Nadere regels voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen in provinciale vaarwegen van Flevoland

Geldend van 01-02-2013 t/m 30-09-2016

Gedeputeerde Staten stellen de volgende regeling vast.

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

 

 

In deze nadere regels wordt verstaan onder:

  • a.

    afmeren: Alle vormen waarbij een schip voor korte of langere tijd aan of dicht langs de oever van de vaarweg ligt, ongeacht waar dit is en op welke manier dit gebeurt (ketting, touw, anker, spudpalen etc).

  • b.

    schip en vaartuig: De termen “schip” en “vaartuig” worden door elkaar heen gehanteerd en er wordt uitgegaan van een ruime interpretatie van deze begrippen. Er worden alle vervoermiddelen mee bedoeld voor transport van mensen en of goederen over water. Het gaat dan vooral om binnenvaartschepen, historische bedrijfsvaartuigen, woonarken, pleziervaartuigen (motorboten, zeilboten), roeiboten, kano’s, surfplanken en vlotten.

  • c.

    ligplaats Gelegenheid om met een schip af te meren.

Hoofdstuk 2 Aanleiding, doelstelling en randvoorwaarden

2.1 Aanleiding

 

De provinciale vaarwegen in Flevoland hebben onder meer de functie het bevorderen van de vlotte en veilige doorgang van de scheepvaart. Om deze functie ook naar de toekomst te kunnen waarborgen zijn er nadere regels nodig voor de gebruikers van die vaarten. Daarnaast dragen die regels bij aan het doelmatig en efficiënt uitvoeren van maatregelen gericht op het beheer en onderhoud van die vaarten. In bijlage 1 is de ligging van de provinciale vaarwegen aangegeven.

In de uitvoeringsstrategie Vaarwegen zijn de uitgangspunten voor de nadere regels vastgelegd. Het gaat daarbij alleen om de vaarwegen waar de provincie nautisch en / of technisch beheerder van is en om aspecten die van belang zijn voor het huidige en toekomstige gebruik. Ook zijn er normen opgesteld voor de manier waarop in de toekomst het beheer en onderhoud van de provinciale vaarwegen wordt uitgevoerd. Een onderdeel van de deze strategie zijn ook de uitgangspunten ten aanzien van het al dan niet gebruik mogen maken van voorzieningen om schepen langs de oevers van de provinciale vaarten af te meren. De noodzaak om die uitgangspunten op te stellen en die te vertalen in nadere regels voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen is drieledig:

  • a)

    Er zijn bij gebruikers van de vaarwegen veel onduidelijkheden over de plaatsen waar men (al dan niet permanent) mag afmeren. Dit leidt tot ongewenste en onveilige situaties voor de doorgaande scheepvaart. In een aantal gevallen zijn die uitgemond in gerechtelijke procedures, mede omdat er geen afdoende randvoorwaarden zijn op grond waarvan de provincie verzoeken kan toetsen of kan handhaven;

  • b)

    Gemeenten en provincies rondom Flevoland hebben in veel gevallen al zaken over ligplaatsen en afmeervoorzieningen vastgesteld. Het opstellen van eigen regels voorkomt dat “problemen” van omliggende gebieden worden verplaatst naar Flevoland;

  • c)

    De behoefte aan een meer efficiënte en doelmatige manier van beheer en onderhoud van de provinciale vaarten en de aangrenzende beheerstrook.

2.2 Doelstelling

 

Het doel van de nadere regels voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen is om vast te leggen of en zo ja waar de oevers van de provinciale vaarten gebruikt kunnen worden om schepen af te meren. Daarbij gaat het om twee aspecten;

  • 1)

    het aangeven van de locaties die niet zijn bestemd en bedoeld als ligplaats en het handhaven in situaties als wordt afgeweken van de geformuleerde bepalingen;

  • 2)

    het aangeven van locaties waar onder voorwaarden bestaande voorzieningen gebruikt kunnen blijven worden voor het afmeren van schepen en waar zo nodig nieuwe voorzieningen kunnen worden aangelegd om de doorgaande scheepvaart te faciliteren.

2.3 Juridische en inhoudelijke kaders

2.3.1 Wettelijke grondslag

De wettelijke grondslag voor het opstellen van deze nadere regels voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen wordt vermeld in artikel 7.9 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 (hierna: VFL). In artikel 7.9 VFL is opgenomen dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen stellen voor de door hen aangewezen openbare wegen en vaarwegen, indien de belangen bedoeld in artikel 7.1 VFL zich daar niet tegen verzetten. Deze nadere regels, als opgenomen in hoofdstuk 4, dienen te worden nageleefd.

2.3.2 Algemene uitgangspunten

  • 1 Het uitgangspunt is, dat geen schepen mogen worden afgemeerd langs de oevers van de provinciale vaarten anders dan aan daartoe ingerichte afmeervoorzieningen en dat er geen voorzieningen door derden worden aangelegd. Dit om tegen te gaan dat er schepen worden afgemeerd op locaties die nadelig zijn voor een veilige en vlotte scheepvaart, voor de instandhouding van de vaarweg, of voor functies van gebieden die direct langs de vaarwegen zijn gelegen. Tevens kan het afmeren van schepen het doelmatig en efficiënt beheer en onderhoud van de vaarweg negatief beïnvloeden.

  • 2 Landelijk zijn er wetten en richtlijnen vastgesteld die algemeen geldend zijn voor de scheepvaart en daarom niet alsnog in de nadere regel ligplaatsen en afmeervoorzieningen zijn vermeld. Het gaat dan om de Scheepvaartverkeerswet (SVR), het Binnenvaart Politiereglement (BPR) en de Richtlijnen Scheepvaart 2011.

2.3.3 Fasering nadere regels t.o.v. uitvoeringsstrategie Vaarwegen

Er zijn twee redenen waarom deze nadere regels voorafgaand aan het uitvoeringsstrategie Vaarwegen wordt opgesteld:

  • a)

    De bepalingen inzake het afmeren langs de oevers vereist dat de nadere regels voor algemene inspraak ter inzage worden gelegd en dat de reacties verwerkt worden in de versie, die aan Gedeputeerde Staten ter vaststelling wordt voorgelegd;

  • b)

    Er zijn op dit moment langs de oevers schepen afgemeerd die vanuit provinciaal oogpunt daar niet zouden moeten liggen. Het feit dat er hierover al verschillende juridische procedures lopen maakt, dat de urgentie groot is om de nadere regels voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen zo snel mogelijk vorm te geven.

2.4 Opbouw nadere regels

 

Hoofdstuk 3 van de nadere regels geeft op hoofdlijnen de randvoorwaarden voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen aan. In hoofdstuk 4 worden de nadere regels voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen beschreven. De slotbepalingen zijn in hoofdstuk 5 weergegeven.

Hoofdstuk 3 Hoofdlijnen inzake randvoorwaarden voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen

3.1 Inleiding

 

De wettelijke grondslag voor het opstellen van de nadere regels voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen staat vermeld in artikel 7.9 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving 2012. Het Omgevingsplan Flevoland (2006) biedt vanuit beleidsmatig oogpunt het inhoudelijke kader, dat voor de infrastructuur nader is uitgewerkt in onder andere de nota Mobiliteit 2007 – 2015. De belangrijkste thema’s uit deze beleidsnota’s zijn vertaald naar de functies van de vaarwegen en de ruimtelijke neerslag daarvan in zones. Voor al deze zones zijn tenslotte uitgangspunten en algemene randvoorwaarden benoemd voor het afmeren van schepen of het aanleggen van voorzieningen.

3.2 Functies van de provinciale vaarwegen

 

  • 1 De vaarwegen in de provincie Flevoland hebben meerdere functies, die elk in verschillende mate impact hebben op de regelgeving inzake afmeren van schepen in provinciale vaarten:

    • a)

      Economische ontwikkeling, recreatie en toerisme

      • De vaarwegen die in beheer en onderhoud zijn bij de provincie Flevoland, zijn toegankelijk voor alle scheepvaart waarvan de afmetingen voldoen aan de vastgestelde maatvoering van de betreffende sluizen. Gezien de economische functie van Flevoland en geografische ligging ten opzichte van de rest van Nederland worden deze vaarwegen vooral gebruikt door de beroepsvaart (goederentransport voor Flevolandse bedrijven) en de doorgaande recreatietoervaart.

    • b)

      Natuur, landschap en cultuurhistorie

      • In het Omgevingsplan Flevoland is aangegeven, dat de beheerstrook langs de meeste provinciale vaarten de functie hebben als ecologische verbindingszone. Dit betekent dat er voor deze gebieden beschermende maatregelen van kracht zijn om natuur en milieu in stand te houden en te ontwikkelen. Dit zijn ook de gebieden waar natuurvriendelijke oevers zijn of worden aangelegd.

      • Het landschap van het grootste deel van de provincie Flevoland is volgens strakke en lange zichtlijnen aangelegd. De provinciale vaarten zijn daar een onderdeel van. In het Omgevingsplan Flevoland is hierover opgenomen dat deze vaarten hun strakke en lange lijnen, als cultuurhistorisch kenmerk van het ontwerp van Flevoland, moeten blijven behouden.

    • c)

      Stedelijk profiel

      • De vaarten liggen voor een klein deel binnen de bebouwde kom van de Flevolandse woonkernen en maken daarom deel uit van het woon- en leefmilieu aldaar. Aan de ene kant betekent dit dat individuele bewoners of sportverenigingen de vaarten zien als deel van hun leefgebied en ze dientengevolge ook zo gebruiken. Aan de andere kant overheerst echter vanuit het algemene belang dat de aanwezigheid van de vaarten bijdraagt aan de kwaliteit van het woonmilieu en dat daarom de instandhouding ervan prioriteit heeft.

  • 2 Tenslotte hebben de vaarten ook de functie als afvoerkanaal voor het overtollige polderwater, met de waterbeheerder waterschap Zuiderzeeland als hoofdverantwoordelijke. Deze functie heeft evenwel nauwelijks of geen gevolgen voor het ligplaatsenbeleid.

3.3 Zonering van de oevers

 

De functies van de provinciale vaarten, gekoppeld aan het algemene uitgangspunt dat er geen schepen mogen worden afgemeerd of voorzieningen hiervoor mogen worden aangelegd in provinciale vaarten anders dan aan daartoe bestemde en ingerichte afmeervoorzieningen, resulteert in drie type gebieden of zones. Voor elk van deze zones is in hoofdlijnen aangegeven of daar schepen mogen afmeren.

3.3.1 Hoofdlijnen zonering

Met onderstaande indeling is elk deel van de oevers langs de provinciale vaarten toebedeeld aan één zone: zie bijlage 2. De grenzen van de zones zijn indicatief aangegeven op basis van de officiële hectometrering en zijn afgerond op 100 meter. Een beperkt aantal gedeelten van de oevers is toe te rekenen aan meerdere zones. Als zich op basis hiervan discussies of problemen voordoen, dan wordt aan de hand van de concrete locale situatie of plannen in overleg met betrokkenen een nadere afweging gemaakt. Voor de huidige situaties verandert er in principe niets. Met andere beheerders van beweegbare bruggen wordt nog nader overlegd over de effecten voor die specifieke situaties.

  • 1) A)

    Bedrijventerrein

Diverse bedrijventerreinen zijn aangelegd langs de vaarten, teneinde de aan- en afvoer van grondstoffen en producten per schip te faciliteren. Niet elk aan het vaarwater gelegen bedrijf maakt daar gebruik van en in de tijd gezien kunnen hier ook veranderingen in optreden. De aanwezige kades en loswallen zijn bestemd voor de beroepsvaart en mogen daarvoor worden gebruikt. Ze zijn niet geschikt voor het gebruik door de recreatietoervaart en het is ook niet toegestaan om daar recreatieschepen tijdelijk of permanent af te meren. Indien er behoefte bestaat om voor bestaande of toekomstige bedrijven nieuwe kades of loswallen aan te leggen, dan is dat onder voorwaarden mogelijk. Het Omgevingsplan Flevoland benoemt ook zones waarin recreatieve activiteiten worden gestimuleerd. Voor zover dit grootschalige voorzieningen zijn die als zodanig zijn opgenomen in een vastgesteld bestemmingsplan, worden ze ook beschouwd als zones voor bedrijfsmatige activiteiten. Het gaat dan specifiek om terreinen met als hoofdfunctie dag- en verblijfsrecreatie, die grenzen aan provinciale vaarten en (als onderscheid van met de minicampings bij de boer) ten minste 25 plaatsen hebben. Het is dan onder voorwaarden mogelijk om de oever ervan te gebruiken voor het afmeren van schepen van de bezoekers.

  • B)

    Manoeuvreerruimte bij sluizen

Bij sluizen moet er voor schepen aan beide kanten ruimte beschikbaar zijn om te manoeuvreren en om te wachten op de volgende bediening: de zogenaamde voorhaven. Deze voorhaven is niet overal even groot, omdat de omvang afhankelijk is van de locale situatie, het aantal passerende schepen en van de grootte van het maatvoerende schip. De exacte maatvoering wordt berekend op basis van hetgeen hierover in de Richtlijnen scheepvaart 2011 is opgenomen. Deze benadering is van toepassing op elke sluis in de provinciale vaarten en leidt tot een afmeerverbod binnen een bepaalde afstand van die sluizen voor schepen, die er voor korte of langere tijd willen afmeren. Voor de beweegbare bruggen geldt deze situatie ook, al is de benodigde manoeuvreerruimte kleiner dan bij de sluizen.

  • 2)

    Ecologische verbindingszones

De vaart en de directe omgeving ervan maakt deel uit van de ecologische verbindingszones, zoals die zijn vastgelegd in het Natuurbeheerplan Flevoland 2010. Bij deze zone zijn inbegrepen de gebieden die in het Natuurbeheerplan benoemd zijn als “waardevol gebied” of als “overige EHS”. Het beschermen en ontwikkelen van natuurwaarden heeft in deze zones de voorkeur boven het aanleggen van afmeervoorzieningen. Ter aanvulling op deze ecologische argumentatie vallen veel oevers in het buitengebied ook onder het uitgangspunt van het Omgevingsplan Flevoland, dat de vaarten kenmerkend zijn voor de hoofdstructuur van de provincie (lange, strakke lijnen). Onderbrekingen daarvan in de vorm van afmeervoorzieningen zijn niet gewenst.

  • 3)

    Openbare ruimte binnen bebouwde kom

De vaarten liggen voor een deel binnen de bebouwde kom van de gemeenten en maken derhalve deel uit van het leefgebied van de inwoners. Vanuit algemeen belang is het zaak om de kwaliteit van deze openbare ruimte te handhaven. De vaarten dragen bij aan de beleving en waardering van deze ruimte van alle inwoners en een individuele invulling door het naar eigen inzicht afmeren van schepen past daar niet in. Voor het thema Wonen op het water gaan steeds meer gemeenten na, of dergelijke nieuwe woonmilieus ontwikkeld kunnen worden en worden opgenomen in een bestemmingsplan. Dergelijke initiatieven kunnen onder strikte voorwaarden langs op provinciale vaarten worden ontwikkeld, mits de gemeente hierin een leidende rol heeft.

3.3.2 Reikwijdte uitvoeringskader afmeervoorzieningen

  • 1

    • a)

      De Hoge dwarsvaart en de Larservaart zijn niet in het overzicht met zones meegenomen, omdat deze vaarten in beheer en onderhoud bij het waterschap Zuiderzeeland. Als gevolg van de implementatie van de Waterwet kan ertoe worden besloten, dat de provincie Flevoland voor beide vaarten de nautisch beheerder wordt en dat ze daarom ook vallen onder de reikwijdte van dit uitvoeringskader afmeervoorzieningen.

    • b)

      Indien de zonering wordt toegepast op deze beide vaarten, dan zouden er over de totale lengte ervan geen schepen mogen afmeren omdat ze deel uitmaken van een ecologische verbindingszone.

    • c)

      De directe omgeving van beide sluizen (respectievelijk de Blauwe Dromer en de Larsersluis) wordt dan aangemerkt als manoeuvreerruimte voor schepen, zodat ook daar geen schepen mogen afmeren. Omdat beide sluizen allen toegankelijk zijn voor de recreatietoervaart, is de daarvoor benodigde ruimte relatief beperkt.

  • 2 In Hoge dwarsvaart en de Larservaart liggen ook enkele passantensteigers die in eigendom zijn van de provincie. Deze steigers vallen wel onder het besluit van gedeputeerde staten inzake Naamgeving en regulering gebruik passantensteigers 2009 (HB 787159). In dat besluit is aangegeven welke passantensteigers de recreatietoervaart mag gebruiken voor een aaneengesloten periode van maximaal 3 x 24 uur en blijven in de toekomst beschikbaar voor de recreatietoervaart.

3.4 Rol en betrokkenheid van de andere beheerders van infrastructuur

3.4.1 Gemeenten

Gemeenten zijn in een enkel geval eigenaar van afmeervoorzieningen langs provinciale vaarten en de in paragraaf 2.4 genoemde algemene randvoorwaarden gelden ook voor die voorzieningen. Soms worden daar specifieke regels en voorwaarden gehanteerd voor het mogen afmeren aan deze steigers. De provincie zal in overleg met die gemeenten nader afspraken maken over het gebruik van deze afmeervoorzieningen en over het toezicht en de handhaving op het gebruik ervan.

3.4.2 Waterschap Zuiderzeeland

Het waterschap Zuiderzeeland heeft geen directe belangen t.a.v. het afmeren van schepen. Als watersysteembeheerder ligt hun belang in de bescherming van het watersysteem: waterkwaliteit en waterkwantiteit (waaronder afvoer van polderwater via de gemalen naar het IJsselmeer. De uitzondering hierop is hun belang om het deel van de vaarten die direct aansluiten op de gemalen af te sluiten voor de scheepvaart en om voor de oevers ervan een verbod in te stellen op het afmeren van schepen.

3.4.3 Rijkswaterstaat

Rijkswaterstaat heeft als beheerder van infrastructuur alleen raakvlakken met de provinciale vaarwegen met de vaste bruggen van de rijksweg A 6. Vanwege deze situatie is de rol en betrokkenheid van Rijkswaterstaat bij de nadere regels inzake ligplaatsen en afmeervoorzieningen zeer beperkt.

Hoofdstuk 4 Uitwerking van nadere regels voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen

4.1 Inleiding

 

De hoofdlijnen en algemene randvoorwaarden van de nadere regels voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen zijn vertaald naar situaties langs de provinciale vaarten. Daarmee worden handvaten geboden voor het omgaan van deze hoofdlijnen in specifieke situaties en voor overige constructies die een relatie (kunnen) hebben met het afmeren van schepen. Tenslotte zijn nog enkele uitgangspunten benoemd voor het handhaven van de nadere regels.

4.2 Algemene randvoorwaarden voor afmeervoorzieningen

 

De functies van de provinciale vaarwegen en de daaruit afgeleide zonering met verboden ten aanzien van afmeermogelijkheden zijn vertaald naar de volgende algemene randvoorwaarden voor de aanleg en gebruik van afmeervoorzieningen:

  • 1)

    Afmeervoorzieningen bij bedrijventerreinen zijn alleen bedoeld als tijdelijke ligplaats, gekoppeld aan de naastgelegen bedrijvigheid. Onder voorwaarden kunnen gemeenten of bedrijven een verzoek doen tot het aanleggen van een afmeervoorzieningen in de vorm van een insteekhaven. Belangrijke voorwaarden ter bescherming van de veilige en vlotte doorgaande scheepvaart zijn, dat de zichthoeken vrij zijn en vrij blijven en dat schepen die gebruik maken van de insteekhaven de doorgaande scheepvaart niet mogen hinderen. De kosten voor aanleg en voor het beheer en onderhoud komen voor rekening van de initiatiefnemer;

  • 2)

    Binnen de bebouwde kom (niet zijnde bij bedrijventerreinen) zijn geen nieuwe afmeervoorzieningen toegestaan. Onder voorwaarden kan de betreffende gemeente een verzoek doen tot het aanleggen van kleine bouwwerken (als steigers, vlonders etc.). De kosten voor aanleg en voor het beheer en onderhoud komen voor rekening van die gemeente;

  • 3)

    Het afmeren in de directe nabijheid van een sluis of een beweegbare brug is verboden. In de voorhaven is alleen het afmeren aan bestaande wachtvoorzieningen (wachten op de volgende bediening) toegestaan;

  • 4)

    Buiten de bebouwde kom is het afmeren alleen toegestaan aan de provinciale passantensteigers voor de recreatietoervaart, met dien verstande dat er niet langer mag worden afgemeerd dan een periode van 3 x 24 uur;

  • 5)

    De strook langs de vaarten die in bezit is van de provincie Flevoland heeft een specifieke en onmisbare functie voor de instandhouding en het beheer en onderhoud van de vaarweg. Het is daarom belangrijk dat deze strook toegankelijk en in eigendom blijft voor de provincie uit oogpunt van efficiënt en doelmatig beheer en onderhoud en niet voor medegebruik wordt uitgegeven aan particulieren;

  • 6)

    Schepen mogen de oevers en afmeervoorzieningen van de provinciale vaarten niet langdurig gebruiken voor (semi-) permanente bewoning. Uitzondering hierop zijn gemeentelijke initiatieven voor “wonen op het water” die zijn vastgelegd in een bestemmingsplan.

4.2.1 Matrix algemene randvoorwaarden

  • 1)

    De relatie tussen deze algemene randvoorwaarden voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen en de functie en zonering van de provinciale vaarten is weergegeven in onderstaande matrix:

Functies vaarwegen

Economische ontwikkeling, recreatie en toerisme

Natuur, landschap

en cultuurhistorie

Stedelijk profiel

Zonering van oevers              

A) Bedrijven-

terrein, grote recreatieve terreinen

B) Manoeuvreer-ruimte bij sluizen

Ecologische verbindingszone

Openbare ruimte binnen bebouwde kom

Specifieke situaties              

 

 

 

 

Aanleggen van insteekhavens

+

-

-

-

Laden en lossen bij loswallen / kades

+

-

-

-

Afmeren bij sluizen en wachtsteigers

-

+

-

-

Afmeren bij passanten-steigers

+ 1)

-

+

+

Afmeren bij overige loswallen / kades 2)

-

-

-

-

Wonen in de vaarten

-

-

-

- 3)

Ligplaats voor aanwonenden

-

-

-

-

Betekenis van de tekens in de tabel: “+” toegestaan onder voorwaarden, “-“ niet toegestaan.

1) Betreft alleen afmeergelegenheden bij grootschalige recreatieve terreinen 2) inclusief de provinciale loswallen en kades, zie verder paragraaf 4.3, punt 2; 3) uitgezonderd gemeentelijke initiatieven, vastgelegd in bestemmingsplannen.

  • 2)

    Tenslotte geeft de provincie voorrang aan de beroepsvaart ten opzichte van de recreatietoervaart vanwege de grotere maatvoering van de schepen en daarmee een groter impact op het gebruik van de provinciale vaarten, alsmede door de directe afhankelijkheid van diverse bedrijven in Flevoland van de beroepsvaart.

4.3 Specifieke situaties langs provinciale vaarten

 

Naast en deels ook ter verfijning van de zonering van de oevers zijn specifieke aspecten nader uitgewerkt en er zijn voor specifieke locaties aanvullende randvoorwaarden geformuleerd.

  • 1)

    Loswallen en kades bij bedrijventerreinen

In de provinciale vaarten zijn in de loop der tijd meerdere loswallen en kades aangelegd, vaak als onderdeel van bedrijventerreinen. Deze loswallen en kades zijn indertijd op verzoek en op kosten van de gemeenten of het betreffende bedrijf aangelegd. In bijlage 2 zijn de gebieden aangegeven met bedrijventerreinen. Oevers waar geen kades of loswallen zijn aangelegd, zijn niet geschikt om te gebruiken voor bedrijfsmatige activiteiten (laden en lossen van goederen). Dit vanwege het hoogteverschil tussen het dek van het schip en de plasberm, de kwetsbaarheid van de het talud / plasberm en de kwetsbaarheid van de beschoeiing voor de druk van de schepen. Eventuele nieuwe verzoeken voor het aanleggen van afmeervoorzieningen kunnen alleen worden gerealiseerd in de vorm van insteekhavens, als onderdeel van bestaande (en eventueel nieuw aan te leggen) bedrijventerreinen ten behoeve van economische activiteiten. Hiervoor moet een ontheffing worden aangevraagd, omdat de beheerstrook langs de vaart onderdeel deel gaat uitmaken van die insteekhaven. Dit geldt ook voor de aanleg direct langs de vaarten van grootschalige recreatieve voorzieningen.

  • 2)

    Loswallen en kades in provinciaal eigendom

Enkele loswallen en kades zijn eigendom van de provincie Flevoland zelf en zijn niet ingericht en bedoeld als openbare ligplaats voor het tijdelijk of permanent afmeren van schepen. Deze liggen in de Lemstervaart (hm. 11,1 links), de Lage vaart (hm. 34,5 links) en de Hoge vaart (hm. 27 rechts). De provincie gebruikt deze loswallen voor de opslag van materialen die nodig zijn voor het beheer en onderhoud van wegen en vaarwegen.

  • 3)

    Openbare wachtplaatsen bij sluizen en bruggen

De doorgaande scheepvaart moet soms bij sluizen en beweegbare bruggen wachten, omdat de brug of sluis voor een ander schip wordt bediend. Het is verboden om, anders dan voor het wachten op de volgende bediening, af te meren in de directe nabijheid van alle sluizen en beweegbare bruggen die in de provinciale vaarten liggen. Dit om de schepen voldoende ruimte te geven om te manoeuvreren en elkaar te passeren. De wachtende schepen kunnen afmeren aan daarvoor aangelegde wachtvoorzieningen. Deze situatie geldt ook voor de beweegbare bruggen die in eigendom en beheer zijn van gemeenten. Bij de grootste en drukste sluizen heeft deze zone een lengte van ongeveer 400 meter, zoals voor de Zuidersluis is berekend en vastgelegd in een onafhankelijk onderzoek (Alkyon, 2010). Voor kleinere en / of minder drukke sluizen zal deze zone 100 – 300 meter omvatten. Schepen die wachten op de volgende brugbediening moeten ook de ruimte hebben om goed en veilig een tijdelijke wachtplaats in te nemen. Voor alle beweegbare bruggen is deze strook bepaald op 50 meter, aan elke zijde van de brug. De lengte hiervan is kleiner dan bij de sluizen, omdat de wachttijd op de volgende bediening veel korter is. Ook is de noodzaak om tijdelijk af te meren dan minder vaak aanwezig, omdat een deel van de schepen er zonder brugopening kunnen doorvaren.

  • 4)

    Openbare ligplaatsen voor de recreatietoervaart

In de provinciale vaarten liggen ongeveer dertig openbare ligplaatsen voor de recreatietoervaart, waarvan de meeste in beheer en eigendom zijn van de provincie Flevoland (zie bijlage 1). De algemene uitgangspunten en hoofdlijnen hebben geen gevolgen voor de aanwezigheid en functie van deze bestaande passantensteigers. Overigens kunnen deze steigers ook worden gebruikt voor het afmeren van kano’s, al zijn slechts enkele van deze steigers daar specifiek geschikt voor (o.a. Binnenzee / Hoge vaart Almere). Voor veel van deze aanlegplaatsen is een beperking van het gebruik ingesteld via een maximale ligduur van 3 x 24 uur. Het doel van deze afmeervoorzieningen is om zo veel mogelijk passanten de gelegenheid te geven daar enkele dagen af te meren. Daarom is het verboden om deze ligplaatsen te gebruiken voor aaneengesloten perioden langer dan 3 dagen, ook niet als het meerdere achtereenvolgende perioden betreft van maximaal 3 dagen met een korte onderbreking. In dat geval is feite sprake is van het (semi-) permanent innemen van een ligplaats in de provinciale vaarten. Er is in Flevoland één passantensteiger waar langer dan 3 x 24 uur mag worden afgemeerd. Deze steiger ligt in de bebouwde kom van Emmeloord en is in beheer en eigendom van de gemeente Noordoostpolder.

  • 5)

    Ligplaatsen voor schepen / vaartuigen met een woonfunctie

Schepen mogen de oevers en afmeervoorzieningen van de provinciale vaarten niet langdurig gebruiken voor (semi-) permanente bewoning. Hieronder vallen niet alleen de woonarken, maar ook alle andere schepen die tijdelijk of permanent als woon- of verblijfplaats dienen. Een uitzondering hierop vormen de initiatieven van gemeenten voor “wonen op het water”, die zijn vastgelegd in bestemmingsplannen en via een insteekhaven zijn aangetakt op de provinciale vaarten.

  • 6)

    Ligplaatsen voor de recreatietoervaart voor aanwonenden

Langs de totale lengte van de vaarten ligt een strook grond van 5 tot 6 meter van de provincie, die nodig is voor het beheer en onderhoud van de vaarwegen. Enkele delen van de oever zijn in bezit van derden (bedrijven of andere overheden). Deze bestaande situaties zullen niet wijzigen, maar verdere overdracht van grond langs de provinciale vaarten vindt in principe niet plaats. Dit omdat het vanuit beheer en onderhoud noodzakelijk is om in geval van uit te voeren werkzaamheden ten alle tijden vrije toegang te hebben tot deze beheerstrook. De veilige en vlotte doorvaart en de toegankelijkheid en het gebruik van de beheerstrook laten het innemen van een ligplaats ter hoogte particuliere woonpercelen niet toe. De betreffende oevers zijn en worden niet ingericht als (permanente) afmeervoorziening, omdat die functie ligt bij jachthavens.

4.4 Overige aspecten inzake ligplaatsen en afmeervoorzieningen

 

Er zijn diverse kleine voorzieningen en faciliteiten die buiten de reikwijdte van de nadere regels voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen vallen, maar er wel raakvlakken mee hebben. Daarom is het van belang om ze in dit kader te benoemen:

  • 1)

    Vissteigers

Op enkele plaatsen zijn vissteigers gebouwd, die soms speciaal toegankelijk zijn voor minder validen. Deze steigers zijn in eigendom van gemeenten, die ook het beheer en onderhoud uitvoeren. De aanleg van nieuwe steigers met die specifieke functie vindt plaats op verzoek en op kosten van de betreffende gemeente. Deze steigers mogen niet worden gebruikt als afmeersteigers voor schepen.

  • 2)

    Vlonders / kleine steigers / overige bouwwerken en constructies

In het verleden zijn op sommige plaatsen in de provinciale plaatsen vlonders of kleine steigers gebouwd op verzoek en op kosten van de betreffende gemeente of op particulier initiatief. Ze zijn niet geschikt en niet bedoeld om af te meren: afmeren aan deze bouwwerken en constructies is dan ook niet toegestaan. Als deze steigers niet meer voldoen aan de functie, dan zullen ze op last van de provincie en op kosten van de eigenaar worden afgebroken. De aanleg van nieuwe vlonders en kleine steigers is niet toegestaan. Bij gebleken behoefte kan op verzoek van de betreffende gemeente een verzoek tot aanleg worden ingediend. Dit kan alleen binnen de bebouwde kom plaatsvinden en het verzoek wordt getoetst op effecten voor de doorgaande scheepvaart en op gevolgen voor aangrenzende gebieden. Buiten de bebouwde kom worden dergelijke afmeer- voorzieningen, bij gebleken behoefte, alleen aangelegd in combinatie met een passantensteiger. Dit om de afmeervoorzieningen in de ecologische zones zo veel mogelijk te concentreren.

In de provinciale vaarten staan bouwwerken die onderdeel hebben uitgemaakt van bedrijvigheid, die nauw verbonden was met het transport over water. Het is verboden om schepen af te meren aan deze bouwwerken en constructies. Soms hebben deze bouwwerken of constructies een cultuurhistorische waarde en blijven daarom in stand. Alleen als ze geen cultuurhistorische of andere waarde meer hebben, worden ze afgebroken.

  • 3)

    Trailerhellingen

De trailerhellingen zijn bestemd om kleine schepen te water te kunnen laten die op een aanhanger / trailer worden vervoerd en mogen daarom niet worden gebruikt als aanlegplaats van schepen. Deze trailerhellingen zijn in meerderheid in eigendom van gemeenten, die ook het beheer en onderhoud uitvoeren. Bij gebleken behoefte kan op verzoek van de betreffende gemeente een verzoek tot aanleg worden ingediend, dat wordt getoetst op effecten voor de doorgaande scheepvaart en op gevolgen voor aangrenzende gebieden.

  • 4)

    Zwemvoorzieningen

Op grond van het Binnenvaart Politiereglement is het verboden om te zwemmen in gedeelten van de vaarweg die bestemd zijn voor de doorgaande scheepvaart. Het aanleggen van voorzieningen als trappen, vlonders, springplanken e.d. voor dat zwemmen is derhalve ook verboden.

4.5 Uitgangspunten voor handhaving

 

De nadere regels voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen heeft direct invloed op zowel bestaande als nieuwe situaties die niet voldoen aan hetgeen in deze nadere regels wordt bepaald. De handhaving wordt in eerste instantie gedaan door de provincie zelf. In bepaalde gevallen, zoals bij overtredingen van de maximum snelheid, zal worden samengewerkt met de politie.

4.5.1 Handhaving nieuwe situaties

Na de vaststelling van de nadere regels zullen er zich nieuwe situaties gaan voordoen en worden geconstateerd die niet voldoen aan hetgeen is vastgesteld. Het uitgangspunt daarbij is, dat er dan direct handhavend wordt opgetreden.

1) Liggen aan kade / loswal bij bedrijven- terrein 2) Langer dan 3 x 24 uur aan passanten-steiger 3) Schepen nabij sluis / beweegbare brug 4) Wonen op het water 5) Afmeren op overige verboden locaties 6) Mede- gebruik beheer-strook Nieuwe situaties direct handhaven

 

1) Liggen aan kade / loswal bij bedrijven- terrein

2) Langer dan 3 x

24 uur aan passanten-steiger

3) Schepen nabij sluis / beweegbare brug

4) Wonen op het water

5) Afmeren op overige verboden locaties

6) Mede- gebruik beheer-strook

Nieuwe situaties direct handhaven

 

      V

 

        V

 

         V

 

     V

 

       V

 

      V

4.5.2 Handhaving bestaande situaties

Er wordt een meer gedifferentieerde wijze handhaven toegepast voor de huidige situaties, die niet voldoen aan de vast te stellen nadere regels. Het gaat dan in veel gevallen om situaties, waarbij het handhavingtraject relatief lang zou kunnen zijn. Daarom worden bij de handhaving op de zes situaties twee uitgangspunten gehanteerd:

1) Liggen aan kade / loswal bij bedrijven-terrein 2) Langer dan 3 x 24 uur aan passanten-steiger 3) Schepen nabij sluis / beweegbare brug 4) Wonen op het water 5) Afmeren op overige verboden locaties 6) Mede gebruik beheer-strook

 

1) Liggen aan kade / loswal bij bedrijven-terrein

2) Langer dan 3 x 24 uur aan passanten-steiger

3) Schepen nabij sluis / beweegbare brug

4) Wonen op het water

5) Afmeren op overige verboden locaties

6) Mede gebruik beheer-strook

Direct handhaven

 

 

       V

 

         V

 

 

 

 

Handhaven, per locatie afhandelen

 

         V

 

 

 

    V

 

      V

 

    V

1) Er wordt direct na vaststelling van de nadere regels gehandhaafd in bestaande situaties, waarbij schepen langer dan 3 x 24 uur aan een passantensteiger liggen of liggen afgemeerd in de directe nabijheid van een sluis of beweegbare brug. Door de risico’s voor de doorgaande scheepvaart en het grote aantal klachten over deze situaties wordt bij de handhaving voorgang gegeven.

2) Er zijn op dit moment relatief veel schepen die zijn afgemeerd bij kades en loswallen van bedrijventerreinen en op overige verboden locaties, die ook niet voldoen aan deze nadere regels. De handhaving van deze situaties kan niet in één keer ter hand worden genomen. Er zal afhankelijk van de locale situatie, afhankelijk van de veiligheid voor de scheepvaart en de gevolgen voor het beheer en onderhoud van de vaarwegen, een gefaseerd handhavingplan worden opgesteld en uitgevoerd. Deze werkwijze wordt ook toegepast op situaties bij woningen waar de beheerstrook bij de achtertuin is getrokken van woningen, die vlak langs een vaart liggen.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

5.1 Citeertitel

 

Deze nadere regels kunnen worden aangehaald als ‘Nadere regels voor ligplaatsen en afmeervoorzieningen in provinciale vaarwegen van Flevoland’.

5.2 Inwerkingtreding

 

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 februari 2013.

Ondertekening

Gedeputeerde Staten van Flevoland, T. van de Wal, secretaris L. Verbeek,voorzitter

 

Uitgegeven op 10 januari 2013  

Bijlagen

Bijlage 1 Kaart met provinciale vaarten, passantensteigers en provinciale loswallen (HB 1404368)

Bijlage 2 Zones langs de oevers van provinciale vaarten voor het verbod op het afmeren schepen en het aanleggen van afmeervoorzieningen

  • -

    Kaart zone Manoeuvreerruimte bij sluizen en beweegbare bruggen (HB 1339111)

  • -

    Kaart zone Openbare ruimte binnen bebouwde kom (HB 1339112)

  • -

    Kaart zone Bedrijventerreinen (HB 1339114)

  • -

    Kaart zone Ecologische hoofdstructuur (HB 1339115)

De kaarten zijn op te vragen bij Klaas van der Wielen wielenk@flevoland.nl  

Bijlage 3 Tabel met hectometrering, per vaart

Noordelijk Flevoland 1)

Vaart

Zone (van – tot in km.)

Argument

Lemstervaart links

0.00 – 2.00

Openbare ruimte bebouwde kom

 

2.00 – 15.20

Ecologische verbindingszone

 

15.20 – 15.50

Manoeuvreerruimte bij sluizen

Lemstervaart rechts

0.00 – 2.00

Openbare ruimte bebouwde kom

 

2.00 – 14.50

Ecologische verbindingszone

 

14.50 – 15.20

Bedrijventerrein

 

15.20 – 15.50

Manoeuvreerruimte bij sluizen

 

 

 

Urkervaart links

0.00 – 1.00

Openbare ruimte bebouwde kom

 

1.00- 2.00

Bedrijventerrein

 

2.00 – 10.80

Ecologische verbindingszone

 

10.80 – 12.60

Bedrijventerrein

 

12.60 – 13.00

Manoeuvreerruimte bij sluizen

Urkervaart rechts

0.00 – 1.00

Openbare ruimte bebouwde kom

 

1.00 – 1.50

Bedrijventerrein

 

1.50 – 3.00

Openbare ruimte bebouwde kom

 

3.00 – 6.70

Ecologische verbindingszone

 

6.70 – 7.50

Openbare ruimte bebouwde kom

 

7.50 – 10.70

Ecologische verbindingszone

 

10.70 – 11.50

Openbare ruimte bebouwde kom

 

11.50 – 12.30

Ecologische verbindingszone

 

12.30 – 12.60

Openbare ruimte bebouwde kom

 

12.60 – 13.00

Manoeuvreerruimte bij sluizen

 

 

 

Zwolsevaart links

0.00 – 0.30

Ecologische verbindingszone

 

0.30 – 0.80

Bedrijventerrein

 

0.80 – 1.40

Openbare ruimte bebouwde kom

 

1.40 – 5.50

Ecologische verbindingszone

 

5.50 – 5.90

Openbare ruimte bebouwde kom

 

5.90 – 6.10

Manoeuvreerruimte bij sluizen

 

6.10 – 6.50

Openbare ruimte bebouwde kom

 

6.50 – 12.70

Ecologische verbindingszone

 

12.70 – 13.00

Manoeuvreerruimte bij sluizen

Zwolsevaart rechts

0.00 – 5.50

Ecologische verbindingszone

 

5.50 – 5.90

Openbare ruimte bebouwde kom

 

5.90 -6.10

Manoeuvreerruimte bij sluizen

 

6.10 – 6.50

Openbare ruimte bebouwde kom

 

6.50 – 12.70

Ecologische verbindingszone

 

12.70 – 13.00

Manoeuvreerruimte bij sluizen

1) De manoevreerruimte bij beweegbare bruggen (zonder de combinatie met een sluis) is niet apart aangegeven omdat het om een relatief klein gebied gaat. Er gelden wel dezelfde beperkingen als bij de manoevreerruimte van sluizen.

Oostelijk en Zuidelijk Flevoland

Vaart

Zone (van – tot in km.)

Argument

Hoge vaart links

0.00 – 0.40

Manoeuvreerruimte bij sluizen

 

0.40 – 2.60

Ecologische verbindingszone

 

2.60 – 7.20

Openbare ruimte bebouwde kom

 

7.20 – 46.00

Ecologische verbindingszone

 

46.00 – 46.80

Bedrijventerrein

 

46.80 – 60.90

Ecologische verbindingszone

 

60.90 - 61.10

Bedrijventerrein

 

61.10 – 61.30

Ecologische verbindingszone

 

61.30 – 61.50

Manoeuvreerruimte bij sluizen

Hoge vaart rechts

0.00 – 0.40

Manoeuvreerruimte bij sluizen

 

0.40 – 2.60

Ecologische verbindingszone

 

2.60 -  7.20

Openbare ruimte bebouwde kom

 

7.20 – 26.20

Ecologische verbindingszone

 

26.20 – 27.70

Bedrijventerrein

 

27.70 – 44.70

Ecologische verbindingszone

 

44.70 – 45.70

Openbare ruimte bebouwde kom

 

45.70 – 46.80

Bedrijventerrein

 

46.80 – 60.90

Ecologische verbindingszone

 

60.90 – 61.30

Openbare ruimte bebouwde kom

 

61.30 – 61.50

Manoeuvreerruimte bij sluizen

 

 

 

Lage vaart links

0.00 – 0.10

Ecologische verbindingszone

 

0.10 – 0.50

Manoeuvreerruimte bij sluizen

 

0.50 – 0.60  

Ecologische verbindingszone

 

0.60 – 1.70

Bedrijventerrein

 

1.70 – 9.60

Openbare ruimte bebouwde kom

 

9.60 – 22.50

 

22.50 – 23.80

Bedrijventerrein

 

23.80 – 26.60

Openbare ruimte bebouwde kom

 

26.60 – 38.60

Ecologische verbindingszone

 

38.60 – 40.30

Openbare ruimte bebouwde kom

 

40.30 – 41.20

Bedrijventerrein

 

41.20 – 45.00

Ecologische verbindingszone

 

45.00 – 45.20

Bedrijventerrein

 

45.20 – 45.50

Manoeuvreerruimte bij sluizen

 

45.50 – 45.60

Bedrijventerrein

Lage vaart rechts

0.00 - 0.10

Ecologische verbindingszone

 

0.10 - 0.50

Manoeuvreerruimte bij sluizen

 

0.50 - 1.70

Ecologische verbindingszone

 

1.70 - 3.90

Openbare ruimte bebouwde kom

 

3.90 – 21.50

Ecologische verbindingszone

 

21.50 – 23.80

Bedrijventerrein

 

23.80 – 38.00

Ecologische verbindingszone

 

38.00 – 39.80

Openbare ruimte bebouwde kom

 

39.80 – 41.20

Bedrijventerrein

 

41.20 – 45.20

Ecologische verbindingszone

 

45.20 – 45.50

Manoeuvreerruimte bij sluizen

 

45.50 – 45.60

Ecologische verbindingszone

 

 

 

Lage dwarsvaart

0.00 – 3.40

Ecologische verbindingszone

links

3.40 - 5.10

Openbare ruimte bebouwde kom

 

5.10 – 5.50

Manoeuvreerruimte bij sluizen

Lage dwarsvaart

0.00 – 4.30

Ecologische verbindingszone

rechts

4.30 – 5.10

Bedrijventerrein

 

5.10 – 5.50

Manoeuvreerruimte bij sluizen

 

 

 

Oostervaart links

0.00 – 3.20

Ecologische verbindingszone

 

3.20 – 4.50

Bedrijventerrein

Oostervaart rechts

0.00 – 3.20

Ecologische verbindingszone

 

3.20 – 4.50

Bedrijventerrein