanje

26

Schagen

Margrietstraat

t.h.v.14

Treurwilg

15

Schagen

Margrietstraat

t.h.v.14

Treurwilg

16

Schagen

Markt

22

Bruine beuk

102

Schagen

Marijkestraat

Meidoorn

144

Schagen

Marijkestraat, achterzijde Laurierstraat 4

Hollandse Iep

14

Schagen

Muziektuin

Witte paardenkastanje

54

Schagen

Muziektuin

Treurwilg

57

Schagen

Muziektuin

Hollandse Linde

58

Schagen

Muziektuin

Hollandse iep

59

Schagen

Muziektuin

Noorse esdoorn

60

Schagen

Muziektuin

Canadese populier

61

Schagen

Muziektuin

Hollandse Iep

63

Schagen

Muziektuin

Wilg

64

Schagen

Muziektuin

Boomhazelaar

65

Schagen

Muziektuin

Noorse esdoorn

66

Schagen

Muziektuin

Honingboom

104

Schagen

Muziektuin

Hemelboom

106

Schagen

Nes, nabij Rozenlaan 11

Moerascypres

148

Schagen

Nes, nabij Rozenlaan 11

Moerascypres

149

Schagen

Nes, nabij Rozenlaan 11

Moerascypres

150

Schagen

Noord

39

Bruine beuk

73

Schagen

Noord

39

Es

74a

Schagen

Noord

39

Es

74b

Schagen

Noord

39

Es

74c

Schagen

Oostzijde Lauriestraat

4

Bruine beuk

72

Schagen

Oranjelaan, achter GSG

Zomereik

186

Schagen

Plantsoen, nabij station

Hollandse iep

3

Schagen

Plantsoen, nabij station

Hollandse iep

4

Schagen

Rensgars

5

Witte paardenkastanje

71

Schagen

Rensgars

7

Witte paardenkastanje

70

Schagen

Slotplein

4

Venijnboom

103

Schagen

Trambaan Noord, achter Fazantenhof 75

Hollandse Iep

94a

Schagen

Trambaan Noord, achter Fazantenhof 77

Hollandse Iep

94b

Schagen

Trambaan Noord, nabij de Menisweg

Iep

178

Schagen

Trambaan Noord, nabij de Menisweg

Iep

179

Schagen

Trambaan Oost, voor de atletiekbaan

Hollandse iep

98a

Schagen

Trambaan Oost, voor de atletiekbaan

Hollandse iep

98b

Schagen

Trambaan Oost, voor de atletiekbaan

Hollandse iep

98c

Schagen

Trambaan oost, achter de handbalvelden

Hollandse iep

97a

Schagen

Trambaan oost, achter de handbalvelden

Hollandse iep

97b

Schagen

Trambaan oost, achter de P. Ottstraat 2

Hollandse iep

96a

Schagen

Trambaan oost, achter de P. Ottstraat 2

Hollandse iep

96b

Schagen

Trambaan West, nabij Vezetslaan 2

Hollandse iep

185

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 13

Hollandse iep

95

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 23

Veldiep

162

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 23

Es

163

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 23

Es

164

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 23

Es

165

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 23

Es

166

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 23

Es

167

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 23

Es

168

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 23

Es

169

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 23

Es

170

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 23

Es

171

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 23

Es

172

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 23

Es

173

Schagen

Trambaan Zuid, achter Korenmolen 23

Es

174

Schagen

Vincent van Goghlaan

t.o. 1

Italiaanse populier

83a

Schagen

Vincent van Goghlaan

t.o. 1

Italiaanse populier

83b

Schagen

Vincent van Goghlaan

t.o. 1

Italiaanse populier

83c

Schagen

Vincent van Goghlaan

t.o. 1

Italiaanse populier

83d

Schagen

Vincent van Goghlaan

t.o. 1

Italiaanse populier

83e

Schagen

Vincent van Goghlaan

t.o. 1

Italiaanse populier

83f

Schagen

Vincent van Goghlaan

t.o. 3

Treurwilg

84

Schagen

Vincent van Goghlaan

t.o.15

Wilg

85

Schagen

Vincent van Goghlaan

t.o.15

Wilg

86

Schagen

Vincent van Goghlaan

t.o.15

Wilg

87

Schagen

Vincent van Goghlaan

t.o.27

Wilg

88

Schagen

Westerpark

t.o. 72

Es

177a

Schagen

Westerpark

t.o. 74

Es

177b

Schagen

Westerpark

t.o. 76

Es

177c

Schagen

Westerpark

t.o. 78

Es

175

Schagen

Westerpark

t.o. 84

Es

176

Schagen

Wilgenlaan

t.o. 17

Moerascypres

99

Sint Maarten

Herenweg

7

MTNOO E 1209

Aesculus hippocastanum

Sint Maarten

Herenweg

10

MTNOO E 1081

Tilia europaea

Sint Maarten

Herenweg

10

MTNOO E 1081

Fagus sylvatica Purpurea

Sint Maarten

Herenweg

10

MTNOO E 1081

Fagus sylvatica Purpurea

Sint Maarten

Herenweg

10

MTNOO E 1081

Fagus sylvatica Purpurea

Sint Maarten

Herenweg/Kerkelaantje

MTNOO E 1077

Aesculus hippocastanum

Sint Maarten

Sportlaan

MTNOO E 1629

Aesculus hippocastanum

Sint Maarten

Valkogerweg

37

MTNOO D 122

Fagus sylvatica Purpurea

Sint Maartensbrug

Grote Sloot

209

Aesculus hippocastanum ‘Bsumsnnii’

50-60 cm

>60 jaar*

Sint Maartenvlotbrug

Handelskade

1

Ulmus hollandica ‘Belgica’

90-100 cm

>60 jaar

Tuitjenhorn

Dorpsstraat

65a

HRKOO I 144

Fagus sylvatica Purpurea

Tuitjenhorn

Kalverdijk

33

HRKOO M 96

Fraxinus excelsior

Tuitjenhorn

Oostwal

2

HRKOO I 4522

Tilia europaea ‘Palilida’

’t Zand

Kanaalkade

5

Aesculus hippocastanum

60-70 cm

>60 jaar

’t Zand

Keinsmerweg

12

Aesculus hippocastanum

60-70 cm

>60 jaar

’t Zand

Keinsmerweg

86

Ulmus hollandica ‘Belgica’

60-70 cm

>60 jaar

’t Zand

Keinsmerweg

86

Ulmus hollandica ‘Belgica’

50-60 cm

>60 jaar

’t Zand

Keinsmerweg

86

Ulmus hollandica ‘Belgica’

80-90 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Belkmerweg

3

Malus hybride

40-50 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Belkmerweg

27

Quercus robur

40-50 cm

40-50 jaar

’t Zand

Korte Belkmerweg

27

Aesculus hippocastanum

60-70 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Belkmerweg

27

Fagus sylvatica

60-70 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Belkmerweg

40

Quercus robur

60-70 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Belkmerweg

40

Quercus robur

40-50 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Belkmerweg

40

Quercus robur

80-90 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Belkmerweg

40

Aesculus hippocastanum

70-80 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Ruigeweg

25

Tilia europaea

60-70 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Ruigeweg

25

Tilia europaea

60-70 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Ruigeweg

25

Populus candensis

>100 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Ruigeweg

25

Tilia europaea

40-50 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Ruigeweg

25

Tilia europaea

40-50 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Ruigeweg

25

Tilia europaea

50-60 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Ruigeweg

25

Tilia europaea

30-40 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Ruigeweg

25

Tilia europaea

40-50 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Ruigeweg

25

Tilia europaea

60-70 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Ruigeweg

25

Tilia europaea

40-50 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Ruigeweg

25

Populus candensis

>100 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Ruigeweg

25

Tilia europaea

60-70 cm

>60 jaar

’t Zand

Korte Ruigeweg

25

Quercus robur

70-80 cm

>60 jaar

’t Zand

Leliestraat

1

Fraxinus excelsior ‘Jaspidea’

30-40 cm

30-40 jaar

’t Zand

Pater de Witstraat

41

Ulmes hollandica ‘Vegeta’

60-70 cm

>60 jaar*

’t Zand

Pater de Witstraat

45

Ulmes hollandica ‘Vegeta’

60-70 cm

>60 jaar*

’t Zand

Pater de Witstraat

47

Ulmes hollandica ‘Vegeta’

60-70 cm

>60 jaar*

Warmenhuizen

Dorpsstraat

172

WMHOO G 633

Fraxinus excelsior

Waarland

Bernadette-plantsoen

HRKOO K 163

Fagus sylvatica Purpurea

Toelichting

Bomen spelen een belangrijke rol bij de inrichting van onze woon- en leefomgeving. Bomen dragen bij aan het groene karakter van de gemeente Schagen en de karakteristiek van de kernen. Naast de esthetische functie van bomen (het beeld) spelen bomen een belangrijke rol in de begeleiding van structuren (wegen, waterlopen, randen, etc), in het leveren van zuurstof en reductie van fijnstof, en zorgen zij voor bescherming en schaduw, nestgelegenheid voor vogels etc. Om die reden is het belangrijk dat de gemeente Schagen zich m.b.t. het groenbeleid richt op de ontwikkeling van gezonde bomen en boomstructuren en zorg draagt voor bescherming van bomen, zowel in de openbare ruimte als op terreinen van particulieren.

Het gemeentelijk beleid is er tegenwoordig op gericht de regeldruk voor burgers en bedrijven terug te dringen. Daarom is de regelgeving omtrent de kapvergunning herzien. Nu is als uitgangspunt genomen dat een kapvergunning alleen vereist is voor het vellen van:

A: Houtopstanden op gronden met de bestemming ‘Duinen’, ‘Natuurgebied’, ‘Landschappelijk waardevolle houtopstand en begroeiing’ of ‘Waardevolle houtopstanden’. Deze houtopstanden verdienen bescherming vanwege hun natuurwaarde of landschappelijke waarde.

B: Houtopstanden op publieke percelen van gemeente, waterschap, provincie of het Rijk. Het gaat hier om houtopstanden die in feite van ons allemaal zijn. Voor het vellen van deze houtopstanden blijft de kapvergunningplicht bestaan, om te voorkomen dat overheden zonder enige beperking en zonder dat burgers daar iets over te zeggen kunnen hebben het openbaar groen kunnen vellen. Belanghebbenden houden de mogelijkheid om middels een bezwaarprocedure/beroepsprocedure het kapbeleid van overheden te laten toetsen door een bezwarencommissie/rechter.

C: Houtopstanden op percelen met een oppervlakte van meer dan 500 m². De gedachte hierachter is dat op dit soort percelen veel houtopstand kan staan. Voorkomen moet worden dat al deze houtopstand zonder enige vergunning ineens gekapt kan worden en er zodoende veel groen verdwijnt. Hiermee wordt tevens bereikt dat houtopstanden rond bedrijventerreinen, recreatieparken, kampeerterreinen e.d. niet zonder meer geveld kunnen worden. De gemeente stelt in het kader van vergunningverlening bij dit soort terreinen het aanleggen van bomensingels e.d. vaak verplicht. Voor de beeldkwaliteit van het landschap is het van belang dat deze houtopstanden behouden blijven.

Het gros van de burgers heeft geen percelen van deze omvang in bezit of in gebruik. Dat betekent dat de meeste burgers voortaan een boom in hun tuin zonder vergunning kunnen kappen.

D: Houtopstanden die zijn geplant in het kader van een herplantplicht. Het spreekt voor zich dat deze houtopstanden niet meteen weer vergunningvrij mogen worden geveld.

E: Dit betreft houtopstanden gelegen op het grondgebied van de voormalige gemeente Harenkarspel. Gezien het ontbreken van een lijst van bijzondere bomen gelegen in de voormalige gemeente Harenkarspel wordt dit gehele gebied aangewezen als kapvergunningplichtig. Echter monumentale bomen zijn al wel aangewezen in voormalig Harenkarspel en opgenomen in de bomenlijst. Het is zeer wenselijk de bomen in de voormalige gemeente Harenkarspel te inventariseren en inspecteren, zodat de lijst met bijzondere/monumentale bomen compleet gemaakt kan worden. E. kan dan achterwege blijven.

F: Bomen worden op de lijst bijzondere / monumentale bomen geplaatst nadat zij door de gemeente zijn geïnventariseerd en geïnspecteerd. Op basis van een aantal criteria kan de status van ‘Bijzondere boom/ monumentale boom’ verkregen worden.

Bomen met deze status voldoen aan de volgende basiscriteria:

a. De boom verkeert niet in een onomkeerbare slechte conditie;

b. De boom vormt geen onafwendbaar risico voor de omgeving (een eventuele gevaarlijke situatie en schade kunnen op een redelijk eenvoudige wijze worden tegengegaan).

Daarnaast moet de boom voldoen aan tenminste één van de volgende criteria:

a. Esthetische waarde, met name de aanwezigheid in de ruimte en in hoeverre de boom “gemist” gaat worden als hij geveld zou worden. De boom kan medebepalend zijn voor het karakter van de omgeving;

b. Cultuurhistorische waarde (herdenkingsboom, herkenningspunt/oriëntatiepunt, bijzondere snoeivorm, oude oprijlaan). De boom kan onderdeel uitmaken van een monumentale omgeving of van een cultuurhistorisch object;

c. Dendrologische waarde (zeldzame soort, bijzondere variëteit of groeivorm);

d. Ecologische waarde. De boom is onderdeel van een biotoop van schaars voorkomende planten- of diersoorten;

e. Zeldzaamheidswaarde (zeldzame soort of type, oudste, dikste, hoogste, eerste of laatste boom);

f. Toekomstwaarde (boom van lokaal belang of boom die de gelegenheid krijgt uit te groeien tot een monumentale boom).

De lijst van ‘bijzondere/monumentale bomen’ zal overigens regelmatig geactualiseerd moeten worden. Het is mogelijk dat bepaalde bomen zullen sterven en dus van de lijst zullen moeten verdwijnen. Ook kan het gebeuren dat bomen die nu nog niet op de lijst staan, zich ontwikkelen tot bijzondere/monumentale boom en dus een plek op de lijst verdienen. Het voornemen is om elke 4 á 5 jaar een inspectieronde te houden en aan de hand van de resultaten daarvan de lijst te actualiseren.

In het eerste jaar na de fusie dient deLijst kapvergunningplichtige’ houtopstanden aangevuld te worden met die bomen die aangemerkt kunnen worden als bijzondere boom, die gelegen zijn in de voormalige gemeente Harenkarspel. Monumentale bomen zijn reeds geïnventariseerd in de voormalige gemeente Harenkarspel en opgenomen in de lijst.

Voorts is de eigenaar of zakelijk gerechtigde van een houtopstand die vermeld staat op de lijst van monumentale / bijzondere bomen verplicht het college onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van:

  • 1.

    eigendomsoverdracht van de houtopstand;

  • 2.

    het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende vergunning;

  • 3.

    de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.

NB: Op grond van artikel 4:11 lid 2 van de Algemene plaatselijke verordening Schagen (Apv) geldt dat geen vergunning is vereist voor het vellen van:

a: houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;

b: houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.11E

c: houtopstand voor het vellen waarvan een vergunning is verleend op grond van een geldend bestemmingsplan (aanlegvergunning);

d: houtopstand met een stamdiameter van minder dan 15 centimeter op 100 centimeter hoogte boven het maaiveld, tenzij het een bijzondere boom/monumentale boom betreft of houtopstand die is geplant in het kader van een herplantplicht op grond van artikel 4.11C of artikel 4.11E In geval van meerstammigheid geldt de diameter van de dikste stam;

e: wegbeplanting en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen;

f: op bedrijfseconomische wijze geëxploiteerde vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

g: fijnsparren niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

h: kweekgoed;

i: houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:

- ofwel geen groter oppervlakte beslaat dan 10 are;

- ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.

j: het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van regulier onderhoud.